{
  "number": 43,
  "verses": [
    {
      "number": 1,
      "textSV1888": "Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag.",
      "text1637": "DOe leydde hy my tot de poorte: de poorte die des weegs nae’t Oosten sach.",
      "text2026": "Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die de weg naar het oosten zag.",
      "marginNotes": [],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יּוֹלִכֵ֖/נִי",
          "strongs": "H3212",
          "morph": "HC/Vhw3ms/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/שָּׁ֑עַר",
          "strongs": "H8179",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "שַׁ֕עַר",
          "strongs": "H8179",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֥ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "פֹּנֶ֖ה",
          "strongs": "H6437",
          "morph": "HVqrmsa"
        },
        {
          "woord": "דֶּ֥רֶךְ",
          "strongs": "H1870",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/קָּדִֽים",
          "strongs": "H6921",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die de weg naar het oosten zag.",
      "text1637_html": "DOe leydde hy my tot de poorte: de poorte die des weegs nae’t Oosten sach.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 2,
      "textSV1888": "En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.",
      "text1637": "Ende siet, de [1] heerlickheyt des Godts Israëls quam vanden wech nae’t Oosten: ende sijne [2] stemme was als het [a] geruysch van [3] vele wateren, ende de aerde wert [4] verlicht van sijne heerlickheyt.",
      "text2026": "En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "1",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Die tevoren uit den tempel was verhuisd. Zie boven, Ezech. 1:28 en 10:4, 10:18, 10:19 met de aantekeningen; en vergelijk Mal. 3:1. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid des HEEREN omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des HEEREN. Ezechiël 10:18: Toen ging de heerlijkheid des HEEREN van boven den dorpel des huizes weg, en stond boven de cherubs. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid des Gods Israëls was van boven over hen. Maleachi 3:1: Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.",
          "text1637": "Die tevooren uyt den Tempel was verhuyst. Siet boven 1.28. ende 10.4, 18, 19. met d’aenteeck. ende vergel. Mala. 3.1.",
          "text2026": "Die tevoren uit de tempel was verhuisd. Zie boven, Ez. 1:28 en 10:4, 10:18, 10:19 met de aantekeningen; en vergelijk Mal. 3:1. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van JAHWEH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 10:4: Toen hief zich de heerlijkheid van JAHWEH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van JAHWEH. Ezechiël 10:18: Toen ging de heerlijkheid van JAHWEH van boven de dorpel van het huis weg, en stond boven de cherubs. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van JAHWEH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen. Maleachi 3:1: Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heer, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Denwelken u lust hebt; ziet, Hij komt, zegt JAHWEH van de legermachten."
        },
        {
          "marker": "2",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Of, geluid, gedruis.",
          "text1637": "Ofte, geluyt, gedruys.",
          "text2026": "Of, geluid, gedruis."
        },
        {
          "marker": "3",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "3 vele wateren: Of, grote; vergelijk boven Ezech. 1:24, waar de majesteit Gods, als een rechter, zich vertoonde, gelijk hier integendeel tot een teken van genade en weldadigheid, als die wederkwam om in zijn huis te wonen, en dat volkomenlijk te herstellen en te zegenen; zie het volgende. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis hunner vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.",
          "text1637": "Ofte, groote. Vergel. bov. 1.24. alwaer de Majesteyt Godts, als eens richters, haer vertoonde, gelijck hier ter contrarie tot een teecken van genade ende weldadicheyt, als die wederquam om in sijn huys te woonen, ende dat volcomelick te herstellen ende te segenen. Siet het volgende.",
          "text2026": "3 vele wateren: Of, grote; vergelijk boven Ez. 1:24, waar de majesteit van God, als een rechter, zich vertoonde, gelijk hier integendeel tot een teken van genade en weldadigheid, als die wederkwam om in zijn huis te wonen, en dat volkomenlijk te herstellen en te zegenen; zie het volgende. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun eens legermachten; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder."
        },
        {
          "marker": "4",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "4 werd verlicht: Hebreeuws, gaf licht, of, blonk; vergelijk Openb. 18:1, en Openb. 21:23, en zie Jes. 60:19, 60:20, enz.; Matth. 4:16; Hand. 13:47; 2 Kor. 3:18, en 2 Kor. 4:6, enz. Enigen verstaan dat het licht gesteld wordt tegen de wolk van het Oude Testament. Zie 1 Kon. 8:10, 8:11, 8:12. Openbaring 18:1: En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Jesaja 60:19: De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar de HEERE zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want de HEERE zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uwer treuring zullen een einde nemen. Mattheüs 4:16: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan. Handelingen 13:47: Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest. 2 Korinthiërs 4:6: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. 1 Koningen 8:12: Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.",
          "text1637": "Hebr. gaf licht, ofte, blinckte. Vergel. Apoc. 18.1. ende 21.23. ende siet Iesa. 60.19, 20, etc. Matt. 4.16. Act. 13.47. 2.Corint. 3.18, ende 4, 6, etc. Eenige verstaen, dat het licht gestelt wort tegen de wolcke des ouden Testaments. Siet 1.Reg. 8.10, 11, 12.",
          "text2026": "4 werd verlicht: Hebreeuws, gaf licht, of, blonk; vergelijk Openb. 18:1, en Openb. 21:23, en zie Jes. 60:19, 60:20, enz.; Matt. 4:16; Hand. 13:47; 2 Kor. 3:18, en 2 Kor. 4:6, enz. Enige verstaan dat het licht gesteld wordt tegen de wolk van het Oude Testament. Zie 1 Kon. 8:10, 8:11, 8:12. Openbaring 18:1: En na deze zag ik een anderen engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Jesaja 60:19: De zon zal u niet meer wezen tot een licht van de dag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar JAHWEH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. Jesaja 60:20: Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want JAHWEH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uw treuring zullen een einde nemen. Mattheüs 4:16: Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, dezelfde is een licht opgegaan. Handelingen 13:47: Want zo heeft ons de Heer geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. 2 Korinthiërs 3:18: En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid van de Heern als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Heern Geest. 2 Korinthiërs 4:6: Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van JAHWEH vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld. 1 Koningen 8:12: Toen zei Salomo: De JAHWEH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen."
        },
        {
          "marker": "a",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Ezech. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis hunner vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.",
          "text1637": "Ezech. 1.24.",
          "text2026": "Ez. 1:24. Ezechiël 1:24: En als zij gingen, hoorde ik een geruis hun vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun eens legermachten; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/הִנֵּ֗ה",
          "strongs": "H2009",
          "morph": "HC/Tm"
        },
        {
          "woord": "כְּבוֹד֙",
          "strongs": "H3519",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "אֱלֹהֵ֣י",
          "strongs": "H430",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "יִשְׂרָאֵ֔ל",
          "strongs": "H3478",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "בָּ֖א",
          "strongs": "H935",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "מִ/דֶּ֣רֶךְ",
          "strongs": "H1870",
          "morph": "HR/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/קָּדִ֑ים",
          "strongs": "H6921",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/קוֹל֗/וֹ",
          "strongs": "H6963",
          "morph": "HC/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "כְּ/קוֹל֙",
          "strongs": "H6963",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "מַ֣יִם",
          "strongs": "H4325",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "רַבִּ֔ים",
          "strongs": "H7227",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "וְ/הָ/אָ֖רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HC/Td/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "הֵאִ֥ירָה",
          "strongs": "H215",
          "morph": "HVhp3fs"
        },
        {
          "woord": "מִ/כְּבֹדֽ/וֹ",
          "strongs": "H3519",
          "morph": "HR/Ncbsc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "En ziet, de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> stem was als het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> geruis van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> vele wateren, en de aarde werd<sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> verlicht van Zijn heerlijkheid.",
      "textSV1888_html": "En ziet, de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> heerlijkheid des Gods van Israël kwam van den weg naar het oosten; en Zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> stem was als het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> geruis van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> vele wateren, en de aarde werd<sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> verlicht van Zijn heerlijkheid.",
      "text1637_html": "Ende siet, de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"1\">1</sup> heerlickheyt des Godts Israëls quam vanden wech nae’t Oosten: ende sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"2\">2</sup> stemme was als het <sup class=\"note-marker\" data-note=\"a\">a</sup> geruysch van <sup class=\"note-marker\" data-note=\"3\">3</sup> vele wateren, ende de aerde wert <sup class=\"note-marker\" data-note=\"4\">4</sup> verlicht van sijne heerlickheyt.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des Gods",
          "new": "van de God",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 3,
      "textSV1888": "En alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.",
      "text1637": "Ende [5] alsoo was de gedaente van’t gesichte dat ick sach, gelijck’t [b] gesichte dat ick gesien hadde, doe ick quam om de stadt te [6] verderven; ende ’twaren gesichten, als ’tgesichte dat ick gesien hadde aende riviere Chebar: ende ick [7] viel op mijn aengesichte.",
      "text2026": "En zo was de gedaante van het visioen, dat ik zag, zoals het visioen, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren visioenen, als het visioen, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "5",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "5 alzo was de gedaante van het gezicht: Of, het was als de gedaante van het gezicht.",
          "text1637": "Ofte, het was als de gedaente van’t gesichte.",
          "text2026": "5 zo was de gedaante van het gezicht: Of, het was als de gedaante van het gezicht."
        },
        {
          "marker": "6",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, toen mij God zond om het verderf van Jeruzalem in zijnen naam te verkondigen, waarop het verderf zekerlijk zou volgen. Zie boven Ezech. 9, Ezech. 10, en vergelijk Jer. 1:10. De profeet wil zeggen dat dezelfde God zich hier openbaarde in genade, die zich daar vertoond had in grote verbolgenheid. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.",
          "text1637": "D. doe my Godt sondt, om het verderf van Ieruzalem in sijnen name te verkondigen, waer op het verderf sekerlick soude volgen. Siet boven capp. 9. 10. ende vergel. Ierem. 1. op vers 10. De Propheet wil seggen, dat de selve Godt sich hier openbaerde in genade, die sich daer vertoont hadde in groote verbolgentheyt.",
          "text2026": "Dat is, toen mij God zond om het verderf van Jeruzalem in zijn naam te verkondigen, waarop het verderf zekerlijk zou volgen. Zie boven Ez. 9, Ez. 10, en vergelijk Jer. 1:10. De profeet wil zeggen dat dezelfde God zich hier openbaarde in genade, die zich daar vertoond had in grote toorn. Jeremia 1:10: Zie, Ik stel u te deze dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten."
        },
        {
          "marker": "7",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "7 viel op mijn aangezicht: Zie boven Ezech. 1:28; alzo onder Ezech. 44:4. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.",
          "text1637": "Siet boven 1. op vers 28. alsoo onder 44.4.",
          "text2026": "7 viel op mijn aangezicht: Zie boven Ez. 1:28; zo onder Ez. 44:4. Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van JAHWEH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht."
        },
        {
          "marker": "b",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Ezech. 1:4; Ezech. 8:4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs. Ezechiël 8:4: En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël was aldaar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.",
          "text1637": "Ezech. 1.4. ende 8.4.",
          "text2026": "Ez. 1:4; Ez. 8:4. Ezechiël 1:4: Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden van het vuur. Ezechiël 8:4: En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וּ/כְ/מַרְאֵ֨ה",
          "strongs": "H4758",
          "morph": "HC/R/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/מַּרְאֶ֜ה",
          "strongs": "H4758",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֣ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "רָאִ֗יתִי",
          "strongs": "H7200",
          "morph": "HVqp1cs"
        },
        {
          "woord": "כַּ/מַּרְאֶ֤ה",
          "strongs": "H4758",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "רָאִ֨יתִי֙",
          "strongs": "H7200",
          "morph": "HVqp1cs"
        },
        {
          "woord": "בְּ/בֹאִ/י֙",
          "strongs": "H935",
          "morph": "HR/Vqc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "לְ/שַׁחֵ֣ת",
          "strongs": "H7843",
          "morph": "HR/Vpc"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הָ/עִ֔יר",
          "strongs": "H5892",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/מַרְא֕וֹת",
          "strongs": "H4758",
          "morph": "HC/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "כַּ/מַּרְאֶ֕ה",
          "strongs": "H4758",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֥ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "רָאִ֖יתִי",
          "strongs": "H7200",
          "morph": "HVqp1cs"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "נְהַר",
          "strongs": "H5104",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "כְּבָ֑ר",
          "strongs": "H3529",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וָ/אֶפֹּ֖ל",
          "strongs": "H5307",
          "morph": "HC/Vqw1cs"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "פָּנָֽ/י",
          "strongs": "H6440",
          "morph": "HNcbpc/Sp1cs"
        }
      ],
      "text2026_html": "En<sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> zo was de gedaante van het visioen, dat ik zag, zoals<sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> het visioen, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te<sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> verderven; en het waren visioenen, als het visioen, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik<sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> viel op mijn aangezicht.",
      "textSV1888_html": "En<sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk<sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te<sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik<sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> viel op mijn aangezicht.",
      "text1637_html": "Ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"5\">5</sup> alsoo was de gedaente van’t gesichte dat ick sach, gelijck’t <sup class=\"note-marker\" data-note=\"b\">b</sup> gesichte dat ick gesien hadde, doe ick qua<i>m</i> om de stadt te <sup class=\"note-marker\" data-note=\"6\">6</sup> verderven; en<i>de</i> ’twaren gesichten, als ’tgesichte dat ick gesien hadde aende riviere Chebar: ende ick <sup class=\"note-marker\" data-note=\"7\">7</sup> viel op mijn aengesichte.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "alzo",
          "new": "zo",
          "principe": "V42"
        },
        {
          "old": "gezicht,",
          "new": "visioen,",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "gelijk",
          "new": "zoals",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "gezicht,",
          "new": "visioen,",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "gezichten,",
          "new": "visioenen,",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "gezicht,",
          "new": "visioen,",
          "principe": null
        }
      ]
    },
    {
      "number": 4,
      "textSV1888": "En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag.",
      "text1637": "Ende de heerlickheyt des HEEREN quam in’t [8] Huys: [door] den wech der poorte, die des weegs nae’t Oosten [9] sach.",
      "text2026": "En de heerlijkheid van JAHWEH kwam in het huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten zag.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "8",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, den tempel.",
          "text1637": "Dat is, den Tempel.",
          "text2026": "Dat is, de tempel."
