Spreuken 8
Lees Spreuken 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De eeuwige zelfstandige Wijsheid van de Vader (de Zoon van God, onze Heere Jezus Christus) wordt hier sprekend ingevoerd, predikend tot alle soorten mensen, openlijk en duidelijk, vers 1. Over haar leer, 6. Hoogwaardigheid, 10. Natuur, 12. Soevereine macht en heerschappij, 15. Met een verhaal van de gelukzaligheid van hen die haar aannemen, 17. Eveneens over haar eeuwige Godheid, onbegrijpelijke geboorte uit de Vader en eenheid met Hem, 22. Over haar zaligmakend ambt en vertrouwelijke openbaring aan de mensenkinderen, 31. Vermanend tot gehoorzaamheid, met belofte van zaligheid, en waarschuwend voor ongehoorzaamheid, op straffe van eeuwig verderf, 32.
1Roep de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
2Op de spits van de hoge plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
3Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid:
4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
5U eenvoudigen! versta verstandigheid, en u zotten! versta met het hart.
6Hoor, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening van Mijn lippen zal enkel eerlijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid weloverwogen uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen van Mijn mond zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
9Zij zijn alle recht voor degene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
10Neem Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
11Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
12Ik, Wijsheid, woon bij de verstandigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
13De vrees voor JAHWEH is, te haten het kwade, de trots, en de hoogmoed, en de kwade weg; Ik haat ook de mond van de verkeerdheden.
14Raad en het wezen zijn van Mij; Ik ben het Verstand, van Mij is de Sterkte.
15Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
16Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters van de aarde.
17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
19Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
20Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht;
21Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
22JAHWEH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan.
23Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van de aanvang, van de oudheden van de aarde aan.
24Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
25Voordat de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
26Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes van de wereld.
27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke van de afgrond beschreef;
28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen van de afgrond vastmaakte;
29Toen Hij voor de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde;
30Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, altijd voor Zijn aangezicht spelende;
31Spelende in de wereld van Zijn aarde, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
32Nu dan, kinderen! hoor naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoor de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakend aan Mijn poorten, waarnemende de posten van Mijn deuren.
35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van JAHWEH.
36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben de dood lief.