BijbelZacharia

Zacharia 14

Lees Zacharia 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Profetie over de grote ellende die de stad Jeruzalem zou overkomen, vers 1, enz. Maar met de belofte dat de HEERE de zijnen zou behouden en zalig maken, 3. Verder wordt hier gesproken over de voortreffelijke gaven die de HEERE over zijn kerk zou uitstorten, en over haar zalige en heerlijke staat, 8. En over de straf en ondergang van haar vijanden, 12. En over de bekering van sommigen van hen, vers 16. Alsmede over de heilige ijver van de kerk.

1Zie, de dag komt voor JAHWEH, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!

2Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft van de stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden.

3En JAHWEH zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, zoals op de dag als Hij gestreden heeft, op de dag van de strijd.

4En Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de andere helft daarvan naar het zuiden.

5Dan zult u vluchten door de vallei van Mijn bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, zoals u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal JAHWEH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o JAHWEH!

6En het zal op die dag gebeuren, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.

7Maar het zal een enige dag zijn, die JAHWEH bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal gebeuren, ten tijde 's avonds, dat het licht zal wezen.

8Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen in de zomer en in de winter zijn.

9En JAHWEH zal tot Koning over de hele aarde zijn; op die dag zal JAHWEH één zijn, en Zijn Naam één.

10Dit hele land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, naar het zuiden van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van de toren van Hananeel, tot aan de wijnbakken van de koning toe.

11En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.

12En dit zal de plaag zijn, waarmee JAHWEH al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem strijd gevoerd zullen hebben: Hij zal ieders vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en ieders ogen zullen uitteren in hun holen; ieders tong zal in hun mond uitteren.

13Ook zal het op die dag gebeuren, dat er een groot geluid van JAHWEH onder hen zal wezen, zodat zij ieder de hand van zijn naaste zullen aangrijpen, ieders hand zal tegen de hand van zijn naaste opgaan.

14En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen van alle heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en kleren in grote menigte.

15Zo zal ook de plaag van de paarden, van de muildieren, van de kamelen, en van de ezels, en aller beesten zijn, die in die legers geweest zullen zijn, gelijk hun plaag geweest is.

16En het zal gebeuren, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden de Koning, JAHWEH van de legermachten, en om te vieren het feest van de loofhutten.

17En het zal gebeuren, zo wie van de geslachten van de aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om de Koning, JAHWEH van de legermachten, te aanbidden, zo zal er over hen geen regen wezen.

18En als het geslacht van de Egyptenaren, over wie de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plaag over hen zijn, waarmee JAHWEH die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten.

19Dit zal de zonde van de Egyptenaren zijn, en ook de zonde van alle heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten.

20Te die dage zal op de bellen van de paarden staan: De HEILIGHEID VAN JAHWEH. En de potten in het huis van JAHWEH zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;

21Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen JAHWEH van de legermachten heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en daarvan nemen, en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis van JAHWEH van de legermachten, op die dag.