Zacharia 1
Lees Zacharia 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet vermaant de Joden tot ware bekering, opdat zij niet gestraft worden zoals vroeger hun vaderen, vers 1, enz. daarna beschrijft hij twee visioenen, het eerste van een man op een rood paard, die boodschapt dat Jeruzalem weer gebouwd zou worden, 7. het andere van vier horens en vier smeden, die betekenen dat de vijanden van het volk van God verslagen zouden worden, 18, enz.
1In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende:
2JAHWEH is zeer vertoornd geweest tegen uw vaders.
3Daarom zeg tot hen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Keer weer tot Mij, spreekt JAHWEH van de legermachten, zo zal Ik weer tot u keren, zegt JAHWEH van de legermachten.
4Wees niet als uw vaders, tot wie de vorige profeten riepen, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Bekeer u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt JAHWEH.
5Uw vaders, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?
6Toch Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: Zoals JAHWEH van de legermachten gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, zo heeft Hij met ons gedaan.
7Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende:
8Ik zag in de nacht, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden.
9En Ik zei: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zei tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn.
10Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zei: Deze zijn het, die JAHWEH uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen.
11En zij antwoordden de Engel van JAHWEH, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het hele land zit en het is stil.
12Toen antwoordde de Engel van JAHWEH, en zei: JAHWEH van de legermachten! hoe lang zult U Zich niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke U gram geweest bent, deze zeventig jaren?
13En JAHWEH antwoordde de Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden.
14En de Engel, Die met mij sprak, zei tot mij: Roep uit, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver.
15En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig boos, maar zij hebben ten kwade geholpen.
16Daarom zegt JAHWEH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt JAHWEH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.
17Roep nog, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want JAHWEH zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
18En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen.
19En ik zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zei tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.
20En JAHWEH toonde mij vier smeden.
21Toen zei ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen van de heidenen neer te werpen, welke de hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.