Spreuken 13
Lees Spreuken 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Tucht, vers 1, 18, 24. Wijs en dwaas spreken, 2, 3, 5, 14. Luiheid en vlijt, 4, 11, 23. Oprechte, rechtvaardige, goede en goddeloze mensen, 6, 9, 21, 22, 25. Rijkdom en armoede, 7, 8. Hoogmoed en beraad, 10. Hopen en begeren, 12, 19. Verachting van Gods woord, en vreze voor zijn gebod, 13. Goed verstand en schranderheid, 15, 16. Trouwe en ontrouwe boden, 17. Omgang met wijzen en dwazen, 20.
1Een wijs zoon hoort de tucht van de vader; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
2Een ieder zal van de vrucht van de mond het goede eten; maar de ziel van de trouwelozen het geweld.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
4De ziel van de luiaard is begerig, maar er is niets; maar de ziel van de vlijtigen zal vet gemaakt worden.
5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze brengt zich in kwade reuk, en doet zich schaamte aan.
6De gerechtigheid bewaart de oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal de zondaar omkeren.
7Er is een, die zichzelf rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelf arm maakt, en heeft veel goed.
8De losprijs van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
9Het licht van de rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden.
10Door trots maakt men niet dan ruzie; maar bij de beradenen is wijsheid.
11Goed, van zinloosheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand verzamelt, zal het vermeerderen.
12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom van het leven.
13Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, die zal vergolden worden.
14De leer van de wijze is een springader van het leven, om af te wijken van de strikken van de dood.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg van de trouwelozen is streng.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
17Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.
18Armoede en schande is van degene, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geëerd worden.
19De begeerte, die gebeurt, is zoet voor de ziel; maar het is de zotten een gruwel van het kwade af te wijken.
20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die metgezel van de zotten is, zal verbroken worden.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar de rechtvaardige zal men goed vergelden.
22De goede zal de kinderen van zijn kinderen doen erven; maar het vermogen van de zondaar is voor de rechtvaardige weggelegd.
23Het ploegen van de armen geeft veelheid van het voedsel; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
25De rechtvaardige eet tot verzadiging van zijn ziel toe; maar de buik van de goddelozen zal gebrek hebben.