BijbelSpreuken

Spreuken 24

Lees Spreuken 24 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Benijding van en het gezelschap van de goddelozen, spotters en dwazen, alsook hun aard en gesteldheid, vers 1, 2, 8, 9, 15, 16, 19, 20. Wijsheid en raad, 4, 5, 6, 7, 13, 14. Slaphartigheid, 10. Het redden van de onschuldigen, 11, 12. De staat van de rechtvaardigen, 15, 16. Vreugde over het ongeluk van een ander, 17, 18. De vreze van God en van de koning, alsook oproerigheid, 21, 22. Het rechtersambt, 23, 24, 25. Een passend antwoord, 26. Huishouding en akkerbouw, 27. Getuigen en wraakzucht, 28, 29. Luiheid, 30 enz.

1Wees niet nijdig over de slechte mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.

2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;

4En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.

5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.

6Want door wijze raadslagen zult u voor u de oorlog voeren, en in de veelheid van de raadgevers is de overwinning.

7Alle wijsheid is voor de dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

8Die denkt om kwaad te doen, die zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.

9De gedachte van de dwaasheid is zonde; en een spotter is de mens een gruwel.

10Vertoon u zich slap op de dag van de benauwdheid, uw kracht is nauw.

11Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo u zich onthoudt.

12Wanneer u zegt: Zie, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal de mens vergelden naar zijn werk.

13Eet honing, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.

14Zo is de kennis van de wijsheid voor uw ziel; als u ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.

15Loer niet, o goddeloze! op de woning van de rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.

16Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad neerstruikelen.

17Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

18Opdat JAHWEH niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

19Ontsteek u niet over de boosdoeners; wees niet nijdig over de goddelozen.

20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden.

21Mijn zoon! vrees JAHWEH en de koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;

22Want hun verderf zal haastig ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?

23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

24Die tot de goddeloze zegt: U bent rechtvaardig; die zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn.

25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen van het goed zal op hen komen.

26Men zal de lippen kussen van degene, die rechte woorden antwoordt.

27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op de akker, en bouw daarna uw huis.

28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zou u verleiden met uw lip?

29Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

30Ik ging voorbij de akker van een luiaard, en voorbij de wijngaard van een verstandeloos mens;

31En ziet, hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.

32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;

33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al neerliggende;

34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw allerlei gebrek als een gewapend man.