Tobit 5
Lees Tobit 5 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 De jonge Tobias zoekt een man die hem naar Medië zou begeleiden 5 en vindt de engel Rafaël, 15 die zegt dat hij Azarja was, een man uit zijn eigen geslacht. 25 Zij beiden aanvaarden de reis, waarover de moeder bedroefd is 28 en door haar man getroost wordt.
1EN Tobias antwoordende, zei: Vader, alles wat u mij geboden hebt, zal ik doen.
2Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?
3En toen gaf hij hem het handschrift, en zei tot hem:
4Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld.
5En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,
6Die was een engel, maar hij wist het niet.
7En hij zei tot hem: Zou u met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië?
8En bent u ook in die plaats bekend?
9En de engel zei tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broer geherbergd.
10En Tobias zei tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en wacht niet langer.
11En ingegaan zijnde, zei hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.
12En hij kwam in, en zij groetten elkaar.
13En Tobias zei tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht bent u? geef het mij te kennen.
14En hij zei tot hem: Zoekt u een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zei tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.
15Hij dan zei: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een van uw broers.
16En Tobias zei: Welkom bent u broer.
17En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.
18Ook u bent mijn broer, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;
19Omdat wij samen naar Jeruzalem getrokken zijn om te aanbidden, en daarheen de eerstgeborenen van het vee en de tienden van de vruchten brachten.
20En zij zijn niet verleid geworden tot de afdwaling van onze broers.
21Broeder, u bent van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme per dag, en wat u nodig zijn zal, zoals mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, als u gezond terugkeert.
22En zij zijn zo overeengekomen.
23En hij zei tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga u wel.
24En zijn zoon bereidde wat tot de reis nodig was, en zijn vader zei tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel van God trekke met u.
25En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond van de jongeling ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt u ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?
26Och of dat geld nooit voorgekomen was, maar dat wat wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.
27Want wat ons door de Heere gegeven is om van te leven, is ons genoeg.
28En Tobias zei tot haar: Heb geen zorg, zus, hij zal gezond weer komen, en uw ogen zullen hem zien.
29Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weer keren; en zij hield op van huilen.