Spreuken 10
Lees Spreuken 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Over wijze en dwaze kinderen, vers 1. Onrechtvaardige en rechtvaardige rijkdom en armoede, 2, 3, 15, 22. Luiheid en vlijt, 4, 5, 26. Zegen en gelukzaligheid van de rechtvaardigen, en het onheil van de goddelozen, 6, 7, 16, 24, 25, 27, 28, 29, 30. Wijsheid en dwaasheid in het spreken, 8, 10, 11, 13, 14, 19, 20, 21, 31, 32. Oprechtheid en verkeerdheid in de wandel, 9. Het knipogen, 10. Haat en liefde, 12. Tucht, 17. Achterklap, 18. De tegengestelde lust van de dwazen en de wijzen, 23.
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt de vader; maar een zot zoon is voor zijn moeder een verdriet.
2Schatten van de goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van de dood.
3JAHWEH laat de ziel van de rechtvaardigen niet hongeren; maar de bezittingen van de goddelozen stoot Hij weg.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand van de vlijtigen maakt rijk.
5Die in de zomer verzamelt, is een verstandig zoon; maar die in de oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
6Zegeningen zijn op het hoofd van de rechtvaardigen; maar het geweld bedekt de mond van de goddelozen.
7De herinnering van de rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam van de goddelozen zal verrotten.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
11De mond van de rechtvaardigen is een springader van het leven; maar het geweld bedekt de mond van de goddelozen.
12Haat verwekt twisten; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
13In de lippen van de verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op de rug van de verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar de mond van de dwazen is de verstoring nabij.
15Het goed van de rijke is een stad van zijn sterkte; de armoede van de geringen is hun verstoring.
16Het werk van de rechtvaardigen is ten leven; de inkomst van de goddelozen is ter zonde.
17Het pad tot het leven is van degene die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
18Die de haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid van de woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen weerhoudt, is kloek verstandig.
20De tong van de rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart van de goddelozen is weinig waard.
21De lippen van de rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
22De zegen van JAHWEH, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
23Het is voor de zot als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
24De vrees van de goddeloze, die zal hem overkomen; maar de begeerte van de rechtvaardigen zal God geven.
25Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.
26Gelijk azijn voor de tanden, en gelijk rook voor de ogen is, zo is de luie voor hen, die hem uitzenden.
27De vrees voor JAHWEH vermeerdert de dagen; maar de jaren van de goddelozen worden verkort.
28De hoop van de rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting van de goddelozen zal vergaan.
29De weg van JAHWEH is voor de oprechte sterkte; maar voor de werkers van de ongerechtigheid verstoring.
30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
31De mond van de rechtvaardigen brengt overvloedig wijsheid voort; maar de tong van de verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen van de rechtvaardigen weten wat welbehaaglijk is; maar de mond van de goddelozen enkel verkeerdheid.