BijbelSpreuken

Spreuken 1

Lees Spreuken 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over het nut van deze spreuken, vers 1 enz. De plicht van de kinderen jegens de ouders, 8. Waarschuwing voor het gezelschap van de goddelozen, 11. De eeuwige Wijsheid zelf wordt sprekend ingevoerd, klagend over haar verachting, vermanend tot bekering, en de ongehoorzamen het eeuwige verderf dreigend, terwijl zij de gehoorzamen een vaste gelukzaligheid belooft, 20.

1De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël,

2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand;

3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en eerlijkheid;

4Om de eenvoudigen verstandigheid te geven, de jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.

5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen;

6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden van de wijzen en hun raadselen.

7De vrees van JAHWEH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

8Mijn zoon! hoor de tucht van uw vader, en verlaat de leer van uw moeder niet;

9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.

10Mijn zoon! als de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

11Als zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen de onschuldige, zonder oorzaak;

12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, zoals die in de kuil neerdalen;

13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.

14U zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen één beurs hebben.

15Mijn zoon! wandel niet met hen op de weg; weer uw voet van hun pad.

16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.

17Zeker, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

18En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

19Zo zijn de paden van een ieder die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

20De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten.

21Zij roept in het voorste van de woelingen; aan de deuren van de poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;

22U eenvoudigen! hoe lang zult u van de slechtigheid houden, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?

23Keer u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.

24Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

25En u al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;

26Zo zal Ik ook in uw verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vrees komt.

27Wanneer uw vrees komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;

28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vrees voor JAHWEH niet hebben gekozen.

30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;

31Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

32Want de afkering van de eenvoudigen zal hen doden, en de voorspoed van de zotten zal hen verderven.

33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad.