Zefanja 1
Lees Zefanja 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De Heere voorzegt de ondergang van Jeruzalem en de verwoesting van de hele stam Juda door de Babyloniërs, vanwege hun afgoderij en andere zonden, terwijl Hij hen vermaant tot boete, omdat de wegvoering naar Babel voorhanden was.
1Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Zefanja, de zoon van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda.
2Ik zal geheel alles wegrapen uit dit land, spreekt JAHWEH.
3Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogels van de hemel, en de vissen van de zee, en de struikelblokken met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt JAHWEH.
4En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en de naam van de Chemarim met de priesters;
5En die zich neerbuigen op de daken voor het leger van de hemel, en die zich neerbuigende zweren bij JAHWEH, en zweren bij Malcham;
6En die terugkeren van achter JAHWEH; en die JAHWEH niet zoeken, en vragen naar Hem niet.
7Zwijg voor het aangezicht van de Heere JAHWEH; want de dag van JAHWEH is nabij; want JAHWEH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd.
8En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van JAHWEH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen van de koning, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.
9Ook zal Ik op diezelfde dag bezoeking doen over al wie over de dorpel springt; die het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.
10En er zal op die dag, spreekt JAHWEH, een stem van het gekrijt zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.
11Huil, u inwoners van de laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.
12En het zal gebeuren te die tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: JAHWEH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.
13Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen van die wijn niet drinken.
14De grote dag van JAHWEH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van JAHWEH; de held zal daar bitter schreeuwen.
15Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angst, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid;
16Een dag van de bazuin en van het geklank tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoeken.
17En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen JAHWEH gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als mest.
18Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van JAHWEH; maar door het vuur van Zijn ijver zal dit hele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, zeker, een haastige, met al de inwoners van dit land.