        },
        {
          "marker": "9",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, welker aangezicht was van den weg, enz., gelijk hij door de oostpoort uit den vorigen ouden tempel gescheiden was [zie boven Ezech. 10:19], om daarna in den nieuwen te gaan wonen. Zie 2 Kor. 5:17; Openb. 21:5; idem Hagg. 2:7, 2:8, 2:9; ook kan de Christelijke lezer vergelijken Luk. 1:78, 1:79. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid des Gods Israëls was van boven over hen. 2 Korinthiërs 5:17: Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Openbaring 21:5: En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Haggai 2:7: Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen. Haggai 2:9: Mijn is het zilver, en Mijn is het goud, spreekt de HEERE der heirscharen. Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Lukas 1:79: Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.",
          "text1637": "Hebr. welcker aengesichte was des weechs. etc. gelijckse door d’Oostpoorte uyt den voorigen Ouden Tempel gescheyden was, (Siet boven 10.19.) om daer na in den nieuwen te gaen woonen. Siet 2.Corint. 5.17. Apoc. 21.5. item Hag. 2.7, 8, 9. oock kan de Christelicke leser vergelijcken Luc. 1.78, 79.",
          "text2026": "Hebreeuws, van wie aangezicht was van de weg, enz., gelijk hij door de oostpoort uit de vorigen ouden tempel gescheiden was [zie boven Ez. 10:19], om daarna in de nieuwen te gaan wonen (פָּנָי). Zie 2 Kor. 5:17; Openb. 21:5; idem Hagg. 2:7, 2:8, 2:9; ook kan de Christelijke lezer vergelijken Luk. 1:78, 1:79. Ezechiël 10:19: En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van JAHWEH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen. 2 Korinthiërs 5:17: Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. Openbaring 21:5: En Die op de troon zat, zei: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. Haggai 2:7: Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Nog eens, een weinig tijds zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt JAHWEH van de legermachten. Haggai 2:9: Van Mij is het zilver, en van Mij is het goud, spreekt JAHWEH van de legermachten. Lukas 1:78: door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; Lukas 1:79: Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וּ/כְב֥וֹד",
          "strongs": "H3519",
          "morph": "HC/Ncbsc"
        },
        {
          "woord": "יְהוָ֖ה",
          "strongs": "H3068",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "בָּ֣א",
          "strongs": "H935",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/בָּ֑יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "דֶּ֣רֶךְ",
          "strongs": "H1870",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "שַׁ֔עַר",
          "strongs": "H8179",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֥ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "פָּנָ֖י/ו",
          "strongs": "H6440",
          "morph": "HNcbpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "דֶּ֥רֶךְ",
          "strongs": "H1870",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/קָּדִֽים",
          "strongs": "H6921",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En de heerlijkheid van JAHWEH kwam in het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten<sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> zag.",
      "textSV1888_html": "En de heerlijkheid des HEEREN kwam in<sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten<sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> zag.",
      "text1637_html": "Ende de heerlickheyt des HEEREN quam in’t <sup class=\"note-marker\" data-note=\"8\">8</sup> Huys: [door] den wech der poorte, die des weegs nae’t Oosten <sup class=\"note-marker\" data-note=\"9\">9</sup> sach.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des HEEREN",
          "new": "van JAHWEH",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 5,
      "textSV1888": "En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld.",
      "text1637": "Ende de [10] Geest nam my op, ende bracht my inden binnensten voorhof: ende siet, de heerlickheyt des HEEREN hadde het huys [11] vervult.",
      "text2026": "En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis vervuld.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "10",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "10 de Geest: Zie boven Ezech. 2:2, en Ezech. 3:12, en Ezech. 8:3, met de aantekening. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Dien, Die tot mij sprak. Ezechiël 3:12: Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid des HEEREN uit Zijn plaats! Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis ener hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt.",
          "text1637": "Siet boven 2.2. ende 3.12. ende 8.3. met d’aenteeck.",
          "text2026": "10 de Geest: Zie boven Ez. 2:2, en Ez. 3:12, en Ez. 8:3, met de aantekening. Ezechiël 2:2: Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak. Ezechiël 3:12: Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid van JAHWEH uit Zijn plaats! Ezechiël 8:3: En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de gezichten van God te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt."
        },
        {
          "marker": "11",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Vergelijk Exod. 40:34, 40:35; 1 Kon. 8:10, 8:11; Jes. 6:1, en Jes. 24:23, en Jes. 35:2, en Jes. 60:1, 60:2, en Jes. 66:18, 66:19; onder Ezech. 44:4; Hab. 2:14; Hagg. 2:8, 2:10; Zach. 2:5; Matth. 17:5; Joh. 1:14, en Joh. 12:41; 1 Kor. 15:28; 2 Thess. 1:10; 2 Petr. 1:16, 1:17, 1:18; Openb. 15:8, en Openb. 21:23, en Openb. 22:5. Exodus 40:34: Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel. Exodus 40:35: Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN den tabernakel vervulde. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel. Jesaja 24:23: En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als de HEERE der heirscharen regeren zal op den berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn. Jesaja 35:2: Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods. Jesaja 60:1: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op. Jesaja 60:2: Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Jesaja 66:18: Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien. Jesaja 66:19: En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht. Habakuk 2:14: Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot den Wens aller heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de HEERE der heirscharen. Haggai 2:10: De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt de HEERE der heirscharen; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de HEERE der heirscharen. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Mattheüs 17:5: Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 12:41: Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. 1 Korinthiërs 15:28: En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 2 Thessalonicensen 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1:17: Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. 2 Petrus 1:18: En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op den heiligen berg waren. Openbaring 15:8: En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit Zijn kracht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5: En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.",
          "text1637": "Vergel. ond. 44.4. ende Exo. 40.34, 35. 1.Reg. 8.10, 11. Ies. 6.1. ende 24.23. ende 35.2. ende 60.1, 2. ende 66.18, 19. Hab. 2.14. Hag. 2.7, 9. Zachar. 2.5. Matth. 17.5. Iohan. 1.14. ende 6.12, 13. 1.Cor. 15.28. 2.Thes. 1.10. 2.Pet. 1.16, 17, 18. Apoc. 15.8. ende 21.23. ende 22.5.",
          "text2026": "Vergelijk Ex. 40:34, 40:35; 1 Kon. 8:10, 8:11; Jes. 6:1, en Jes. 24:23, en Jes. 35:2, en Jes. 60:1, 60:2, en Jes. 66:18, 66:19; onder Ez. 44:4; Hab. 2:14; Hagg. 2:8, 2:10; Zach. 2:5; Matt. 17:5; Joh. 1:14, en Joh. 12:41; 1 Kor. 15:28; 2 Thess. 1:10; 2 Petr. 1:16, 1:17, 1:18; Openb. 15:8, en Openb. 21:23, en Openb. 22:5. Exodus 40:34: Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van JAHWEH vervulde de tabernakel. Exodus 40:35: Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van JAHWEH de tabernakel vervulde. 1 Koningen 8:10: En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van JAHWEH vervulde. 1 Koningen 8:11: En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld. Jesaja 6:1: In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heer, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. Jesaja 24:23: En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als JAHWEH van de legermachten regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn. Jesaja 35:2: Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid van JAHWEH, het sieraad onzes Gods. Jesaja 60:1: Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van JAHWEH gaat over u op. Jesaja 60:2: Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal JAHWEH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Jesaja 66:18: Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien. Jesaja 66:19: En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. Ezechiël 44:4: Daarna bracht hij mij de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht. Habakuk 2:14: Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid van JAHWEH bekennen, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Haggai 2:8: Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt JAHWEH van de legermachten. Haggai 2:10: De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt JAHWEH van de legermachten; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt JAHWEH van de legermachten. Zacharia 2:5: En Ik zal haar wezen, spreekt JAHWEH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Mattheüs 17:5: Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem! Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid. Johannes 12:41: Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. 1 Korinthiërs 15:28: En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 2 Thessalonicensen 1:10: Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. 2 Petrus 1:16: Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heer Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 2 Petrus 1:17: Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. 2 Petrus 1:18: En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren. Openbaring 15:8: En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid van God, en uit Zijn kracht; en niemand kon in de tempel ingaan, totdat de zeven plagen van de zeven engelen geëindigd waren. Openbaring 21:23: En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelfde zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. Openbaring 22:5: En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heer God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/תִּשָּׂאֵ֣/נִי",
          "strongs": "H5375",
          "morph": "HC/Vqw3fs/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "ר֔וּחַ",
          "strongs": "H7307",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "וַ/תְּבִיאֵ֕/נִי",
          "strongs": "H935",
          "morph": "HC/Vhw3fs/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הֶֽ/חָצֵ֖ר",
          "strongs": "H2691",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/פְּנִימִ֑י",
          "strongs": "H6442",
          "morph": "HTd/Aamsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/הִנֵּ֛ה",
          "strongs": "H2009",
          "morph": "HC/Tm"
        },
        {
          "woord": "מָלֵ֥א",
          "strongs": "H4390",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "כְבוֹד",
          "strongs": "H3519",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "יְהוָ֖ה",
          "strongs": "H3068",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "הַ/בָּֽיִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis<sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> vervuld.",
      "textSV1888_html": "En de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis<sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> vervuld.",
      "text1637_html": "Ende de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"10\">10</sup> Geest nam my op, ende bracht my inden binnensten voorhof: ende siet, de heerlickheyt des HEEREN hadde het huys <sup class=\"note-marker\" data-note=\"11\">11</sup> vervult.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des HEEREN",
          "new": "van JAHWEH",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 6,
      "textSV1888": "En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.",
      "text1637": "Ende ick hoorde [12] eenen die met my sprack uyt den huyse: ende [13] de man was by my staende.",
      "text2026": "En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "12",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Namelijk den HEERE, wiens heerlijkheid den tempel vervulde, in vers 5, en die in vers 7 tot den profeet spreekt. Vergelijk boven Ezech. 1:28, en Ezech. 2:1. Ezechiël 43:5: En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld. Ezechiël 43:7: En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten; Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 2:1: En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.",
          "text1637": "N. den HEERE, wiens heerlickheyt den Tempel vervulde, in’t voorgaende vers: ende die in’t volgende vers tot den Propheet spreeckt. Vergel. boven 1.28. ende 2.1.",
          "text2026": "Namelijk JAHWEH, wiens heerlijkheid de tempel vervulde, in vers 5, en die in vers 7 tot de profeet spreekt. Vergelijk boven Ez. 1:28, en Ez. 2:1. Ezechiël 43:5: En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis vervuld. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hun koningen, op hun hoogten; Ezechiël 1:28: Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregens, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van JAHWEH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. Ezechiël 2:1: En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken."
        },
        {
          "marker": "13",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "13 de man: Anders, een man. Zie boven Ezech. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.",
          "text1637": "And. een man. siet boven 40. op vers 3.",
          "text2026": "13 de man: Anders, een man. Zie boven Ez. 40:3. Ezechiël 40:3: Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וָ/אֶשְׁמַ֛ע",
          "strongs": "H8085",
          "morph": "HC/Vqw1cs"
        },
        {
          "woord": "מִדַּבֵּ֥ר",
          "strongs": "H1696",
          "morph": "HVtrmsa"
        },
        {
          "woord": "אֵלַ֖/י",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "מֵ/הַ/בָּ֑יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HR/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אִ֕ישׁ",
          "strongs": "H376",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הָיָ֥ה",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "עֹמֵ֖ד",
          "strongs": "H5975",
          "morph": "HVqrmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶצְלִֽ/י",
          "strongs": "H681",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        }
      ],
      "text2026_html": "En ik hoorde<sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> Een, Die met mij sprak, uit het huis; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> de man was bij mij, staande.",
      "textSV1888_html": "En ik hoorde<sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> Een, Die met mij sprak, uit het huis; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> de man was bij mij, staande.",
      "text1637_html": "Ende ick hoorde <sup class=\"note-marker\" data-note=\"12\">12</sup> eenen die met my sprack uyt den huyse: ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"13\">13</sup> de man was by my staende."
    },
    {
      "number": 7,
      "textSV1888": "En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten;",
      "text1637": "Ende [14] hy seyde tot my; Menschen kint, [Dit] is de plaetse mijns throons, ende de [15] plaetse der solen mijner voeten, alwaer ick woonen sal in’t midden der kinderen Israëls, in [16] eeuwicheyt: Ende [17] die vanden huyse Israëls en sullen mijnen [18] heyligen Name niet meer verontreynigen; sy, noch hare Coningen, met hare [19] hoererye, ende met de [c] [20] doode lichamen harer Coningen, [21] [op] hare hoochten:",
      "text2026": "En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de Israëlieten, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten;",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "14",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "De HEERE, die uit het huis met mij sprak, gelijk in vers 6 gezegd is. Ezechiël 43:6: En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande.",
          "text1637": "De HEERE, die uyt den huyse met my sprack, als in’t voorgaende vers geseyt is.",
          "text2026": "De JAHWEH, die uit het huis met mij sprak, gelijk in vers 6 gezegd is. Ezechiël 43:6: En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande."
        },
        {
          "marker": "15",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Vergelijk Lev. 26:11, 26:12; Jes. 60:13, en zie Joh. 14:23; 1 Kor. 3:16, 3:17, en 1 Kor. 6:19; Openb. 21:3, en Openb. 22:3, enz. Leviticus 26:11: En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn. Jesaja 60:13: De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 1 Korinthiërs 3:16: Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? 1 Korinthiërs 3:17: Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt. 1 Korinthiërs 6:19: Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;",
          "text1637": "Vergel. Lev. 26.11, 12. Iesa. 60.13. ende siet Ioh. 14.23. 1.Cor. 3.16, 17. ende 6.19. Apoc. 21.3. ende 22.3, etc.",
          "text2026": "Vergelijk Lev. 26:11, 26:12; Jes. 60:13, en zie Joh. 14:23; 1 Kor. 3:16, 3:17, en 1 Kor. 6:19; Openb. 21:3, en Openb. 22:3, enz. Leviticus 26:11: En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. Leviticus 26:12: En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. Jesaja 60:13: De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Johannes 14:23: Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 1 Korinthiërs 3:16: Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 1 Korinthiërs 3:17: Zo iemand de tempel van God schendt, die zal God schenden; want de tempel van God is heilig, welke u bent. 1 Korinthiërs 6:19: Of weet u niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u uws zelfs niet bent? Openbaring 21:3: En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen;"
        },
        {
          "marker": "16",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie Jer. 31:32, 31:33, 31:36, en Jer. 32:40, en Jer. 33:20, 33:21, 33:25, 33:26, enz. Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:36: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Jeremia 33:20: Alzo zegt de HEERE: Indien gijlieden Mijn verbond van den dag; en Mijn verbond van den nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd; Jeremia 33:21: Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesteren, Mijn dienaren. Jeremia 33:25: Zo zegt de HEERE: Indien Mijn verbond niet is van dag en nacht; indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb; Jeremia 33:26: Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hunner ontfermen.",
          "text1637": "Siet Ierem. 31.32, 33, 36. ende 32.40. ende 33.20, 21, 25, 26, etc.",
          "text2026": "Zie Jer. 31:32, 31:33, 31:36, en Jer. 32:40, en Jer. 33:20, 33:21, 33:25, 33:26, enz. Jeremia 31:32: Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt JAHWEH; Jeremia 31:33: Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt JAHWEH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. Jeremia 31:36: Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt JAHWEH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Jeremia 32:40: En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Jeremia 33:20: Zo zegt JAHWEH: Als u Mijn verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kondt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd; Jeremia 33:21: Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren. Jeremia 33:25: Zo zegt JAHWEH: Als Mijn verbond niet is van dag en nacht; als Ik de ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb; Jeremia 33:26: Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij hun ontfermen."
