BijbelSpreuken

Spreuken 28

Lees Spreuken 28 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Een kwaad en een goed geweten, vers 1. De verandering en het lange leven van de regeerders, 2. De wreedheid van de ene arme over de andere, 3. Goddelozen prijzen en hun weerstaan, 4. Recht verstand, 5. Arme en rijke, 6, 11. Goede en kwade zonen, 7. Woeker, 8. Het gebed van de goddelozen, 9. Verleiding, 10. Eigen wijsheid, goede en kwade regering, 12, 15, 16, 28. Belijdenis van zonden, 13. De vreze van God en verharding, 14. Een doodslager, 17. Oprechte en verkeerde wandel, 18. Vlijt en luiheid, 19. Rijkdom, 20, 22. Het rechtersambt, 21. Bestraffen en vleien, 23. Zijn ouders beroven, 24. Brutaliteit en vertrouwen op God, 25. Eigen vertrouwen en wijsheid, 26. Aalmoezen en onbarmhartigheid, 27.

1De goddelozen vluchten, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.

2Om de overtreding van het land zijn de vorsten daarvan vele; maar om verstandige en wetende mensen zal ook verlenging wezen.

3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.

4Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.

5De kwade mensen verstaan het recht niet; maar die JAHWEH zoeken, verstaan alles.

6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

7Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die metgezel van de vraten is, beschaamt zijn vader.

8Die zijn goed vermeerdert met rente en met overwinst, verzamelt dat voor degene, die zich over de armen ontfermt.

9Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.

10Die de oprechten doet dwalen op een kwade weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven.

11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.

12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.

13Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.

14Welgelukzalig is de mens, die steeds vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.

15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weer loopt.

16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.

17Een mens, gedrukt om het bloed van een ziel, zal naar de kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!

18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerd gedraagt in twee wegen, zal in de ene vallen.

19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.

20Een geheel getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.

21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.

22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.

23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

24Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is een gezel van de verdervende man.

25Die grootmoedig is, verwekt ruzie; maar die op JAHWEH vertrouwt, zal vet worden.

26Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.

27Die de armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.

28Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.