Zefanja 3
Lees Zefanja 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Klacht van de profeet over de zonden van alle standen van het Joodse volk, met name over hun halsstarrigheid, vers 1 enz. hij dreigt hen met de straf van God, 8. Daarna profeteert hij hoe God de heidenen tot zijn kennis zou brengen, zijn kerk van haar zonden zou reinigen, haar zou beschermen en haar vijanden zou verdelgen, maar haar zou verheerlijken, 9 enz.
1Wee van de ijselijke, en van de bevlekte, van de verdrukkende stad!
2Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op JAHWEH; tot haar God nadert zij niet.
3Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen.
4Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan.
5De rechtvaardige JAHWEH is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; elke morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; maar de verkeerde weet van geen schaamte.
6Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.
7Ik zei: Immers zult u Mij vrezen, u zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, werkelijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.
8Daarom verwacht Mij, spreekt JAHWEH, op de dag als Ik Mij opmake tot de roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te verzamelen, om over hen Mijn toorn, de hele hitte van Mijn toorn uit te storten, want dit hele land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.
9Zeker, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen de Naam van JAHWEH aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparige schouder.
10Van de zijden van de rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter van mijn verstrooiden, Mijn offergaven brengen.
11Te die dage zult u niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmee u tegen Mij overtreden hebt; want dan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hoogmoed, en u zult u voortaan niet meer verheffen omwille van Mijn heilige berg.
12Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam van JAHWEH betrouwen.
13De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en neerliggen, en niemand zal hen verschrikken.
14Zing vrolijk, u dochter van Sion, juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde met heel uw hart, u dochter van Jeruzalem!
15JAHWEH heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning van Israël, JAHWEH, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien.
16Te die dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.
17JAHWEH, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.
18De bedroefden, vanwege de bijeenkomst, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar.
19Zie, Ik zal te die tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het hele land, waar zij beschaamd zijn geweest.
20In die tijd zal Ik u herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zeker Ik zal u zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken van de aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt JAHWEH.