BijbelSpreuken

Spreuken 22

Lees Spreuken 22 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Een goede naam en gunst, vers 1. Rijken en armen, 2, 7, 16. Schranderheid en onnozelheid, 3. Nederigheid in de vreze van de HEERE, 4. Verkeerden, 5. Het onderwijzen en de tucht van de jeugd, 6, 15. Onrechtvaardigen, 8. Een goedgunstig oog, 9. Spotters, 10. Reinheid van het hart en aangenaamheid van de lippen, 11. Rechte kennis en trouweloosheid, 12. De luiaard, 13. Een verleidelijke vrouw, 14. Onderdrukking van de armen, 16, 22, 23. De woorden van de wijzen, 17, 18, 19. De lof van deze spreuken, 20, 21. Het gezelschap van een toornige, 24. Borgtocht, 26, 27. Oude grenspalen, 28. Bekwaamheid in het werk, 29.

1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

2Rijken en armen ontmoeten elkaar; JAHWEH heeft hen allen gemaakt.

3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de eenvoudigen gaan heen door, en worden gestraft.

4Het loon van de nederigheid, met de vrees voor JAHWEH, is rijkdom, en eer, en leven.

5Doornen en strikken zijn in de weg van de verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

6Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis van zijn weg; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is de knecht van de lener.

8Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede van zijn toorn zal een einde nemen.

9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood de armen gegeven.

10Drijf de spotter uit, en de ruzie zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

11Die de reinheid van het hart liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.

12De ogen van JAHWEH bewaren de wetenschap; maar de zaken van de trouwelozen zal Hij omkeren.

13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden van de straten gedood worden!

14De mond van de vreemde vrouwen is een diepe gracht; op wie JAHWEH vergramd is, zal daarin vallen.

15De dwaasheid is in het hart van de jongen gebonden; de roede van de tucht zal ze verre van hem wegdoen.

16Die de arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en de rijke geeft, komt zeker tot gebrek.

17Neig uw oor, en hoor de woorden van de wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

18Want het is liefelijk, als u die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

19Opdat uw vertrouwen op JAHWEH zij, maak ik u die vandaag bekend; u ook maak ze bekend.

20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?

21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen van de waarheid; opdat u de redenen van de waarheid antwoorden mag van hen, die u zenden.

22Beroof de arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel de ellendige niet in de poort.

23Want JAHWEH zal hun rechtszaak twisten, en Hij zal van hen, die hen beroven, de ziel roven.

24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

25Opdat u zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

27Zo u niet had om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

28Zet de oude grenzen niet terug, die uw vaders gemaakt hebben.

29Hebt u een man gezien, die bekwaam in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht van de koningen gesteld worden; voor het aangezicht van de ongeachte mensen zal hij niet gesteld worden.