# Open Vertaling — de volledige Bijbel in hedendaags Nederlands > De volledige tekst van de Open Vertaling (openvertaling.nl): een herziening van de Statenvertaling (1637/1888) in hedendaags Nederlands. Alle 88 boeken: het Oude Testament, het Nieuwe Testament, de apocriefe/deuterocanonieke boeken en de Ethiopische boeken. Licentie: CC0 1.0, publiek domein (https://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0/). Vrij te citeren, te kopiëren, te bewerken en te hergebruiken, ook commercieel en door AI-taalmodellen, zonder toestemming en zonder verplichte bronvermelding. Bron: https://openvertaling.nl · per hoofdstuk: https://openvertaling.nl/bijbel/{boek-id}/{hoofdstuk}.html en https://openvertaling.nl/data/{boek-id}/{hoofdstuk}.json · gebouwd op 2026-09-19. De tekst wordt nog door mensen nagekeken. # Oude Testament ## Genesis ### Genesis 1 1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en leeg, en duisternis was op de afgrond; en de Geest van God zweefde op de wateren. 3 En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. 6 En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! 7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was zo. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag. 9 En God zei: Dat de wateren van onder de hemel in één plaats verzameld worden, en dat het droge gezien worde! En het was zo. 10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering van de wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was. 11 En God zei: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiend, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, waarvan het zaad daarin zij op de aarde! En het was zo. 12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiend naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, waarvan het zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag. 14 En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel van de hemel, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden, en tot dagen en jaren! 15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde! En het was zo. 16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij van de dag, en dat kleine licht tot heerschappij van de nacht; ook de sterren. 17 En God stelde ze in het uitspansel van de hemel, om licht te geven op de aarde. 18 En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag. 20 En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel van de hemel! 21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wemelende ziel, die de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 22 En God zegende ze, zeggende: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! 23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. 24 En God zei: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte van de aarde, naar zijn aard! En het was zo. 25 En God maakte het wild gedierte van de aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 26 En God zei: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over het vee, en over de hele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 28 En God zegende hen, en God zei tot hen: Wees vruchtbaar, en vermenigvuldig, en vervul de aarde, en onderwerp haar, en heb heerschappij over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! 29 En God zei: Zie, Ik heb u al het zaadzaaiend kruid gegeven, dat op de hele aarde is, en alle geboomte, in dat zaadzaaiend boomvrucht is; het zij u tot voedsel! 30 Maar aan al het gedierte van de aarde, en aan al het gevogelte van de hemel, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot voedsel gegeven. En het was zo. 31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. ### Genesis 2 1 Zo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun leger. 2 Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had. 3 En God heeft de zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op die gerust heeft van al Zijn werk, dat God geschapen had, om te volmaken. 4 Dit is de wordingsgeschiedenis van de hemel en van de aarde, als zij geschapen werden; op de dag als God JAHWEH de aarde en de hemel maakte. 5 En alle struik van het veld, voordat hij in de aarde was, en al het kruid van het veld, voordat het uitsproot; want God JAHWEH had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om de aardbodem te bouwen. 6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de hele aardbodem. 7 En God JAHWEH had de mens gevormd uit het stof van de aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem van het leven; zo werd de mens tot een levende ziel. 8 Ook had God JAHWEH een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde daar de mens, die Hij gevormd had. 9 En God JAHWEH had alle geboomte uit de aarde doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot voedsel; en de boom van het leven in het midden van de hof, en de boom van de kennis van het goed en van het kwaad. 10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden. 11 De naam van de eerste rivier is Pison; deze is het, die het hele land van Havila omloopt, waar het goud is. 12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix. 13 En de naam van de tweede rivier is Gihon; deze is het, die het hele land Cusch omloopt. 14 En de naam van de derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath. 15 Zo nam God JAHWEH de mens, en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen, en die te bewaren. 16 En God JAHWEH gebood de mens, zeggende: Van alle boom van deze hof zult u vrij eten; 17 Maar van de boom van de kennis van het goed en van het kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag als u daarvan eet, zult u de dood sterven. 18 Ook had God JAHWEH gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulp maken, die als tegen hem over zij. 19 Want als God JAHWEH uit de aarde al het gedierte van het veld, en al het gevogelte van de hemel gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zou, dat zou haar naam zijn. 20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte van de hemel, en van al het gedierte van het veld; maar voor de mens vond hij geen hulp, die als tegen hem over was. 21 Toen deed God JAHWEH een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam één van zijn ribben, en sloot hun plaats toe met vlees. 22 En God JAHWEH bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. 23 Toen zei Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. 24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn. 25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet. ### Genesis 3 1 De slang nu was listiger dan al het gedierte van het veld, dat God JAHWEH gemaakt had; en zij zei tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: U zult niet eten van alle boom van deze hof? 2 En de vrouw zei tot de slang: Van de vrucht van de bomen van deze hof zullen wij eten; 3 Maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: U zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat u niet sterft. 4 Toen zei de slang tot de vrouw: U zult de dood niet sterven; 5 Maar God weet, dat, op de dag als u daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en u zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. 6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot voedsel, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten. 8 En zij hoorden de stem van God JAHWEH, wandelende in de hof, aan de wind van de dag. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van God JAHWEH, in het midden van het geboomte van de hof. 9 En God JAHWEH riep Adam, en zei tot hem: Waar bent u? 10 En hij zei: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zei: Wie heeft u te kennen gegeven, dat u naakt bent? Hebt u van die boom gegeten, van welke Ik u gebood, dat u daarvan niet eten zou? 12 Toen zei Adam: De vrouw, die U bij mij gegeven hebt, die heeft mij van die boom gegeven, en ik heb gegeten. 13 En God JAHWEH zei tot de vrouw: Wat is dit, dat u gedaan hebt? En de vrouw zei: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten. 14 Toen zei God JAHWEH tot die slang: Omdat u dit gedaan hebt, zo bent u vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte van het veld! Op uw buik zult u gaan, en stof zult u eten, al de dagen van uw leven. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; dat zal u de kop vermorzelen, en u zult het de hiel vermorzelen. 16 Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk van uw dracht; met smart zult u kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 17 En tot Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij de aarde om uwentwil vervloekt; en met smart zult u daarvan eten al de dagen van uw leven. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en u zult het kruid van het veld eten. 19 In het zweet van uw aangezicht zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want u bent stof, en u zult tot stof terugkeren. 20 Verder noemde Adam de naam van zijn vrouw Eva, omdat zij een moeder alle levenden is. 21 En God JAHWEH maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en trok ze hun aan. 22 Toen zei God JAHWEH: Zie, de mens is geworden als Onzer één, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van de boom van het leven, en ete, en leve in eeuwigheid. 23 Zo verzond hem God JAHWEH uit de hof van Eden, om de aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was. 24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten van de hof van Eden, en een vlammig lemmer van een zwaard, dat zich omkeerde, om te bewaren de weg van de boom van het leven. ### Genesis 4 1 En Adam had gemeenschap met Eva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zei: Ik heb een man van JAHWEH verkregen! 2 En zij voer voort te baren zijn broer Abel; en Abel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer. 3 En het gebeurde na verloop van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht van het land JAHWEH offer bracht. 4 En Abel bracht ook van de eerstgeborenen van zijn schapen, en van hun vet. En JAHWEH zag Abel en zijn offer aan; 5 Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel. 6 En JAHWEH zei tot Kaïn: Waarom bent u ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen? 7 Is er niet, als u weldoet, verhoging? en zo u niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en u zult over hem heersen. 8 En Kaïn sprak met zijn broer Abel; en het gebeurde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broer Abel opstond, en sloeg hem dood. 9 En JAHWEH zei tot Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik van mijn broer hoeder? 10 En Hij zei: Wat hebt u gedaan? daar is een stem van het bloed van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. 11 En nu bent u vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om van uw broer bloed van uw hand te ontvangen. 12 Als u de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; u zult zwervende en dolende zijn op aarde. 13 En Kaïn zei tot JAHWEH: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven wordt. 14 Zie, U hebt mij vandaag verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal gebeuren, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. 15 Maar JAHWEH zei tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En JAHWEH stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond. 16 En Kaïn ging uit van het aangezicht van JAHWEH; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden. 17 En Kaïn had gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch. 18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad verwekte Mechujael; en Mechujael verwekte Methusael; en Methusael verwekte Lamech. 19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla. 20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader van hen, die tenten bewoonden, en vee hadden. 21 En de naam van zijn broer was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen. 22 En Zilla baarde ook Tubal-Kaïn, een leermeester van alle werker in koper en ijzer; en de zus van Tubal-Kaïn was Naema. 23 En Lamech zei tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoor mijn stem, u vrouwen van Lamech! neem ter ore mijn rede! Werkelijk, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile! 24 Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal. 25 En Adam had opnieuw gemeenschap met zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Abel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen. 26 En die Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men de Naam van JAHWEH aan te roepen. ### Genesis 5 1 Dit is het boek van Adams geslacht. Op de dag als God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods. 2 Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, op de dag als zij geschapen werden. 3 En Adam leefde honderd en dertig jaren, en verwekte een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth. 4 En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 5 Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf. 6 En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij verwekte Enos. 7 En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 8 Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf. 9 En Enos leefde negentig jaren, en hij verwekte Kenan. 10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf. 12 En Kenan leefde zeventig jaren, en hij verwekte Mahalal-el. 13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf. 15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij verwekte Jered. 16 En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 17 Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf. 18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij verwekte Henoch. 19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf. 21 En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij verwekte Methusalach. 22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren. 24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg. 25 En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij verwekte Lamech. 26 En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 27 Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf. 28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij verwekte een zoon. 29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart van onze handen, vanwege de aarde, dat JAHWEH vervloekt heeft! 30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf. 32 En Noach was vijfhonderd jaar oud; en Noach verwekte Sem, Cham en Jafeth. ### Genesis 6 1 En het gebeurde, als de mensen op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, 2 Dat Gods zonen de dochters van de mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. 3 Toen zei JAHWEH: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens, omdat hij ook vlees is; maar zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren. 4 In die dagen waren er Nephilim op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochters van de mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name. 5 En JAHWEH zag, dat de boosheid van de mens veelvuldig was op de aarde, en al het maaksel van de gedachten van zijn hart altijd alleen boos was. 6 Toen berouwde JAHWEH, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart. 7 En JAHWEH zei: Ik zal de mens, die Ik geschapen heb, vernietigen van de aardbodem, van de mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen van JAHWEH. 9 Dit zijn de afstammelingen van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn generaties. Noach wandelde met God. 10 En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafeth. 11 Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel. 12 Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. 13 Daarom zei God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven. 14 Maak u een ark van goferhout; met kamers zult u deze ark maken; en u zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. 15 En zo is het, dat u haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte van de ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte. 16 U zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een el van boven; en de deur van de ark zult u in haar zijde zetten; u zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken. 17 Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest van het leven is, van onder de hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal de geest geven. 18 Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en u zult in de ark gaan, u, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen van uw zonen met u. 19 En u zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en vrouwtje zullen zij zijn; 20 Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden. 21 En u, neem voor u van alle voedsel, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot voedsel zij. 22 En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij. ### Genesis 7 1 Daarna zei JAHWEH tot Noach: Ga u, en uw hele huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht. 2 Van alle rein vee zult u tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn vrouwtje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn vrouwtje. 3 Ook van het gevogelte van de hemel zeven en zeven, het mannetje en het vrouwtje, om zaad levend te houden op de hele aarde. 4 Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van de aardbodem vernietigen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb. 5 En Noach deed, naar al wat JAHWEH hem geboden had. 6 Noach nu was zeshonderd jaar oud, als de vloed van de wateren op de aarde was. 7 Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen van zijn zonen met hem in de ark, vanwege de wateren van de vloed. 8 Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op de aardbodem kruipt, 9 Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het vrouwtje, zoals God Noach geboden had. 10 En het gebeurde na die zeven dagen, dat de wateren van de vloed op de aarde waren. 11 In het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag van de maand, op deze zelfde dag zijn alle fonteinen van de grote afgronds opengebroken, en de sluizen van de hemel geopend. 12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten. 13 Even op diezelfde dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, evenzo ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen van zijn zonen met hem in de ark; 14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel. 15 En van alle vlees, waarin een geest van het leven was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark. 16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en vrouwtje, van alle vlees, zoals hem God bevolen had. En JAHWEH sloot achter hem toe. 17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde. 18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren. 19 En de wateren namen geheel zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder de hele hemel zijn, bedekt werden. 20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt. 21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf de geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens. 22 Al wat een adem van de geest van het leven in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven. 23 Zo werd vernietigd al wat bestond, dat op de aardbodem was, van de mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte van de hemel, en zij werden vernietigd van de aarde; maar Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was. 24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen. ### Genesis 8 1 En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil. 2 Ook werden de fonteinen van de afgrond, en de sluizen van de hemel gesloten, en de plasregen van de hemel werd opgehouden. 3 Daartoe keerden de wateren weer van boven de aarde, heen en weer vloeiende, en de wateren namen af na verloop van honderd en vijftig dagen. 4 En de ark rustte in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, op de bergen van Ararat. 5 En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op de eerste van de maand, werden de toppen van de bergen gezien. 6 En het gebeurde, na verloop van veertig dagen, dat Noach het venster van de ark, die hij gemaakt had, opendeed. 7 En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weer ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren. 8 Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven de aardbodem. 9 Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weer tot hem in de ark; want de wateren waren op de hele aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark. 10 En hij wachtte nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif opnieuw uit de ark. 11 En de duif kwam tot hem tegen de avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren. 12 Toen bleef hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weer tot hem. 13 En het gebeurde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op de eerste hun maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel van de ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd. 14 En in de tweede maand, op de zeven en twintigste dag van de maand, was de aarde opgedroogd. 15 Toen sprak God tot Noach, zeggende: 16 Ga uit de ark, u, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen van uw zonen met u. 17 Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloedig voortplanten op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde. 18 Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen van zijn zonen met hem. 19 Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark. 20 En Noach bouwde JAHWEH een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandoffers op dat altaar. 21 En JAHWEH rook die liefelijke reuk, en JAHWEH zei in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken vanwege de mens; want het maaksel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, zoals Ik gedaan heb. 22 Voortaan al de dagen van de aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden. ### Genesis 9 1 En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zei tot hen: Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde! 2 En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte van de aarde, en over al het gevogelte van de hemel; in al wat zich op de aardbodem roert, en in alle vissen van de zee; zij zijn in uw hand overgegeven. 3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot voedsel; Ik heb het u al gegeven, zoals het groene kruid. 4 Maar het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult u niet eten. 5 En werkelijk, Ik zal uw bloed, het bloed van uw zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van een ieder van zijn broer zal Ik de ziel van de mens eisen. 6 Wie van de mens bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt. 7 Maar u, wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloedig voort op de aarde, en vermenigvuldigt op die. 8 Verder zei God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende: 9 Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u; 10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte van de aarde met u; van alle, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte van de aarde toe. 11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren van de vloed zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven. 12 En God zei: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten. 13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken van het verbond tussen Mij en tussen de aarde. 14 En het zal gebeuren, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken; 15 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, dat is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven. 16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is. 17 Zo zei dan God tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is. 18 En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän. 19 Deze drie waren de zonen van Noach; en van deze is de hele aarde overspreid. 20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard. 21 En hij dronk van die wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden van zijn tent. 22 En Cham, Kanaäns vader, zag van zijn vader naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broers daar buiten te kennen. 23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij leiden het op hun beider schouders, en gingen achteruit, en bedekten de naaktheid van hun vader; en hun aangezichten waren achteruit gekeerd, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen. 24 En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had. 25 En hij zei: Vervloekt zij Kanaän; een knecht van de knechten zij hij zijn broers! 26 Verder zei hij: Gezegend zij JAHWEH, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht! 27 God breide Jafeth uit, en hij woon in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht! 28 En Noach leefde na de vloed driehonderd en vijftig jaren. 29 Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf. ### Genesis 10 1 Dit nu zijn de afstammelingen van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na de vloed. 2 De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras. 3 En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma. 4 En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten. 5 Van deze zijn verdeeld de eilanden van de volken in hun gewesten, elk naar zijn taal, naar hun huisgezinnen, onder van hun volk. 6 En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaän. 7 En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan. 8 En Cusch verwekte Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde. 9 Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van JAHWEH; daarom wordt gezegd: Zoals Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van JAHWEH. 10 En het begin van zijn rijk was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear. 11 Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach. 12 En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad. 13 En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, 14 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, vanwaar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten. 15 En Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, 16 En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, 17 En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet, 18 En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen van de Kanaänieten verspreid. 19 En de grens van de Kanaänieten was van Sidon, daar u gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar u gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe. 20 Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun gewesten, in hun volken. 21 Verder zijn Sem zonen geboren; die is ook de vader aller zonen van Heber, broer van Jafeth, de grootste. 22 Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram. 23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz. 24 En Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. 25 En Heber werden twee zonen geboren; van de ene naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en de naam van zijn broer was Joktan. 26 En Joktan verwekte Almodad, en Selef, en Hatsarmaveth, en Jarach, 27 En Hadoram, en Usal, en Dikla, 28 En Obal, en Abimaël, en Scheba, 29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze alle waren zonen van Joktan. 30 En hun woning was van Mescha af, daar u gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten. 31 Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun gewesten, naar hun volken. 32 Deze zijn de huisgezinnen van de zonen van Noach, naar hun afstamming, in hun volken; en van deze zijn de volken op de aarde verdeeld na de vloed. ### Genesis 11 1 En de hele aarde was van dezelfde taal en dezelfde woorden. 2 Maar het gebeurde, als zij tegen het oosten trokken, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden daar. 3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons bakstenen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem. 4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, waarvan de top in de hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de hele aarde verstrooid worden! 5 Toen kwam JAHWEH neer, om te bekijken de stad en de toren, die de kinderen van de mensen bouwden. 6 En JAHWEH zei: Zie, zij zijn dezelfde volk, en hebben alle dezelfde taal; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zou hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken? 7 Kom aan, laat Ons neervaren, en laat Ons hun taal daar verwarren, opdat ieder de taal van zijn naasten niet hore. 8 Zo verstrooide hen JAHWEH van daar over de hele aarde; en zij hielden op de stad te bouwen. 9 Daarom noemde men haar naam Babel; want daar verwarde JAHWEH de taal van de hele aarde, en van daar verstrooide hen JAHWEH over de hele aarde. 10 Deze zijn de afstammelingen van Sem: Sem was honderd jaar oud, en verwekte Arfachsad, twee jaren na de vloed. 11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij verwekte Selah. 13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 14 En Selah leefde dertig jaren, en hij verwekte Heber. 15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaar, en hij verwekte zonen en dochters. 16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en verwekte Peleg. 17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij verwekte Rehu. 19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij verwekte Serug. 21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 22 En Serug leefde dertig jaren, en verwekte Nahor. 23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en verwekte Terah. 25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij verwekte zonen en dochters. 26 En Terah leefde zeventig jaren, en verwekte Abram, Nahor en Haran. 27 En deze zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot. 28 En Haran stierf voor het aangezicht van zijn vader Terah, in het land van zijn geboorte, in Ur van de Chaldeeën. 29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Saraï, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska. 30 En Saraï was onvruchtbaar; zij had geen kind. 31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, van zijn zoon zoon, en Saraï, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden daar. 32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran. ### Genesis 12 1 De JAHWEH nu had tot Abram gezegd: Ga u uit uw land, en uit uw familie, en uit het huis van uw vader, naar het land, dat Ik u wijzen zal. 2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. 4 En Abram trok heen, zoals JAHWEH tot hem gesproken had; en Lot trok met hem; en Abram was vijf en zeventig jaar oud, toen hij uit Haran ging. 5 En Abram nam Saraï, zijn huisvrouw, en Lot, van zijn broer zoon, en al hun bezittingen, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij trokken uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän. 6 En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land. 7 Zo verscheen JAHWEH aan Abram, en zei: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij daar een altaar voor JAHWEH, Die hem verschenen was. 8 En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-el, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-el tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar JAHWEH een altaar, en riep de Naam van JAHWEH aan. 9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden. 10 En er was honger in dat land; zo trok Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, omdat de honger zwaar was in dat land. 11 En het gebeurde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zei tot Saraï, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat u een vrouw bent, knap qua uiterlijk. 12 En het zal gebeuren, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. 13 Zeg toch: U bent mijn zus; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. 14 En het gebeurde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. 15 Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. 16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezels, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kamelen. 17 Maar JAHWEH plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, vanwege Saraï, Abrams huisvrouw. 18 Toen riep Farao Abram, en zei: Wat is dit, dat u mij gedaan hebt? waarom hebt u mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? 19 Waarom hebt u gezegd: Zij is mijn zus; zodat ik haar mij tot een vrouw zou genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga heen! 20 En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had. ### Genesis 13 1 Zo trok Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem. 2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. 3 En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-el toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-el, en tussen Ai; 4 Tot de plaats van het altaar, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft daar de Naam van JAHWEH aangeroepen. 5 En Lot, die met Abram trok, had ook schapen, en runderen, en tenten. 6 En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun bezittingen was vele, zodat zij samen niet konden wonen. 7 En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaänieten en Ferezieten in dat land. 8 En Abram zei tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannenbroeders. 9 Is niet het hele land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo u de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo u de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan. 10 En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de hele vlakte van de Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer JAHWEH Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof van JAHWEH, als Egypteland, als u komt te Zoar. 11 Zo koos Lot voor zich de hele vlakte van de Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de één van de ander. 12 Abram dan woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden van de vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe. 13 En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen JAHWEH. 14 En JAHWEH zei tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar u bent naar het noorden en naar het zuiden, en naar het oosten en naar het westen. 15 Want al dit land, dat u ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid. 16 En Ik zal uw zaad stellen als het stof van de aarde, zodat, als iemand het stof van de aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. 17 Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven. 18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde daar JAHWEH een altaar. ### Genesis 14 1 En het gebeurde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-laomer, de koning van Elam, en van Tideal, de koning van de volken; 2 Dat zij strijd voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar. 3 Deze alle voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee. 4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af. 5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim; 6 En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, dat aan de woestijn is. 7 Daarna keerden zij opnieuw, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land van de Amalekieten, en ook de Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde. 8 Toen trok de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, 9 Tegen Kedor-laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de volken, en Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen daar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. 11 En zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra, en al hun voedsel, en trokken weg. 12 Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. 13 Toen kwam er één, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, de Amoriet, broer van Eskol, en broer van Aner, die Abrams bondgenoten waren. 14 Als Abram hoorde, dat zijn broer gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. 15 En hij verdeelde zich tegen hen van de nacht, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, dat is ter linkerhand van Damascus. 16 En hij bracht alle bezittingen weer, en ook Lot zijn broer en ervan bezittingen bracht hij weer, als ook de vrouwen, en het volk. 17 En de koning van Sodom trok uit, hem tegemoet (nadat hij teruggekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal van de koning. 18 En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester van de allerhoogste God. 19 En hij zegende hem, en zei: Gezegend zij Abram voor God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! 20 En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles. 21 En de koning van Sodom zei tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de bezittingen voor u. 22 Maar Abram zei tot de koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot JAHWEH, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; 23 Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat u niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! 24 Het zij buiten mij; alleen wat de jongemannen verteerd hebben, en het deel van deze mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! ### Genesis 15 1 Na deze dingen kwam het woord van JAHWEH tot Abram in een visioen, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot. 2 Toen zei Abram: Heere, JAHWEH! wat zult U mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer? 3 Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! 4 En ziet, het woord van JAHWEH was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. 5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zei: Zie nu op naar de hemel, en tel de sterren, als u ze tellen kunt; en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn! 6 En hij geloofde in JAHWEH; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid. 7 Verder zei Hij tot hem: Ik ben JAHWEH, Die u uitgeleid heb uit Ur van de Chaldeeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. 8 En hij zei: Heere, JAHWEH! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal? 9 En Hij zei tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif. 10 En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. 11 En het wild gevogelte kwam neer op het aas; maar Abram joeg het weg. 12 En het gebeurde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. 13 Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Maar Ik zal het volk ook rechten, dat zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote bezittingen. 15 En u zult tot uw vaders gaan met vrede; u zult in goeden ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht zal hierheen terugkeren; want de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nog toe niet volkomen. 17 En het gebeurde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. 18 Ten zelfde dage maakte JAHWEH een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: 19 De Keniet, en de Keniziet, en de Kadmoniet, 20 En de Hethiet, en de Fereziet, en de Refaieten, 21 En de Amoriet, en de Kanaäniet, en de Girgaziet, en de Jebusiet. ### Genesis 16 1 Maar Saraï, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, van wie de naam Hagar was. 2 Zo zei Saraï tot Abram: Zie toch, JAHWEH heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Saraï. 3 Zo nam Saraï, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, na verloop van tien jaren, die Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. 4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen. 5 Toen zei Saraï tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; JAHWEH rechte tussen mij en tussen u! 6 En Abram zei tot Saraï: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Saraï vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. 7 En de Engel van JAHWEH vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur. 8 En hij zei: Hagar, u, dienstmaagd van Saraï! vanwaar komt u, en waar zult u heengaan? En zij zei: Ik ben vluchtende van het aangezicht van mijn vrouw Saraï! 9 Toen zei de Engel van JAHWEH tot haar: Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. 10 Verder zei de Engel van JAHWEH tot haar: Ik zal uw zaad enorm vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. 11 Ook zei de Engel van JAHWEH tot haar: Zie, u bent zwanger, en zult een zoon baren, en u zult zijn naam Ismaël noemen, omdat JAHWEH uw verdrukking aangehoord heeft. 12 En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen alle zijn, en de hand van alle tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broers. 13 En zij noemde de Naam van JAHWEH, Die tot haar sprak: U, God van het aanzien! want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Die, Die mij aanziet? 14 Daarom noemde men die put, de put Lachai-roi; zie, hij is tussen Kades en tussen Bered. 15 En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde de naam van zijn zoon, die Hagar gebaard had, Ismaël. 16 En Abram was zes en tachtig jaar oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. ### Genesis 17 1 Als nu Abram negen en negentig jaar oud was, zo verscheen JAHWEH aan Abram, en zei tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en wees oprecht! 2 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u geheel zeer vermenigvuldigen. 3 Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende: 4 Wat mij betreft, zie, Mijn verbond is met u; en u zult tot een vader van menigte van de volken worden! 5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte van de volken. 6 En Ik zal u geheel zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. 7 En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun generaties, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. 8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land waar u vreemdeling was geven, het hele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. 9 Verder zei God tot Abraham: U nu zult Mijn verbond houden, u, en uw zaad na u, in hun generaties. 10 Dit is Mijn verbond, dat u houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde. 11 En u zult het vlees van uw voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u. 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw generaties: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van alle vreemde, die niet is van uw zaad; 13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zeker besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in uw vlees, tot een eeuwig verbond. 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. 15 Nog zei God tot Abraham: U zult de naam van uw huisvrouw Saraï, niet Saraï noemen; maar haar naam zal zijn Sara. 16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen van de volken zullen uit haar worden! 17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zei in zijn hart: Zal één, die honderd jaar oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren? 18 En Abraham zei tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht! 19 En God zei: Werkelijk, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en u zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. 20 En voor wat betreft Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem geheel zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij winnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; 21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op deze gezetten tijd in het andere jaar baren zal. 22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham. 23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de mensen van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees van hun voorhuid, even ten zelfde dage, zoals God met hem gesproken had. 24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd. 25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaar oud, als hem het vlees van zijn voorhuid besneden werd. 26 Even op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon. 27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen van het huis, en de gekochten met geld, van de vreemde af, werden met hem besneden. ### Genesis 18 1 Daarna verscheen hem JAHWEH aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur van de tent zat, toen de dag heet werd. 2 En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur van de tent, en boog zich ter aarde. 3 En hij zei: Heere! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij. 4 Dat toch een beetje water gebracht worde, en was Uw voeten, en leun onder deze boom. 5 En ik zal een stuk brood langen, dat U Uw hart sterkt; daarna zult U voortgaan, daarom omdat U tot Uw knecht overgekomen bent. En zij zeiden: Doe zo als u gesproken hebt. 6 En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zei: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken. 7 En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan de knecht, die haastte, om dat toe te maken. 8 En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder die boom, en zij aten. 9 Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zei: Zie, in de tent. 10 En Hij zei: Ik zal voorzeker weer tot u komen, ongeveer deze tijd van het leven; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur van de tent, die achter Hem was. 11 Abraham nu en Sara waren oud, en op dagen gekomen; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze van de vrouwen. 12 Zo lachte Sara bij zichzelf, zeggende: Zal ik hartstocht hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is? 13 En JAHWEH zei tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook werkelijk baren, nu ik oud geworden ben? 14 Zou iets voor JAHWEH te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd zal Ik tot u terugkomen, ongeveer deze tijd van het leven, en Sara zal een zoon hebben! 15 En Sara ontkende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zei: Nee! maar u hebt gelachen. 16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden. 17 En JAHWEH zei: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? 18 Omdat Abraham zeker tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken van de aarde in hem gezegend zullen worden? 19 Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van JAHWEH houden, om te doen gerechtigheid en recht; opdat JAHWEH over Abraham brenge, wat Hij over hem gesproken heeft. 20 Verder zei JAHWEH: Omdat het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en omdat haar zonde zeer zwaar is, 21 Zal Ik nu afgaan en bekijken, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten. 22 Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht van JAHWEH. 23 En Abraham trad toe, en zei: Zult U ook de rechtvaardige met de goddeloze ombrengen? 24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn? 25 Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden de rechtvaardige met de goddeloze! dat de rechtvaardige zij zoals de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen? 26 Toen zei JAHWEH: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de hele plaats sparen om hunnentwil. 27 En Abraham antwoordde en zei: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben! 28 Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult U dan om vijf de hele stad verderven? En Hij zei: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden. 29 En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zei: Misschien zullen daar veertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen omwille van de veertigen. 30 Verder zei hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen daar dertig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal het niet doen, zo Ik daar dertig zal vinden. 31 En hij zei: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zei: Ik zal haar niet verderven omwille van de twintigen. 32 Nog zei hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleen ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verderven omwille van de tienen. 33 Toen ging JAHWEH weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weer naar zijn plaats. ### Genesis 19 1 En die twee engelen kwamen te Sodom in de avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. 2 En hij zei: Zie nu, mijn heren! keer toch in bij het huis van uw knecht, en overnacht, en was uw voeten; en u zult vroeg opstaan, en verdergaan. En zij zeiden: Nee, maar wij zullen op de straat overnachten. 3 En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten. 4 Voordat zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen van die stad, de mannen van Sodom, van de jongste tot de oudste toe, dat huis omsingeld, het hele volk, van het uiterste einde af. 5 En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen. 6 Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe; 7 En hij zei: Mijn broeders! doe toch geen kwaad! 8 Zie toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw van mijn dak ingegaan. 9 Toen zeiden zij: Kom verder aan! Verder zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zou hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op de man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. 10 Maar die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. 11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van de kleinste tot aan de grootste, zodat zij moe werden, om de deur te vinden. 12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wie hebt u hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochters, en allen, die u hebt in deze stad, breng uit deze plaats; 13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht van JAHWEH, en JAHWEH ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. 14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Maak u op, gaat uit deze plaats; want JAHWEH gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van zijn schoonzonen als liegend. 15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat u in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt. 16 Maar hij bleef; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand van zijn vrouw, en de hand van zijn twee dochters, om de verschoning van JAHWEH over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. 17 En het gebeurde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zei Hij: behoud u omwille van uw leven; zie niet achter u om, en sta niet op deze hele vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat u niet omkomt. 18 En Lot zei tot hen: Nee toch, Heere! 19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en U hebt Uw goedertierenheid groot gemaakt, die U aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! 20 Zie toch, deze stad is nabij, om daarheen te vluchten, en zij is klein; laat mij toch daarheen behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve. 21 En Hij zei tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan u gesproken hebt. 22 Haast, behoud u daarheen; want Ik zal niets kunnen doen, voordat u daarheen binnengekomen bent. Daarom noemde men de naam van deze stad Zoar. 23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. 24 Toen deed JAHWEH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, het uit van JAHWEH de hemel. 25 En Hij keerde deze steden om, en die hele vlakte, en alle inwoners van deze steden, ook het gewas van het land. 26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. 27 En Abraham maakte zich van die morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht van JAHWEH gestaan had. 28 En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het hele land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, zoals de rook van een oven. 29 En het gebeurde, toen God de steden van deze vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden van deze omkering, in het omkeren van die steden, waarin Lot gewoond had. 30 En Lot trok op uit Zoar, en woonde op de berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een grot, hij en zijn twee dochters. 31 Toen zei de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze van de hele aarde. 32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden. 33 En zij gaven die nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan. 34 En het gebeurde op de andere dag, dat de eerstgeborene zei tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook deze nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden. 35 En zij gaven haar vader ook die nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar neerliggen, noch in haar opstaan. 36 En de twee dochters van Lot werden zwanger van haar vader. 37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader van de Moabieten, tot op deze dag. 38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader van de kinderen Ammons, tot op deze dag. ### Genesis 20 1 En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar. 2 Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zus, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg. 3 Maar God kwam tot Abimelech in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Zie, u bent dood vanwege de vrouwe, die u weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd. 4 Maar Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zei hij: Heere! zult U dan ook een rechtvaardig volk doden? 5 Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zus? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broer. In oprechtheid van mijn hart en in reinheid van mijn handen, heb ik dit gedaan. 6 En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat u dit in oprechtheid van uw hart gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren. 7 Zo geef dan nu de vrouw van deze man terug; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat u leeft; maar zo u haar niet teruggeeft, weet, dat u voorzeker sterven zult, u, en al wat uwes is! 8 Toen stond Abimelech vroeg in de morgen op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer. 9 En Abimelech riep Abraham, en zei tot hem: Wat hebt u ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat u over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? u hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden. 10 Verder zei Abimelech tot Abraham: Wat hebt u gezien, dat u deze zaak gedaan hebt? 11 En Abraham zei: Want ik dacht: alleen is de vrees voor God in deze plaats niet, zodat zij mij vanwege mijn huisvrouw zullen doden. 12 En ook is zij werkelijk mijn zus; zij is van mijn vader dochter, maar niet van mijn moeder dochter; en zij is mij tot vrouw geworden. 13 En het is gebeurd, als God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw goedertierenheid, die u bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broer! 14 Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienaren en dienaressen, en gaf die aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weer. 15 En Abimelech zei: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen. 16 En tot Sara zei hij: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel van de ogen, allen, die met u zijn, ja, bij alle, en wees geleerd. 17 En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienaressen, zodat zij baarden. 18 Want JAHWEH had al de baarmoeders van het huis van Abimelech geheel toegesloten, vanwege Sara, Abrahams huisvrouw. ### Genesis 21 1 En JAHWEH bezocht Sara, zoals Hij gezegd had; en JAHWEH deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. 2 En Sara werd zwanger, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, op de vastgestelde tijd, die hem God gezegd had. 3 En Abraham noemde de naam van zijn zoon, die hem geboren was, die hem Sara gebaard had, Izak. 4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, zoals hem God geboden had. 5 En Abraham was honderd jaar oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd. 6 En Sara zei: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen. 7 Verder zei zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. 8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een grote maaltijd op de dag, als Izak gespeend werd. 9 En Sara zag de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Abraham gebaard had, spottende. 10 En zij zei tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon van deze dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, vanwege zijn zoon. 12 Maar God zei tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over de jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden. 13 Maar Ik zal ook de zoon van deze dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. 14 Toen stond Abraham vroeg in de morgen op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba. 15 Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder één van de struiken. 16 En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zei: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en huilde. 17 En God hoorde de stem van de jongen; en de Engel van God riep Hagar toe uit de hemel, en zei tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar van de jongen stem gehoord, ter plaatse, waar hij is. 18 Sta op, hef de jongen op, en houd hem vast met uw hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf de jongen te drinken. 20 En God was met de jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter. 21 En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland. 22 In die tijd gebeurde het, dat Abimelech, en ook Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat u doet. 23 Zo zweer mij nu hier bij God: Zo u mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de goedertierenheid, die ik bij u gedaan heb, zult u doen bij mij, en bij het land, waarin u als vreemdeling verkeert. 24 En Abraham zei: Ik zal zweren. 25 En Abraham berispte Abimelech vanwege een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden. 26 Toen zei Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit gedaan heeft; en ook hebt u het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan vandaag. 27 En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond. 28 Maar Abraham stelde zeven ooilammeren van de kudde apart. 29 Zo zei Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die u bijzonder gesteld hebt? 30 En hij zei: Dat u de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. 31 Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden. 32 Zo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden opnieuw naar het land van de Filistijnen. 33 En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep daar de Naam van JAHWEH, van de eeuwige God, aan. 34 En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land van de Filistijnen. ### Genesis 22 1 En het gebeurde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zei tot hem: Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! 2 En Hij zei: Neem nu uw zoon, uw enige, die u liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op één van de bergen, die Ik u zeggen zal. 3 Toen stond Abraham vroeg in de morgen op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had. 4 Aan de derde dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre. 5 En Abraham zei tot zijn jongeren: Blijf u hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u terugkeren. 6 En Abraham nam het hout van het brandoffer, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen. 7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zei: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer? 8 En Abraham zei: God zal Zichzelf een lam als brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen. 9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde daar een altaar, en hij stelde op het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op het altaar boven op het hout. 10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar de Engel van JAHWEH riep tot hem van de hemel, en zei: Abraham, Abraham! En hij zei: Zie, hier ben ik! 12 Toen zei Hij: Strek uw hand niet uit aan de jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat u God vrezende bent, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden. 13 Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam die ram, en offerde hem als brandoffer in de plaats van zijn zoon. 14 En Abraham noemde de naam van die plaats: De JAHWEH zal het voorzien! Waarom vandaag de dag gezegd wordt: Op de berg van JAHWEH zal het voorzien worden! 15 Toen riep de Engel van JAHWEH tot Abraham voor de tweede keer van de hemel; 16 En zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt JAHWEH; daarom dat u deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt; 17 Voorzeker zal Ik u enorm zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is; en uw zaad zal de poort van zijn vijanden erfelijk bezitten. 18 En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, aangezien u Mijn stem gehoorzaam geweest bent. 19 Toen keerde Abraham weer tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba. 20 En het gebeurde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broer, zonen gebaard: 21 Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broer, en Kemuël, de vader van Aram, 22 En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël; 23 (En Bethuël verwekte Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, de broer van Abraham. 24 En zijn bijvrouw, van wie de naam Reüma was, zij baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maächa. ### Genesis 23 1 En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren van het leven van Sara. 2 En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen. 3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijn dode, en hij sprak tot de zonen van Heth, zeggende: 4 Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave. 5 En de zonen van Heth antwoordden Abraham, zeggende tot hem: 6 Hoor ons, mijn heer! u bent een vorst van God in het midden van ons; begraaf uw dode in het beste van onze graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat u uw dode niet zou begraven. 7 Toen stond Abraham op, en boog zich neer voor het volk van het land, voor de zonen van Heth; 8 En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, de zoon van Zohar, 9 Dat hij mij geve de grot van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij die mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u. 10 Efron nu zat in het midden van de zonen van Heth; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen van Heth, van al degenen, die ter poorte van zijn stad ingingen, zeggende: 11 Nee, mijn heer! hoor mij; de akker geef ik u; ook de grot, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen van mijn volk geef ik u die; begraaf uw dode. 12 Toen boog zich Abraham neer voor het aangezicht van het volk van het land; 13 En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk van het land, zeggende: Trouwens, bent u het? lieve, hoor mij; ik zal het geld van de akker geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode daar begraven. 14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem: 15 Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkels zilver, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode. 16 En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen van Heth, vierhonderd sikkels zilver, onder de koopman gangbaar. 17 Zo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de grot, die daarin was, en al het geboomte, dat op de akker stond, dat rondom in zijn hele gebied was gevestigd, 18 Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen van Heth, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen. 19 En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de grot van de akker van Machpela, tegenover Mamre, dat is Hebron, in het land Kanaän. 20 Zo werd die akker, en de grot die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen van Heth. ### Genesis 24 1 Abraham nu was oud en op dagen gekomen; en JAHWEH had Abraham in alles gezegend. 2 Zo sprak Abraham tot zijn knecht, de oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup, 3 Opdat ik u doe zweren bij JAHWEH, de God van de hemel, en de God van de aarde, dat u voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochters van de Kanaänieten, onder wie ik woon; 4 Maar dat u naar mijn land, en naar mijn familie trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult. 5 En die knecht zei tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten terugbrengen in het land, waar u uitgetogen bent? 6 En Abraham zei tot hem: Pas op dat u mijn zoon niet weer daarheen brengt! 7 De JAHWEH, de God van de hemel, Die mij uit het huis van mijn vader en uit het land van mijn familie genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat u voor mijn zoon van daar een vrouw neemt. 8 Maar als de vrouw u niet volgen wil, zo zult u rein zijn van deze mijn eed; alleen breng mijn zoon daar niet weer heen. 9 Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak. 10 En die knecht nam tien kamelen van de kamelen van zijn heer, en trok heen; en al het goed van zijn heer was in zijn hand; en hij maakte zich op, en trok heen naar Mesopotamië, naar de stad van Nahor. 11 En hij deed de kamelen neerknielen buiten de stad, bij een waterput, van de avondtijd, ten tijde, als de putsters uitkwamen. 12 En hij zei: JAHWEH! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch vandaag ontmoeten, en doe goedertierenheid bij Abraham, mijn heer. 13 Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochters van de mannen van deze stad zijn uitgaande om water te putten; 14 Zo gebeure, dat dat meisje, tot wie ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen drenken; laat die het zijn, die U Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat U goedertierenheid bij mijn heer gedaan hebt. 15 En het gebeurde, voordat hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, die aan Bethuël geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broer van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder. 16 En dat meisje was zeer knap qua uiterlijk, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op. 17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zei: Laat mij toch een beetje water uit uw kruik drinken. 18 En zij zei: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neer op haar hand, en gaf hem te drinken. 19 Als zij nu voltooid had van hem drinken te geven, zei zij: Ik zal ook voor uw kamelen putten, totdat zij voltooid hebben te drinken. 20 En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weer naar de put om te putten, en zij putte voor al zijn kamelen. 21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of JAHWEH zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet. 22 En het gebeurde, als de kamelen voltooid hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, waarvan het gewicht een halve sikkel was, en twee armringen aan haar handen, waarvan het gewicht tien sikkels goud was. 23 Want hij had gezegd: Wiens dochter bent u? geef het mij toch te kennen; is er in het huis van uw vader ook plaats voor ons, om te overnachten? 