BijbelSpreuken

Spreuken 11

Lees Spreuken 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Over de valse weegschaal, vers 1. Hoogmoed en nederigheid, 2. Oprechtheid en verkeerdheid in de wandel, 3, 20. De rijkdom van de goddelozen, 4, 28. Huichelarij, 9. Rechtvaardigen en goddelozen, 9, 10, 11, 18, 21, 23, 28, 30, 31. Verachting van de naaste, 12. Achterklap, 13. Raadslieden, 14. Borgtocht, 15. Een goede en een kwade vrouw, 16, 22. Goedertierenheid en wreedheid, 17. Mildheid en gierigheid, 24, 25, 26. Goed en kwaad, 27. Ongeregelde huishouding, 29.

1Een bedriegelijke weegschaal is JAHWEH een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.

2Als de trots komt, zal de schande ook komen; maar met de nederige is wijsheid.

3De oprechtheid van de oprechten leidt hen; maar de verkeerdheden van de trouwelozen verstoort hen.

4Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood.

5De gerechtigheid van de oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.

6De gerechtigheid van de vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.

7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.

8De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.

9De huichelaar verderft zijn naaste door de mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.

10Een stad springt op van vreugde over het welvaren van de rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

11Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven; maar door de mond van de goddelozen wordt zij verbroken.

12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

13Die als een roddelaar wandelt, openbaart het geheime; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.

14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid van de raadslieden.

15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zeker verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.

16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, zoals de geweldigen de rijkdom vasthouden.

17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.

18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.

19Zo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade nastreeft, naar zijn dood jaagt.

20De verkeerden van hart zijn JAHWEH een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.

21Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad van de rechtvaardigen zal ontkomen.

22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.

23De begeerte van de rechtvaardigen is alleen het goede; maar de verwachting van de goddelozen is toorn.

24Er is een, die uitstrooit, die nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.

25De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.

26Wie koren inhoudt, die vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd van de verkoper.

27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, die zal het overkomen.

28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.

29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn van degene, die wijs van hart is.

30De vrucht van de rechtvaardigen is een boom van het leven; en wie zielen vangt, is wijs.

31Zie, de rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer de goddeloze en zondaar!