BijbelRuth

Ruth 4

Lees Ruth 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Boaz onderhandelt voor het gerecht met de andere bloedverwant, die nader verwant was dan hij, of hij zijn recht van lossing wil gebruiken en Ruth trouwen, of niet, vers 1, enz. Toen die dat weigerde, en zijn recht afstond, neemt Boaz het gerecht en het volk tot getuigen, en onder gelukwensing van alle omstanders trouwt hij Ruth, 6. Die hem Obed baart, Davids grootvader, 13. Geslachtsregister van Perez tot op David, 18.

1En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van wie Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk hierheen, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich.

2En hij nam tien mannen van de oudsten van de stad, en zei: Zet u hier; en zij zetten zich.

3Toen zei hij tot die losser: Het stuk lands, dat van onze broer Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land van de Moabieten teruggekomen is, verkocht;

4En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.

5Maar Boaz zei: Op de dag als u het land aanvaardt van de hand van Naomi, zo zult u het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van de verstorvene, om de naam van de verstorvene te verwekken over zijn erfdeel.

6Toen zei die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los u mijn lossing voor u; want ik zal niet kunnen lossen.

7Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de hele zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël.

8Zo zei de losser tot Boaz: Aanvaard u het voor u; en hij trok zijn schoen uit.

9Toen zei Boaz tot de oudsten en al het volk: U bent vandaag getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimelech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi.

10Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om de naam van de verstorvene over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam van de verstorvene niet wordt uitgeroeid van zijn broers, en van de poort van zijn plaats; u bent vandaag getuigen.

11En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; JAHWEH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloek in Efratha, en maak uw naam beroemd in Bethlehem!

12En uw huis zij, als het huis van Perez (die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat JAHWEH u geven zal uit deze jonge vrouw.

13Zo nam Boaz Ruth, en zij werd hem tot vrouw, en hij ging tot haar in; en JAHWEH gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baarde.

14Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij JAHWEH, Die niet heeft nagelaten u vandaag een losser te geven; en zijn naam worde beroemd in Israël!

15Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, die voor u beter is dan zeven zonen.

16En Naomi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster.

17En de buren gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader.

18Dit nu zijn de afstammelingen van Perez: Perez verwekte Hezron;

19En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab;

20En Amminadab verwekte Nahesson; en Nahesson verwekte Salma;

21En Salmon verwekte Boaz, en Boaz verwekte Obed;

22En Obed verwekte Isaï; en Isaï verwekte David.