Zacharia 6
Lees Zacharia 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Het achtste visioen van vier wagens, dat aanwijst dat God zijn oordelen zou voltrekken over de vijanden van zijn kerk, vers 1, enz. Een bevel om kronen te maken, waardoor het koninklijke en het priesterlijke ambt van de Heere Christus wordt aangeduid, die de tempel van de HEERE, dat is zijn kerk, zou opbouwen, waartoe ook de heidenen geroepen zouden worden, 9, enz.
1En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.
2Aan de eerste wagen waren rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden.
3En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren.
4En ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?
5En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij stonden voor de Heere van de hele aarde.
6Aan welke wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, die achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.
7En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Ga heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.
8En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.
9En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende:
10Neem van de als gevangene weggevoerden van Cheldai, van Tobia, en van Jedaja, en kom u op die dag, en ga in in het huis van Josia, de zoon van Zefanja, die uit Babel gekomen zijn;
11Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester.
12En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, zeggende: Zie, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen.
13Ja, Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en de raad van de vrede zal tussen die Beiden wezen.
14En die kronen zullen wezen voor Chelem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Chen, de zoon van Zefanja, tot een herinnering in de tempel van JAHWEH.
15En die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen in de tempel van JAHWEH, en u zult weten, dat JAHWEH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren, als u vlijtig zult horen naar de stem van JAHWEH, van uw God.