        },
        {
          "marker": "17",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "17 die van het huis Israëls zullen …: Hebreeuws, het huis Israëls zullen, enz. Samengevat: door de genadige inwoning Mijns Heiligen Geestes zal Ik maken, dat Mijn geestelijke Israël [dat is, Mijn kerk] Mij heiliglijk zal dienen en vreemd zijn van alles wat ertegen strijdt, inzonderheid alle afgoderij, waarvan enige soorten in het volgende worden verhaald, uit de gruwelen die Gods volk in Kanaän bedreven had. Dit kan men wel enigszins duiden [met sommigen] op den tijd van Ezra en Nehemia na de verlossing uit Babel [hoewel die mannen Gods met vele grove abuizen van het volk steeds hebben moeten strijden, en de Joden naderhand van tijd tot tijd schrikkelijker zijn vervallen, als bij de komst van Christus gebleken is], maar het ziet alles voornamelijk op den tijd van den Messias, en de uitzending van Zijn Geest, en zal volkomenlijk worden vervuld in het andere leven, in het hemels Kanaän, Openb. 21:27 en 22:3, enz. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;",
          "text1637": "Hebr. het huys Israëls sullen, etc. de somma is: door de genadige inwooninge mijns H. Geestes sal ick maken, dat mijn geestlick Israel (D. mijne kercke) my heylichlick sal dienen, ende vreemt zijn van alles wat daer tegen strijdt, insonderheyt alle Afgoderye, waer van eenige specien in’t volgende worden verhaelt, uyt de grouwelen die Gods volck in Canaan bedreven hadde. Dit kanmen wel eenichsins duyden (met sommige) op den tijt van Ezra ende Nehemia na de verlossingen uyt Babel (hoewel die mannen Godts met vele grove abuysen des volcx steets hebben moeten strijden, ende de Ioden naderhant van tijt tot tijt schricklicker zijn vervallen, als by de komste Christi gebleken is) maer het siet alles principalick op den tijt des Messie, ende de uytsendinge sijnes Geestes, ende sal volkomelick worden vervult in’t ander leven, in’t hemelsch Canaan. Apoc. 21.27. ende 22.3, etc.",
          "text2026": "17 die van het huis van Israël zullen …: Hebreeuws, het huis van Israël zullen, enz (בֵּֽית). Samengevat: door de genadige inwoning Mijns Heiligen Geestes zal Ik maken, dat Mijn geestelijke Israël [dat is, Mijn kerk] Mij heiliglijk zal dienen en vreemd zijn van alles wat ertegen strijdt, in het bijzonder alle afgoderij, waarvan enige soorten in het volgende worden verhaald, uit de gruwelen die Gods volk in Kanaän bedreven had. Dit kan men wel enigszins duiden [met sommigen] op de tijd van Ezra en Nehemia na de verlossing uit Babel [hoewel die mannen van God met vele grove abuizen van het volk steeds hebben moeten strijden, en de Joden naderhand van tijd tot tijd schrikkelijker zijn vervallen, als bij de komst van Christus gebleken is], maar het ziet alles voornamelijk op de tijd van de Messias, en de uitzending van Zijn Geest, en zal volkomenlijk worden vervuld in het andere leven, in het hemels Kanaän, Openb. 21:27 en 22:3, enz. Openbaring 21:27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam. Openbaring 22:3: En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen;"
        },
        {
          "marker": "18",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "18 Mijn heiligen Naam: Hebreeuws, naam mijner heiligheid; alzo in het volgende.",
          "text1637": "Hebr. naem mijner heylicheyt, alsoo in’t volgende.",
          "text2026": "18 Mijn heilige Naam: Hebreeuws, naam mijner heiligheid (שֵׁם); zo in het volgende."
        },
        {
          "marker": "19",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, afgoderij, alle bijgeloof, eigenwillige menselijke vonden en inzettingen in den godsdienst. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.",
          "text1637": "D. Afgoderye, alle superstitie, eygenwillige menschlicke vonden ende insettingen in den Godtsdienst. siet Lev. 17. op vers 7. ende 20. op vers 5.",
          "text2026": "Dat is, afgoderij, alle bijgeloof, eigenwillige menselijke vonden en inzettingen in de godsdienst. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5. Leviticus 17:7: En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen de duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten. Leviticus 20:5: Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien."
        },
        {
          "marker": "20",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "20 dode lichamen: Dat is, gelijk enigen menen, met de lichamen van enige gestorven koningen, die omtrent den tempel begraven waren. Anderen verstaan de lichamen der mensen, die zij ter ere hunner afgoden geslacht en geofferd hebben, welke afgoden zij, op heidense wijze, hunne koningen plachten te noemen, inzonderheid dien Molech, of Milcom, of Malcam, of Melech, enz. die daarvan den naam had, want Melech betekent koning; zie Lev. 18:21; Jer. 48:7, en Jer. 49:1; Amos 1:15 en Amos 5:26, met de aantekening. Sommigen nemen het van de afgoden zelf, die met recht dode lichamen genoemd worden, omdat zij geen leven hebben, en als een aas voor God stinken; zie Lev. 26:30; Jer. 15:18, met de aantekening. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult gij niet geven, om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den Naam uws Gods zult gij niet ontheiligen; Ik ben de HEERE! Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt de HEERE alzo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in deszelfs steden? Amos 1:15: En hunlieder koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt de HEERE. Amos 5:26: Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijun, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Jeremia 15:18: Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?",
          "text1637": "D. als eenige meynen, met de lichamen eeniger verstorven Coningen die ontrent den Tempel begraven waren. andere verstaen de lichamen der menschen, die sy ter eeren harer Afgoden geslacht ende geoffert hebben, welcke Afgoden sy, op sijn heydens, hare Coningen plachten te noemen, insonderheyt dien Molech, ofte Milcom, ofte Malcam, ofte Melech, etc. die daer van den naem hadde. Want Melech beteeckent Coninck, siet Lev. 18.21. Ier. 48.7. ende 49.1. Amos 1.15. ende 5.26. met d’aenteeck. sommige nemen’t van de Afgoden selfs, die met recht doode lichamen genoemt worden, om datse geen leven en hebben, ende als een aes voor Godt stincken. Siet Levit. 26.30. ende Ierem. 16.18. met d’aenteeck.",
          "text2026": "20 dode lichamen: Dat is, gelijk enige menen, met de lichamen van enige gestorven koningen, die omtrent de tempel begraven waren. Anderen verstaan de lichamen van de mensen, die zij ter ere hun afgoden geslacht en geofferd hebben, welke afgoden zij, op heidense wijze, hunne koningen plachten te noemen, in het bijzonder die Molech, of Milcom, of Malcam, of Melech, enz. die daarvan de naam had, want Melech betekent koning; zie Lev. 18:21; Jer. 48:7, en Jer. 49:1; Amos 1:15 en Amos 5:26, met de aantekening. Sommigen nemen het van de afgoden zelf, die met recht dode lichamen genoemd worden, omdat zij geen leven hebben, en als een aas voor God stinken; zie Lev. 26:30; Jer. 15:18, met de aantekening. Leviticus 18:21: En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam uws Gods zult u niet ontheiligen; Ik ben JAHWEH! Jeremia 48:7: Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten te zamen. Jeremia 49:1: Tegen de kinderen Ammons zegt JAHWEH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in daarvan steden? Amos 1:15: En hunlieder koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt JAHWEH. Amos 5:26: Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster uws gods, die u uzelf hadt gemaakt. Leviticus 26:30: En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uw drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. Jeremia 15:18: Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt U mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?"
        },
        {
          "marker": "21",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "21 op hun hoogten: Of, en hun hoogten, zulks dat de hoogten gelijk dikwijls voor een bijzondere soort van afgoderij genomen worden.",
          "text1637": "Ofte, [ende] hare hoochten, sulcks dat de hoochten, (als dickwijls) voor eene bysondere specie van Afgoderye genomen worden.",
          "text2026": "21 op hun hoogten: Of, en hun hoogten, zulks dat de hoogten gelijk dikwijls voor een bijzondere soort van afgoderij genomen worden."
        },
        {
          "marker": "c",
          "type": "crossref",
          "textSV1888": "Jer. 16:18. Jeremia 16:18: Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld.",
          "text1637": "Ier. 16.18.",
          "text2026": "Jer. 16:18. Jeremia 16:18: Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hun verfoeiselen en hun gruwelen vervuld."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יֹּ֣אמֶר",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HC/Vqw3ms"
        },
        {
          "woord": "אֵלַ֗/י",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אָדָם֙",
          "strongs": "H120",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "מְק֣וֹם",
          "strongs": "H4725",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "כִּסְאִ֗/י",
          "strongs": "H3678",
          "morph": "HNcmsc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HC/To"
        },
        {
          "woord": "מְקוֹם֙",
          "strongs": "H4725",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "כַּפּ֣וֹת",
          "strongs": "H3709",
          "morph": "HNcfpc"
        },
        {
          "woord": "רַגְלַ֔/י",
          "strongs": "H7272",
          "morph": "HNcfdc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֧ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "אֶשְׁכָּן",
          "strongs": "H7931",
          "morph": "HVqi1cs"
        },
        {
          "woord": "שָׁ֛ם",
          "strongs": "H8033",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "בְּ/ת֥וֹךְ",
          "strongs": "H8432",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "בְּנֵֽי",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmpc"
        },
        {
          "woord": "יִשְׂרָאֵ֖ל",
          "strongs": "H3478",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "לְ/עוֹלָ֑ם",
          "strongs": "H5769",
          "morph": "HR/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/לֹ֣א",
          "strongs": "H3808",
          "morph": "HC/Tn"
        },
        {
          "woord": "יְטַמְּא֣וּ",
          "strongs": "H2930",
          "morph": "HVpi3mp"
        },
        {
          "woord": "ע֣וֹד",
          "strongs": "H5750",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "בֵּֽית",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "יִ֠שְׂרָאֵל",
          "strongs": "H3478",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "שֵׁ֣ם",
          "strongs": "H8034",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "קָדְשִׁ֞/י",
          "strongs": "H6944",
          "morph": "HNcmsc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "הֵ֤מָּה",
          "strongs": "H1992",
          "morph": "HPp3mp"
        },
        {
          "woord": "וּ/מַלְכֵי/הֶם֙",
          "strongs": "H4428",
          "morph": "HC/Ncmpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "בִּ/זְנוּתָ֔/ם",
          "strongs": "H2184",
          "morph": "HR/Ncfsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וּ/בְ/פִגְרֵ֥י",
          "strongs": "H6297",
          "morph": "HC/R/Ncmpc"
        },
        {
          "woord": "מַלְכֵי/הֶ֖ם",
          "strongs": "H4428",
          "morph": "HNcmpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "בָּמוֹתָֽ/ם",
          "strongs": "H1116",
          "morph": "HNcfpc/Sp3mp"
        }
      ],
      "text2026_html": "En<sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> Hij zei tot mij: <span class=\"god-speaks\"><i>Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de Israëlieten, in<sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> eeuwigheid; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> die van het huis van Israël zullen Mijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun<sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> hoererij en met de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"20\">20</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> dode lichamen van hun koningen,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> op hun hoogten;</i></span>",
      "textSV1888_html": "En<sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in<sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> eeuwigheid; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> die van het huis Israëls zullen Mijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun<sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> hoererij en met de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"20\">20</sup><sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> dode lichamen hunner koningen,<sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> op hun hoogten;",
      "text1637_html": "Ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"14\">14</sup> hy seyde tot my; Menschen kint, [Dit] is de plaetse mijns throons, ende de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"15\">15</sup> plaetse der solen mijner voeten, alwaer ick woonen sal in’t midden der kinderen Israëls, in <sup class=\"note-marker\" data-note=\"16\">16</sup> eeuwicheyt: Ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"17\">17</sup> die vanden huyse Israëls en sullen mijnen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"18\">18</sup> heyligen Name niet meer verontreynigen; sy, noch hare Coningen, met hare <sup class=\"note-marker\" data-note=\"19\">19</sup> hoererye, ende met de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"c\">c</sup> <sup class=\"note-marker\" data-note=\"20\">20</sup> doode lichamen harer Coningen, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"21\">21</sup> [op] hare hoochten:",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "zeide",
          "new": "zei",
          "principe": "W1"
        },
        {
          "old": "Mijns troons,",
          "new": "van Mijn troon,",
          "principe": "V213"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "Mijner",
          "new": "van Mijn",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "der kinderen Israëls,",
          "new": "van de Israëlieten,",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "Israëls",
          "new": "van Israël",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "heiligen",
          "new": "heilige",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "hunner",
          "new": "van hun",
          "principe": "N7"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 8,
      "textSV1888": "Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.",
      "text1637": "Als sy [22] haren dorpel stelden aen mijnen dorpel, ende haren post neffens mijnen post; datter [maer] een [23] wandt tusschen my ende tusschen hen en was: ende verontreynigden mijnen heyligen Name met hare grouwelen, die sy deden; daerom ickse verteert hebbe in mijnen toorn.",
      "text2026": "Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar één wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelijke dingen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "22",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "22 hun dorpel stelden aan Mijn dorpel: Dat is, onbeschaamd in mijn huis invoerden en bedreven allerlei afgoderij, bijgeloof en menselijke inzettingen, willende alzo mij en den duivel samen dienen, tempel aan of in tempel bouwen, als tot mijn spijt. Vergelijk hiermede boven Ezech. 8, en inzonderheid Ezech. 8:7, 8:8, 8:9, 8:10, enz., en wijders 2 Kon. 16:14, en 2 Kon. 21:7, en boven Ezech. 23:39. Ezechiël 8:7: Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in den wand. Ezechiël 8:8: En Hij zeide tot mij: Mensenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Ezechiël 8:10: Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israëls, geheel rondom aan den wand gemaald. 2 Koningen 16:14: Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis des HEEREN, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts. 2 Koningen 21:7: Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan de HEERE gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid. Ezechiël 23:39: Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, alzo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis.",
          "text1637": "D. onverschaemdelick in mijn huys invoerden ende bedreven allerleye afgoderye, superstitie ende menschelicke insettingen, willende alsoo my ende den Duyvel ’tsamen dienen, Tempel aen ofte in Tempel bouwen, als tot mijnen spijt. Vergel. hiermede boven het 8. cap. ende insonderheyt versen 7, 8, 9, 10. etc. ende wijders 2.Reg. 16.14. ende 21.7. ende boven 23.39.",
          "text2026": "22 hun dorpel stelden aan Mijn dorpel: Dat is, onbeschaamd in mijn huis invoerden en bedreven allerlei afgoderij, bijgeloof en menselijke inzettingen, willende zo mij en de duivel samen dienen, tempel aan of in tempel bouwen, als tot mijn spijt. Vergelijk hiermede boven Ez. 8, en in het bijzonder Ez. 8:7, 8:8, 8:9, 8:10, enz., en verder 2 Kon. 16:14, en 2 Kon. 21:7, en boven Ez. 23:39. Ezechiël 8:7: Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in de wand. Ezechiël 8:8: En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Ezechiël 8:10: Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis van Israël, geheel rondom aan de wand gemaald. 2 Koningen 16:14: Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van JAHWEH, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts. 2 Koningen 21:7: Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan JAHWEH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid. Ezechiël 23:39: Want als zij hun kinderen hun drekgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op dienzelven dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en ziet, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis."
