Tobit 8
Lees Tobit 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Tobias wordt ook in de kamer gebracht en verdrijft de boze geest, zoals hem geleerd was. 4 Hij en zijn bruid staan op en bidden God. 9 Raguël maakt een graf voor Tobias, omdat hij vreesde dat ook hij gestorven zou zijn. 13 Doch wanneer hij merkt dat hij leefde, prijst hij God 17 en laat een grote maaltijd bereiden.
1EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.
2En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as van de reukoffers, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook.
3En als de duivel de reuk rook, zo vluchtte hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.
4En als zij nu beiden bij elkaar gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zei: Sta op, zus, en laat ons bidden, opdat zich de Heere over ons ontferme.
5En Tobias begon te zeggen: Gezegend bent U, o God van onze vaders, en geloofd zij Uw Naam, die heilig en heerlijk is in de eeuwigheid, U moeten de hemelen loven, en al Uw schepselen.
6U hebt Adam gemaakt, en U hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht van de mensen geboren. U hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij.
7En nu, Heere, niet om hoererij neem ik deze mijn zus, maar in oprechtheid.
8Beveel dan dat men zich over mij ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zei met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.
9En Raguël stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?
10En Raguël kwam in zijn huis, en zei tot Edna zijn vrouw:
11Zend een van de dienaressen, en laat haar zien of hij leeft; en zo niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand wete.
12En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.
13En zij kwam weer uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.
14En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd bent U, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten U Uw heiligen, en al Uw schepselen, en al Uw engelen, en Uw uitverkorenen; loven moeten zij U in alle eeuwigheid. Geloofd bent U, dat U mij hebt verheugd, en dat mij niet is gebeurd, volgens wat ik gedacht had. Maar U hebt met ons gehandeld naar Uw grote barmhartigheid.
15Geloofd bent U, dat U Zich hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Heere, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.
16En hij beval de huisknechten het graf te stoppen.
17En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zei tot hem met ede, voordat de dagen van de bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen van de bruiloft volbracht zouden zijn.
18En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige, zei hij, zal u toevallen, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorven zijn.