Spreuken 19
Lees Spreuken 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Arme en rijke, vers 1, 4, 7, 22. Onbedachtzaamheid, vers 2. Dwaasheid, dwaasheid, spotternij, 1, 3, 10, 29. Vrienden, 4. Valse getuigen, leugentaal, 5, 9, 22, 28. Vorsten en giften, 6. Verstand en wijsheid, 8, 11, 20, 25. Het heersen van een knecht, 10. Zachtmoedigheid, 11. De gunst en ongunst van een koning, 12. Een dwaze zoon, 13, 26. Een kijfachtige en een verstandige vrouw, 13, 14. Luiheid, 15, 24. Godzaligheid en goddeloosheid, 16. Mildheid jegens armen, 17. Tucht, 18, 20, 25, 27. Toornigheid, 19. Gods raad, 21. IJdele roem van weldadigheid, 22. De vreze van de HEERE, 23.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
3De dwaasheid van de mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen JAHWEH vergrammen.
4Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal niet ontkomen.
6Velen smeken het aangezicht van de prinsen; en een ieder is een vriend van degene, die giften geeft.
7Al de broers van de armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal vergaan.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
11Het verstand van de mensen vertraagt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
12De toorn van de koning is als het brullen van een jonge leeuw; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen van een vrouw als een gestadig druipen.
14Huis en goed is een erfenis van de vaders; maar een verstandige vrouw is van JAHWEH.
15Luiheid doet in diepe slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
17Die zich over de armen ontfermt, leent aan JAHWEH, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
19Die groot is van woede, zal straf dragen; want zo u hem uitredt, zo zult u nog moeten voortvaren.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat u in uw laatste wijs bent.
21In het hart van de man zijn veel gedachten; maar de raad van JAHWEH, die zal bestaan.
22De wens van de mensen is zijn goedertierenheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
23De vrees voor JAHWEH is ten leven; want men zal verzadigd zijnde overnachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
24Een luiaard verbergt de hand in de boezem, en hij zal ze niet weer aan zijn mond brengen.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf de verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen van de wetenschap.
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond van de goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor de rug van de zotten.