{
  "number": 31,
  "verses": [
    {
      "number": 1,
      "textSV1888": "Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:",
      "text1637": "HEt gebeurde oock in ’t [1] elfste jaer, in de derde [maent], op den eersten der maent; [dat] des HEEREN woort tot my geschiedde, seggende:",
      "text2026": "Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende:",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "1",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "1 elfde jaar: Na de wegvoering van Jojachin; zie boven Ezech. 1:2, enz. Ezechiël 1:2: Op den vijfden derzelve maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van den koning Jojachin),",
          "text1637": "Na de wechvoeringe van Iojachin. Siet boven 1.2. etc.",
          "text2026": "1 elfde jaar: Na de wegvoering van Jojachin; zie boven Ez. 1:2, enz. Ezechiël 1:2: Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin),"
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יְהִ֗י",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HC/Vqw3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אַחַ֤ת",
          "strongs": "H259",
          "morph": "HR/Acfsa"
        },
        {
          "woord": "עֶשְׂרֵה֙",
          "strongs": "H6240",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "שָׁנָ֔ה",
          "strongs": "H8141",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "בַּ/שְּׁלִישִׁ֖י",
          "strongs": "H7992",
          "morph": "HRd/Aomsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אֶחָ֣ד",
          "strongs": "H259",
          "morph": "HR/Acmsa"
        },
        {
          "woord": "לַ/חֹ֑דֶשׁ",
          "strongs": "H2320",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הָיָ֥ה",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "דְבַר",
          "strongs": "H1697",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "יְהוָ֖ה",
          "strongs": "H3068",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֵלַ֥/י",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "לֵ/אמֹֽר",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HR/Vqc"
        }
      ],
      "text2026_html": "Het gebeurde ook in het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende:",
      "textSV1888_html": "Het gebeurde ook in het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:",
      "text1637_html": "HEt gebeurde oock in ’t <sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> elfste jaer, in de derde [maent], op den eersten der maent; [dat] des HEEREN woort tot my geschiedde, seggende:",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "het woord des HEEREN tot mij geschiedde",
          "new": "het woord van JAHWEH tot mij kwam",
          "principe": "V1230"
        },
        {
          "old": "den eersten der",
          "new": "de eerste van de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "des HEEREN",
          "new": "het",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "",
          "new": "van JAHWEH",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "geschiedde,",
          "new": "gebeurde,",
          "principe": null
        }
      ]
    },
    {
      "number": 2,
      "textSV1888": "Mensenkind! zeg tot Farao, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?",
      "text1637": "Menschen-kint, segt tot Pharao den Coninck van Egypten, ende tot sijne [2] menichte: [3] Wien zijt ghy gelijck in uwe grootheyt?",
      "text2026": "Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid?",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "2",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, al zijn volk.",
          "text1637": "D. al sijn volck.",
          "text2026": "Dat is, al zijn volk."
        },
        {
          "marker": "3",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "3 Wien zijt gij gelijk: Alsof God zeide: Beeldt gij u in dat er uws gelijke nooit geweest is en dat u derhalve niets kan deren? Let eens op den groten monarch van Assyrië, hoe die gevaren is, en maakt uwe rekening; vergelijk Jes. 23:13. Jesaja 23:13: Ziet, het land der Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefondeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld.",
          "text1637": "Als of Godt seyde: Beeldt ghy u in, datter uwes gelijcke noyt geweest en is, ende dat u derhalven niets kan deeren? lett eens op den grooten Monarch van Assyrien, hoe die gevaren zy, ende maeckt uwe rekeninge. Vergel. Iesa. 23.13.",
          "text2026": "3 Wie bent u gelijk: Alsof God zei: Beeldt u u in dat er uws gelijke nooit geweest is en dat u daarom niets kan deren? Let eens op de grote monarch van Assyrië, hoe die gevaren is, en maakt uwe rekening; vergelijk Jes. 23:13. Jesaja 23:13: Ziet, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אָדָ֕ם",
          "strongs": "H120",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֱמֹ֛ר",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HVqv2ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "פַּרְעֹ֥ה",
          "strongs": "H6547",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "מֶֽלֶךְ",
          "strongs": "H4428",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "מִצְרַ֖יִם",
          "strongs": "H4714",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "הֲמוֹנ֑/וֹ",
          "strongs": "H1995",
          "morph": "HNcmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "מִ֖י",
          "strongs": "H4310",
          "morph": "HTi"
        },
        {
          "woord": "דָּמִ֥יתָ",
          "strongs": "H1819",
          "morph": "HVqp2ms"
        },
        {
          "woord": "בְ/גָדְלֶֽ/ךָ",
          "strongs": "H1433",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp2ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> menigte:<sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> Wie bent u gelijk in uw grootheid?",
      "textSV1888_html": "Mensenkind! zeg tot Farao, den koning van Egypte, en tot zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> menigte:<sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?",
      "text1637_html": "Menschen-kint, segt tot Pharao den Coninck van Egypten, ende tot sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> menichte: <sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> Wien zijt ghy gelijck in uwe grootheyt?",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "Wien zijt gij",
          "new": "Wie bent u",
          "principe": "A1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 3,
      "textSV1888": "Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.",
      "text1637": "Siet, [4] Assur was [5] een [a] Ceder op den Libanon, schoon van tacken, [6] schaduw-achtich van loof, ende hooch van [7] stam: ende sijn top was tusschen dichte tacken.",
      "text2026": "Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "4",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, de koning van Assyrië.",
          "text1637": "D. de Coninck van Assyrien.",
          "text2026": "Dat is, de koning van Assyrië."
        },
        {
          "marker": "5",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "5 een ceder op den Libanon: Dat is, was gelijk een cederboom; door deze ganse figuurlijke rede wordt beduid de grootheid, heerlijkheid en macht der Assyrische monarchie. Zie Richt. 9:15; vergelijk Ps. 80:11; boven Ezech. 17:3, 17:22, 17:23; Dan. 4:10, enz. Richteren 9:15: En de doornenbos zeide tot de bomen: Indien gij mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit den doornenbos, en vertere de cederen van den Libanon. Psalmen 80:11: De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods. Ezechiël 17:3: En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder. Ezechiël 17:22: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal; Ezechiël 17:23: Op den berg der hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.",
          "text1637": "D. was gelijck een cederboom: Door dese gantsche figuerlicke reden wort beduydt de grootheyt, heerlickheyt ende macht der Assyrische Monarchie. Siet Iudic. 9. op vers 15. ende vergel. Psal. 80.9. boven 17.3, 22, 23. Dan. 4.10, etc.",
          "text2026": "5 een ceder op de Libanon: Dat is, was gelijk een cederboom; door deze gehele figuurlijke rede wordt beduid de grootheid, heerlijkheid en macht van de Assyrische monarchie. Zie Richt. 9:15; vergelijk Ps. 80:11; boven Ez. 17:3, 17:22, 17:23; Dan. 4:10, enz. Richteren 9:15: En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. Psalmen 80:11: De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God. Ezechiël 17:3: En zeg: Zo zegt de Heer JAHWEH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene verven had, kwam op de Libanon, en nam de oppersten tak van een ceder. Ezechiël 17:22: Zo zegt de Heer JAHWEH: Ik zal ook van de oppersten tak van de hoge ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijn jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hoge en verhevenen berg planten zal; Ezechiël 17:23: Op de berg van de hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijn takken zullen zij wonen. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot."
        },
        {
          "marker": "6",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "6 schaduwachtig van loof: Of, schaduwende, schaduw makende, [met zijne] struiken, of takken; idem een schaduwmakend woud, of bos, alzo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van woud en struiken, takken, of loof.",
          "text1637": "Ofte, schaduwende, schaduwe makende, [met sijne] struycken, ofte, tacken: item, een schaduw-makende wout, ofte bosch, alsoo het Hebr. woort de beteeckeninge heeft van, wout, ende struycken, tacken, ofte loof.",
          "text2026": "6 schaduwachtig van loof: Of, schaduwende, schaduw makende, [met zijne] struiken, of takken; idem een schaduwmakend woud, of bos, zo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van woud en struiken, takken, of loof."
        },
        {
          "marker": "7",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Gelijk boven Ezech. 17:6. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.",
          "text1637": "Als boven 17.6.",
          "text2026": "Gelijk boven Ez. 17:6. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp."