24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuël, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft. 25 Verder had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voer bij ons, ook plaats om te overnachten. 26 Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad JAHWEH; 27 En hij zei: Geloofd zij JAHWEH, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn goedertierenheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; voor wat betreft mij, JAHWEH heeft mij op deze weg geleid, in het huis van mijn heer broers. 28 En dat meisje liep, en gaf in het huis van haar moeder te kennen, zoals deze zaken waren. 29 En Rebekka had een broer, van wie de naam Laban was; en Laban liep tot die man naar buiten tot de fontein. 30 En het gebeurde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijn zus; en als hij gehoord had de woorden zijn zus Rebekka, zeggende: Zo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot die man, en ziet, hij stond bij de kamelen, bij de fontein. 31 En hij zei: Kom in, u, gezegende van JAHWEH! waarom zou u buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kamelen. 32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kamelen, en men gaf de kamelen stro en voer; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten van de mannen, die bij hem waren. 33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zei: Ik zal niet eten, voordat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zei: Spreek! 34 Toen zei hij: Ik ben een knecht van Abraham; 35 En JAHWEH heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kamelen, en ezels. 36 En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft. 37 En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: U zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochters van de Kanaänieten, in wier land ik woon; 38 Maar u zult trekken naar het huis van mijn vader, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen! 39 Toen zei ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen. 40 En hij zei tot mij: De JAHWEH, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat u voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit het huis van mijn vader. 41 Dan zult u van mijn eed rein zijn, wanneer u tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en als zij haar u niet geven, zo zult u rein zijn van mijn eed. 42 En ik kwam vandaag aan de fontein; en ik zei: O, JAHWEH! God van mijn heer Abraham! zo U nu mijn weg voorspoedig maken zult, waarop ik ga; 43 Zie, ik sta bij de waterfontein; zo gebeure, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot wie ik zeggen zal: Geef mij toch een beetje water te drinken uit uw kruik; 44 En zij tot mij zal zeggen: Drink u ook, en ik zal ook uw kamelen putten; dat deze die vrouw zij, die JAHWEH aan de zoon van mijn heer heeft toegewezen. 45 Voordat ik geëindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zei tot haar: Geef mij toch te drinken! 46 Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neer, en zei: Drink u, en ik zal ook uw kamelen drenken; en ik dronk, en zij gaf ook de kamelen te drinken. 47 Toen vroeg ik haar, en zei: Wiens dochter bent u? En zij zei: De dochter van Bethuël, de zoon van Nahor, die Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen; 48 En ik neigde mijn hoofd, en aanbad JAHWEH; en ik loofde JAHWEH, de God van mijn heer Abraham, Die mij op de rechte weg geleid had, om de dochter van de broer van mijn heer voor zijn zoon te nemen. 49 Nu dan, zo u goedertierenheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechterhand of ter linkerhand wende. 50 Toen antwoordde Laban, en Bethuël, en zeiden: Van JAHWEH is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken. 51 Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek heen; zij zij de vrouw van de zoon van uw heer, zoals JAHWEH gesproken heeft! 52 En het gebeurde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor JAHWEH. 53 En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en kleren, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broer en haar moeder kostbaarheden. 54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij overnachtten, en zij stonden van de morgen op, en hij zei: Laat mij trekken tot mijn heer! 55 Toen zei haar broer, en haar moeder: Laat het meisje enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult u gaan. 56 Maar hij zei tot hen: Houd mij niet op, omdat JAHWEH mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga. 57 Toen zeiden zij: Laat ons het meisje roepen, en haar mond vragen. 58 En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult u met deze man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken. 59 Toen lieten zij Rebekka, hun zus, en haar voedster trekken, en ook Abrahams knecht en zijn mannen. 60 En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zus! wordt u tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort van zijn vijanden! 61 En Rebekka maakte zich op met haar meisjes, en zij reden op kamelen, en volgden de man; en die knecht nam Rebekka, en trok heen. 62 Izak nu kwam, van daar men komt tot de put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland. 63 En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naderen van de avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kamelen kwamen! 64 Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van de kameel af. 65 En zij zei tot de knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zei: Dat is mijn heer! Toen nam zij de sluier, en bedekte zich. 66 En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had. 67 En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem tot vrouw, en hij had haar lief. Zo werd Izak getroost na van zijn moeders dood. ### Genesis 25 1 En Abraham voer voort, en nam een vrouw, van wie de naam was Ketura. 2 En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah. 3 En Joksan verwekte Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten. 4 En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze alle waren zonen van Ketura. 5 Maar Abraham gaf aan Izak al wat hij had. 6 Maar aan de zonen van de bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, naar het oosten naar het land van het Oosten. 7 Dit nu zijn de dagen van de jaren van het leven van Abraham, die hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren. 8 En Abraham gaf de geest en stierf, in goeden ouderdom, oud en van het leven verzadigd, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. 9 En Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem, in de grot van Machpela, in de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, die tegenover Mamre is; 10 In de akker, die Abraham van de zonen van Heth gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw. 11 En het gebeurde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-roi. 12 Dit nu zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft. 13 En dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen naar hun geboortevolgorde. De eerstgeborene van Ismaël, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam, 14 En Misma, en Duma, en Massa, 15 Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma. 16 Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken. 17 En dit zijn de jaren van het leven van Ismaël, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf de geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken. 18 En zij woonden van Havila tot Sur toe, dat tegenover Egypte is, daar u gaat naar Assur; hij heeft zich neergeslagen voor het aangezicht van al zijn broers. 19 Dit nu zijn de afstammelingen van Izak, de zoon van Abraham: Abraham verwekte Izak. 20 En Izak was veertig jaar oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, de Syriër, uit Paddan-aram, de zus van Laban, de Syriër, zich tot vrouw nam. 21 En Izak bad JAHWEH zeer in de aanwezigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en JAHWEH liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 22 En de kinderen stootten zich samen in haar lichaam. Toen zei zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om JAHWEH te vragen. 23 En JAHWEH zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw binnenste van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen. 24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haar kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. 26 En daarna kwam zijn broer uit, wiens hand Ezau's hiel hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaar oud, als hij hen verwekte. 27 Als nu deze jongens groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten. 28 En Izak had Ezau lief; want het stuk wild was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief. 29 En Jakob had een soep gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moe. 30 En Ezau zei tot Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. 31 Toen zei Jakob: Verkoop mij op deze dag uw eerstgeboorte. 32 En Ezau zei: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? 33 Toen zei Jakob: Zweer mij op deze dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte. 34 En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; zo verachtte Ezau de eerstgeboorte. ### Genesis 26 1 En er was honger in dat land, afgezien van de eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom trok Izak tot Abimelech, de koning van de Filistijnen, naar Gerar. 2 En JAHWEH verscheen hem en zei: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal; 3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed bevestigen, die Ik Abraham uw vader gezworen heb. 4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren van de hemel, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken van de aarde, 5 Omdat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn voorschriften en Mijn wetten. 6 Zo woonde Izak te Gerar. 7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zei hij: Zij is mijn zus; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zei hij de mannen van deze plaats niet doden, om Rebekka; want zij was knap qua uiterlijk. 8 En het gebeurde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning van de Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw. 9 Toen riep Abimelech Izak, en zei: Werkelijk, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt u dan gezegd: Zij is mijn zus? En Izak zei tot hem: Want ik zei: Dat ik niet misschien om harentwil sterve. 10 En Abimelech zei: Wat is dit, dat u ons gedaan hebt? Licht had één van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat u een schuld over ons zou gebracht hebben. 11 En Abimelech gebood het hele volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden! 12 En Izak zaaide in dat land, en hij vond in dat jaar honderd maten; want JAHWEH zegende hem. 13 En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was. 14 En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden. 15 En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden die met aarde. 16 Ook zei Abimelech tot Izak: Trek van ons; want u bent veel machtiger geworden, dan wij. 17 Toen trok Izak van daar, en hij sloeg zijn kamp op in het dal van Gerar, en woonde daar. 18 Als nu Izak teruggekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde hun namen naar de namen, waarmee zijn vader die genoemd had. 19 De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden daar een put van levend water. 20 En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij de naam van die put Esek, omdat zij met hem getwist hadden. 21 Toen groeven zij een andere put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij ervan naam Sitna. 22 En hij brak op van daar, en groef een andere put, en zij twistten over die niet; daarom noemde hij ervan naam Rehoboth, en zei: Want nu heeft ons JAHWEH ruimte gemaakt, en wij zijn vruchtbaar geworden in dit land. 23 Daarna trok hij van daar op naar Ber-seba. 24 En JAHWEH verscheen hem in die nacht, en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abraham, Mijn knecht, wil. 25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep de Naam van JAHWEH aan. En hij sloeg daar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put. 26 En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste. 27 En Izak zei tot hen: Waarom bent u tot mij gekomen, daar u mij haat, en hebt mij van u weggezonden? 28 En zij zeiden: Wij hebben duidelijk gezien, dat JAHWEH met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken: 29 Zo u bij ons kwaad doet, zoals wij u niet aangeroerd hebben, en zoals wij bij u alleen goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! U bent nu de gezegende van JAHWEH! 30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken. 31 En zij stonden vroeg in de morgen op, en zwoeren de één de ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij trokken van hem in vrede. 32 En het gebeurde ten zelfde dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak van de put, die zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden. 33 En hij noemde die Seba; daarom is de naam van die stad Ber-seba, tot op deze dag. 34 Als nu Ezau veertig jaar oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beëri, de Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, de Hethiet. 35 En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid van de geest. ### Genesis 27 1 En het gebeurde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn oudste zoon, en zei tot hem: Mijn zoon! En hij zei tot hem: Zie, hier ben ik! 2 En hij zei: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet de dag van mijn dood niet. 3 Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een stuk wild; 4 En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die graag heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, voordat ik sterf. 5 Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een stuk wild te jagen, dat hij het inbracht. 6 Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broer, horen spreken, zeggende: 7 Breng mij een stuk wild, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht van JAHWEH, voor mijn dood. 8 Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in wat ik u gebiede. 9 Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, zoals hij graag heeft. 10 En u zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood. 11 Toen zei Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broer Ezau is een harig man, en ik ben een glad man. 12 Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zou ik een vloek over mij halen, en niet een zegen. 13 En zijn moeder zei tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij. 14 Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, zoals zijn vader graag had. 15 Daarna nam Rebekka de kostelijke kleren van Ezau, haar grootste zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinste zoon, aan. 16 En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals. 17 En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, die zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon. 18 En hij kwam tot zijn vader, en zei: Mijn vader! En hij zei: Zie, hier ben ik; wie bent u, mijn zoon? 19 En Jakob zei tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, zoals u tot mij gesproken had; sta toch op, zit, en eet van mijn stuk wild, opdat uw ziel mij zegene. 20 Toen zei Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat u het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zei: Omdat JAHWEH uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht. 21 En Izak zei tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of u mijn zoon Ezau zelf bent, of niet. 22 Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zei: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen. 23 Maar hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, zoals van zijn broer Ezau's handen; en hij zegende hem. 24 En hij zei: Bent u mijn zoon Ezau zelf? En hij zei: Ik ben het! 25 Toen zei hij: Stel het nabij mij, dat ik van het stuk wild van mijn zoon ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk. 26 En zijn vader Izak zei tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon! 27 En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijn kleren, en zegende hem; en hij zei: Zie, de reuk van mijn zoon is als de reuk van het veld, dat JAHWEH gezegend heeft. 28 Zo geve u dan God van de dauw van de hemel, en de vettigheid van de aarde, en menigte van tarwe en nieuwe wijn. 29 Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u neerbuigen; wees heer over uw broers, en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend! 30 En het gebeurde, als Izak voltooid had Jakob te zegenen, zo gebeurde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broer, van zijn jacht kwam. 31 Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zei tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het stuk wild van zijn zoon, opdat uw ziel mij zegene. 32 En Izak, zijn vader, zei tot hem: Wie bent u? En hij zei: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau. 33 Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, geheel zeer, en zei: Wie is hij dan, die het stuk wild gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, voordat u kwam, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen. 34 Als Ezau de woorden van zijn vader hoorde, zo schreeuwde hij met een grote en bitteren schreeuw, geheel zeer; en hij zei tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader! 35 En hij zei: Uw broer is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen. 36 Toen zei hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij uitbehouden? 37 Toen antwoordde Izak, en zei tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broers heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koren en nieuwe wijn ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon? 38 En Ezau zei tot zijn vader: Hebt u maar deze ene zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en huilde. 39 Toen antwoordde zijn vader Izak en zei tot hem: Zie, de vettigheden van de aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw van de hemel van boven af zult u gezegend zijn. 40 En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broer dienen; maar het zal gebeuren, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. 41 En Ezau haatte Jakob om die zegen, waarmee zijn vader hem gezegend had; en Ezau zei in zijn hart: De dagen van de rouw van mijn vader naderen, en ik zal mijn broer Jakob doden. 42 Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootste zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinste zoon, en zei tot hem: Zie, uw broer Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal. 43 Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlucht u naar Haran, tot Laban, mijn broer. 44 En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige toorn van uw broer kere; 45 Totdat de toorn van uw broer van u afkere, en hij vergeten hebbe, wat u hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zou ik ook van u beiden beroofd worden op één dag? 46 En Rebekka zei tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochters van Heth! Als Jakob een vrouw neemt van de dochters van Heth, zoals deze zijn, van de dochters van dit land, waartoe zal mij het leven zijn? ### Genesis 28 1 En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zei tot hem: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän. 2 Maak u op, ga naar Paddan-aram, in het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochters van Laban, uw moeders broer. 3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat u tot één menigte van volken wordt. 4 En Hij geve u de zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat u erfelijk bezit het land waar u vreemdeling was, dat God aan Abraham gegeven heeft. 5 Zo zond Izak Jakob weg, dat hij trok naar Paddan-aram, tot Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, de broer van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder. 6 Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochters van Kanaän; 7 En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-aram getrokken was; 8 En dat Ezau zag, dat de dochters van Kanaän kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader; 9 Zo ging Ezau tot Ismaël, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zus van Nebajoth. 10 Jakob dan trok uit van Ber-seba, en ging naar Haran. 11 En hij geraakte op een plaats, waar hij overnachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen van die plaats, en maakte zijn hoofdkussen, en legde zich te slapen te dierzelver plaats. 12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, waarvan de top aan de hemel raakte; en ziet, de engelen van God klommen daarbij op en neer. 13 En zie, JAHWEH stond op die en zei: Ik ben JAHWEH, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. 14 En uw zaad zal wezen als het stof van de aarde, en u zult uitbreken in menigte, naar het westen en naar het oosten, en naar het noorden en naar het zuiden; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen u trekken zult, en Ik zal u terugbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, voordat Ik zal gedaan hebben, wat Ik tot u gesproken heb. 16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zei hij: Zeker is JAHWEH aan deze plaats, en ik heb het niet geweten! 17 En hij vreesde, en zei: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis van God, en dit is de poort van de hemel! 18 Toen stond Jakob vroeg in de morgen op, en hij nam die steen, die hij tot zijn hoofdkussen gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op. 19 En hij noemde de naam van die plaats Beth-el; daar toch de naam van die stad te voren was Luz. 20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleren om aan te trekken; 21 En ik in het huis van mijn vader in vrede zal teruggekeerd zijn; zo zal JAHWEH mij tot een God zijn! 22 En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis van God wezen, en van alles, wat U mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven! ### Genesis 29 1 Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land van de kinderen van het Oosten. 2 En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen naast die neerliggende; want uit die put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op de mond van die put. 3 En daarheen werden al de kudden verzameld, en zij wentelden de steen van de mond van de put, en drenkten de schapen, en legden de steen weer op de mond van die put, op zijn plaats. 4 Toen zei Jakob tot hen: Mijn broeders! vanwaar bent u? En zij zeiden: Wij zijn van Haran. 5 En hij zei tot hen: Kent u Laban, de zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem. 6 Verder zei hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen. 7 En hij zei: Zie, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld wordt; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt die. 8 Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, voordat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men de steen van de mond van de put afwentele, opdat wij de schapen drenken. 9 Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin. 10 En het gebeurde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broer, en de schapen van Laban, zijn moeders broer, dat Jakob toetrad, en wentelde de steen van de mond van de put, en gaf de schapen van Laban, zijn moeders broer, te drinken. 11 En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en huilde. 12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broer van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen. 13 En het gebeurde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijn zussen zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen. 14 Toen zei Laban tot hem: Werkelijk, u bent mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand. 15 Daarna zei Laban tot Jakob: Omdat u mijn broer bent, zou u mij daarom om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn? 16 En Laban had twee dochters: de naam van de grootste was Lea; en de naam van de kleinste was Rachel. 17 Maar Lea had tedere ogen; maar Rachel was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk. 18 En Jakob had Rachel lief; en hij zei: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter. 19 Toen zei Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een andere man geve; blijf bij mij. 20 Zo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad. 21 Toen zei Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga. 22 Zo verzamelde Laban al de mannen van die plaats, en maakte een maaltijd. 23 En het gebeurde van de avond, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in. 24 En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd. 25 En het gebeurde van de morgen, en ziet, het was Lea. Daarom zei hij tot Laban: Wat is dit, dat u mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt u mij dan bedrogen? 26 En Laban zei: Men doet zo niet op deze plaats van ons, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene. 27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor de dienst, die u nog andere zeven jaren bij mij dienen zult. 28 En Jakob deed zo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw. 29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd. 30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren. 31 Toen nu JAHWEH zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar. 32 En Lea werd zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zei: Omdat JAHWEH mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben. 33 En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Omdat JAHWEH gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook deze gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon. 34 En zij werd nog zwanger, en baarde een zoon, en zei: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi. 35 En zij werd opnieuw zwanger, en baarde een zoon, en zei: Ditmaal zal ik JAHWEH loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren. ### Genesis 30 1 Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zus; en zij zei tot Jakob: Geef mij kinderen! of als niet, zo ben ik dood. 2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zei: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht van de buik van u geweerd heeft? 3 En zij zei: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde. 4 Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in. 5 En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon. 6 Toen zei Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan. 7 En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd opnieuw zwanger, en baarde Jakob de tweede zoon. 8 Toen zei Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zus geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali. 9 Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw. 10 En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon. 11 Toen zei Lea: Er komt één hoop! en zij noemde zijn naam Gad. 12 Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweede zoon. 13 Toen zei Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser. 14 En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zei Rachel tot Lea: Geef mij toch van de Dudaim van uw zoon. 15 En zij zei tot haar: Is het weinig, dat u mijn man genomen hebt, dat u ook van mijn zoon Dudaim nemen zult? Toen zei Rachel: Daarom zal hij deze nacht voor de Dudaim van uw zoon bij u liggen. 16 Als nu Jakob van de avond uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zei: U zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zeker gehuurd voor van mijn zoon Dudaim; en hij lag die nacht bij haar. 17 En God verhoorde Lea; en zij werd zwanger, en baarde Jakob de vijfde zoon. 18 Toen zei Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar. 19 En Lea werd opnieuw zwanger, en zij baarde Jakob de zesde zoon. 20 En Lea zei: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon. 21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina. 22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder. 23 En zij werd zwanger, en baarde een zoon; en zij zei: God heeft mijn smaad weggenomen! 24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De JAHWEH verbinding mij een andere zoon daartoe. 25 En het gebeurde, dat Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zei: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land. 26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om wie ik u gediend heb, dat ik vertrek; want u weet mijn dienst, die ik u gediend heb. 27 Toen zei Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat JAHWEH mij om uwentwil gezegend heeft. 28 Hij zei dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal. 29 Toen zei hij tot hem: U weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is. 30 Want het weinig, dat u voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en JAHWEH heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis? 31 En hij zei: Wat zal ik u geven? Toen zei Jakob: U zult mij niet met al geven, als u mij deze zaak doen zult; ik zal opnieuw uw kudden weiden, en bewaren. 32 Ik zal vandaag door uw hele kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en dat zal mijn loon zijn. 33 Zo zal mijn gerechtigheid op de dag van morgen met mij betuigen, als u komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen. 34 Toen zei Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord! 35 En hij zonderde af ten zelfde dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf die in de hand van zijn zonen. 36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban. 37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanje; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, dat aan die roeden was. 38 En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken. 39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte. 40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht van de kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban. 41 En het gebeurde, telkens als de kudde van de vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen van de kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden. 42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen. 43 En die man brak geheel zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienaressen, en dienaren, en kamelen, en ezels. ### Genesis 31 1 Toen hoorde hij de woorden van de zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat van onze vader was, en van wat, dat van onze vader was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt. 2 Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was tegenover hem niet als gisteren en eergisteren. 3 En JAHWEH zei tot Jakob: Keer weer tot het land van uw vaders, en tot uw familie, en Ik zal met u zijn. 4 Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde; 5 En hij zei tot haar: Ik zie het aangezicht van uw vader, dat het tegenover mij niet is als gisteren en eergisteren; maar de God van mijn vader is bij mij geweest. 6 En u weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb. 7 Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien keer veranderd; maar God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen. 8 Wanneer hij zo zei: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij zo zei: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde. 9 Zo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven. 10 En het gebeurde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in de droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig. 11 En de Engel van God zei tot mij in de droom: Jakob! En ik zei: Zie, hier ben ik! 12 En Hij zei: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet. 13 Ik ben die God van Beth-el, alwaar u het opgerichte teken gezalfd hebt, waar u Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weer in het land uw familie. 14 Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis van onze vader? 15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd. 16 Want al de rijkdom, die God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft. 17 Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kamelen. 18 En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn bezittingen, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, dat hij in Paddan-aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaän. 19 Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had. 20 En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, de Syriër, omdat hij hem niet te kennen gaf, dat hij vluchtte. 21 En hij vluchtte, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead. 22 En op de derde dag werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevlucht was. 23 Toen nam hij zijn broers met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead. 24 Maar God kwam tot Laban, de Syriër, in een droom van de nacht, en Hij zei tot hem: Pas op dat u met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad. 25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broers de zijne op het gebergte van Gilead. 26 Toen zei Laban tot Jakob: Wat hebt u gedaan, dat u zich aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochters ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard? 27 Waarom bent u in het geheim gevlucht, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp? 28 Ook hebt u mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochters te kussen; nu, u hebt dwaselijk gedaan zo doende. 29 Het was in de macht van mijn hand aan u kwaad te doen; maar de God van uw vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wees op uw hoede van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad. 30 En nu, u hebt immers willen vertrekken, omdat u zo vurig verlangde naar het huis van uw vader; waarom hebt u mijn goden gestolen? 31 Toen antwoordde Jakob, en zei tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zei: Opdat u niet misschien uw dochters mij ontweldigde! 32 Bij wie u uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken u voor onze broers, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel die gestolen had. 33 Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienaressen, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel. 34 Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kameels zadeltuig gelegd, en zij zat op die. En Laban betastte die hele tent, en hij vond niets. 35 En zij zei tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in de ogen van mijn heer, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar de wijze van de vrouwen; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet. 36 Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zei tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat u mij zo hevig hebt nagejaagd? 37 Als u al mijn huisraad betast hebt, wat hebt u gevonden van al het huisraad van uw huize! Leg het hier voor mijn broers en uw broers, en laat hen richten tussen ons beiden. 38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben niet misdragen, en de rammen van uw kudde heb ik niet gegeten. 39 Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; u hebt het van mijn hand geëist, het was van de dag gestolen, of van de nacht gestolen. 40 Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week. 41 Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochters, en zes jaren om uw kudde; en u hebt mijn loon tien keer veranderd. 42 Tenzij de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zeker, u zou mij nu leeg weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en de arbeid van mijn handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft. 43 Toen antwoordde Laban en zei tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, en deze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat u ziet, dat is van mij; en wat zou ik aan deze mijn dochters vandaag doen? of aan haar zonen, die zij gebaard hebben? 44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en u, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u! 45 Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die tot een opgericht teken. 46 En Jakob zei tot zijn broers: Verzamelt stenen! En zij namen stenen, en maakten één hoop; en zij aten daar op die hoop. 47 En Laban noemde hem Jegar-sahadutha; maar Jakob noemde die Gilead. 48 Toen zei Laban: Deze hoop zij vandaag een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead, 49 En Mizpa; omdat hij zei: Dat JAHWEH de wacht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de één van de ander zullen verborgen zijn! 50 Zo u mijn dochters beledigt, en zo u vrouwen neemt boven mijn dochters, niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u! 51 Laban zei verder tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, dat ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u; 52 Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij deze hoop niet komen zal, en dat u tot mij, voorbij deze hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade! 53 De God van Abraham, en de God van Nahor, de God van hun vader richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks. 54 Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broers, om brood te eten; en zij aten brood, en overnachtten op dat gebergte. 55 En Laban stond vroeg in de morgen op, en kuste zijn zonen, en zijn dochters, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weer tot zijn plaats. ### Genesis 32 1 Jakob trok ook verder; en de engelen van God ontmoetten hem. 2 En Jakob zei, met dat hij hen zag: Dit is een leger van God! en hij noemde de naam van hun plaats Mahanaim. 3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broer, naar het land Seïr, de landstreek van Edom. 4 En hij gebood hun, zeggende: Zo zult u zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd; 5 En ik heb ossen en ezels, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen. 6 En de boden kwamen weer tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broer, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem. 7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kameels, in twee legermachten; 8 Want hij zei: Als Ezau op de ene leger komt, en slaat het, zo zal de overgebleven leger ontkomen. 9 Verder zei Jakob: O, God van mijn vader Abraham, en God van mijn vader Izak, o JAHWEH! Die tot mij gezegd hebt: Keer weer tot uw land, en tot uw familie, en Ik zal wel bij u doen! 10 Ik ben geringer dan al deze goedertierenheden, en dan al deze trouw, die U aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee legermachten geworden! 11 Ruk mij toch uit de hand van mijn broer, uit Ezau's hand; want ik vrees hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen! 12 U hebt immers gezegd: Ik zal zeker bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand van de zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden! 13 En hij overnachtte daar diezelfde nacht; en hij nam van wat, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broer; 14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen; 15 Dertig zogende kamelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels. 16 En hij gaf die in de hand van zijn knechten, elke kudde bijzonder; en hij zei tot zijn knechten: Ga u door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde. 17 En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broer, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Van wie bent u? en waarheen gaat u? en van wie zijn deze voor uw aangezicht? 18 Zo zult u zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons! 19 En hij gebood ook de tweede, ook de derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult u spreken tot Ezau, als u hem vinden zult. 20 En u zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zei: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen. 21 Zo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; maar hij zelf overnachtte diezelfde nacht in het leger. 22 En hij stond op in diezelfde nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienaressen, en zijn elf kinderen, en hij trok over de doorwaadbare plaats van de Jabbok. 23 En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken wat hij had. 24 Maar Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging. 25 En toen Hij zag, dat Hij hem niet overweldigd, roerde Hij het gewricht van zijn heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde. 26 En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat U mij zegent. 27 En Hij zei tot hem: Hoe is uw naam? En hij zei: Jakob. 28 Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want u hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overweldigd. 29 En Jakob vroeg, en zei: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zei: Waarom is het, dat u naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem daar. 30 En Jakob noemde de naam van die plaats Pniël: Want, zei hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. 31 En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup. 32 Daarom eten de Israëlieten de verrukte zenuw niet, die op het gewricht van de heup is, tot op deze dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw. ### Genesis 33 1 En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienaressen. 2 En hij stelde de dienaressen en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achteruit; maar Rachel en Jozef de achterste. 3 En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven keer ter aarde, totdat hij bij zijn broer kwam. 4 Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in de arm, en viel hem aan de hals, en kuste hem; en zij huilden. 5 Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zei: Wie zijn deze bij u? En hij zei: De kinderen, die God aan uw knecht genadig verleend heeft. 6 Toen traden de dienaressen toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neer. 7 En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neer; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neer. 8 En hij zei: Voor wie is u al deze leger, dat ik ontmoet heb? En hij zei: Om genade te vinden in de ogen van mijn heer! 9 Maar Ezau zei: Ik heb veel, mijn broer! het zij het uwe, wat u hebt! 10 Toen zei Jakob: Och neen! als ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en u welgevallen aan mij genomen hebt. 11 Neem toch mijn zegen, die u toegebracht is, omdat het God mij genadig verleend heeft, en omdat ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam. 12 En hij zei: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken. 13 Maar hij zei tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen zwak zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; als men die maar één dag afdrijft, zo zal de hele kudde sterven. 14 Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar de gang van het werk, dat voor mijn aangezicht is, en naar de gang van deze kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seïr kome. 15 En Ezau zei: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zei: Waartoe dat? laat mij genade vinden in de ogen van mijn heer! 16 Zo keerde Ezau die dag opnieuw naar Seïr toe. 17 Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam van die plaats Sukkoth. 18 En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, die is in het land Kanaän, als hij kwam van Paddan-aram; en hij sloeg zijn kamp op in het gezicht van de stad. 19 En hij kocht een deel van het veld, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand van de zonen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken. 20 En hij richte daar een altaar op, en noemde het: De God van Israël is God! ### Genesis 34 1 En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit, om de dochters van dat land te bekijken. 2 Sichem nu, de zoon van Hemor de Heviet, de landvorst, zag haar, en hij nam ze, en lag bij haar, en verkrachtte ze. 3 En zijn ziel kleefde aan Dina, Jakobs dochter; en hij had het meisje lief, en sprak naar het hart van het meisje. 4 Sichem sprak ook tot zijn vader Hemor, zeggende: Neem mij deze dochter tot een vrouw. 5 Toen Jakob hoorde, dat hij zijn dochter Dina verontreinigd had, zo waren zijn zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg, totdat zij kwamen. 6 En Hemor, de vader van Sichem, ging uit tot Jakob, om met hem te spreken. 7 En de zonen van Jakob kwamen van het veld, als zij dit hoorden; en het smartte deze mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter beslapende, dat zo niet zou gedaan worden. 8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: De ziel van mijn zoon Sichem is verliefd op uw dochter; geef hem haar toch tot een vrouw. 9 En verzwagert u met ons; geef ons uw dochters; en neemt voor u onze dochters; 10 En woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn; woont, en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin. 11 En Sichem zei tot haar vader, en tot haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen; en wat u tot mij zeggen zult, zal ik geven. 12 Vergroot zeer over mij de bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, zoals u tot mij zult zeggen; geef mij slechts het meisje tot een vrouw. 13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Hemor, zijn vader, bedriegelijk, en spraken (omdat dat hij Dina, hun zus, verontreinigd had); 14 En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zus aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat was ons een schande. 15 Maar hierin zullen wij u te wille zijn, zo u wordt zoals wij, dat onder u besneden worde al wat mannelijk is. 16 Dan zullen wij u onze dochters geven, en uw dochters zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot één volk zijn. 17 Maar zo u naar ons niet zult horen, om besneden te worden, zo zullen wij onze dochter nemen, en wegtrekken. 18 En hun woorden waren goed in de ogen van Hemor, en in de ogen van Sichem, Hemors zoon. 19 En de jongeling vertoogde niet, deze zaak te doen; want hij had lust in Jakobs dochter; en hij was geëerd boven heel het huis van zijn vader. 20 Zo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, in hun stadspoort; en zij spraken tot de mannen van hun stad, zeggende: 21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochters tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochters aan hen geven. 22 Maar hierin zullen deze mannen ons te wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot één volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn. 23 Hun vee, en hun bezitting, en al hun beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen. 24 En zij hoorden naar Hemor, en naar Sichem, zijn zoon, allen, die door zijn stadspoort uitgingen; en zij werden besneden, al wat mannelijk was, allen, die door zijn stadspoort uitgingen. 25 En het gebeurde op de derde dag, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was. 26 Zij sloegen ook Hemor, en zijn zoon Sichem, dood met de scherpte van het zwaard; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar. 27 De zonen van Jakob kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hun zus verontreinigd hadden. 28 Hun schapen, en hun runderen, en hun ezels, en wat dat in de stad, en wat dat in het veld was, namen zij. 29 En al hun vermogen, en al hun kleine kinderen, en hun vrouwen, voerden zij als gevangene weg, en plunderden hen, en al wat binnenshuis was. 30 Toen zei Jakob tot Simeon en tot Levi: U hebt mij in het ongeluk gestort, mits mij in kwade reuk te brengen onder de inwoners van dit land, onder de Kanaänieten, en onder de Ferezieten; en ik ben weinig volk in getal; zo zij zich tegen mij verzamelen, zo zullen zij mij slaan, en ik zal vernietigd worden, ik en mijn huis. 31 En zij zeiden: Zou hij dan met onze zus als met een hoer doen? ### Genesis 35 1 Daarna zei God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon daar; en maak daar een altaar die God, Die u verscheen, toen u vluchtte voor het aangezicht van uw broer Ezau. 2 Toen zei Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doe weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinig u, en verander uw kleren; 3 En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-el; en ik zal daar een altaar maken die God, Die mij antwoordt op de dag van mijn benauwdheid, en met mij geweest is op de weg, die ik gewandeld heb. 4 Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder de eikeboom, die bij Sichem is. 5 En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden. 6 Zo kwam Jakob te Luz, dat is in het land Kanaän (dat is Beth-el), hij en al het volk, dat bij hem was. 7 En hij bouwde daar een altaar, en noemde die plaats El Beth-el; want God was hem daar geopenbaard geweest, als hij voor van zijn broer aangezicht vluchtte. 8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder die eik, waarvan hij de naam noemde Allon-bachuth. 9 En God verscheen Jakob opnieuw, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem. 10 En God zei tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël. 11 Verder zei God tot hem: Ik ben El Shaddai! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, één hoop van de volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw middel voortkomen. 12 En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven. 13 Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had. 14 En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover. 15 En Jakob noemde de naam van die plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el. 16 En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. 17 En het gebeurde, als zij het hard had in haar baren, zo zei de verloskundige tot haar: Vrees niet; want deze zoon zult u ook hebben! 18 En het gebeurde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. 19 Zo stierf Rachel; en zij werd begraven aan de weg naar Efrath, dat is Bethlehem. 20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op deze dag. 21 Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent aan de overzijde van Migdal-eder. 22 En het gebeurde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, de bijvrouw van zijn vader; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf. 23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon. 24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin. 25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali. 26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram. 27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak. 28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren. 29 En Izak gaf de geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en verzadigd van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. ### Genesis 36 1 Dit nu zijn de afstammelingen van Ezau, die is Edom. 2 Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet; 3 En Basmath, de dochter van Ismaël, zus van Nebajoth. 4 Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël. 5 En Aholibama baarde Jehus, en Jaëlam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaän. 6 Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen van zijn huize, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaän geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broer Jakob. 7 Want hun bezittingen was te veel, om samen te wonen; en het land waar zij vreemdeling waren kon ze niet dragen vanwege hun vee. 8 Daarom woonde Ezau op het gebergte Seïr. Ezau is Edom. 9 Dit nu zijn de afstammelingen van Ezau, de vader van de Edomieten, op het gebergte van Seïr. 10 Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw. 11 En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz. 12 En Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw. 13 En dit zijn de zonen van Rehuël: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw. 14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaëlam, en Korah. 15 Dit zijn de vorsten van de zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz. 16 De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada. 17 En dit zijn de zonen van Rehuël, de zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zerah, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuël in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau. 18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaëlam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau. 19 Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hun vorsten; hij is Edom. 20 Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, 21 En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten van de Horieten, zonen van Seïr, in het land van Edom. 22 En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zus was Timna. 23 En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam. 24 En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde. 25 En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana. 26 En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran. 27 Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan. 28 Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran. 29 Dit zijn de vorsten van de Horieten: de vorst Lotan, de vorst Sobal, de vorst Zibeon, de vorst Ana. 30 De vorst Dison, de vorst Ezer, de vorst Disan; dit zijn de vorsten van de Horieten, naar hun vorsten in het land Seïr. 31 En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de Israëlieten. 32 Bela dan, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba. 33 En Bela stierf, en Jobab, de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijn plaats. 34 En Jobab stierf, en Husam, uit van de Temanieten land, regeerde in zijn plaats. 35 En Husam stierf, en in zijn plaats regeerde Hadad, de zoon van Bedad, die Midian versloeg in het veld van Moab; en de naam van zijn stad was Avith. 36 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats. 37 En Samla stierf, en Saul van Rehoboth, aan de rivier, regeerde in zijn plaats. 38 En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 39 En Baäl-hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats; en de naam van zijn stad was Pahu; en de naam van zijn huisvrouw was Mechetabeel, een dochter van Matred, de dochter van Me-zahab. 40 En dit zijn de namen van de vorsten van Ezau, naar hun geslachten, naar hun plaatsen, met hun namen: de vorst Timna, de vorst Alva, de vorst Jetheth, 41 De vorst Aholibama, de vorst Ela, de vorst Pinon, 42 De vorst Kenaz, de vorst Teman, de vorst Mibzar, 43 De vorst Magdiel, de vorst Iram; dit zijn de vorsten van Edom, naar hun woningen, in het land van hun bezitting; hij is Ezau, de vader van Edom. ### Genesis 37 1 En Jakob woonde in het land waar zijn vader vreemdeling was, in het land Kanaän. 2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broers (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, van zijn vader vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader. 3 En Israël had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon van de ouderdom; en hij maakte hem een veelvervigen rok. 4 Als nu zijn broers zagen, dat hun vader hem boven al zijn broers liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vriendelijk toespreken. 5 Ook droomde Jozef een droom, die hij aan zijn broers vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer. 6 En hij zei tot hen: Hoor toch deze droom, die ik gedroomd heb. 7 En ziet, wij waren schoven bindende in het midden van het veld; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neer voor mijn schoof. 8 Toen zeiden zijn broers tot hem: Zult u dan geheel over ons regeren: zult u dan geheel over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. 9 En hij droomde nog een andere droom, en verhaalde die aan zijn broers; en hij zei: Zie, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan, en elf sterren bogen zich voor mij neer. 10 En als hij het aan zijn vader en aan zijn broers verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zei tot hem: Wat is dit voor een droom, die u gedroomd hebt; zullen wij dan geheel komen, ik, en uw moeder, en uw broers, om ons voor u ter aarde te buigen? 11 Zijn broers dan benijdden hem; maar zijn vader bewaarde deze zaak. 12 En zijn broers gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem. 13 Zo zei Israël tot Jozef: Weiden uw broers niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zend. En hij zei tot hem: Zie, hier ben ik! 14 En hij zei tot hem: Ga toch heen, zie naar de welstand van uw broers, en naar de welstand van de kudde, en breng mij een woord opnieuw. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem. 15 En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vroeg hem deze man, zeggende: Wat zoekt u? 16 En hij zei: Ik zoek mijn broers; geef mij toch te kennen, waar zij weiden. 17 Zo zei die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broers na, en vond hen te Dothan. 18 En zij zagen hem van verre; en voordat hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden. 19 En zij zeiden de één tot de ander: Zie, daar komt die meesterdromer aan! 20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in één van deze kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal. 21 Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zei: Laat ons hem niet aan het leven slaan. 22 Ook zei Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werp hem in deze kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weer te brengen. 23 En het gebeurde, als Jozef tot zijn broers kwam, zo trokken zij Jozef zijn rok uit, de veelvervigen rok, die hij aanhad. 24 En zij namen hem, en wierpen hem in de kuil; maar de kuil was leeg; er was geen water in. 25 Daarna zaten zij neer om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kamelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte. 26 Toen zei Juda tot zijn broers: Wat winst zal het zijn, dat wij onze broer doodslaan, en zijn bloed verbergen? 27 Kom, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broer, ons vlees, en zijn broers hoorden hem. 28 Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit de kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte. 29 Als nu Ruben tot de kuil keerde terug, ziet, zo was Jozef niet in de kuil; toen scheurde hij zijn kleren. 30 En hij keerde weer tot zijn broers, en zei: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan? 31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten de rok in het bloed. 32 En zij zonden de veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Deze hebben wij gevonden; beken toch, of dit de rok van uw zoon is, of niet. 33 En hij bekende hem, en zei: Het is de rok van mijn zoon! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd! 34 Toen scheurde Jakob zijn kleren, en legde een zak om zijn middel; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen. 35 En al zijn zonen, en al zijn dochters maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zei: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf neerdalen. Zo beweende hem zijn vader. 36 En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste van de lijfwachten. ### Genesis 38 1 En het gebeurde ten zelf tijde, dat Juda van zijn broers aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, van wie de naam Hira was. 2 En Juda zag daar de dochter van een Kanaänietisch man, van wie de naam Sua was; en hij nam haar, en ging tot haar in. 3 En zij werd zwanger, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er. 4 Daarna werd zij weer zwanger, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan. 5 En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; maar hij was te Chezib, toen zij hem baarde. 6 Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar. 7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van JAHWEH; daarom doodde hem JAHWEH. 8 Toen zei Juda tot Onan: Ga in tot de vrouw van uw broer, en trouw haar in de naam van uw broer, en verwek uw broer zaad. 9 Maar Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zou zijn, zo gebeurde het, als hij tot de huisvrouw van zijn broer inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broer geen zaad te geven. 10 En het was kwaad in de ogen van JAHWEH, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook. 11 Toen zei Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in het huis van uw vader, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zei: Dat niet misschien ook deze sterve, zoals zijn broers! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis. 12 Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet. 13 En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren. 14 Toen legde zij de kleren van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan de ingang van de twee fonteinen, die op de weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. 15 Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had. 16 En hij week tot haar naar de weg, en zei: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zei: Wat zult u mij geven, dat u tot mij ingaat? 17 En hij zei: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zei: Zo u pand zult geven, totdat u hem zendt. 18 Toen zei hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zei: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; dat hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem. 19 En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de kleren van haar weduwschap. 20 En Juda zond de geitenbok door de hand van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand van de vrouw te nemen; maar hij vond haar niet. 21 En hij vroeg de mensen van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan de weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest. 22 En hij keerde weer tot Juda, en zei: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de mensen van die plaats: Hier is geen hoer geweest. 23 Toen zei Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar u hebt haar niet gevonden. 24 En het gebeurde ongeveer na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zei Juda: Breng haar naar buiten, dat zij verbrand worde! 25 Als zij voorgebracht werd, stelde op zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij de man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zei: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn. 26 En Juda kende ze, en zei: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer. 27 En het gebeurde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik. 28 En het gebeurde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de verloskundige nam die, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit. 29 Maar het gebeurde, als hij zijn hand weer intoog, ziet, zo kwam zijn broer uit; en zij zei: Hoe bent u doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. 30 En daarna kwam zijn broer uit, om wie de hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera. ### Genesis 39 1 Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste van de lijfwachten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen afgevoerd hadden. 2 En JAHWEH was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, de Egyptenaar. 3 Als nu zijn heer zag, dat JAHWEH met hem was, en dat JAHWEH al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte; 4 Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand. 5 En het gebeurde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat JAHWEH het huis van de Egyptenaar zegende, omwille van Jozef; ja, de zegen van JAHWEH was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld. 6 En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk. 7 En het gebeurde na deze dingen, dat de huisvrouw van zijn heer haar ogen op Jozef wierp; en zij zei: lig bij mij! 8 Maar hij weigerde het, en zei tot de huisvrouw van zijn heer: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven. 9 Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat u zijn huisvrouw bent; hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God! 10 En het gebeurde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn; 11 Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de mensen van de huize was daar binnenshuis. 12 En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten. 13 En het gebeurde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was; 14 Zo riep zij de mensen van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Zie, hij heeft ons de Hebreeuwse man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luide stem; 15 En het gebeurde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten. 16 En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam. 17 Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, die u ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten. 18 En het is gebeurd, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten. 19 En het gebeurde, als zijn heer de woorden van zijn huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn. 20 En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in de gevangenis, ter plaatse, waar de gevangenen van de koning gevangen waren; zo was hij daar in de gevangenis. 21 Maar JAHWEH was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van de overste van de gevangenis. 22 En de overste van de gevangenis gaf al de gevangenen, die in de gevangenis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij. 23 De overste van de gevangenis zag geheel op geen ding, dat in zijn hand was, omdat dat JAHWEH met hem was; en wat hij deed, dat deed JAHWEH wel strekken. ### Genesis 40 1 En het gebeurde na deze dingen, dat de schenker van de koning van Egypte, en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen de koning van Egypte. 2 Zodat Farao zeer boos werd op zijn twee hovelingen, op de overste van de schenkers, en op de overste van de bakkers. 3 En hij leverde hen in bewaring, in het huis van de overste van de lijfwachten, in de gevangenis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was. 4 En de overste van de lijfwachten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring. 5 Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in één nacht, elk naar de uitlegging van zijn droom, de schenker en de bakker, die van de koning van Egypte waren, die gevangen waren in de gevangenis. 6 En Jozef kwam van de morgen tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld. 7 Toen vroeg hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis van zijn heer, zeggende: Waarom zijn uw gezichten vandaag treurig? 8 En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zei tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertel ze mij toch. 9 Toen vertelde de overste van de schenkers Jozef zijn droom, en zei tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht; 10 En aan de wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijn trossen brachten rijpe druiven voort. 