Spreuken 30
Lees Spreuken 30 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Agur belijdt zijn eigen onwetendheid en die van alle mensen in goddelijke zaken, buiten Gods woord, vers 1 enz. en verklaart dat de wijsheid, schepping en regering van alle dingen aan God de Vader en zijn Zoon toebehoren, 4. Hij roemt de reinheid en volmaaktheid van Gods woord, 5, 6. Zijn gebed om twee dingen, 7, 8, 9. Over een knecht die achterklapt bij zijn heer, 10. Vier kwade geslachten, 11 enz. Vier onverzadelijke dingen, 15, 16. Verachting van de ouders, 17. Vier dingen die moeilijk te begrijpen zijn, 18, 19. Vier ondraaglijke dingen, 21, 22, 23, 24. Vier kleine maar wijze dieren, 24 enz. Vier die statig in hun gang zijn, 29, 30, 31. Het afzien van en het voorkomen van toorn, 32, 33.
1De woorden van Agur, de zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.
2Werkelijk, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap van de heiligen gekend.
4Wie is ten hemel opgeklommen, en neergedaald? Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden van de aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam van Zijn Zoon, zo u het weet?
5Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild van hen, die op Hem betrouwen.
6Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en u leugenachtig bevonden wordt.
7Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf;
8Zinloosheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood dat mij toekomt;
9Opdat ik, verzadigd zijnde, U dan niet verloochene, en zeg: Wie is JAHWEH? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam van mijn God aantaste.
10Achterklap niet van de knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en u schuldig wordt.
11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
12Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn mest niet gewassen is;
13Een geslacht, van wie de ogen hoog zijn, en van wie de oogleden verheven zijn;
14Een geslacht, van wie de tanden zwaarden, en van wie de baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de armen van onder de mensen te verteren.
15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
17Het oog, dat de vader bespot, of de gehoorzaamheid van de moeder veracht, dat zullen de raven van de beek uitpikken, en de jongen van de arend zullen het eten.
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
19De weg van een arend in de hemel; de weg van een slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart van de zee; en de weg van een man bij een maagd.
20Zo is de weg van een overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewerkt!
21Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
24Deze vier zijn van de kleinste van de aarde; maar zij zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
25De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar voedsel.
26De konijnen zijn een machteloos volk; toch stellen zij hun huis in de rotssteen.
27De sprinkhanen hebben geen koning; toch gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen van de koningen.
29Deze drie maken een goede tred; ja, vier zijn er, die een goede gang maken;
30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal terugkeren;
31Een windhond van goed middel, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
32Zo u dwaas gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo u kwaad bedacht hebt, de hand op de mond!
33Want de drukking van de melk brengt boter voort, en de drukking van de neus brengt bloed voort, en de drukking van de toorn brengt twist voort.