        },
        {
          "marker": "a",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Dan. 4:10. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.",
          "text1637": "Dan. 4.10. etc.",
          "text2026": "Dan. 4:10. Daniël 4:10: De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "הִנֵּ֨ה",
          "strongs": "H2009",
          "morph": "HTm"
        },
        {
          "woord": "אַשּׁ֜וּר",
          "strongs": "H804",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֶ֣רֶז",
          "strongs": "H730",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בַּ/לְּבָנ֗וֹן",
          "strongs": "H3844",
          "morph": "HRd/Np"
        },
        {
          "woord": "יְפֵ֥ה",
          "strongs": "H3303",
          "morph": "HAamsc"
        },
        {
          "woord": "עָנָ֛ף",
          "strongs": "H6057",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/חֹ֥רֶשׁ",
          "strongs": "H2793",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "מֵצַ֖ל",
          "strongs": "H6751",
          "morph": "HVhrmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/גְבַ֣הּ",
          "strongs": "H1362",
          "morph": "HC/Aamsc"
        },
        {
          "woord": "קוֹמָ֑ה",
          "strongs": "H6967",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/בֵ֣ין",
          "strongs": "H996",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "עֲבֹתִ֔ים",
          "strongs": "H5688",
          "morph": "HNcbpa"
        },
        {
          "woord": "הָיְתָ֖ה",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3fs"
        },
        {
          "woord": "צַמַּרְתּֽ/וֹ",
          "strongs": "H6788",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "Zie,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> Assur was<sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> ceder op de Libanon, schoon van takken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> schaduwachtig van loof, en hoog van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> stam, en zijn top was tussen dichte takken.",
      "textSV1888_html": "Zie,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> Assur was<sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> ceder op den Libanon, schoon van takken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> schaduwachtig van loof, en hoog van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> stam, en zijn top was tussen dichte takken.",
      "text1637_html": "Siet, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> Assur was <sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> een <sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> Ceder op den Libanon, schoon van tacken, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> schaduw-achtich van loof, ende hooch van <sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> stam: ende sijn top was tusschen dichte tacken.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 4,
      "textSV1888": "De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.",
      "text1637": "De [8] wateren [9] maeckten hem groot, [10] d’afgront maeckte hem hooch: [11] Die ginck met sijne stroomen rontom sijne [12] plantinge, ende [13] sondt sijne water-leydingen uyt tot alle boomen des velts.",
      "text2026": "De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "10",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "10 de afgrond maakte hem hoog: Dat is, diepe wateren, grote diepten.",
          "text1637": "D. diepe wateren, groote diepten.",
          "text2026": "10 de afgrond maakte hem hoog: Dat is, diepe wateren, grote diepten."
        },
        {
          "marker": "11",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "11 die ging met zijn stromen rondom: Afgrond, of diepte.",
          "text1637": "Afgront, ofte, diepte.",
          "text2026": "11 die ging met zijn stromen rondom: Afgrond, of diepte."
        },
        {
          "marker": "12",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Gelijk boven Ezech. 17:7. Ezechiël 17:7: Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.",
          "text1637": "Als boven 17.7.",
          "text2026": "Gelijk boven Ez. 17:7. Ezechiël 17:7: Nog was er een grote adelaar, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar dezelfde toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijn planting toe."
        },
        {
          "marker": "13",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "13 zond zijn waterleidingen uit: Dat is, deelde van zijn overvloed anderen koningen mede, die minder waren dan hij, en door hem welvoeren.",
          "text1637": "D. deelde van sijnen overvloet anderen Coningen mede, die minder waren als hy, ende door hem welvoeren.",
          "text2026": "13 zond zijn waterleidingen uit: Dat is, deelde van zijn overvloed anderen koningen mee, die minder waren dan hij, en door hem welvoeren."
        },
        {
          "marker": "8",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, de gelegenheid en toevloeiing, die Ik hem beschikte van alles wat tot wasdom van zijn staat mocht dienen; vergelijk boven Ezech. 17:5, 17:8, en Ezech. 19:10, enz. en onder vers 5, 31:7. Ezechiël 17:5: Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. Ezechiël 17:8: Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht. Ezechiël 19:10: Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. Ezechiël 31:5: Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. Ezechiël 31:7: Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.",
          "text1637": "D. de gelegentheyt ende toevloeyinge die ick hem beschickte van alles, wat tot wasdom sijnes staets mochte dienen. Vergel. bov. 17.5, 8. ende 19.10, etc. ende ond. vers 9.",
          "text2026": "Dat is, de gelegenheid en toevloeiing, die Ik hem beschikte van alles wat tot wasdom van zijn staat mocht dienen; vergelijk boven Ez. 17:5, 17:8, en Ez. 19:10, enz. en onder vers 5, 31:7. Ezechiël 17:5: Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. Ezechiël 17:8: Hij was in een goede akker bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht. Ezechiël 19:10: Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. Ezechiël 31:5: Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. Ezechiël 31:7: Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was."
        },
        {
          "marker": "9",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "9 maakten hem groot: Of, brachten, kweekten hem op.",
          "text1637": "Ofte, brachten, queeckten hem op.",
          "text2026": "9 maakten hem groot: Of, brachten, kweekten hem op."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "מַ֣יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "גִּדְּל֔וּ/הוּ",
          "strongs": "H1431",
          "morph": "HVpp3cp/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "תְּה֖וֹם",
          "strongs": "H8415",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "רֹֽמְמָ֑תְ/הוּ",
          "strongs": "H7311",
          "morph": "HVop3fs/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "נַהֲרֹתֶ֗י/הָ",
          "strongs": "H5104",
          "morph": "HNcmpc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "הֹלֵךְ֙",
          "strongs": "H1980",
          "morph": "HVqrmsa"
        },
        {
          "woord": "סְבִיב֣וֹת",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbpc"
        },
        {
          "woord": "מַטָּעָ֔/הּ",
          "strongs": "H4302",
          "morph": "HNcmsc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HC/To"
        },
        {
          "woord": "תְּעָלֹתֶ֣י/הָ",
          "strongs": "H8585",
          "morph": "HNcfpc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "שִׁלְחָ֔ה",
          "strongs": "H7971",
          "morph": "HVpp3fs"
        },
        {
          "woord": "אֶ֖ל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵ֥י",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׂדֶֽה",
          "strongs": "H7704",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "De<sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> wateren<sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> maakten hem groot,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> de afgrond maakte hem hoog;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> die ging met zijn stromen rondom zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> planting, en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld.",
      "textSV1888_html": "De<sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> wateren<sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> maakten hem groot,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> de afgrond maakte hem hoog;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> die ging met zijn stromen rondom zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> planting, en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.",
      "text1637_html": "De <sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> wateren <sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> maeckten hem groot, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> d’afgront maeckte hem hooch: <sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> Die ginck met sijne stroomen rontom sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> plantinge, ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> sondt sijne water-leydingen uyt tot alle boomen des velts.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des velds.",
          "new": "van het veld.",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 5,
      "textSV1888": "Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.",
      "text1637": "Daerom wiert sijn stam hooger dan alle boomen des velts: ende sijne tacxkens wierden menichvuldich, ende sijne scheuten lanck, van wegen de [14] groote wateren, als hy [15] uytschoot.",
      "text2026": "Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden veelvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "14",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "14 grote wateren: Zie vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.",
          "text1637": "Siet vers 4.",
          "text2026": "14 grote wateren: Zie vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld."
        },
        {
          "marker": "15",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zijne scheuten uitwierp en zich uitbreidde. Vergelijk boven Ezech. 17:6; of, als hij uitbotte, botten kreeg. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.",
          "text1637": "Sijne scheuten uytwierp, ende sich uytbreydde. Vergel. boven 17.6. ofte, als hy uytbottede, ofte, botten kreech.",
          "text2026": "Zijne scheuten uitwierp en zich uitbreidde. Vergelijk boven Ez. 17:6; of, als hij uitbotte, botten kreeg. Ezechiël 17:6: En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopenden wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "עַל",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "כֵּן֙",
          "strongs": "H3651",
          "morph": "HTm"
        },
        {
          "woord": "גָּבְהָ֣א",
          "strongs": "H1361",
          "morph": "HVqp3fs"
        },
        {
          "woord": "קֹמָת֔/וֹ",
          "strongs": "H6967",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "מִ/כֹּ֖ל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵ֣י",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׂדֶ֑ה",
          "strongs": "H7704",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וַ/תִּרְבֶּ֨ינָה",
          "strongs": "H7235",
          "morph": "HC/Vqw3fp"
        },
        {
          "woord": "סַֽרְעַפֹּתָ֜י/ו",
          "strongs": "H5634",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וַ/תֶּאֱרַ֧כְנָה",
          "strongs": "H748",
          "morph": "HC/Vqw3fp"
        },
        {
          "woord": "פארת/ו",
          "strongs": "H6288",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "מִ/מַּ֥יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HR/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "רַבִּ֖ים",
          "strongs": "H7227",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/שַׁלְּחֽ/וֹ",
          "strongs": "H7971",
          "morph": "HR/Vpc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden veelvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> grote wateren, als hij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> uitschoot.",
      "textSV1888_html": "Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen des velds; en zijn takjes werden menigvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> grote wateren, als hij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> uitschoot.",
      "text1637_html": "Daerom wiert sijn stam hooger dan alle boomen des velts: ende sijne tacxkens wierden menichvuldich, ende sijne scheuten lanck, van wegen de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> groote wateren, als hy <sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> uytschoot.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des velds;",
          "new": "van het veld;",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "menigvuldig,",
          "new": "veelvuldig,",
          "principe": "V394"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 6,
      "textSV1888": "Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.",
      "text1637": "[16] Alle [b] vogelen des Hemels nestelden op sijne tacxkens, ende alle dieren des velts teelden onder sijne scheuten: ende alle groote volcken saten onder sijne [17] schaduwe.",
      "text2026": "Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "16",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "16 Alle vogelen des hemels: Hebreeuws, alle vogels nestelden, en zo alle dieren wierpen jongen, of teelden: dat is, allerlei, of vele volken waren onder zijn gebied en heerschappij; alzo Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan dezelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.",
          "text1637": "Hebr. allen vogel nestelden, ende soo, alle dier wierpen jongen, ofte, teelden: D. allerleye, ofte, vele volckeren waren onder sijn gebiet ende heerschappye. alsoo Dan. 4.12.",
          "text2026": "16 Alle vogels van de hemel: Hebreeuws, alle vogels nestelden, en zo alle dieren wierpen jongen, of teelden: dat is, allerlei, of vele volken waren onder zijn gebied en heerschappij (גּוֹיִם); zo Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed."