11 En Farao's beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Farao's beker, en ik gaf de beker op Farao's hand. 12 Toen zei Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen. 13 Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en u zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen u zijn schenker was. 14 Maar gedenk aan mij bij uzelf, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch goedertierenheid aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dit huis kome. 15 Want ik ben met geweld ontstolen uit het land van de Hebreën; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in deze kuil gezet hebben. 16 Toen de overste van de bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zei hij tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede manden waren op mijn hoofd. 17 En in de bovenste mand was van alle voedsel van Farao, die bakkerswerk is; en het gevogelte at die uit de mand, van boven mijn hoofd. 18 Toen antwoordde Jozef, en zei: Dit is zijn uitlegging: de drie manden zijn drie dagen. 19 Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten. 20 En het gebeurde op de derde dag, de dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van de overste van de schenkers, en het hoofd van de overste van de bakkers, in het midden van zijn knechten. 21 En hij deed de overste van de schenkers terugkeren tot zijn schenkambt, zodat hij de beker op Farao's hand gaf. 22 Maar de overste van de bakkers hing hij op; zoals Jozef hun uitgelegd had. 23 Maar de overste van de schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem. ### Genesis 41 1 En het gebeurde na verloop van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier. 2 En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras. 3 En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan de oever van de rivier. 4 En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao. 5 Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in één halm, vet en goed. 6 En ziet, zeven dunne en van de oostenwind verzengde aren schoten na die uit. 7 En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Farao, en ziet, het was een droom. 8 En het gebeurde in de morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde. 9 Toen sprak de overste van de schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk vandaag aan mijn zonden. 10 Farao was zeer vertoornd op zijn dienaren, en leverde mij in bewaring in het huis van de overste van de lijfwachten, mij en de overste van de bakkers. 11 En in één nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging van zijn droom. 12 En daar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van de overste van de lijfwachten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom. 13 En zoals hij ons uitleide, zo is het gebeurd; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen. 14 Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastig uit de kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn kleren; en hij kwam tot Farao. 15 En Farao sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als u een droom hoort, dat u hem uitlegt. 16 En Jozef antwoordde Farao, zeggende: Het is buiten mij! God zal Farao's welstand aanzeggen. 17 Toen sprak Farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan de oever van de rivier; 18 En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en mooi van gestalte, en zij weidden in het gras. 19 En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk van gedaante, rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het hele Egypteland. 20 En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op; 21 Die in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, zoals in het begin. Toen ontwaakte ik. 22 Daarna zag ik in mijn droom, en zie, zeven aren rezen op in één halm, vol en goed. 23 En zie, zeven dorre, dunne en van de oostenwind verzengde aren, schoten na die uit; 24 En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het de tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde. 25 Toen zei Jozef tot Farao: De droom van Farao is één; wat God is doende, heeft Hij Farao te kennen gegeven. 26 Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is één. 27 En die zeven ranke en lelijke koeien, die na hen opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van de oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren van de honger wezen. 28 Dit is het woord, dat ik tot Farao gesproken heb: wat God is doende, heeft Hij Farao vertoond. 29 Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het hele land van Egypte zijn. 30 Maar na die zullen er opstaan zeven jaren van de honger; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren. 31 Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege die honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn. 32 Voor wat betreft dat die droom aan Farao ten tweede maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om die te doen. 33 Zo zie nu Farao naar een verstandige en wijze man, en zette hem over het land van Egypte. 34 Farao doe zo, en bestelle opzichters over het land; en neme het vijfde deel van het land van Egypte in de zeven jaren van de overvloed. 35 En dat zij alle voedsel van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot voedsel in de steden, en bewaren het. 36 Zo zal het voedsel zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren van de honger, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga. 37 En dit woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten. 38 Zo zei Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in wie Gods Geest is? 39 Daarna zei Farao tot Jozef: Aangezien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als u. 40 U zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen deze troon zal ik groter zijn dan u. 41 Verder sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over geheel Egypteland gesteld. 42 En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleren aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals; 43 En hij deed hem rijden op de tweede wagen, die hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Kniel! Zo stelde hij hem over geheel Egypteland. 44 En Farao zei tot Jozef: Ik ben Farao! maar zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in geheel Egypteland. 45 En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef trok uit door het land van Egypte. 46 Jozef nu was dertig jaar oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en hij trok door geheel Egypteland. 47 En het land bracht voort, in de zeven jaren van de overvloed, bij handvollen. 48 En hij verzamelde alle voedsel van de zeven jaren, die in Egypteland was, en deed het voedsel in de steden; het voedsel van het veld van elke stad, dat rondom haar was, deed hij daar binnen. 49 Zo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand van de zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal. 50 En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar van de honger aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde. 51 En Jozef noemde de naam van de eerstgeborene Manasse; want, zei hij God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het hele huis van mijn vader. 52 En de naam van de tweede noemde hij Efraïm; want, zei hij God heeft mij doen groeien in het land van mijn verdrukking. 53 Toen eindigden de zeven jaren van de overvloed, die in Egypte geweest was. 54 En de zeven jaren van de honger begonnen aan te komen, zoals Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in geheel Egypteland was brood. 55 Als nu geheel Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zei tot alle Egyptenaren: Ga tot Jozef, doet wat hij u zegt. 56 Als dan honger over het hele land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger werd sterk in Egypteland. 57 En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen. ### Genesis 42 1 Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zei Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet u op elkaar? 2 Verder zei hij: Zie, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trek daarheen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven. 3 Toen trokken Jozefs tien broers af, om koren uit Egypte te kopen. 4 Maar Benjamin, Jozefs broer, zond Jakob niet met zijn broers; want hij zei: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete! 5 Zo kwamen Israëls zonen om te kopen onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaän. 6 Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk van het land; en Jozefs broers kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde. 7 Als Jozef zijn broers zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd tegenover hen, en sprak hard met hen, en zei tot hen: Vanwaar komt u? En zij zeiden: Uit het land Kanaän; om voedsel te kopen. 8 Jozef dan kende zijn broers; maar zij kenden hem niet. 9 Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zei tot hen: U bent spionnen, u bent gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is. 10 En zij zeiden tot hem: Nee, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om voedsel te kopen. 11 Wij alle zijn van één man zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen spionnen. 12 En hij zei tot hen: Nee, maar u bent gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is. 13 En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroers, van één man zonen, in het land Kanaän; en zie, de kleinste is vandaag bij onze vader; maar de één is niet meer. 14 Toen zei Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: U bent spionnen! 15 Hierin zult u beproefd worden: zo werkelijk als Farao leeft! als u van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broer hierheen zal gekomen zijn! 16 Zend één uit u, die uw broer hale; maar wees u gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en als niet, zo werkelijk als Farao leeft, zo bent u spionnen! 17 En hij zette hen samen drie dagen in bewaring. 18 En op de derde dag zei Jozef tot hen: Doe dit, zo zult u leven; ik vrees God. 19 Zo u vroom bent, zo zij één uw broers gebonden in het huis van uw bewaring; en gaat u heen, brengt het koren voor de honger van uw huizen. 20 En brengt uw kleinste broer tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en u zult niet sterven. En zij deden zo. 21 Toen zeiden zij de één tot de ander: Werkelijk, wij zijn schuldig aan onze broer, wiens benauwdheid van zijn ziel wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons. 22 En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zei: Zondigt niet aan deze jongeling! maar u hoorde niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht! 23 En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen. 24 Toen wendde hij zich om, van hen af, en huilde; daarna keerde hij weer tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen. 25 En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld keerde terug, ieder in zijn zak, en dat men hun proviant gave tot de weg; en men deed hun zo. 26 En zij laadden hun koren op hun ezels, en trokken van daar. 27 Toen één zijn zak opendeed, om zijn ezel voer te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was boven in zijn zak. 28 En hij zei tot zijn broers: Mijn geld is teruggekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de één tot de ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft? 29 En zij kwamen in het land Kanaän, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen al hun overkomen, zeggende: 30 Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor spionnen van het land. 31 Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen spionnen. 32 Wij waren twaalf gebroers, zonen van onze vader; de één is niet meer, en de kleinste is vandaag bij onze vader in het land Kanaän. 33 En die man, de heer van dat land, zei tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat u vroom bent; laat één uw broers bij mij, en neemt voor de honger van uw huizen, en trekt heen. 34 En brengt uw kleinste broer tot mij; zo zal ik weten, dat u geen spionnen bent, maar dat u vroom bent; uw broer zal ik u teruggeven, en u zult in dit land handelen. 35 En het gebeurde, als zij hun zakken leegden, ziet, zo had ieder de bundel van zijn geld in zijn zak; en zij zagen de bundelen van hun geld, zij en hun vader, en zij waren bevreesd. 36 Toen zei Jakob, hun vader, tot hen: U berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult u Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij! 37 Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee van mijn zonen, zo ik hem tot u niet terugbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weer tot u brengen! 38 Maar hij zei: Mijn zoon zal met u niet aftrekken; want zijn broer is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op de weg, die u zult gaan, zo zou u mijn grijze haren met droefenis naar het graf doen neerdalen. ### Genesis 43 1 De honger nu werd zwaar in dat land; 2 Zo gebeurde het, als zij de leeftocht, die zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zei: Keer opnieuw, koop ons wat voedsel. 3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. 4 Als u onze broer met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u voedsel kopen; 5 Maar als u hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broer met u is. 6 En Israël zei: Waarom hebt u zo kwalijk aan mij gedaan, dat u die man te kennen gaf, of u nog een broer had? 7 En zij zeiden: Die man vroeg zeer nauw naar ons, en naar onze familie, zeggende: Leef uw vader nog; hebt u nog een broer? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Breng uw broer af? 8 Toen zei Juda tot Israël, zijn vader: Zend de jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch u, noch onze kinderen. 9 Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult u hem eisen; als ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben! 10 Want hadden wij niet gezuimd, werkelijk, wij waren alreeds tweemaal teruggekomen. 11 Toen zei Israël, hun vader, tot hen: Is het nu zo, zo doet dit; neem van het loffelijkste van dit land in uw zakken, en breng die man een geschenk heen af: een weinig balsem, en een weinig honing, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen. 12 En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, dat in de mond van uw zakken teruggekeerd is, weer in uw hand; misschien is het een fout. 13 Neem ook uw broer mee, en maakt u op, keer weer tot die man. 14 En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van die man, dat hij uw andere broer en Benjamin met u late gaan! En wat mij betreft, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd! 15 En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en trokken af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht. 16 Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zei hij tot degene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten. 17 De man nu deed, zoals Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef. 18 Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Vanwege het geld, dat in het begin in onze zakken teruggekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezels. 19 Daarom naderden zij tot die man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis. 20 En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin zeker afgekomen, om voedsel te kopen. 21 Het is nu gebeurd, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders geld boven in zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben het teruggebracht in onze hand. 22 Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om voedsel te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft. 23 En hij zei: Vrede zij u, vreest niet! Uw God en de God van uw vader heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit. 24 Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wasten hun voeten; hij gaf ook aan hun ezels voer. 25 En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op de middag; want zij hadden gehoord, dat zij daar brood eten zouden. 26 Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, dat in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde. 27 En hij vroeg hun naar hun welstand, en zei: Is het wel met uw vader, de oude, waarvan u zei? Leeft hij nog? 28 En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onze vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neer. 29 En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broer, de zoon van zijn moeder, en zei: Is dit uw kleinste broer, waarvan u tot mij zei? Daarna zei hij: Mijn zoon? God zij u genadig! 30 En Jozef haastte zich; want zijn binnenste ontstak tegenover zijn broer, en hij zocht te huilen; en hij ging in een kamer, en huilde daar. 31 Daarna waste hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelf, en zei: Zet brood op. 32 En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, omdat dat de Egyptenaren een gruwel is. 33 En zij aten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jeugd; daarom verwonderden zich de mannen onder elkaar. 34 En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen alle. En zij dronken, en zij werden dronken met hem. ### Genesis 44 1 En hij gebood degene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken van deze mannen met voedsel, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders geld boven in zijn zak; 2 En mijn beker, de zilveren beker, zult u leggen in de mond van de zak van de kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, dat hij gesproken had. 3 Van de morgen, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezels. 4 Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot degene, die over zijn huis was, zei: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als u hen zult achterhaald hebben, zo zult u tot hen zeggen: Waarom hebt u kwaad voor goed vergolden? 5 Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zeker waarnemen zal? U hebt kwalijk gedaan, wat u gedaan hebt. 6 En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden. 7 En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zulk een ding doen zouden. 8 Zie, het geld, dat wij in de mond van onze zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaän teruggebracht; hoe zouden wij dan uit het huis van uw heer zilver of goud stelen? 9 Bij wie van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn! 10 En hij zei: Dit zij nu ook zo, naar uw woorden! Bij wie hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar u zult onschuldig zijn. 11 En zij haastten, en ieder zette zijn zak af op de aarde, en ieder opende zijn zak. 12 En hij doorzocht, beginnende met de grootste, en voleindigende met de kleinste; en die beker werd gevonden in de zak van Benjamin. 13 Toen scheurden zij hun kleren; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weer naar de stad. 14 En Juda kwam met zijn broers in het huis van Jozef; want hij was nog zelf daar; en zij vielen voor zijn aangezicht neer ter aarde. 15 En Jozef zei tot hen: Wat daad is dit, die u gedaan hebt? Weet u niet, dat zulk een man als ik dat zeker waarnemen zou? 16 Toen zei Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid van uw knechten gevonden; zie, wij zijn van mijn heer slaven, zo wij, als hij, in wie de hand de beker gevonden is. 17 Maar hij zei: Het zij verre van mij dat te doen! de man, in wie de hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; maar trekt u op in vrede tot uw vader. 18 Toen naderde Juda tot hem, en zei: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor van mijn heer oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want u bent even gelijk Farao! 19 Mijn heer vroeg zijn knechten, zeggende: Hebt u een vader, of broer? 20 Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een oude vader, en een jongeling van de ouderdom, de kleinsten, wiens broer dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief. 21 Toen zei u tot uw knechten: Breng hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla. 22 En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; als hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven. 23 Toen zei u tot uw knechten: Als uw kleinste broer met u niet afkomt, zo zult u mijn aangezicht niet meer zien. 24 En het is gebeurd, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden van mijn heer verhaald hebben; 25 En dat onze vader gezegd heeft: Keer weer, koop ons wat voedsel; 26 Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; als onze kleinste broer bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van die man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broer niet bij ons is. 27 Toen zei uw knecht, mijn vader, tot ons: U weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft. 28 En de één is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Werkelijk, hij is zeker verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe. 29 Als u nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zou u mijn grijze haren met jammer naar het graf doen neerdalen! 30 Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (zo zijn ziel aan de ziel van deze gebonden is), 31 Zo zal het gebeuren, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grijze haren van uw knecht, onze vader, met droefenis naar het graf doen neerdalen. 32 Want uw knecht is voor deze jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet terugbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben! 33 Nu dan, laat toch uw knecht voor deze jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat de jongeling met zijn broers optrekken! 34 Want hoe zou ik optrekken tot mijn vader, als de jongeling niet met mij was, opdat ik de jammer niet zie, die mijn vader overkomen zou. ### Genesis 45 1 Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doe alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broers bekend maakte. 2 En hij verhief zijn stem met huilen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's huis hoorde. 3 En Jozef zei tot zijn broers: Ik ben Jozef! leef mijn vader nog? En zijn broers konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht. 4 En Jozef zei tot zijn broers: Nader toch tot mij! En zij naderden. Toen zei hij: Ik ben Jozef, uw broer, die u naar Egypte verkocht hebt. 5 Maar nu, wees niet bezorgd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat u mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis van het leven. 6 Want het zijn nu twee jaren van de honger in het midden van het land; en er zijn nog vijf jaren, waarin geen ploeging noch oogst zijn zal. 7 Maar God heeft mij voor uw aangezicht heen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. 8 Nu dan, u hebt mij hierheen niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn hele huis, en regeerder in het hele land van Egypte. 9 Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Zo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over geheel Egypteland gesteld; kom af tot mij, en wacht niet langer. 10 En u zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, u en uw zonen, en de zonen van uw zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat u hebt. 11 En ik zal u daar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren van de honger zijn, opdat u niet verarmt, u en uw huis, en alles wat u hebt! 12 En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broer Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt. 13 En boodschap mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat u gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader hierheen. 14 En hij viel aan de hals van Benjamin, zijn broer, en huilde; en Benjamin huilde aan zijn hals. 15 En hij kuste al zijn broers, en hij huilde over hen; en daarna spraken zijn broers met hem. 16 Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zei: Jozefs broers zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten. 17 En Farao zei tot Jozef: Zeg tot uw broers: Doe dit, laad uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän; 18 En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en u zult het vette van deze land eten. 19 U bent toch bevolen: doe dit, neemt u uit Egypteland wagens voor uw kinderen, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt. 20 En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van geheel Egypteland, dat zal het uwe zijn. 21 En de zonen van Israël deden zo. Zo gaf Jozef hun wagens, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun proviant op de weg. 22 Hij gaf hun alle, ieder één, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen. 23 En zijn vader evenzo zond hij tien ezels, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en voedsel voor zijn vader op de weg. 24 En hij zond zijn broers heen; en zij vertrokken; en hij zei tot hen: Verstoort u niet op de weg. 25 En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaän tot hun vader Jakob. 26 Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in geheel Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. 27 Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagens zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig. 28 En Israël zei: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, voordat ik sterf! ### Genesis 46 1 En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offergaven aan de God van zijn vader Izak. 2 En God sprak tot Israël in visioenen van de nacht, en zei: Jakob, Jakob! En hij zei: Zie, hier ben ik! 3 En Hij zei: Ik ben die God, van uw vader God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u daar tot een groot volk zetten. 4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weer optrekken, mee optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. 5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had, om hem te voeren. 6 En zij namen hun vee, en hun bezittingen, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem; 7 Zijn zonen, en de zonen van zijn zonen met hem; zijn dochters, en van zijn zonen dochters, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte. 8 En dit zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben. 9 En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi. 10 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische vrouw. 11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari. 12 En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Maar Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul. 13 En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron. 14 En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel. 15 Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-aram, met Dina zijn dochter; al de zielen van zijn zonen en van zijn dochters waren drie en dertig. 16 En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli. 17 En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zus; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël. 18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen. 19 De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin. 20 En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potifera, de overste te On, baarde. 21 En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard. 22 Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al samen veertien zielen. 23 En de zonen van Dan: Chusim. 24 En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem. 25 Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde die Jakob, zij waren alle zeven zielen. 26 Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgezonderd de vrouwen van de zonen van Jakob, waren alle zes en zestig zielen. 27 En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig. 28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen. 29 Toen spande Jozef zijn wagen aan, en trok op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en huilde lang aan zijn hals. 30 En Israël zei tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat u nog leeft! 31 Daarna zei Jozef tot zijn broers, en tot het huis van zijn vader: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broers en het huis van mijn vader, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen. 32 En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht. 33 Wanneer het nu gebeuren zal, dat Farao u zal roepen, en zeggen: Wat is uw beroep? 34 Zo zult u zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat u in het land Gosen mag wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel. ### Genesis 47 1 Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zei: Mijn vader en mijn broers, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen. 2 En hij nam een deel zijn broers, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht. 3 Toen zei Farao tot zijn broers: Wat is uw beroep? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders. 4 Verder zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, omdat de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen! 5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broers zijn tot u gekomen; 6 Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broers in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo u weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over wat ik heb. 7 En Jozef bracht zijn vader Jakob mee, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao. 8 En Farao zei tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen van de jaren van uw leven! 9 En Jakob zei tot Farao: De dagen van de jaren dat ik vreemdeling was zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen van de jaren van mijn leven geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren van het leven van mijn vaders, in de dagen dat zij vreemdeling waren. 10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht. 11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broers woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, zoals Farao geboden had. 12 En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broers, en het hele huis van zijn vader, met brood, tot de mond van de kinderen toe. 13 En er was geen brood in het hele land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaän raasden vanwege die honger. 14 Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao's huis. 15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaän verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw aanwezigheid sterven? want het geld ontbreekt; 16 En Jozef zei: Geef uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, als het geld ontbreekt. 17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee van de schapen, en voor het vee van de runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, dat jaar, voor al hun vee. 18 Toen dat jaar voltooid was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, zo het geld verdaan is, en de bezitting van de beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts van mijn heer, dan ons lichaam en ons land. 19 Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest wordt! 20 Zo kocht Jozef het hele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, omdat de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Farao's eigen. 21 En voor wat betreft het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste van de grenzen van Egypte, tot het andere uiterste van die. 22 Alleen het land van de priesters kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, dat hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet. 23 Toen zei Jozef tot het volk: Zie, ik heb vandaag u en uw land gekocht voor Farao; zie, daar is zaad voor u, opdat u het land bezaait. 24 Maar met de inkomsten zal het gebeuren, dat u aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad van het veld, en tot uw voedsel en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderen. 25 En zij zeiden: U hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen van mijn heer, en wij zullen Farao's knechten zijn. 26 Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot deze dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land van de priesters van Farao niet werd. 27 Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer. 28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren van zijn leven, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren. 29 Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zei tot hem: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe goedertierenheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte; 30 Maar dat ik bij mijn vaders ligge; hierom zult u mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zei: Ik zal doen naar uw woord! 31 En hij zei: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed. ### Genesis 48 1 Het gebeurde nu na deze dingen, dat men Jozef zei: Zie, uw vader is ziek! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm. 2 En men boodschapte Jakob, en men zei: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israël, en zat op het bed. 3 Daarna zei Jakob tot Jozef: El Shaddai, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend; 4 En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot één hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. 5 Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, voordat ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn van mij; Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, als Ruben en Simeon. 6 Maar uw geslacht, dat u na hen zult winnen, zullen van u zijn; zij zullen naar de naam van hun broers genoemd worden in hun erfdeel. 7 Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op de weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar daar aan de weg van Efrath, die is Bethlehem. 8 En Israël zag de zonen van Jozef, en zei: Van wie zijn deze? 9 En Jozef zei tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zei: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene! 10 Maar de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen. 11 En Israël zei tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien! 12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich voor zijn aangezicht neer ter aarde. 13 En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. 14 Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestuurde zijn handen verstandig; want Manasse was de eerstgeborene. 15 En hij zegende Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag; 16 Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaders, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden van het land! 17 Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte de hand van zijn vader, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen. 18 En Jozef zei tot zijn vader: Niet zo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. 19 Maar zijn vader weigerde het, en zei: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar toch zal zijn kleinste broer groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. 20 Zo zegende hij ze op die dag, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. 21 Daarna zei Israël tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met u wezen, en Hij zal u terugbrengen in het land van uw vaders. 22 En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broers; dat ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand van de Amorieten genomen heb. ### Genesis 49 1 Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zei: Verzamel u, en ik zal u verkondigen, wat u in de navolgende dagen overkomen zal. 2 Kom samen en hoort, u, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader. 3 Ruben! u bent mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin van mijn macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte! 4 Snelle afloop als van de wateren, u zult de voortreffelijkste niet zijn! want u hebt het bed van uw vader beklommen; toen hebt u het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen! 5 Simeon en Levi zijn gebroers! hun handelingen zijn werktuigen van geweld! 6 Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt. 7 Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun toorn, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israël. 8 Juda! u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal zijn op de nek van uw vijanden; voor u zullen zich de zonen van uw vader neerbuigen. 9 Juda is een leeuwenwelp! u bent van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? 10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Die zullen de volken gehoorzaam zijn. 11 Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok, en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in de wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed. 12 Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk. 13 Zebulon zal aan de haven van de zeeën wonen, en hij zal aan de haven van de schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon. 14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, neerliggende tussen twee pakken. 15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder belasting. 16 Dan zal zijn volk richten, als één van de stammen van Israël. 17 Dan zal een slang zijn aan de weg, een adderslang naast het pad, bijtende van het paard hiel, dat zijn rijder achterover valle. 18 Op uw zaligheid wacht ik, JAHWEH! 19 Voor wat betreft Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde. 20 Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren. 21 Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden. 22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk van de takken loopt over de muur. 23 De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat; 24 Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen van zijn handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige van Jakob; daarvan is hij een herder, een steen van Israël; 25 Van de God van uw vader, Die u zal helpen, en van de Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen van de hemel van boven, met zegeningen van de afgrond, die daaronder ligt, met zegeningen van de borsten en van de baarmoeder! 26 De zegeningen van uw vader gaan te boven de zegeningen van mijn voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op de hoofdschedel van de afgezonderden zijn broers! 27 Benjamin zal als een wolf verscheuren; van de morgen zal hij roof eten, en van de avond zal hij buit uitdelen. 28 Al deze stammen van Israël zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, ieder met zijn eigen zegen. 29 Daarna gebood hij hun, en zei tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaf mij bij mijn vaders, in de grot, die is in de akker van Efron, de Hethiet; 30 In de grot, die is op de akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaän, die Abraham met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, tot een erfbegrafenis. 31 Daar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven. 32 De akker, en de grot, die daarin is, is gekocht van de zonen van Heth. 33 Als Jakob voltooid had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf de geest, en hij werd verzameld tot zijn volken. ### Genesis 50 1 Toen viel Jozef op van zijn vader aangezicht, en hij huilde over hem, en kuste hem. 2 En Jozef gebood zijn knechten, de dokters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de dokters balsemden Israël. 3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want zo werden vervuld de dagen van hen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen. 4 Als nu de dagen van zijn bewenen over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende: 5 Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaän gegraven heb, daar zult u mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik terugkomen. 6 En Farao zei: Trek op en begraaf uw vader, zoals hij u heeft doen zweren. 7 En Jozef trok op, om zijn vader te begraven; en met hem trokken op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten van het land van Egypte; 8 Daartoe het hele huis van Jozef, en zijn broers, en het huis van zijn vader; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen. 9 En met hem trokken op, zo wagens als ruiteren; en het was een zeer zware leger. 10 Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan de overzijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware klaagzang; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen. 11 Als de inwoners van het land, de Kanaänieten, die rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-mizraim, die aan de doorwaadbare plaats van de Jordaan is. 12 En zijn zonen deden hem, zoals hij hun geboden had; 13 Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaän, en begroeven hem in de grot van de akker van Machpela, die Abraham met de akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, de Hethiet, tegenover Mamre. 14 Daarna keerde Jozef weer in Egypte, hij en zijn broers, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had. 15 Toen Jozefs broers zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons zeker vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben. 16 Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende: 17 Zo zult u tot Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader! En Jozef huilde, als zij tot hem spraken. 18 Daarna kwamen ook zijn broers, en vielen voor hem neer, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten! 19 En Jozef zei tot hen: Vrees niet; want ben ik in de plaats van God? 20 U wel, u hebt kwaad tegen mij gedacht; maar God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, zoals het te deze dage is, om een groot volk in het leven te behouden. 21 Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart. 22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis van zijn vader; en Jozef leefde honderd en tien jaren. 23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren. 24 En Jozef zei tot zijn broers: Ik sterf; maar God zal u zeker bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft. 25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u zeker bezoeken, zo zult u mijn beenderen van hier opvoeren! 26 En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte. ## Exodus ### Exodus 1 1 Dit nu zijn de namen van de zonen van Israël, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis. 2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda; 3 Issaschar, Zebulon, en Benjamin; 4 Dan en Nafthali, Gad en Aser. 5 Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; maar Jozef was in Egypte. 6 Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broers, en al dat geslacht, 7 Zo werden de Israëlieten vruchtbaar en groeiden overvloedig, en zij vermeerderden, en werden geheel zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd. 8 Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had; 9 Die zei tot zijn volk: Zie, het volk van de Israëlieten is veel, ja, machtiger dan wij. 10 Kom aan, laat ons verstandig tegen hen handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het gebeure, als er enige strijd voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke. 11 En zij zetten oversten van de belastingen over hetzelfde, om het te verdrukken met hun dwangarbeid; want men bouwde voor Farao voorraadsteden, Pitom en Raamses. 12 Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het groeide; zodat zij verdrietig waren vanwege de Israëlieten. 13 En de Egyptenaars deden de Israëlieten dienen met hardheid; 14 Zodat zij hun het leven bitter maakten met harde dienst, in leem en in bakstenen, en met alle dienst op het veld, met al hun dienst, die zij hen deden dienen met hardheid. 15 Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de verloskundigen van de Hebreïnnen, van wie de ene naam Sifra was, en de naam van de andere Pua was; 16 En zei: Wanneer u de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! 17 Maar de verloskundigen vreesden God, en deden niet, zoals de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de jongetjes in het leven. 18 Toen riep de koning van Egypte de verloskundigen, en zei tot haar: Waarom hebt u deze zaak gedaan, dat u de jongetjes in het leven behouden hebt? 19 En de verloskundigen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn zoals de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; voordat de verloskundige tot haar komt, zo hebben zij gebaard. 20 Daarom deed God aan de verloskundigen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig. 21 En het gebeurde, omdat de verloskundigen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen. 22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult u in de rivier werpen, maar al de dochters in het leven behouden. ### Exodus 2 1 En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi. 2 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden. 3 Maar als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het jongetje daarin, en legde het in de biezen, aan de oever van de rivier. 4 En zijn zus stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden. 5 En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan de kant van de rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen. 6 Toen zij het open deed, zo zag zij dat jongetje; en ziet, het jongetje huilde; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelfde, en zij zei: Dit is één van de jongetjes van de Hebreën! 7 Toen zei zijn zus tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat jongetje voor u zoge? 8 En de dochter van Farao zei tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep van de jongetjes moeder. 9 Toen zei Farao's dochter tot haar: Neem dit jongetje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het jongetje en zoogde het. 10 En toen het jongetje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar tot zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zei: Want ik heb hem uit het water getogen. 11 En het gebeurde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broers, en bezag hun dwangarbeid; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwse man uit zijn broers sloeg. 12 En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij de Egyptenaar, en verborg hem in het zand. 13 Op de andere dag ging hij opnieuw uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zei tot de ongerechte: Waarom slaat u uw naaste? 14 Hij dan zei: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt u dit, om mij te doden, zoals u de Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zei: Werkelijk, deze zaak is bekend geworden! 15 Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; maar Mozes vluchtte voor Farao's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput. 16 En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde van haar vader te drenken. 17 Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; maar Mozes stond op, en verloste ze, en gaf haar kudden te drinken. 18 En toen zij tot haar vader Rehuël kwamen, zo sprak hij: Waarom bent u vandaag zo haast wedergekomen? 19 Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand van de herders; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt. 20 En hij zei tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet u de man nu gaan? roep hem, dat hij brood ete. 21 En Mozes bewilligde bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora; 22 Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zei: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land. 23 En het gebeurde na vele van deze dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de Israëlieten zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun hulpgeroep over hun dienst kwam op tot God. 24 En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob. 25 En God zag de Israëlieten aan, en God kende hen. ### Exodus 3 1 En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan de berg van God, aan Horeb. 2 En de Engel van JAHWEH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd. 3 En Mozes zei: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bekijken dat grote visioen, waarom het braambos niet verbrandt. 4 Toen JAHWEH zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bekijken, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zei: Mozes, Mozes! En hij zei: Zie, hier ben ik! 5 En Hij zei: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig land. 6 Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. 7 En JAHWEH zei: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend. 8 Daarom ben Ik neergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand van de Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honing, tot de plaats van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten. 9 En nu, zie, het geschrei van de Israëlieten is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmee de Egyptenaars hen verdrukken. 10 Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat u Mijn volk (de Israëlieten) uit Egypte voert. 11 Toen zei Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de Israëlieten uit Egypte zou voeren? 12 Hij dan zei: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer u dit volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg. 13 Toen zei Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de Israëlieten, en zeg tot hen: De God van uw vaders heeft mij tot u gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? 14 En God zei tot Mozes: IK ZAL ZIJN, Die IK ZIJN ZAL! Ook zei Hij: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot u gezonden! 15 Toen zei God verder tot Mozes: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: JAHWEH, de God van uw vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dat is Mijn Naam eeuwig, en dat is Mijn herinnering van geslacht tot geslacht. 16 Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: JAHWEH, de God van uw vaders, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb u trouw bezocht, en wat u in Egypte is aangedaan; 17 Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honing. 18 En zij zullen uw stem horen; en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, tot de koning van Egypte, en u zult tot hem zeggen: JAHWEH, de God van de Hebreën, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan de weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij JAHWEH, onze God, offeren! 19 Maar Ik weet, dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. 20 Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelfde doen zal; daarna zal hij u laten vertrekken. 21 En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren; en het zal gebeuren, wanneer u uitgaan zult, zo zult u niet leeg uitgaan. 22 Maar elke vrouw zal van haar buurvrouw, en van haar huisgenote, eisen zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren; die zult u op uw zonen, en op uw dochters leggen, en u zult Egypte beroven. ### Exodus 4 1 Toen antwoordde Mozes, en zei: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: JAHWEH is u niet verschenen! 2 En JAHWEH zei tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zei: Een staf. 3 En Hij zei: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vluchtte van haar. 4 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand. 5 Opdat zij geloven, dat u verschenen is JAHWEH, de God van hun vaders, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. 6 En JAHWEH zei verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw. 7 En Hij zei: Steek uw hand opnieuw in uw boezem. En hij stak zijn hand opnieuw in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weer als zijn ander vlees. 8 En het zal gebeuren, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven. 9 En het zal gebeuren, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren van de rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die u uit de rivier zult nemen, die zullen tot bloed worden op het droge. 10 Toen zei Mozes tot JAHWEH: Och Heere! ik ben niet goed in spreken, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen U tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. 11 En JAHWEH zei tot hem: Wie heeft de mens de mond gemaakt, of wie heeft de stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, JAHWEH? 12 En nu ga heen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat u spreken zult. 13 Maar hij zei: Och, Heere! zend toch door de hand van degene, die U zou zenden. 14 Toen ontstak de toorn van JAHWEH over Mozes, en Hij zei: is niet Aäron, de Leviet, uw broer? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn. 15 U dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal u leren, wat u doen zult. 16 En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal gebeuren, dat hij u tot een mond zal zijn, en u zult hem tot een god zijn. 17 Neem dan deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen doen zult. 18 Toen ging Mozes heen, en keerde weer tot Jethro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broers, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zei tot Mozes: Ga in vrede! 19 Ook zei JAHWEH tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weer in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. 20 Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand. 21 En JAHWEH zei tot Mozes: Terwijl u heentrekt, om weer in Egypte te keren, zie toe, dat u al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; maar Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. 22 Dan zult u tot Farao zeggen: Zo zegt JAHWEH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. 23 En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij zal dienen! maar u hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden! 24 En het gebeurde op de weg, in de herberg, dat JAHWEH hem tegenkwam, en zocht hem te doden. 25 Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid van haar zoon, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Werkelijk, u bent mij een bloedbruidegom! 26 En Hij liet van hem af. Toen zei zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis. 27 JAHWEH zei ook tot Aäron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan de berg van God, en hij kuste hem. 28 En Mozes gaf Aäron te kennen al de woorden van JAHWEH, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had. 29 Toen ging Mozes en Aäron, en zij verzamelden al de oudsten van de Israëlieten. 30 En Aäron sprak al de woorden, die JAHWEH tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen van het volk. 31 En het volk geloofde, en zij hoorden, dat JAHWEH de Israëlieten bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden. ### Exodus 5 1 En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn! 2 Maar Farao zei: Wie is JAHWEH, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken JAHWEH niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken. 3 Zij dan zeiden: De God van de Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, de weg van drie dagen in de woestijn, en JAHWEH, onze God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pest, of met het zwaard. 4 Toen zei de koning van Egypte tot hen: U, Mozes en Aäron! waarom trekt u het volk af van hun werken? Ga heen tot uw dwangarbeid. 5 Verder zei Farao: Zie, het volk van het land is alreeds te veel; en zou u hen doen rusten van hun dwangarbeid? 6 Daarom beval Farao, op diezelfde dag, aan de aandrijvers onder het volk, en zijn voormannen, zeggende: 7 U zult voortaan deze mensen geen stro meer geven, tot het maken van de bakstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelf heengaan, en stro voor zichzelf verzamelen. 8 En het getal van de bakstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult u hun opleggen; u zult daarvan niet verminderen; want zij gaan leeg; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onze God offeren! 9 Men verzware de dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden. 10 Toen gingen de aandrijvers van het volk uit, en zijn voormannen, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal u geen stro geven. 11 Ga u zelf heen, haalt u stro, waar u het vindt; maar van uw dienst zal niet verminderd worden. 12 Toen verstrooide zich het volk in het hele land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro. 13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voltooit uw werken, elk dagwerk op zijn dag, zoals toen er stro was. 14 En de voormannen van de Israëlieten, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zei: Waarom hebt u uw vastgestelde werk niet voltooid, in het maken van de bakstenen, zoals te voren, zo ook gisteren en vandaag? 15 Daarom gingen de voormannen van de Israëlieten, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet u uw knechten zo? 16 Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maak de bakstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, maar de schuld is van uw volk! 17 Hij dan zei: U gaat leeg, leeg gaat u; daarom zegt u: Laat ons gaan, laat ons JAHWEH offeren! 18 Zo gaat nu heen, arbeidt; maar stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult u het getal van de bakstenen leveren. 19 Toen zagen de voormannen van de Israëlieten, dat het kwalijk met hen stond, omdat men zei: U zult niet minderen van uw bakstenen, van het dagwerk op zijn dag. 20 En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen. 21 En zeiden tot hen: JAHWEH zie op u, en richte het, omdat u ons in kwade reuk hebt gebracht voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden. 22 Toen keerde Mozes weer tot JAHWEH, en zei: Heere! waarom hebt U dit volk kwaad gedaan, waarom hebt U mij nu gezonden? 23 Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en U hebt Uw volk in geen geval verlost. 24 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Nu zult u zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. ### Exodus 6 1 Verder sprak God tot Mozes, en zei tot hem: Ik ben JAHWEH, 2 En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als El Shaddai; maar met Mijn Naam JAHWEH ben Ik hun niet bekend geweest. 3 En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land waar zij vreemdeling waren, waarin zij vreemdelingen geweest zijn. 4 En ook heb Ik gehoord het gekerm van de Israëlieten, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht. 5 Daarom zeg tot de Israëlieten: Ik ben JAHWEH! en Ik zal u uitleiden van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; 6 En Ik zal u tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en u zult bekennen, dat Ik JAHWEH uw God ben, Die u uitleide van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren. 7 En Ik zal u brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het u geven tot een erfdeel, Ik, JAHWEH! 8 En Mozes sprak zo tot de Israëlieten; maar zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid van de geest, en vanwege de harde dienstbaarheid. 9 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 10 Ga heen, spreek tot Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken late. 11 Maar Mozes sprak voor JAHWEH, zeggende: Zie, de Israëlieten hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen. 12 Evenwel sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de Israëlieten, en aan Farao, de koning van Egypte, om de Israëlieten uit Egypteland te leiden. 13 Dit zijn de hoofden van ieder huis van hun vaders: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben. 14 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon van een Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon. 15 Dit nu zijn de namen van de zonen van Levi, naar hun afstamming: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren van het leven van Levi waren honderd zeven en dertig jaren. 16 De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen. 17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren van het leven van Kehath waren honderd drie en dertig jaren. 18 En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun afstamming. 19 En Amram nam Jochebed, zijn tante, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren van het leven van Amram waren honderd zeven en dertig jaren. 20 En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri. 21 En de zonen van Uzziël: Misael, en Elzafan, en Sithri. 22 En Aäron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zus van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 23 En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen van de Korachieten. 24 En Eleazar, de zoon van Aäron, nam voor zich één van de dochters van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de familiehoofden van de Levieten, naar hun huisgezinnen. 25 Dit is Aäron en Mozes, tot wie JAHWEH zei: Leid de Israëlieten uit Egypteland, naar hun legers. 26 Deze zijn het, die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, opdat zij de Israëlieten uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron. 27 En het gebeurde op die dag, als JAHWEH tot Mozes sprak in Egypteland; 28 Zo sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: Ik ben JAHWEH! spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek. 29 Toen zei Mozes voor het aangezicht van JAHWEH: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen? ### Exodus 7 1 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een God gezet over Farao; en Aäron, uw broer, zal uw profeet zijn. 2 U zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broer, zal tot Farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land trekken laat. 3 Maar Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigen. 4 Farao nu zal naar u niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn legers, Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypteland, door grote gerichten. 5 Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de Israëlieten uit het midden van hen uitleide. 6 Toen deed Mozes en Aäron, als hun JAHWEH geboden had, zo deden zij. 7 En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken. 8 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 9 Wanneer Farao tot u spreken zal, zeggende: Doe een wonderteken voor u; zo zult u tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neer; hij zal tot een draak worden. 10 Toen ging Mozes en Aäron tot Farao heen in, en deden zo, zoals JAHWEH geboden had; en Aäron wierp zijn staf neer voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht van zijn knechten; en hij werd tot een draak. 11 Farao nu riep ook de wijzen en de bezweerders; en de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen. 12 Want ieder wierp zijn staf neer, en zij werden tot draken; maar Aärons staf verslond hun staven. 13 Maar Farao's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had. 14 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken. 15 Ga heen tot Farao in de morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan de oever van de rivier, en de staf, die in een slang is veranderd geweest, zult u in uw hand nemen. 16 En u zult tot hem zeggen: JAHWEH, de God van de Hebreën, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij zal dienen in de woestijn; maar zie, u hebt tot nu toe niet gehoord. 17 Zo zegt JAHWEH: Daaraan zult u weten, dat Ik JAHWEH ben; zie, ik zal met deze staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden. 18 En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen. 19 Verder zei JAHWEH tot Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren van de Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering van hun wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het hele Egypteland, zowel in houten als in stenen voorwerpen. 20 Mozes nu en Aäron deden zo, zoals JAHWEH geboden had; en hij hief de staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd. 21 En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het hele Egypteland. 22 Maar de Egyptische tovenaars deden ook zo met hun bezweringen; zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, zoals JAHWEH gesproken had. 23 En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op. 24 Maar alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water van de rivier niet drinken. 25 Zo werden zeven dagen vervuld, nadat JAHWEH de rivier geslagen had. ### Exodus 8 1 Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 2 En als u het weigert te laten trekken, zie, zo zal ik uw hele gebied met kikkers slaan; 3 Dat de rivier van kikkers zal krioelen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen van uw knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen. 4 En de kikkers zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten. 5 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe kikkers opkomen over Egypteland. 6 En Aäron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen kikkers op en bedekten Egypteland. 7 Toen deden de tovenaars ook zo, met hun bezweringen; en zij deden kikkers over Egypteland opkomen. 8 En Farao riep Mozes en Aäron, en zei: Bid vurig tot JAHWEH, dat Hij de kikkers van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij JAHWEH offeren. 9 Maar Mozes zei tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vurig bidden, om deze kikkers van u en van uw huizen te vernietigen, dat zij alleen in de rivier overblijven? 10 Hij dan zei: Tegen morgen. En hij zei: Het zij naar uw woord, opdat u weet, dat er niemand is, zoals JAHWEH, onze God. 11 Zo zullen de kikkers van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven. 12 Toen ging Mozes en Aäron uit van Farao; en Mozes riep tot JAHWEH, vanwege de kikkers, die Hij Farao had opgelegd. 13 En JAHWEH deed naar het woord van Mozes; en de kikkers stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden. 14 En zij verzamelden ze samen bij hopen, en het land stonk. 15 Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had. 16 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Zeg tot Aäron: Strek uw staf uit, en sla het stof van de aarde, dat het tot luizen worde, in het hele Egypteland. 17 En zij deden zo; want Aäron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof van de aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof van de aarde werd luizen, in het hele Egypteland. 18 De tovenaars deden ook zo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; maar zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee. 19 Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Maar Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH gesproken had. 20 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen; 21 Want zo u Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; zo dat de huizen van de Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aarde, waarop zij zijn. 22 En Ik zal op die dag het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat u weet, dat Ik, JAHWEH, in het midden van dit land ben. 23 En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken gebeuren! 24 En JAHWEH deed zo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het hele Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging. 25 Toen riep Farao Mozes en Aäron, en zei: Ga heen, en offert uw God in dit land. 26 Mozes dan zei: Het is niet recht, dat men zo doe; want wij zouden van de Egyptenaren gruwel JAHWEH, onze God, mogen offeren; zie, als wij van de Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen? 27 Laat ons de weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij JAHWEH onze God offeren, zoals Hij tot ons zeggen zal. 28 Toen zei Farao: Ik zal u trekken laten, dat u JAHWEH, uw God, offert in de woestijn; alleen, dat u in het gaan in geen geval te verre trekt! Bid vurig voor mij. 29 Mozes nu zei: Zie, ik ga van u, en zal tot JAHWEH vurig bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Farao niet meer bedrieglijk handele, dit volk niet latende gaan, om JAHWEH te offeren. 