Spreuken
Oude Testament · 31 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Dit boek bevat zeer voortreffelijke, heilige en leerzame spreuken of uitspraken, die koning Salomo door ingeving van de Heilige Geest (door wie hij met bijzondere wijsheid in goddelijke en menselijke zaken begiftigd was) heeft voortgebracht. En God heeft in zijn goedheid gewild dat zij tot algemeen gebruik van zijn kerk opgeschreven en bewaard zouden worden. De inhoud gaat over de ware wijsheid en de vreze van de HEERE, met allerlei zeer aangrijpende vermaningen tot de plicht die wij verschuldigd zijn, niet alleen jegens God, maar ook jegens onszelf en onze naasten, in welke staat of omstandigheid iemand op aarde ook geplaatst mag zijn, met belofte van zowel dit tegenwoordige als het toekomende leven. Ook bevat het zeer trouwhartige afradingen en waarschuwingen tegen alle zonden, ondeugden en gebreken die in strijd zijn met de eerste en tweede tafel van Gods wet, in het bijzonder tegen hoererij en overspel. Daarom wordt dit boek terecht gehouden voor een overvloeiende bron van heilzaam onderricht in alles wat vereist wordt voor een wijs, godvruchtig en aan God welgevallig beleid van ons leven en onze omgang, in alle algemene of bijzondere, particuliere of openbare beroepen. Het verdient dan ook bij alle christenen ten zeerste aanbevolen te worden, ver boven alles wat door heidense filosofen of wereldwijze mensen ooit over de wijsheid, over het hoogste goed, en over deugden en ondeugden geschreven mag zijn. Wat de samenstelling van deze spreuken betreft: het lijkt erop dat Salomo zelf de spreuken bijeengebracht heeft die, na zijn leerrijke voorrede of inleiding in de eerste 9 hoofdstukken (die vol zijn van lof op de hemelse wijsheid in het algemeen, en in het bijzonder op onze Heere Jezus Christus, die de eeuwige wijsheid en het Woord van de Vader is), van hoofdstuk 10 tot hoofdstuk 25 beschreven zijn; en dat de volgende, van hoofdstuk 25 tot hoofdstuk 30, in opdracht van de vrome koning Hizkia (toen hij het vervallen rijk herstelde) uit de aantekeningen van Salomo zelf of van andere heilige mannen uitgeschreven en samengesteld zijn. In hoofdstuk 30 staan de woorden van Agur. In het laatste hoofdstuk staat de leer van Salomo's moeder, die hij overgenomen, opgetekend en aan Gods kerk tot algemeen onderricht nagelaten heeft.