BijbelTitus

Titus 3

Lees Titus 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Hij vermaant Titus zijn toehoorders te willen inprenten dat zij de overheden gehoorzaam zijn. 2 Niet lasteren en twisten, maar tegen alle mensen zachtmoedigheid gebruiken. 3 daartoe de verdorven staat voorstellend waarin zij voor hun bekering geweest zijn. 4 en op welke wijze en met welk doel zij daaruit door Christus verlost zijn. 8 Dat hij hen ernstig vermaant goede werken voor te staan. 9 Dat hij alle dwaze vragen en twisten verwerpt. 10 en de ketterse mensen mijdt. 12 Draagt hem op tot hem te komen te Nikopolis. 13 Zenas te begeleiden en verzorgen. 14 Dat de gelovigen geleerd worden goede werken voor te staan. 15 en besluit de brief met de gebruikelijke groeten.

1Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot elk goed werk bereid zijn;

2Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende tegenover alle mensen.

3Want ook wij waren vroeger onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en hartstochten dienende, in boosheid en afgunst levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende.

4Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,

5Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest;

6Die Hij over ons rijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker;

7Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop van het eeuwige leven.

8Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn de mensen.

9Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.

10Verwerp een ketterse mens na de eerste en tweede terechtwijzing;

11Wetende, dat zo iemand verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.

12Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo doe uw best om tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren.

13Geleid Zenas, de wetgeleerde, en Apollos zorgvuldig, opdat hun niets ontbreke.

14En dat ook de onze leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.

15Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.