30 Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vurig tot JAHWEH. 31 En JAHWEH deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet één over. 32 Maar Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken. ### Exodus 9 1 Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij zal dienen. 2 Want zo u hen weigert te laten trekken, en u hen nog met geweld ophoudt, 3 Zie, de hand van JAHWEH zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pest. 4 En JAHWEH zal een afzondering maken tussen het vee van de Israëlieten, en tussen het vee van de Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de Israëlieten is. 5 En JAHWEH bestemde een zekere tijd, zeggende: Morgen zal JAHWEH deze zaak in dit land doen. 6 En JAHWEH deed deze zaak op de andere dag; en al het vee van de Egyptenaren stierf; maar van het vee van de Israëlieten stierf niet één. 7 En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was er niet één gestorven. Maar het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken. 8 Toen zei JAHWEH tot Mozes en tot Aäron: Neem u uw vuisten vol as uit de oven; en Mozes strooie die naar de hemel voor de ogen van Farao. 9 En zij zal tot klein stof worden over het hele Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het hele Egypteland. 10 En zij namen as uit de oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar de hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee; 11 Zo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren. 12 Maar JAHWEH verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, zoals JAHWEH tot Mozes gesproken had. 13 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 14 Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat u weet, dat er niemand is zoals Ik, op de hele aarde. 15 Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pest zou slaan, en dat u van de aarde zou vernietigd worden. 16 Maar werkelijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de hele aarde. 17 Verheft u uzelf nog tegen Mijn volk, dat u het niet wilt laten trekken? 18 Zie, Ik zal morgen ongeveer deze tijd een zeer zwaren hagel doen regenen, evenzo in Egypte niet geweest is van die dag af, dat het gegrond is, tot nu toe. 19 En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat u op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven. 20 Wie onder Farao's knechten het woord van JAHWEH vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vluchten; 21 Maar die zijn hart niet zette tot het woord van JAHWEH, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld. 22 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal hagel zijn in het hele Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid van het veld in Egypteland. 23 Toen strekte Mozes zijn staf naar de hemel; en JAHWEH gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en JAHWEH liet hagel regenen over Egypteland. 24 En er was hagel, en vuur in het midden van de hagel vervangen; hij was zeer zwaar; evenzo is in het hele Egypteland nooit geweest, sinds het tot een volk geweest is. 25 En de hagel sloeg, in het hele Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid van het veld, en verbrak al het geboomte van het veld. 26 Alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten waren, daar was geen hagel. 27 Toen stelde op Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zei tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; JAHWEH is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen! 28 Bid vurig tot JAHWEH (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik u trekken laten, en u zult niet langer blijven. 29 Toen zei Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor JAHWEH; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat u weet, dat de aarde van JAHWEH is! 30 Toch u en uw knechten aangaande, weet ik, dat u voor het aangezicht van God JAHWEH nog niet vrezen zult. 31 Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in de halm. 32 Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt. 33 Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot JAHWEH; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde. 34 Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten. 35 Zo werd Farao's hart verstokt, dat hij de Israëlieten niet trekken liet, zoals JAHWEH gesproken had door Mozes. ### Exodus 10 1 Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart van zijn knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette; 2 En opdat u voor de oren van uw kinderen en van uw kleinkinderen mag vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben. 3 Zo gingen Mozes en Aäron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van de Hebreën: Hoe lang weigert u zich voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. 4 Want als u weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw gebied brengen. 5 En zij zullen het gezicht van het land bedekken, zo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van wat ontkomen is, wat u overgebleven was van de hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat u uit het veld voortkomt. 6 En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; die uw vaders, noch de vaders van uw vaders gezien hebben, van die dag af, dat zij op de aardbodem geweest zijn, tot op deze dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao. 7 En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij JAHWEH hun God dienen! weet u nog niet, dat Egypte verloren is? 8 Toen werden Mozes en Aäron weer tot Farao gebracht, en hij zei tot hen: Ga heen, dient JAHWEH, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen? 9 En Mozes zei: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude mensen; met onze zonen en met onze dochters, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest van JAHWEH. 10 Toen zei hij tot hen: JAHWEH zij zo met u, zoals ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: zie toe, want er is kwaad voor uw aangezicht! 11 Niet zo u, mannen, gaat nu heen, en dient JAHWEH; want dat hebt u verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht. 12 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid van het land opeten, al wat de hagel heeft over gelaten. 13 Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en JAHWEH bracht een oostenwind in dat land, die hele dag en die hele nacht; het gebeurde 's morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht. 14 En de sprinkhanen kwamen op over het hele Egypteland, en lieten zich neer aan al de grenzen van de Egyptenaren, zeer zwaar; voor deze zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na deze zullen er zulke niet wezen; 15 Want zij bedekten het gezicht van het hele land, zo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid van het land op, en al de vruchten van de bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden van het veld, in het hele Egypteland. 16 Toen haastte Farao, om Mozes en Aäron te roepen, en zei: Ik heb gezondigd tegen JAHWEH, uw God, en tegen u. 17 En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vurig tot JAHWEH, uw God, dat Hij slechts deze dood van mij wegneme. 18 En hij ging uit van Farao, en bad vurig tot JAHWEH. 19 Toen keerde JAHWEH een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in al het gebied van Egypte. 20 Maar JAHWEH verstokte Farao's hart, dat hij de Israëlieten niet liet trekken. 21 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal. 22 Als Mozes zijn hand uitstrekte naar de hemel, werd er een dikke duisternis in het hele Egypteland, drie dagen. 23 Zij zagen de één de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de Israëlieten was het licht in hun woningen. 24 Toen riep Farao Mozes, en zei: Ga heen, dient JAHWEH! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderen met u gaan. 25 Maar Mozes zei: Ook zult u slachtoffers en brandoffers in onze handen geven, die wij JAHWEH, onze God, doen mogen; 26 En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet één klauw achterblijven; want van hetzelfde zullen wij nemen, om JAHWEH, onze God, te dienen; want wij weten niet, waarmee wij JAHWEH, onze God, dienen zullen, voordat wij daar komen. 27 Maar JAHWEH verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken. 28 Maar Farao zei tot hem: Ga van mij! pas op dat u niet meer mijn aangezicht ziet; want op welke dag u mijn aangezicht zult zien, zult u sterven! 29 Mozes nu zei: U hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien! ### Exodus 11 1 (Want JAHWEH had tot Mozes gesproken: Ik zal nog één plaag over Farao, en over Egypte brengen, daarna zal hij u van hier laten trekken; als hij u geheel zal laten trekken, zo zal hij u haastig van hier uitdrijven. 2 Spreek nu voor de oren van het volk, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren voorwerpen en gouden voorwerpen eise. 3 En JAHWEH gaf het volk genade in de ogen van de Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Farao's knechten, en voor de ogen van het volk.) 4 Verder zei Mozes: Zo heeft JAHWEH gezegd: Ongeveer middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte; 5 En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot de eerstgeborene van de dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee. 6 En er zal een groot geschrei zijn in het hele Egypteland, desgelijke nooit geweest is, en desgelijke niet meer wezen zal. 7 Maar bij alle Israëlieten zal niet één hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat u weet, dat JAHWEH tussen de Egyptenaren en tussen de Israëlieten een afzondering maakt. 8 Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, u en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte van de toorn. 9 JAHWEH dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar u niet horen, opdat Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden. 10 En Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao's aangezicht; maar JAHWEH verhardde Farao's hart, dat hij de Israëlieten uit zijn land niet trekken liet. ### Exodus 12 1 JAHWEH nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende: 2 Deze zelfde maand zal u het hoofd van de maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden van het jaar zijn. 3 Spreek tot de hele gemeenschap van Israël, zeggende: Aan de tienden van deze maand neme ieder een lam, naar de huizen van de vaders, een lam voor een huis. 4 Maar als een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn buurman, de naaste aan zijn huis, naar het getal van de zielen, ieder naar dat hij eten kan; u zult rekening maken naar het lam. 5 U zult een volkomen lam hebben, een mannetje, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult u het nemen. 6 En u zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tussen twee avonden. 7 En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan de beide zijposten, en aan de bovendorpel, aan de huizen, waarin zij het eten zullen. 8 En zij zullen het vlees eten in deze nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten. 9 U zult daarvan niet rauw eten, ook in geen geval in water gekookt; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn poten en met zijn binnenste. 10 U zult daarvan ook niet laten overblijven tot de morgen; maar wat daarvan overblijft tot de morgen, zult u met vuur verbranden. 11 Zo nu zult u het eten: uw middel zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en u zult het met haast eten; het is het pascha van JAHWEH. 12 Want Ik zal in deze nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden van de Egyptenaren, Ik, JAHWEH! 13 En dat bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen, waarin u bent; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan; en er zal geen plaag onder u ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal. 14 En deze dag zal u wezen ter herinnering, en u zult hem JAHWEH tot een feest vieren; u zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting. 15 Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten; maar aan de eerste dag zult u het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van de eerste dag af tot op de zevende dag, die ziel zal uitgeroeid worden uit Israël. 16 En op de eerste dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult u een heilige verzameling hebben op de zevende dag; er zal geen werk daarop gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, dat alleen mag van u toegemaakt worden. 17 Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, omdat Ik even aan deze dag uw legers uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult u deze dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting. 18 In de eerste maand, aan de veertiende dag van de maand, in de avond, zult u ongezuurde broden eten, tot de één en twintigste dag van de maand, in de avond. 19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelfde ziel zal uit de gemeenschap van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene van het land. 20 U zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult u ongezuurde broden eten. 21 Mozes dan riep al de oudsten van Israël, en zei tot hen: Lees uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha. 22 Neem dan een bundeltje hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan de bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, dat in het bekken zijn zal; maar wat u betreft, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan de morgen. 23 Want JAHWEH zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; maar wanneer Hij het bloed zien zal aan de bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal JAHWEH de deur voorbijgaan, en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan. 24 Onderhoud dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid. 25 En het zal gebeuren, als u in dat land komt, dat u JAHWEH geven zal, zoals Hij gesproken heeft, zo zult u deze dienst onderhouden. 26 En het zal gebeuren, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt u daar voor een dienst? 27 Zo zult u zeggen: Dit is JAHWEH een paasoffer, Die voor de huizen van de Israëlieten voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaars sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich. 28 En de Israëlieten gingen en deden het, zoals JAHWEH Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij. 29 En het gebeurde om middernacht, dat JAHWEH al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van de eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op de eerstgeborene van de gevangene, die in de gevangenis was, en alle eerstgeborenen van de beesten. 30 En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet één dode was. 31 Toen riep hij Mozes en Aäron in de nacht, en zei: Maak u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo u als de kinderen van Israël; en gaat heen, dient JAHWEH, zoals u gesproken hebt. 32 Neem ook met u uw schapen en uw runderen, zoals u gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. 33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood! 34 En het volk nam zijn deeg op, voordat het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun kleren, op hun schouders. 35 De Israëlieten nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren. 36 Daartoe had JAHWEH het volk genade gegeven in de ogen van de Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. 37 Zo reisden de Israëlieten uit van Rameses naar Sukkoth, ongeveer zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, afgezien van de kinderen. 38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, geheel veel vee. 39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; omdat zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet talmen konden, noch ook tering voor zich bereiden. 40 De tijd nu van de woning, die de Israëlieten in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. 41 En het gebeurde na verloop van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op deze dag gebeurd, dat al de legers van JAHWEH uit Egypteland gegaan zijn. 42 Deze nacht zal men JAHWEH op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht van JAHWEH, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de Israëlieten, onder hun geslachten. 43 Verder zei JAHWEH tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon van een vreemdeling zal daarvan eten. 44 Maar alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat u hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. 45 Geen buitenlander noch huurling zal er van eten. 46 In één huis zal het gegeten worden; u zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en u zult geen been daaraan breken. 47 De hele vergadering van Israël zal het doen. 48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en JAHWEH het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene van het land; maar geen onbesnedene zal daarvan eten. 49 Eén wet zij voor de ingeborene, en de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert. 50 En alle Israëlieten deden het; zoals JAHWEH Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij. 51 En het gebeurde juist op diezelfde dag, dat JAHWEH de Israëlieten uit Egypteland leidde, naar hun legers. ### Exodus 13 1 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de Israëlieten, van mensen en van beesten, dat is van Mij. 3 Verder zei Mozes tot het volk: Gedenk deze zelfde dag, op welke u uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan bent; want JAHWEH heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden. 4 Vandaag gaat u uit, in de maand Abib. 5 En het zal gebeuren, als u JAHWEH zal gebracht hebben in het land van de Kanaänieten, en van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten, dat Hij uw vaders gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honing; zo zult u deze dienst houden in deze maand. 6 Zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag zal JAHWEH een feest zijn. 7 Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw grenzen. 8 En u zult uw zoon te kennen geven op die dag, zeggende: Dit is om wat JAHWEH mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittrok. 9 En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een herinnering tussen uw ogen, opdat de wet van JAHWEH in uw mond zij, omdat u JAHWEH door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft. 10 Daarom onderhoudt deze inzetting op de vastgestelde tijd, van jaar tot jaar. 11 Het zal ook gebeuren, wanneer u JAHWEH in het land van de Kanaänieten zal gebracht hebben, zoals Hij u en uw vaders gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben; 12 Zo zult u tot JAHWEH doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht van de beesten, die u hebben zult; de mannetjes zullen van JAHWEH zijn. 13 Maar al wat de baarmoeder van de ezelin opent, zult u lossen met een lam; wanneer u het nu niet lost, zo zult u het de nek breken; maar alle eerstgeborenen van de mensen onder uw zonen zult u lossen. 14 Wanneer het gebeuren zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat, zo zult u tot hem zeggen: JAHWEH heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd. 15 Want het gebeurde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde JAHWEH alle eerstgeborenen in Egypteland, van de mensen eerstgeborene af, tot de eerstgeborene van de beesten; daarom offer ik JAHWEH de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; maar alle eerstgeborenen van mijn zonen los ik. 16 En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdsbanden tussen uw ogen; want JAHWEH heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd. 17 En het is gebeurd, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land van de Filistijnen, hoewel die nader was; want God zei: Dat het volk er geen spijt van krijgt, als zij de strijd zien zouden, en terugkeren naar Egypte. 18 Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn van de Schelfzee. De Israëlieten nu trokken bij vijven uit Egypteland. 19 En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zware eed de Israëlieten bezworen, zeggende: God zal u voorzeker bezoeken; voer dan mijn beenderen met u op van hier! 20 Zo reisden zij uit Sukkoth; en zij sloegen hun kamp op in Etham, aan het einde van de woestijn. 21 En JAHWEH trok voor hun aangezicht, overdag in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en in de nacht in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. 22 Hij nam de wolkkolom overdag, noch de vuurkolom in de nacht niet weg van het aangezicht van het volk. ### Exodus 14 1 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, dat zij terugkeren, en zich legeren voor Pi-hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baäl-zefon; daar tegenover zult u zich legeren aan de zee. 3 Farao dan zal zeggen van de Israëlieten: Zij zijn verward in het land; de woestijn heeft hen ingesloten. 4 En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn leger verheerlijkt worden, zo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. En zij deden zo. 5 Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden? 6 En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. 7 En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de bevelhebbers over die allen. 8 Want JAHWEH verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de Israëlieten nastreefde; maar de Israëlieten waren door een hoge hand uitgegaan. 9 En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn leger; naast Pi-hachiroth, voor Baäl-zefon. 10 Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de Israëlieten hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars trokken achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH. 11 En zij zeiden tot Mozes: Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte geheel geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? 12 Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het was ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven. 13 Maar Mozes zei tot het volk: Vrees niet, staat vast, en ziet het heil van JAHWEH, dat Hij vandaag aan u doen zal, want de Egyptenaars, die u vandaag gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid. 14 JAHWEH zal voor u strijden, en u zult stil zijn. 15 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Wat roept u tot Mij? Zeg de Israëlieten, dat zij voorttrekken. 16 En u, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelfde, dat de Israëlieten door het midden van de zee gaan op het droge. 17 En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn leger, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. 18 En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiteren. 19 En de Engel van God, Die voor het leger van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. 20 En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren, en tussen het leger van Israël; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de één tot de ander niet naderde de hele nacht. 21 Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed JAHWEH de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die hele nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. 22 En de Israëlieten zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. 23 En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiteren, in het midden van de zee. 24 En het gebeurde in dezelfde morgenwake, dat JAHWEH, in de kolom van het vuur en van de wolk, zag op het leger van de Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaren. 25 En Hij stootte de wielen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want JAHWEH strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. 26 En JAHWEH zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren terugkeren over de Egyptenaars, over hun wagens en over hun ruiters. 27 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weer, tegen het naderen van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en JAHWEH stortte de Egyptenaars in het midden van de zee. 28 Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagens en de ruiters van het hele leger van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over. 29 Maar de Israëlieten gingen op het droge, in het midden van de zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechterhand en aan hun linkerhand. 30 Zo verloste JAHWEH Israël aan die dag uit de hand van de Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee. 31 Ook zag Israël de grote hand, die JAHWEH aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde JAHWEH, en geloofde in JAHWEH, en aan Mozes, Zijn knecht. ### Exodus 15 1 Toen zong Mozes en de Israëlieten JAHWEH dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal JAHWEH zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. 2 JAHWEH is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is van mijn vader God, daarom zal ik Hem verheffen! 3 JAHWEH is een soldaat; JAHWEH is Zijn Naam! 4 Hij heeft Farao's wagens en zijn leger in de zee geworpen; en de besten van zijn bevelhebbers zijn verdronken in de Schelfzee. 5 De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen. 6 O JAHWEH! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o JAHWEH! heeft de vijand verbroken! 7 En door Uw grote hoogheid hebt U, die tegen U opstonden, omgeworpen; U hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. 8 En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als één hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart van de zee. 9 De vijand zei: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal de buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien. 10 U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren! 11 O JAHWEH! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? 12 U hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden! 13 U leidde door Uw goedertierenheid dit volk, dat U verlost hebt; U voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning van Uw heiligheid. 14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; smart heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. 15 Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen van de Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten! 16 Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, JAHWEH! heen doorkome; totdat dit volk heen doorkome, dat U verworven hebt. 17 Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, die U, o JAHWEH! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o JAHWEH! 18 JAHWEH zal in eeuwigheid en steeds regeren! 19 Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en JAHWEH heeft de wateren van de zee over hen doen terugkeren; maar de Israëlieten zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. 20 En Mirjam, de profetes, Aärons zus, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien. 21 Toen antwoordde Mirjam hun: Zing JAHWEH; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! 22 Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. 23 Toen kwamen zij te Mara; maar zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd van die naam genoemd Mara. 24 Toen morde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 25 Hij dan riep tot JAHWEH; en JAHWEH wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Daar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en daar verzocht Hij hetzelfde, 26 En zei: Is het, dat u met ernst naar de stem van JAHWEH van uw God horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn voorschriften; zo zal Ik geen van de ziekten op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben JAHWEH, uw Heelmeester! 27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij sloegen hun kamp op daar aan de wateren. ### Exodus 16 1 Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de hele gemeenschap van de Israëlieten in de woestijn Sin, die is tussen Elim en tussen Sinaï, aan de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. 2 En de hele gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. 3 En de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand van JAHWEH, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want u hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze hele gemeente door de honger te doden. 4 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet. 5 En het zal gebeuren op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven wat zij dagelijks zullen verzamelen. 6 Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de Israëlieten: Aan de avond, dan zult u weten, dat u JAHWEH uit Egypteland uitgeleid heeft; 7 En morgen, dan zult u de heerlijkheid van JAHWEH zien, omdat Hij uw geklaag tegen JAHWEH gehoord heeft; want wat zijn wij, dat u tegen ons mort? 8 Verder zei Mozes: Als JAHWEH u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat JAHWEH uw geklaag gehoord heeft, die u tegen Hem mort; want wat zijn wij? Uw geklaag zijn niet tegen ons, maar tegen JAHWEH. 9 Daarna zei Mozes tot Aäron: Zeg tot de hele gemeenschap van de Israëlieten: Nader voor het aangezicht van JAHWEH, want Hij heeft uw geklaag gehoord. 10 En het gebeurde, als Aäron tot de hele gemeenschap van de Israëlieten sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid van JAHWEH verscheen in de wolk. 11 Ook heeft JAHWEH tot Mozes gesproken, zeggende: 12 Ik heb het geklaag van de Israëlieten gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult u vlees eten, en aan de morgen zult u met brood verzadigd worden; en u zult weten, dat Ik JAHWEH uw God ben. 13 En het gebeurde aan de avond, dat er kwartels opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger. 14 Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. 15 Toen het de Israëlieten zagen, zo zeiden zij, de één tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zei tot hen: Dit is het brood, dat JAHWEH u te eten gegeven heeft. 16 Dit is het woord, dat JAHWEH geboden heeft: Verzamel daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn. 17 En de Israëlieten deden zo, en verzamelden, de één veel en de ander weinig. 18 Maar als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en die, die weinig verzameld had, ontbrak niet; ieder verzamelde zoveel, als hij eten mocht. 19 En Mozes zei tot hen: Niemand late daarvan over tot de morgen. 20 Maar zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot de morgen. Toen groeiden er wormen in, en het werd stinkende; daarom werd Mozes zeer boos op hen. 21 Zij nu verzamelden het elke morgen, ieder naardat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo versmolt het. 22 En het gebeurde op de zesde dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten van de vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes. 23 Hij dan zei tot hen: Dit is het, dat JAHWEH gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat van JAHWEH! wat u bakken zou, bakt dat, en kook, wat u koken zou; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot de morgen. 24 En zij leiden het op tot de morgen, zoals Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in. 25 Toen zei Mozes: Eet dat vandaag, want het is vandaag de sabbat van JAHWEH; u zult het vandaag op het veld niet vinden. 26 Zes dagen zult u het verzamelen; maar op de zevende dag is het sabbat, daarop zal het niet zijn. 27 En het gebeurde aan de zevende dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; maar zij vonden niet. 28 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Hoe lang weigert u te houden Mijn geboden en Mijn wetten? 29 Zie, omdat JAHWEH u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan de zesde dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op de zevende dag! 30 Zo rustte het volk op de zevende dag. 31 En het huis van Israël noemde zijn naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken. 32 Verder zei Mozes: Dit is het woord, dat JAHWEH bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw generaties, opdat zij zien het brood, dat Ik u heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde. 33 Ook zei Mozes tot Aäron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht van JAHWEH, tot bewaring voor uw generaties. 34 Zoals JAHWEH aan Mozes geboden had, zo zette ze Aäron voor de getuigenis tot bewaring. 35 En de Israëlieten aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de grens van het land Kanaän. 36 Een gomer nu is het tiende deel van een efa. ### Exodus 17 1 Daarna trok de hele gemeenschap van de Israëlieten, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel van JAHWEH, en zij sloegen hun kamp op te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. 2 Toen twistte het volk met Mozes, en zei: Geef u ons water, dat wij drinken! Mozes dan zei tot hen: Wat twist u met mij? Waarom verzoekt u JAHWEH? 3 Toen nu het volk daar dorstte naar water, zo morde het volk tegen Mozes, en het zei: Waartoe hebt u ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat u mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deedt sterven? 4 Zo riep Mozes tot JAHWEH, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er faalt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. 5 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee u de rivier sloegt, en ga heen. 6 Zie, Ik zal daar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en u zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed zo voor de ogen van de oudsten van Israël. 7 En hij noemde de naam van die plaats Massa en Meriba, om de twist van de Israëlieten, en omdat zij JAHWEH verzocht hadden, zeggende: Is JAHWEH in het midden van ons, of niet? 8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. 9 Mozes dan zei tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn. 10 Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte van de heuvel. 11 En het gebeurde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand neerliet, zo was Amalek de sterkste. 12 Maar de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de één op deze, de ander op de andere zijde; zo waren zijn handen vast, totdat de zon onderging. 13 Zo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte van het zwaard. 14 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Schrijf dit ter herinnering in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de herinnering van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. 15 En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde zijn naam: JAHWEH is mijn Banier! 16 En hij zei: Omdat de hand op de troon van JAHWEH is, zo zal de oorlog van JAHWEH tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht! ### Exodus 18 1 Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had: dat JAHWEH Israël uit Egypte uitgevoerd had; 2 Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had), 3 Met haar twee zonen, van wie de ene naam Gersom was (want hij zei: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land); 4 En de naam van de anderen was Eliëzer, want, zei hij, de God van mijn vader is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard. 5 Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan de berg van God, waar hij zich gelegerd had, 6 Zo zei hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar. 7 Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de één de ander naar de welstand, en zij gingen naar de tent. 8 En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat JAHWEH aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op die weg ontmoet was, en dat hen JAHWEH verlost had. 9 Jethro nu verheugde zich over al het goede, dat JAHWEH Israël gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand van de Egyptenaren. 10 En Jethro zei: Gezegend zij JAHWEH, Die u verlost heeft uit de hand van de Egyptenaren, en uit Farao's hand; Die dit volk van onder de hand van de Egyptenaren verlost heeft! 11 Nu weet ik, dat JAHWEH groter is dan alle goden; want in de zaak, waarin zij overmoedig gehandeld hebben, was Hij boven hen. 12 Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, voor God brandoffer en slachtoffers; en Aäron kwam, en al de oversten van Israël, om brood te eten met de schoonvader van Mozes, voor het aangezicht van God. 13 Maar het gebeurde op de andere dag, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van de morgen tot de avond. 14 Als de schoonvader van Mozes alles zag, wat hij het volk deed, zo zei hij: Wat ding is dit, dat u het volk doet? Waarom zit u zelf alleen, en al het volk staat voor u, van de morgen tot de avond? 15 Toen zei Mozes tot zijn schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God raad te vragen. 16 Wanneer zij een zaak hebben, zo komt het tot mij, dat ik richte tussen de man en tussen zijn naaste; en dat ik hun bekend make Gods instellingen en Zijn wetten. 17 Maar de schoonvader van Mozes zei tot hem: De zaak is niet goed, die u doet. 18 U zult geheel vervallen, zo u, als dit volk, dat bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, u alleen kunt het niet doen. 19 Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees u voor het volk bij God, en breng u de zaken voor God; 20 En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend de weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen. 21 Maar zie u om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, oversten van de tienen. 22 Dat zij dit volk altijd richten; maar het gebeure, dat zij alle grote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht zo uzelf, en laat hen met u dragen. 23 Als u deze zaak doet, en God het u gebiedt, zo zult u kunnen bestaan; zo zal ook al dit volk in vrede aan zijn plaats komen. 24 Mozes nu hoorde naar de stem van zijn schoonvader, en hij deed alles, wat hij gezegd had. 25 En Mozes verkoos kloeke mannen, uit geheel Israël, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten van de duizenden, oversten van de honderden, oversten van de vijftigen, en oversten van de tienen; 26 Dat zij altijd over het volk rechtspraken, de moeilijke zaken tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten. 27 Toen liet Mozes zijn schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land. ### Exodus 19 1 In de derde maand, na het uittrekken van de Israëlieten uit Egypteland, op diezelfde dag kwamen zij in de woestijn Sinaï. 2 Want zij trokken uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij sloegen hun kamp op in de woestijn. Israël sloeg zijn kamp op daar tegenover die berg. 3 En Mozes klom op tot God. En JAHWEH riep tot hem van de berg, zeggende: Zo zult u tot het huis van Jakob spreken, en de Israëlieten verkondigen: 4 U hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugels van de adelaars gedragen, en u tot Mij gebracht heb. 5 Nu dan, als u ijverig Mijn stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult u Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de hele aarde is van Mij; 6 En u zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die u tot de Israëlieten spreken zult. 7 En Mozes kwam en riep de oudsten van het volk, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die JAHWEH hem geboden had. 8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zei: Al wat JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot JAHWEH. 9 En JAHWEH zei tegen Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dichte wolk, zodat het volk het hoort wanneer Ik met u spreek, en dat zij ook voor altijd in u geloven. Want Mozes had JAHWEH de woorden van het volk bekendgemaakt. 10 Ook zei JAHWEH tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen vandaag en morgen, en dat zij hun kleren wassen, 11 En bereid zijn tegen de derde dag; want op de derde dag zal JAHWEH voor de ogen van al het volk afkomen, op de berg Sinaï. 12 En stel voor het volk rondom een grens, zeggende: Pas op dat u niet de berg op klimt, en zijn einde aan te roeren; al wie de berg aanroert, zal zeker gedood worden. 13 Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zeker gestenigd, of zeker doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op de berg klimmen. 14 Toen ging Mozes van de berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wasten hun kleren. 15 En hij zei tot het volk: Wees gereed tegen de derde dag, en nadert niet tot de vrouw. 16 En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen was, dat er op de berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid van een zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was. 17 En Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet; en zij stonden aan het onderste van de berg. 18 En de hele berg Sinaï rookte, omdat JAHWEH daarop neerkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de hele berg beefde zeer. 19 Toen het geluid van de bazuin gaande was en steeds sterker werd, sprak Mozes, en God antwoordde hem met een stem. 20 Als JAHWEH neergekomen was op de berg Sinaï, op de spits van de berg, zo riep JAHWEH Mozes op de spits van de berg; en Mozes klom op. 21 En JAHWEH zei tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot JAHWEH, om te zien, en velen van hen vallen. 22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot JAHWEH naderen, zich heiligen, dat JAHWEH niet tegen hen uitbreke. 23 Toen zei Mozes tot JAHWEH: Het volk zal op de berg Sinaï niet kunnen klimmen, want U hebt ons betuigd, zeggende: Voorzie de berg van grenspalen, en heilig hem. 24 JAHWEH dan zei tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult u, en Aäron met u, opklimmen; maar dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot JAHWEH, dat Hij tegen hen niet uitbreke. 25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zei het hun aan. ### Exodus 20 1 Toen sprak God al deze woorden, zeggende: 2 Ik ben JAHWEH uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. 3 U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 U zult u geen gesneden beeld, noch enige afbeelding maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, JAHWEH uw God, ben een jaloers God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde geslacht van degenen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 7 U zult de naam van JAHWEH van uw God niet zinloos gebruiken; want JAHWEH zal niet onschuldig houden, die Zijn naam zinloos gebruikt. 8 Gedenk de sabbatdag, dat u die heiligt. 9 Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, 10 Maar de zevende dag is de sabbat van JAHWEH van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; 11 Want in zes dagen heeft JAHWEH de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende JAHWEH de sabbatdag, en heiligde dezelfde. 12 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat JAHWEH, uw God, u geeft. 13 U zult niet doodslaan. 14 U zult niet echtbreken. 15 U zult niet stelen. 16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 U zult niet begeren het huis van uw naaste; u zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is. 18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid van de bazuin, en de rokenden berg; toen het volk dat zag, weken zij af, en stonden van verre; 19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek u met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! 20 En Mozes zei tot het volk: Vrees niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vrees voor uw aangezicht zou zijn, dat u niet zondigde. 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was. 22 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Zo zult u tot de Israëlieten zeggen: U hebt gezien, dat Ik met u van de hemel gesproken heb. 23 U zult naast Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult u zich niet maken. 24 Maak Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandoffers, en uw dankoffers, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik een herinnering aan Mijn Naam stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen. 25 Maar als u Mij een stenen altaar zult maken, zo zult u dit niet bouwen van gehouwen steen; zo u uw houwijzer daarover verheft, zo zult u het ontheiligen. 26 U zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelfde niet ontbloot wordt. ### Exodus 21 1 Dit nu zijn de rechten, die u hun zult voorstellen. 2 Als u een Hebreeuwse knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet. 3 Als hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; als hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan. 4 Als hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochters gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen van haar heer zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan. 5 Maar als de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan; 6 Zo zal hem zijn heer tot de rechters brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan de post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen. 7 Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, zoals de knechten uitgaan. 8 Als zij kwalijk bevalt in de ogen van haar heer, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo moet hij haar laten vrijkopen; aan een vreemd volk haar te verkopen is hem niet toegestaan, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft. 9 Maar als hij haar aan zijn zoon ondertrouwt, zo zal hij met haar doen naar het recht van de dochters. 10 Als hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar voedsel, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken. 11 En als hij haar deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld. 12 Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zeker gedood worden. 13 Maar die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij heen vlucht. 14 Maar als iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult u dezelfde van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve. 15 Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zeker gedood worden. 16 Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zeker gedood worden. 17 Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zeker gedood worden. 18 En wanneer mannen twisten, en de één slaat de ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde; 19 Als hij weer opstaat, en op straat gaat bij zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn; alleen zal hij geven wat hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomen laten helen. 20 Wanneer ook iemand zijn dienaar of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zeker gewroken worden. 21 Zo hij toch een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld. 22 Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, maar geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zeker gestraft worden, zoals hem de man van de vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters. 23 Maar als er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult u geven ziel voor ziel, 24 Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. 25 Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil. 26 Wanneer ook iemand het oog van zijn dienaar, of het oog van zijn dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog. 27 En als hij een tand van zijn dienaar, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn tand. 28 En wanneer een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os zeker gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van de os zal onschuldig zijn. 29 Maar als de os te voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden. 30 Als hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot losprijs van zijn ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden; 31 Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden. 32 Als de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden. 33 En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin; 34 De heer van de kuil zal het vergelden; hij zal aan de heer daarvan het geld terugkeren; maar het dode zal van hem wezen. 35 Wanneer nu iemands os de os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men de levende os verkopen, en het geld daarvan half en half delen, en de dode zal men ook half en half delen. 36 Of is het bekend geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij in alle manier os voor os vergelden; maar de dode zal van hem wezen. ### Exodus 22 1 Wanneer iemand een os, of klein vee steelt, en slacht het, of verkoopt het, die zal vijf runderen voor een os wedergeven, en vier schapen voor een stuk klein vee. 2 Als een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt geslagen, dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn. 3 Als de zon over hem opgegaan is, zo zal het hem een bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven; heeft hij niet, zo zal hij verkocht worden voor zijn dieverij. 4 Als de diefstal levend in zijn hand voorzeker gevonden wordt, hetzij os, of ezel, of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven. 5 Wanneer iemand een veld, of een wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in van een ander veld weidt, die zal het van het beste van zijn veld en van het beste van zijn wijngaard wedergeven. 6 Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koren, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven. 7 Wanneer iemand zijn naaste geld of voorwerpen te bewaren geeft, en het wordt uit het huis van die man gestolen; als de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven. 8 Als de dief niet gevonden wordt, zo zal de heer van het huis tot de rechters gebracht worden, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste gelegd heeft. 9 Over alle zaak van onrecht, over een os, over een ezel, over klein vee, over kleding, over al het verlorene, dat iemand zegt, dat het zijn is, beider zaak zal voor de rechters komen; wie de rechters verwijzen, die zal het aan zijn naaste dubbel wedergeven. 10 Wanneer iemand aan zijn naaste een ezel, of os, of klein vee, of enig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt verzeerd, of weggedreven, dat het niemand ziet; 11 Zo zal de eed van JAHWEH tussen hen beiden zijn, of hij niet zijn hand aan de bezittingen van zijn naaste geslagen heeft; en de eigenaar zal dat aannemen; en hij zal het niet wedergeven. 12 Maar als het van hem zeker gestolen is, hij zal het zijn heer wedergeven. 13 Is het zeker verscheurd, dat hij het brenge tot getuige, zo zal hij het verscheurde niet wedergeven. 14 En wanneer iemand van zijn naaste wat begeert, en het wordt beschadigd, of het sterft; zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven. 15 Als zijn heer daarbij geweest is, hij zal het niet wedergeven; als het gehuurd is, zo is het voor zijn huur gekomen. 16 Wanneer nu iemand een maagd verlokt, die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel een bruidschat geven, dat zij hem zijn vrouw wordt. 17 Als haar vader geheel weigert haar aan hem te geven, zo zal hij geld geven naar de bruidschat van de maagden. 18 De toveres zult u niet laten leven. 19 Al wie bij een beest ligt, die zal zeker gedood worden. 20 Wie de goden offert, behalve JAHWEH alleen, die zal verbannen worden. 21 U zult ook de vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. 22 U zult geen weduwe noch wees beledigen. 23 Als u hen enigszins beledigt, en als zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zeker verhoren; 24 En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal u met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden. 25 Als u Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult u tegen hetzelfde niet zijn, als een woekeraar; u zult op hetzelfde geen rente leggen. 26 Als u enigszins van uw naasten kleed te pand neemt, zo zult u het hem wedergeven, voordat de zon ondergaat; 27 Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan gebeuren, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig! 28 De rechters zult u niet vloeken, en de oversten in uw volk zult u niet lasteren. 29 Uw volheid en uw tranen zult u niet uitstellen; de eerstgeborene van uw zonen zult u Mij geven. 30 Evenzo zult u doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op de achtste dag zult u ze Mij geven. 31 U nu zult Mij heilige mensen zijn; daarom zult u geen vlees eten, dat op het veld gescheurd is, u zult het de hond voorwerpen. ### Exodus 23 1 U zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn. 2 U zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en u zult niet spreken in een rechtszaak, dat u zich neigt naar de menigte, om het recht te buigen. 3 Ook zult u de geringe niet voortrekken en zijn rechtszaak. 4 Wanneer u van uw vijand os, of zijn dwalende ezel, ontmoet, u zult hem dezelfde geheel teruggeven. 5 Wanneer u de ezel van uw hater onder zijn last ziet liggen, zult u dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? U zult het in alle manier met hem verlaten. 6 U zult het recht van uw armen niet buigen in zijn rechtszaak. 7 Wees verre van valse zaken; en de onschuldige en gerechtige zult u niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen. 8 Ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak van de rechtvaardigen. 9 U zult ook de vreemdeling niet onderdrukken; want u kent het gemoed van de vreemdeling, omdat u vreemdelingen geweest bent in Egypteland. 10 U zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijn inkomst verzamelen; 11 Maar in het zevende zult u het rusten en stil liggen laten, dat de armen van uw volk mogen eten, en het overige daarvan de beesten van het veld eten mogen; zo zult u ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen. 12 Zes dagen zult u uw werken doen; maar op de zevende dag zult u rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon van uw dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe. 13 In alles, wat Ik tot u gezegd heb, zult u op uw hoede zijn; en de naam van andere goden zult u niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden! 14 Drie reizen in het jaar zult u Mij feest houden. 15 Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten (zoals Ik u geboden heb), op de vastgestelde tijd in de maand Abib, want daarin bent u uit Egypte getogen; maar men zal niet leeg voor Mijn aangezicht verschijnen. 16 En het feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw arbeid, die u op het veld gezaaid zult hebben. En het feest van de inzameling, op de uitgang van het jaar, wanneer u uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben. 17 Drie malen van het jaar zullen al uw mannen voor het aangezicht van de Heere JAHWEH verschijnen. 18 U zult het bloed van Mijn offer met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette van Mijn feest tot op de morgen niet overnachten. 19 De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van JAHWEH van uw God brengen. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 20 Zie, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb. 21 Hoed u voor Zijn aangezicht, en wees van Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal uw overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem. 22 Maar zo u Zijn stem ijverig gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik van uw vijanden vijand, en uw tegenstanders tegenstander zijn. 23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen vernietigen. 24 U zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult u naar hun werken niet doen; maar u zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden geheel vermorzelen. 25 En u zult JAHWEH uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de ziekten uit het midden van u weren. 26 Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal van uw dagen vervullen. 27 Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot dat u komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u de nek toekeren. 28 Ik zal ook horzels voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten. 29 Ik zal hen in één jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest wordt, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd wordt. 30 Ik zal hen langzamerhand van uw aangezicht uitstoten, totdat u gewassen bent en het land erft. 31 En Ik zal uw gebied zetten van de zee Suf tot aan de zee van de Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat u hen voor uw aangezicht uitstoot. 32 U zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken. 33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; als u hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn. ### Exodus 24 1 Daarna zei Hij tot Mozes: Klim op tot JAHWEH, u en Aäron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neer van verre! 2 En dat Mozes alleen zich nadere tot JAHWEH, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem. 3 Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden van JAHWEH, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met één stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen. 4 Mozes nu beschreef al de woorden van JAHWEH, en hij maakte zich 's morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. 5 En hij zond de jongemannen van de Israëlieten, die brandoffers offerden, en JAHWEH dankoffers offerden, van jonge ossen. 6 En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar. 7 En hij nam het boek van het verbond, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat JAHWEH gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. 8 Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zei: Zie, dit is het bloed van het verbond, dat JAHWEH met u gemaakt heeft over al die woorden. 9 Mozes nu en Aäron klommen omhoog, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israël. 10 En zij zagen de God van Israël, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte van de hemel in Zijn klaarheid. 11 Maar Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de Israëlieten; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden. 12 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Kom tot Mij op de berg, en wees daar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen. 13 Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op de berg van God. 14 En hij zei tot de oudsten: Blijf u ons hier, totdat wij weer tot u komen; en ziet, Aäron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal daartoe komen. 15 Toen Mozes op de berg geklommen was, zo heeft een wolk de berg bedekt. 16 En de heerlijkheid van JAHWEH woonde op de berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op de zevende dag riep Hij Mozes uit het midden van de wolk. 17 En het aanzien van de heerlijkheid van JAHWEH was als een verterend vuur, op de top van die berg, in de ogen van de Israëlieten. 18 En Mozes ging in het midden van de wolk, nadat hij op de berg geklommen was; en Mozes was op die berg veertig dagen en veertig nachten. ### Exodus 25 1 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult u Mijn hefoffer nemen. 3 Dit nu is het hefoffer, dat u van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper; 4 Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar. 5 En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen; en sittimhout; 6 Olie voor het licht, specerijen ter zalfolie, en tot roking geurende specerijen; 7 Sardonixstenen, en vervullende stenen tot de efod, en tot de borstlap. 8 En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen woon. 9 Naar al wat Ik u tot een voorbeeld van deze tabernakels, en een voorbeeld van al zijn gereedschap wijzen zal, even zo zult u dat maken. 10 Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. 11 En u zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult u ze overtrekken; en u zult daarop een gouden krans maken rondom heen. 12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan haar vier hoeken, zo dat twee ringen op de ene zijde daarvan zijn, en twee ringen op haar andere zijde. 13 En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud. 14 En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde van de ark zijn, dat men de ark daarmee drage. 15 De draagbomen zullen in de ringen van de ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden. 16 Daarna zult u in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal. 17 U zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal zijn lengte zijn, en anderhalve el zijn breedte. 18 U zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult u ze maken, uit de beide einden van het verzoendeksel. 19 En maak u één cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel zult u de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelfde. 20 En de cherubim zullen hun beide vleugels omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkaar zijn; de aangezichten van de cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn. 21 En u zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat u in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben. 22 En daar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark van het getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de Israëlieten. 23 U zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn. 24 En u zult ze met louter goud overtrekken; u zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen. 25 U zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en u zult een gouden krans rondom van die lijst maken. 26 Ook zult u vier gouden ringen daaraan maken; en u zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan van die vier voeten zijn zullen. 27 Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen. 28 Deze handbomen nu zult u van sittimhout maken, en u zult dezelfde met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden. 29 U zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult u ze maken. 30 En u zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen. 31 U zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn. 32 En zes armen zullen uit zijn zijden uitgaan; drie armen van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere zijde. 33 In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn, zoals amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, zoals amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; zo zullen die zes armen zijn, die uit de kandelaar gaan. 34 Maar aan de kandelaar zelf zullen vier schaaltjes zijn, zoals amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen. 35 En daar zal een knoop zijn onder twee armen, daaruit uitgaande; ook een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; nog een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; zo zal het zijn met de zes armen, die uit de kandelaar uitgaan. 36 Hun knopen en hun armen zullen uit hem zijn; het zal allemaal een enig dicht werk van louter goud zijn. 37 U zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden. 38 Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn. 39 Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap. 40 Zie dan toe, dat u het maakt naar hun voorbeeld, dat u op de berg getoond is. ### Exodus 26 1 De tabernakel nu zult u maken van tien tentkleden, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult u ze maken. 2 De lengte van een tentkleed zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte van een tentkleed van vier ellen; al deze tentkleden zullen één maat hebben. 3 Er zullen vijf tentkleden samengevoegd zijn, de één aan de andere; opnieuw zullen er vijf tentkleden samengevoegd zijn, de één aan de andere. 4 En u zult hemelsblauwe lussen maken aan de kant van het ene tentkleed, aan het uiterste, in de samenvoeging; zo zult u ook doen aan de uitersten kant van het tentkleed, aan de tweede samenvoegende. 5 Vijftig lussen zult u aan het ene tentkleed maken, en vijftig lussen zult u maken aan het uiterste van het tentkleed, dat aan de tweede samenvoegende is; deze lussen zullen het ene aan het andere samenvatten. 6 U zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de tentkleden samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het één tabernakel zij. 7 Ook zult u tentkleden uit geitenhaar maken tot een tent over de tabernakel; van elf tentkleden zult u die maken. 8 De lengte van een tentkleed zal dertig ellen zijn, en de breedte van een tentkleed vier ellen; deze elf tentkleden zullen één maat hebben. 9 En u zult vijf van deze tentkleden aan elkaar bijzonder voegen, en zes van deze tentkleden bijzonder; en de zesde van deze tentkleden zult u dubbel maken, recht voorop de tent. 10 En u zult vijftig lussen maken aan de kant van het ene tentkleed, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig lussen aan de kant van het tentkleed, dat de tweede samenvoegende is. 11 U zult ook vijftig koperen haakjes maken, en u zult de haakjes in de lussen doen, en u zult de tent samenvoegen, dat zij één zij. 12 Het overige nu, dat overschiet aan de tentkleden van de tent, de helft van het tentkleed, dat overschiet, zal overhangen, aan de achterste delen van de tabernakel. 13 En een el van deze, en een el van de andere zijde van wat, dat overig zijn zal aan de lengte van de tentkleden van de tent, zal overhangen aan de zijden van de tabernakel, aan deze en aan de andere zijde, om die te bedekken. 14 U zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen. 15 U zult ook tot de tabernakel staande planken maken, van sittimhout. 16 De lengte van een plank zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk plank zijn. 17 Twee houvasten zal een plank hebben, als sporten in een ladder gezet, het ene naast het andere; zo zult u het met al de planken van de tabernakel maken. 18 En de planken tot de tabernakel zult u zo maken: twintig planken naar de zuidzijde naar het zuiden. 19 U zult ook veertig zilveren voetstukken maken onder de twintig planken; twee voetstukken onder een plank, aan zijn twee houvasten, en twee voetstukken onder een ander plank, aan zijn twee houvasten. 20 Er zullen ook twintig planken zijn aan de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde, 21 Met hun veertig zilveren voetstukken; twee voetstukken onder een plank, en twee voetstukken onder een ander plank. 22 Maar aan de zijde van de tabernakel tegen het westen zult u zes planken maken. 23 Ook zult u twee planken maken tot de hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden. 24 En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde dezelfde samengevoegd zijn, met één ring; zo zal het met de twee planken zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn. 25 Zo zullen de acht planken zijn met hun zilveren voetstukken, zijnde zestien voetstukken; twee voetstukken onder een plank, opnieuw twee voetstukken onder een plank. 26 U zult ook dwarsbalken maken van sittimhout; vijf aan de planken van de ene zijde van de tabernakel; 27 En vijf dwarsbalken aan de planken van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf dwarsbalken aan de planken van de zijde van de tabernakel, aan de beide zijden naar het westen. 