Tobit 6
Lees Tobit 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Terwijl Tobias zich wast in de rivier de Tigris, wordt hij door een vis besprongen, 5 die hij grijpt en in stukken houwt, en hij neemt daaruit de lever, het hart en de gal, naar de raad van de engel, 9 die hem het gebruik daarvan aanwijst 12 en hem raadt Sara, de dochter van Raguël, te trouwen, 15 waarin hij moeite vindt vanwege de boze geest, 19 tegen wie de engel hem raad geeft om die te verdrijven.
1EN ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en overnachtten daar.
2En de jongeling klom neer om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier.
3En hij wilde de jongeling verslinden.
4Maar de engel zei tot hem: Grijp de vis aan.
5En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.
6En de engel zei tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren.
7En de jongeling deed zoals de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.
8En de jongeling zei tot de engel: Azarias, broer, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis?
9En hij zei tot hem: Wat het hart en de lever betreft, als iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet u roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.
10En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.
11En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren,
12Zo zei de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen vandaag te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genoemd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.
13Want u komt haar erfenis toe. En u bent alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.
14En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weer zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou van de dood schuldig zijn, omdat het u past de erfenis te ontvangen meer dan enig man.
15Toen zei de jongeling tot de engel: Azarias, broer, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.
16En nu, ik ben een enig kind van mijn vader, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, zoals de voorgaanden, omdat een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neer brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.
17En de engel zei tot hem: Gedenkt u niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat u een huisvrouw zou nemen uit uw geslacht?
18En nu hoor mij, broer, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel.
19Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als u ingaat in de bruidskamer, zo zult u as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken.
20En de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet terugkeren.
21Maar wanneer u nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en Zich over u ontfermen.
22En vrees niet, omdat deze u is bereid van de eeuwigheid, en u zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat uit haar kinderen voor u geboren zullen worden.
23En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.