Spreuken 7
Lees Spreuken 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Salomo vermaant tot een vertrouwelijke, innerlijke en sterke gemeenschap met de wijsheid, vers 1 enz. om bewaard te zijn voor de gevaren van de onkuise vrouwen, 5. waarvan hij een bijzonder voorbeeld voor ogen stelt, en zeer levendig de listige praktijken van een overspelige vrouw afbeeldt, en de verleiding van een dwaze jongeling, met een ernstige afmaning van zulke goddeloosheid, 6 enz.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als de appel van uw ogen.
3Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafels van uw hart.
4Zeg tot de wijsheid: U bent mijn zus; en heet het verstand uw bloedvriend;
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
7En ik zag onder de eenvoudigen; ik merkte onder de jongemannen een verstandeloze jongeling;
8Voorbijgaande op de straat, naast haar hoek, en hij trad op de weg van haar huis.
9In de schemering, in de avond van de dag, in de zwarte nacht en de donkerheid;
10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
11Deze was luidruchtig en opstandig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zei tot hem:
14Dankoffers zijn bij mij, ik heb vandaag mijn geloften betaald;
15Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht ijverig te zoeken, en ik heb u gevonden.
16Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
17Ik heb mijn bed met mirre, aloë en kaneel geurende gemaakt;
18Kom, laat ons dronken worden van liefde tot de morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verre weg getogen;
20Hij heeft een geldbuidel in zijn hand genomen; op de afgesproken dag zal hij naar zijn huis komen.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei van haar lippen.
22Hij ging haar straks achterna, zoals een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging van de boeien.
23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar de strik, en niet weet, dat die tegen zijn leven is.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen van mijn mond.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
26Want zij heeft veel gewonden neergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
27Haar huis zijn wegen van het graf, dalende naar de binnenkameren van de dood.