BijbelTobit

Tobit 13

Lees Tobit 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Tobias de vader doet een dankzegging tot God 20 en voorzegt de herbouw van de stad Jeruzalem.

1EN Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak:

2Geloofd zij God die in de eeuwigheid leeft, en geloofd zij Zijn koninkrijk. Want Hij straft en ontfermt; Hij legt neer in het dodenrijk, en brengt er weer uit, en daar is niemand die Zijn hand zal ontvluchten.

3Dank Hem, u Israëlieten, voor de heidenen, omdat Hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoon daar Zijn grote heerlijkheid, en verheft Hem voor het aangezicht van alles wat leeft, zoals Hij onze Heere is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.

4Hij zal ons straffen in onze ongerechtigheden, en zal Zich weer over ons ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder wie Hij ons verstrooid heeft. Zo u tot Hem terugkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor Zijn aangezicht te bewijzen, dan zal Hij tot u terugkeren, en zal Zijn aangezicht voor u niet verbergen, en u zult aanschouwen wat Hij met u doen zal;

5En zult Hem danken met geheel uw mond, en u zult de Heere van de gerechtigheid loven, en zult de Koning van de eeuwigheid verheffen.

6Ik nu zal in het land van mijn gevangenis Hem openlijk belijden, en zal Zijn kracht en grote heerlijkheid aan het zondige volk vertonen.

7Keer weer, u zondaars, en doet gerechtigheid voor Zijn aangezicht; wie weet het, of Hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees?

8Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning van de hemel loven, en Zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen.

9Dat een ieder spreke, en Hem dankzegge in gerechtigheid.

10Jeruzalem, u heilige stad, Hij zal u straffen over de werken van uw kinderen, en Hij zal Zich weer ontfermen over de kinderen van de rechtvaardigen.

11Dank de Heere, want Hij is goed, en looft de Koning van de eeuwigheid, opdat Zijn tabernakel weer met vreugde in u mag gebouwd worden;

12En Hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten van de wereld.

13Vele volken zullen van verre komen tot de naam van God, van de Heere, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning van de hemel. Alle geslachten na elkaar zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.

14Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid.

15Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen van de rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Heere van de rechtvaardigen loven.

16O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw tuchtigingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in de eeuwigheid.

17Mijn ziel love God, de grote Koning.

18Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd worden;

19En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud.

20En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:

21Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid.