Tobit 3
Lees Tobit 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Tobias is bedroefd over de woorden van zijn vrouw en bidt God om de dood. 7 Sara, de dochter van Raguël, wordt ook gesmaad door de dienstmaagden van haar vader en bidt evenzo, 25 en de engel Rafaël wordt gezonden om beiden te troosten en te helpen.
1TOEN werd ik droevig, en huilde, en bad met smarten en sprak:
2Heere, U bent rechtvaardig, en al Uw wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en U oordeelt een waarachtig en rechtvaardig oordeel in de eeuwigheid.
3Gedenk mij en zie mij aan, en wreek U niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden van mijn vaders, die tegen U gezondigd hebben.
4Want zij zijn Uw geboden ongehoorzaam geweest, en U hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord van versmading onder alle volken, waaronder wij verstrooid zijn.
5En nu, Heere, Uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn zonden en die van mijn vaders, omdat wij Uw geboden niet hebben gedaan, want wij hebben niet oprecht voor U gewandeld.
6En nu zeg ik, doe met mij naar wat behagelijk is voor U; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, omdat ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel verdriet in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer Uw aangezicht van mij niet af.
7Juist op diezelfde dag gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienaressen van haar vader.
8Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, voordat zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.
9En zij zeiden tot haar: Wordt u nog niet wijs, u die uw mannen verstikt?
10U hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet één van hun wordt u genoemd.
11Wat slaat u ons om hunnentwil? als zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.
12Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, maar zij zei: Ik ben een enige dochter van mijn vader, als ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.
13En zij bad aan het venster en zei:
14Gezegend bent U, o Heere mijn God, en gezegend zij Uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in de eeuwigheid. Dat al Uw werken U prijzen in de eeuwigheid.
15En nu, Heere, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot U begeven.
16Ik heb gezegd, dat U mij zou verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid mag horen.
17U weet, Heere, dat ik zuiver ben van alle misdaad van de man.
18En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam van mijn vader in het land van mijn gevangenis.
19Ik ben een eniggeborene van mijn vader, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;
20Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.
21Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?
22En als het U niet goeddunkt mij te doden,
23Zo beveel dat men mij aanzie, en zich over mij ontferme, en geef dat ik geen smaad meer mag horen.
24En het gebed van deze beiden werd verhoord voor de heerlijkheid van de grote God.
25En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erfenis te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias teruggekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.