        },
        {
          "marker": "23",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie boven Ezech. 8:8, 8:9. Anders: en stelden een wand tussen mij en tussen hen; dat is, scheidden zich van mij af door hunne gruwelen; zie Jes. 59:2. Ezechiël 8:8: En Hij zeide tot mij: Mensenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Jesaja 59:2: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.",
          "text1637": "Siet boven 8.8, 9. and. ende (stelden) eenen wandt tusschen my ende tusschen hen. D. scheyden haer van my af door hare grouwelen. siet Ies. 59.2.",
          "text2026": "Zie boven Ez. 8:8, 8:9. Anders: en stelden een wand tussen mij en tussen hen; dat is, scheidden zich van mij af door hunne gruwelen; zie Jes. 59:2. Ezechiël 8:8: En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet, daar was een deur. Ezechiël 8:9: Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen. Jesaja 59:2: Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "בְּ/תִתָּ֨/ם",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HR/Vqc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "סִפָּ֜/ם",
          "strongs": "H5592",
          "morph": "HNcmsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H854",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "סִפִּ֗/י",
          "strongs": "H5592",
          "morph": "HNcmsc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וּ/מְזֽוּזָתָ/ם֙",
          "strongs": "H4201",
          "morph": "HC/Ncfsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "אֵ֣צֶל",
          "strongs": "H681",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "מְזוּזָתִ֔/י",
          "strongs": "H4201",
          "morph": "HNcfsc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וְ/הַ/קִּ֖יר",
          "strongs": "H7023",
          "morph": "HC/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "בֵּינִ֣/י",
          "strongs": "H996",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וּ/בֵֽינֵי/הֶ֑ם",
          "strongs": "H996",
          "morph": "HC/R/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וְ/טִמְּא֣וּ",
          "strongs": "H2930",
          "morph": "HC/Vpp3cp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "שֵׁ֣ם",
          "strongs": "H8034",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "קָדְשִׁ֗/י",
          "strongs": "H6944",
          "morph": "HNcmsc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "בְּ/תֽוֹעֲבוֹתָ/ם֙",
          "strongs": "H8441",
          "morph": "HR/Ncfpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֣ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "עָשׂ֔וּ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "וָ/אֲכַ֥ל",
          "strongs": "H398",
          "morph": "HC/Vpw1cs"
        },
        {
          "woord": "אֹתָ֖/ם",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אַפִּֽ/י",
          "strongs": "H639",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp1cs"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>Als zij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar één<sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelijke dingen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.</i></span>",
      "textSV1888_html": "Als zij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er maar een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.",
      "text1637_html": "Als sy <sup class=\"note-marker\" data-note=\"22\">22</sup> haren dorpel stelden aen mijnen dorpel, ende haren post neffens mijnen post; datter [maer] een <sup class=\"note-marker\" data-note=\"23\">23</sup> wandt tusschen my ende tusschen hen en was: ende verontreynigden mijnen heyligen Name met hare grouwelen, die sy deden; daerom ickse verteert hebbe in mijnen toorn.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "nevens",
          "new": "naast",
          "principe": "V19"
        },
        {
          "old": "een",
          "new": "één",
          "principe": "V735"
        },
        {
          "old": "heiligen",
          "new": "heilige",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "gruwelen,",
          "new": "gruwelijke dingen,",
          "principe": "V1524"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 9,
      "textSV1888": "Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.",
      "text1637": "[24] Nu sullen sy hare hoererye, ende de [25] doode lichamen harer Coningen verre van my wech doen: ende ick sal in’t midden van hen woonen in eeuwicheyt.",
      "text2026": "Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "24",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Ten tijde van den nieuwen tempel, als Ik mijn volk de voorzegde genade zal bewijzen door den Messias.",
          "text1637": "Ter tijt deses nieuwen Tempels, als ick mijnen volcke de voorseyde genade sal bewijsen door den Messiam.",
          "text2026": "Ten tijde van de nieuwen tempel, als Ik mijn volk de voorzegde genade zal bewijzen door de Messias."
        },
        {
          "marker": "25",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "25 dode lichamen: Gelijk boven vers 7. Ezechiël 43:7: En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten;",
          "text1637": "Als bov. vers 7.",
          "text2026": "25 dode lichamen: Gelijk boven vers 7. Ezechiël 43:7: En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats van de zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de kinderen van Israël, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hun koningen, op hun hoogten;"
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "עַתָּ֞ה",
          "strongs": "H6258",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "יְרַחֲק֧וּ",
          "strongs": "H7368",
          "morph": "HVpj3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "זְנוּתָ֛/ם",
          "strongs": "H2184",
          "morph": "HNcfsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וּ/פִגְרֵ֥י",
          "strongs": "H6297",
          "morph": "HC/Ncmpc"
        },
        {
          "woord": "מַלְכֵי/הֶ֖ם",
          "strongs": "H4428",
          "morph": "HNcmpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "מִמֶּ֑/נִּי",
          "strongs": "H4480",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וְ/שָׁכַנְתִּ֥י",
          "strongs": "H7931",
          "morph": "HC/Vqq1cs"
        },
        {
          "woord": "בְ/תוֹכָ֖/ם",
          "strongs": "H8432",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "לְ/עוֹלָֽם",
          "strongs": "H5769",
          "morph": "HR/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup><span class=\"god-speaks\"><i> Nu zullen zij hun hoererij en de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.</i></span>",
      "textSV1888_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup> Nu zullen zij hun hoererij en de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.",
      "text1637_html": "<sup class=\"note-marker\" data-note=\"24\">24</sup> Nu sullen sy hare hoererye, ende de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"25\">25</sup> doode lichamen harer Coningen verre van my wech doen: ende ick sal in’t midden van hen woonen in eeuwicheyt.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "hunner",
          "new": "van hun",
          "principe": "N7"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 10,
      "textSV1888": "Gij mensenkind; wijs den huize Israëls dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.",
      "text1637": "Ghy, menschen kint, wijst den huyse Israëls [26] dit huys, op datse [27] schaemroot worden van wegen hare ongerechtichheden; ende laetse het [28] patroon afmeten.",
      "text2026": "U mensenkind; wijs aan het huis van Israël dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "26",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "26 dit huis: Dat is, het gezicht van de gedaante van dit huis, en maak hun bekend het oogmerk en de verklaring van die. Zie boven Ezech. 40:4. Ezechiël 40:4: En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israëls alles, wat gij ziet.",
          "text1637": "D. ’tgesichte van de gedaente deses huyses, ende maeckt haer bekent het oogemerck, ende de verklaringe van dien. siet boven 40.4.",
          "text2026": "26 dit huis: Dat is, het gezicht van de gedaante van dit huis, en maak hun bekend het oogmerk en de verklaring van die. Zie boven Ez. 40:4. Ezechiël 40:4: En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u herwaarts gebracht; verkondig daarna de huize Israëls alles, wat u ziet."
        },
        {
          "marker": "27",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "27 schaamrood worden: Door betrachting van hunne onwaardigheid [gelijk volgt], en deze mijn grote onverdiende onbegrijpelijke genade, die Ik mijn volk beloof en zo zekerlijk in het toekomende zal bewijzen, als Ik u dit nieuwe gebouw heb vertoond, en zij het model daarvan door u zullen ontvangen, en uit alles klaarlijk kunnen merken dat het niet uw verzinsel, maar mijn werk is.",
          "text1637": "Door betrachtinge van hare onweerdicheyt (als volcht), ende dese mijne groote onverdiende onbegrijplicke genade, die ick mijnen volcke belove, ende soo sekerlick in’t toekomende sal bewijsen, als ick u dit nieuw gebouw hebbe vertoont, ende sy het patroon daer van door u sullen ontfangen, ende uyt alles klaerlick konnen mercken, dat het niet u versiersel, maer mijn werck is.",
          "text2026": "27 schaamrood worden: Door betrachting van hunne onwaardigheid [gelijk volgt], en deze mijn grote onverdiende onbegrijpelijke genade, die Ik mijn volk beloof en zo zekerlijk in het toekomende zal bewijzen, als Ik u dit nieuwe gebouw heb vertoond, en zij het model daarvan door u zullen ontvangen, en uit alles duidelijk kunnen merken dat het niet uw verzinsel, maar mijn werk is."
        },
        {
          "marker": "28",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "28 het patroon: Of, de gestaltenis, hebbende zijn behoorlijke proportie, fatsoen, of, vorm, maten, etc. [vergelijk 2 Kron. 24:13] zoals gij het nu gezien hebt. 2 Kronieken 24:13: Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering des werks door hun hand toenam; en zij herstelden het huis Gods in zijn gestaltenis, en maakten het vast.",
          "text1637": "Ofte, de gestaltenisse, hebbende sijne behoorlicke proportie, fatsoen ofte forme, mate, etc. (Vergel. 2.Chro. 24. op vers 13.) soo als ghy’t nu gesien hebt.",
          "text2026": "28 het patroon: Of, de gestalte, hebbende zijn behoorlijke proportie, fatsoen, of, vorm, maten, etc. [vergelijk 2 Kron. 24:13] zoals u het nu gezien hebt. 2 Kronieken 24:13: Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn gestalte, en maakten het vast."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "אַתָּ֣ה",
          "strongs": "H859",
          "morph": "HPp2ms"
        },
        {
          "woord": "בֶן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אָדָ֗ם",
          "strongs": "H120",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "הַגֵּ֤ד",
          "strongs": "H5046",
          "morph": "HVhv2ms"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "בֵּֽית",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "יִשְׂרָאֵל֙",
          "strongs": "H3478",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הַ/בַּ֔יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/יִכָּלְמ֖וּ",
          "strongs": "H3637",
          "morph": "HC/VNj3mp"
        },
        {
          "woord": "מֵ/עֲוֺנֽוֹתֵי/הֶ֑ם",
          "strongs": "H5771",
          "morph": "HR/Ncbpc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וּ/מָדְד֖וּ",
          "strongs": "H4058",
          "morph": "HC/Vqq3cp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "תָּכְנִֽית",
          "strongs": "H8508",
          "morph": "HNcfsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "U mensenkind; wijs aan het huis van Israël dit huis<sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup>, opdat zij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> patroon afmeten.",
      "textSV1888_html": "Gij mensenkind; wijs den huize Israëls<sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup> dit huis, opdat zij<sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> patroon afmeten.",
      "text1637_html": "Ghy, menschen kint, wijst den huyse Israëls <sup class=\"note-marker\" data-note=\"26\">26</sup> dit huys, op datse <sup class=\"note-marker\" data-note=\"27\">27</sup> schaemroot worden van wege<i>n</i> hare ongerechtichheden; ende laetse het <sup class=\"note-marker\" data-note=\"28\">28</sup> patroon afmeten.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "Gij",
          "new": "U",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "den huize Israëls",
          "new": "aan het huis van Israël",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 11,
      "textSV1888": "En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en dezelve doen.",
      "text1637": "Ende indiense schaemroot worden van wegen alles dat sy gedaen hebben, [29] so maeckt hen bekent de forme des huyses, ende sijne gestaltenisse, ende sijne uytgangen, ende sijne ingangen, ende alle sijne formen, ende alle sijne ordinantien, ja alle sijne formen, ende alle sijne wetten; ende [30] schrijftet voor hare oogen: op datse sijne gantsche forme ende alle sijne ordinantien bewaren, ende de selve doen.",
      "text2026": "En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn instellingen, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn hele vorm en al zijn instellingen bewaren, en die doen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "29",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "29 zo maak hun bekend: De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen, om hun die bekend te maken, Ps. 25:14; maar niet voor de honden en varkens, Matth. 7:6. Psalmen 25:14: Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.",
          "text1637": "De verborgentheyt des Heeren is voor de gene die hem vreesen, om hen die bekent te maken. Psa. 25.14. maer niet voor de honden ende verckens, Matt. 7.6.",
          "text2026": "29 zo maak hun bekend: De verborgenheid van de Heern is voor degenen die Hem vrezen, om hun die bekend te maken, Ps. 25:14; maar niet voor de honden en varkens, Matt. 7:6. Psalmen 25:14: Samech. De verborgenheid van JAHWEH is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. Mattheüs 7:6: Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren."