        },
        {
          "marker": "17",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Beschutting, of protectie nemende tot hem hunne toevlucht; vergelijk Ps. 91:1; alzo onder vers 17. Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.",
          "text1637": "Beschuttinge, ofte, protectie, nemende tot hem haren toevlucht. Vergel. Psal. 91.1. alsoo ond. vers 17.",
          "text2026": "Beschutting, of protectie nemende tot hem hunne toevlucht; vergelijk Ps. 91:1; zo onder vers 17. Psalmen 91:1: Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden."
        },
        {
          "marker": "b",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan dezelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.",
          "text1637": "Dan. 4.12.",
          "text2026": "Dan. 4:12. Daniël 4:12: Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel aan dezelfde voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "בִּ/סְעַפֹּתָ֤י/ו",
          "strongs": "H5589",
          "morph": "HR/Ncfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "קִֽנְנוּ֙",
          "strongs": "H7077",
          "morph": "HVpp3cp"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "ע֣וֹף",
          "strongs": "H5775",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׁמַ֔יִם",
          "strongs": "H8064",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/תַ֤חַת",
          "strongs": "H8478",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "פֹּֽארֹתָי/ו֙",
          "strongs": "H6288",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "יָֽלְד֔וּ",
          "strongs": "H3205",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "כֹּ֖ל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "חַיַּ֣ת",
          "strongs": "H2416",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׂדֶ֑ה",
          "strongs": "H7704",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/בְ/צִלּ/וֹ֙",
          "strongs": "H6738",
          "morph": "HC/R/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "יֵֽשְׁב֔וּ",
          "strongs": "H3427",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "כֹּ֖ל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "גּוֹיִ֥ם",
          "strongs": "H1471",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "רַבִּֽים",
          "strongs": "H7227",
          "morph": "HAampa"
        }
      ],
      "text2026_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> Alle<sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> schaduw.",
      "textSV1888_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> Alle<sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> schaduw.",
      "text1637_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> Alle <sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> vogelen des Hemels nestelden op sijne tacxkens, ende alle dieren des velts teelden onder sijne scheuten: ende alle groote volcken saten onder sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> schaduwe.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "vogelen des hemels",
          "new": "vogels van de hemel",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "des velds",
          "new": "van het veld",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 7,
      "textSV1888": "Alzo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.",
      "text1637": "Alsoo was hy schoon in sijne grootheyt, [ende] inde lengte sijner tacken: om dat sijn wortel aen groote wateren was.",
      "text2026": "Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.",
      "marginNotes": [],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יְּיִ֣ף",
          "strongs": "H3302",
          "morph": "HC/Vqw3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גָדְל֔/וֹ",
          "strongs": "H1433",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אֹ֖רֶךְ",
          "strongs": "H753",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו",
          "strongs": "H1808",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כִּֽי",
          "strongs": "H3588",
          "morph": "HC"
        },
        {
          "woord": "הָיָ֥ה",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "שָׁרְשׁ֖/וֹ",
          "strongs": "H8328",
          "morph": "HNcmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "מַ֥יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "רַבִּֽים",
          "strongs": "H7227",
          "morph": "HAampa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was.",
      "text1637_html": "Alsoo was hy schoon in sijne grootheyt, [ende] inde lengte sijner tacken: om dat sijn wortel aen groote wateren was.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "Alzo",
          "new": "Zo",
          "principe": "V42"
        },
        {
          "old": "zijner",
          "new": "van zijn",
          "principe": "N7"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 8,
      "textSV1888": "De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
      "text1637": "De [18] Cederen in [c] Godes hof en verduysterden hem niet, de denneboomen en waren sijne tacken niet gelijck, ende de castany-boomen en waren niet gelijck sijne scheuten: [19] Geen boom in Godes hof was hem gelijck in sijne schoonheyt.",
      "text2026": "De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "18",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, de andere koningen en prinsen, hoewel ook groot en heerlijk zijnde, gelijk de cederen van een paradijs, gelijk het eerste was, konden zijn glans niet verdonkeren of verbergen; gelijk de zon het schijnsel van andere sterren bij dag verduistert, alzo verduisterde hij allen glans van anderen. Vergelijk boven Ezech. 28:13, en onder vers 9, 31:16. Ezechiël 28:13: Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde.",
          "text1637": "D. d’andere Coningen ende Princen, hoewel oock groot ende heerlick zijnde, gelijck de cederen van een Paradijs, gelijck het eerste was, en konden sijnen glants niet verdonckeren, ofte verbergen, gelijck de Sonne het schijnsel van andere sterren by dage verduystert, alsoo verduysterde hy allen glants van anderen. Vergel. bov. 28.13. ende onder vers 9, 16.",
          "text2026": "Dat is, de andere koningen en prinsen, hoewel ook groot en heerlijk zijnde, gelijk de cederen van een paradijs, gelijk het eerste was, konden zijn glans niet verdonkeren of verbergen; gelijk de zon het schijnsel van andere sterren bij dag verduistert, zo verduisterde hij allen glans van anderen. Vergelijk boven Ez. 28:13, en onder vers 9, 31:16. Ezechiël 28:13: U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uw trommelen en uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werdt, waren zij bereid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde."
        },
        {
          "marker": "19",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "19 geen boom in Gods hof: Hebreeuws, alle boom was niet, enz., dat is, geen boom was, enz. Zie 1 Kon. 11:34; alzo onder vers 14. 1 Koningen 11:34: Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
          "text1637": "Hebr. alle boom was niet, etc. D. geen boom was, etc. siet 1.Reg. 11. op vers 34. alsoo onder vers 14.",
          "text2026": "19 geen boom in Gods hof: Hebreeuws, alle boom was niet, enz., dat is, geen boom was, enz. Zie 1 Kon. 11:34; zo onder vers 14. 1 Koningen 11:34: Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen."
        },
        {
          "marker": "c",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Gen. 2:8. Genesis 2:8: Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, dien Hij geformeerd had.",
          "text1637": "Gen. 2.8.",
          "text2026": "Gen. 2:8. Genesis 2:8: Ook had JAHWEH God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij geformeerd had."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "אֲרָזִ֣ים",
          "strongs": "H730",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "לֹֽא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HTn"
        },
        {
          "woord": "עֲמָמֻ/הוּ֮",
          "strongs": "H6004",
          "morph": "HVqp3cp/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גַן",
          "strongs": "H1588",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "אֱלֹהִים֒",
          "strongs": "H430",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "בְּרוֹשִׁ֗ים",
          "strongs": "H1265",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "לֹ֤א",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HTn"
        },
        {
          "woord": "דָמוּ֙",
          "strongs": "H1819",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "סְעַפֹּתָ֔י/ו",
          "strongs": "H5589",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/עַרְמֹנִ֥ים",
          "strongs": "H6196",
          "morph": "HC/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "לֹֽא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HTn"
        },
        {
          "woord": "הָי֖וּ",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "כְּ/פֹֽארֹתָ֑י/ו",
          "strongs": "H6288",
          "morph": "HR/Ncfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עֵץ֙",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גַן",
          "strongs": "H1588",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "אֱלֹהִ֔ים",
          "strongs": "H430",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "לֹא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HTn"
        },
        {
          "woord": "דָמָ֥ה",
          "strongs": "H1819",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֵלָ֖י/ו",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/יָפְיֽ/וֹ",
          "strongs": "H3308",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "De<sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> cederen in<sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
      "textSV1888_html": "De<sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> cederen in<sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
      "text1637_html": "De <sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> Cederen in <sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> Godes hof en verduysterden hem niet, de denneboomen en waren sijne tacken niet gelijck, ende de castany-boomen en waren niet gelijck sijne scheuten: <sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> Geen boom in Godes hof was hem gelijck in sijne schoonheyt.",
      "phraseDiff": []
    },
    {
      "number": 9,
      "textSV1888": "Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.",
      "text1637": "Ick hadde hem [soo] schoon gemaeckt door de veelheyt sijner tacken, dat alle boomen van Eden, die in Godes hof waren, hem benijdden.",
      "text2026": "Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid van zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.",
      "marginNotes": [],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "יָפֶ֣ה",
          "strongs": "H3303",
          "morph": "HAamsa"
        },
        {
          "woord": "עֲשִׂיתִ֔י/ו",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqp1cs/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/רֹ֖ב",
          "strongs": "H7230",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "דָּֽלִיּוֹתָ֑י/ו",
          "strongs": "H1808",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וַ/יְקַנְאֻ֨/הוּ֙",
          "strongs": "H7065",
          "morph": "HC/Vpw3mp/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵי",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "עֵ֔דֶן",
          "strongs": "H5731",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֖ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גַ֥ן",
          "strongs": "H1588",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אֱלֹהִֽים",
          "strongs": "H430",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid van zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.</i></span>",
      "text1637_html": "Ick hadde hem [soo] schoon gemaeckt door de veelheyt sijner tacken, dat alle boomen van Eden, die in Godes hof waren, hem benijdden.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "zijner",
          "new": "van zijn",
          "principe": "N7"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 10,
      "textSV1888": "Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;",
      "text1637": "Daerom, soo seyt de Heere HEERE; Om dat [20] ghy u verheven hebt over [uwen] [21] stam: Ia hy [22] stack sijnen top op boven het [23] midden der dichte tacken, ende sijn herte verhief sich over sijne hoochte:",
      "text2026": "Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u zich verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "20",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "20 gij u verheven hebt: Dit kan men nemen voor ene aanspraak aan den Assyriër, van welken God terstond [gelijk elders] weder spreekt in den derden persoon; of als een afgebroken rede tot Farao, waarvan de voltrekking volgt onder vers 18. Alsof God zeide: Omdat gij u zo verheft, zie toch eens wat de Assyriër ook deed en hoe Ik hem daarover gestraft hebt, enz. Ezechiël 31:18: Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.",
          "text1637": "Dit kanmen nemen voor eene aensprake aen den Assyrier, van welcken Godt terstont (als elders) weder spreke in de derde persoone: ofte, als een afgebroken reden tot Pharao, waer van de voltreckinge volge ond. vers 18. als of Godt seyde, om dat ghy u soo verheft, siet doch eens wat den Assyrier oock dede, ende hoe ick hem daer over gestraft hebbe, etc.",
          "text2026": "20 u u verheven hebt: Dit kan men nemen voor ene aanspraak aan de Assyriër, van welke God meteen [gelijk elders] weer spreekt in de derde persoon; of als een afgebroken rede tot Farao, waarvan de voltooiing volgt onder vers 18. Alsof God zei: Omdat u u zo verheft, zie toch eens wat de Assyriër ook deed en hoe Ik hem daarover gestraft hebt, enz. Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer JAHWEH."