28 En de middelste dwarsbalk zal midden aan de planken zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde. 29 En u zult de planken met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor de dwarsbalken) zult u van goud maken; de dwarsbalken zult u ook met goud overtrekken. 30 Dan zult u de tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op de berg getoond is. 31 Daarna zult u een voorhangsel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men die maken, met cherubim. 32 En u zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voetstukken. 33 En u zult het voorhangsel onder de haakjes hangen, en u zult de ark van het getuigenis daar binnen het voorhangsel brengen; en dit voorhangsel zal u een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige van de heiligen. 34 En u zult het verzoendeksel zetten op de ark van het getuigenis, in het heilige van de heiligen. 35 De tafel nu zult u zetten buiten het voorhangsel, en de kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde van de tabernakel, naar het zuiden; maar de tafel zult u zetten aan de noordzijde. 36 U zult ook aan de deur van de tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk. 37 En u zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en u zult hun vijf koperen voetstukken gieten. ### Exodus 27 1 U zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte. 2 En u zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn, en u zult het met koper overtrekken. 3 U zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn scheppen, en zijn besprengbekkens, en zijn vleeshaken, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult u van koper maken. 4 U zult het een rooster maken van koperen netwerk; en u zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden. 5 En u zult het onder de omloop van het altaar van beneden opleggen, zo dat het net tot het midden van het altaar zij. 6 U zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en u zult ze met koper overtrekken. 7 En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, zo dat de handbomen zijn aan beide zijden van het altaar, als men het draagt. 8 U zult hetzelfde hol van planken maken; zoals Hij u op de berg gewezen heeft, zo zullen zij doen. 9 U zult ook de voorhof van de tabernakel maken; aan de zuidhoek naar het zuiden, zullen aan de voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte van een zijde zal honderd ellen zijn. 10 Ook zullen zijn twintig pilaren, en van die twintig voetstukken, van koper zijn; de haken van deze pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn. 11 Zo zullen ook aan de noordzijde, in de lengte, de kleden honderd ellen lang zijn; en zijn twintig pilaren, en van die twintig voetstukken, van koper; de haken van de pilaren, en van die banden zullen van zilver zijn. 12 En in de breedte van de voorhof, aan de westzijde, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hun pilaren tien, en van die voetstukken tien. 13 Van gelijken zal de breedte van de voorhof, aan de oostzijde naar het oosten, van vijftig ellen zijn. 14 Zo dat er vijftien ellen van de behangselen op de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voetstukken drie; 15 En vijftien ellen van de behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voetstukken drie. 16 In de poort nu van de voorhof zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voetstukken vier. 17 Al de pilaren van de voorhof zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voetstukken zullen van koper zijn. 18 De lengte van de voorhof zal honderd ellen zijn, en de breedte doorgaans vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hun voetstukken zullen van koper zijn. 19 Aangaande al het gereedschap van de tabernakel, in al zijn dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen van de voorhof, zullen van koper zijn. 20 U nu zult de Israëlieten gebieden, dat zij tot u brengen zuivere olie van olijven, gestoten voor het licht, dat men steeds de lampen aansteke. 21 In de tent van de samenkomst, van buiten het voorhangsel, dat voor de getuigenis is, zal ze Aäron en zijn zonen toerichten, van de avond tot de morgen, voor het aangezicht van JAHWEH; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun generaties, vanwege de Israëlieten. ### Exodus 28 1 Daarna zult u uw broer Aäron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden van de Israëlieten, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aäron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron. 2 En u zult voor uw broer Aäron heilige kleren maken, tot heerlijkheid en tot sieraad. 3 U zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest van de wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aäron kleren maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. 4 Dit nu zijn de kleren, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een tulband en een gordel; zij zullen dan voor uw broer Aäron heilige kleren maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen. 5 Zij zullen ook het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen; 6 En zullen de efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk. 7 Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmee hij samengevoegd zal worden. 8 En de kunstige riem van zijn efod, die op hem is, zal zijn zoals zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. 9 En u zult twee sardonixstenen nemen, en de namen van de zonen van Israël daarop graveren. 10 Zes van hun namen op één steen, en de zes overige namen op de anderen steen, naar hun geboortevolgorde; 11 Naar steensnijderswerk, zoals men de zegelen graveert, zult u deze twee stenen graveren, met de namen van de zonen van Israël; u zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes. 12 En u zult de twee stenen aan de schouderbanden van de efod zetten, zijnde stenen ter herinnering voor de Israëlieten; en Aäron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter herinnering, voor het aangezicht van JAHWEH. 13 U zult ook gouden kastjes maken, 14 En twee kettinkjes van louter goud; zoals-eindigende zult u die maken, gedraaid werk; en de gedraaide kettinkjes zult u aan de kastjes hechten. 15 U zult ook een borstlap van het gericht maken, van het allerkunstelijkste werk, zoals het werk van de efod zult u hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult u hem maken. 16 Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte. 17 En u zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, één rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij. 18 En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant. 19 En de derde rij, een Hyacint, Agaat en Amethist. 20 En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen. 21 En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen van de zonen van Israël, met hun namen; zij zullen als zegels gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn. 22 U zult ook aan de borstlap zoals-eindigende kettinkjes van gedraaid werk uit louter goud maken. 23 U zult ook aan de borstlap twee gouden ringen maken; en u zult de twee ringen aan de twee einden van de borstlap zetten. 24 Dan zult u de twee gedraaide gouden kettinkjes in de twee ringen doen, aan de einden van de borstlap. 25 Maar de twee einden van de twee gedraaide kettinkjes zult u aan die twee kastjes doen; en u zult ze zetten aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die. 26 U zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden van de borstlap zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van de efod zijn zal. 27 Nog zult u twee gouden ringen maken, die u zetten zult aan de twee schouderbanden van de efod, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijn verbinding, boven de kunstige riem van de efod. 28 En zij zullen de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod omhoog binden, met een hemelsblauw snoer, dat hij op de kunstige riem van de efod zij; en de borstlap zal van de efod niet afgescheiden worden. 29 Zo zal Aäron de namen van de zonen van Israël dragen aan de borstlap van het gericht, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter herinnering voor het aangezicht van JAHWEH steeds. 30 U zult ook in de borstlap van het gericht de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aäron zijn, als hij voor het aangezicht van JAHWEH ingaan zal; zo zal Aäron dat gericht van de Israëlieten steeds op zijn hart dragen, voor het aangezicht van JAHWEH. 31 U zult ook de mantel van de efod geheel van hemelsblauw maken. 32 En het hoofdgat dezelfde zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk; als het gat van een pantser zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd wordt. 33 En aan zijn zomen zult u granaatappels maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijn zomen rondom, en gouden belletjes rondom daartussen. 34 Dat er een gouden belletje, daarna een granaatappel zij; opnieuw een gouden belletje, en een granaatappel, aan de zomen van de mantel rondom. 35 En Aäron zal dezelfde aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord wordt, als hij in het heilige, voor het aangezicht van JAHWEH, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve. 36 Verder zult u een plaat maken van louter goud, en u zult daarin graveren, zoals men de zegelen graveert: De HEILIGHEID VAN JAHWEH! 37 En u zult die aanhechten met een hemelsblauw snoer, zo dat zij aan de tulband zij; aan de voorste zijde van de tulband zal zij zijn. 38 En zij zal op het voorhoofd van Aäron zijn, opdat Aäron drage de ongerechtigheid van de heilige dingen, die de Israëlieten zullen geheiligd hebben, in alle gaven van hun geheiligde dingen; en zij zal steeds aan zijn voorhoofd zijn, om hen voor het aangezicht van JAHWEH aangenaam te maken. 39 U zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; u zult ook de tulband van fijn linnen maken; maar de gordel zult u van geborduurd werk maken. 40 Voor de zonen van Aäron zult u ook onderkleding maken, en u zult voor hen gordels maken; ook zult u voor hen hoofddoeken maken, tot heerlijkheid en sieraad. 41 En u zult die uw broer Aäron en ook zijn zonen aantrekken; en u zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. 42 Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees van de schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de middel tot de dijen. 43 Aäron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent van de samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem. ### Exodus 29 1 Dit nu is de zaak, die u hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem één stier, het jong van een rund, en twee volkomen rammen; 2 En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult u dezelfde maken. 3 En u zult ze in één mand leggen, en zult ze in de mand toebrengen, met de stier en de twee rammen. 4 Dan zult u Aäron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent van de samenkomst; en u zult hen met water wassen. 5 Daarna zult u de kleren nemen, en Aäron de rok, en de mantel van de efod, en de efod, en de borstlap aandoen; en u zult hem omgorden met de kunstige riem van de efod. 6 En u zult de tulband op zijn hoofd zetten; de kroon van de heiligheid zult u aan de tulband zetten. 7 En u zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; zo zult u hem zalven. 8 Daarna zult u zijn zonen doen naderen, en zult hen de onderkleding doen aantrekken. 9 En u zult hen met de gordel omgorden, namelijk Aäron en zijn zonen; en u zult hun de hoofddoeken opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Verder zult u de hand van Aäron vullen, en de hand van zijn zonen. 10 En u zult de stier nabij brengen voor de tent van de samenkomst; en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen. 11 En u zult de stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH, voor de deur van de tent van de samenkomst. 12 Daarna zult u van het bloed van de stier nemen, en met uw vinger op de hoornen van het altaar doen; en al het bloed zult u uitgieten aan de bodem van het altaar. 13 U zult ook al het vet nemen, dat het binnenste bedekt, en het net over de lever, en zowel nieren als het vet, dat daaraan is, en u zult ze aansteken op het altaar. 14 Maar het vlees van de stier, en zijn huid, en zijn mest, zult u met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer. 15 Daarna zult u de ene ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen; 16 En u zult de ram slachten, en u zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprenkelen. 17 En de ram zult u in zijn delen delen; en u zult zijn binnenste en zijn poten wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen. 18 Zo zult u de hele ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer voor JAHWEH, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer voor JAHWEH. 19 Daarna zult u de andere ram nemen, en Aäron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van de ram leggen; 20 En u zult de ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlel van Aäron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, evenzo op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; en dat bloed zult u op het altaar sprenkelen, rondom heen. 21 Dan zult u nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en u zult op Aäron en op zijn kleren sprenkelen, en op zijn zonen en op de kleren zijn zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn kleren, ook zijn zonen, en de kleren zijn zonen met hem. 22 Daarna zult u van de ram nemen het vet en ook de staart, ook het vet, dat het binnenste bedekt, en het net van de lever en de beide nieren, met het vet, dat daaraan is, en de rechterschouder; want het is een ram van de vuloffers; 23 En één broodbol, en één koek geolied brood, en één platte koek, uit de mand van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van JAHWEH zijn zal; 24 En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen van zijn zonen, en beweeg ze als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH. 25 Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht van JAHWEH; het is een vuuroffer voor JAHWEH. 26 En neem de borst van de ram van de vuloffers, die van Aäron is, en beweeg hem als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH; en het zal u ten dele zijn. 27 En u zult de borst van het beweegoffer heiligen, en de schouder van het hefoffer, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van de ram van het vuloffer, van wat dat van Aäron, en van wat dat van zijn zonen is. 28 En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de Israëlieten; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de Israëlieten zal zijn van hun dankoffers; hun hefoffer zal voor JAHWEH zijn. 29 De heilige kleren nu, die van Aäron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen daarin zalve, en dat men hun hand daarin vulle. 30 Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent van de samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen. 31 U zult de ram van de vulling nemen, en u zult zijn vlees in de heilige plaats koken. 32 Aäron nu en zijn zonen zullen het vlees van deze ram eten, en het brood, dat in de mand zal zijn, bij de deur van de tent van de samenkomst. 33 En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig. 34 En als er wat overblijven zal van het vlees van de vuloffers, of van dit brood, tot aan de morgen, zo zult u het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig. 35 U zult dan aan Aäron en aan zijn zonen zo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult u hun hand vullen. 36 U zult ook overdag een stier van het zondoffer bereiden, tot de verzoeningen, en u zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelfde; en u zult het zalven, om het te heiligen. 37 Zeven dagen zult u verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; dan zal dat altaar een heiligheid van de heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn. 38 Dit nu is het, wat u op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, overdag, steeds. 39 Het ene lam zult u 's morgens bereiden; maar het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. 40 Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam. 41 Het andere lam nu zult u bereiden tussen de twee avonden; u zult daarmee doen zoals met het morgenspijsoffer, en zoals met het drankoffer dezelfde, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer voor JAHWEH. 42 Het zal een voortdurende brandoffer zijn bij uw generaties, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van JAHWEH; daar zal Ik met u komen, dat Ik daar met u spreke. 43 En daar zal Ik komen tot de Israëlieten; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid. 44 En Ik zal de tent van de samenkomst heiligen, en ook het altaar; Ik zal ook Aäron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen. 45 En Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen, en Ik zal hun tot een God zijn. 46 En zij zullen weten, dat Ik JAHWEH hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben JAHWEH, hun God. ### Exodus 30 1 U zult ook een reukaltaar van het reukwerk maken; van sittimhout zult u het maken. 2 Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde zullen zijn hoornen zijn. 3 En u zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en zijn wanden rondom, als ook zijn hoornen; en u zult het een gouden krans rondom maken. 4 U zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult u dezelfde maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee drage. 5 De draagbomen nu zult u van sittimhout maken, en u zult die met goud overtrekken. 6 En u zult het zetten voor het voorhangsel, dat voor de ark van het getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, dat zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal. 7 En Aäron zal daarop aansteken geurende specerijen; elke morgen, als hij de lampen wel zal gereedgemaakt hebben, zal hij dezelfde aansteken. 8 En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een steeds reukwerk zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, bij uw generaties. 9 U zult geen vreemd reukwerk op hetzelfde aansteken, noch brandoffer, noch voedseloffer; u zult ook geen drankoffer daarop gieten. 10 En Aäron zal eens in het jaar over zijn hoornen verzoening doen, met het bloed van het zondoffer van de verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw generaties; het is heiligheid van de heiligheden JAHWEH! 11 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 12 Als u het aantal van de Israëlieten opnemen zult, naar de ingeschrevenen onder hen, zo zullen zij ieder de verzoening van zijn ziel JAHWEH geven, als u hen tellen zult; opdat onder hen geen plaag zij, als u hen tellen zult. 13 Dit zullen zij geven, al die tot de ingeschrevenen overgaat, de helft van een sikkel, naar de sikkel van het heiligdom (deze sikkel is twintig gera); de helft van een sikkel is een hefoffer voor JAHWEH. 14 Al wie overgaat tot de ingeschrevenen, van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer van JAHWEH geven. 15 De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal niet verminderen van de helft van de sikkel, als u het hefoffer van JAHWEH geeft om voor uw zielen verzoening te doen. 16 U dan zult het geld van de verzoeningen van de Israëlieten nemen, en zult het leggen tot de dienst van de tent van de samenkomst; en het zal de Israëlieten ter herinnering zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, om voor uw zielen verzoening te doen. 17 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 18 U zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en u zult het zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar, en u zult water daarin doen; 19 Dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten. 20 Wanneer zij in de tent van de samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer voor JAHWEH aansteken; 21 Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun generaties. 22 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 23 U nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels; 24 Ook kassie, vijfhonderd, naar de sikkel van het heiligdom, en olie van olijfbomen een hin; 25 En maak daarvan een olie van de heilige zalving, een zalf, heel kunstig gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie van de heilige zalving zijn. 26 En daarmee zult u zalven de tent van de samenkomst, en de ark van het getuigenis. 27 En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar; 28 En het altaar van het brandoffer, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet. 29 U zult ze zo heiligen, dat zij heiligheid van de heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn. 30 U zult ook Aäron en zijn zonen zalven, en u zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen. 31 En u zult tot de Israëlieten spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie van de heilige zalving zijn bij uw generaties. 32 Op geens mensen vlees zal men ze gieten; u zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal u heiligheid zijn. 33 De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken. 34 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Neem tot u geurende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze geurende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij. 35 En u zult een reukwerk van een zalf daaruit maken, naar het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig. 36 En u zult van hetzelfde heel klein pulver stoten, en u zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent van de samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal u heiligheid van de heiligheden zijn. 37 Maar naar het maaksel van dit reukwerk, dat u gemaakt zult hebben, zult u voor uzelf geen maken; het zal u heiligheid zijn voor JAHWEH. 38 De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken. ### Exodus 31 1 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda. 3 En Ik heb hem vervuld met de Geest van God, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; 4 Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper, 5 En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk. 6 En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan; en in het hart van een ieder die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb. 7 Namelijk de tent van de samenkomst, en de ark van het getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap van de tent; 8 En de tafel, met haar gereedschap; en de louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar; 9 Ook van het brandoffer altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet; 10 En de ambtsklederen, en de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen; 11 Ook de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken. 12 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 13 U nu, spreek tot de Israëlieten, zeggende: U zult evenwel Mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen u, bij uw generaties; opdat men wete, dat Ik JAHWEH ben, Die u heilige. 14 Onderhoud dan de sabbat, omdat hij u heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zeker gedood worden; want een ieder, die daarop enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden haar volken. 15 Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heiligheid van JAHWEH! Wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zeker gedood worden. 16 Dat dan de Israëlieten de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun generaties, tot een eeuwig verbond. 17 Hij zal tussen Mij en tussen de Israëlieten een teken in eeuwigheid zijn; omdat JAHWEH, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verfrist heeft. 18 En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op de berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen van het getuigenis, tafelen van steen, beschreven met de vinger van God. ### Exodus 32 1 Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van de berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aäron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij. 2 Aäron nu zei tot hen: Ruk af de gouden oorsierselen, die in de oren van uw vrouwen, uw zonen, en van uw dochters zijn; en brengt ze tot mij. 3 Toen rukte het hele volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aäron. 4 En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffel, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israël! die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 5 Als Aäron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelfde; en Aäron riep uit, en zei: Morgen zal JAHWEH een feest zijn! 6 En zij stonden op de andere dag vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen. 7 Toen sprak JAHWEH tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven. 8 En zij zijn haast afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelfde gebogen, en hebben het een offergave gebracht, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben. 9 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk! 10 En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken. 11 Maar Mozes aanbad het aangezicht van JAHWEH van zijn God, en hij zei: O JAHWEH! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, dat U met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt? 12 Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van de aardbodem? Keer af van de hitte van Uw toorn, en laat het U over het kwaad van Uw volk berouwen. 13 Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw knechten, aan wie U bij Uzelf gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel; en dit hele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan uw zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid. 14 Toen berouwde JAHWEH over het kwaad, dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen. 15 En Mozes wendde zich om, en klom van de berg af, met de twee tafelen van het getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven. 16 En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd. 17 Toen nu Jozua de stem van het volk hoorde, als het juichte, zo zei hij tot Mozes: Er is een oorlogsgeschreeuw in het leger. 18 Maar hij zei: Het is geen stem van het geroep van overwinning, het is ook geen stem van het geroep van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte. 19 En het gebeurde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelfde beneden aan de berg verbrak. 20 En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het de Israëlieten drinken. 21 En Mozes zei tot Aäron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat u zulk een grote zonde over hetzelfde gebracht hebt? 22 Toen zei Aäron: De toorn van mijn heer ontsteke niet! u kent dit volk, dat het in de boze ligt. 23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want deze Mozes, die man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem gebeurd zij. 24 Toen zei ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen. 25 Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aäron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan), 26 Zo bleef Mozes staan in de poort van de leger, en zei: Wie JAHWEH toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi. 27 En hij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; ga door en keert weer, van poort tot poort in het leger, en ieder dode zijn broer, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste! 28 En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op die dag, drie duizend man. 29 Want Mozes had gezegd: Vul vandaag uw handen JAHWEH; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broer; en dit, opdat Hij vandaag een zegen over u geve! 30 En het gebeurde op de andere dag, dat Mozes tot het volk zei: U hebt een grote zonde gezondigd; maar nu, ik zal tot JAHWEH opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde. 31 Zo keerde Mozes weer tot JAHWEH, en zei: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. 32 Nu dan, als U hun zonden vergeven zult! maar zo niet, zo wis mij nu uit Uw boek, dat U geschreven hebt. 33 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Die zou Ik uit Mijn boek uitwissen, die aan Mij zondigt. 34 Maar ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! maar op de dag van Mijn bezoeking, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken! 35 Zo plaagde JAHWEH dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, dat Aäron gemaakt had. ### Exodus 33 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, u en het volk, dat u uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven; 2 En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten), 3 Naar het land, dat van melk en honing is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want u bent een hardnekkig volk; dat Ik u op deze weg niet vertere. 4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo bedreven zij rouw; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich. 5 En JAHWEH had tot Mozes gezegd: Zeg tot de Israëlieten: U bent een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van u optrekken, en zou u vernielen; maar nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal. 6 De Israëlieten dan beroofden zichzelf van hun versierselen, ver van de berg Horeb. 7 En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent van de samenkomst. En het gebeurde, dat al wie JAHWEH zocht, uitging tot de tent van de samenkomst, die buiten het leger was. 8 En het gebeurde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur van zijn tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was. 9 En het gebeurde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom naar beneden, en stond in de deur van de tent, en Hij sprak met Mozes. 10 Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur van de tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur van zijn tent. 11 En JAHWEH sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weer tot het leger; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden van de tent. 12 En Mozes zei tot JAHWEH: Zie, U zegt tot mij: Voer dit volk op! maar U laat mij niet weten, wie U met mij zult zenden; daar U gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen! 13 Nu dan, ik bidde, als ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is! 14 Hij dan zei: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen? 15 Toen zei hij tot Hem: Als Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken! 16 Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat U met ons gaat? Zo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op de aardbodem is. 17 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die u gesproken hebt, zal Ik doen, omdat u genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken. 18 Toen zei hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid! 19 Maar Hij zei: Ik zal al Mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de Naam van JAHWEH uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontfermen zal. 20 Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven. 21 JAHWEH zei verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult u zich op de steenrots stellen. 22 En het zal gebeuren, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof van de steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. 23 En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult u Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden! ### Exodus 34 1 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, zoals de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die u gebroken hebt. 2 En wees bereid tegen de morgenstond; dat u in de morgenstond op de berg Sinaï klimt, en stel u daar voor Mij, op de top van de berg. 3 En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op de hele berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover deze berg niet weiden. 4 Toen hieuw hij twee stenen tafelen, zoals de eerste; en Mozes stond 's morgens vroeg op, en klom op de berg Sinaï, zoals hem JAHWEH geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand. 5 JAHWEH nu kwam naar beneden in een wolk, en stelde Zich daar bij hem; en Hij riep uit de Naam van JAHWEH. 6 Als nu JAHWEH voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: JAHWEH, JAHWEH, God, barmhartig en genadig, geduldig en groot van goedertierenheid en waarheid. 7 Die de goedertierenheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen, en aan de kleinkinderen, in het derde en vierde geslacht. 8 Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich. 9 En hij zei: Heere! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; maar vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel! 10 Toen zei Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw hele volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de hele aarde, noch onder enige volken; zo dat dit hele volk, in wiens midden u bent, het werk van JAHWEH zien zal, dat het schrikkelijk is, dat Ik met u doe. 11 Onderhoud u wat Ik u vandaag gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten. 12 Pas op dat u toch geen verbond maakt met de inwoner van het land, waarin u komen zult; dat hij misschien niet tot een strik wordt in het midden van u. 13 Maar hun altaren zult u omwerpen, en hun opgerichte beelden zult u verbreken, en hun bossen zult u afhouwen. 14 (Want u zult u niet buigen voor een andere god; want van JAHWEH Naam is IJveraar! een jaloers God is Hij!) 15 Opdat u misschien geen verbond maakt met de inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offergave doen, en hij u nodigende, u van hun offergave etet. 16 En u voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochters; en hun dochters, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren. 17 U zult u geen gegoten goden maken. 18 Het feest van de ongezuurde broden zult u houden; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten, zoals Ik u geboden heb, ter gezetter tijd van de maand Abib; want in de maand Abib bent u uit Egypte uitgegaan. 19 Al wat de baarmoeder opent, is van Mij; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee. 20 Maar de ezel, die de baarmoeder opent, zult u met een stuk klein vee lossen; maar als u hem niet zult lossen, zo zult u hem de nek breken. Al de eerstgeborenen van uw zonen zult u lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet leeg verschijnen. 21 Zes dagen zult u arbeiden, maar op de zevende dag zult u rusten; in de ploegtijd en in de oogst zult u rusten. 22 Het wekenfeest zult u ook houden, zijnde het feest van de eerstelingen van de tarweoogst, en het feest van de inzameling, als het jaar om is. 23 Al wat mannelijk is onder u zal drie keer in het jaar verschijnen voor het aangezicht van de Heere JAHWEH, de God van Israël. 24 Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw gebied verruimen, dan zal niemand uw land begeren, terwijl u heen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht van JAHWEH van uw God, drie keer in het jaar. 25 U zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet overnachten tot de morgen. 26 De eerstelingen van de eerste vruchten van uw land zult u in het huis van JAHWEH van uw God brengen. U zult het bokje in de melk van zijn moeder niet koken. 27 Verder zei JAHWEH tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid van deze woorden heb Ik een verbond met u en met Israël gemaakt. 28 En hij was daar met JAHWEH, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden van het verbond, de tien woorden. 29 En het gebeurde, toen Mozes van de berg Sinaï afging (de twee tafelen van het getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van de berg afging), zo wist Mozes niet, dat het huid van zijn aangezicht glinsterde, toen Hij met hem sprak. 30 Als nu Aäron en al de Israëlieten Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het huid van zijn aangezicht; daarom vreesden zij tot hem toe te treden. 31 Toen riep Mozes hen; en Aäron, en al de oversten in de vergadering keerden weer tot hem; en Mozes sprak tot hen. 32 En daarna traden al de Israëlieten toe; en hij gebood hun al wat JAHWEH met hem gesproken had op de berg Sinaï. 33 Zo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd. 34 Maar als Mozes voor het aangezicht van JAHWEH kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de Israëlieten, wat hem geboden was. 35 Zo zagen dan de Israëlieten het aangezicht van Mozes, dat het huid van het aangezicht van Mozes glinsterde; daarom deed Mozes het deksel weer op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken. ### Exodus 35 1 Toen deed Mozes de hele gemeenschap van de Israëlieten verzamelen, en zei tot hen: Dit zijn de woorden, die JAHWEH geboden heeft, dat men ze doe. 2 Zes dagen zal men het werk doen; maar op de zevende dag zal u heiligheid zijn, een sabbat van de rust JAHWEH; al wie daarop werk doet, zal gedood worden. 3 U zult geen vuur aansteken in enige van uw woningen op de sabbatdag. 4 Verder sprak Mozes tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, zeggende: Dit is het woord, dat JAHWEH geboden heeft, zeggende: 5 Neem van wat, dat u hebt, een hefoffer voor JAHWEH; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, als hefoffer van JAHWEH: goud, en zilver, en koper; 6 Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar; 7 En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout; 8 En olie voor het licht, en specerijen ter zalfolie, en tot roking geurende specerijen; 9 En sardonixstenen, en vervullende stenen, tot de efod en tot de borstlap. 10 En allen, die wijs van hart zijn onder u, zullen komen, en maken alles, wat JAHWEH geboden heeft: 11 De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn planken, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voetstukken; 12 De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel van het deksel; 13 De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden; 14 En de kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht; 15 En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen; en het deksel van de deur aan de deur van de tabernakel; 16 Het altaar van het brandoffer, en de koperen rooster, die het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet. 17 De behangselen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voetstukken; en het deksel van de poort van de voorhof; 18 De nagelen van de tabernakel, en de pennen van de voorhof, met van die touwen; 19 De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren zijn zonen, om het priesterambt te bedienen. 20 Toen ging de hele gemeenschap van de Israëlieten uit van voor het aangezicht van Mozes. 21 En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten van JAHWEH hefoffer tot het werk van de tent van de samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige kleren. 22 Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden voorwerpen; en alle man, die een gouden beweegoffer voor JAHWEH offerde, 23 En alle man, bij wie gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze. 24 Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het als hefoffer van JAHWEH; en allen, bij wie sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van de dienst. 25 En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen. 26 En alle vrouwen, van wie het hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geitenhaar. 27 De oversten nu brachten sardonixstenen en vulstenen, tot de efod en tot de borstlap; 28 En specerijen en olie, voor het licht en tot de zalfolie, en tot roking geurende specerijen. 29 Alle man en vrouw, van wie het hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, dat JAHWEH geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de Israëlieten tot een vrijwillig offer voor JAHWEH. 30 Daarna zei Mozes tot de Israëlieten: Zie, JAHWEH heeft met name geroepen Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda. 31 En de Geest van God heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk; 32 En om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper, 33 En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk. 34 Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan. 35 Hij heeft hen vervuld met wijsheid van het hart, om te maken alle werk van een werkmeester, en van de allervernuftigste handwerker, en van de borduurder en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en van de wever; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid. ### Exodus 36 1 Toen werkte Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in die JAHWEH wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste van het heiligdom naar alles, dat JAHWEH geboden had. 2 Want Mozes had geroepen Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wie het hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken. 3 Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het hele hefoffer, dat de Israëlieten gebracht hadden, tot het werk van de dienst van het heiligdom, om dat te maken; maar zij brachten tot hem nog elke morgen vrijwillig offer. 4 Daarom kwamen alle wijzen, die al het werk van het heiligdom maakten, ieder man van zijn werk, dat zij maakten; 5 En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste van het werk, dat JAHWEH te maken geboden heeft. 6 Toen gebood Mozes, dat men een stem zou laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer van het heiligdom! Zo werd het volk teruggehouden van meer te brengen. 7 Want van de stoffe was dezelfde genoeg tot het hele werk, dat te maken was; ja, er was over. 8 Zo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, de tabernakel van tien tentkleden, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze. 9 De lengte van een tentkleed was van acht en twintig ellen, en de breedte van een tentkleed van vier ellen; al deze tentkleden hadden één maat. 10 En hij voegde vijf tentkleden, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf tentkleden, de ene aan de andere. 11 Daarna maakte hij lussen van hemelsblauw aan de kant van een tentkleed, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan de uitersten kant van de tweede samenvoegende tentkleed. 12 Vijftig lussen maakte hij aan het ene tentkleed, en vijftig lussen maakte hij aan het uiterste van het tentkleed; dat aan de tweede samenvoegende was; deze lussen vatten de ene aan de andere. 13 Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de tentkleden samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het een tabernakel werd. 14 Verder maakte hij tentkleden van geitenhaar, tot een tent over de tabernakel; van elf tentkleden maakte hij ze. 15 De lengte van een tentkleed was dertig ellen, en vier ellen de breedte van een tentkleed; deze elf tentkleden hadden één maat. 16 En hij voegde vijf tentkleden samen bijzonder; opnieuw zes van deze tentkleden bijzonder. 17 En hij maakte vijftig lussen aan de kant van het tentkleed, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig lussen aan de kant van het tentkleed van de andere samenvoeging. 18 Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij een was. 19 Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen. 20 Hij maakte ook aan de tabernakel planken van staand sittimhout. 21 De lengte van een plank was tien ellen, en ene el en ene halve el was de breedte van elk plank. 22 Twee houvasten had een plank, als sporten in een ladder gezet, het ene naast het andere; zo maakte hij het met al de planken van de tabernakel. 23 Hij maakte ook de planken tot de tabernakel; twintig planken naar de zuidzijde naar het zuiden. 24 En hij maakte veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken; twee voetstukken onder een plank, aan zijn twee houvasten, en twee voetstukken onder een ander plank, aan zijn twee houvasten. 25 Hij maakte ook twintig planken aan de andere zijde van de tabernakel, aan de noordzijde. 26 Met hun veertig zilveren voetstukken; twee voetstukken onder een plank, en twee voetstukken onder een ander plank. 27 Maar aan de zijde van de tabernakel tegen het westen, maakte hij zes planken. 28 Ook maakte hij twee planken tot hoekberderen van de tabernakel, aan de beide zijden. 29 En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan zijn oppereinde samengevoegd met één ring; zo deed hij met die beide, aan de twee hoeken. 30 Zo waren er acht planken met hun zilveren voetstukken, zijnde zestien voetstukken: twee voetstukken onder elk plank. 31 Hij maakte ook dwarsbalken van sittimhout; vijf aan de planken van de ene zijde van de tabernakel; 32 En vijf dwarsbalken aan de planken van de andere zijde van de tabernakel; alsook vijf dwarsbalken aan de planken van de tabernakel, aan de beide zijden naar het westen. 33 En hij maakte de middelste dwarsbalk doorschietende in het midden van de planken, van het ene einde tot het andere einde. 34 En hij overtrok de planken met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de dwarsbalken) maakte hij van goud; de dwarsbalken overtrok hij ook met goud. 35 Daarna maakte hij een voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij dezelfde, met cherubim. 36 En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voetstukken. 37 Hij maakte ook aan de deur van de tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; 38 En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en van die banden met goud; en hun vijf voetstukken waren van koper. ### Exodus 37 1 Zo maakte Bezaleël de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte. 2 En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom. 3 En hij goot daarvoor vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, zo dat twee ringen op van die ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde. 4 En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud. 5 En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden van de ark, om de ark te dragen. 6 Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was zijn lengte, en anderhalve el zijn breedte. 7 Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden van het verzoendeksel. 8 Één cherub uit het ene einde aan deze zijde, en de andere cherub uit het andere einde aan de overzijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit zijn beide einden. 9 En de cherubim waren de beide vleugels omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugels het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkaar; de aangezichten van de cherubim waren naar het verzoendeksel. 10 Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte. 11 En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom. 12 Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom van die lijst. 13 Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan van die vier voeten waren. 14 Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen. 15 Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen. 16 En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zou, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke zij bedekt zou worden), van louter goud. 17 Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn armen; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem. 18 Zes armen nu gingen uit zijn zijden; drie armen van de kandelaar uit zijn ene zijde, en drie armen van de kandelaar uit zijn andere zijde. 19 In het ene riet waren drie schaaltjes, zoals amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, zoals amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; zo waren die zes armen, die uit de kandelaar gingen. 20 Maar aan de kandelaar zelf waren vier schaaltjes, zoals amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen. 21 En daar was een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; ook een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; nog een knoop onder twee armen, daaruit uitgaande; zo was het met de zes armen, die daaruit uitgingen. 22 Hun knopen en armen waren uit hem; het was allemaal een enig dicht werk van louter goud. 23 En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud. 24 Hij maakte dezelfde uit een talent louter goud, met al zijn voorwerpen. 25 En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelfde waren zijn hoornen. 26 En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom. 27 Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmee droeg. 28 En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud. 29 Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk van de zuiverste geurende specerijen, naar apothekerswerk. ### Exodus 38 1 Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was zijn lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte. 2 En hij maakte zijn hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelfde waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper. 3 Hij maakte ook al het gereedschap van het altaar, de potten, en de scheppen, en de besprengbekkens, en de vleeshaken, en de koolpannen; al zijn voorwerpen maakte hij van koper. 4 Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe. 5 En hij goot vier ringen aan de vier einden van de kopere rooster, tot plaatsen voor de handbomen. 6 En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper. 7 En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden van het altaar, dat men het daarmee droeg; hij maakte hetzelfde hol van planken. 8 Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels van de dienstdoende vrouwen, die dienst deden voor de deur van de tent van de samenkomst. 9 Hij maakte ook de voorhof, aan de zuidhoek naar het zuiden; de behangselen tot de voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen. 10 Hun twintig pilaren en van die twintig voetstukken, waren van koper; de haken van deze pilaren en hun banden waren van zilver. 11 En aan de noordzijde honderd ellen, hun twintig pilaren en van die twintig voetstukken waren van koper; de haken van de pilaren en van die banden waren van zilver. 12 En aan de westzijde waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en van die voetstukken tien; de haken van de pilaren en hun banden waren van zilver. 13 En aan de oostzijde tegen de opgang waren vijftig ellen. 14 De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, van die pilaren drie en hun voetstukken drie. 15 En aan de andere zijde van de deur van de voorhof, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en van die voetstukken drie. 16 Al de behangselen van de voorhof waren rondom van fijn getweernd linnen. 17 De voetstukken nu van de pilaren waren van koper, de haken van de pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel van hun hoofden was van zilver, en al de pilaren van de voorhof waren met zilver omtogen. 18 En het deksel van de poort van de voorhof was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen van de voorhof. 19 En hun vier pilaren en van die vier voetstukken waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel van hun hoofden en hun banden van zilver. 20 En al de pennen van de tabernakel en van de voorhof rondom waren van koper. 21 Dit zijn de getelde dingen van de tabernakel, van de tabernakel van het getuigenis, die geteld zijn naar de mond van Mozes, ten dienste van de Levieten, door de hand van Ithamar, de zoon van de priester Aäron. 22 Bezaleël nu, de zoon van Uri, de zoon van Hur, van de stam van Juda, maakte al, dat JAHWEH aan Mozes geboden had. 23 En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van de stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen. 24 Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het hele werk van het heiligdom, te weten, het goud van het beweegoffer, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. 25 Het zilver nu van de ingeschrevenen van de vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. 26 Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar de sikkel van het heiligdom, van een ieder, die overging tot de ingeschrevenen, van twintig jaar oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd en vijftig. 27 En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voetstukken van het heiligdom, en de voetstukken van het voorhangsel; tot honderd voetstukken waren honderd talenten, een talent tot een voet. 28 Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkels maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden. 29 Het koper nu van het beweegoffer was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkels. 30 En hij maakte daarvan de voetstukken van de deur van de tent van de samenkomst, en het koperen altaar, en de koperen rooster, die het had, en al het gereedschap van het altaar. 31 En de voetstukken van de voorhof rondom, en de voetstukken van de poort van de voorhof, ook al de pennen van de tabernakel, en al de pennen van de voorhof rondom. ### Exodus 39 1 Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleren, die voor Aäron waren, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 2 Zo maakte hij de efod, van goud, hemelsblauw en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. 3 En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk. 4 Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan zijn beide einden werd hij samengevoegd. 5 En de kunstige riem van zijn efod, die daarop was, was zoals zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, zoals JAHWEH aan Mozes bevolen had. 6 Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen van de zonen van Israël. 7 En hij zette ze op de schouderbanden van de efod, tot stenen van de herinnering voor de Israëlieten, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 8 Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, zoals het werk van de efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen. 9 Hij was vierkant; zij maakten de borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde. 10 En zij vulden daarin vier rijen stenen: één rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij. 11 En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant. 12 En de derde rij van een Hyacint, Agaat, en Amethist. 13 En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen. 14 Deze stenen nu, met de namen van de zonen van Israël, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen. 15 Zij maakten ook aan de borstlap zoals-eindigende kettinkjes, van gedraaid werk, uit louter goud. 16 En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden van de borstlap. 17 En zij zetten de twee gedraaide gouden kettinkjes aan de twee ringen, aan de einden van de borstlap. 18 Maar de twee andere einden van de twee gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden van de efod, recht op de voorste zijde van die. 19 Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden van de borstlap zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde van de efod is. 20 Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van de efod, beneden, aan zijn voorste zijde, tegenover zijn andere verbinding, boven de kunstige riem van de efod. 21 En zij bonden de borstlap met zijn ringen aan de ringen van de efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op de kunstige riem van de efod was; opdat de borstlap van de efod niet afgescheiden werd, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 22 En hij maakte de mantel van de efod van geweven werk, geheel van hemelsblauw. 23 En het gat van de mantel was in zijn midden, als het gat van een pantser; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd werd. 24 En aan de zomen van de mantel maakten zij granaatappels van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd. 25 Zij maakten ook belletjes van louter goud, en zij stelden de belletjes tussen de granaatappels, aan de zomen van de mantel rondom, tussen de granaatappels; 26 Dat er een belletje, daarna een granaatappel was; opnieuw een belletje, en een granaatappel; aan de zomen van de mantel rondom; om te dienen, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 27 Zij maakten ook de onderkleding van fijn linnen, van geweven werk, voor Aäron en voor zijn zonen; 28 En de tulband van fijn linnen, en de sierlijke hoofddoeken van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen; 29 En de gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 30 Zij maakten ook de plaat van de kroon van de heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID VAN JAHWEH. 31 En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan de tulband van boven te hechten, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 32 Zo werd al het werk van de tabernakel, van de tent van de samenkomst voltooid; en de Israëlieten hadden het gemaakt naar alles, wat JAHWEH aan Mozes geboden had; zo hadden zij het gemaakt. 33 Daarna brachten zij de tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar planken, haar richelen, en haar pilaren, en haar voetstukken; 34 En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en het voorhangsel van het deksel; 35 De ark van het getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel; 36 De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden; 37 De louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al zijn gereedschap, en de olie tot het licht; 38 Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van geurende specerijen, en het deksel van de deur van de tent. 39 Het koperen altaar, en de koperen rooster, die het heeft, zijn handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet; 40 De behangselen van de voorhof, zijn pilaren en zijn voetstukken, en het deksel van de poort van de voorhof, zijn touwen, en zijn pennen, en al het gereedschap van de dienst van de tabernakel, tot de tent van de samenkomst; 41 De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren van de priester Aäron, en de kleren van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen. 42 Naar alles, wat JAHWEH aan Mozes geboden had, zo hadden de Israëlieten het hele werk gemaakt. 43 Mozes nu bezag het hele werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, zoals JAHWEH geboden had; zo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen. ### Exodus 40 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Op de dag van de eerste maand, te weten op de eerste van de maand, zult u de tabernakel, de tent van de samenkomst, oprichten. 3 En u zult daar zetten de ark van het getuigenis; en u zult de ark met het voorhangsel bedekken. 4 Daarna zult u de tafel daarin brengen, en u zult schikken wat daarop te schikken is; u zult ook de kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken. 5 En u zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark van het getuigenis zetten; dan zult u het deksel van de deur van de tabernakel ophangen. 6 U zult ook het altaar van het brandoffer zetten voor de deur van de tabernakel, van de tent van de samenkomst. 7 En u zult het wasvat zetten tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en u zult water daar in doen. 8 Daarna zult u de voorhof rondom zetten, en u zult het deksel ophangen aan de poort van de voorhof. 9 Dan zult u de zalfolie nemen en zalven de tabernakel, en al wat daarin is; en u zult die heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn. 10 U zult ook het altaar van het brandoffer zalven, en al zijn gereedschap; en u zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid van de heiligheden zijn. 11 Dan zult u het wasvat zalven, en zijn voet; en u zult het heiligen. 12 U zult ook Aäron en zijn zonen doen naderen, tot de deur van de tent van de samenkomst; en u zult hen met water wassen. 13 En u zult Aäron de heilige kleren aantrekken; en u zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene. 14 U zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de onderkleding aantrekken. 15 En u zult hen zalven, zoals u hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal gebeuren, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun generaties. 16 Mozes nu deed het naar alles, wat hem JAHWEH geboden had; zo deed hij. 17 En het gebeurde in de eerste maand, in het tweede jaar, op de eerste van de maand, dat de tabernakel opgericht werd. 18 Want Mozes richtte de tabernakel op, en zette zijn voetstukken, en stelde zijn planken, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte zijn pilaren op. 19 En hij spreidde de tent uit over de tabernakel, en hij zette het deksel van de tent daar bovenop, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 20 Verder nam hij, en legde de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark. 21 En hij bracht de ark in de tabernakel, en hij hing het voorhangsel van het deksel op, en bedekte de ark van het getuigenis, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 22 Hij zette ook de tafel in de tent van de samenkomst, aan de zijde van de tabernakel tegen het noorden, buiten het voorhangsel. 23 En hij stelde op daarop het brood in orde, voor het aangezicht van JAHWEH, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 24 Hij zette ook de kandelaar in de tent van de samenkomst, recht over de tafel, aan de zijde van de tabernakel, naar het zuiden. 25 En hij stak de lampen aan voor het aangezicht van JAHWEH, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 26 En hij zette het gouden altaar in de tent van de samenkomst, voor het voorhangsel. 27 En hij stak daarop aan reukwerk van geurende specerijen, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 28 Hij hing ook het deksel van de deur van de tabernakel. 29 En hij zette het altaar van het brandoffer aan de deur van de tabernakel, van de tent van de samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en voedseloffer, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 30 Hij zette ook het wasvat tussen de tent van de samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen. 31 En Mozes en Aäron, en zijn zonen wasten daaruit hun handen en hun voetstukken. 32 Als zij ingingen tot de tent van de samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wasten zij zich, zoals JAHWEH aan Mozes geboden had. 33 Hij richtte ook de voorhof op, rondom de tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort van de voorhof op. Zo voltooide Mozes het werk. 34 Toen bedekte de wolk de tent van de samenkomst; en de heerlijkheid van JAHWEH vervulde de tabernakel. 35 Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent van de samenkomst, omdat de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid van JAHWEH de tabernakel vervulde. 36 Als nu de wolk opgeheven werd van boven de tabernakel, zo reisden de Israëlieten voort in al hun reizen. 37 Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op de dag, dat zij opgeheven werd. 38 Want de wolk van JAHWEH was op de tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het hele huis van Israël in al hun reizen. ## Leviticus ### Leviticus 1 1 En JAHWEH riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent van de samenkomst, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als een mens uit u aan JAHWEH een offergave zal offeren, u zult uw offergaven offeren van het vee, van runderen en van schapen. 3 Als zijn offergave een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent van de samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht van JAHWEH. 4 En hij zal zijn hand op het hoofd van het brandoffer leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen. 5 Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprenkelen rondom dat altaar, dat voor de deur van de tent van de samenkomst is. 6 Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen. 7 En de zonen van Aäron, de priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken. 8 Ook zullen de zonen van Aäron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is. 9 Maar zijn binnenste, en zijn poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 10 En als zijn offergave is van klein vee, van schapen of van geiten, als brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren. 11 En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar naar het noorden, voor het aangezicht van JAHWEH; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprenkelen. 12 Daarna zal hij het in zijn stukken delen, en ook zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, dat op het altaar is. 13 Maar het binnenste en de poten zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 14 En als zijn offergave voor JAHWEH een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offergave van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren. 15 En de priester zal die tot het altaar brengen, en zijn hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan de wand van het altaar uitgeduwd worden. 16 En zijn krop met zijn veren zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, naar het oosten, aan de plaats van de as. 17 Verder zal hij die met zijn vleugels klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. ### Leviticus 2 1 Als nu een ziel een offergave van voedseloffer voor JAHWEH zal offeren, zijn offergave zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen. 2 En hij zal het brengen tot de zonen van Aäron, de priesters, van wie er één zijn hand vol grijpen zal uit zijn meelbloem, en uit zijn olie, met al zijn wierook; en de priester zal zijn gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 3 Wat nu overblijft van het voedseloffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuuroffers van JAHWEH. 4 En als u offeren zult een offergave van voedseloffer, een gebak van de oven; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken. 5 En als uw offergave voedseloffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd. 6 Breek ze in stukken, en giet olie daarop; het is een voedseloffer. 7 En zo uw offergave een voedseloffer van de ketel is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden. 8 Dan zult u dat voedseloffer, dat daarvan zal gemaakt worden, aan JAHWEH toebrengen; en men zal het tot de priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal. 9 En de priester zal van dat voedseloffer zijn gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 10 En wat overblijft van het voedseloffer, zal voor Aäron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid van de heiligheden van de vuuroffers van JAHWEH. 11 Geen voedseloffer, dat u aan JAHWEH zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honing zult u voor JAHWEH vuuroffer aansteken. 12 De offergaven van de eerstelingen zult u aan JAHWEH offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijke reuk. 13 En alle offergave van uw voedseloffer zult u met zout zouten, en het zout van het verbond van uw God van uw voedseloffer niet laten afblijven; met al uw offergave zult u zout offeren. 14 En zo u JAHWEH een voedseloffer van de eerste vruchten offert, zult u het voedseloffer van uw eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren. 15 En u zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een voedseloffer. 