        },
        {
          "marker": "30",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "30 schrijf het voor hun ogen: Dat is, maal of teken het hun af en beschrijf het, opdat zij door ware bekering levende stenen van dit gebouw en mijn geestelijk huis mede mogen zoeken te zijn, enz.; zie Ef. 2:20, 2:21, 2:22, en 1 Petr. 2:4, 2:5. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere; Efeziërs 2:22: Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest. 1 Petrus 2:4: Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:5: Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.",
          "text1637": "D. maelt ofte teeckent het hen af, ende beschrijft het, op datse door ware bekeeringe levendige steenen deses gebouws, ende mijn geestlick huys mede mogen soecken te zijn, etc. siet 1.Pet. 2.4, 5. ende Ephef. 2.20, 21, 22.",
          "text2026": "30 schrijf het voor hun ogen: Dat is, maal of teken het hun af en beschrijf het, opdat zij door ware bekering levende stenen van dit gebouw en mijn geestelijk huis mee mogen zoeken te zijn, enz.; zie Ef. 2:20, 2:21, 2:22, en 1 Petr. 2:4, 2:5. Efeziërs 2:20: Gebouwd op het fondament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; Efeziërs 2:21: Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heer; Efeziërs 2:22: Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest. 1 Petrus 2:4: Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/אִֽם",
          "strongs": "H518",
          "morph": "HC/C"
        },
        {
          "woord": "נִכְלְמ֞וּ",
          "strongs": "H3637",
          "morph": "HVNp3cp"
        },
        {
          "woord": "מִ/כֹּ֣ל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HR/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "עָשׂ֗וּ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqp3cp"
        },
        {
          "woord": "צוּרַ֣ת",
          "strongs": "H6699",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/בַּ֡יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/תְכוּנָת֡/וֹ",
          "strongs": "H8498",
          "morph": "HC/Ncfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וּ/מוֹצָאָ֡י/ו",
          "strongs": "H4161",
          "morph": "HC/Ncmpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וּ/מוֹבָאָ֣י/ו",
          "strongs": "H4126",
          "morph": "HC/Ncmpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְֽ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "צֽוּרֹתָ֡/ו",
          "strongs": "H6699",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֵ֣ת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HC/To"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "חֻקֹּתָי/ו֩",
          "strongs": "H2708",
          "morph": "HNcbpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "צורת/י",
          "strongs": "H6699",
          "morph": "HNcfpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "וְ/כָל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "תורת/ו",
          "strongs": "H8451",
          "morph": "HNcfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "הוֹדַ֣ע",
          "strongs": "H3045",
          "morph": "HVhv2ms"
        },
        {
          "woord": "אוֹתָ֔/ם",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וּ/כְתֹ֖ב",
          "strongs": "H3789",
          "morph": "HC/Vqv2ms"
        },
        {
          "woord": "לְ/עֵֽינֵי/הֶ֑ם",
          "strongs": "H5869",
          "morph": "HR/Ncbdc/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "וְ/יִשְׁמְר֞וּ",
          "strongs": "H8104",
          "morph": "HC/Vqj3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "צוּרָת֛/וֹ",
          "strongs": "H6699",
          "morph": "HNcfsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HC/To"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "חֻקֹּתָ֖י/ו",
          "strongs": "H2708",
          "morph": "HNcbpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/עָשׂ֥וּ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HC/Vqq3cp"
        },
        {
          "woord": "אוֹתָֽ/ם",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3mp"
        }
      ],
      "text2026_html": "En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn instellingen, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn hele vorm en al zijn instellingen bewaren, en die doen.",
      "textSV1888_html": "En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en<sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en dezelve doen.",
      "text1637_html": "Ende indiense schaemroot worden van wegen alles dat sy gedaen hebben, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"29\">29</sup> so maeckt hen bekent de forme des huyses, ende sijne gestaltenisse, ende sijne uytgangen, ende sijne ingangen, ende alle sijne formen, ende alle sijne ordinantien, ja alle sijne formen, ende alle sijne wetten; ende <sup class=\"note-marker\" data-note=\"30\">30</sup> schrijftet voor hare oogen: op datse sijne gantsche forme ende alle sijne ordinantien bewaren, ende de selve doen.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "indien",
          "new": "als",
          "principe": "V41"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "gestaltenis,",
          "new": "gestalte,",
          "principe": "V612"
        },
        {
          "old": "ordinantien,",
          "new": "instellingen,",
          "principe": "V805"
        },
        {
          "old": "gansen",
          "new": "hele",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "ordinantien",
          "new": "instellingen",
          "principe": "V805"
        },
        {
          "old": "dezelve",
          "new": "die",
          "principe": "O3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 12,
      "textSV1888": "Dit is de wet van het huis: op de hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.",
      "text1637": "Dit is de wet des huyses: Op de [31] hoochte des berchs sal sijne gantsche grenze rontom henen, eene [32] heylicheyt der heylicheden zijn; siet dit is de wet des huyses.",
      "text2026": "Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn hele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; zie, dit is de wet van het huis.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "31",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, hoofd. Sommigen houden dat God aldus wijst op het Jeruzalem, dat boven is, Gal. 4:26; vergelijk Ps. 15:1; Matth. 5:14; Hebr. 12:22. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Psalmen 15:1: Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid? Mattheüs 5:14: Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Hebreeën 12:22: Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;",
          "text1637": "Hebr. hooft. Sommige houden, dat Godt aldus bedecktelick wijst op het Ierusalem, dat boven is. Gal. 4.26. Vergel. Psal. 15.1. Mat. 5.14. Hebr. 12, 22.",
          "text2026": "Hebreeuws, hoofd (רֹאשׁ). Sommigen houden dat God aldus wijst op het Jeruzalem, dat boven is, Gal. 4:26; vergelijk Ps. 15:1; Matt. 5:14; Hebr. 12:22. Galaten 4:26: Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. Psalmen 15:1: Een psalm van David. JAHWEH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? Mattheüs 5:14: U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn. Hebreeën 12:22: Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen;"
        },
        {
          "marker": "32",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "32 heiligheid der heiligheden: Dat is, zeer heilig, een zeer heilige plaats, omdat nu de heerlijkheid des Heeren alles geheiligd, of de Vader en de Zoon door den Heiligen Geest aldaar hunne woning zullen hebben genomen, heiligende alle uitverkorenen, doch de strijdende aanvankelijk, bij trappen en maten, maar de triomferende volkomenlijk.",
          "text1637": "D. seer heylich, eene seer heylige plaetse: om dat nu de heerlickheyt des Heeren alles geheylicht, ofte de Vader ende de Sone door den H. Geest aldaer hare wooninge sullen hebben genomen, heyligende alle uytverkorene, doch de strijdende aenvanckelick, by trappen ende maten, maer de triumpherende volkomelick.",
          "text2026": "32 heiligheid van de heiligheden: Dat is, zeer heilig, een zeer heilige plaats, omdat nu de heerlijkheid van de Heern alles geheiligd, of de Vader en de Zoon door de Heilige Geest daar hunne woning zullen hebben genomen, heiligende alle uitverkorenen, maar de strijdende aanvankelijk, bij trappen en maten, maar de triomferende volkomenlijk."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "זֹ֖את",
          "strongs": "H2063",
          "morph": "HPdxfs"
        },
        {
          "woord": "תּוֹרַ֣ת",
          "strongs": "H8451",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/בָּ֑יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "עַל",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "רֹ֣אשׁ",
          "strongs": "H7218",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "הָ֠/הָר",
          "strongs": "H2022",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "כָּל",
          "strongs": "H3605",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "גְּבֻל֞/וֹ",
          "strongs": "H1366",
          "morph": "HNcmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "סָבִ֤יב",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "סָבִיב֙",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "קֹ֣דֶשׁ",
          "strongs": "H6944",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "קָדָשִׁ֔ים",
          "strongs": "H6944",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "הִנֵּה",
          "strongs": "H2009",
          "morph": "HTm"
        },
        {
          "woord": "זֹ֖את",
          "strongs": "H2063",
          "morph": "HPdxfs"
        },
        {
          "woord": "תּוֹרַ֥ת",
          "strongs": "H8451",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/בָּֽיִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Dit is de wet van het huis: op de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> hoogte van de berg zal zijn hele grens, rondom heen, een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> heiligheid van de heiligheden zijn; zie, dit is de wet van het huis.",
      "textSV1888_html": "Dit is de wet van het huis: op de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.",
      "text1637_html": "Dit is de wet des huyses: Op de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"31\">31</sup> hoochte des berchs sal sijne gantsche grenze rontom henen, eene <sup class=\"note-marker\" data-note=\"32\">32</sup> heylicheyt der heylicheden zijn; siet dit is de wet des huyses.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des bergs",
          "new": "van de berg",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "ganse",
          "new": "hele",
          "principe": "V3"
        },
        {
          "old": "henen,",
          "new": "heen,",
          "principe": "V67"
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "ziet,",
          "new": "zie,",
          "principe": "V1158"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 13,
      "textSV1888": "En dit zijn de maten des altaars naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug des altaars.",
      "text1637": "Ende dit zijn de maten des [33] Altaers nae de [34] ellen, zijnde de elle, eene elle ende een hantbreedt: De [35] boesem dan eene [36] elle, ende eene elle de [37] breette; ende sijn [38] eynde aen sijnen [39] rant rontom eene spanne: ende dit is de [40] rugge des Altaers.",
      "text2026": "En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; het voetstuk van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "33",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Versta, het brandofferaltaar, afbeeldende den Heere Christus, met zijn enig zoenoffer, waarmede alle gelovigen in de vier hoeken der wereld gemeenschap hebben; idem, in en op welken zij hun geestelijke offeranden Gode opofferen. Zie Hebr. 13:10, en 1 Petr. 2:5. Hebreeën 13:10: Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen. 1 Petrus 2:5: Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.",
          "text1637": "Verstaet den Brandtoffers Altaer, afbeeldende den Heere Christum, met sijn eenich soenoffer, waer mede alle geloovige inde vier hoecken der werelt gemeenschap hebben, item, in ende op den welcken sy hare geestelicke offerhanden Gode opofferen. Siet Hebr. 13.10. ende 1.Petr. 2.5.",
          "text2026": "Versta, het brandofferaltaar, afbeeldende de Heer Christus, met zijn enig zoenoffer, waarmee alle gelovigen in de vier hoeken van de wereld gemeenschap hebben; idem, in en op welke zij hun geestelijke offeranden voor God opofferen. Zie Hebr. 13:10, en 1 Petr. 2:5. Hebreeën 13:10: Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. 1 Petrus 2:5: Zo wordt u ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus."
        },
        {
          "marker": "34",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie boven Ezech. 40:5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws een riet, en de hoogte een riet.",
          "text1637": "Siet boven 40.5.",
          "text2026": "Zie boven Ez. 40:5. Ezechiël 40:5: En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in van de man hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet."
        },
        {
          "marker": "35",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Of, schoot; dat is, voet of bodem, die onder rondom ging, en alles, wat daarop rustte, als in zijn schoot ontving, vestigde en ondersteunde. Zie vers 14 en vers 17. Ezechiël 43:14: Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
          "text1637": "Ofte, schoot. D. voet ofte bodem, die onder rontom ginck, ende alles, wat daer op ruste, als in sijnen schoot ontfinck, vestichde ende ondersteunde, siet het volgende vers ende vers 17.",
          "text2026": "Of, schoot; dat is, voet of bodem, die onder rondom ging, en alles, wat daarop rustte, als in zijn schoot ontving, vestigde en ondersteunde. Zie vers 14 en vers 17. Ezechiël 43:14: Van de boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelfde, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten."
        },
        {
          "marker": "36",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Versta, in hoogte.",
          "text1637": "Verst. in hoochte.",
          "text2026": "Versta, in hoogte."
        },
        {
          "marker": "37",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, dikte.",
          "text1637": "Dat is, dickte.",
          "text2026": "Dat is, dikte."
        },
        {
          "marker": "38",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, grens; dat is, het uiterste van dezen boezem.",
          "text1637": "Hebr. grenze. D. het uyterste deses boesems.",
          "text2026": "Hebreeuws, grens; dat is, het uiterste van deze boezem."
        },
        {
          "marker": "39",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, lip.",
          "text1637": "Hebr. lippe.",
          "text2026": "Hebreeuws, lip (שְׂפָתָ)."
        },
        {
          "marker": "40",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "40 rug des altaars: Dat is, het onderste deel, het steunsel van al de rest, als wanneer iemand op den rug ligt.",
          "text1637": "D. het onderste deel, het steunsel van al de reste, als wanneer yemant op den rugge leyt.",
          "text2026": "40 rug van het altaar: Dat is, het onderste deel, het steunsel van al de rest, als wanneer iemand op de rug ligt."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/אֵ֨לֶּה",
          "strongs": "H428",
          "morph": "HC/Pdxcp"
        },
        {
          "woord": "מִדּ֤וֹת",
          "strongs": "H4060",
          "morph": "HNcfpc"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "בָּֽ/אַמּ֔וֹת",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HRd/Ncfpa"
        },
        {
          "woord": "אַמָּ֥ה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "אַמָּ֖ה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "וָ/טֹ֑פַח",
          "strongs": "H2948",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/חֵ֨יק",
          "strongs": "H2436",
          "morph": "HC/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אַמָּ֜ה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אַמָּה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HC/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "רֹ֗חַב",
          "strongs": "H7341",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/גְבוּלָ֨/הּ",
          "strongs": "H1366",
          "morph": "HC/Ncmsc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "שְׂפָתָ֤/הּ",
          "strongs": "H8193",
          "morph": "HNcfsc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "סָבִיב֙",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "זֶ֣רֶת",
          "strongs": "H2239",
          "morph": "HNcfsc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אֶחָ֔ד",
          "strongs": "H259",
          "morph": "HTd/Acmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/זֶ֖ה",
          "strongs": "H2088",
          "morph": "HC/Pdxms"
        },
        {
          "woord": "גַּ֥ב",
          "strongs": "H1354",
          "morph": "HNcbsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּֽחַ",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En dit zijn de maten van<sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> het altaar naar de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> ellen, zijnde de el een el en een handbreed; het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> voetstuk van een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> el, en een el de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"37\">37</sup> breedte; en zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"38\">38</sup> einde aan zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> rand rondom een span; en dit is de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> rug van het altaar.",
      "textSV1888_html": "En dit zijn de maten des<sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> altaars naar de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> boezem van een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> el, en een el de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"37\">37</sup> breedte; en zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"38\">38</sup> einde aan zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> rand rondom een span; en dit is de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> rug des altaars.",
      "text1637_html": "Ende dit zijn de maten des <sup class=\"note-marker\" data-note=\"33\">33</sup> Altaers nae de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"34\">34</sup> ellen, zijnde de elle, eene elle ende een hantbreedt: De <sup class=\"note-marker\" data-note=\"35\">35</sup> boesem dan eene <sup class=\"note-marker\" data-note=\"36\">36</sup> elle, ende eene elle de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"37\">37</sup> breette; ende sijn <sup class=\"note-marker\" data-note=\"38\">38</sup> eynde aen sijnen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"39\">39</sup> rant rontom eene spanne: ende dit is de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"40\">40</sup> rugge des Altaers.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "des altaars",
          "new": "van het altaar",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "de boezem",
          "new": "het voetstuk",
          "principe": "V1627"
        },
        {
          "old": "des altaars.",
          "new": "van het altaar.",
          "principe": "N3"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 14,
      "textSV1888": "Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.",
      "text1637": "Van den boesem nu [op] der aerden, tot aen’t onderste [41] afsetsel, twee ellen; ende de breette, eene elle: ende van’t kleynste afsetsel tot aent’t grootste afsetsel, vier ellen, ende de breette eene elle.",
      "text2026": "Van het voetstuk nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "41",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, uitstekende, rondom gaande en als uitspringende lijst. Hebreeuws, behulp.",
          "text1637": "D. uytstekende, rontom gaende ende als uytspringende lijste. Hebr. behulp.",
          "text2026": "Dat is, uitstekende, rondom gaande en als uitspringende lijst. Hebreeuws, behulp."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וּ/מֵ/חֵ֨יק",
          "strongs": "H2436",
          "morph": "HC/R/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אָ֜רֶץ",
          "strongs": "H776",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "עַד",
          "strongs": "H5704",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הָ/עֲזָרָ֤ה",
          "strongs": "H5835",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/תַּחְתּוֹנָה֙",
          "strongs": "H8481",
          "morph": "HTd/Aafsa"
        },
        {
          "woord": "שְׁתַּ֣יִם",
          "strongs": "H8147",
          "morph": "HAcfda"
        },
        {
          "woord": "אַמּ֔וֹת",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/רֹ֖חַב",
          "strongs": "H7341",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אַמָּ֣ה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "אֶחָ֑ת",
          "strongs": "H259",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/מֵ/הֳ/עֲזָרָ֨ה",
          "strongs": "H5835",
          "morph": "HC/R/Td/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/קְּטַנָּ֜ה",
          "strongs": "H6996",
          "morph": "HTd/Aafsa"
        },
        {
          "woord": "עַד",
          "strongs": "H5704",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הָ/עֲזָרָ֤ה",
          "strongs": "H5835",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/גְּדוֹלָה֙",
          "strongs": "H1419",
          "morph": "HTd/Aafsa"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֣ע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "אַמּ֔וֹת",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/רֹ֖חַב",
          "strongs": "H7341",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הָ/אַמָּֽה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Van het voetstuk nu op de aarde tot aan het onderste<sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.",
      "textSV1888_html": "Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste<sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.",
      "text1637_html": "Van den boesem nu [op] der aerden, tot aen’t onderste <sup class=\"note-marker\" data-note=\"41\">41</sup> afsetsel, twee ellen; ende de breette, eene elle: ende van’t kleynste afsetsel tot aent’t grootste afsetsel, vier ellen, ende de breette eene elle.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den boezem",
          "new": "het voetstuk",
          "principe": "V1627"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 15,
      "textSV1888": "En de Harel vier ellen; en van den Ariël voorts opwaarts, de vier hoornen.",
      "text1637": "Ende de [42] Harel, vier ellen: ende van de Ariël voorts opwaerts, de vier [43] hoornen.",
      "text2026": "En de Harel vier ellen; en van de Ariël verder omhoog, de vier hoornen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "42",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Dat is, de haardstede, rooster, of plaats, boven op het altaar, waar het hout en de offeranden gelegd en verbrand werden, genoemd Harel, dat is, Gods berg, vanwege de hoogte [gelijk enigen menen] omdat men bij trappen daarop ging, onder vers 17, en Ariël, dat is, Gods leeuw, omdat hij de offeranden verteerde, gelijk een sterke leeuw alles verslindt wat hem voorkomt. Zie Jes. 29:1, en vergelijk Exod. 27:4, met de aantekening. Alzo is ons altaar de Heere Christus in der waarheid als een berg Gods, waar alle gelovige Joden en heidenen uit alle hoeken der wereld hunne toevlucht nemen en opgaan, en de leeuw Gods, uit Juda, die alles, wat ons vijandelijk is, verteert; zie Jes. 2:2, 2:3, en Jes. 60:7, en Jes. 63:1, enz.; Openb. 5:5. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten. Jesaja 29:1: Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten. Exodus 27:4: Gij zult het een rooster maken van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden. Jesaja 2:2: En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem. Jesaja 60:7: Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Openbaring 5:5: En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.",
          "text1637": "D. de heertstede, rooster, ofte plaetse boven op den Altaer, daer’t hout ende de offerhanden geleyt ende verbrant wierden, genoemt Harel. D. Godts berch, van wegen de hoochte (als eenige meynen) om datmen by trappen daer op ginck, onder vers 17. ende Ariel. D. Godts leeuw, om dat hy de offerhanden verteerde, gelijck een stercke leeuw alles verslindt wat hem voorkomt. Siet Ies. 29. op vers 1. ende vergel. Exo. 27.4. met d’aent. Alsoo is onse Altaer (de Heere Christus) inder waerheyt als een berch Godts, daer alle geloovige Ioden ende heydenen uyt alle hoecken der werelt haren toevlucht nemen ende opgaen, ende de leeuwe Godts, uyt Iuda, die alles, wat ons vyantlick is, verteert. Siet Iesa. 2.2, 3. ende 60.7. ende 63.1. etc. Apoc. 5.5.",
          "text2026": "Dat is, de haardstede, rooster, of plaats, boven op het altaar, waar het hout en de offeranden gelegd en verbrand werden, genoemd Harel, dat is, Gods berg, vanwege de hoogte [gelijk enige menen] omdat men bij trappen daarop ging, onder vers 17, en Ariël, dat is, Gods leeuw, omdat hij de offeranden verteerde, gelijk een sterke leeuw alles verslindt wat hem voorkomt. Zie Jes. 29:1, en vergelijk Ex. 27:4, met de aantekening. Zo is ons altaar de Heer Christus in van de waarheid als een berg van God, waar alle gelovige Joden en heidenen uit alle hoeken van de wereld hunne toevlucht nemen en opgaan, en de leeuw Gods, uit Juda, die alles, wat ons vijandelijk is, verteert; zie Jes. 2:2, 2:3, en Jes. 60:7, en Jes. 63:1, enz.; Openb. 5:5. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelfde, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten. Jesaja 29:1: Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten. Exodus 27:4: U zult het een rooster maken van koperen netwerk; en u zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden. Jesaja 2:2: En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van JAHWEH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelfde zullen alle heidenen toevloeien. Jesaja 2:3: En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de berg van JAHWEH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en van JAHWEH woord uit Jeruzalem. Jesaja 60:7: Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken. Jesaja 63:1: Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. Openbaring 5:5: En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken."
