Zacharia 9
Lees Zacharia 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie over de uitroeiing van de vijanden van het volk van God, vers 1, enz. en over de verlossing en bescherming van de kerk van God door Christus, hun eeuwige Koning, 8. wiens intocht in de stad Jeruzalem duidelijk beschreven wordt, 9. Vermaning aan de overige Joden, die nog in Babel waren, dat zij vandaar zouden vertrekken en naar Jeruzalem zouden terugkeren, 12. En de HEERE God belooft hun overwinning tegen hun vijanden, alsmede allerlei zegen, 13, enz.
1De last van het woord van JAHWEH over het land Chadrach en Damascus, zijn rust; want JAHWEH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël.
2En ook zal Hij Hamath daarmee bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;
3En Tyrus zich vestingen gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk van de straten;
4Zie, JAHWEH zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.
5Askelon zal het zien, en zal vrezen; evenzo Gaza, en zal grote smart hebben, en ook Ekron, omdat wat, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.
6En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal de hoogmoed van de Filistijnen uitroeien.
7En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn gruwelijke dingen van tussen zijn tanden; zo zal hij ook onze God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
8En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het leger, vanwege de doorgaande, en vanwege de wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien.
9Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen.
10En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde.
11U ook aangaande, o Sion! door het bloed van uw verbond, heb Ik uw gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uitgelaten.
12Keer u weer tot de vesting, u gebondenen, die daar hoopt! ook vandaag verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;
13Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraïm de boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held.
14En JAHWEH zal over hen verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en Adonai JAHWEH zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.
15JAHWEH van de legermachten zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een geluid maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, zoals het bekken, zoals de hoeken van het altaar.
16En JAHWEH, hun God, zal ze op die dag behouden, als zijnde de kudde van Zijn volk; want gekroonde stenen zullen in Zijn land, als een banier, opgericht worden.
17Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongemannen, en de nieuwe wijn zal de jonkvrouwen sprekende maken.