16 Zo zal de priester zijn gedenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al de wierook; het is een vuuroffer voor JAHWEH. ### Leviticus 3 1 En als zijn offergave een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht van JAHWEH. 2 En hij zal zijn hand op het hoofd van zijn offergave leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprenkelen. 3 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor JAHWEH offeren; het vet, dat het binnenste bedekt, en al het vet, dat aan het binnenste is. 4 Dan zal hij beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. 5 En de zonen van Aäron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, dat op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 6 En als zijn offergave van klein vee is, voor JAHWEH tot een dankoffer, hetzij mannetje of vrouwtje, volkomen zal hij die offeren. 7 Als hij een lam tot zijn offergave offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht van JAHWEH. 8 En hij zal zijn hand op het hoofd van zijn offergave leggen, en hij zal die slachten voor de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron zullen het bloed daarvan sprenkelen op het altaar rondom. 9 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer voor JAHWEH offeren; zijn vet, de hele staart, die hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; 10 Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen. 11 En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer voor JAHWEH. 12 Als nu zijn offergave een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht van JAHWEH. 13 En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal haar slachten voor de tent van de samenkomst; en de zonen van Aäron zullen haar bloed op het altaar sprenkelen rondom. 14 Dan zal hij daarvan zijn offergave offeren, een vuuroffer voor JAHWEH; het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; 15 En ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen. 16 En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een voedsel van het vuuroffer, tot een liefelijke reuk; alle vet zal van JAHWEH zijn. 17 Dit zij een eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult u eten. ### Leviticus 4 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden van JAHWEH, dat niet zou gedaan worden, en tegen één van die zal gedaan hebben; 3 Als de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld van het volk, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een stier, een volkomen jong rund, voor JAHWEH als zondoffer. 4 En hij zal die stier brengen tot de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van JAHWEH; en hij zal zijn hand op het hoofd van die stier leggen, en hij zal die stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH. 5 Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de stier nemen, en hij zal dat tot de tent van de samenkomst brengen. 6 En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van JAHWEH, voor het voorhangsel van het heilige. 7 Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen van het reukaltaar van de geurende specerijen, voor het aangezicht van JAHWEH, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed van de stier uitgieten aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is aan de deur van de tent van de samenkomst. 8 Verder, al het vet van de stier van het zondoffer zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het binnenste, en al het vet, dat aan het binnenste is; 9 Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen; 10 Zoals het van de os van het dankoffer opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar van het brandoffer. 11 Maar de huid van die stier, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn poten, en zijn binnenste, en zijn mest; 12 En die hele stier zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden. 13 Als nu de hele gemeenschap van Israël afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van alle geboden van JAHWEH, dat niet zou gedaan worden, en zijn schuldig geworden; 14 En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een stier, een jong rund, als zondoffer offeren, en die voor de tent van de samenkomst brengen; 15 En de oudsten van de vergadering zullen hun handen op het hoofd van de stier leggen, voor het aangezicht van JAHWEH; en hij zal de stier slachten voor het aangezicht van JAHWEH. 16 Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van de stier tot de tent van de samenkomst brengen. 17 En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprenkelen voor het aangezicht van JAHWEH, voor het voorhangsel. 18 En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH is, dat in de tent van de samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan de bodem van het altaar van het brandoffer, dat is voor de deur van de tent van de samenkomst. 19 Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken. 20 En hij zal deze stier doen, zoals hij de stier van het zondoffer gedaan heeft, zo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. 21 Daarna zal hij die stier tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, zoals hij de eerste stier verbrand heeft; het is een zondoffer van de gemeente. 22 Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen één van de geboden van JAHWEH van zijn God, door afdwaling, gedaan zal hebben, dat niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is; 23 Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje. 24 En hij zal zijn hand op het hoofd van de bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van JAHWEH; het is een zondoffer. 25 Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar van het brandoffer doen; dan zal hij zijn bloed aan de bodem van het altaar van het brandoffer uitgieten. 26 Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, zoals het vet van het dankoffer; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden. 27 En zo enig mens van het volk van het land door afdwaling zal gezondigd hebben, omdat hij iets doet tegen één van de geboden van JAHWEH, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is; 28 Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offergave brengen een jonge geit, een volkomen vrouwtje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft. 29 En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats van het brandoffer. 30 Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten. 31 En al haar vet zal hij afnemen, zoals het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 32 Maar zo hij een lam voor zijn offergave als zondoffer brengt, het zal een volkomen vrouwtje zijn, dat hij brengt. 33 En hij zal zijn hand op het hoofd van het zondoffer leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht. 34 Daarna zal de priester van het bloed van het zondoffer met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar van het brandoffer; dan zal hij al het bloed daarvan aan de bodem van dat altaar uitgieten. 35 En al het vet daarvan zal hij afnemen, zoals het vet van het lam van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuuroffers van JAHWEH; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden. ### Leviticus 5 1 Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem van de vloek, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; als hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. 2 Of wanneer een mens enig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het kadaver van een wild onrein gedierte, of het kadaver van onrein vee, of het kadaver van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, toch is hij onrein en schuldig. 3 Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinheid van een mens, naar al zijn onreinheid, waarmee hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij schuldig. 4 Of als een mens zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in de eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij aan één van die schuldig. 5 Het zal dan gebeuren, als hij aan één van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft; 6 En tot zijn schuldoffer aan JAHWEH voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een vrouwtje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen. 7 Maar als zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, aan JAHWEH brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, één als zondoffer, en één als brandoffer. 8 En hij zal die tot de priester brengen, die eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal haar hoofd met zijn nagel naast haar nek splijten, maar niet afscheiden. 9 En van het bloed van het zondoffer zal hij aan de wand van het altaar sprenkelen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan de bodem van het altaar; het is een zondoffer. 10 En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 11 Maar als zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offergave brengen het tiende deel van een efa meelbloem als zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer. 12 En hij zal dat tot de priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, van de herinnering daarvan, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuuroffers van JAHWEH; het is een zondoffer. 13 Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft in enige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal van de priester zijn, zoals het voedseloffer. 14 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 15 Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetend van de heilige dingen van JAHWEH, zo zal hij tot zijn schuldoffer aan JAHWEH brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkels, naar de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer. 16 Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal zijn vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij de priester geven zal; zo zal de priester met de ram van het schuldoffer voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden. 17 En als een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen één van alle geboden van JAHWEH, dat niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, toch is hij schuldig, en zal zijn ongerechtigheid dragen. 18 En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot de priester brengen, met uw schatting, als schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn afdwaling, waardoor hij afgedwaald is, die hij niet geweten had; zo zal het hem vergeven worden. 19 Het is een schuldoffer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan JAHWEH. ### Leviticus 6 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Als een mens gezondigd, en tegen JAHWEH door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van wat hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt; 3 Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende. 4 Het zal dan gebeuren, omdat hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal de roof, die hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft; 5 Of van al, waarover hij vals gezworen heeft, dat hij het in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, die zal hij dat geven op de dag van zijn schuld. 6 En hij zal aan JAHWEH zijn schuldoffer brengen tot de priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, als schuldoffer. 7 Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft. 8 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 9 Gebied Aäron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het brandoffer; het is wat door het vuur op het altaar de gehele nacht tot aan de morgen opvaart; waar het vuur van het altaar zal brandende gehouden worden. 10 En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen. 11 Daarna zal hij zijn kleren uittrekken, en zal andere kleren aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats. 12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elke morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet van de dankoffers daarop aansteken. 13 Het vuur zal steeds op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden. 14 Dit is nu de wet van het voedseloffer; één van de zonen van Aäron zal dat voor het aangezicht van JAHWEH offeren, voor het altaar. 15 En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem van het voedseloffer, en van zijn olie, en al de wierook, die op het voedseloffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot zijn herinnering voor JAHWEH. 16 En het overblijvende daarvan zullen Aäron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in de voorhof van de tent van de samenkomst zullen zij dat eten. 17 Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuuroffers; het is een heiligheid van de heiligheden, zoals het zondoffer en zoals het schuldoffer. 18 Al wat mannelijk is onder de zonen van Aäron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw generaties van de vuuroffers van JAHWEH; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn. 19 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 20 Dit is de offergave van Aäron en van zijn zonen, die zij aan JAHWEH offeren zullen, op de dag als hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een efa meelbloem, een voedseloffer steeds; de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond. 21 Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroosterd zult u het brengen; en de gebakken stukken van het voedseloffer zult u offeren, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 22 Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor JAHWEH geheel aangestoken worden. 23 Zo zal alle voedseloffer van de priester geheel zijn; het zal niet gegeten worden. 24 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 25 Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet van het zondoffer: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van JAHWEH geslacht worden; het is een heiligheid van de heiligheden. 26 De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in de voorhof van de tent van de samenkomst. 27 Al wat daarvan vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult u in de heilige plaats wassen. 28 En de aarden pot, waarin het gekookt is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen pot gekookt is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden. 29 Al wat mannelijk is onder de priesters, zal dat eten; het is een heiligheid van de heiligheden. 30 Maar geen zondoffer, waarvan het bloed in de tent van de samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden. ### Leviticus 7 1 Dit is nu de wet van het schuldoffer; het is een heiligheid van de heiligheden. 2 In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal daarvan bloed rondom op het altaar sprenkelen. 3 En daarvan zal men al zijn vet offeren, de staart, en het vet, dat het binnenste bedekt; 4 Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal men afnemen. 5 En de priester zal die aansteken op het altaar, als vuuroffer voor JAHWEH; het is een schuldoffer. 6 Al wat mannelijk is onder de priesters zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid van de heiligheden. 7 Zoals het zondoffer, zo zal ook het schuldoffer zijn; één wet zal daarvoor zijn; het zal van de priester zijn, die daarmee verzoening gedaan zal hebben. 8 Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid van het brandoffer hebben, dat hij geofferd heeft. 9 Daartoe al het voedseloffer, dat in de oven gebakken wordt, met al wat in de ketel en in de pan bereid wordt, zal van de priester zijn, die dat offert. 10 Ook alle voedseloffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aäron zijn, voor de enen als voor de anderen. 11 Dit is nu de wet van het dankoffer, dat men aan JAHWEH offeren zal. 12 Als hij dat tot een lofoffer offert, zo zal hij, naast het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroosterde meelbloem zijn. 13 Naast de koeken zal hij tot zijn offergave gedesemd brood offeren, met het lofoffer van zijn dankoffer. 14 En één daarvan uit de hele offergave zal hij aan JAHWEH als hefoffer offeren; het zal voor de priester zijn, die het bloed van het dankoffer sprengt. 15 Maar het vlees van het lofoffer van zijn dankoffer zal op de dag van zijn offergave gegeten worden; daarvan zal men niet tot de morgen overlaten. 16 En zo het slachtoffer van zijn offergave een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal op de dag als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook op de andere dag gegeten worden. 17 Wat nog van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, zal op de derde dag met vuur verbrand worden; 18 Want zo enigszins van dat vlees van zijn dankoffer op de derde dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen. 19 En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten. 20 Maar als een ziel het vlees van het dankoffer, dat van JAHWEH is, gegeten zal hebben, en haar onreinheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. 21 En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinheid van de mens, of het onreine vee, of enig onrein gruwel, en zal van het vlees van het dankoffer, dat van JAHWEH is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden. 22 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 23 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult u eten. 24 Maar het vet van een kadaver, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; maar u zult het geheel niet eten. 25 Want al wie het vet van vee eten zal, van dat men aan JAHWEH een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden. 26 Ook zult u in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee. 27 Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden. 28 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 29 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wie zijn dankoffer voor JAHWEH offert, zal zijn offergave van zijn dankoffer voor JAHWEH toebrengen. 30 Zijn handen zullen de vuuroffers van JAHWEH brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH te bewegen. 31 En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; maar de borst zal voor Aäron en zijn zonen zijn. 32 U zult ook de rechterschouder tot een hefoffer de priester geven, uit uw dankoffers. 33 Wie uit de zonen van Aäron het bloed van het dankoffer en het vet offert, die zal de rechterschouder ten dele zijn. 34 Want de beweegborst en de hefschouder heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en heb die aan Aäron, de priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de Israëlieten. 35 Dit is de zalving van Aäron en de zalving van zijn zonen, van de vuuroffers van JAHWEH; op de dag als Hij hen deed naderen, om het priesterdom voor JAHWEH te bedienen; 36 Dat JAHWEH hun van de Israëlieten te geven geboden heeft, op de dag als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun generaties. 37 Dit is de wet van het brandoffer, van het voedseloffer, van het zondoffer, van het schuldoffer, van het vuloffer en van het dankoffer; 38 Die JAHWEH Mozes op de berg Sinaï geboden heeft, op de dag als Hij de Israëlieten gebood, dat zij hun offergaven aan JAHWEH, in de woestijn van Sinaï, zouden offeren. ### Leviticus 8 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Neem Aäron en zijn zonen met hem, en de kleren, en de zalfolie, daartoe de stier van het zondoffer, en de twee rammen, en de mand van de ongezuurde broden; 3 En verzamel de hele gemeenschap aan de deur van de tent van de samenkomst. 4 Mozes nu deed, zoals JAHWEH hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent van de samenkomst. 5 Toen zei Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die JAHWEH geboden heeft te doen. 6 En Mozes deed Aäron en zijn zonen naderen, en waste hen met dat water. 7 Daar deed hij hem de rok aan, en gordde hem met de gordel, en trok hem de mantel aan; en deed hij hem de efod aan, en gordde die met de kunstige riem van de efod, en ombond hem daarmee. 8 Verder deed hij hem de borstlap aan, en voegde aan de borstlap de Urim en de Thummim. 9 En hij zette de tulband op zijn hoofd; en aan de tulband boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon van de heiligheid, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 10 Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde de tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze. 11 En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, en ook het wasvat en zijn voet, om die te heiligen. 12 Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen. 13 Ook deed Mozes de zonen van Aäron naderen, en trok hun onderkleding aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun hoofddoeken op, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 14 Toen deed hij de stier van het zondoffer bijeenkomen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de stier van het zondoffer; 15 En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen van het altaar, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar, en heiligde het, om daarvoor verzoening te doen. 16 Verder nam hij al het vet, dat aan het binnenste is, en het net van de lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar. 17 Maar de stier met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 18 Daarna deed hij de ram van het brandoffer bijbrengen; en Aäron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram. 19 En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom. 20 Hij deelde ook de ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het smeer; 21 Maar het binnenste en de poten waste hij met water; en Mozes stak die hele ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijke reuk, een vuuroffer was het voor JAHWEH, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 22 Daarna deed hij de andere ram, de ram van het vuloffer, bijbrengen; en Aäron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van de ram. 23 En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het lapje van Aärons rechteroor, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. 24 Hij deed ook de zonen van Aäron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op de duim van hun rechterhand, en op de grote teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar. 25 En hij nam het vet, en de staart, en al het vet, dat aan het binnenste is, en het net van de lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe de rechterschouder. 26 Ook nam hij uit de mand van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van JAHWEH was, één ongezuurde koek, en één geoliede broodkoek, en één platte koek; en hij legde ze op dat vet, en op de rechterschouder. 27 En hij gaf dat alles in de handen van Aäron, en in de handen van zijn zonen; en bewoog die als beweegoffer, voor het aangezicht van JAHWEH. 28 Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vuloffers tot een liefelijke reuk; het was een vuuroffer voor JAHWEH. 29 Verder nam Mozes de borst, en bewoog ze als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH; zij werd Mozes ten dele van de ram van het vuloffer, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 30 Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, dat op het altaar was, en sprengde het op Aäron, op zijn kleren, en op zijn zonen, en op de kleren van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron, zijn kleren, en zijn zonen, en de kleren van zijn zonen met hem. 31 En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Kook dat vlees voor de deur van de tent van de samenkomst, en eet het daar, en ook het brood, dat in de mand van het vuloffer is; zoals ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen dat eten. 32 Maar het overige van het vlees en van het brood zult u met vuur verbranden. 33 Ook zult u uit de deur van de tent van de samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan de dag, dat vervuld worden de dagen van uw vuloffer; want zeven dagen zal men uw handen vullen. 34 Zoals men gedaan heeft op deze dag, heeft JAHWEH te doen geboden, om voor u verzoening te doen. 35 U zult dan aan de deur van de tent van de samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht van JAHWEH waarnemen, opdat u niet sterft; want zo is het mij geboden. 36 Aäron nu en zijn zonen deden al de dingen, die JAHWEH door de dienst van Mozes geboden had. ### Leviticus 9 1 En het gebeurde op de achtste dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël; 2 En hij zei tot Aäron: Neem u een kalf, een jong rund, als zondoffer, en een ram als brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht van JAHWEH. 3 Daarna spreek tot de Israëlieten, zeggende: Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, als brandoffer; 4 Ook een os en ram als dankoffer, om voor het aangezicht van JAHWEH te offeren; en voedseloffer met olie gemengd; want vandaag zal JAHWEH u verschijnen. 5 Toen namen zij wat Mozes geboden had, en brachten dat tot voor aan de tent van de samenkomst; en de hele gemeenschap naderde, en stond voor het aangezicht van JAHWEH. 6 En Mozes zei: Deze zaak, die JAHWEH geboden heeft, zult u doen; en de heerlijkheid van JAHWEH zal u verschijnen. 7 En Mozes zei tot Aäron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer, en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offergave van het volk toe, en doe de verzoening voor hen, zoals JAHWEH geboden heeft. 8 Toen naderde Aäron tot het altaar, en slachtte het kalf van het zondoffer, dat voor hem was. 9 En de zonen van Aäron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen van het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan de bodem van het altaar. 10 Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 11 Maar het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger. 12 Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aäron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar. 13 Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar. 14 En hij waste het binnenste en de poten; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar. 15 Daarna deed hij de offergave van het volk toebrengen; en nam de bok van het zondoffer, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem als zondoffer, zoals het eerste. 16 Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht. 17 En hij deed het voedseloffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, naast het morgenbrandoffer. 18 Daarna slachtte hij de os, en de ram als dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aäron leverden het bloed aan hem, dat hij rondom op het altaar sprengde; 19 En het vet van de os, en van de ram, de staart, en wat het binnenste bedekt, en de nieren, en het net van de lever; 20 En zij leiden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar. 21 Maar de borsten en de rechterschouder bewoog Aäron als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Mozes geboden had. 22 Daarna hief Aäron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had. 23 Toen ging Mozes met Aäron in de tent van de samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen aan al het volk. 24 Want een vuur ging uit van het aangezicht van JAHWEH, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het hele volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten. ### Leviticus 10 1 En de zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van JAHWEH, dat hij hen niet geboden had. 2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht van JAHWEH, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht van JAHWEH. 3 En Mozes zei tot Aäron: Dat is het, wat JAHWEH gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Maar Aäron zweeg stil. 4 En Mozes riep Misael en Elzafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron, en zei tot hen: Treed toe, draagt uw broers weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger. 5 Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun onderkleding, tot buiten het leger, zoals Mozes gesproken had. 6 En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: U zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw kleren verscheuren, opdat u niet sterft, en grote toorn over de hele gemeenschap kome; maar uw broers, het hele huis van Israël, zullen deze brand, die JAHWEH aangestoken heeft, bewenen. 7 U zult ook uit de deur van de tent van de samenkomst niet uitgaan, opdat u niet sterft; want de zalfolie van JAHWEH is op u. En zij deden naar het woord van Mozes. 8 En JAHWEH sprak tot Aäron, zeggende: 9 Wijn en sterke drank zult u niet drinken, u, noch uw zonen met u, als u gaan zult in de tent van de samenkomst, opdat u niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten; 10 En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine; 11 En om de Israëlieten te leren al de voorschriften, die JAHWEH door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft. 12 En Mozes sprak tot Aäron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het voedseloffer, dat van de vuuroffers van JAHWEH overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid van de heiligheden. 13 Daarom zult u dat eten in de heilige plaats, omdat het uw bescheiden deel en het bescheiden deel van uw zonen uit de vuuroffers van JAHWEH is; want zo is mij geboden. 14 Ook de beweegborst en de hefschouder zult u in een reine plaats eten, u, en van uw zonen, en uw dochters met u; want tot uw bescheiden deel, en uw zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankoffers van de Israëlieten gegeven. 15 De hefschouder en de beweegborst zullen zij naast de vuuroffers van het vet toebrengen, om als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH te bewegen; dat, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, zoals JAHWEH geboden heeft. 16 En Mozes zocht zeer ijverig de bok van het zondoffer; en ziet, hij was verbrand. Daarom was hij op Eleazar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aäron, zeer boos, zeggende: 17 Waarom hebt u dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaats? Want het is een heiligheid van de heiligheden, en Hij heeft u dat gegeven, opdat u de ongerechtigheid van de vergadering zou dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht van JAHWEH. 18 Zie, daarvan bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; u moest dat geheel gegeten hebben in het heiligdom, zoals ik geboden heb. 19 Toen sprak Aäron tot Mozes: Zie, vandaag hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht van JAHWEH geofferd, en zulke dingen zijn mij overkomen; en had ik vandaag het zondoffer gegeten, zou dat goed geweest zijn in de ogen van JAHWEH? 20 Als Mozes dit hoorde, zo was het goed in zijn ogen. ### Leviticus 11 1 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende tot hen: 2 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Dit is het gedierte, dat u eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn. 3 Al wat onder de beesten gespleten hoeven heeft, en de kloof van de klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult u eten. 4 Deze toch zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, want hij herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die zal u onrein zijn; 5 En het konijntje, want het herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; dat zal u onrein zijn; 6 En de haas, want hij herkauwt wel, maar heeft geen gespleten hoeven; die zal u onrein zijn. 7 Ook het zwijn, want dat heeft wel gespleten hoeven, en klieft de klove van de klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn. 8 Van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn. 9 Dit zult u eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult u eten; 10 Maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel van de wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een gruwel zijn. 11 Ja, een gruwel zullen zij u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver zult u verafschuwen. 12 Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een gruwel zijn. 13 En van het gevogelte zult u deze verafschuwen, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een gruwel zijn: de adelaar, en de havik, en de zeearend, 14 En de gier, en de kraai, naar haar aard; 15 Alle raven naar haar aard; 16 En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; 17 En de steenuil, en de visarend, en de ransuil, 18 En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan, 19 En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vleermuis. 20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een gruwel zijn. 21 Dit toch zult u eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, dat boven aan zijn voeten poten heeft, om daarmee op de aarde te springen; 22 Van die zult u deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en de hargol naar zijn aard, en de hagab naar zijn aard. 23 En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een gruwel zijn. 24 En aan deze zult u verontreinigd worden; zo wie hun kadaver zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. 25 Zo wie van hun kadaver gedragen zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. 26 Alle beest, dat gespleten hoeven heeft, maar de klove niet in tweeën klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie het aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn. 27 En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun kadaver aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. 28 Ook die hun kadaver zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; zij zullen u onrein zijn. 29 Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard; 30 En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol; 31 Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan de avond. 32 Daartoe al wat, waarop iets daarvan vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten voorwerp, of kleed, of huid, of zak, of alle voorwerp, waarmee enig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal het rein zijn. 33 En alle aarden pot, waarin iets daarvan zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en u zult dat breken. 34 Van alle voedsel, dat men eet, waarop het water zal gekomen zijn, dat zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle voorwerp onrein zijn. 35 En waarop iets van hun kadaver zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn. 36 Maar een fontein, of put van vergadering van de wateren, zal rein zijn; maar wie hun kadaver zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn. 37 En wanneer van hun kadaver zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn. 38 Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun kadaver daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn. 39 En wanneer van de dieren, die u tot voedsel zijn, iets zal gestorven zijn, wie daarvan kadaver zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. 40 Ook die van hun kadaver gegeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond; en die hun kadaver zal gedragen hebben, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. 41 Verder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een gruwel zijn; het zal niet gegeten worden. 42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult u niet eten, want zij zijn een gruwel. 43 Maak uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat u daaraan verontreinigd zou worden. 44 Want Ik ben JAHWEH, uw God; daarom zult u zich heiligen, en heilig zijn, omdat Ik heilig ben; en u zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert. 45 Want Ik ben JAHWEH, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat u heilig bent, omdat Ik heilig ben. 46 Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde; 47 Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal. ### Leviticus 12 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een jongetje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen van de afzondering van haar ziekte zal zij onrein zijn. 3 En op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden. 4 Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed van haar reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, voordat de dagen van haar reiniging vervuld zijn. 5 Maar als zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed van haar reiniging. 6 En als de dagen van haar reiniging voor de zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam als brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, als zondoffer brengen, voor de deur van de tent van de samenkomst, tot de priester. 7 Die zal dat offeren voor het aangezicht van JAHWEH, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van de vloed van haar bloed. Dit is de wet van degene, die een jongetje of meisje gebaard heeft. 8 Maar als haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, één als brandoffer, en één als zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn. ### Leviticus 13 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 2 Een mens, als in het huid van zijn lichaam een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, die in het huid van zijn lichaam tot een plaag van de melaatsheid zou worden, hij zal dan tot de priester Aäron, of tot één uit zijn zonen, de priesters, gebracht worden. 3 En de priester zal de plaag in het huid van het vlees bekijken; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien van de plaag dieper is dan het huid van zijn lichaam, het is de plaag van de melaatsheid; als de priester hem bekeken zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren. 4 Maar zo de blaar in het huid van zijn vlees wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het huid, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten. 5 Daarna zal de priester op de zevende dag hem bekijken; als, zie, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten. 6 En de priester zal hem opnieuw op de zevende dag bekijken; als, zie, de plaag ingetrokken, en de plaag in het huid niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn kleren wassen, zo is hij rein. 7 Maar zo de verzwering in het huid geheel uitgespreid is, nadat hij aan de priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij opnieuw aan de priester vertoond worden. 8 Als de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het huid uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid. 9 Wanneer de plaag van de melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot de priester gebracht worden. 10 Als de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het huid is, dat het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is; 11 Dat is een verouderde melaatsheid in het huid van zijn lichaam; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein. 12 En zo de melaatsheid in het huid geheel uitbreekt, en de melaatsheid het hele huid van degene, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen van de priester; 13 En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn hele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein. 14 Maar op de dag dat levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn. 15 Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid. 16 Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot de priester komen. 17 Als de priester hem bekeken zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein. 18 Het vlees ook, als in zijn huid een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is; 19 En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan de priester vertoond worden. 20 Als de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het huid, en het haar daarvan in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot. 21 Wanneer nu de priester die bekeken zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. 22 Zo zij daarna geheel in het huid uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag. 23 Maar als de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren; 24 Of wanneer in het huid van het vlees een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van die brand een witte roodachtige of witte blaar is; 25 En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het huid; het is melaatsheid, door de brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid. 26 Maar als de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het huid, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten. 27 Daarna zal de priester hem op de zevende dag bekijken; als zij geheel uitgespreid is in het huid, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag van de melaatsheid. 28 Maar als de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het huid uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van de brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van de brand. 29 Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in de baard; 30 En de priester de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het huid, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurft, het is melaatsheid van het hoofd of van de baard. 31 Maar als de priester de plaag van de schurft zal bekeken hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het huid, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag van de schurft heeft, zeven dagen doen opsluiten. 32 Daarna zal de priester die plaag op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien van de schurft dieper dan het huid is; 33 Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurft zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurft heeft, opnieuw zeven dagen doen opsluiten. 34 Daarna zal de priester die schurft op de zevende dag bekijken; als, zie, de schurft in het huid niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het huid, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn kleren wassen, en rein zijn. 35 Maar als de schurft in het huid geheel uitgespreid is, na zijn reiniging; 36 En de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, de schurft in het huid uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein. 37 Maar als die schurft, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gegroeid is, die schurft is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren. 38 Verder als een man, of vrouw, aan het huid van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren; 39 En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het huid van hun vlees zijn; het is een witte puist in het huid uitgebot, hij is rein. 40 En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein. 41 En zo van de zijde van zijn aangezicht het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein. 42 Maar zo in de kaalheid, of in het kale voorhoofd, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbrekende in zijn kaalheid, of in zijn kale voorhoofd. 43 Als de priester hem zal bekeken hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of kale voorhoofd, wit roodachtig is, zoals het aanzien van de melaatsheid van het huid van het vlees; 44 Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem geheel onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd. 45 Verder zullen de kleren van de melaatse, in wie die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein! 46 Al de dagen, waarin deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen. 47 Verder als aan een kleed de plaag van de melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed, 48 Of aan de scheerdraad, of aan de inslag van linnen, of van wol, of aan huid, of aan enig vellenwerk; 49 En die plaag aan het kleed, of aan het huid, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag van de melaatsheid; daarom zal zij de priester vertoond worden. 50 En de priester zal de plaag bekijken; en hij zal wat de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten. 51 Daarna zal hij op de zevende dag de plaag bekijken; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan het huid, tot wat werk dat huid zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een kwaadaardige melaatsheid, het is onrein. 52 Daarom zal hij dat kleed, of dat weefsel, of die inslag van wol, of van linnen, of alle leren voorwerpen, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een kwaadaardige melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden. 53 Maar als de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp niet uitgespreid is; 54 Zo zal de priester gebieden, dat men wat, waaraan die plaag is, wast, en hij zal dat opnieuw zeven dagen doen opsluiten. 55 Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bekeken hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, u zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde. 56 Als nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het huid, of van de scheerdraad, of van de inslag afscheuren. 57 Maar zo zij nog aan het kleed, of aan de scheerdraad, of aan de inslag, of aan enig leren voorwerp, gezien wordt, het is uitbrekende melaatsheid; u zult wat, waaraan de plaag is, met vuur verbranden. 58 Maar het kledingstuk, of het weefsel, of de inslag, of elk leren voorwerp, dat u gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal opnieuw gewassen worden, en het zal rein zijn. 59 Dit is de wet van de plaag van de melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een weefsel, of een inslag, of enig leren voorwerp, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren. ### Leviticus 14 1 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Dit zal de wet van de melaatse zijn, op de dag van zijn reiniging: dat hij tot de priester zal gebracht worden. 3 En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag van de melaatsheid van de melaatse genezen is; 4 Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogels neme, en ook cederhout, en scharlaken, en hysop. 5 De priester zal ook gebieden, dat men de ene vogel slachte, in een aarden pot, over levend water. 6 Die levende vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en de hysop; en zal die, en de levende vogel dopen in het bloed van de vogel, die boven het levende water geslacht is. 7 En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprenkelen; daarna zal hij hem rein verklaren, en de levende vogel in het open veld vliegen laten. 8 Die nu te reinigen is, zal zijn kleren wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven. 9 En op de zevende dag zal het gebeuren, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen van zijn ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn. 10 En op de achtste dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, en ook drie tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, en een log olie. 11 De priester nu, die de reiniging doet, zal de man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst. 12 En de priester zal dat ene lam nemen, en het offeren tot een schuldoffer met de log olie; en zal die als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH bewegen. 13 Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, zoals het zondoffer, is voor de priester; het is een heiligheid van de heiligheden. 14 En de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, dat de priester doen zal op het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. 15 De priester zal ook uit de log van de olie nemen, en zal ze op de linkerhand van de priester gieten. 16 Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprenkelen, voor het aangezicht van JAHWEH. 17 En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet, boven op het bloed van het schuldoffer. 18 Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand van de priester geweest is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH. 19 De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten. 20 En de priester zal dat brandoffer en dat voedseloffer op het altaar offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn. 21 Maar als hij arm is, en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij één lam als schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe één tiende meelbloem, met olie gemengd, als voedseloffer, en een log olie; 22 En ook twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, waarvan de ene als zondoffer, en één als brandoffer zijn zal. 23 En hij zal die, op de achtste dag van zijn reiniging, tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van JAHWEH. 24 En de priester zal het lam van het schuldoffer, en de log van de olie nemen; en de priester zal die als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH bewegen. 25 Daarna zal hij het lam van het schuldoffer slachten, en de priester zal van het bloed van het schuldoffer nemen, en doen op het rechteroorlapje van degene, die te reinigen is, en op de duim van zijn rechterhand, en op de grote teen van zijn rechtervoet. 26 Ook zal de priester van die olie op de linkerhand van de priester gieten. 27 Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprenkelen, zevenmaal, voor het aangezicht van JAHWEH. 28 En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor van degene, die te reinigen is, en aan de duim van zijn rechterhand, en aan de grote teen van zijn rechtervoet, op de plaats van het bloed van het schuldoffer. 29 En het overgeblevene van de olie, die in de hand van de priester is, zal hij doen op het hoofd van degene, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht van JAHWEH. 30 Daarna zal hij de ene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van wat zijn hand bereikt zal hebben. 31 Van wat zijn hand bereikt zal hebben, zal één als zondoffer, en één als brandoffer zijn, boven het voedseloffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH. 32 Dit is de wet van degene, in wie de plaag van de melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging dat niet bereikt zal hebben. 33 Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 34 Als u zult gekomen zijn in het land van Kanaän, dat Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag van de melaatsheid aan een huis van dat land van uw bezitting zal gegeven hebben; 35 Zo zal hij, van wie dat huis is, komen, en de priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij, alsof er een aantasting in het huis was. 36 En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, voordat de priester komt, om die plaag te bekijken, opdat niet al wat in dat huis is, onrein wordt; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bekijken. 37 Als hij die plaag bekijken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die wand; 38 De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten. 39 Daarna zal de priester op de zevende dag terugkeren; als hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is; 40 Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, waarin die plaag is, uitbreken, en die tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats; 41 En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof, dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten. 42 Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van die stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken. 43 Maar als die plaag terugkeert, en in dat huis uitbreekt, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn; 44 Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een kwaadaardige melaatsheid in dat huis, het is onrein. 45 Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout even afbreken, en ook al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats. 46 En die in dat huis gaat te enige dage, als men het zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. 47 Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn kleren wassen; ook, die in dat huis eet, zal zijn kleren wassen. 48 Maar als de priester zal weer ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, omdat die plaag genezen is. 49 Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, en ook cederhout, en scharlaken, en hysop. 50 En hij zal de ene vogel slachten in een aarden pot, over levend water. 51 Dan zal hij dat cederhout, en die hysop, en het scharlaken, en de levende vogel nemen, en zal die in het bloed van de geslachte vogel en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen. 52 Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed van de vogel, en met dat levend water, en met de levende vogel, en met dat cederhout, en met de hysop, en met het scharlaken. 53 De levende vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn. 54 Dit is de wet voor alle plaag van de melaatsheid, en voor schurft; 55 En voor melaatsheid van de kleren, en van de huizen; 56 En ook voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren; 57 Om te leren, op welke dag iets onrein, en op welke dag iets rein is. Dit is de wet van de melaatsheid. ### Leviticus 15 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zegt tot hen: Een ieder man, als hij vloeiende zal zijn uit zijn vlees, zal om zijn vloed onrein zijn. 3 Dit nu zal zijn onreinheid om zijn vloed zijn: zo zijn vlees zijn vloed uitzevert, of zijn vlees van zijn vloed zich verstopt, dat is zijn onreinheid. 4 Alle bed, waarop hij, die de vloed heeft, zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig, waarop hij zal zitten, zal onrein zijn. 5 Een ieder ook, die zijn bed zal aanroeren, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond. 6 En die op dat tuig zit, waarop hij, die de vloed heeft, gezeten zal hebben, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan de avond. 7 En die het vlees van degene, die de vloed heeft, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 8 Als ook hij, die de vloed heeft, op een reine zal gespogen hebben, dan zal hij zijn kleren wassen, en zal zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 9 Ook alle zadel, waarop hij, die de vloed heeft, zal gereden hebben, zal onrein zijn. 10 En al wie iets aanroert, dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan de avond; en die het draagt, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 11 Daartoe een ieder, wie hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zonder zijn handen met water gespoeld te hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 12 Ook de aarden pot, die hij, die de vloed heeft, zal aangeroerd hebben, zal gebroken worden; maar alle houten voorwerp zal met water gespoeld worden. 13 Als hij nu, die de vloed heeft, van zijn vloed gereinigd zal zijn, zo zal hij tot zijn reiniging zeven dagen voor zich tellen, en zijn kleren wassen, en hij zal zijn vlees met levend water baden, zo zal hij rein zijn. 14 En op de achtste dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst komen, en zal ze de priester geven. 15 En de priester zal die bereiden, één als zondoffer, en één als brandoffer; zo zal de priester over hem voor het aangezicht van JAHWEH, vanwege zijn vloed, verzoening doen. 16 Verder een man, als van hem het zaad van het bijliggen zal uitgegaan zijn, die zal zijn hele vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 17 Ook alle kleed, en alle huid, aan dat het zaad van het bijliggen wezen zal, dat zal met water gewassen worden, en onrein zijn tot aan de avond. 18 En ook de vrouw, als een man met het zaad van het bijliggen bij haar gelegen zal hebben; daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 19 Maar als een vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vlees, zo zal zij zeven dagen in haar afzondering zijn; en al wie haar aanroert, zal onrein zijn tot aan de avond. 20 En al wat, waarop zij in haar afzondering zal gelegen hebben, zal onrein zijn; en ook alles, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn. 21 En al wie haar bed aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 22 Ook al wie enig tuig, waarop zij gezeten zal hebben, aanroert, zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 23 Zelfs als het op het bed geweest zal zijn, of op het tuig, waarop zij zat, als hij dat aanroerde, hij zal onrein zijn tot aan de avond. 24 Ook zo iemand zeker bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle bed, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn. 25 Wanneer ook een vrouw, vele dagen buiten de tijd van haar afzondering, van de vloed van haar bloed vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven haar afzondering, zij zal al de dagen van de vloed van haar onreinheid, als in de dagen van haar afzondering onrein zijn. 26 Alle bed, waarop zij al de dagen van haar vloed gelegen zal hebben, zal haar zijn als het bed van haar afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinheid van haar afzondering. 27 En zo wie die dingen aanroert, zal onrein zijn; daarom zal hij zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 28 Maar als zij van haar vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, daarna zal zij rein zijn. 29 En op de achtste dag zal zij voor zich twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, en zij zal die tot de priester brengen, aan de deur van de tent van de samenkomst. 30 Dan zal de priester één als zondoffer en één als brandoffer bereiden; en de priester zal voor haar, van de vloed van haar onreinheid, verzoening doen voor het aangezicht van JAHWEH. 31 Zo zult u de Israëlieten afzonderen van hun onreinheid; opdat zij in hun onreinheid niet sterven, als zij Mijn tabernakel, die in het midden van hen is, verontreinigen zouden. 32 Dit is de wet van degene, die de vloed heeft, en van wie het zaad van de bijligging uitgaat; zodat hij daardoor onrein wordt; 33 En ook van een zwakke vrouw in haar afzondering, en van degene, die van zijn vloed is vloeiende, voor een man, en voor een vrouw; en voor een man, die bij een onreine zal gelegen hebben. ### Leviticus 16 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aäron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht van JAHWEH, en gestorven waren; 2 JAHWEH dan zei tot Mozes: Spreek tot uw broer Aäron, dat hij niet altijd ga in het heilige, binnen het voorhangsel, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel. 3 Hiermee zal Aäron in het heilige gaan: met een stier, een jong rund als zondoffer, en een ram als brandoffer. 4 Hij zal de heilige linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen tulband bedekken; dit zijn heilige kleren; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen. 5 En aan de gemeenschap van de Israëlieten zal hij nemen twee geitenbokken als zondoffer, en één ram als brandoffer. 6 Daarna zal Aäron de stier van het zondoffer, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen. 7 Hij zal ook beide bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst. 8 En Aäron zal de loten over die twee bokken werpen: één lot voor JAHWEH, en één lot voor de weggaande bok. 9 Dan zal Aäron de bok, waarop het lot voor JAHWEH zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken. 10 Maar de bok, waarop het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht van JAHWEH gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlate. 11 Aäron dan zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, toebrengen, en voor zichzelf en voor zijn huis verzoening doen, en zal de stier van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, slachten. 12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht van JAHWEH, en zijn handen vol reukwerk van geurende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen het voorhangsel dragen. 13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht van JAHWEH, opdat de nevel van het reukwerk het verzoendeksel, dat is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve. 14 En hij zal van het bloed van de stier nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel naar het oosten sprenkelen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprenkelen. 15 Daarna zal hij de bok van het zondoffer, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in het voorhangsel dragen, en zal met zijn bloed doen, zoals hij met het bloed van de stier gedaan heeft, en zal dat sprenkelen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel. 16 Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinheden van de Israëlieten, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en zo zal hij doen aan de tent van de samenkomst, die met hen woont in het midden van hun onreinheden. 17 En geen mens zal in de tent van de samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, voordat hij zal uitkomen; zo zal hij verzoening doen, voor zichzelf, en voor zijn huis, en voor de hele gemeente van Israël. 18 Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH is, uitkomen, en verzoening daarvoor doen; en hij zal van het bloed van de stier, en van het bloed van de bok nemen, en doen het rondom op de hoornen van het altaar. 19 En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprenkelen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinheden van de Israëlieten. 20 Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige, en de tent van de samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij die levende bok toebrengen. 21 En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van de levende bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden van de Israëlieten, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van de bok leggen, en zal hem door de hand van een man, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. 22 Zo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal die bok in de woestijn uitlaten. 23 Daarna zal Aäron komen in de tent van de samenkomst, en zal de linnen kleren uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten. 24 En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn kleren aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer van het volk bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen. 25 Ook zal hij het vet van het zondoffer op het altaar aansteken. 26 En die de bok, die een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen. 27 Maar de stier van het zondoffer, en de bok van het zondoffer, waarvan het bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; maar hun huiden, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden. 28 Die nu die verbrandt, zal zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen. 29 En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: u zult in de zevende maand, op de tiende van de maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. 30 Want op die dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult u voor het aangezicht van JAHWEH gereinigd worden. 31 Dat zal u een sabbat van de rust zijn, opdat u uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting. 32 En de priester, die men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, zal aangetrokken hebben. 33 Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent van de samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; evenzo voor de priesters, en voor al het volk van de gemeente zal hij verzoening doen. 34 En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de Israëlieten van al hun zonden, eenmaal in het jaar, verzoening te doen. En men deed, zoals JAHWEH Mozes geboden had. ### Leviticus 17 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen: Dit is het woord, dat JAHWEH geboden heeft, zeggende: 3 Een ieder van het huis van Israël, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger; 4 En die aan de deur van de tent van de samenkomst niet brengen zal, om een offergave aan JAHWEH voor de tabernakel van JAHWEH te offeren; het bloed zal die man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal die man uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden; 5 Opdat, wanneer de Israëlieten hun slachtoffers brengen, die zij op het veld slachten, dat zij die aan JAHWEH toebrengen, aan de deur van de tent van de samenkomst tot de priester, en die tot dankoffers voor JAHWEH slachten. 6 En de priester zal het bloed op het altaar van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst, sprenkelen; en hij zal het vet aansteken, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 7 En zij zullen ook niet meer hun slachtoffers aan de demonen, die zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun generaties. 8 Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis van Israël, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren, 9 En dat tot de deur van de tent van de samenkomst niet zal brengen, om het voor JAHWEH te bereiden; die man zal uit zijn volken uitgeroeid worden. 10 En een ieder uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden van haar volk uitroeien. 11 Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen. 12 Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten. 13 Een ieder ook van de Israëlieten en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal daarvan bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken. 14 Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: U zult van geen enkel vlees het bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden. 15 En alle ziel onder de ingezetenen of onder de vreemdelingen, die een kadaver of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan de avond; daarna zal hij rein zijn. 16 Maar als hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen. ### Leviticus 18 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Ik ben JAHWEH, uw God! 3 U zult niet doen naar de werken van het Egyptische land, waarin u gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u brenge, zult u niet doen, en zult in hun voorschriften niet wandelen. 4 Mijn rechten zult u doen, en Mijn voorschriften zult u houden, om in die te wandelen; Ik ben JAHWEH, uw God! 5 Ja, Mijn voorschriften en Mijn rechten zult u houden; welk mens deze zal doen, die zal daardoor leven; Ik ben JAHWEH! 6 Niemand zal tot enige nabestaande van zijn lichaam naderen, om de schaamte te ontbloten; Ik ben JAHWEH! 7 U zult de schaamte van uw vader en de schaamte van uw moeder niet ontbloten; zij is uw moeder; u zult haar schaamte niet ontbloten. 8 U zult de schaamte van de huisvrouw van uw vader niet ontbloten; het is de schaamte van uw vader. 9 De schaamte van uw zus, van de dochter van uw vader, of van de dochter van uw moeder, te huis geboren of buiten geboren, haar schaamte zult u niet ontbloten. 10 De schaamte van de dochter van uw zoon, of van de dochter van uw dochter, haar schaamte zult u niet ontbloten; want zij zijn uw schaamte. 11 De schaamte van de dochter van de huisvrouw van uw vader, die uw vader geboren is (zij is uw zus), haar schaamte zult u niet ontbloten. 12 U zult de schaamte van de zus van uw vader niet ontbloten; zij is de nabestaande van uw vader. 13 U zult de schaamte van de zus van uw moeder niet ontbloten; want zij is de nabestaande van uw moeder. 14 U zult de schaamte van de broer van uw vader niet ontbloten; tot zijn huisvrouw zult u niet naderen; zij is uw tante. 15 U zult de schaamte van uw schoondochter niet ontbloten; zij is de huisvrouw van uw zoon; u zult haar schaamte niet ontbloten. 16 U zult de schaamte van de huisvrouw van uw broer niet ontbloten; het is de schaamte van uw broer. 