        },
        {
          "marker": "43",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Vergelijk Exod. 27:2, met de aantekening. Exodus 27:2: En gij zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.",
          "text1637": "Vergel. Exod. 27.2. met d’aenteeck.",
          "text2026": "Vergelijk Ex. 27:2, met de aantekening. Exodus 27:2: En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/הַֽ/הַרְאֵ֖ל",
          "strongs": "H2025",
          "morph": "HC/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֣ע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "אַמּ֑וֹת",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfpa"
        },
        {
          "woord": "וּ/מֵ/הָ/אֲרִאֵ֣יל",
          "strongs": "H741",
          "morph": "HC/R/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/לְ/מַ֔עְלָ/ה",
          "strongs": "H4605",
          "morph": "HC/R/D/Sd"
        },
        {
          "woord": "הַ/קְּרָנ֖וֹת",
          "strongs": "H7161",
          "morph": "HTd/Ncbpa"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּֽע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> Harel vier ellen; en van de Ariël verder omhoog, de vier<sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> hoornen.",
      "textSV1888_html": "En de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> Harel vier ellen; en van den Ariël voorts opwaarts, de vier<sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> hoornen.",
      "text1637_html": "Ende de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"42\">42</sup> Harel, vier ellen: ende van de Ariël voorts opwaerts, de vier <sup class=\"note-marker\" data-note=\"43\">43</sup> hoornen.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "voorts opwaarts,",
          "new": "verder omhoog,",
          "principe": null
        }
      ]
    },
    {
      "number": 16,
      "textSV1888": "De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.",
      "text1637": "Den Ariël nu, twaelf [ellen] de lengte, met twaelf [ellen] breette: vierkant aen sijne vier [44] zijden.",
      "text2026": "De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "44",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Hebreeuws, vier vierzijden, of vier vierhoeken, of vierkantigheden; gelijk boven Ezech. 1:8, zie aldaar. Alzo in vers 17. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
          "text1637": "Hebr. vier vier-zijden, ofte, vier vier-hoecken, ofte, vier-kanticheden: als boven 1.8. siet aldaer. alsoo in’t volg. vers.",
          "text2026": "Hebreeuws, vier vierzijden, of vier vierhoeken, of vierkantigheden; gelijk boven Ez. 1:8, zie daar. Zo in vers 17. Ezechiël 1:8: En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen. Ezechiël 43:17: En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelfde, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "ו/ה/אראיל",
          "strongs": "H741",
          "morph": "HC/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "שְׁתֵּ֤ים",
          "strongs": "H8147",
          "morph": "HAcfda"
        },
        {
          "woord": "עֶשְׂרֵה֙",
          "strongs": "H6240",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "אֹ֔רֶךְ",
          "strongs": "H753",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בִּ/שְׁתֵּ֥ים",
          "strongs": "H8147",
          "morph": "HR/Acfda"
        },
        {
          "woord": "עֶשְׂרֵ֖ה",
          "strongs": "H6240",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "רֹ֑חַב",
          "strongs": "H7341",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "רָב֕וּעַ",
          "strongs": "H7251",
          "morph": "HVqsmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶ֖ל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֥עַת",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcmsc"
        },
        {
          "woord": "רְבָעָֽי/ו",
          "strongs": "H7253",
          "morph": "HNcmpc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier<sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> zijden.",
      "textSV1888_html": "De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier<sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> zijden.",
      "text1637_html": "Den Ariël nu, twaelf [ellen] de lengte, met twaelf [ellen] breette: vierkant aen sijne vier <sup class=\"note-marker\" data-note=\"44\">44</sup> zijden."
    },
    {
      "number": 17,
      "textSV1888": "En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
      "text1637": "Ende het [45] afsetsel, viertien [ellen] de lengte, met veertien [ellen] breette, aen sijne vier zijden: ende den rant rontom het selve, de helft eener elle; ende de [46] boesem daeraen, eene elle rontom; ende sijne trappen siende nae’t Oosten.",
      "text2026": "En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft van een el; en het voetstuk daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "45",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "45 het afzetsel: Of, elk afzetsel.",
          "text1637": "Ofte, [elck] afsetsel.",
          "text2026": "45 het afzetsel: Of, elk afzetsel."
        },
        {
          "marker": "46",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Gelijk boven vers 13. Ezechiël 43:13: En dit zijn de maten des altaars naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug des altaars.",
          "text1637": "Als boven vers 13.",
          "text2026": "Gelijk boven vers 13. Ezechiël 43:13: En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/הָ/עֲזָרָ֞ה",
          "strongs": "H5835",
          "morph": "HC/Td/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֧ע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "עֶשְׂרֵ֣ה",
          "strongs": "H6240",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "אֹ֗רֶךְ",
          "strongs": "H753",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/אַרְבַּ֤ע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HR/Acfsa"
        },
        {
          "woord": "עֶשְׂרֵה֙",
          "strongs": "H6240",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "רֹ֔חַב",
          "strongs": "H7341",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶ֖ל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֣עַת",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcmsc"
        },
        {
          "woord": "רְבָעֶ֑י/הָ",
          "strongs": "H7253",
          "morph": "HNcmpc/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "וְ/הַ/גְּבוּל",
          "strongs": "H1366",
          "morph": "HC/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "סָבִ֨יב",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "אוֹתָ֜/הּ",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "חֲצִ֣י",
          "strongs": "H2677",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "הָ/אַמָּ֗ה",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/הַֽ/חֵיק",
          "strongs": "H2436",
          "morph": "HC/Td/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "לָ֤/הּ",
          "strongs": "",
          "morph": "HR/Sp3fs"
        },
        {
          "woord": "אַמָּה֙",
          "strongs": "H520",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "סָבִ֔יב",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/מַעֲלֹתֵ֖/הוּ",
          "strongs": "H4609",
          "morph": "HC/Ncfpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "פְּנ֥וֹת",
          "strongs": "H6437",
          "morph": "HVqc"
        },
        {
          "woord": "קָדִֽים",
          "strongs": "H6921",
          "morph": "HNcmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft van een el; en het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> voetstuk daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
      "textSV1888_html": "En het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de<sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.",
      "text1637_html": "Ende het <sup class=\"note-marker\" data-note=\"45\">45</sup> afsetsel, viertien [ellen] de lengte, met veertien [ellen] breette, aen sijne vier zijden: ende den rant rontom het selve, de helft eener elle; ende de <sup class=\"note-marker\" data-note=\"46\">46</sup> boesem daeraen, eene elle rontom; ende sijne trappen siende nae’t Oosten.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "rondom hetzelve,",
          "new": "daaromheen,",
          "principe": "O4"
        },
        {
          "old": "ener",
          "new": "van een",
          "principe": "V735"
        },
        {
          "old": "de boezem",
          "new": "het voetstuk",
          "principe": "V1627"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 18,
      "textSV1888": "En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantien des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprengen.",
      "text1637": "Ende hy seyde tot my; Menschen kint, so seyt de Heere HEERE; Dit zijn de ordinantien [47] des Altaers, ten dage alsmen hem sal maken: om brandoffer daerop te offeren, ende om bloet daer op te sprengen.",
      "text2026": "En Hij zei tot mij: Mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zijn de instellingen van het altaar, op de dag als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprenkelen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "47",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "47 des altaars: Die het altaar aangaan, die men in de making en bediening daarvan moest onderhouden.",
          "text1637": "Die den Altaer aengaen, diemen inde makinge ende bedieninge des selven moeste onderhouden.",
          "text2026": "47 van het altaar: Die het altaar aangaan, die men in de making en bediening daarvan moest onderhouden."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וַ/יֹּ֣אמֶר",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HC/Vqw3ms"
        },
        {
          "woord": "אֵלַ֗/י",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אָדָם֙",
          "strongs": "H120",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "כֹּ֤ה",
          "strongs": "H3541",
          "morph": "HD"
        },
        {
          "woord": "אָמַר֙",
          "strongs": "H559",
          "morph": "HVqp3ms"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֣/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהוִ֔ה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "אֵ֚לֶּה",
          "strongs": "H428",
          "morph": "HPdxcp"
        },
        {
          "woord": "חֻקּ֣וֹת",
          "strongs": "H2708",
          "morph": "HNcbpc"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּ֔חַ",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "בְּ/י֖וֹם",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הֵעָֽשׂוֹת֑/וֹ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVNc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "לְ/הַעֲל֤וֹת",
          "strongs": "H5927",
          "morph": "HR/Vhc"
        },
        {
          "woord": "עָלָי/ו֙",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "עוֹלָ֔ה",
          "strongs": "H5930",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/לִ/זְרֹ֥ק",
          "strongs": "H2236",
          "morph": "HC/R/Vqc"
        },
        {
          "woord": "עָלָ֖י/ו",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "דָּֽם",
          "strongs": "H1818",
          "morph": "HNcmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En Hij zei tot mij: <span class=\"god-speaks\"><i>Mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zijn de instellingen van het altaar, op de dag als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprenkelen.</i></span>",
      "textSV1888_html": "En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantien<sup class=\"note-marker\" data-note=\"47\">47</sup> des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprengen.",
      "text1637_html": "Ende hy seyde tot my; Menschen kint, so seyt de Heere HEERE; Dit zijn de ordinantien <sup class=\"note-marker\" data-note=\"47\">47</sup> des Altaers, ten dage alsmen hem sal maken: om brandoffer daerop te offeren, ende om bloet daer op te sprengen.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "zeide",
          "new": "zei",
          "principe": "W1"
        },
        {
          "old": "de Heere HEERE:",
          "new": "Adonai JAHWEH:",
          "principe": "G4"
        },
        {
          "old": "ordinantien des altaars, ten dage",
          "new": "instellingen van het altaar, op de dag",
          "principe": "V805"
        },
        {
          "old": "sprengen.",
          "new": "sprenkelen.",
          "principe": "V1046"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 19,
      "textSV1888": "En gij zult aan de Levietische priesteren, dewelke uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heere HEERE), om Mij te dienen, geven een var, een jong rund, ten zondoffer.",
      "text1637": "Ende ghy sult aen de Levitische Priesteren, dewelcke uyt den zade [48] Zadoks zijn, die tot my naederen (spreeckt de Heere HEERE) om my te dienen, geven eenen varre, een [49] jonck runt, ten sondoffer.",
      "text2026": "En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt Adonai JAHWEH), om Mij te dienen, geven een stier, een jong rund, als zondoffer.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "48",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Zie boven Ezech. 40:46, en onder Ezech. 44:15, enz. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesteren, die de wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israëls van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE;",
          "text1637": "Siet boven 40.46. ende onder 44.15. etc.",
          "text2026": "Zie boven Ez. 40:46, en onder Ez. 44:15, enz. Ezechiël 40:46: Maar de kamer, van wie voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de wacht van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot JAHWEH naderen, om Hem te dienen. Ezechiël 44:15: Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen van Israël van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heer JAHWEH;"
        },
        {
          "marker": "49",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "49 een jong rund: Hebreeuws, een zoon des runds; alzo in het volgende.",
          "text1637": "Hebr. eenen sone des runts: alsoo in’t volgende.",
          "text2026": "49 een jong rund: Hebreeuws, een zoon van de runds (בֶּן); zo in het volgende."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/נָתַתָּ֣ה",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HC/Vqq2ms"
        },
        {
          "woord": "אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/כֹּהֲנִ֣ים",
          "strongs": "H3548",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "הַ/לְוִיִּ֡ם",
          "strongs": "H3881",
          "morph": "HTd/Ngmpa"
        },
        {
          "woord": "אֲשֶׁ֣ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HTr"
        },
        {
          "woord": "הֵם֩",
          "strongs": "H1992",
          "morph": "HPp3mp"
        },
        {
          "woord": "מִ/זֶּ֨רַע",
          "strongs": "H2233",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "צָד֜וֹק",
          "strongs": "H6659",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "הַ/קְּרֹבִ֣ים",
          "strongs": "H7138",
          "morph": "HTd/Aampa"
        },
        {
          "woord": "אֵלַ֗/י",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HR/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "נְאֻ֛ם",
          "strongs": "H5002",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֥/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהוִ֖ה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "לְ/שָֽׁרְתֵ֑/נִי",
          "strongs": "H8334",
          "morph": "HR/Vpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "פַּ֥ר",
          "strongs": "H6499",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "בָּקָ֖ר",
          "strongs": "H1241",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "לְ/חַטָּֽאת",
          "strongs": "H2403",
          "morph": "HR/Ncfsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad<sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt Adonai JAHWEH), om Mij te dienen, geven een stier, een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup> jong rund, als zondoffer.</i></span>",