        },
        {
          "marker": "21",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Vergelijk vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
          "text1637": "Vergel. vers 14.",
          "text2026": "Vergelijk vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen."
        },
        {
          "marker": "22",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, gaf; vergelijk [aangaande het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat naar gelegenheid der zaken velerlei betekenissen lijdt] 2 Sam. 18:9, en boven Ezech. 27:12, enz.; alzo vers 14. 2 Samuël 18:9: Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
          "text1637": "Hebr. gaf. Vergel. (aengaende ’t gebruyck des Hebr. woorts dat nae gelegentheyt der saken veelderleye beteeckeningen lijdt,) 2.Sam. 18. op vers 9. ende boven 27.12. etc. alsoo vers 14.",
          "text2026": "Hebreeuws, gaf; vergelijk [aangaande het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat naar gelegenheid van de zaken velerlei betekenissen lijdt] 2 Sam. 18:9, en boven Ez. 27:12, enz.; zo vers 14. 2 Samuël 18:9: Absalom nu ontmoette voor het aangezicht van de knechten van David; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een grote eik, zo werd zijn hoofd vast aan de eik, dat hij hangen bleef tussen de hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door. Ezechiël 27:12: Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen."
        },
        {
          "marker": "23",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "23 midden der dichte takken: Hebreeuws, alsof men zeide, de tusschenheid; dat is, stak uit onder, en verhief zich boven andere koningen, heren, vorsten, enz. Vergelijk boven Ezech. 19:11. Ezechiël 19:11: En hij had sterke roeden tot scepteren der heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.",
          "text1637": "Hebr. als ofmen seyde, de tusschenheyt. D. stack uyt onder, ende verhief sich boven andere Coningen, Heeren, Vorsten, etc. Vergel. boven 19.11.",
          "text2026": "23 midden van de dichte takken: Hebreeuws, alsof men zei, de tusschenheid; dat is, stak uit onder, en verhief zich boven andere koningen, heren, vorsten, enz. Vergelijk boven Ez. 19:11. Ezechiël 19:11: En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijn takken."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "לָ/כֵ֗ן",
          "strongs": "H3651",
          "morph": "HR/D"
        },
        {
          "woord": "כֹּ֤ה",
          "strongs": "H3541",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "אָמַר֙",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֣/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהוִ֔ה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "יַ֕עַן",
          "strongs": "H3282",
          "morph": "HC"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֥ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "גָּבַ֖הְתָּ",
          "strongs": "H1361",
          "morph": "HVqp2ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/קוֹמָ֑ה",
          "strongs": "H6967",
          "morph": "HR/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וַ/יִּתֵּ֤ן",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HC/Vqw3ms"
        },
        {
          "woord": "צַמַּרְתּ/וֹ֙",
          "strongs": "H6788",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "בֵּ֣ין",
          "strongs": "H996",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "עֲבוֹתִ֔ים",
          "strongs": "H5688",
          "morph": "HNcbpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/רָ֥ם",
          "strongs": "H7311",
          "morph": "HC/Vqp3ms"
        },
        {
          "woord": "לְבָב֖/וֹ",
          "strongs": "H3824",
          "morph": "HNcmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גָבְהֽ/וֹ",
          "strongs": "H1363",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u zich verheven hebt over<sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> uw stam, ja, hij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> stak zijn top op boven het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;",
      "textSV1888_html": "Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat<sup class=\"note-marker\" data-note=\"20\">20</sup> gij u verheven hebt over<sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> uw stam, ja, hij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> stak zijn top op boven het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;",
      "text1637_html": "Daerom, soo seyt de Heere HEERE; Om dat <sup class=\"note-marker\" data-note=\"20\">20</sup> ghy u verheven hebt over [uwen] <sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> stam: Ia hy <sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> stack sijnen top op boven het <sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> midden der dichte tacken, en<i>de</i> sijn herte verhief sich over sijne hoochte:",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "de Heere HEERE:",
          "new": "Adonai JAHWEH:",
          "principe": "G4"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "",
          "new": "zich",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 11,
      "textSV1888": "Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.",
      "text1637": "Daerom gaf ick hem in de hant des [24] Machtichsten der heydenen: [dat] [25] die hem rechtschapen soude handelen: ick dreef hem uyt om sijne godtloosheyt.",
      "text2026": "Daarom gaf Ik hem in de hand van de machtigste van de heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "24",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "In de macht van den koning van Babel, Berodach, of Merodach Baladan, en voorts Nebukadnezar, die de Assyrische monarchie (waarin Esarhaddon, Sanheribs zoon, voor de laatste koning gehouden wordt) tot de Babyloniërs overgebracht; zie 2 Kon. 19:37, en van dien Berodach, 2 Kon. 20:12. 2 Koningen 19:37: Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 20:12: Te dier tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia krank geweest was.",
          "text1637": "Inde macht des Conincks van Babel, Berodach, ofte, Merodach Baladan, ende voorts Nebucadnezar, die de Assyrische Monarchie (daer in Esarhaddon, Sanheribs sone, voor den laetsten Coninck gehouden wort) tot de Babyloniers hebben overgebracht. Siet 2.Reg. 19. op vers 37. ende van dien Berodach, 2.Reg. 20 op vers 12.",
          "text2026": "In de macht van de koning van Babel, Berodach, of Merodach Baladan, en verder Nebukadnezar, die de Assyrische monarchie (waarin Esarhaddon, Sanheribs zoon, voor de laatste koning gehouden wordt) tot de Babyloniërs overgebracht; zie 2 Kon. 19:37, en van die Berodach, 2 Kon. 20:12. 2 Koningen 19:37: Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 2 Koningen 20:12: In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was."
        },
        {
          "marker": "25",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, doende zou hij het hem doen, of handelende met hem handelen, of deed, handelde hij met hem, gelijk sommigen; enigen verklaren deze manier van spreken aldus, naar zijn verdienste, of naar zijn welgevallen, naar behoren.",
          "text1637": "Hebr. doende soude hy’t hem doen, ofte, handelende met hem handelen, ofte dede, handelde hy met hem, als sommige: eenige verklaren dese maniere van spreken aldus, nae sijn verdienste, ofte, nae sijn welgevallen, nae behooren.",
          "text2026": "Hebreeuws, doende zou hij het hem doen, of handelende met hem handelen, of deed, handelde hij met hem, gelijk sommigen; enige verklaren deze manier van spreken aldus, naar zijn verdienste, of naar zijn welgevallen, naar behoren."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/אֶ֨תְּנֵ֔/הוּ",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HC/Vqi1cs/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/יַ֖ד",
          "strongs": "H3027",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "אֵ֣יל",
          "strongs": "H352",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "גּוֹיִ֑ם",
          "strongs": "H1471",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "עָשׂ֤וֹ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqa"
        },
        {
          "woord": "יַֽעֲשֶׂה֙",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqi3ms"
        },
        {
          "woord": "ל֔/וֹ",
          "strongs": "",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כְּ/רִשְׁע֖/וֹ",
          "strongs": "H7562",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "גֵּרַשְׁתִּֽ/הוּ",
          "strongs": "H1644",
          "morph": "HVpp1cs/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>Daarom gaf Ik hem in de hand van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup> de machtigste van de heidenen,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.</i></span>",
      "textSV1888_html": "Daarom gaf Ik hem in de hand van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup> den machtigste der heidenen,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.",
      "text1637_html": "Daerom gaf ick hem in de hant des <sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup> Machtichsten der heydenen: [dat] <sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> die hem rechtschapen soude handelen: ick dreef hem uyt om sijne godtloosheyt.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 12,
      "textSV1888": "En vreemden, de tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.",
      "text1637": "Ende vreemde, de [d] [26] tyrannichste der heydenen, roeyden hem uyt, ende verlieten hem: [27] sijne tacken vielen op de bergen ende in alle valleyen; ende sijne scheuten wierden verbroken by alle stroomen [28] des lants, ende alle volcken der aerde gingen af uyt sijne schaduwe, ende verlieten hem.",
      "text2026": "En vreemden, de tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "26",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "26 tirannigste der heidenen: Gelijk boven Ezech. 28:7. Hier volgt een figuurlijke beschrijving van den ondergang der Assyrische monarchie. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.",
          "text1637": "Als boven 28.7. Hier volcht eene figuerlicke beschrijvinge van den onderganck der Assyrische Monarchie.",
          "text2026": "26 tirannigste van de heidenen: Gelijk boven Ez. 28:7. Hier volgt een figuurlijke beschrijving van de ondergang van de Assyrische monarchie. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen."