17 U zult de schaamte van een vrouw en haar dochter niet ontbloten; de dochter van haar zoon, noch de dochter van haar dochter zult u nemen, om haar schaamte te ontbloten; zij zijn nabestaanden; het is een schandelijke daad. 18 U zult ook geen vrouw tot haar zus nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte naast haar, in haar leven, te ontbloten. 19 Ook zult u tot de vrouw in de afzondering van haar onreinheid niet naderen, om haar schaamte te ontbloten. 20 En u zult niet liggen bij de huisvrouw van uw naaste ter bezading, om met haar onrein te worden. 21 En van uw zaad zult u niet geven, om voor de Molech door het vuur te doen gaan; en de Naam van uw God zult u niet ontheiligen; Ik ben JAHWEH! 22 Bij een man zult u niet liggen zoals men bij een vrouw ligt; dit is een gruwel. 23 Ook zult u bij geen beest liggen, om daarmee onrein te worden; een vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmee te doen te hebben; het is een gruwelijke vermenging. 24 Verontreinig u niet met enige van deze; want de heidenen, die Ik van uw aangezicht uitwerpe, zijn met alle deze verontreinigd; 25 Zodat het land onrein is, en Ik over het land zijn ongerechtigheid bezoeke, en het land zijn inwoners uitspuwt. 26 Maar u zult Mijn voorschriften en Mijn rechten onderhouden, en van al die gruwelijke dingen niets doen, ingezetene noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert. 27 Want de mensen van dit land, die voor u geweest zijn, hebben al deze gruwelijke dingen gedaan; en het land is onrein geworden. 28 Dat u dat land niet uitspuwe, als u het zult verontreinigd hebben; zoals het het volk, dat voor u was, uitgespuwd heeft. 29 Want al wie enige van deze gruwelijke dingen doen zal, die zielen, die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden. 30 Daarom zult u Mijn bevel onderhouden, dat u niet doet van die gruwelijke voorschriften, die voor u zijn gedaan geweest, en u daarmee niet verontreinigt; Ik ben JAHWEH, uw God! ### Leviticus 19 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tot hen: U zult heilig zijn, want Ik, JAHWEH, uw God, ben heilig! 3 Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben JAHWEH, uw God! 4 U zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben JAHWEH, uw God! 5 En wanneer u een dankoffer voor JAHWEH offeren zult, naar uw welgevallen zult u dat offeren. 6 Op de dag van uw offeren, en op de andere dag, zal het gegeten worden; maar wat tot op de derde dag overblijft zal met vuur verbrand worden. 7 En zo het op de derde dag enigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn. 8 En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige van JAHWEH ontheiligd heeft; daarom zal die ziel, uit haar volken uitgeroeid worden. 9 Als u ook de oogst van uw land inoogsten zult, u zult de hoek van uw veld niet geheel afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen. 10 Ook zult u uw wijngaard niet nalopen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; de arme en de vreemdeling zult u die overlaten; Ik ben JAHWEH, uw God! 11 U zult niet stelen, en u zult niet liegen, noch vals handelen, ieder tegen zijn naaste. 12 U zult niet vals bij Mijn Naam zweren; want u zou de Naam van uw God ontheiligen; Ik ben JAHWEH. 13 U zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet overnachten tot aan de morgen. 14 U zult de dove niet vloeken, en voor het aangezicht van de blinden geen aanstoot zetten; maar u zult voor uw God vrezen; Ik ben JAHWEH! 15 U zult geen onrecht doen in het gericht; u zult het aangezicht van de geringen niet aannemen, noch het aangezicht van de grote voortrekken; in gerechtigheid zult u uw naaste richten. 16 U zult niet wandelen als een roddelaar onder uw volken; u zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben JAHWEH! 17 U zult uw broer in uw hart niet haten; u zult uw naaste ijverig berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen. 18 U zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen van uw volk; maar u zult uw naaste liefhebben als uzelf; Ik ben JAHWEH! 19 U zult Mijn voorschriften houden; u zult geen tweeërlei aard van uw beesten laten samen te doen hebben; uw akker zult u niet met tweeërlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeërlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen. 20 En wanneer een man, door bijligging van het zaad, bij een vrouw zal gelegen hebben, die een dienstmaagd is, bij de man versmaad, en in geen geval gelost is, en haar geen vrijheid is gegeven; die zullen gegeseld worden; zij zullen niet gedood worden; want zij was niet vrij gemaakt. 21 En hij zal zijn schuldoffer voor JAHWEH aan de deur van de tent van de samenkomst brengen, een ram als schuldoffer. 22 En de priester zal met de ram van het schuldoffer, voor hem over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht van JAHWEH verzoening doen; en hem zal vergeving gebeuren van zijn zonde, die hij gezondigd heeft. 23 Als u ook in dat land gekomen zult zijn, en alle geboomte als voedsel geplant zult hebben, zo zult u de voorhuid daarvan, zijn vrucht, besnijden; drie jaar zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden. 24 Maar in het vierde jaar zal al zijn vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor JAHWEH. 25 En in het vijfde jaar zult u daarvan vrucht eten, om het inkomen daarvan voor u te vermeerderen; Ik ben JAHWEH, uw God! 26 U zult niets met het bloed eten. U zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch bezwering plegen. 27 U zult de hoeken van uw hoofd niet rond afscheren; ook zult u de hoeken van uw baard niet verderven. 28 U zult om een dood lichaam geen kerving in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben JAHWEH! 29 U zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld wordt. 30 U zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben JAHWEH! 31 U zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de dodenbezweerders; zoek hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben JAHWEH, uw God! 32 Voor het grijze haar zult u opstaan, en zult het aangezicht van de oude vereren; en u zult vrezen voor uw God; Ik ben JAHWEH! 33 En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, u zult hem niet verdrukken. 34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een ingezetene van u; u zult hem liefhebben als uzelf; want u bent vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben JAHWEH, uw God! 35 U zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat. 36 U zult een rechte weegschaal hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben JAHWEH, uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb! 37 Daarom zult u al Mijn voorschriften en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben JAHWEH! ### Leviticus 20 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 U zult ook tot de Israëlieten zeggen: Een ieder uit de Israëlieten, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad aan de Molech gegeven zal hebben, zal zeker gedood worden; het volk van het land zal hem met stenen stenigen. 3 En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien; want hij heeft van zijn zaad aan de Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heilige Naam ontheiligen zou. 4 En als het volk van het land hun ogen enigszins verbergen zal van die man, als hij van zijn zaad aan de Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode; 5 Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om de Molech na te hoereren, uit het midden van hun volk uitroeien. 6 Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de dodenbezweerders zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden van haar volk uitroeien. 7 Daarom heiligt u, en wees heilig; want Ik ben JAHWEH, uw God! 8 En onderhoudt Mijn voorschriften, en doet die; Ik ben JAHWEH, die u heilige. 9 Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zeker gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem! 10 Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, omdat hij met de vrouw van zijn naaste overspel gedaan heeft, zal zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster. 11 En een man, die bij de huisvrouw van zijn vader zal gelegen hebben, heeft de schaamte van zijn vader ontbloot; zij beiden zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen! 12 Ook, als de man bij de vrouw van zijn zoon zal gelegen hebben, zij zullen beiden zeker gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen! 13 Wanneer ook een man bij een man zal gelegen hebben, zoals men bij een vrouw ligt, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen! 14 En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en die met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij. 15 Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zeker gedood worden; ook zult u het beest doden. 16 Zo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmee te doen te hebben, zo zult u die vrouw en dat beest doden; zij zullen zeker gedood worden; hun bloed is op hen! 17 En als een man zijn zus, de dochter van zijn vader, of de dochter van zijn moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen van hun volk uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte van zijn zus ontbloot, hij zal zijn ongerechtigheid dragen. 18 En als een man bij een vrouw, die haar ziekte heeft, zal gelegen en haar schaamte ontbloot, haar fontein ontbloot, en zij zelf de fontein van haar bloed ontbloot zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden. 19 Daartoe zult u de schaamte van de zus van uw moeder, en van de zus van uw vader niet ontbloten; omdat hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen. 20 Als ook een man bij zijn tante zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte van zijn oom ontbloot; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven. 21 En wanneer een man de huisvrouw van zijn broer zal genomen hebben, het is onreinheid; hij heeft de schaamte van zijn broer ontbloot; zij zullen zonder kinderen zijn. 22 Onderhoud dan al Mijn voorschriften en al Mijn rechten, en doet die; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe. 23 En wandelt niet in de voorschriften van het volk, dat Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden. 24 En Ik heb u gezegd: U zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat u het erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honing; Ik ben JAHWEH, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb! 25 Daarom zult u onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en u zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op de aardbodem kruipt, dat Ik voor u afgezonderd heb, opdat u het onrein houdt. 26 En u zult Mij heilig zijn, want Ik, JAHWEH, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat u van Mij zou zijn. 27 Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggende geest zal hebben, of een dodenbezweerder zal zijn, zij zullen zeker gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen. ### Leviticus 21 1 Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken. 2 Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broer. 3 En over zijn zus, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen. 4 Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen. 5 Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen de hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden. 6 Zij zullen hun God heilig zijn, en de Naam van hun God zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuuroffers van JAHWEH, het voedsel van hun God; daarom zullen zij heilig zijn. 7 Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig. 8 Daarom zult u hem heiligen, omdat hij het voedsel van uw God offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben JAHWEH, die u heilige! 9 Als nu de dochter van enige priester zal beginnen ontucht te plegen, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden. 10 En hij, die de hogepriester onder zijn broers is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en die men in zijn ambt heeft bevestigd, om die kleren aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn kleren scheuren. 11 Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen. 12 En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom van zijn God niet ontheilige, want de kroon van de zalfolie van zijn God is op hem; Ik ben JAHWEH! 13 Hij zal ook een vrouw nemen die nog maagd is. 14 Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen. 15 En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben JAHWEH, die hem heilige! 16 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 17 Spreek tot Aäron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, om het voedsel van zijn God te offeren. 18 Want geen man, in wie een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang in leden; 19 Of een man, in wie een breuk van de voet, of een breuk van de hand zal zijn; 20 Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een huid op zijn oog zal hebben, of droge schurft, of etterige schurft, of die gebroken zal zijn aan zijn geslachtsdeel. 21 Geen man, uit het zaad van Aäron, de priester, in wie een gebrek is, zal toetreden om de vuuroffers van JAHWEH te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om het voedsel van zijn God te offeren. 22 Het voedsel van zijn God, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten; 23 Maar tot het voorhangsel zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben JAHWEH, die hen heilige! 24 En Mozes sprak dat tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten. ### Leviticus 22 1 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aäron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen van de Israëlieten, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam van Mijn heiligheid niet ontheiligen; Ik ben JAHWEH! 3 Zeg tot hen: Alle man onder uw geslachten, die uit uw hele zaad tot de heilige dingen, die de Israëlieten aan JAHWEH heiligen, naderen zal, als zijn onreinheid op hem is; die mens zal van voor Mijn aangezicht uitgeroeid worden; Ik ben JAHWEH! 4 Niemand van het zaad van Aäron, die melaats is, of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; en ook die iets aanroert, dat onrein is van een dood lichaam, of iemand, wie het zaad van de bijligging ontgaat. 5 Of zo wie aangeroerd zal hebben enig kruipend gedierte, waarvan hij onrein is, of een mens, waarvan hij onrein is, naar al zijn onreinheid; 6 De mens, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vlees met water baden. 7 Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten; want dat is zijn voedsel. 8 Het kadaver, en het verscheurde zal hij niet eten, om daarmee onrein te worden; Ik ben JAHWEH! 9 Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben JAHWEH, die hen heilige! 10 Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner van de priester, en een dagloner, zullen het heilige niet eten. 11 Wanneer dan nog de priester een ziel met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten; en de ingeborene van zijn huis, die zullen van zijn voedsel eten. 12 Maar als de dochter van de priester aan een vreemde man zal toebehoren, zij zal van het hefoffer van de heilige dingen niet eten. 13 Maar als de dochter van de priester een weduwe of een verstotene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot het huis van haar vader, als in haar jeugd, zal teruggekeerd zijn, zo zal zij van het voedsel van haar vader eten; maar geen vreemde zal daarvan eten. 14 En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zo zal hij zijn vijfde deel daarboven toedoen, en zal het de priester met het heilige wedergeven. 15 Zo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen van de Israëlieten, die zij aan JAHWEH zullen gegeven hebben; 16 En hen doen dragen de ongerechtigheid van de schuld, als zij hun heilige dingen zouden eten; want Ik ben JAHWEH, Die hen heilige! 17 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot Aäron, en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israël, en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijn offergave zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offers, die zij aan JAHWEH als brandoffer zullen offeren; 19 Het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten. 20 U zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u. 21 En als iemand een dankoffer voor JAHWEH zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn. 22 Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurft, of etterige schurft hebbende, deze zult u aan JAHWEH niet offeren, en daarvan zult u aan JAHWEH geen vuuroffer op het altaar geven. 23 Maar een os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult u tot een vrijwillig offer bereiden; maar tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn. 24 Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult u aan JAHWEH niet offeren; dat zult u in uw land niet doen. 25 U zult ook uit de hand van de vreemden van al deze dingen aan uw God geen voedsel offeren; want hun verdorvenheid is in hen, daarin is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u. 26 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 27 Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van de achtste dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offergave van het vuuroffer voor JAHWEH. 28 U zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op één dag niet slachten. 29 En als u een lofoffer voor JAHWEH zult slachten, naar uw wil zult u het slachten. 30 Het zal op deze dag gegeten worden; u zult daarvan niet overlaten tot op de morgen; Ik ben JAHWEH! 31 Daarom zult u Mijn geboden houden, en die doen; Ik ben JAHWEH! 32 En u zult Mijn heilige Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden van de Israëlieten geheiligd word; Ik ben JAHWEH, die u heilige! 33 Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben JAHWEH! ### Leviticus 23 1 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: De vastgestelde hoogtijden van JAHWEH, die u uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn vastgestelde hoogtijden. 3 Zes dagen zal men het werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van de rust, een heilige samenroeping; geen werk zult u doen; het is de sabbat van JAHWEH, in al uw woningen. 4 Deze zijn de vastgestelde hoogtijden van JAHWEH, de heilige samenroepingen, die u uitroepen zult op hun vastgestelde tijd. 5 In de eerste maand, op de veertiende van de maand, tussen twee avonden is het pascha van JAHWEH. 6 En op de vijftiende dag van die maand is het feest van de ongezuurde broden van JAHWEH; zeven dagen zult u ongezuurde broden eten. 7 Op de eerste dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. 8 Maar u zult zeven dagen vuuroffer voor JAHWEH offeren; en op de zevende dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult u doen. 9 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als u in het land zult gekomen zijn, dat Ik u geven zal, en u zijn oogst zult inoogsten, dan zult u een schoof van de eerstelingen van uw oogst tot de priester brengen. 11 En hij zal die schoof voor het aangezicht van JAHWEH bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; op de andere dag na de sabbat zal de priester die bewegen. 12 U zult ook op de dag, als u die schoof bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, als brandoffer voor JAHWEH; 13 En zijn voedseloffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, als vuuroffer, voor JAHWEH tot een liefelijke reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin. 14 En u zult geen brood, noch geroosterd koren, noch groene aren eten, tot op die dag, dat u de offergave van uw God zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw woningen. 15 Daarna zult u zich tellen van de andere dag na de sabbat, van de dag, dat u de schoof van het beweegoffer zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn; 16 Tot de andere dag, na de zevende sabbat, zult u vijftig dagen tellen, dan zult u een nieuw voedseloffer aan JAHWEH offeren. 17 U zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen voor JAHWEH. 18 U zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en één stier, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen voor JAHWEH een brandoffer zijn, met hun voedseloffer en hun drankoffers, een vuuroffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 19 Ook zult u één geitenbok als zondoffer, en twee eenjarige lammeren als dankoffer bereiden. 20 Dan zal de priester die met het brood van de eerstelingen als beweegoffer, voor het aangezicht van JAHWEH, met de twee lammeren bewegen; zij zullen voor JAHWEH een heilig ding zijn, voor de priester. 21 En u zult op die dag uitroepen, dat u een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult u doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw generaties. 22 Als u nu de oogst van uw land zult inoogsten, u zult, in uw inoogsten, de hoek van het veld niet geheel afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor de arme en voor de vreemdeling zult u ze laten; Ik ben JAHWEH, uw God! 23 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: In de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een rust hebben, een herinnering van het geklank, een heilige samenroeping. 25 Geen dienstwerk zult u doen; maar u zult aan JAHWEH vuuroffer offeren. 26 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 27 Maar op de tiende van deze zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult u hebben; dan zult u uw zielen verootmoedigen, en zult aan JAHWEH een vuuroffer offeren. 28 En op die dag zult u geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht van JAHWEH van uw God. 29 Want alle ziel, die op die dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken. 30 Ook alle ziel, die enig werk op die dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden van haar volk verderven. 31 U zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties, in al uw woningen. 32 Het zal u een sabbat van de rust zijn; dan zult u uw zielen verootmoedigen; op de negende van de maand in de avond, van de avond tot de avond, zult u uw sabbat rusten. 33 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 34 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Op de vijftiende dag van deze zevende maand zal het feest van de loofhutten zeven dagen voor JAHWEH zijn. 35 Op de eerste dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult u doen. 36 Zeven dagen zult u aan JAHWEH vuuroffers offeren; op de achtste dag zult u een heilige samenroeping hebben, en zult aan JAHWEH vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; u zult geen dienstwerk doen. 37 Dit zijn de vastgestelde hoogtijden van JAHWEH, die u zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om aan JAHWEH vuuroffer, brandoffer en voedseloffer, slachtoffer en drankoffers, elk dagelijks op zijn dag, te offeren; 38 Naast de sabbatten van JAHWEH, en naast uw gaven, en naast al uw geloften, en naast al uw vrijwillige offers, die u aan JAHWEH geven zult. 39 Maar op de vijftiende dag van de zevende maand, als u het inkomen van het land zult ingegaderd hebben, zult u het feest van JAHWEH zeven dagen vieren; op de eerste dag zal er rust zijn, en op de achtste dag zal er rust zijn. 40 En op de eerste dag zult u zich nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en takken van dichte bomen, met beekwilgen; en u zult voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, zeven dagen vrolijk zijn. 41 En u zult dat feest voor JAHWEH zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties; in de zevende maand zult u het vieren. 42 Zeven dagen zult u in de loofhutten wonen; alle ingezetenen in Israël zullen in loofhutten wonen; 43 Opdat uw geslachten weten, dat Ik de Israëlieten in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben JAHWEH, uw God! 44 Zo heeft Mozes de vastgestelde hoogtijden van JAHWEH tot de Israëlieten uitgesproken. ### Leviticus 24 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied de Israëlieten, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor het licht, om de lampen steeds aan te steken. 3 Aäron zal die voor het aangezicht van JAHWEH steeds toerichten, van de avond tot de morgen, buiten het voorhangsel van het getuigenis, in de tent van de samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw generaties. 4 Hij zal op de loutere kandelaar die lampen voor het aangezicht van JAHWEH steeds toerichten. 5 U zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal één koek zijn. 6 En u zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht van JAHWEH. 7 En op elke rij zult u zuivere wierook leggen, die voor het brood als gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer voor JAHWEH. 8 Op elke sabbatdag steeds zal men dat voor het aangezicht van JAHWEH toerichten, vanwege de Israëlieten, tot een eeuwig verbond. 9 En het zal voor Aäron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid van de heiligheden uit de vuuroffers van JAHWEH, een eeuwige inzetting. 10 En er ging de zoon van een Israëlietische vrouw uit, die, in het midden van de Israëlieten, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israëlietische en een Israëlietisch man twistten in het leger. 11 Toen lasterde de zoon van de Israëlietische vrouw uitdrukkelijk de NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van de stam Dan. 12 En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar de mond van JAHWEH, verklaring gebeuren zou. 13 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 14 Breng de vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de hele gemeenschap stenigen. 15 En tot de Israëlieten zult u spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen. 16 En wie de Naam van JAHWEH gelasterd zal hebben, zal zeker gedood worden; de hele gemeenschap zal hem zeker stenigen; zo zal de vreemdeling zijn, zoals de ingezetene, als hij de NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden. 17 En als iemand enige ziel van de mensen zal verslagen hebben, hij zal zeker gedood worden. 18 Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel. 19 Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; zoals hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden: 20 Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; zoals hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden. 21 Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden. 22 Enerlei recht zult u hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de ingezetene; want Ik ben JAHWEH, uw God! 23 En Mozes zei tot de Israëlieten, dat zij de vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de Israëlieten deden, zoals JAHWEH Mozes geboden had. ### Leviticus 25 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, aan de berg Sinaï, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat voor JAHWEH. 3 Zes jaren zult u uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen. 4 Maar in het zevende jaar zal voor het land een sabbat van de rust zijn, een sabbat voor JAHWEH; uw akker zult u niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. 5 Wat van zelf van uw oogst zal gegroeid zijn, zult u niet inoogsten, en de druiven van uw afzondering zult u niet afsnijden; het zal een jaar van de ruste voor het land zijn. 6 En de inkomst van de sabbat van het land zal voor u tot voedsel zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren; 7 En ook voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot voedsel zijn. 8 U zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen van de zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn. 9 Daarna zult u in de zevende maand, op de tiende van de maand, de bazuin van het geklank doen doorgaan; op de verzoendag zult u de bazuin doen doorgaan in uw hele land. 10 En u zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en u zult terugkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult terugkeren een ieder tot zijn geslacht. 11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; u zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gegroeid zijn, noch ook de druiven van de afzonderingen daarin afsnijden. 12 Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; u zult uit het veld de inkomst daarvan eten. 13 Op dat jubeljaar zult u ieder terugkeren tot zijn bezitting. 14 Daarom, wanneer u aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand van uw naaste kopen zult, dat niemand de één de ander verdrukke. 15 Naar het getal van de jaren, van het jubeljaar af, zult u van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren van de inkomsten zal hij het aan u verkopen. 16 Naar de veelheid van de jaren zult u zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid van de jaren zult u zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal van de inkomsten. 17 Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben JAHWEH, uw God! 18 En doet Mijn voorschriften, en houdt Mijn rechten, en doet die; zo zult u zeker wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven, en u zult eten tot verzadiging toe; en u zult zeker daarin wonen. 20 En als u zou zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar! Zie, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen; 21 Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaar zal voortbrengen. 22 Het achtste jaar nu zult u zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult u het oude eten. 23 Het land ook zal niet voor altijd verkocht worden; want het land is het Mijne, omdat u vreemdelingen en bijwoners bij Mij bent. 24 Daarom zult u, in het hele land van uw bezitting, lossing voor het land toelaten. 25 Wanneer uw broer zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte van zijn broer lossen. 26 En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn losprijs; 27 Dan zal hij de jaren van zijn verkoping rekenen, en het overschot zal hij de man, aan wie hij het verkocht had, weer uitkeren; en hij zal weer tot zijn bezitting komen. 28 Maar als zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weer uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van zijn koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting terugkeren. 29 Ook, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar van zijn verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen. 30 Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het hele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, dat in die stad is, die een muur heeft, voor altijd blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan. 31 Maar de huizen van de dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld van het land gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan. 32 Voor wat betreft de steden van de Levieten, en de huizen van de steden van hun bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben. 33 En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad van zijn bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden van de Levieten zijn hun bezitting in het midden van de Israëlieten. 34 Maar het veld van de voorstad van hun steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen. 35 En als uw broer zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult u hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve. 36 U zult geen rente noch overwinst van hem nemen; maar u zult vrezen voor uw God, opdat uw broer bij u leve. 37 Uw geld zult u hem niet op rente geven, en u zult uw voedsel niet op overwinst geven. 38 Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaän te geven, opdat Ik u tot een God zij. 39 Evenzo, wanneer uw broer bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, u zult hem niet doen dienen de dienst van een slaaf; 40 Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen. 41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht terugkeren, en tot de bezitting van zijn vaders terugkeren. 42 Want zij zijn Mijn dienaren, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, zoals men een slaaf verkoopt. 43 U zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar u zult vrezen voor uw God. 44 Voor wat betreft uw slaaf of uw slavin, die u zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult u een slaaf of een slavin kopen. 45 U zult ze ook kopen van de kinderen van de bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn. 46 En u zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; u zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broers, de Israëlieten, ieder over zijn broer, u zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid. 47 En wanneer de hand van een vreemdeling en bijwoner, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broer, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan de vreemdeling, de bijwoner, die bij u is, of aan de stam van het geslacht van de vreemdeling zal verkocht hebben; 48 Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; één van zijn broers zal hem lossen; 49 Of zijn oom, of de zoon van zijn oom, zal hem lossen, of die uit de naasten van zijn lichaam van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelf losse. 50 En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; zo dat het geld van zijn verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen van een dagloner zal het met hem zijn. 51 Als nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn losprijs van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven. 52 En als er nog weinig van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn losprijs wedergeven. 53 Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen. 54 En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem. 55 Want de Israëlieten zijn Mij tot dienaren; Mijn dienaren zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben JAHWEH, uw God! ### Leviticus 26 1 U zult u geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult u zich stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben JAHWEH, uw God! 2 Mijn sabbatten zult u houden, en Mijn heiligdom zult u vrezen; Ik ben JAHWEH! 3 Als u in Mijn voorschriften wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult; 4 Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven; 5 En de dorstijd zal u reiken tot de wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot de zaaitijd; en u zult uw brood eten tot verzadiging toe, en u zult zeker in uw land wonen. 6 Ook zal Ik vrede geven in het land, dat u zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. 7 En u zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen. 9 En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen. 10 En u zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult u vanwege het nieuwe uitbrengen. 11 En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen. 12 En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn. 13 Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit het land van de Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat u hun slaven niet zou zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan. 14 Maar als u Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen; 15 En zo u Mijn voorschriften zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat u niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen; 16 Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; u zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten. 17 Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen u zetten, dat u geslagen zult worden voor het aangezicht van uw vijanden; en uw vijanden zullen over u heerschappij hebben, en u zult vluchten, als u iemand vervolgt. 18 En zo u Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen. 19 Want Ik zal de trots van uw kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. 20 En uw macht zal zinloos verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte van het land zal zijn vrucht niet geven. 21 En zo u met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen. 22 Want Ik zal onder u zenden het gedierte van het veld, dat u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden. 23 Als u nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen; 24 Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan. 25 Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak van het verbond wreken zal, zodat u in uw steden verzameld zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en u zult in de hand van de vijand overgegeven worden. 26 Als Ik u de staf van het brood zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in één oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en u zult eten, maar niet verzadigd worden. 27 Als u ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; 28 Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen. 29 Want u zult het vlees van uw zonen eten, en het vlees van uw dochters zult u eten. 30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen van uw afgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. 31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijke reuk niet ruiken. 32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. 33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn. 34 Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen van de verwoesting, en u zult in het land van uw vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. 35 Al de dagen van de verwoesting zal het rusten, omdat het niet rustte in uw sabbatten, als u daarin woonde. 36 En voor wat betreft de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen van hun vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt. 37 En zij zullen de één op de ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en u zult voor het aangezicht van uw vijanden niet kunnen bestaan. 38 Maar u zult omkomen onder de heidenen, en het land van uw vijanden zal u verteren. 39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen van uw vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden van hun vaders zullen zij met hen uitteren. 40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid van hun vaders met hun overtredingen, waarmee zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. 41 Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land van hun vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen hebben; 42 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; 43 Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf van hun ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn voorschriften gewalgd had. 44 En hierenboven is dit ook; als zij in het land van hun vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben JAHWEH, hun God! 45 Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond van de voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen van de heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God was; Ik ben JAHWEH! 46 Dit zijn die voorschriften, en die rechten, en die wetten, die JAHWEH gegeven heeft, tussen Zich en tussen de Israëlieten, op de berg Sinaï, door de hand van Mozes. ### Leviticus 27 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen van JAHWEH zijn. 3 Als uw schatting van een man zal zijn van twintig jaar oud, tot een, die zestig jaar oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkels zilver, naar de sikkel van het heiligdom. 4 Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkels. 5 En is het van een, die vijf jaar oud is, tot een, die twintig jaar oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkels zijn, en voor een vrouw tien sikkels. 6 Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaar oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkels zilver, en uw schatting over een vrouw zal zijn drie sikkels zilver. 7 En is het van een, die zestig jaar oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkels, en voor een vrouw tien sikkels. 8 Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht van de priester zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat de hand van degene, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten. 9 En als het een beest is, waarvan men aan JAHWEH offergave offert; al wat hij daarvan aan JAHWEH zal gegeven hebben, zal heilig zijn. 10 Hij zal niet vermangelen, noch het verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; als hij toch een beest voor een beest enigszins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn. 11 En als het enig onrein beest is, van dat men aan JAHWEH geen offergave offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht van de priester zetten. 12 En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn. 13 Maar als hij het immers lossen zal, zo zal hij zijn vijfde deel boven uw schatting toedoen. 14 En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het voor JAHWEH heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; zoals de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben. 15 En als hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn. 16 Als ook iemand van de akker van zijn bezitting aan JAHWEH wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkels zilver. 17 Als hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben. 18 Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden. 19 En als hij, die de akker geheiligd heeft, die geheel lossen zal, zo zal hij een vijfde deel van het geld van uw schatting daarboven toedoen, en die zal hem gevestigd zijn. 20 En als hij die akker niet zal lossen, of als hij die akker aan een andere man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden. 21 Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal voor JAHWEH heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal van de priester zijn. 22 En als hij aan JAHWEH een akker heeft geheiligd, die hij gekocht heeft, en niet is van de akker van zijn bezitting; 23 Zo zal de priester hem rekenen het totaal van uw schatting tot het jubeljaar; en hij zal op die dag uw schatting geven, een heiligheid voor JAHWEH. 24 In het jubeljaar zal die akker terugkomen tot die, van wie hij hem gekocht had, tot hem, van wie de bezitting van dat land was. 25 Al uw schatting nu zal naar de sikkel van het heiligdom gebeuren; de sikkel zal zijn van twintig gera. 26 Maar het eerstgeborene, dat voor JAHWEH van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is van JAHWEH. 27 Maar is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en als het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting. 28 Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand voor JAHWEH zal verbannen hebben, van al wat hij heeft, van een mens, of van een beest, of van de akker van zijn bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal voor JAHWEH een heiligheid van de heiligheden zijn. 29 Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zeker gedood worden. 30 Ook alle tienden van het land, van het zaad van het land, van de vrucht van het geboomte, zijn van JAHWEH; zij zijn voor JAHWEH heilig. 31 Maar zo iemand van zijn tienden immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen. 32 Voor wat betreft al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal voor JAHWEH heilig zijn. 33 Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar als hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden. 34 Dit zijn de geboden, die JAHWEH Mozes geboden heeft, aan de Israëlieten, op de berg Sinaï. ## Numeri ### Numeri 1 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, in de woestijn van Sinaï, in de tent van de samenkomst, op de eerste van de tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland vertrokken waren, zeggende: 2 Neem het aantal op van de hele gemeenschap van de Israëlieten, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd. 3 Van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde in Israël uittrekken; die zult u tellen naar hun legers, u en Aäron. 4 En met u zullen zijn van elke stam een man, die een hoofdman is over het huis van zijn vaders. 5 Deze zijn nu de namen van de mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur. 6 Van Simeon, Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab. 8 Van Issaschar, Nethaneël, de zoon van Zuar. 9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. 10 Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliël, de zoon van Pedazur. 11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. 12 Van Dan, Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 13 Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. 14 Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël. 15 Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. 16 Deze waren de geroepenen van de vergadering, de oversten van de stammen van hun vaders; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël. 17 Toen namen Mozes en Aäron die mannen, die met namen uitgedrukt zijn. 18 En zij verzamelden de hele gemeenschap, op de eerste dag van de tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van die twintig jaar oud was en daarboven, hoofd voor hoofd. 19 Zoals JAHWEH Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinaï. 20 Zo waren de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken; 21 Hun ingeschrevenen van de stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd. 22 Van de zonen van Simeon, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, zijn ingeschrevenen, in het getal van de namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken; 23 Hun ingeschrevenen van de stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd. 24 Van de zonen van Gad, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken. 25 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig. 26 Van de zonen van Juda, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 27 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd. 28 Van de zonen van Issaschar, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 29 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd. 30 Van de zonen van Zebulon, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 31 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd. 32 Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraïm, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 33 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Efraïm veertig duizend en vijfhonderd; 34 Van de zonen van Manasse, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 35 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd. 36 Van de zonen van Benjamin, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 37 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd. 38 Van de zonen van Dan, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 39 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd. 40 Van de zonen van Aser, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 41 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Aser één en veertig duizend en vijfhonderd. 42 Van de zonen van Nafthali, hun afstammelingen, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, in het getal van de namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die ten strijde uittrokken, 43 Waren hun ingeschrevenen van de stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd. 44 Deze zijn de ingeschrevenen, die Mozes geteld heeft, en Aäron, en de oversten van Israël; twaalf mannen waren zij, elk over het huis van zijn vaders. 45 Zo waren al de ingeschrevenen van de zonen van Israël, naar het huis van hun vaders, van twintig jaar oud en daarboven, allen, die in Israël ten strijde uittrokken, 46 Al de ingeschrevenen dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig. 47 Maar de Levieten, naar de stam van hun vaders, werden onder hen niet geteld. 48 Want JAHWEH had tot Mozes gesproken, zeggende: 49 Alleen de stam van Levi zult u niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israël. 50 Maar u, stel de Levieten over de tabernakel van het getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen de tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen die bedienen, en zij zullen zich rondom de tabernakel legeren. 51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen die afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten die oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden. 52 En de Israëlieten zullen zich legeren, ieder bij zijn leger, en ieder bij zijn banier, naar hun legers. 53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom de tabernakel van de getuigenis, opdat geen toorn over de gemeenschap van de Israëlieten zij; daarom zullen de Levieten de taak van de tabernakel van de getuigenis waarnemen. 54 Zo deden de Israëlieten; naar alles, wat JAHWEH Mozes geboden had, zo deden zij. ### Numeri 2 1 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 2 De Israëlieten zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaders; rondom tegenover de tent van de samenkomst zullen zij zich legeren. 3 Zij van de banier van het leger van Juda zullen hun kamp opslaan aan de oostzijde, tegen de opgang, naar hun legers; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste van de zonen van Juda zijn. 4 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vier en zeventig duizend en zeshonderd. 5 En daarnaast zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneël, de zoon van Zuar, zal de overste van de zonen van Issaschar zijn. 6 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vier en vijftig duizend en vierhonderd. 7 Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste van de zonen van Zebulon zijn. 8 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd. 9 Al de ingeschrevenen van het leger van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun legers. Zij zullen vooraan optrekken. 10 De banier van het leger van Ruben, naar hun legers, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeür, zal de overste van de zonen van Ruben zijn. 11 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren zes en veertig duizend en vijfhonderd. 12 En naast hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiël, de zoon van Zurisaddai, zal de overste van de zonen van Simeon zijn. 13 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren negen en vijftig duizend en driehonderd. 14 Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuël, zal de overste van de zonen van Gad zijn. 15 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig. 16 Al de ingeschrevenen in het leger van Ruben waren honderd één en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun legers. En zij zullen de tweede optrekken. 17 Daarna zal de tent van de samenkomst optrekken, met het leger van de Levieten, in het midden van het leger; zoals zij zich legeren zullen, zo zullen zij optrekken, ieder aan zijn plaats, naar hun banieren. 18 De banier van het leger van Efraïm, naar hun legers, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste van de zonen van Efraïm zijn. 19 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren veertig duizend en vijfhonderd. 20 En naast hem de stam van Manasse; en Gamaliël, de zoon van Pedazur, zal de overste van de zonen van Manasse zijn. 21 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren twee en dertig duizend en tweehonderd. 22 Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste van de zonen van Benjamin zijn. 23 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren vijf en dertig duizend en vierhonderd. 24 Al de ingeschrevenen in het leger van Efraïm waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun legers. En zij zullen de derde optrekken. 25 De banier van het leger van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun legers; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste van de zonen van Dan zijn. 26 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren twee en zestig duizend en zevenhonderd. 27 En naast hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiël, de zoon van Ochran, zal de overste van de zonen van Aser zijn. 28 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren één en veertig duizend en vijfhonderd. 29 Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste van de zonen van Nafthali zijn. 30 Zijn leger nu, en zijn ingeschrevenen waren drie en vijftig duizend en vierhonderd. 31 Al de ingeschrevenen in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren. 32 Deze zijn de ingeschrevenen van de Israëlieten, naar het huis van hun vaders; al de ingeschrevenen van het leger, naar hun legers, waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig. 33 Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israël, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 34 En de Israëlieten deden naar alles, wat JAHWEH Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, ieder naar zijn geslachten, naar het huis van zijn vaders. ### Numeri 3 1 Dit nu zijn de afstammelingen van Aäron en Mozes; op de dag als JAHWEH met Mozes gesproken heeft op de berg Sinaï. 2 En dit zijn de namen van de zonen van Aäron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar. 3 Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, van de priesters, die gezalfd waren, van wie de hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen. 4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van JAHWEH, als zij vreemd vuur voor het aangezicht van JAHWEH in de woestijn van Sinaï brachten, en hadden geen kinderen, maar Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aäron. 5 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 6 Doe de stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van de priester Aäron, opdat zij hem dienen; 7 En dat zij waarnemen zijn taak, en de taak van de hele gemeenschap, voor de tent van de samenkomst, om de dienst van de tabernakel te bedienen; 8 En dat zij al het gereedschap van de tent van de samenkomst, en de taak van de Israëlieten waarnemen, om de dienst van de tabernakel te bedienen. 9 U zult dan, aan Aäron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de Israëlieten. 10 Maar Aäron en zijn zonen zult u stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. 11 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 12 En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de Israëlieten genomen, in plaats van alle eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de Israëlieten; en de Levieten zullen Mijne zijn. 13 Want alle eerstgeborene is van Mij; van de dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot de beesten; zij zullen van Mij zijn; Ik ben JAHWEH! 14 En JAHWEH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, zeggende: 15 Tel de zonen van Levi naar het huis van hun vaders, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult u tellen. 16 En Mozes telde hen naar het bevel van JAHWEH, zoals hem geboden was. 17 Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari. 18 En dit zijn de namen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simeï. 19 En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziël. 20 En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten van de Levieten, naar het huis van hun vaders. 21 Van Gerson was het geslacht van de Libnieten, en het geslacht van de Simeïeten; dit zijn de geslachten van de Gersonieten. 22 Hun ingeschrevenen in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun ingeschrevenen waren zeven duizend en vijfhonderd. 23 De geslachten van de Gersonieten zullen zich legeren achter de tabernakel, naar het westen. 24 De overste nu van het vaderlijke huis van de Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael. 25 En de taak van de zonen van Gerson in de tent van de samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent van de samenkomst; 26 En de behangselen van de voorhof, en het deksel van de deur van de voorhof, die bij de tabernakel en bij het altaar rondom zijn; en ook de touwen, tot zijn gehele dienst. 27 En van Kahath is het geslacht van de Amramieten, en het geslacht van de Izharieten, en het geslacht van de Hebronieten, en het geslacht van de Uzziëlieten; dit zijn de geslachten van de Kohathieten. 28 In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de taak van het heiligdom. 29 De geslachten van de zonen van Kohath zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, naar het zuiden. 30 De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van de Kohathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziël. 31 Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap van het heiligdom, waarmee zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort. 32 De overste nu van de oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de taak van het heiligdom waarnemen. 33 Van Merari is het geslacht van de Mahelieten, en het geslacht van de Musieten; dit zijn de geslachten van Merari. 34 En hun ingeschrevenen in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd. 35 De overste nu van het vaderlijke huis van de geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon van Abihaïl; zij zullen zich legeren aan de zijde van de tabernakel, naar het noorden. 36 En het opzicht van de wachten van de zonen van Merari zal zijn over de planken van de tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voetstukken, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort; 37 En de pilaren van de voorhof rondom, en hun voetstukken, en hun pennen, en hun touwen. 38 Die nu zich legeren zullen voor de tabernakel naar het oosten, voor de tent van de samenkomst, tegen de opgang, zullen zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, waarnemende de taak van het heiligdom, voor de taak van de Israëlieten; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. 39 Alle ingeschrevenen van de Levieten, die Mozes en Aäron, op het bevel van JAHWEH, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend. 40 En JAHWEH zei tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de Israëlieten, van een maand oud en daarboven; en neem het getal van hun namen op. 41 En u zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben JAHWEH!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten van de Israëlieten. 42 Mozes dan telde, zoals JAHWEH hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. 43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal van de namen, van een maand oud en daarboven, naar hun ingeschrevenen, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig. 44 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 45 Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de Israëlieten, en de beesten van de Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen van Mij zijn; Ik ben JAHWEH! 46 Voor wat betreft de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de Israëlieten; 47 U zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar de sikkel van het heiligdom zult u ze nemen; die sikkel is twintig gera. 48 En u zult dat geld aan Aäron en zijn zonen geven, het geld van de gelosten die onder hen overschieten. 49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten. 50 Van de eerstgeborenen van de Israëlieten nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. 51 En Mozes gaf dat geld van de gelosten aan Aäron en aan zijn zonen, naar het bevel van JAHWEH, zoals JAHWEH Mozes geboden had. ### Numeri 4 1 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 2 Neemt het aantal op van de zonen van Kohath, uit het midden van de zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders. 3 Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud; al wie tot deze strijd inkomt, om het werk in de tent van de samenkomst te doen. 4 Dit zal de dienst zijn van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst, te weten de heiligheid van de heiligheden. 5 In het optrekken van het leger, zo zullen Aäron en zijn zonen komen, en het voorhangsel van het deksel afnemen, en zullen daarmee de ark van het getuigenis bedekken. 6 En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen de handbomen daarvan aanleggen. 7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het voortdurende brood daarop zijn. 8 Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen de handbomen daarvan aanleggen. 9 Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken de kandelaar van het licht, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij daaraan dienen. 10 Zij zullen ook die, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op de draagboom leggen. 11 En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen de handbomen daarvan aanleggen. 12 Zij zullen ook nemen alle gereedschap van de dienst, waarmee zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen het met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op de draagboom leggen. 13 En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden. 14 En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmee zij daaraan dienen, de koolpannen, de vleeshaken, en de scheppen, en de sprengbekkens, al het gereedschap van het altaar; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen de handbomen daarvan aanleggen. 15 Als nu Aäron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap van het heiligdom, in het optrekken van het leger, zullen voltooid hebben, zo zullen daarna de zonen van Kohath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last van de zonen van Kohath, in de tent van de samenkomst. 16 Het opzicht nu van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zal zijn over de olie voor het licht, en het reukwerk van de geurige specerijen, en het voortdurende voedseloffer, en de zalfolie; het opzicht van de gehele tabernakel, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap. 17 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 18 U zult de stam van de geslachten van de Kohathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden van de Levieten; 19 Maar dit zult u hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid van de heiligheden toetreden zullen: Aäron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last. 20 Maar zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven. 21 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 22 Neem ook het aantal op van de zonen van Gerson, naar het huis van hun vaders, naar hun geslachten. 23 U zult hen tellen van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkomt om de strijd te strijden, opdat hij de dienst bediene in de tent van de samenkomst. 24 Dit zal zijn de dienst van de geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in de last. 25 Zij zullen dan dragen de tentkleden van de tabernakel, en de tent van de samenkomst; te weten haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel van de deur van de tent van de samenkomst, 26 En de behangselen van de voorhof, en het deksel van de deur van de poort van de voorhof, dat is bij de tabernakel en bij het altaar rondom; en hun touwen, en al het gereedschap van hun dienst, en ook al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen. 27 De hele dienst van de zonen van de Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aäron en van zijn zonen; en u zult hun ter bewaring al hun last bevelen. 28 Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van de Gersonieten, in de tent van de samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. 29 Voor wat betreft de zonen van Merari, die zult u naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders tellen. 30 U zult hen tellen van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkomt tot deze strijd, om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst. 31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent van de samenkomst: de planken van de tabernakel, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voetstukken; 32 En ook de pilaren van de voorhof rondom, hun voetstukken, en hun pennen, en hun touwen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult u bij namen tellen. 33 Dit is de dienst van de geslachten van de zonen van Merari, naar hun gehele dienst, in de tent van de samenkomst, onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. 34 Mozes dan en Aäron, en de oversten van de vergadering telden de zonen van de Kohathieten, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders: 35 Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; 36 Hun ingeschrevenen nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig. 37 Dit zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de Kohathieten, van al wie in de tent van de samenkomst diende, die Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel van JAHWEH, door de hand van Mozes. 38 Ook de ingeschrevenen van de zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders; 39 Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; 40 Hun ingeschrevenen waren, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, twee duizend zeshonderd en dertig. 41 Deze zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Gerson, van al wie in de tent van de samenkomst diende, die Mozes en Aäron telden, naar het bevel van JAHWEH. 42 En de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis van hun vaders, 43 Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot deze strijd, tot de dienst in de tent van de samenkomst; 44 Hun ingeschrevenen nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd. 45 Deze zijn de ingeschrevenen van de geslachten van de zonen van Merari, die Mozes en Aäron geteld hebben, naar het bevel van JAHWEH, door de hand van Mozes. 46 Al de ingeschrevenen, die Mozes en Aäron, en de oversten van Israël geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis van hun vaders, 47 Van dertig jaar oud en daarboven, tot vijftig jaar oud, al wie inkwam, om de dienst van de bediening en de dienst van de last, in de tent van de samenkomst, te bedienen; 48 Hun ingeschrevenen waren acht duizend vijfhonderd en tachtig. 49 Men telde hen, naar het bevel van JAHWEH, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn ingeschrevenen waren, die JAHWEH Mozes geboden had. ### Numeri 5 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Gebied de Israëlieten, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode. 3 Van de man tot de vrouw toe zult u hen wegzenden; tot buiten het leger zult u hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in het midden waarvan Ik woon. 4 En de Israëlieten deden zo, en zonden hen tot buiten het leger; zoals JAHWEH tot Mozes gesproken had, zo deden de Israëlieten. 5 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 6 Spreek tot de Israëlieten: Wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen JAHWEH, zo is die ziel schuldig. 7 En zij zullen hun zonde, die zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weer uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en het vijfde deel daarvan zal hij daarboven toedoen, en zal het die geven, aan wie hij zich verschuldigd heeft. 