      "textSV1888_html": "En gij zult aan de Levietische priesteren, dewelke uit het zaad<sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heere HEERE), om Mij te dienen, geven een var, een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup> jong rund, ten zondoffer.",
      "text1637_html": "Ende ghy sult aen de Levitische Priesteren, dewelcke uyt den zade <sup class=\"note-marker\" data-note=\"48\">48</sup> Zadoks zijn, die tot my naederen (spreeckt de Heere HEERE) om my te dienen, geven eenen varre, een <sup class=\"note-marker\" data-note=\"49\">49</sup> jonck runt, ten sondoffer.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "priesteren, dewelke",
          "new": "priesters, die",
          "principe": "V75"
        },
        {
          "old": "de Heere HEERE),",
          "new": "Adonai JAHWEH),",
          "principe": "G4"
        },
        {
          "old": "var,",
          "new": "stier,",
          "principe": "V410"
        },
        {
          "old": "ten",
          "new": "als",
          "principe": "V1143"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 20,
      "textSV1888": "En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het ontzondigen, en het verzoenen.",
      "text1637": "Ende ghy sult dan desselven bloet nemen, ende doen’t aen sijne vier hoornen, ende aende vier hoecken des afsetsels, ende aen den rant rontom: also sult ghy hem [50] ontsondigen, ende hem versoenen.",
      "text2026": "En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het ontzondigen, en het verzoenen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "50",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "50 ontzondigen, en het verzoenen: Dewijl noch altaar, noch offerande, enige ceremoniële reinheid van zichzelven hadden, noch den onreinen aanbrengen konden, zo moest eerst alles door bloed daartoe gereinigd en ingewijd worden, afbeeldende de geestelijke reiniging onzer conscientiën, godsdiensten en van de hemelse dingen, door het dierbaar bloed van onzen Heere Christus, tot welks toepassing of toeëigening de dienstknechten van Christus, als zijne instrumenten, ons dienstig zijn door de zuivere predikatie van het heilige Evangelie van den gekruisigden Christus en de bediening der heilige sacramenten, gebeden, enz., gelijk de Levietische priesters deden in het ceremonieel; zie Hebr. 9:9 tot Hebr. 9:24 toe; 2 Kor. 3:6, en 2 Kor. 4:5, 4:7; Gal. 3:1, enz.; vergelijk boven Ezech. 40:49. Hebreeën 9:9: Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die den dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 4:5: Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil. 2 Korinthiërs 4:7: Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons; Galaten 3:1: O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Ezechiël 40:49: De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde.",
          "text1637": "Dewijle noch Altaer, noch offerhande, eenige Ceremoniale reynicheyt ofte heylicheyt van haerselven en hadden, noch den onreynen aenbrengen konden, so moest eerst alles door bloet daer toe gereynicht ende ingewyet worden, afbeeldende de geestelicke reyninge onser conscientien, Godts-diensten, ende der hemelsche dingen, door het dierbaer bloet onses Heeren Christi, tot welckes toepassinge ofte toe-eygeninge de dienstknechten Christi, als sijne instrumenten, ons bedienstich zijn door de suyvere predicatie des Heyligen Euangeliums van den gekruysten Christo, ende de bedieninge der H. Sacramenten, gebeden, etc. gelijck de Levitische Priesters deden in’t ceremoniael. siet Hebr. 9. van het 9. vers tot het 24. toe, ende 2.Cor. 3.6. ende 4.5, 7. Gal. 3.1. etc. Vergel. boven 40. op 39.",
          "text2026": "50 ontzondigen, en het verzoenen: Omdat noch altaar, noch offerande, enige ceremoniële reinheid van zichzelf hadden, noch de onreinen aanbrengen konden, zo moest eerst alles door bloed daartoe gereinigd en ingewijd worden, afbeeldende de geestelijke reiniging van ons conscientiën, godsdiensten en van de hemele dingen, door het dierbaar bloed van onze Heer Christus, tot welks toepassing of toeëigening de dienaren van Christus, als zijne instrumenten, ons dienstig zijn door de zuivere predikatie van het heilige Evangelie van de gekruisigden Christus en de bediening van de heilige sacramenten, gebeden, enz., gelijk de Levietische priesters deden in het ceremonieel; zie Hebr. 9:9 tot Hebr. 9:24 toe; 2 Kor. 3:6, en 2 Kor. 4:5, 4:7; Gal. 3:1, enz.; vergelijk boven Ez. 40:49. Hebreeën 9:9: Welke was een afbeelding voor die tegenwoordigen tijd, in welke gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; Hebreeën 9:24: Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 2 Korinthiërs 3:6: Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van de Nieuwen Testaments, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Korinthiërs 4:5: Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, de Heer; en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil. 2 Korinthiërs 4:7: Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons; Galaten 3:1: O u uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat u van de waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? Ezechiël 40:49: De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij die men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze, en een van gene zijde."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/לָקַחְתָּ֣",
          "strongs": "H3947",
          "morph": "HC/Vqq2ms"
        },
        {
          "woord": "מִ/דָּמ֗/וֹ",
          "strongs": "H1818",
          "morph": "HR/Ncmsc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/נָ֨תַתָּ֜ה",
          "strongs": "H5414",
          "morph": "HC/Vqq2ms"
        },
        {
          "woord": "עַל",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּ֤ע",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "קַרְנֹתָי/ו֙",
          "strongs": "H7161",
          "morph": "HNcbpc/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "אַרְבַּע֙",
          "strongs": "H702",
          "morph": "HAcfsa"
        },
        {
          "woord": "פִּנּ֣וֹת",
          "strongs": "H6438",
          "morph": "HNcfpc"
        },
        {
          "woord": "הָ/עֲזָרָ֔ה",
          "strongs": "H5835",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶֽל",
          "strongs": "H413",
          "morph": "HC/R"
        },
        {
          "woord": "הַ/גְּב֖וּל",
          "strongs": "H1366",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "סָבִ֑יב",
          "strongs": "H5439",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/חִטֵּאתָ֥",
          "strongs": "H2398",
          "morph": "HC/Vpq2ms"
        },
        {
          "woord": "אוֹת֖/וֹ",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וְ/כִפַּרְתָּֽ/הוּ",
          "strongs": "H3722",
          "morph": "HC/Vpq2ms/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> ontzondigen, en het verzoenen.",
      "textSV1888_html": "En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> ontzondigen, en het verzoenen.",
      "text1637_html": "Ende ghy sult dan desselven bloet nemen, ende doen’t aen sijne vier hoornen, ende aende vier hoecken des afsetsels, ende aen den rant rontom: also sult ghy hem <sup class=\"note-marker\" data-note=\"50\">50</sup> ontsondigen, ende hem versoenen.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "deszelfs",
          "new": "het",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "",
          "new": "daarvan",
          "principe": null
        },
        {
          "old": "der",
          "new": "van de",
          "principe": "N2"
        },
        {
          "old": "den",
          "new": "de",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "alzo",
          "new": "zo",
          "principe": "V42"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 21,
      "textSV1888": "Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.",
      "text1637": "Daerna sult ghy den varre des sondoffers nemen: ende hy sal hem verbranden in eene [51] bestelde plaetse des huyses, [52] buyten’t heylichdom.",
      "text2026": "Daarna zult u de stier van het zondoffer nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "51",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "Of, bevolene.",
          "text1637": "Ofte, bevolene.",
          "text2026": "Of, bevolene."
        },
        {
          "marker": "52",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "52 buiten het heiligdom: Vergelijk Hebr. 13:11, 13:12. Hebreeën 13:11: Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Hebreeën 13:12: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.",
          "text1637": "Vergel. Hebr. 13.11, 12.",
          "text2026": "52 buiten het heiligdom: Vergelijk Hebr. 13:11, 13:12. Hebreeën 13:11: Want van wie dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, van hen lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. Hebreeën 13:12: Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/לָ֣קַחְתָּ֔",
          "strongs": "H3947",
          "morph": "HC/Vqq2ms"
        },
        {
          "woord": "אֵ֖ת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הַ/פָּ֣ר",
          "strongs": "H6499",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הַֽ/חַטָּ֑את",
          "strongs": "H2403",
          "morph": "HTd/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/שְׂרָפ/וֹ֙",
          "strongs": "H8313",
          "morph": "HC/Vqq3ms/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "בְּ/מִפְקַ֣ד",
          "strongs": "H4662",
          "morph": "HR/Ncmsc"
        },
        {
          "woord": "הַ/בַּ֔יִת",
          "strongs": "H1004",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "מִ/ח֖וּץ",
          "strongs": "H2351",
          "morph": "HR/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "לַ/מִּקְדָּֽשׁ",
          "strongs": "H4720",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Daarna zult u de stier van het zondoffer nemen; en hij zal hem verbranden in een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> bestelde plaats van het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"52\">52</sup> huis buiten het heiligdom.",
      "textSV1888_html": "Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een<sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> bestelde plaats van het<sup class=\"note-marker\" data-note=\"52\">52</sup> huis buiten het heiligdom.",
      "text1637_html": "Daerna sult ghy den varre des sondoffers nemen: ende hy sal hem verbranden in eene <sup class=\"note-marker\" data-note=\"51\">51</sup> bestelde plaetse des huyses, <sup class=\"note-marker\" data-note=\"52\">52</sup> buyten’t heylichdom.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij den var des zondoffers",
          "new": "u de stier van het zondoffer",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 22,
      "textSV1888": "En op den tweeden dag zult gij een volkomen geitenbok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dat ontzondigd hebben met den var.",
      "text1637": "Ende op den tweeden dach sult ghy eenen volkomenen geyten-bock offeren ten sondoffer: ende sy sullen den altaer ontsondigen, gelijck als sy [dien] ontsondicht hebben met den varre.",
      "text2026": "En op de tweede dag zult u een volkomen geitenbok offeren als zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij dat ontzondigd hebben met de stier.",
      "marginNotes": [],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וּ/בַ/יּוֹם֙",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HC/Rd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/שֵּׁנִ֔י",
          "strongs": "H8145",
          "morph": "HTd/Aomsa"
        },
        {
          "woord": "תַּקְרִ֛יב",
          "strongs": "H7126",
          "morph": "HVhi2ms"
        },
        {
          "woord": "שְׂעִיר",
          "strongs": "H8163",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "עִזִּ֥ים",
          "strongs": "H5795",
          "morph": "HNcfpa"
        },
        {
          "woord": "תָּמִ֖ים",
          "strongs": "H8549",
          "morph": "HAamsa"
        },
        {
          "woord": "לְ/חַטָּ֑את",
          "strongs": "H2403",
          "morph": "HR/Ncfsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/חִטְּאוּ֙",
          "strongs": "H2398",
          "morph": "HC/Vpq3cp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּ֔חַ",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "כַּ/אֲשֶׁ֥ר",
          "strongs": "H834",
          "morph": "HR/Tr"
        },
        {
          "woord": "חִטְּא֖וּ",
          "strongs": "H2398",
          "morph": "HVpp3cp"
        },
        {
          "woord": "בַּ/פָּֽר",
          "strongs": "H6499",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "En op de tweede dag zult u een volkomen geitenbok offeren als zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij dat ontzondigd hebben met de stier.",
      "text1637_html": "Ende op den tweeden dach sult ghy eenen volkomenen geyten-bock offeren ten sondoffer: ende sy sullen den altaer ontsondigen, gelijck als sy [dien] ontsondicht hebben met den varre.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "den tweeden",
          "new": "de tweede",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "ten",
          "new": "als",
          "principe": "V1143"
        },
        {
          "old": "gelijk als",
          "new": "zoals",
          "principe": "V804"
        },
        {
          "old": "den var.",
          "new": "de stier.",
          "principe": "N1"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 23,
      "textSV1888": "Als gij een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult gij een var, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.",
      "text1637": "Als ghy een eynde sult gemaeckt hebben van’t ontsondigen: [dan] sult ghy eenen varre, een volkomen jonck runt, offeren, ende eenen volkomenen ram van de kudde.",
      "text2026": "Als u een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult u een stier, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.",
      "marginNotes": [],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "בְּ/כַלּוֹתְ/ךָ֖",
          "strongs": "H3615",
          "morph": "HR/Vpc/Sp2ms"
        },
        {
          "woord": "מֵֽ/חַטֵּ֑א",
          "strongs": "H2398",
          "morph": "HR/Vpc"
        },
        {
          "woord": "תַּקְרִיב֙",
          "strongs": "H7126",
          "morph": "HVhi2ms"
        },
        {
          "woord": "פַּ֣ר",
          "strongs": "H6499",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "בָּקָ֣ר",
          "strongs": "H1241",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "תָּמִ֔ים",
          "strongs": "H8549",
          "morph": "HAamsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אַ֥יִל",
          "strongs": "H352",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "מִן",
          "strongs": "H4480",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/צֹּ֖אן",
          "strongs": "H6629",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "תָּמִֽים",
          "strongs": "H8549",
          "morph": "HAamsa"
        }
      ],
      "text2026_html": "Als u een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult u een stier, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.",
      "text1637_html": "Als ghy een eynde sult gemaeckt hebben van’t ontsondigen: [dan] sult ghy eenen varre, een volkomen jonck runt, offeren, en<i>de</i> eenen volkomene<i>n</i> ram van de kudde.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "var,",
          "new": "stier,",
          "principe": "V410"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 24,
      "textSV1888": "En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.",
      "text1637": "Ende ghy sultse offeren voor’t aengesichte des HEEREN: Ende de Priesteren sullen [53] sout daer op werpen, ende sullense offeren [ten] brandoffer den HEERE.",