        },
        {
          "marker": "27",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "27 zijn takken vielen op de bergen: Gelijk in het grote nederlagen overal, op bergen en in dalen vol van verslagenen en plundering placht te zijn.",
          "text1637": "Gelijck het in groote nederlagen over al, op bergen, ende in dalen vol van verslagene ende plunderinge plach te zijn.",
          "text2026": "27 zijn takken vielen op de bergen: Gelijk in het grote nederlagen overal, op bergen en in dalen vol van verslagenen en plundering placht te zijn."
        },
        {
          "marker": "28",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "28 des lands: Of, der aarde.",
          "text1637": "Ofte, der aerde.",
          "text2026": "28 van het land: Of, van de aarde."
        },
        {
          "marker": "d",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Ezech. 28:7; Ezech. 30:11. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ezechiël 30:11: Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste der heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.",
          "text1637": "Ezech. 28.7. ende 30.11.",
          "text2026": "Ez. 28:7; Ez. 30:11. Ezechiël 28:7: Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. Ezechiël 30:11: Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste van de heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יִּכְרְתֻ֧/הוּ",
          "strongs": "H3772",
          "morph": "HC/Vqw3mp/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "זָרִ֛ים",
          "strongs": "H2114",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "עָרִיצֵ֥י",
          "strongs": "H6184",
          "morph": "HAampc"
        },
        {
          "woord": "גוֹיִ֖ם",
          "strongs": "H1471",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "וַֽ/יִּטְּשֻׁ֑/הוּ",
          "strongs": "H5203",
          "morph": "HC/Vqw3mp/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הֶ֠/הָרִים",
          "strongs": "H2022",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "וּ/בְ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/R/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "גֵּ֨אָי֜וֹת",
          "strongs": "H1516",
          "morph": "HNcbpa"
        },
        {
          "woord": "נָפְל֣וּ",
          "strongs": "H5307",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "דָלִיּוֹתָ֗י/ו",
          "strongs": "H1808",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וַ/תִּשָּׁבַ֤רְנָה",
          "strongs": "H7665",
          "morph": "HC/VNw3fp"
        },
        {
          "woord": "פֹֽארֹתָי/ו֙",
          "strongs": "H6288",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/כֹל֙",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "אֲפִיקֵ֣י",
          "strongs": "H650",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אָ֔רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "וַ/יֵּרְד֧וּ",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HC/Vqw3mp"
        },
        {
          "woord": "מִ/צִּלּ֛/וֹ",
          "strongs": "H6738",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עַמֵּ֥י",
          "strongs": "H5971",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אָ֖רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "וַֽ/יִּטְּשֻֽׁ/הוּ",
          "strongs": "H5203",
          "morph": "HC/Vqw3mp/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "En vreemden, de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"d\">d</sup> tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.",
      "textSV1888_html": "En vreemden, de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"d\">d</sup> tirannigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> des lands; en alle volken der aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem.",
      "text1637_html": "Ende vreemde, de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"d\">d</sup> <sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup> tyrannichste der heydenen, roeyden hem uyt, ende verlieten hem: <sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> sijne tacken vielen op de bergen ende in alle valleyen; ende sijne scheuten wierden verbroken by alle stroomen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> des lants, ende alle volcken der aerde gingen af uyt sijne schaduwe, ende verlieten hem.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "des lands;",
          "new": "van het land;",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 13,
      "textSV1888": "Alle vogelen des hemels woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren des velds waren op zijn scheuten;",
      "text1637": "Alle [29] vogelen des hemels woonden op sijnen [30] omgevallenen stam: ende alle dieren des velts waren op sijne scheuten.",
      "text2026": "Alle vogels van de hemel woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren van het veld waren op zijn scheuten;",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "29",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "29 vogelen des hemels: Hebreeuws, allen vogel, alle dier, enz. Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.",
          "text1637": "Hebr. allen vogel, alle dier, etc. als boven vers 10.",
          "text2026": "29 vogels van de hemel: Hebreeuws, allen vogel, alle dier, enz. Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw."
        },
        {
          "marker": "30",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "30 omgevallen stam: Of, gevallenen. Hebreeuws, val; dat is, de andere volken namen zijn rijk in, bezaten het en spotten met hem.",
          "text1637": "Ofte, gevallenen. Hebr. val. D. d’andere volcken namen sijn rijck in, besaten het selve, ende spotteden sijner.",
          "text2026": "30 omgevallen stam: Of, gevallenen. Hebreeuws, val; dat is, de andere volken namen zijn rijk in, bezaten het en spotten met hem."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "עַל",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "מַפַּלְתּ֥/וֹ",
          "strongs": "H4658",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "יִשְׁכְּנ֖וּ",
          "strongs": "H7931",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "ע֣וֹף",
          "strongs": "H5775",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׁמָ֑יִם",
          "strongs": "H8064",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "פֹּארֹתָ֣י/ו",
          "strongs": "H6288",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "הָי֔וּ",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "כֹּ֖ל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "חַיַּ֥ת",
          "strongs": "H2416",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׂדֶֽה",
          "strongs": "H7704",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Alle<sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> vogels van de hemel woonden op zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> omgevallen stam, en alle dieren van het veld waren op zijn scheuten;",
      "textSV1888_html": "Alle<sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> vogelen des hemels woonden op zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> omgevallen stam, en alle dieren des velds waren op zijn scheuten;",
      "text1637_html": "Alle <sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> vogelen des hemels woonden op sijnen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> omgevallenen stam: ende alle dieren des velts waren op sijne scheuten.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "vogelen des hemels",
          "new": "vogels van de hemel",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "des velds",
          "new": "van het veld",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 14,
      "textSV1888": "Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
      "text1637": "Op dat haer [31] geene waterrijcke boomen en verheffen over haren stam, ende haren top niet op en steken [32] boven het midden der dichte tacken, ende geene [boomen], die water [33] drincken, [34] op haer selven en staen van wegen hare hoochte: want sy zijn alle overgegeven ter doot, tot het [35] onderste der aerde, in’t midden der [36] menschen-kinderen, tot de gene die in den kuyl nederdalen:",
      "text2026": "Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil neerdalen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "31",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "31 geen waterrijke bomen verheffen: Hebreeuws, alle bomen der wateren, of der wateren zich niet, enz. Vergelijk boven vers 8, en zo in het volgende. De zin is dat God dit voorbeeld aan dien groten monarch heeft willen stellen, tot een waarschuwing van alle groten en machtigen op aarde, en hier voornamelijk voor Farao, opdat zich niemand tegen Hem verhovaardige en goddeloos worde, om niet door gelijke zonden in gelijke straffen te vallen, die hij met geen menselijke macht zal kunnen afweren. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
          "text1637": "Hebr. alle boomen des waters, ofte, der wateren haer niet, etc. Vergel. bov. vers 8. ende soo in’t volgende. De sin is, dat Godt dit exempel aen dien grooten Monarch heeft willen stellen, tot eene waerschouwinge van alle groote ende machtige op aerden, ende hier specialick voor Pharao, op dat sich niemant tegen hem en verhoovaerdige, ende godtloos worde, om niet door gelijcke sonden in gelijcke straffen te vallen, die hy met geene menschelicke macht en sal konnen afweeren.",
          "text2026": "31 geen waterrijke bomen verheffen: Hebreeuws, alle bomen van de wateren, of van de wateren zich niet, enz. Vergelijk boven vers 8, en zo in het volgende. De zin is dat God dit voorbeeld aan die grote monarch heeft willen stellen, tot een waarschuwing van alle grote en machtigen op aarde, en hier voornamelijk voor Farao, opdat zich niemand tegen Hem verhovaardige en goddeloos worde, om niet door gelijke zonden in gelijke straffen te vallen, die hij met geen menselijke macht zal kunnen afweren. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid."
        },
        {
          "marker": "32",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "32 boven het midden der dichte takken: Gelijk boven vers 10. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;",
          "text1637": "Als boven vers 10.",
          "text2026": "32 boven het midden van de dichte takken: Gelijk boven vers 10. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heer JAHWEH: Omdat u u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;"
        },
        {
          "marker": "33",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, met allen overvloed door mijn zegen vervuld zijn en geen gebrek lijden. Alzo vers 16. Vergelijk boven vers 4, 31:8. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid.",
          "text1637": "Dat is, met allen overvloet door mijnen segen vervult zijn, ende geen gebreck en lijden. alsoo vers 16. Vergel. boven op vers 4, 8.",
          "text2026": "Dat is, met allen overvloed door mijn zegen vervuld zijn en geen gebrek lijden. Zo vers 16. Vergelijk boven vers 4, 31:8. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid."
        },
        {
          "marker": "34",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "34 op zichzelven staan: Deze manier van spreken is ook in onze taal gebruikelijk, voor op zichzelven vertrouwen, of het hoofd stoutelijk op en omhoog steken, waarvan het tegendeel is nederig voor God te wandelen. Vergelijk de manier van spreken onder Ezech. 33:26. Ezechiël 33:26: Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?",
          "text1637": "Dese maniere van spreken is oock in onse tale gebruycklick, voor, op sich selven vertrouwen, ofte, het hooft stoutelick op ende om hooge steken, waer van het contrarie is, nedrich voor Godt te wandelen. Vergel. de maniere van spreken met onder cap. 33.26.",
          "text2026": "34 op zichzelf staan: Deze manier van spreken is ook in onze taal gebruikelijk, voor op zichzelf vertrouwen, of het hoofd stoutelijk op en omhoog steken, waarvan het tegendeel is nederig voor God te wandelen. Vergelijk de manier van spreken onder Ez. 33:26. Ezechiël 33:26: U staat op ulieder zwaard; u doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt u het land erfelijk bezitten?"
