BijbelTobit

Tobit 10

Lees Tobit 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De oude Tobias en zijn vrouw verlangen zeer naar de terugkomst van hun zoon. 7 Zij wil zich niet laten troosten door haar man. 10 Tobias verzoekt met Sara naar huis te vertrekken, 12 hetgeen de ouders toestaan, en zij nemen een vriendelijk afscheid van hen.

1EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen van de reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zei Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?

2Of zou Gabaël gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou geven?

3En hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zei tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, omdat hij zo lang wacht.

4En zij begon hem te bewenen.

5En zei: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch het licht van mijn ogen was.

6En Tobias zei tot haar: Zwijg stil, en wees niet bezorgd, hij is gezond.

7Maar zij zei tot hem: Zwijg stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.

8Overdag nu at zij niet, en 's nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,

9Totdat de veertien dagen van de bruiloft voltooid waren, die Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.

10En Tobias zei tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.

11En zijn schoonvader zei tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zei: Nee, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.

12En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zei: Kinderen, de God van de hemel geve u voorspoed, voordat ik sterf. En hij zei tot zijn dochter: Houd de ouders van uw man in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.

13En Edna zei tot Tobias: Lieve broer, de Heere van de hemel brenge u weer; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Heere. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat Hij Zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.