BijbelZefanja

Zefanja 2

Lees Zefanja 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De profeet vermaant de Joden tot bekering, voordat de straffen hen overvallen, in het bijzonder de vromen die nog in het land overgebleven waren, vers 1 enz. Dreigementen over enkele buitenlandse heidense volken, 4 enz. daartussen voorzegt hij de roeping van de heidenen tot de kennis van God en de ware godsdienst.

1Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw, u volk, dat met geen lust bevangen wordt!

2Voordat het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hitte van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt; terwijl de dag van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt.

3Zoek JAHWEH, alle u zachtmoedigen van het land, die Zijn recht werken! Zoek gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult u verborgen worden in de dag van de toorn van JAHWEH.

4Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.

5Wee de inwoners van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van JAHWEH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.

6En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herder, en betuiningen van de kudden.

7En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als JAHWEH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.

8Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen zijn gebied.

9Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zeker zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen van Mijn volk zullen ze beroven, en het overige van Mijn volk zal ze erfelijk bezitten.

10Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van JAHWEH van de legermachten.

11Vreselijk zal JAHWEH tegen hen wezen, want Hij zal al de goden van de aarde doen uitteren; en ieder uit zijn plaats zal Hem aanbidden, al de eilanden van de heidenen.

12Ook u, Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn.

13Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn.

14En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappels overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.

15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.