        },
        {
          "marker": "35",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "35 onderste der aarde: Hebreeuws, de onderste aarde, of de aarde die beneden is. Alzo vers 10, 31:18. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte; Ezechiël 31:18: Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.",
          "text1637": "Hebr. de onderste aerde: ofte, de aerde die beneden is. alsoo vers 16, 18.",
          "text2026": "35 onderste van de aarde: Hebreeuws, de onderste aarde, of de aarde die beneden is (אֶרֶץ). Zo vers 10, 31:18. Ezechiël 31:10: Daarom, zo zegt de Heer JAHWEH: Omdat u u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte; Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer JAHWEH."
        },
        {
          "marker": "36",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, onder de gemene, of slechte lieden. Zie Ps. 4:3. Psalmen 4:3: Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.",
          "text1637": "D. onder de gemeyne, ofte, slechte lieden. siet ps. 4. op vers 3.",
          "text2026": "Dat is, onder de gemene, of slechte mensen. Zie Ps. 4:3. Psalmen 4:3: U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "לְמַ֡עַן",
          "strongs": "H4616",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁר֩",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "לֹא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HTn"
        },
        {
          "woord": "יִגְבְּה֨וּ",
          "strongs": "H1361",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "בְ/קוֹמָתָ֜/ם",
          "strongs": "H6967",
          "morph": "HR/Ncfsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵי",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "מַ֗יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/לֹֽא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HC/Tn"
        },
        {
          "woord": "יִתְּנ֤וּ",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "צַמַּרְתָּ/ם֙",
          "strongs": "H6788",
          "morph": "HNcfsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "בֵּ֣ין",
          "strongs": "H996",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "עֲבֹתִ֔ים",
          "strongs": "H5688",
          "morph": "HNcbpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/לֹֽא",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HC/Tn"
        },
        {
          "woord": "יַעַמְד֧וּ",
          "strongs": "H5975",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "אֵלֵי/הֶ֛ם",
          "strongs": "H352",
          "morph": "HNcmpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "בְּ/גָבְהָ֖/ם",
          "strongs": "H1363",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "שֹׁ֣תֵי",
          "strongs": "H8354",
          "morph": "HVqrmpc"
        },
        {
          "woord": "מָ֑יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "כִּֽי",
          "strongs": "H3588",
          "morph": "HC"
        },
        {
          "woord": "כֻלָּ/ם֩",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "נִתְּנ֨וּ",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HVNp3cp"
        },
        {
          "woord": "לַ/מָּ֜וֶת",
          "strongs": "H4194",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אֶ֣רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "תַּחְתִּ֗ית",
          "strongs": "H8482",
          "morph": "HAafsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/ת֛וֹךְ",
          "strongs": "H8432",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "בְּנֵ֥י",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "אָדָ֖ם",
          "strongs": "H120",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "י֥וֹרְדֵי",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HVqrmpc"
        },
        {
          "woord": "בֽוֹר",
          "strongs": "H953",
          "morph": "HNcmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Opdat zich<sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken<sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water<sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> drinken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> onderste van de aarde, in het midden van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil neerdalen.",
      "textSV1888_html": "Opdat zich<sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken<sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water<sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> drinken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> onderste der aarde, in het midden der<sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
      "text1637_html": "Op dat haer <sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> geene waterrijcke boomen en verheffen over haren stam, ende haren top niet op en steken <sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> boven het midden der dichte tacken, ende geene [boomen], die water <sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> drincken, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> op haer selven en staen van wegen hare hoochte: want sy zijn alle overgegeven ter doot, tot het <sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> onderste der aerde, in’t midden der <sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> menschen-kinderen, tot de gene die in den kuyl nederdalen:",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "zichzelven",
          "new": "zichzelf",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "nederdalen.",
          "new": "neerdalen.",
          "principe": null
        }
      ]
    },
    {
      "number": 15,
      "textSV1888": "Zo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als hij ter helle nederdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden.",
      "text1637": "Soo seyt de Heere HEERE; Ten dage als hy ter [37] hellen nederdaelde, [38] maeckte ick een treuren, ick [39] bedeckte om sijnent wille den [40] afgrondt, ende [41] weerde de stroomen van dien, ende de groote wateren wierden geschutt: ende ick maeckte den Libanon om sijnent wille [42] swart, ende al ’t geboomte des velts was om sijnent wille bewonden.",
      "text2026": "Zo zegt Adonai JAHWEH: Op de dag als hij naar het dodenrijk neerdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil de afgrond, en weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "37",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "37 helle nederdaalde: Zie van het Hebreeuwse woord Scheol Gen. 37:35; alzo vers 16, 31:17, 31:18, en onder Ezech. 32:21, 32:22, en het volgende aldaar. Uit vergelijking van welke plaatsen [gelijk ook vers 14] blijkt dat het hier genomen wordt voor het graf, met den aanklevenden ellendigen en smadelijken toestand der verstorven goddelozen in de hel. Genesis 37:35: En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden. Ezechiël 31:18: Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE. Ezechiël 32:21: De machtigste der helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard; Ezechiël 32:22: Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
          "text1637": "Siet van het Hebr. woort Scheol Genes. 37. op vers 35. alsoo vers 16, 17, 18. ende onder 32.21, 22. ende het volgende aldaer. uyt vergelijckinge van welcke plaetsen (als oock het voorgaende vers) blijckt, dat het hier genomen wort voor het graf, met den aenklevenden elendigen ende smadelicken toestant der verstorvene godtloosen inde helle.",
          "text2026": "37 dodenrijk nederdaalde: Zie van het Hebreeuwse woord Scheol Gen. 37:35; zo vers 16, 31:17, 31:18, en onder Ez. 32:21, 32:22, en het volgende daar. Uit vergelijking van welke plaatsen [gelijk ook vers 14] blijkt dat het hier genomen wordt voor het graf, met de aanklevenden ellendigen en smadelijken toestand van de verstorven goddelozen in het dodenrijk. Genesis 37:35: En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Zo beweende hem zijn vader. Ezechiël 31:16: Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter dodenrijk deed nederdalen, met degenen, die in de kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. Ezechiël 31:17: Diezelve daalden ook met hem neder ter dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden. Ezechiël 31:18: Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn gehele menigte, spreekt de Heer JAHWEH. Ezechiël 32:21: De machtigste van de helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden van het dodenrijk; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard; Ezechiël 32:22: Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen."
        },
        {
          "marker": "38",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "38 maakte Ik een treuren: Dit is een figuurlijke beschrijving van den algemenen schrik, dien God door dit zijn oordeel over de Assyriërs gemaakt heeft bij al de groten en de volken, die door zijn rijkdom [gelijk boven] waren welgevaren. Vergelijk boven Ezech. 27:29, en de volgende verzen aldaar. Ezechiël 27:29: En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven.",
          "text1637": "Dit is eene figuerlicke beschrijvinge van den gemeenen schrick, die Godt, door dit sijn oordeel over den Assyrier, gemaeckt heeft by alle de groote, ende de volcken, die door sijnen rijckdom (als boven) waren welgevaren. Vergel. bov. 27.29. ende de volgende versen aldaer.",
          "text2026": "38 maakte Ik een treuren: Dit is een figuurlijke beschrijving van de algemenen schrik, die God door dit zijn oordeel over de Assyriërs gemaakt heeft bij al de grote en de volken, die door zijn rijkdom [gelijk boven] waren welgevaren. Vergelijk boven Ez. 27:29, en de volgende verzen daar. Ezechiël 27:29: En allen, die de riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven."
        },
        {
          "marker": "39",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "39 bedekte om zijnentwil: Dat is, Ik stelde hem in zulk een stand, dat hij was alsof hij rouw bedreef; [alzo onder bewonden]. Zie 2 Sam. 15:30. 2 Samuël 15:30: En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.",
          "text1637": "D. ick stelde hem in sulcken stant, dat hy was, als of hy rouwe dreef. (alsoo ond. bewonden) Siet 2.Sam. 15. op vers 30.",
          "text2026": "39 bedekte om zijnentwil: Dat is, Ik stelde hem in zulk een stand, dat hij was alsof hij rouw bedreef; [zo onder bewonden]. Zie 2 Sam. 15:30. 2 Samuël 15:30: En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iedereen zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende."
        },
        {
          "marker": "40",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie boven vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen des velds.",
          "text1637": "Siet boven vers 4.",
          "text2026": "Zie boven vers 4. Ezechiël 31:4: De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld."
        },
        {
          "marker": "41",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "41 weerde de stromen van dien: Ik onttrok mijn tijdelijken zegen.",
          "text1637": "Ick onttrock mijnen tijdelicken segen.",
          "text2026": "41 weerde de stromen van die: Ik onttrok mijn tijdelijken zegen."
