BijbelSpreuken

Spreuken 20

Lees Spreuken 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Misbruik van de wijn, vers 1. Koningen, vers 2, 8, 26, 28. Twist, 3. Luiheid, 4, 13. Raad, 5, 18. Grootspraak en trouw, 6. Oprechtheid, 7. De zondige staat van alle mensen, 9. Gewicht en maat, 10, 23. Het oordeel over kinderlijke werken, 11. Een horend oor, een ziend oog, 12. De praktijken van de kopers, 14. De kostbaarheid van wijze woorden, 15. Borgtocht, 16. Onrechtvaardige winst, 17. Achterklap, 19. Zijn ouders vervloeken, 20. Haastige rijkdom, 21. Wraakzucht en wachten op de HEERE, 22. God regeert de gang van de mens, 24. Geloften, 25. De ziel van de mens, 27. Jeugd en ouderdom, 29. De straf van de bozen, 30.

1De wijn is een spotter, de sterke drank is onstuimig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

2De schrik van de koning is als het brullen van een jonge leeuw; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

4Om de winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in de oogst, maar er zal niet zijn.

5De raad in het hart van een man is als diepe wateren; maar een man van verstand zal die uithalen.

6Elk van de menigte van de mensen roept zijn goedertierenheid uit; maar wie zal een recht trouwe man vinden?

7De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.

8Een koning, zittende op de troon van het gericht, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.

9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?

10Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is JAHWEH een gruwel, ja die beide.

11Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.

12Een horend oor, en een ziend oog heeft JAHWEH gemaakt, ja, die beide.

13Heb de slaap niet lief, opdat u niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.

14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.

15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen van de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

16Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.

17Het brood van de leugen is de mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

19Die als een roddelaar wandelt, openbaart het geheime; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.

20Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.

21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.

22Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op JAHWEH, en Hij zal u verlossen.

23Tweeërlei weegsteen is JAHWEH een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.

24De treden van de man zijn van JAHWEH; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?

25Het is een strik van de mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.

26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.

27De ziel van de mensen is een lamp van JAHWEH, doorzoekende al de binnenkameren van de buik.

28Weldadigheid en waarheid bewaren de koning; en door goedertierenheid ondersteunt hij zijn troon.

29Het sieraad van de jongemannen is hun kracht, en de heerlijkheid van de ouden is de grijsheid.

30Gezwellen van de wonde zijn in de boze een zuivering, en ook de slagen van het binnenste van de buik.