BijbelSpreuken

Spreuken 12

Lees Spreuken 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Tucht, vers 1. Goede, rechtvaardige, oprechte en goddeloze mensen, 2, 3, 5, 7, 10, 12, 21, 26. Een flinke en een achteloze vrouw, 4. Goed en kwaad, waar en vals spreken en getuigen, 6, 8, 13, 14, 17, 18, 22. Ingetogenen en pochers, 9. Vlijtigen en leeglopers of bedriegers, 11, 24, 27. De toorn en roem van de dwazen, en de stilzwijgendheid van de verstandigen, 16, 23. Bekommernis en blijdschap van het hart, 25. Het pad van de gerechtigheid, 28.

1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.

2De goede zal een welgevallen trekken van JAHWEH; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.

3De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel van de rechtvaardigen zal niet bewogen worden.

4Een kloeke huisvrouw is een kroon van haar heer; maar die beschaamd maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

5De gedachten van de rechtvaardigen zijn recht; de raadslagen van de goddelozen zijn bedrog.

6De woorden van de goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond van de oprechten zal ze redden.

7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis van de rechtvaardigen zal bestaan.

8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.

9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelf eert, en van het brood gebrek heeft.

10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden van de goddelozen zijn wreed.

11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.

12De goddeloze begeert het net van de bozen; maar de wortel van de rechtvaardigen zal uitgeven.

13In de overtreding van de lippen is de strik van de bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

14Een ieder wordt van de vrucht van de mond met goed verzadigd; en de vergelding van de handen van de mens zal hij tot zich teruggeven.

15De weg van de dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

16De toorn van de dwazen wordt ten zelf dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige van de valsheden, bedrog.

18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbezonnen uitspreekt; maar de tong van de wijzen is medicijn.

19Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.

20Bedrog is in het hart van degenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.

21De rechtvaardige zal geen leed overkomen; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.

22Valse lippen zijn JAHWEH een gruwel; maar die trouw handelen, zijn Zijn welgevallen.

23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart van de zotten roept dwaasheid uit.

24De hand van de vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder belasting wezen.

25Bezorgdheid in het hart van de mensen buigt het neer; maar een goed woord verblijdt het.

26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg van de goddelozen doet hen dwalen.

27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed van de mensen is van de vlijtigen.

28In het pad van de gerechtigheid is het leven; en in de weg van haar voetpad is de dood niet.