Spreuken 6
Lees Spreuken 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Waarschuwing voor borgtocht, vers 1 enz. Voor luiheid, met beschaming door het voorbeeld van de mieren, 6. Voor het wezen en de gebaren van een deugniet, 12. Zes, ja zeven dingen die God haat, 16. De plicht van de kinderen jegens het goede onderwijs van hun ouders, met schone beloften, 20. In het bijzonder dat zij bewaard zullen worden voor de hoerachtige overspelige vrouwen, die met hun schadelijke vruchten en hun eigen en hun aanhangers rampzalige einde beschreven worden, 24. Vergelijking van diefstal en overspel, 30.
1Mijn zoon! zo u voor uw naaste borg geworden bent, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
2U bent verstrikt met de redenen van uw mond; u bent gevangen met de redenen van uw mond.
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, omdat u in de hand van uw naaste gekomen bent; ga, onderwerp uzelf, en sterk uw naaste.
4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering;
5Red u, als een ree uit de hand van de jager, en als een vogel uit de hand van de vogelvanger.
6Ga tot de mier, u luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
7Die, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
8Haar brood bereidt in de zomer, haar voedsel verzamelt in de oogst.
9Hoe lang zult u, luiaard, neerliggen? Wanneer zult u van uw slaap opstaan?
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al neerliggende;
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid van de mond om;
13Wenk met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingers;
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt altijd kwaad; hij werpt twisten in.
15Daarom zal zijn verderf haastig komen; hij zal plotseling verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
16Deze zes haat JAHWEH; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19Een vals getuige, die leugens blaast; en die tussen broers twisten inwerpt.
20Mijn zoon, bewaar het gebod van uw vader, en verlaat de wet van uw moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als u wandelt, zal dat u geleiden; als u neerligt, zal het over u de wacht houden; als u wakker wordt, zal het met u spreken.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven;
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei van de vreemde tong.
25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en de huisvrouw van een man jaagt de kostelijke ziel.
27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn kleren niet verbrand worden?
28Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
29Zo die tot de huisvrouw van zijn naaste ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, omdat hij honger heeft;
31En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.
32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;
33Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
34Want jaloërsheid is een woede van de man; en in de dag van de wraak zal hij niet sparen.
35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, hoewel u het geschenk vergroot.