BijbelSpreuken

Spreuken 9

Lees Spreuken 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Hier wordt het genadewerk van onze Heere Christus, die zijn volk door zijn woord en Geest tot zijn (de hoogste wijsheid) zalige gemeenschap roept en brengt, voorgesteld onder de gelijkenis van het toebereiden van een maaltijd en het nodigen van gasten, vers 1 enz. met een tegenstelling van de aard en de gesteldheid van de spotters en de wijzen, 7. En daartegenover het verleidelijke en verderfelijke werk van de satan, onder de gelijkenis van een dwaze vrouw (vijandin van de hoogste wijsheid) die ook haar gasten nodigt, maar tot hun eeuwig verderf, 13 enz.

1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.

2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt.

3Zij heeft Haar dienaressen uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten van de stad:

4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:

5Kom, eet van Mijn brood, en drink van de wijn, die Ik gemengd heb.

6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in de weg van het verstand.

7Wie de spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek.

8Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben.

9Leer de wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs de rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.

10De vrees voor JAHWEH is het begin van de wijsheid, en de wetenschap van de heiligen is verstand.

11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren van het leven zullen u toegedaan worden.

12Als u wijs bent, u bent wijs voor uzelf; en bent u een spotter, u zult het alleen dragen.

13Een zotte vrouw is luidruchtig, de slechtigheid zelf, en weet niet met al.

14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen van de stad;

15Om te roepen degenen, die op de weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:

16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot de verstandeloze zegt zij:

17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

18Maar hij weet niet, dat daar doden zijn; haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk.