BijbelTobit

Tobit 2

Lees Tobit 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Tobias bereidt een grote maaltijd op het Pinksterfeest 3 en staat van de tafel op om een verworgde broeder te begraven, 8 hetgeen de buren bespotten. 10 Hij wordt blind 11 en zijn vrouw verdient de kost. 13 Hij en zijn vrouw krijgen woorden over een bokje.

1EN toen ik weer in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weer gegeven waren,

2Op het feest van Pinksteren, dat is het heilig feest van de zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel voedsel, en zei tot mijn zoon: Ga heen, en breng mee wie u zult vinden van onze broers, die gebrek heeft en aan de Heere denkt, en ziet, ik zal op u wachten.

3En hij weer komende zei: Vader, één uit ons geslacht ligt gewurgd en geworpen op de markt.

4En ik sprong op, voordat ik voedsel nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat de zon zou ondergegaan zijn.

5En wederkerende waste ik mij, en at mijn brood met treurigheid.

6En ik werd gedachtig van de profetie van Amos zoals hij gezegd had:

7Uw feestdagen zullen in leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei. En ik huilde.

8En als de zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en begroef hem,

9En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om die zaak wil; hij is voortvluchtig geweest, en zie, opnieuw begraaft hij de dode.

10En diezelfde nacht keerde ik weer na het begraven, en omdat ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren;

11En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de dokters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais.

12En mijn huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.

13En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje.

14En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zei tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weer, want het is ons niet geoorloofd te eten wat gestolen is. En zij zei: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; maar ik geloofde haar niet, en zei dat zij het de heren weer geven zou.

15En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zei tot mij: Waar zijn nu uw liefdegaven en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u is.