BijbelSpreuken

Spreuken 17

Lees Spreuken 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Rust en twist, vers 1. Flinke knechten, 2. Het beproeven van de harten, 3. Leugentaal, vers 4, 7. Bespotting van de armen en ellendigen, 5. Kindskinderen en vaders, 6. Voortreffelijk spreken en zwijgen, 7, 27, 28. Geschenken, 8, 23. De naaste vergeven, 9. Dwazen, 10, 12, 16, 21, 24, 25, 28. Weerspannigheid, 11. Kwaad voor goed vergelden, 13. Twistzucht, 14, 19. Vonnissen, 15, 26. Vrienden, 17. Borgtocht, 18. Pracht, 19. Verkeerdheid van hart en tong, 20. Blijdschap en treurigheid van de geest, 22. De gebaren van de verstandigen, 24.

1Een droge korst, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.

2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden van de broers zal hij erfenis delen.

3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar JAHWEH proeft de harten.

4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

5Die de arme bespot, smaadt zijn Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.

6De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en het sieraad van de kinderen zijn hun vaders.

7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.

8Het geschenk is in de ogen van zijn heren een aangenaam gesteente; waarheen het zich zal wenden, zal het wel strekken.

9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weer ophaalt, scheidt de voornaamste vriend.

10De bestraffing gaat dieper in de verstandige, dan de zot honderdmaal te slaan.

11Zeker, de opstandige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.

12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet één zot in zijn dwaasheid.

13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

14Het begin van de twist is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat de twist, voordat hij zich vermengt.

15Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn JAHWEH een gruwel, ja, die beiden.

16Waarom toch zou in de hand van de zot het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, omdat hij geen verstand heeft?

17Een vriend heeft altijd lief; en een broer wordt in de benauwdheid geboren.

18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.

19Die de ruzie liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.

20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

21Wie een zot genereert, die zal hem tot verdriet zijn; en de vader van de dwazen zal zich niet verblijden.

22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.

23De goddeloze zal het geschenk uit de schoot nemen, om de paden van het recht te buigen.

24In het aangezicht van de verstandigen is wijsheid; maar de ogen van de zot zijn in het einde van de aarde.

25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bitter verdriet voor degene, die hem gebaard heeft.

26Het is niet goed, de rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om wat recht is.

27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.

28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.