Tobit 11
Lees Tobit 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Tobias en Rafaël reizen vooruit. 6 De moeder wordt hen gewaar, 10 de vader wordt weer ziende, doordat zijn ogen met de gal van de vis bestreken worden, 12 waarover hij God dankt 18 en met blijdschap zijn schoondochter ontvangt.
1EN hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve.
2En Rafaël zei tot Tobias: U weet, broer, hoe u uw vader achtergelaten hebt.
3Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.
4En neem de gal van de vis in de hand.
5En zij trokken heen, en de hond kwam mee achter hen.
6En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zei tot zijn vader:
7Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zei: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.
8Strijk de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.
9En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zei tot hem: Kind, ik heb u gezien, nu wil ik wel sterven; en zij huilden beiden.
10En Tobias kwam uit naar de deur en stootte zich daaraan; maar zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen van zijn vader, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken van zijn ogen.
11En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en huilde en zei:
12Geloofd bent U, o God.
13En geloofd zij Uw Naam in de eeuwigheid.
14En geloofd zijn al Uw heilige engelen; want U hebt mij gekastijd, en hebt U Zich over mij ontfermd.
15Zie, ik zie mijn zoon Tobias.
16En zijn zoon verblijd zijnde ging in,
17En boodschapte zijn vader de grote dingen, die gebeurd waren in Medië.
18En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich over hem had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Wees welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: evenzo uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broers, die te Nineve waren.
19En Achiachar en Nasbas, de zoon van zijn broer, kwamen ook tot hem.
20En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde.