BijbelRuth

Ruth 3

Lees Ruth 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Op de raad van Naomi, vers 1, enz., gaat Ruth naar de dorsvloer van Boaz, en legt zich neer aan zijn voeten, 6. Die, wanneer hij ontwaakt, haar vriendelijk bejegent, en het recht van lossing erkent, 8. Maar omdat er een ander was, nader verwant dan hij, wil hij eerst met die spreken, 12. Hij zendt Ruth vroeg in de morgen naar huis met een goede gift, 14.

1En Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: Mijn dochter! zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga?

2Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u geweest bent, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht gerst op de dorsvloer wannen.

3Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, voordat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.

4En het zal gebeuren, als hij neerligt, dat u de plaats zult merken, waar hij zal neergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult.

5En zij zei tot haar: Al wat u tot mij zegt, zal ik doen.

6Zo ging zij af naar de dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had.

7Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neer te liggen aan het uiterste van een korenhoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich.

8En het gebeurde te middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel.

9En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser.

10En hij zei: Gezegend bent u door JAHWEH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste goedertierenheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk.

11En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de hele stad van mijn volk weet, dat u een deugdelijke vrouw bent.

12Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.

13Blijf deze nacht over; verder in de morgen zal het gebeuren, als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar als het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als JAHWEH leeft; leg u neer tot de morgen toe.

14Zo lag zij neer aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is.

15Verder zei hij: Lang de sluier, die op u is, en houd die; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad.

16Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, die zei: Wie bent u, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.

17Ook zei zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zei tot mij: Kom niet leeg tot uw schoonmoeder.

18Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij vandaag deze zaak voltooid hebbe.