BijbelTobit

Tobit 1

Lees Tobit 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Het geslachtsregister van de oude Tobias. 3 Zijn godvruchtigheid. 9 Zijn huwelijk, 10 gevankelijke wegvoering, 13 gunst bij de koning. 19 Zijn mildheid aan de armen. 21 Hij begraaft hen die door Sanherib gedood werden, 22 waarover hij beschuldigd wordt en vlucht, 25 en na de dood van de koning komt hij weer te Ninevé.

1HET Boek van de geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.

2Die als gevangene weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning van de Assyriërs, uit Thisbe: die gelegen is aan de rechterzijde van de stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.

3Ik, Tobias, heb al de dagen van mijn leven gewandeld in de wegen van de waarheid, en van de gerechtigheid, en heb veel liefdegaven gedaan aan mijn broers, en mijn volk die samen met mij vertrokken waren in het land van de Assyriërs, naar Nineve.

4En toen ik nog was in mijn land, in het land van Israël, als ik jong was, het hele geslacht Naftali, van mijn vader, week af van het huis van God te Jeruzalem, dat uitverkoren was, uit alle stammen van Israël,

5Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel van de woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten van de wereld. En al de stammen, die samen afgeweken waren, en het huis Naftali, van mijn vader, offerden het kalf Baäl.

6En ik reisde dikwijls alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, zoals bevolen is aan al het volk van Israël met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden van de vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen van Aäron, voor het altaar.

7De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen van Aäron, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.

8En de derde gaf ik die het betaamde, zoals Debora, de moeder van mijn vader, geboden had; omdat ik van mijn vader wees was gelaten.

9En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.

10En toen ik als gevangene weggevoerd werd naar Nineve,

11Zo hebben al mijn broers, en die van mijn geslacht waren, gegeten van de broden van de heidenen,

12Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at.

13Omdat ik aan de Heere dacht, met geheel mijn gemoed.

14En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.

15En ik reisde naar Medië,

16En ik gaf tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.

17En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.

18En zijn handelingen waren onstandvastig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.

19En in de dagen van Enemessar deed ik veel liefdegaven aan mijn broers.

20Ik gaf mijn brood de hongerigen, en kleren de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur van de stad Nineve, die begroef ik.

21En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik in het geheim weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.

22En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.

23En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.

24En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vluchtten op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broer, over al de rekeningen van zijn vader, en over al het bewind.

25En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weer te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon van mijn broer.