        },
        {
          "marker": "42",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Alsof alle cederen [dat is, groten] in rouw stonden; zie Ps. 35:14. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.",
          "text1637": "Als of alle cederen (D. Groote) in rouwe stonden. Siet Psal. 35. op vers 14.",
          "text2026": "Alsof alle cederen [dat is, grote] in rouw stonden; zie Ps. 35:14. Psalmen 35:14: Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "כֹּֽה",
          "strongs": "H3541",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "אָמַ֞ר",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֣/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהוִ֗ה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "בְּ/י֨וֹם",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "רִדְתּ֤/וֹ",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HVqc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "שְׁא֨וֹלָ/ה֙",
          "strongs": "H7585",
          "morph": "HNp/Sd"
        },
        {
          "woord": "הֶאֱבַ֜לְתִּי",
          "strongs": "H56",
          "morph": "HVhp1cs"
        },
        {
          "woord": "כִּסֵּ֤תִי",
          "strongs": "H3680",
          "morph": "HVpp1cs"
        },
        {
          "woord": "עָלָי/ו֙",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "תְּה֔וֹם",
          "strongs": "H8415",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "וָֽ/אֶמְנַע֙",
          "strongs": "H4513",
          "morph": "HC/Vqw1cs"
        },
        {
          "woord": "נַהֲרוֹתֶ֔י/הָ",
          "strongs": "H5104",
          "morph": "HNcmpc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "וַ/יִּכָּלְא֖וּ",
          "strongs": "H3607",
          "morph": "HC/VNw3mp"
        },
        {
          "woord": "מַ֣יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "רַבִּ֑ים",
          "strongs": "H7227",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "וָ/אַקְדִּ֤ר",
          "strongs": "H6937",
          "morph": "HC/Vhw1cs"
        },
        {
          "woord": "עָלָי/ו֙",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "לְבָנ֔וֹן",
          "strongs": "H3844",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וְ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵ֥י",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׂדֶ֖ה",
          "strongs": "H7704",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "עָלָ֥י/ו",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "עֻלְפֶּֽה",
          "strongs": "H5969",
          "morph": "HNcmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Zo zegt Adonai JAHWEH: <span class=\"god-speaks\"><i>Op de dag als hij naar het dodenrijk neerdaalde, maakte Ik een treuren; Ik<sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> bedekte om zijnentwil de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> afgrond, en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil<sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden.</i></span>",
      "textSV1888_html": "Zo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als hij ter<sup class=\"note-marker\" data-note=\"37\">37</sup> helle nederdaalde,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"38\">38</sup> maakte Ik een treuren; Ik<sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> bedekte om zijnentwil den<sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> afgrond, en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> weerde de stromen van dien, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte den Libanon om zijnentwil<sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil bewonden.",
      "text1637_html": "Soo seyt de Heere HEERE; Ten dage als hy ter <sup class=\"note-marker\" data-note=\"37\">37</sup> hellen nederdaelde, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"38\">38</sup> maeckte ick een treuren, ick <sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> bedeckte om sijnent wille den <sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> afgrondt, ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> weerde de stroomen van dien, ende de groote wateren wierden geschutt: ende ick maeckte den Libanon om sijnent wille <sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> swart, ende al ’t geboomte des velts was om sijnent wille bewonden.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "",
          "new": "Adonai JAHWEH: Op",
          "principe": "G4"
        },
        {
          "old": "Heere HEERE: Ten dage,",
          "new": "dag",
          "principe": "G4"
        },
        {
          "old": "ter helle nederdaalde,",
          "new": "naar het dodenrijk neerdaalde,",
          "principe": "V1208"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "dien,",
          "new": "die,",
          "principe": "N4"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "des velds",
          "new": "van het veld",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 16,
      "textSV1888": "Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde.",
      "text1637": "Van ’t geluyt sijns vals deed’ ick de Heydenen [e] beven, als ick hem ter hellen deed’ nederdalen, met de gene die in den kuyl nederdalen: ende alle boomen van [43] Eden, de keure ende het beste van Libanon, alle [boomen] die water [44] drincken, [45] troosteden sich in’t onderste der aerde.",
      "text2026": "Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed neerdalen, met degenen, die in de kuil neerdalen; en alle bomen van Eden, het uitgelezene en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "43",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie boven vers 8, 31:9. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden.",
          "text1637": "Siet boven vers 8, 9.",
          "text2026": "Zie boven vers 8, 31:9. Ezechiël 31:8: De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. Ezechiël 31:9: Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden."
        },
        {
          "marker": "44",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Gelijk boven vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden der dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelven staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste der aarde, in het midden der mensenkinderen, tot degenen, die in den kuil nederdalen.",
          "text1637": "Als boven vers 14.",
          "text2026": "Gelijk boven vers 14. Ezechiël 31:14: Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil nederdalen."
        },
        {
          "marker": "45",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "45 troostten zich: Figuurlijk gesproken, alsof men zeide: het viel hun troostelijk, dat zij zulk een groten metgezel in hun lijden hadden. Vergelijk Jes. 14:8, 14:9, 14:10, met de aantekening; idem, boven Ezech. 14:22, en Ezech. 16:54, en onder Ezech. 32:31, enz. Jesaja 14:8: Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. Jesaja 14:9: De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan. Jesaja 14:10: Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. Ezechiël 14:22: Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar. Ezechiël 16:54: Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult. Ezechiël 32:31: Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn ganse menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn ganse heir, spreekt de Heere HEERE.",
          "text1637": "Figuerlick gesproken, als ofmen seyde: Het viel hen troostelick: datse sulcken grooten metgeselle, in haer lijden hadden. Vergel. Ies. 14.8, 9, 10. met d’aenteeck. item bov. 14.22. ende 16.54. ende ond. 32.31, etc.",
          "text2026": "45 troostten zich: Figuurlijk gesproken, alsof men zei: het viel hun troostelijk, dat zij zulk een grote metgezel in hun lijden hadden. Vergelijk Jes. 14:8, 14:9, 14:10, met de aantekening; idem, boven Ez. 14:22, en Ez. 16:54, en onder Ez. 32:31, enz. Jesaja 14:8: Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan. Jesaja 14:10: Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. Ezechiël 14:22: Maar ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; ziet, zij zullen tot u uitkomen, en u zult hun weg zien, en hun handelingen; en u zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar. Ezechiël 16:54: Opdat u uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al wat u gedaan hebt, als u haar troosten zult. Ezechiël 32:31: Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn gehele menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn gehele legermacht, spreekt de Heer JAHWEH."
        },
        {
          "marker": "e",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Jes. 14:9. Jesaja 14:9: De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.",
          "text1637": "Ies. 14.9.",
          "text2026": "Jes. 14:9. Jesaja 14:9: Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; zij doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "מִ/קּ֤וֹל",
          "strongs": "H6963",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "מַפַּלְתּ/וֹ֙",
          "strongs": "H4658",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "הִרְעַ֣שְׁתִּי",
          "strongs": "H7493",
          "morph": "HVhp1cs"
        },
        {
          "woord": "גוֹיִ֔ם",
          "strongs": "H1471",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/הוֹרִדִ֥/י",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HR/Vhc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "אֹת֛/וֹ",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "שְׁא֖וֹלָ/ה",
          "strongs": "H7585",
          "morph": "HNp/Sd"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "י֣וֹרְדֵי",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HVqrmpc"
        },
        {
          "woord": "ב֑וֹר",
          "strongs": "H953",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "וַ/יִּנָּ֨חֲמ֜וּ",
          "strongs": "H5162",
          "morph": "HC/VNw3mp"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אֶ֤רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HR/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "תַּחְתִּית֙",
          "strongs": "H8482",
          "morph": "HAafsa"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵי",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "עֵ֔דֶן",
          "strongs": "H5731",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "מִבְחַ֥ר",
          "strongs": "H4005",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "וְ/טוֹב",
          "strongs": "H2896",
          "morph": "HC/Aamsc"
        },
        {
          "woord": "לְבָנ֖וֹן",
          "strongs": "H3844",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "שֹׁ֥תֵי",
          "strongs": "H8354",
          "morph": "HVqrmpc"
        },
        {
          "woord": "מָֽיִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"e\">e</sup> beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed neerdalen, met degenen, die in de kuil neerdalen; en alle bomen van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> Eden, het uitgelezene en het beste van Libanon, alle bomen, die water<sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> drinken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> troostten zich in het onderste van de aarde.</i></span>",
      "textSV1888_html": "Van het geluid zijns vals deed Ik de heidenen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"e\">e</sup> beven, als Ik hem ter helle deed nederdalen, met degenen, die in den kuil nederdalen; en alle bomen van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> Eden, de keur en het beste van Libanon, alle bomen, die water<sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> drinken,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> troostten zich in het onderste der aarde.",
      "text1637_html": "Van ’t geluyt sijns vals deed’ ick de Heydenen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"e\">e</sup> beven, als ick hem ter hellen deed’ nederdalen, met de gene die in den kuyl nederdalen: ende alle boomen van <sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> Eden, de keure ende het beste van Libanon, alle [boomen] die water <sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> drincken, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> troosteden sich in’t onderste der aerde.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "zijns vals",
          "new": "van zijn val",
          "principe": "V201"
        },
        {
          "old": "ter helle",
          "new": "naar het dodenrijk",
          "principe": "V1208"
        },
        {
          "old": "nederdalen,",
          "new": "neerdalen,",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "nederdalen;",
          "new": "neerdalen;",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "de keur",
          "new": "het uitgelezene",
          "principe": "V1625"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 17,
      "textSV1888": "Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.",
      "text1637": "Dieselve daelden oock met hem neder ter hellen, tot de verslagene van den sweerde: ende die sijn [46] arm geweest waren, [die] onder sijne [47] schaduwe in’t midden der heydenen geseten hadden.",
      "text2026": "Die daalden ook met hem neer naar het dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "46",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "46 arm geweest waren: Dat is sterkte, die hem gestijfd en gesteund hadden, of aldus, met zijn arm; [dat is, zijn koninkrijk] onder welks schaduw zij, enz.",
          "text1637": "D. sterckte, die hem gestijft ende gesteunt hadden, ofte aldus: met sijn arm. (D. sijn Coninckrijck) onder welckes schaduwe sy, etc.",
          "text2026": "46 arm geweest waren: Dat is sterkte, die hem gestijfd en gesteund hadden, of aldus, met zijn arm; [dat is, zijn koninkrijk] onder welks schaduw zij, enz."
