BijbelSpreuken

Spreuken 16

Lees Spreuken 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God regeert de tong, de gang en het lot, vers 1, 9, 33. Eigen goeddunken, 2, 25. Vertrouwen op God, 3, 20. Het hoogste doel van Gods werken, 4. Hoogmoed, 5, 18, 19. Verzoening en de vreze van God, 6. Het tot vrede brengen van de vijanden, 7. Tevredenheid, 8. Over koningen, 10, 12, 13, 14, 15. De weegschaal, 11. De kostbaarheid van de wijsheid, 16. De wandel van de vromen, 17. Gods woord, 20. Wijze woorden, 21, 22, 23, 24. Arbeidzaamheid, 26. Deugnieten, verkeerden en geweldenaars, 27, 28, 29, 30. De grijsheid, 31. Lankmoedigheid, 32.

1De mens heeft schikkingen van het hart; maar het antwoord van de tong is van JAHWEH.

2Alle wegen van de man zijn zuiver in zijn ogen; maar JAHWEH weegt de geesten.

3Wentel uw werken op JAHWEH, en uw gedachten zullen bevestigd worden.

4JAHWEH heeft alles gewerkt voor Zichzelf; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad.

5Al wie hoog is van hart, is JAHWEH een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.

6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vrees voor JAHWEH wijkt men af van het kwade.

7Als iemands wegen JAHWEH behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.

8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid van de inkomsten zonder recht.

9Het hart van de mensen overdenkt zijn weg; maar JAHWEH bestuurt zijn gang.

10Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

11Een rechte waag en weegschaal zijn van JAHWEH; alle weegstenen van de zak zijn Zijn werk.

12Het is voor de koningen een gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.

13De lippen van de gerechtigheid zijn het welgevallen van de koningen; en elk van hen zal liefhebben die, die rechte dingen spreekt.

14De woede van de koning is als de boden van de dood; maar een wijs man zal die verzoenen.

15In het licht van het aangezicht van de koning is leven; en zijn welgevallen is als een wolk van de spade regen.

16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitmuntender, verstand te bekomen, dan zilver!

17De baan van de oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

18Trots is voor de verbreking, en hoogheid van de geest voor de val.

19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hoogmoedigen.

20Die op het woord verstandig let, zal het goede vinden; en die op JAHWEH vertrouwt, is welgelukzalig.

21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid van de lippen zal de onderwijzing vermeerderen.

22Het verstand van degenen, die het bezitten, is een springader van het leven; maar de tucht van de dwazen is dwaasheid.

23Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de onderwijzing vermeerderen.

24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste daarvan zijn wegen van de dood.

26De ziel van de arbeidzamen arbeidt voor zichzelf; want zijn mond buigt zich voor hem.

27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

28Een verkeerd man zal twist inwerpen; en een oorblazer scheidt de voornaamste vriend.

29Een man van het geweld verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.

31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op de weg van de gerechtigheid gevonden.

32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

33Het lot wordt in de schoot geworpen; maar het hele beleid daarvan is van JAHWEH.