      "text2026": "En u zult ze offeren voor het aangezicht van JAHWEH; en de priesters zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren als brandoffer voor JAHWEH.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "53",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "53 zout daarop werpen: Vergelijk Lev. 2:13; Num. 18:19; 2 Kron. 13:5; voorts Matth. 5:13; Mark. 9:49, 9:40; Kol. 4:6. Leviticus 2:13: En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en het zout des verbonds van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult gij zout offeren. Numeri 18:19: Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israëls den HEERE zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht des HEEREN, voor u en voor uw zaad met u. 2 Kronieken 13:5: Staat het u niet toe te weten, dat de HEERE, de God Israëls, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond? Mattheüs 5:13: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. Marcus 9:49: Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. Marcus 9:40: Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. Kolossensen 4:6: Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden.",
          "text1637": "Vergel. Lev. 2. op vers 13. Num. 18. op vers 19. 2.Chron. 13. op vers 5. Voorts Matt. 5.13. Marc. 9.49, 50. Col. 4.6.",
          "text2026": "53 zout daarop werpen: Vergelijk Lev. 2:13; Num. 18:19; 2 Kron. 13:5; verder Matt. 5:13; Mark. 9:49, 9:40; Kol. 4:6. Leviticus 2:13: En alle offerande uws spijsoffers zult u met zout zouten, en het zout van het verbond van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult u zout offeren. Numeri 18:19: Alle hefofferen van de heilige dingen, die de kinderen van Israël JAHWEH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, voor u en voor uw zaad met u. 2 Kronieken 13:5: Staat het u niet toe te weten, dat JAHWEH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond? Mattheüs 5:13: U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. Marcus 9:49: Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. Marcus 9:40: Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. Kolossensen 4:6: Uw woord zij te alle tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u een iedereen moet antwoorden."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וְ/הִקְרַבְתָּ֖/ם",
          "strongs": "H7126",
          "morph": "HC/Vhq2ms/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "לִ/פְנֵ֣י",
          "strongs": "H6440",
          "morph": "HR/Ncbpc"
        },
        {
          "woord": "יְהוָ֑ה",
          "strongs": "H3068",
          "morph": "HNp"
        },
        {
          "woord": "וְ/הִשְׁלִ֨יכוּ",
          "strongs": "H7993",
          "morph": "HC/Vhq3cp"
        },
        {
          "woord": "הַ/כֹּהֲנִ֤ים",
          "strongs": "H3548",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "עֲלֵי/הֶם֙",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "מֶ֔לַח",
          "strongs": "H4417",
          "morph": "HNcmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/הֶעֱל֥וּ",
          "strongs": "H5927",
          "morph": "HC/Vhq3cp"
        },
        {
          "woord": "אוֹתָ֛/ם",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3mp"
        },
        {
          "woord": "עֹלָ֖ה",
          "strongs": "H5930",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "לַֽ/יהוָֽה",
          "strongs": "H3068",
          "morph": "HR/Np"
        }
      ],
      "text2026_html": "En u zult ze offeren voor het aangezicht van JAHWEH; en de priesters zullen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"53\">53</sup> zout daarop werpen, en zullen ze offeren als brandoffer voor JAHWEH.",
      "textSV1888_html": "En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesteren zullen<sup class=\"note-marker\" data-note=\"53\">53</sup> zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.",
      "text1637_html": "Ende ghy sultse offeren voor’t aengesichte des HEEREN: Ende de Priesteren sullen <sup class=\"note-marker\" data-note=\"53\">53</sup> sout daer op werpen, en<i>de</i> sullense offeren [ten] brandoffer de<i>n</i> HEERE.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "des HEEREN;",
          "new": "van JAHWEH;",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "priesteren",
          "new": "priesters",
          "principe": "V561"
        },
        {
          "old": "ten",
          "new": "als",
          "principe": "V1144"
        },
        {
          "old": "den HEERE.",
          "new": "voor JAHWEH.",
          "principe": null
        }
      ]
    },
    {
      "number": 25,
      "textSV1888": "Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.",
      "text1637": "Seven dagen, sult ghy dagelijcx eenen bock des sondoffers bereyden: oock [54] sullen sy eenen varre, een jonck runt, ende eenen ram van de kudde, [beyde] volkomen, bereyden.",
      "text2026": "Zeven dagen zult u dagelijks een bok van het zondoffer bereiden; ook zullen zij een stier, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "54",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "54 zullen zij een var: Anders: gelijk zij, enz. zullen bereid hebben.",
          "text1637": "And. gelijck sy, etc. sullen bereydet hebben.",
          "text2026": "54 zullen zij een var: Anders: gelijk zij, enz. zullen bereid hebben."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "שִׁבְעַ֣ת",
          "strongs": "H7651",
          "morph": "HAcmsc"
        },
        {
          "woord": "יָמִ֔ים",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "תַּעֲשֶׂ֥ה",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqi2ms"
        },
        {
          "woord": "שְׂעִיר",
          "strongs": "H8163",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "חַטָּ֖את",
          "strongs": "H2403",
          "morph": "HNcfsa"
        },
        {
          "woord": "לַ/יּ֑וֹם",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וּ/פַ֧ר",
          "strongs": "H6499",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "בֶּן",
          "strongs": "H1121",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "בָּקָ֛ר",
          "strongs": "H1241",
          "morph": "HNcbsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/אַ֥יִל",
          "strongs": "H352",
          "morph": "HC/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "מִן",
          "strongs": "H4480",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/צֹּ֖אן",
          "strongs": "H6629",
          "morph": "HTd/Ncbsa"
        },
        {
          "woord": "תְּמִימִ֥ים",
          "strongs": "H8549",
          "morph": "HAampa"
        },
        {
          "woord": "יַעֲשֽׂוּ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqi3mp"
        }
      ],
      "text2026_html": "Zeven dagen zult u dagelijks een bok van het zondoffer bereiden;<sup class=\"note-marker\" data-note=\"54\">54</sup> ook zullen zij een stier, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.",
      "textSV1888_html": "Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook<sup class=\"note-marker\" data-note=\"54\">54</sup> zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.",
      "text1637_html": "Seven dagen, sult ghy dagelijcx eenen bock des sondoffers bereyden: oock <sup class=\"note-marker\" data-note=\"54\">54</sup> sullen sy eenen varre, een jonck runt, ende eenen ram van de kudde, [beyde] volkomen, bereyden.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "gij",
          "new": "u",
          "principe": "A1"
        },
        {
          "old": "des zondoffers",
          "new": "van het zondoffer",
          "principe": "N3"
        },
        {
          "old": "var,",
          "new": "stier,",
          "principe": "V410"
        }
      ]
    },
    {
      "number": 26,
      "textSV1888": "Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.",
      "text1637": "Seven dagen sullen sy den altaer versoenen, ende hem reynigen: ende sijne [55] handen vullen.",
      "text2026": "Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "55",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "55 handen vullen: Dat is, hem inwijden of heiligen, tot het heilig gebruik. Vergelijk Lev. 7:37, en Lev. 8:33, enz. Anders: zij zullen [een iegelijk] zijne handen vullen; dat is zichzelven heiligen, en tot het offeren op het altaar inwijden. Leviticus 7:37: Dit is de wet des brandoffers, des spijsoffers, des zondoffers, des schuldoffers, des vuloffers en des dankoffers; Leviticus 8:33: Ook zult gij uit de deur van de tent der samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan den dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen.",
          "text1637": "D. hem inwyen ofte heyligen, tot het heylich gebruyck. Vergel. Levit. 7. op vers 37. ende 8.33, etc. And. sy sullen [een yegelijck] sijne handen vullen. D. haer selven heyligen, ende tot het offeren op den altaer inwyen.",
          "text2026": "55 handen vullen: Dat is, hem inwijden of heiligen, tot het heilig gebruik. Vergelijk Lev. 7:37, en Lev. 8:33, enz. Anders: zij zullen [een iedereen] zijne handen vullen; dat is zichzelf heiligen, en tot het offeren op het altaar inwijden. Leviticus 7:37: Dit is de wet van het brandoffer, van de spijsoffers, van het zondoffer, van de schuldoffers, van de vuloffers en van de dankoffers; Leviticus 8:33: Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "שִׁבְעַ֣ת",
          "strongs": "H7651",
          "morph": "HAcmsc"
        },
        {
          "woord": "יָמִ֗ים",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HNcmpa"
        },
        {
          "woord": "יְכַפְּרוּ֙",
          "strongs": "H3722",
          "morph": "HVpi3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּ֔חַ",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "וְ/טִֽהֲר֖וּ",
          "strongs": "H2891",
          "morph": "HC/Vpq3cp"
        },
        {
          "woord": "אֹת֑/וֹ",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp3ms"
        },
        {
          "woord": "וּ/מִלְא֖וּ",
          "strongs": "H4390",
          "morph": "HC/Vpq3cp"
        },
        {
          "woord": "יד/ו",
          "strongs": "H3027",
          "morph": "HNcbsc/Sp3ms"
        }
      ],
      "text2026_html": "Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"55\">55</sup> handen vullen.",
      "textSV1888_html": "Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn<sup class=\"note-marker\" data-note=\"55\">55</sup> handen vullen.",
      "text1637_html": "Seven dagen sullen sy den altaer versoenen, ende hem reynigen: ende sijne <sup class=\"note-marker\" data-note=\"55\">55</sup> handen vullen."
    },
    {
      "number": 27,
      "textSV1888": "Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.",
      "text1637": "Als sy nu dese dagen sullen voleyndt hebben; dan sal’t op den achtsten dach, ende voortaen geschieden, dat de Priesters [56] uwe brandofferen ende uwe danck-offeren op den Altaer sullen bereyden; ende ick sal een welgevallen aen ulieden hebben: spreeckt de Heere HEERE.",
      "text2026": "Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt Adonai JAHWEH.",
      "marginNotes": [
        {
          "marker": "56",
          "type": "explanatory",
          "textSV1888": "56 uw brandofferen en uw dankofferen: Zie boven Ezech. 40:39, en hier boven vers 20. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer. Ezechiël 43:20: En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het ontzondigen, en het verzoenen.",
          "text1637": "Siet boven 40. op vers 39. ende hier boven op vers 20.",
          "text2026": "56 uw brandofferen en uw dankofferen: Zie boven Ez. 40:39, en hier boven vers 20. Ezechiël 40:39: En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer. Ezechiël 43:20: En u zult van daarvan bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het ontzondigen, en het verzoenen."
        }
      ],
      "grondtekst": [
        {
          "woord": "וִֽ/יכַלּ֖וּ",
          "strongs": "H3615",
          "morph": "HC/Vpi3mp"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "הַ/יָּמִ֑ים",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "וְ/הָיָה֩",
          "strongs": "H1961",
          "morph": "HC/Vqq3ms"
        },
        {
          "woord": "בַ/יּ֨וֹם",
          "strongs": "H3117",
          "morph": "HRd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "הַ/שְּׁמִינִ֜י",
          "strongs": "H8066",
          "morph": "HTd/Aomsa"
        },
        {
          "woord": "וָ/הָ֗לְאָה",
          "strongs": "H1973",
          "morph": "HC/D"
        },
        {
          "woord": "יַעֲשׂ֨וּ",
          "strongs": "H6213",
          "morph": "HVqi3mp"
        },
        {
          "woord": "הַ/כֹּהֲנִ֤ים",
          "strongs": "H3548",
          "morph": "HTd/Ncmpa"
        },
        {
          "woord": "עַל",
          "strongs": "H5921",
          "morph": "HR"
        },
        {
          "woord": "הַ/מִּזְבֵּ֨חַ֙",
          "strongs": "H4196",
          "morph": "HTd/Ncmsa"
        },
        {
          "woord": "אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo"
        },
        {
          "woord": "עוֹלֽוֹתֵי/כֶם֙",
          "strongs": "H5930",
          "morph": "HNcfpc/Sp2mp"
        },
        {
          "woord": "וְ/אֶת",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HC/To"
        },
        {
          "woord": "שַׁלְמֵי/כֶ֔ם",
          "strongs": "H8002",
          "morph": "HNcmpc/Sp2mp"
        },
        {
          "woord": "וְ/רָצִ֣אתִי",
          "strongs": "H7521",
          "morph": "HC/Vqq1cs"
        },
        {
          "woord": "אֶתְ/כֶ֔ם",
          "strongs": "H853",
          "morph": "HTo/Sp2mp"
        },
        {
          "woord": "נְאֻ֖ם",
          "strongs": "H5002",
          "morph": "HNcmsc"
        },
        {
          "woord": "אֲדֹנָ֥/י",
          "strongs": "H136",
          "morph": "HNcmpc/Sp1cs"
        },
        {
          "woord": "יְהֹוִֽה",
          "strongs": "H3069",
          "morph": "HNp"
        }
      ],
      "text2026_html": "<span class=\"god-speaks\"><i>Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters<sup class=\"note-marker\" data-note=\"56\">56</sup> uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt Adonai JAHWEH.</i></span>",
      "textSV1888_html": "Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters<sup class=\"note-marker\" data-note=\"56\">56</sup> uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.",
      "text1637_html": "Als sy nu dese dagen sullen voleyndt hebben; dan sal’t op den achtsten dach, ende voortaen geschieden, dat de Priesters <sup class=\"note-marker\" data-note=\"56\">56</sup> uwe brandofferen ende uwe danck-offeren op den Altaer sullen bereyden; ende ick sal een welgevallen aen ulieden hebben: spreeckt de Heere HEERE.",
      "phraseDiff": [
        {
          "old": "voleind",
          "new": "voltooid",
          "principe": "V420"
        },
        {
          "old": "den achtsten",
          "new": "de achtste",
          "principe": "N1"
        },
        {
          "old": "geschieden,",
          "new": "gebeuren,",
          "principe": "V40"
        },
        {
          "old": "brandofferen",
          "new": "brandoffers",
          "principe": "V1173"
        },
        {
          "old": "dankofferen",
          "new": "dankoffers",
          "principe": "V1173"
        },
        {
          "old": "ulieden",
          "new": "u",
          "principe": "A2"
        },
        {
          "old": "de Heere HEERE.",
          "new": "Adonai JAHWEH.",
          "principe": "G4"
        }
      ]
    }
  ],
  "chapterIntro": {
    "text1637": "De heerlickheyt des Heeren komt van’t Oosten in desen nieuwen Tempel, ende vervult dien, vers 1, 2, etc. de Heere spreeckt den Propheet aen, ende belooft dat hy eeuwichlick aldaer onder sijn volck sal woonen, ende haer van sonden (die hem uyt den ouden Tempel hadden doen verhuysen) reynigen, 7. beveelt den Propheet dit gantsche gebouw den volcke pertinentelick voor te dragen, op datse haer bekeeren ende aen dit genaden-werck Godes gemeenschap mogen bekomen, 10. Generale wet van de heylicheyt deser gantscher plaetse, 12. De maten, inwyinge, ende ’t gebruyck des Brandoffers altaers, 13.",
    "text2026": "De heerlijkheid van de HEERE komt van het oosten in deze nieuwe tempel, en vervult die, vers 1, 2, enz. De HEERE spreekt de profeet aan, en belooft dat Hij eeuwig daar onder zijn volk zal wonen, en hen van zonden (die Hem uit de oude tempel hadden doen verhuizen) zal reinigen, 7. Hij gebiedt de profeet dit hele gebouw aan het volk nauwkeurig voor te dragen, opdat zij zich bekeren en aan dit genadewerk van God deel mogen krijgen, 10. Algemene wet over de heiligheid van deze hele plaats, 12. De maten, inwijding en het gebruik van het brandofferaltaar, 13."
  }
}