        },
        {
          "marker": "47",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.",
          "text1637": "Als boven vers 6.",
          "text2026": "Gelijk boven vers 6. Ezechiël 31:6: Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "גַּם",
          "strongs": "H1571",
          "morph": "HTa"
        },
        {
          "woord": "הֵ֗ם",
          "strongs": "H1992",
          "morph": "HPp3mp"
        },
        {
          "woord": "אִתּ֛/וֹ",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "יָרְד֥וּ",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "שְׁא֖וֹלָ/ה",
          "strongs": "H7585",
          "morph": "HNp/Sd"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "חַלְלֵי",
          "strongs": "H2491",
          "morph": "HAampc"
        },
        {
          "woord": "חָ֑רֶב",
          "strongs": "H2719",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/זְרֹע֛/וֹ",
          "strongs": "H2220",
          "morph": "HC/Ncbsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "יָשְׁב֥וּ",
          "strongs": "H3427",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "בְ/צִלּ֖/וֹ",
          "strongs": "H6738",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/ת֥וֹךְ",
          "strongs": "H8432",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "גּוֹיִֽם",
          "strongs": "H1471",
          "morph": "HNcmpa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Die daalden ook met hem neer naar het dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> arm geweest waren, die onder zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"47\">47</sup> schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden.",
      "textSV1888_html": "Diezelve daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> arm geweest waren, die onder zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"47\">47</sup> schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.",
      "text1637_html": "Dieselve daelden oock met hem neder ter hellen, tot de verslagene van den sweerde: ende die sijn <sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> arm geweest waren, [die] onder sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"47\">47</sup> schaduwe in’t midden der heydenen geseten hadden.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "Diezelve",
          "new": "Die",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "neder ter helle,",
          "new": "neer naar het dodenrijk,",
          "principe": "V1208"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 18,
      "textSV1888": "Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.",
      "text1637": "Wien zijt [48] ghy alsoo gelijck in heerlickheyt ende grootheyt, onder de boomen van Eden? ja ghy sult nedergevoert worden met de boomen van Eden tot het onderste der aerde; in’t midden der [f] [49] onbesnedenen sult ghy liggen, met de verslagene door den sweerde; [50] dat is Pharao, ende sijne gantsche [51] menichte, spreeckt de Heere HEERE.",
      "text2026": "Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult neergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn hele menigte, spreekt Adonai JAHWEH.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "48",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "48 gij alzo gelijk: O Farao, gij die meent dat uws gelijke niet zij. Zie boven vers 2. Ezechiël 31:2: Mensenkind! zeg tot Farao, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?",
          "text1637": "O Pharao, ghy die meynt, dat uwes gelijcke niet en zy. Siet boven vers 2.",
          "text2026": "48 u zo gelijk: O Farao, u die meent dat uws gelijke niet zij. Zie boven vers 2. Ezechiël 31:2: Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid?"
        },
        {
          "marker": "49",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "49 onbesnedenen zult gij liggen: Zie boven Ezech. 28:10. Ezechiël 28:10: Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.",
          "text1637": "Siet boven 28. op vers 10.",
          "text2026": "49 onbesnedenen zult u liggen: Zie boven Ez. 28:10. Ezechiël 28:10: U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer JAHWEH."
        },
        {
          "marker": "50",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "50 Dat is Farao: Alsof God zeide: Zie daar een levendig beeld van dezen trotsen koning Farao; even zo vast en zeker is zijn staat als van den Assyriër, er alzo zal hij met al zijn hoogmoed varen.",
          "text1637": "Als of Godt seyde: Siet daer een levendich beelt ofte patroon van desen trotzen Coninck Pharae: even soo vast ende seker is sijn staet, als des Assyriers, ende alsoo sal hy met al sijnen hoochmoet varen.",
          "text2026": "50 Dat is Farao: Alsof God zei: Zie daar een levendig beeld van deze trotsen koning Farao; even zo vast en zeker is zijn staat als van de Assyriër, er zo zal hij met al zijn hoogmoed varen."
        },
        {
          "marker": "51",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Versta dit van rijkdom, of volk; of met al zijn gewoel, rumoer of gedruis. Zie boven Ezech. 29:19. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Nebukadrezar, den koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal deszelfs menigte wegvoeren, en deszelfs buit buiten, en deszelfs roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn heir.",
          "text1637": "Verstaet dit van rijckdom, ofte volck: ofte, met al sijn gewoel, rumoer, ofte, gedruys. Siet bov. 29.19.",
          "text2026": "Versta dit van rijkdom, of volk; of met al zijn gewoel, rumoer of gedruis. Zie boven Ez. 29:19. Ezechiël 29:19: Daarom, zo zegt de Heer JAHWEH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn legermacht."
        },
        {
          "marker": "f",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Ezech. 28:10. Ezechiël 28:10: Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.",
          "text1637": "Ezech. 28.10.",
          "text2026": "Ez. 28:10. Ezechiël 28:10: U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heer JAHWEH."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "מִ֨י",
          "strongs": "H4310",
          "morph": "HTi"
        },
        {
          "woord": "דָמִ֥יתָ",
          "strongs": "H1819",
          "morph": "HVqp2ms"
        },
        {
          "woord": "כָּ֛כָה",
          "strongs": "H3602",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "בְּ/כָב֥וֹד",
          "strongs": "H3519",
          "morph": "HR/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/בְ/גֹ֖דֶל",
          "strongs": "H1433",
          "morph": "HC/R/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "בַּ/עֲצֵי",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HR/Ncmpc"
        },
        {
          "woord": "עֵ֑דֶן",
          "strongs": "H5731",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וְ/הוּרַדְתָּ֨",
          "strongs": "H3381",
          "morph": "HC/VHq2ms"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "עֲצֵי",
          "strongs": "H6086",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "עֵ֜דֶן",
          "strongs": "H5731",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אֶ֣רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "תַּחְתִּ֗ית",
          "strongs": "H8482",
          "morph": "HAafsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/ת֨וֹךְ",
          "strongs": "H8432",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "עֲרֵלִ֤ים",
          "strongs": "H6189",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "תִּשְׁכַּב֙",
          "strongs": "H7901",
          "morph": "HVqi2ms"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "חַלְלֵי",
          "strongs": "H2491",
          "morph": "HAampc"
        },
        {
          "woord": "חֶ֔רֶב",
          "strongs": "H2719",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "ה֤וּא",
          "strongs": "H1931",
          "morph": "HPp3ms"
        },
        {
          "woord": "פַרְעֹה֙",
          "strongs": "H6547",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וְ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הֲמוֹנֹ֔/ה",
          "strongs": "H1995",
          "morph": "HNcmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "נְאֻ֖ם",
          "strongs": "H5002",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֥/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהוִֽה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        }
      ],
      "text2026_html": "Wie bent<sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult neergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"f\">f</sup> de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard.<sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> Dat is Farao, en zijn hele<sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> menigte, spreekt Adonai JAHWEH.",
      "textSV1888_html": "Wien zijt<sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der<sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"f\">f</sup> onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard.<sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> Dat is Farao, en zijn ganse<sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> menigte, spreekt de Heere HEERE.",
      "text1637_html": "Wien zijt <sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> ghy alsoo gelijck in heerlickheyt ende grootheyt, onder de boomen van Eden? ja ghy sult nedergevoert worden met de boomen van Eden tot het onderste der aerde; in’t midden der <sup class=\"note-marker\" data-note=\"f\">f</sup> <sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup> onbesnedenen sult ghy liggen, met de verslagene door den sweerde; <sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> dat is Pharao, ende sijne gantsche <sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> menichte, spreeckt de Heere HEERE.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "Wien zijt gij alzo",
          "new": "Wie bent u zo",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "nedergevoerd",
          "new": "neergevoerd",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "ganse",
          "new": "hele",
          "principe": "V3"
        },
        {
          "old": "de Heere HEERE.",
          "new": "Adonai JAHWEH.",
          "principe": "G4"
        }
      ]
    }
  ],
  "chapterIntro": {
    "text1637": "Tijt deser prophetye, vers 1. in de welcke Godt den Coninck Pharao ende sijn volck voor oogen stelt, de hoocheyt, heerlickheyt, ende pracht des Conincx ende Coninckrijcx van Assyrien, onder de gelijckenisse van eenen hoogen schoonen cederboom, 2, 3, etc. ende desselven val, van wegen trots ende hoochmoet, 10, 11, etc. allen anderen, tot een exempel, 14. ende dat het Pharao ende sijn volck even alsoo sal gaen, 10, 18.",
    "text2026": "De tijd van deze profetie, vers 1, waarin God koning Farao en zijn volk de hoogte, heerlijkheid en pracht voor ogen stelt van de koning en het koninkrijk van Assyrië, onder de gelijkenis van een hoge, schone cederboom, 2, 3, enz.; en diens val, vanwege trots en hoogmoed, 10, 11, enz.; alle anderen tot een voorbeeld, 14; en dat het Farao en zijn volk evenzo zal vergaan, 10, 18."
  }
}
