Susanna 1
Lees Susanna 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Susanna, de vrouw van Jojakim, een dochter van Chilkia, een mooie en godvrezende vrouw, 15 gaat haar tuin in om zich te wassen, 17 en zendt haar dienstmeisjes weg om zeep te halen. 19 Twee oudsten, die rechters waren en op haar verliefd waren geraakt, proberen haar tot oneer te verleiden, 21 met dreigementen dat zij haar van overspel zullen beschuldigen als zij weigert. 22 Susanna zucht, en heeft liever te sterven. 25 De oudsten maken misbaar en beschuldigen haar valselijk van overspel met een jonge man, 41 waarop zij ter dood veroordeeld en weggeleid wordt. 42 Susanna klaagt haar onschuld bij de Heere, 45 die de jongeman Daniel verwekt, die deze oudsten nader ondervraagt, 54 en hen uit hun eigen mond van valse beschuldiging overtuigt, 62 zodat zij daarom met de dood gestraft worden, 63 en de vader en de man van Susanna de Heere loven.
1Daar was een man in Babylon, van wie de naam Jojakim was.
2Die nam een vrouw genoemd Susanna, een dochter van Chelkias, die zeer schoon was, en Heere vrezende.
3Want haar ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen naar de wet van Mozes.
4En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem samen, omdat hij de aanzienlijkste was van hen allen.
5En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van wie Heere gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.
6Deze waren steeds in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden.
7En het gebeurde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man.
8En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.
9En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten.
10En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkaar hun pijn niet;
11Omdat zij zich schaamden hun lusten te vertellen, en dat zij met haar wilden te doen hebben.
12En zij namen haar dagelijks ijverig waar om haar te zien;
13En zeiden de één tot de ander: Nu dan, laat ons naar huis gaan, want het is het uur van het middagmaal.
14En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkaar, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkaar naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkaar hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij samen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden.
15En het gebeurde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna zoals zij dagelijks gewoon was, met twee dienaressen alleen en wilde zich in de hof wassen, omdat het zeer heet was.
16En daar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen.
17En zij zei tot haar maagden: Haal mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen.
18En zij deden als zij zei, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen wat haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstopt hadden.
19En het gebeurde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden:
20Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en wees bij ons.
21Maar zo niet zullen wij tegen u getuigen dat een jongeman bij u is geweest, en dat u daarom uw dienaressen van u hebt weggezonden.
22En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want als ik dat doe, zo ben ik de dood schuldig; en als ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvluchten.
23Maar het is mij raadzamer dat niet doende in uw handen te vallen, dan te zondigen tegen Heere.
24En Susanna riep met luide stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar.
25En de ene van hen toelopende deed de deuren van de hof open.
26Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar gebeurd was.
27Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.
28En het gebeurde op de andere dag, als het volk samen kwam in het huis van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;
29En zeiden tot het volk: Zend om Susanna, de dochter van Chelkias, de huisvrouw van Jojakim, en zij zonden om haar.
30En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar familie.
31Maar Susanna was zeer teder en schoon van gezicht.
32Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.
33En die bij haar waren, en allen die haar zagen, huilden.
34En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd.
35Maar zij huilde, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op Heere.
36En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienaressen, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;
37Een jongeman kwam tot haar, die verstopt was, en legde zich bij haar.
38Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe;
39En ziende hen bij elkaar, konden wij de jongeman niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg.
40Maar deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons dat niet zeggen. Dit getuigen wij.
41En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven.
42Maar Susanna riep uit met luide stem, en zei: O eeuwige God, die een kenner bent van de verborgen dingen, en die alle dingen weet voordat zij zijn,
43U weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van wat deze tegen mij boos getuigen.
44En God hoorde haar stem.
45En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genoemd was Daniël.
46En hij riep met luide stem: Ik ben rein van dit bloed;
47En het hele volk wendde zich om naar hem, en zei: Wat rede is dit die u gesproken hebt?
48Maar hij staande in het midden van hen, zei: Bent u Israëlieten zo dwaas, dat u een dochter van Israël veroordeelt, voordat u de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt?
49Keer weer naar het gericht, want deze hebben valse dingen tegen haar getuigd.
50En het hele volk keerde met haast weer; en de oudsten zeiden tot hem: Kom hierheen, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, omdat God u het rechterambt heeft gegeven.
51En Daniël sprak tot hen: Scheid de één ver van de ander, en ik zal hen ondervragen.
52Als nu de één van de ander gescheiden was, zo riep hij de één van hen, en zei tot hem: U, die oud geworden bent in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die u te voren hebt gedaan.
53Als u onrechtvaardige oordelen oordeelde, en de onschuldige veroordeelde, maar de schuldige losliet; daar Heere zegt: U zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden.
54Nu dan, als u deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom u hen bij elkaar hebt zien verkeren, en hij zei: Onder een mastiekboom.
55Toen zei Daniël: Zeer wel, u hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel van Heere zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven.
56En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zei tot hem: U zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkheid heeft uw hart verkeerd.
57Zo hebt u de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.
58Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt u haar gegrepen, daar zij met elkaar verkeerden, en hij zei: Onder een eik.
59Toen zei Daniël tot hem: Zeer wel, u hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel van God, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij u uitroeie.
60En de hele vergadering riep uit met luide stem, en loofden God, die een Verlosser is van degenen die op Hem hopen,
61En stonden op tegen de twee oudsten, omdat Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd.
62En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op dezelfde wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden.
63Maar Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar hele familie, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden.
64En Daniël werd groot voor het volk, van die dag aan en daarna.