8 Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weer uit te keren, zal die schuld, die JAHWEH weer uitgekeerd wordt, van de priester zijn; naast de ram van de verzoening, met welke hij voor hem verzoening doen zal. 9 Evenzo zal alle hefoffer van alle geheiligde dingen van de Israëlieten, die zij tot de priester brengen, zijne zijn. 10 En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand de priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn. 11 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 12 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben; 13 Dat een man bij haar door bijligging van het zaad zal gelegen hebben, en het voor de ogen van haar man zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde toch onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is; 14 En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, omdat zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is; 15 Dan zal die man zijn huisvrouw tot de priester brengen, en zal haar offergave voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, omdat het een voedseloffer van de ijveringen is, een voedseloffer van de herinnering, dat de ongerechtigheid in herinnering brengt. 16 En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht van JAHWEH. 17 En de priester zal heilig water in een aarden pot nemen; en van het stof, dat op de vloer van de tabernakel is, zal de priester nemen, en in het water doen. 18 Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht van JAHWEH stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het voedseloffer van de herinnering op haar handen leggen, dat het voedseloffer van de ijveringen is; en in de hand van de priester zal dat bitter water zijn, dat de vloek medebrengt. 19 En de priester zal haar beëdigen, en zal tot die vrouw zeggen: Als iemand bij u gelegen heeft, en als u, onder uw man zijnde, niet afgeweken bent tot onreinheid, wees vrij van dit bitter water, dat de vloek medebrengt! 20 Maar zo u, onder uw man zijnde, afgeweken bent, en zo u onrein geworden bent, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man: 21 (Dan zal de priester die vrouw met de eed van de vervloeking beëdigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) JAHWEH zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden van uw volk, mits dat JAHWEH uw heup vervallende, en uw buik zwellende make; 22 Dat ditzelve water, dat de vervloeking medebrengt, in uw binnenste inga, om de buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen! 23 Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen. 24 En hij zal die vrouw dat bitter water, dat de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, dat de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga. 25 En de priester zal uit de hand van die vrouw het voedseloffer van de ijveringen nemen, en hij zal dat voedseloffer voor het aangezicht van JAHWEH bewegen, en zal dat op het altaar offeren. 26 De priester zal ook van dat voedseloffer, het gedenkoffer daarvan, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven. 27 Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal gebeuren, als zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, dat vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn. 28 Maar als de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden. 29 Dit is de wet van de ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn; 30 Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht van JAHWEH stelle, en de priester aan haar deze hele wet volbrenge. 31 En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar die vrouw zal haar ongerechtigheid dragen. ### Numeri 6 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte van een Nazireër, om zich voor JAHWEH af te zonderen; 3 Van wijn en sterke drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en azijn van sterke drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten. 4 Al de dagen van zijn Nazireërschap zal hij niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe. 5 Al de dagen van de gelofte van zijn Nazireërschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich voor JAHWEH zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar van zijn hoofd groeien. 6 Al de dagen, die hij zich voor JAHWEH zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam van een dode niet gaan. 7 Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broer of om zijn zus, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireërschap van zijn God is op zijn hoofd. 8 Al de dagen van zijn Nazireërschap is hij JAHWEH heilig. 9 En zo de gestorvene bij hem zonder opzet haastig gestorven was, dat hij het hoofd van zijn Nazireërschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag zal hij het scheren. 10 En op de achtste dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot de priester, tot de deur van de tent van de samenkomst. 11 De priester nu zal één bereiden als zondoffer, en één als brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; zo zal hij zijn hoofd op die dag heiligen. 12 Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireërschap voor JAHWEH afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen als schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireërschap verontreinigd was. 13 En dit is de wet van de Nazireër: op de dag, als de dagen van zijn Nazireërschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent van de samenkomst. 14 Hij dan zal tot zijn offergave aan JAHWEH offeren één volkomen eenjarig lam als brandoffer, en één volkomen eenjarig ooilam als zondoffer, en één volkomen ram als dankoffer. 15 En een mand ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken, met olie bestreken, en ook hun voedseloffer, en hun drankoffers; 16 En de priester zal het voor het aangezicht van JAHWEH brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden. 17 Hij zal ook de ram als dankoffer voor JAHWEH bereiden, met de mand van de ongezuurde koeken; en de priester zal zijn voedseloffer en zijn drankoffer bereiden. 18 Dan zal de Nazireër, aan de deur van de tent van de samenkomst, het hoofd van zijn Nazireërschap scheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireërschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is. 19 Daarna zal de priester een gekookte schouder nemen van de ram, en één ongezuurde koek uit de mand, en één ongezuurde platte koek; en hij zal ze op de handen van de Nazireër leggen, nadat hij zijn Nazireërschap afgeschoren heeft. 20 En de priester zal die bewegen als beweegoffer, voor het aangezicht van JAHWEH; het is een heilig ding voor de priester, met de borst van het beweegoffer, en met de schouder van het hefoffer; en daarna zal die Nazireër wijn drinken. 21 Dit is de wet van de Nazireër, die zijn offergave aan JAHWEH voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, afgezien van wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, die hij beloofd zal hebben, zo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireërschap. 22 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 23 Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Zo zult u de Israëlieten zegenen, zeggende tot hen: 24 JAHWEH zegene u, en behoede u! 25 JAHWEH doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! 26 JAHWEH verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! 27 Zo zullen zij Mijn Naam op de Israëlieten leggen; en Ik zal hen zegenen. ### Numeri 7 1 En het gebeurde op de dag dat Mozes geëindigd had de tabernakel op te richten, en dat hij die gezalfd, en die geheiligd had, en al zijn gereedschap, en ook het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en ze geheiligd had; 2 Dat de oversten van Israël, de hoofden van het huis van hun vaders, offerden; deze waren de oversten van de stammen, die over de ingeschrevenen stonden. 3 En zij brachten hun offergave voor het aangezicht van JAHWEH, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk één; en brachten ze voor de tabernakel. 4 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 5 Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen de dienst van de tent van de samenkomst; en u zult die aan de Levieten geven, een ieder naar zijn dienst. 6 Zo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf die aan de Levieten. 7 Twee wagens en vier runderen gaf hij de zonen van Gerson, naar hun dienst; 8 En vier wagens en acht runderen gaf hij de zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, de zoon van Aäron, de priester. 9 Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst van de heilige dingen was op hen, die zij op de schouders droegen. 10 En de oversten offerden ter inwijding van het altaar, op de dag dat het gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offergaven voor het altaar. 11 En JAHWEH zei tot Mozes: Elke overste zal (ieder op zijn dag) zijn offergave offeren, ter inwijding van het altaar. 12 Die nu op de eerste dag zijn offergave offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor de stam van Juda. 13 En zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 14 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 15 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 16 Één geitenbok, als zondoffer; 17 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Nahesson, de zoon van Amminadab. 18 Op de tweede dag offerde Nethaneël, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar. 19 Hij offerde zijn offergave: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 20 En één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 21 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 22 Één geitenbok, als zondoffer; 23 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Nethaneël, de zoon van Zuar. 24 Op de derde dag offerde de overste van de zonen van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon. 25 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 26 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 27 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 28 Één geitenbok, als zondoffer; 29 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Eliab, de zoon van Helon. 30 Op de vierde dag offerde de overste van de kinderen van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur. 31 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 32 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 33 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 34 Één geitenbok, als zondoffer; 35 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Elizur, de zoon van Sedeur. 36 Op de vijfde dag offerde de overste van de kinderen van Simeon, Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 37 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 38 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 39 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 40 Één geitenbok, als zondoffer; 41 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 42 Op de zesde dag offerde de overste van de kinderen van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuël. 43 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem gemengd met olie, als voedseloffer; 44 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 45 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 46 Één geitenbok, als zondoffer; 47 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Eljasaf, de zoon van Dehuël. 48 Op de zevende dag offerde de overste van de kinderen van Efraïm, Elisama, de zoon van Ammihud. 49 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 50 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 51 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 52 Één geitenbok, als zondoffer; 53 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Elisama, de zoon van Ammihud. 54 Op de achtste dag offerde de overste van de kinderen van Manasse, Gamaliël, de zoon van Pedazur. 55 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 56 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 57 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 58 Één geitenbok, als zondoffer; 59 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Gamaliël, de zoon van Pedazur. 60 Op de negende dag offerde de overste van de kinderen van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni. 61 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 62 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 63 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 64 Één geitenbok, als zondoffer; 65 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Abidan, de zoon van Gideoni. 66 Op de tiende dag offerde de overste van de kinderen van Dan, Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 67 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 68 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 69 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 70 Één geitenbok, als zondoffer; 71 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai. 72 Op de elfde dag offerde de overste van de kinderen van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran. 73 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 74 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 75 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 76 Één geitenbok, als zondoffer; 77 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Pagiel, de zoon van Ochran. 78 Op de twaalfde dag offerde de overste van de kinderen van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan. 79 Zijn offergave was: één zilveren schotel, waarvan het gewicht honderd dertig sikkels was; één zilveren sprengbekken van zeventig sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, als voedseloffer; 80 Één reukschaal van tien gouden sikkels, vol reukwerk; 81 Één stier, een jong rund, één ram, één lam, dat eenjarig was, als brandoffer; 82 Één geitenbok, als zondoffer; 83 En als dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offergave van Ahira, de zoon van Enan. 84 Dit was de inwijding van het altaar van de oversten van Israël, op de dag dat het gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen. 85 Één zilveren schotel was van honderd dertig sikkels, en één sprengbekken van zeventig; al het zilver van de voorwerpen was twee duizend en vierhonderd sikkels, naar de sikkel van het heiligdom. 86 Twaalf gouden reukschalen van reukwerk; elke reukschaal was van tien sikkels, naar de sikkel van het heiligdom; al het goud van de reukschalen was honderd en twintig sikkels. 87 Al de runderen ten brandoffer waren twaalf stieren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun voedseloffer; en twaalf geitenbokken als zondoffer. 88 En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig stieren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding van het altaar, nadat het gezalfd was. 89 En als Mozes in de tent van de samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, dat is op de ark van het getuigenis, van tussen de twee cherubim. Zo sprak Hij tot hem. ### Numeri 8 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot Aäron, en zeg tot hem: Als u de lampen aansteken zult, recht tegenover de kandelaar zullen de zeven lampen lichten. 3 En Aäron deed zo: tegenover vooraan de kandelaar stak hij de lampen daarvan aan; zoals JAHWEH Mozes geboden had. 4 Dit werk nu van de kandelaar was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die JAHWEH Mozes vertoond had, zo had hij de kandelaar gemaakt. 5 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 6 Neem de Levieten uit het midden van de Israëlieten, en reinig hen. 7 En zo zult u hun doen, om hen te reinigen: sprenkel op hen water van de ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun hele vlees doen gaan, en zij zullen hun kleren wassen, en zich reinigen. 8 Daarna zullen zij nemen een stier, een jong rund, met zijn voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd; en een andere stier, een jong rund, zult u nemen als zondoffer. 9 En u zult de Levieten voor de tent van de samenkomst doen naderen; en u zult de hele gemeenschap van de Israëlieten doen verzamelen. 10 Ja, u zult de Levieten voor het aangezicht van JAHWEH doen naderen; en de Israëlieten zullen hun handen op de Levieten leggen. 11 En Aäron zal de Levieten bewegen als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH, vanwege de Israëlieten; opdat zij zijn, om de dienst van JAHWEH te bedienen. 12 En de Levieten zullen hun handen op het hoofd van de stieren leggen; daarna bereidt u één als zondoffer, en één als brandoffer voor JAHWEH, om over de Levieten verzoening te doen. 13 En u zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en u zult hen bewegen als beweegoffer voor JAHWEH. 14 En u zult de Levieten uit het midden van de Israëlieten uitscheiden, opdat de Levieten van Mij zijn. 15 En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent van de samenkomst te bedienen; en u zult hen reinigen, en zult hen als beweegoffer bewegen. 16 Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de Israëlieten; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de Israëlieten, heb Ik ze Mij genomen. 17 Want alle eerstgeborene onder de Israëlieten is van Mij, onder de mensen en onder de beesten; op de dag dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik die voor Mij geheiligd. 18 En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. 19 En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de Israëlieten, om de dienst van de Israëlieten in de tent van de samenkomst te bedienen, en om voor de Israëlieten verzoening te doen, dat er geen plaag zij onder de Israëlieten, als de Israëlieten tot het heiligdom naderen zouden. 20 En Mozes deed, en Aäron, en de hele gemeenschap van de Israëlieten, aan de Levieten, naar alles, wat JAHWEH Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de Israëlieten aan hen. 21 En de Levieten ontzondigden zich, en wasten hun kleren, en Aäron bewoog hen als beweegoffer voor het aangezicht van JAHWEH; en Aäron deed verzoening over hen, om hen te reinigen. 22 En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent van de samenkomst, voor het aangezicht van Aäron, en voor het aangezicht van zijn zonen; zoals JAHWEH Mozes van de Levieten geboden had, zo deden zij aan hen. 23 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 24 Dit is het, wat de Levieten betreft: van vijf en twintig jaar oud en daarboven, zullen zij inkomen, om de strijd te strijden, in de dienst van de tent van de samenkomst. 25 Maar van dat hij vijftig jaar oud is, zal hij van de strijd van deze dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen. 26 Maar hij zal met zijn broers dienen in de tent van de samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar de dienst zal hij niet bedienen. Zo zult u aan de Levieten doen in hun wachten. ### Numeri 9 1 En JAHWEH sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland vertrokken waren, in de eerste maand, zeggende: 2 Dat de Israëlieten het pascha houden zouden, op zijn vastgestelde tijd. 3 Op de veertiende dag in deze maand, tussen twee avonden zult u dat houden, op zijn vastgestelde tijd; naar al zijn voorschriften, en naar al zijn rechten zult u dat houden. 4 Mozes dan sprak tot de Israëlieten, dat zij het pascha zouden houden. 5 En zij hielden het pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinaï; naar alles, wat JAHWEH Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten. 6 Toen waren er mensen geweest, die over het dode lichaam van een mens onrein waren, en op dezelfde dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aäron op die dag. 7 Die mensen zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam van een mens; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offergave van JAHWEH op zijn vastgestelde tijd niet zouden offeren, in het midden van de Israëlieten? 8 En Mozes zei tot hen: Blijf staande, dat ik hoor, wat JAHWEH u gebieden zal. 9 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verre weg zal zijn, hij zal dan nog voor JAHWEH het pascha houden. 11 In de tweede maand, op de veertiende dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten. 12 Zij zullen daarvan niet overlaten tot de morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden. 13 Als een man, die rein is, en op de weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offergave van JAHWEH op zijn vastgestelde tijd niet geofferd, die man zal zijn zonde dragen. 14 En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha voor JAHWEH ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, zo zal hij het houden; het zal één inzetting voor u zijn, beiden de vreemdeling en de ingezetene van het land. 15 En op de dag van het oprichten van de tabernakel bedekte de wolk de tabernakel, op de tent van het getuigenis; en in de avond was over de tabernakel als een gedaante van het vuur, tot aan de morgen. 16 Zo gebeurde het steeds; de wolk bedekte hem, en in de nacht was er een gedaante van het vuur. 17 Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de Israëlieten; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar sloegen hun kamp op de Israëlieten. 18 Naar de mond van JAHWEH, verreisden de Israëlieten, en naar de mond van JAHWEH legerden zij zich; al de dagen, waarin de wolk over de tabernakel bleef, legerden zij zich. 19 En als de wolk vele dagen over de tabernakel verbleef, zo namen de Israëlieten de wacht van JAHWEH waar, en verreisden niet. 20 Als het nu was, dat de wolk weinig dagen op de tabernakel was, naar de mond van JAHWEH legerden zij zich, en naar de mond van JAHWEH verreisden zij. 21 Maar was het, dat de wolk van de avond tot de morgen daar was, en de wolk in de morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of overdag, of in de nacht, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij. 22 Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op de tabernakel, blijvende daarop, zo sloegen hun kamp op de Israëlieten, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij. 23 Naar de mond van JAHWEH legerden zij zich, en naar de mond van JAHWEH verreisden zij; zij namen de wacht van JAHWEH waar, naar de mond van JAHWEH, door de hand van Mozes. ### Numeri 10 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult u ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping van de vergadering, en tot de optocht van het leger. 3 Als zij daarmee blazen zullen, dan zal de hele gemeenschap tot u verzameld worden, aan de deur van de tent van de samenkomst. 4 Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u verzameld worden de oversten, de hoofden van de duizenden van Israël. 5 Als u met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken. 6 Maar als u voor de tweede keer met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten. 7 Maar in het verzamelen van de gemeente, zult u blazen, maar geen gebroken geklank maken. 8 En de zonen van Aäron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen u zijn tot een eeuwige inzetting bij uw generaties. 9 En wanneer u in uw land ten strijde zult trekken tegen de vijand, die u benauwt, zult u ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal aan u gedacht worden voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, en u zult van uw vijanden verlost worden. 10 Evenzo op de dag van uw vrolijkheid, en in uw vastgestelde hoogtijden, en aan het begin van elke maand, zult u ook met de trompetten blazen over uw brandoffers, en over uw dankoffers; en zij zullen u ter herinnering zijn voor het aangezicht van uw God; Ik ben JAHWEH, uw God! 11 En het gebeurde in het tweede jaar, in de tweede maand, op de twintigste van de maand, dat de wolk verheven werd van boven de tabernakel van het getuigenis. 12 En de Israëlieten trokken op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef in de woestijn Paran. 13 Zo trokken zij allereerst op, naar de mond van JAHWEH, door de hand van Mozes. 14 Want allereerst trok op de banier van het leger van de kinderen van Juda, naar hun legers; en over zijn leger was Nahesson, de zoon van Amminadab. 15 En over het leger van de stam van de kinderen van Issaschar was Nethaneël, de zoon van Zuar. 16 En over het leger van de stam van de kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon. 17 Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari trokken op, dragende de tabernakel. 18 Daarna trok de banier van het leger van Ruben, naar hun legers; en over zijn leger was Elizur, de zoon van Sedeür. 19 En over het leger van de stam van de kinderen van Simeon was Selumiël, de zoon van Zurisaddai. 20 En over het leger van de stam van de kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuël. 21 Toen trokken op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten de tabernakel op, tegen dat deze kwamen. 22 Daarna trok op de banier van het leger van de kinderen van Efraïm, naar hun legers; en over het leger was Elisama, de zoon van Ammihud. 23 En over het leger van de stam van de kinderen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur. 24 En over het leger van de stam van de kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni. 25 Toen trok op de banier van het leger van de kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun legers; en over zijn leger was Ahiëzer de zoon van Ammisaddai. 26 En over het leger van de stam van de kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran. 27 En over het leger van de stam van de kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan. 28 Dit waren de tochten van de Israëlieten, naar hun legers, als zij reisden. 29 Mozes nu zei tot Hobab, de zoon van Rehuël, de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke JAHWEH gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want JAHWEH heeft over Israël het goede gesproken. 30 Maar hij zei tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn familie gaan. 31 En hij zei: Verlaat ons toch niet; want omdat u weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn. 32 En het zal gebeuren, als u met ons zult gaan, en het goede gebeuren zal, waarmee JAHWEH bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen. 33 Zo trokken zij drie dagreizen van de berg van JAHWEH; en de ark van het verbond van JAHWEH reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren. 34 En de wolk van JAHWEH was overdag over hen, als zij uit het leger verreisden. 35 Het gebeurde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zei: Sta op, JAHWEH! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw vijanden van Uw aangezicht vluchten! 36 En als zij rustte, zei hij: Kom weer, JAHWEH! tot de tien duizenden van de duizenden van Israël! ### Numeri 11 1 En het gebeurde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren van JAHWEH; want JAHWEH hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur van JAHWEH onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste van het leger. 2 Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot JAHWEH; en het vuur werd gedempt. 3 Daarom noemde hij de naam van die plaats Thab-era, omdat het vuur van JAHWEH onder hen gebrand had. 4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo huilden ook de Israëlieten opnieuw, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? 5 Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de uien, en aan het knoflook. 6 Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen! 7 Het Man nu was als korianderzaad, en zijn kleur was als de kleur van de bedolah. 8 Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stootte het in mortieren, en kookte het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid van de olie. 9 En wanneer de dauw in de nacht op het leger neerviel, viel het Man daarop neer. 10 Toen hoorde Mozes het volk huilen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur van zijn hut; en de toorn van JAHWEH ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes. 11 En Mozes zei tot JAHWEH: Waarom hebt U aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat U de last van dit hele volk op mij legt? 12 Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat U tot mij zou zeggen: Draag het in uw schoot, zoals een voedstervader de zuigeling draagt, tot dat land, dat U hun vaders gezworen hebt? 13 Vanwaar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij huilen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten! 14 Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar! 15 En als U zo aan mij doet, dood mij toch slechts, als ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien! 16 En JAHWEH zei tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israël, die u weet, dat zij de oudsten van het volk en daarvan voormannen zijn; en u zult hen brengen voor de tent van de samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen. 17 Zo zal Ik afkomen en met u daar spreken; en van de Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u de last van dit volk dragen, opdat u die alleen niet draagt. 18 En tot het volk zult u zeggen: Heiligt u tegen morgen, en u zult vlees eten; want u hebt voor de oren van JAHWEH geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal JAHWEH u vlees geven, en u zult eten. 19 U zult niet één dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen; 20 Tot een hele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; omdat u JAHWEH, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen? 21 En Mozes zei: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in het midden waarvan ik ben; en U hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een hele maand eten! 22 Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen van de zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij? 23 Maar JAHWEH zei tot Mozes: Zou dan de hand van JAHWEH verkort zijn? U zult nu zien, of Mijn woord u overkomen zal, of niet. 24 En Mozes ging uit, en sprak de woorden van JAHWEH tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk, en stelde hen rondom de tent. 25 Toen kwam JAHWEH af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van de Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het gebeurde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. 26 Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; van de ene naam was Eldad, en van de andere naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger. 27 Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zei: Eldad en Medad profeteren in het leger. 28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, één van zijn uitgelezen jongemannen, antwoordde en zei: Mijn heer Mozes, verbied hun! 29 Maar Mozes zei tot hem: Bent u voor mij ijverende? Och, of al het volk van JAHWEH profeten waren, dat JAHWEH Zijn Geest over hen gave! 30 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israël. 31 Toen voer een wind uit van JAHWEH, en raapte kwartels van de zee, en strooide ze bij het leger, ongeveer een dagreize herwaarts, en ongeveer een dagreize daarheen, rondom het leger; en zij waren ongeveer twee ellen boven de aarde. 32 Toen maakte zich het volk op, die hele dag, en die hele nacht, en de gehele volgende dag, en verzamelden de kwartels; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkaar rondom het leger. 33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, voordat het gekauwd was, zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen het volk, en JAHWEH sloeg het volk met een zeer grote plaag. 34 Daarom heet men de naam van die plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest. 35 Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth. ### Numeri 12 1 Mirjam nu sprak, en Aäron, tegen Mozes, vanwege de vrouw, de Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan JAHWEH maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En JAHWEH hoorde het! 3 Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op de aardbodem waren. 4 Toen sprak JAHWEH haastig tot Mozes, en tot Aäron, en tot Mirjam: U drie, komt uit tot de tent van de samenkomst! En zij drie kwamen uit. 5 Toen kwam JAHWEH af in de wolkkolom, en stond aan de deur van de tent; daarna riep Hij Aäron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit. 6 En Hij zei: Hoor nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, JAHWEH, zal door een visioen Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. 7 Zo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn hele huis getrouw is. 8 Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis van JAHWEH aanschouwt hij; waarom dan hebt u niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken? 9 Zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen hen, en Hij ging weg. 10 En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aäron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats. 11 Daarom zei Aäron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmee wij dwaas gehandeld, en waarmee wij gezondigd hebben! 12 Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit het lijf van zijn moeder uitgaat, de helft wel verteerd is! 13 Mozes dan riep tot JAHWEH, zeggende: O God! heel haar toch! 14 En JAHWEH zei tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden! 15 Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, voordat Mirjam aangenomen werd. 16 Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij sloegen hun kamp op in de woestijn van Paran. ### Numeri 13 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Zend u mannen uit: die het land Kanaän bespioneren, dat Ik de Israëlieten geven zal; van elke stam van zijn vaders zult u een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. 3 Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar de mond van JAHWEH; al die mannen waren hoofden van de Israëlieten. 4 En dit zijn hun namen: van de stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur. 5 Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori. 6 Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne. 7 Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef. 8 Van de stam van Efraïm, Hosea, de zoon van Nun. 9 Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu. 10 Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi. 11 Van de stam van Jozef, voor de stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi. 12 Van de stam van Dan, Ammiël, de zoon van Gemalli. 13 Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michaël. 14 Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi. 15 Van de stam van Gad, Guël, de zoon van Machi. 16 Dit zijn de namen van de mannen, die Mozes zond, om dat land te bespioneren; en Mozes noemde Hosea, de zoon van Nun, Jozua. 17 Mozes dan zond hen, om het land Kanaän te bespioneren; en hij zei tot hen: Trek dit heen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte; 18 En beziet het land, hoe het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel; 19 En hoe het land zij, waarin het woont, of het goed zij of kwaad; en hoe de steden zijn, waarin het woont, of in legers, of in vestingen; 20 Ook hoe het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht van het land. Die dagen nu waren de dagen van de eerste vruchten van de wijndruiven. 21 Zo trokken zij op, en bespioneerden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath. 22 En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte. 23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met één tros wijndruiven, die zij droegen met tweeën, op een draagstok; ook van de granaatappels en van de vijgen. 24 Die plaats noemde men het dal Eskol, vanwege de tros, die de Israëlieten van daar afgesneden hadden. 25 Daarna keerden zij weer van het bespioneren van het land, na verloop van veertig dagen. 26 En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aäron, en tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, in de woestijn van Paran, naar Kades; en brachten bescheid weer aan hen, en aan de hele gemeenschap, en lieten hun de vrucht van het land zien. 27 En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen u ons gezonden hebt; en werkelijk, het is van melk en honing vloeiende, en dit is zijn vrucht. 28 Behalve dat het een sterk volk is, dat in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien. 29 De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaänieten wonen aan de zee, en aan de oever van de Jordaan. 30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zei: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen! 31 Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. 32 Zo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij bespioneerd hadden, aan de Israëlieten, zeggende: Dat land, waar wij doorgegaan zijn, om het te bespioneren, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, dat wij in het midden daarvan gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. 33 Wij hebben ook daar de reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, zo waren wij ook in hun ogen. ### Numeri 14 1 Toen verhief zich de hele gemeenschap, en zij hieven hun stem op, en het volk huilde in die nacht. 2 En al de Israëlieten morden tegen Mozes en tegen Aäron; en de hele gemeenschap zei tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren! 3 En waarom brengt ons JAHWEH naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderen ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weer te keren? 4 En zij zeiden de één tot de ander: Laat ons een hoofd aanstellen, en terugkeren naar Egypte! 5 Toen vielen Mozes en Aäron op hun aangezichten, voor het aangezicht van heel de verzamelde gemeenschap van de Israëlieten. 6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land bespioneerd hadden, scheurden hun kleren. 7 En zij spraken tot de hele gemeenschap van de Israëlieten, zeggende: Het land, waardoor wij getrokken zijn, om het te bespioneren, is een bovenmate goed land. 8 Als JAHWEH een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, dat van melk en honing is vloeiende. 9 Alleen wees tegen JAHWEH niet opstandig! en vreest u niet het volk van dit land; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en JAHWEH is met ons; vrees hen niet! 10 Toen zei de hele gemeenschap, dat men hen met stenen stenigen zou. Maar de heerlijkheid van JAHWEH verscheen in de tent van de samenkomst, voor al de Israëlieten. 11 En JAHWEH zei tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb? 12 Ik zal het met pest slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is. 13 En Mozes zei tot JAHWEH: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want U hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken; 14 En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat U, JAHWEH! in het midden van dit volk bent; dat U, JAHWEH! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en U in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat overdag, en in een vuurkolom in de nacht. 15 En zou U dit volk als één enige man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende: 16 Omdat JAHWEH dit volk niet kon brengen in dat land, dat Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn! 17 Nu dan, laat toch de kracht van JAHWEH groot worden, zoals U gesproken hebt, zeggende: 18 JAHWEH is geduldig en groot van goedertierenheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die de schuldige in geen geval onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid van de vaders aan de kinderen, in het derde en in het vierde geslacht. 19 Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, naar de grootte van Uw goedertierenheid, en zoals U ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt! 20 En JAHWEH zei: Ik heb hun vergeven naar uw woord. 21 Maar zeker, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de hele aarde met de heerlijkheid van JAHWEH vervuld worden! 22 Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en aan Mijn stem niet gehoorzaam zijn geweest; 23 Zo zij het land, dat Ik aan hun vaders gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien! 24 Maar Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, waarin hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten. 25 De Amalekieten nu en de Kanaänieten wonen in het dal; wend u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op de weg naar de Schelfzee. 26 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 27 Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn morrende? Ik heb gehoord het geklaag van de Israëlieten, waarmee zij tegen Mij zijn morrende. 28 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, als Ik u zo niet doe, zoals u in Mijn oren gesproken hebt! 29 Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en allen van u die geteld zijn, naar uw hele getal, van twintig jaar oud en daarboven, u, die tegen Mij gemord hebt. 30 Zo u in dat land komt, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. 31 En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, dat u smadelijk verworpen hebt. 32 Maar wat u betreft, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen! 33 En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn. 34 Naar het getal van de dagen, waarin u dat land bespioneerd hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult u uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en u zult bemerken Mijn afbreking. 35 Ik, JAHWEH, heb gesproken: zo Ik dit aan deze hele boze vergadering van degenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven! 36 En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te bespioneren, en wedergekomen zijnde, de hele gemeenschap tegen hem hadden doen morren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende; 37 Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht van JAHWEH. 38 Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te bespioneren. 39 En Mozes sprak deze woorden tot al de Israëlieten. Toen treurde het volk zeer. 40 En zij stonden 's morgens vroeg op, en klommen op de hoogte van de berg, zeggende: Zie, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die JAHWEH gezegd heeft; want wij hebben gezondigd! 41 Maar Mozes zei: Waarom overtreedt u zo het bevel van JAHWEH? Want dat zal geen voorspoed hebben. 42 Trek niet op, want JAHWEH zal in het midden van u niet zijn; opdat u niet geslagen wordt, voor het aangezicht van uw vijanden. 43 Want de Amalekieten, en de Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, en u zult door het zwaard vallen; want, omdat u zich afgekeerd hebt van JAHWEH, zo zal JAHWEH met u niet zijn. 44 Toch poogden zij overmoedig, om op de hoogte van de berg te klimmen; maar de ark van het verbond van JAHWEH en Mozes scheidden niet uit het midden van het leger. 45 Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe. ### Numeri 15 1 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u gekomen zult zijn in het land van uw woningen, dat Ik u geven zal; 3 En u een vuuroffer voor JAHWEH zult doen, een brandoffer, of slachtoffer, om af te zonderen een gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uw vastgestelde hoogtijden, om JAHWEH een liefelijke reuk te maken, van runderen of van klein vee; 4 Zo zal hij, die zijn offergave aan JAHWEH offert, een voedseloffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie. 5 En wijn als drankoffer, een vierendeel van een hin, zult u bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam. 6 Of voor een ram zult u een voedseloffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin. 7 En wijn als drankoffer, een derde deel van een hin, zult u offeren tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 8 En wanneer u een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of als dankoffer voor JAHWEH; 9 Zo zal hij tot een jong rund offeren een voedseloffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin. 10 En wijn zult u offeren als drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijke reuk voor JAHWEH. 11 Zo zal gedaan worden met de ene os, of met de ene ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten. 12 Naar het getal, dat u bereiden zult, zult u zo doen met elk, naar hun getal. 13 Alle ingezetene zal deze dingen zo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor JAHWEH. 14 Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uw generaties, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijke reuk voor JAHWEH; zoals u zult doen, zo zal hij doen. 15 U, gemeente, het zij u en de vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, één inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw generaties, zoals u, zo zal de vreemdeling voor het aangezicht van JAHWEH zijn. 16 Eén wet en één recht zal u zijn, en de vreemdeling, die bij u als vreemdeling verkeert. 17 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 18 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Als u zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal, 19 Zo zal het gebeuren, als u van het brood van het land zult eten, dan zult u JAHWEH een hefoffer offeren. 20 De eerstelingen van uw deeg, een koek zult u tot een hefoffer offeren; zoals het hefoffer van de dorsvloer zult u dat offeren. 21 Van de eerstelingen van uw deeg zult u JAHWEH een hefoffer geven, bij uw generaties. 22 Verder wanneer u afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die JAHWEH tot Mozes gesproken heeft; 23 Alles, wat u JAHWEH door de hand van Mozes geboden heeft; van die dag af, dat JAHWEH geboden heeft, en voortaan bij uw generaties; 24 Zo zal het gebeuren, als iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen van de vergadering verborgen is, dat de hele gemeenschap één stier, een jong rund, zal bereiden als brandoffer, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH, met zijn voedseloffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en één geitenbok als zondoffer. 25 En de priester zal de verzoening doen voor de hele gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden; want het was een afdwaling, en zij hebben hun offergave gebracht, een vuuroffer voor JAHWEH, en hun zondoffer, voor het aangezicht van JAHWEH, over hun afdwaling. 26 Het zal dan aan de hele gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, ook de vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert; want het is het hele volk door dwaling overkomen. 27 En als een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit als zondoffer offeren. 28 En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, voor het aangezicht van JAHWEH, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden. 29 De ingezetene van de Israëlieten, en de vreemdeling, die in hun midden als vreemdeling verkeert, één wet zal u zijn, degene, die het door afdwaling doet. 30 Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van ingezetenen of van vreemdelingen, die smaadt JAHWEH; en die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk; 31 Want zij heeft het woord van JAHWEH veracht en Zijn gebod vernietigd; die ziel zal geheel uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid is op haar. 32 Als nu de Israëlieten in de woestijn waren, zo vonden zij een man, hout sprokkelende op de sabbatdag. 33 En die hem vonden, hout sprokkelende, brachten hem tot Mozes, en tot Aäron, en tot de hele gemeenschap. 34 En zij stelden hem in bewaring; want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden. 35 Zo zei JAHWEH tot Mozes: Die man zal zeker gedood worden; de hele gemeenschap zal hem met stenen stenigen buiten het leger. 36 Toen bracht hem de hele gemeenschap uit tot buiten het leger, en zij stenigden hem met stenen, dat hij stierf, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 37 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 38 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken van hun kleren, bij hun generaties; en op de snoertjes van de hoek zullen zij een hemelsblauwe draad zetten. 39 En hij zal u aan de snoertjes zijn, opdat u het aanziet, en aan al de geboden van JAHWEH gedenkt, en die doet; en u zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die u bent nahoererende; 40 Opdat u gedenkt en doet al Mijn geboden, en uw God heilig bent. 41 Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, om u tot een God te zijn; Ik ben JAHWEH, uw God! ### Numeri 16 1 Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Peleth, zonen van Ruben. 2 En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, en ook tweehonderd en vijftig mannen uit de Israëlieten, oversten van de vergadering, de geroepenen van de samenkomst, mannen van naam. 3 En zij verzamelden zich tegen Mozes, en tegen Aäron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze hele vergadering, zij allen, zijn heilig, en JAHWEH is in het midden van hen; waarom dan verheft u zich over de gemeente van JAHWEH? 4 Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht. 5 En hij sprak tot Korach, en tot zijn hele vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal JAHWEH bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, die Hij tot Zich zal doen naderen; en wie Hij gekozen zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen. 6 Doe dit: neem u wierookvaten, Korach en zijn hele vergadering; 7 En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht van JAHWEH; en het zal gebeuren, dat de man, die JAHWEH verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, u, kinderen van Levi! 8 Verder zei Mozes tot Korach: Hoor toch, u, kinderen van Levi! 9 Is het u te weinig, dat de God van Israël u van de gemeenschap van Israël heeft afgescheiden, om u tot Zich te doen naderen; om de dienst van de tabernakel van JAHWEH te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen? 10 Daar Hij u, en al uw broers, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt u nu ook het priesterambt? 11 Daarom u, en uw hele vergadering, u bent verzameld tegen JAHWEH, want Aäron, wat is hij, dat u tegen hem mort? 12 En Mozes zond heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen! 13 Is het te weinig, dat u ons uit een land, van melk en honing vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat u ook uzelf ten enenmaal over ons tot een heerser maakt? 14 Ook hebt u ons niet gebracht in een land, dat van melk en honing vloeit, noch ons akkers en wijngaarden als erfdeel gegeven. Zult u de ogen van deze mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen! 15 Toen ontstak Mozes zeer, en hij zei tot JAHWEH: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet één ezel van hen genomen, en niet één van hen kwaad gedaan. 16 Verder zei Mozes tot Korach: U, en uw hele vergadering, wees voor het aangezicht van JAHWEH; u, en zij, ook Aäron, op morgen. 17 En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht van JAHWEH, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook u, en Aäron, een ieder zijn wierookvat. 18 Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent van de samenkomst, ook Mozes en Aäron. 19 En Korach deed de hele gemeenschap tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent van de samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid van JAHWEH aan deze hele vergadering. 20 En JAHWEH sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 21 Scheid u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een ogenblik verteren! 22 Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! één enig man zal gezondigd hebben, en zult U Zich over deze hele vergadering enorm vertoornen? 23 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 24 Spreek tot deze vergadering, zeggende: Ga op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram. 25 Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israël. 26 En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijk toch af van de tenten van deze goddeloze mannen, en roert niets aan van wat hun is, opdat u niet misschien verdaan wordt in al hun zonden. 27 Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur van hun tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderen. 28 Toen zei Mozes: Hieraan zult u bekennen, dat JAHWEH mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn. 29 Als deze zullen sterven, zoals alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar de bezoeking van alle mensen, zo heeft mij JAHWEH niet gezonden. 30 Maar als JAHWEH wat nieuws zal scheppen, en de aarde zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat van hen is, en zij levend naar het dodenrijk zullen neervaren; dan zult u bekennen, dat deze mannen JAHWEH getergd hebben. 31 En het gebeurde, als hij geëindigd had al deze woorden te spreken, zo werd de aarde, dat onder hen was, gekloofd; 32 En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en alle mensen, die Korach toebehoorden, en al de bezittingen. 33 En zij voeren neer, zij en alles wat van hen was, levend naar het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden van de gemeente. 34 En het hele Israël, dat rondom hen was, vluchtte voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde! 35 Daartoe ging een vuur uit van JAHWEH, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden. 36 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 37 Zeg tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat hij de wierookvaten uit de brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig; 38 Te weten de wierookvaten van deze, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht van JAHWEH, daarom zijn zij heilig; en zij zullen de Israëlieten tot een teken zijn. 39 En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar; 40 Ter nagedachtenis voor de Israëlieten, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aäron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht van JAHWEH; opdat hij niet wordt als Korach, en zijn vergadering, zoals hem JAHWEH door de dienst van Mozes gesproken had. 41 Maar op de andere dag morde de hele gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en tegen Aäron, zeggende: U hebt het volk van JAHWEH gedood! 42 En het gebeurde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aäron, en zich wendde naar de tent van de samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen. 43 Mozes nu en Aäron kwamen tot voor de tent van de samenkomst. 44 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 45 Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten. 46 En Mozes zei tot Aäron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastig gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht van JAHWEH uitgegaan, de plaag heeft aangevangen. 47 En Aäron nam het, zoals Mozes gesproken had, en liep in het midden van de gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk. 48 En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; zo werd de plaag opgehouden. 49 Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, afgezien van die gestorven waren om de zaak van Korach. 50 En Aäron keerde weer tot Mozes aan de deur van de tent van de samenkomst; en de plaag was opgehouden. ### Numeri 17 1 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; de naam van ieder zult u schrijven op zijn staf. 3 Maar Aärons naam zult u schrijven op de staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis van hun vaders. 4 En u zult ze wegleggen in de tent van de samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal. 5 En het zal gebeuren, dat de staf van de man, die Ik zal gekozen hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen het geklaag van de Israëlieten tegen Mij, dat zij tegen u morden. 6 Mozes dan sprak tot de Israëlieten, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elke overste een staf, naar het huis van hun vaders, twaalf staven; Aärons staf was ook onder hun staven. 7 En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht van JAHWEH, in de tent van het getuigenis. 8 Het gebeurde nu op de andere dag, dat Mozes in de tent van het getuigenis inging; en ziet, Aärons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen. 9 Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht van JAHWEH, tot al de Israëlieten; en zij zagen het, en namen elk zijn staf. 10 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Breng de staf van Aäron weer voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de opstandige kinderen; zo zult u een einde maken van hun geklaag tegen Mij, dat zij niet sterven. 11 En Mozes deed het; zoals JAHWEH hem geboden had, zo deed hij. 12 Toen spraken de Israëlieten tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven de geest, wij vergaan, wij allen vergaan! 13 Al wie enigszins nadert tot de tabernakel van JAHWEH, zal sterven; zullen wij dan de geest gevende verdaan worden? ### Numeri 18 1 Zo zei JAHWEH tot Aäron: U, en uw zonen, en het huis van uw vader met u, zult dragen de ongerechtigheid van het heiligdom; en u, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt. 2 En ook zult u uw broers, de stam van Levi, de stam van uw vader, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar u, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent van het getuigenis. 3 En zij zullen uw taak waarnemen, en de taak van de hele tent; maar tot het gereedschap van het heiligdom en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als u. 4 Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de taak van de tent van de samenkomst waarnemen, in alle dienst van de tent; en een vreemde zal tot u niet naderen. 5 U nu zult waarnemen de taak van het heiligdom, en de taak van het altaar; opdat er geen toorn meer zij over de Israëlieten. 6 Want Ik, zie, Ik heb uw broers, de Levieten, uit het midden van de Israëlieten genomen; zij zijn u een gave, gegeven aan JAHWEH, om de dienst van de tent van de samenkomst te bedienen. 7 Maar u, en uw zonen met u, zult uw priesterambt waarnemen in alle zaken van het altaar, en in wat van binnen het voorhangsel is, dat zult u bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden. 8 Verder sprak JAHWEH tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de taak van Mijn hefoffers, met alle heilige dingen van de Israëlieten heb Ik ze u gegeven, omwille van de zalving, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting. 9 Dit zult u hebben van de heiligheid van de heiligheden, uit het vuur: al hun offergaven, met al hun voedseloffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid van de heiligheden zijn. 10 Aan het allerheiligste zult u dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn. 11 Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer van hun gave, met alle beweegoffers van de Israëlieten; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. 12 Al het beste van de olie, en al het beste van de nieuwe wijn, en van koren, hun eerstelingen, die zij JAHWEH zullen geven, u heb Ik ze gegeven. 13 De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij JAHWEH zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten. 14 Al het verbannene in Israël zal het uwe zijn. 15 Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij JAHWEH zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; maar de eerstgeborenen van de mensen zult u geheel lossen; ook zult u lossen de eerstgeborenen van de onreine beesten. 16 Die nu daaronder gelost zullen worden, zult u van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkels, naar de sikkel van het heiligdom, die is twintig gera. 17 Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult u niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult u sprenkelen op het altaar, en hun vet zult u aansteken, tot een vuuroffer van liefelijke reuk voor JAHWEH. 18 En hun vlees zal het uwe zijn; zoals de beweegborst, en zoals de rechterschouder, zal het uwe zijn. 19 Alle hefoffers van de heilige dingen, die de Israëlieten JAHWEH zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochters met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht van JAHWEH, voor u en voor uw zaad met u. 20 Ook zei JAHWEH tot Aäron: U zult in hun land niet erven, en u zult geen deel in het midden van hen hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de Israëlieten. 21 En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven, voor hun dienst, die zij bedienen, de dienst van de tent van de samenkomst. 22 En de Israëlieten zullen niet meer naderen tot de tent van de samenkomst, om zonde te dragen en te sterven. 23 Maar de Levieten, die zullen bedienen de dienst van de tent van de samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw generaties; en in het midden van de Israëlieten zullen zij geen erfenis erven. 24 Want de tienden van de Israëlieten, die zij JAHWEH tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de Israëlieten geen erfenis erven. 25 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 26 U zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer u van de Israëlieten de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van hen gegeven heb, zo zult u daarvan een hefoffer van JAHWEH offeren, de tienden van die tienden; 27 En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van de dorsvloer, en als de volheid van de perskuip. 28 Zo zult u ook een hefoffer van JAHWEH offeren van al uw tienden, die u van de Israëlieten zult hebben ontvangen; en u zult daarvan het hefoffer van JAHWEH geven aan de priester Aäron. 29 Van al uw gaven zult u alle hefoffer van JAHWEH offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan. 30 U zult dan tot hen zeggen: Als u het beste daarvan offert, zo zal het de Levieten toegerekend worden als een inkomen van de dorsvloer, en als een inkomen van de perskuip. 31 En u zult dat eten in alle plaatsen, u en uw huis; want het is u een loon voor uw dienst in de tent van de samenkomst. 32 Zo zult u daarover geen zonde dragen, als u het beste daarvan offert; en u zult de heilige dingen van de Israëlieten niet ontheiligen, opdat u niet sterft. ### Numeri 19 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes en tot Aäron, zeggende: 2 Dit is de inzetting van de wet, die JAHWEH geboden heeft, zeggende: Spreek tot de Israëlieten, dat zij tot u brengen een rode volkomen vaars, waarin geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is. 3 En u zult die geven aan Eleazar, de priester; en hij zal ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten. 4 En Eleazar, de priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent van de samenkomst zevenmaal sprenkelen. 5 Verder zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar huid, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden. 6 En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van de brand van deze vaars. 7 Dan zal de priester zijn kleren wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan de avond. 8 Ook die haar verbrand heeft, zal zijn kleren met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan de avond. 9 En een rein man zal de as van deze vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de gemeenschap van de Israëlieten, tot het water van de afzondering; het is ontzondiging. 10 En die de as van deze vaars verzameld heeft, zal zijn kleren wassen, en onrein zijn tot aan de avond. Dit zal de Israëlieten, en de vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn. 11 Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn. 12 Op de derde dag zal hij zich daarmee ontzondigen, zo zal hij op de zevende dag rein zijn; maar als hij zich op de derde dag niet ontzondigt, zo zal hij op de zevende dag niet rein zijn. 13 Al wie een dode, het dode lichaam van een mens, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt de tabernakel van JAHWEH; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water van de afzondering op hem niet gesprenkeld is, zal hij onrein zijn; zijn onreinheid is nog in hem. 14 Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn. 15 Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein. 16 En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente van een mens, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn. 17 Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof van de brand van de ontzondiging, en daarop levend water doen in een kruik. 18 En een rein man zal hysop nemen, en in dat water dopen, en sprenkelen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; ook aan degene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft. 19 En de reine zal de onreine op de derde dag, en op de zevende dag besprenkelen; en op de zevende dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn kleren wassen, en zich met water baden, en op de avond rein zijn. 20 Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom van JAHWEH verontreinigd, het water van de afzondering is op hem niet gesprenkeld, hij is onrein. 21 Dit zal hun zijn tot een eeuwige inzetting. En die het water van de afzondering sprenkelt, zal zijn kleren wassen; ook wie het water van de afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan de avond. 22 Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en de ziel, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan de avond. ### Numeri 20 1 Als de Israëlieten, de hele gemeenschap, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf daar, en zij werd daar begraven. 2 En er was geen water voor de vergadering; toen verzamelden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron. 3 En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broers voor het aangezicht van JAHWEH de geest gaven! 4 Waarom toch hebt u de gemeente van JAHWEH in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten? 5 En waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappels; ook is er geen water om te drinken. 6 Toen gingen Mozes en Aäron van het aangezicht van de gemeente tot de deur van de tent van de samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid van JAHWEH verscheen hun. 7 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 8 Neem die staf, en verzamel de vergadering, u en Aäron, uw broer, en spreekt u tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; zo zult u hun water voortbrengen uit de steenrots, en u zult de vergadering en haar beesten drenken. 9 Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Hij hem geboden had. 10 En Mozes en Aäron verzamelden de gemeente voor de steenrots, en hij zei tot hen: Hoor toch, u opstandigen, zullen wij water voor u uit deze steenrots hervoorbrengen? 11 Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel water uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. 12 Daarom zei JAHWEH tot Mozes en tot Aäron: Omdat u Mij niet geloofd hebt, dat u Mij heiligde voor de ogen van de kinderen van Israël, daarom zult u deze gemeente niet inbrengen in het land, dat Ik hun gegeven heb. 13 Dit zijn de wateren van Meriba, daar de Israëlieten met JAHWEH om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd. 14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot de koning van Edom, die zeiden: Zo zegt uw broer Israël: U weet al de moeite, die ons ontmoet is; 15 Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaders kwaad gedaan hebben. 16 Toen riepen wij tot JAHWEH, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, een stad aan het uiterste van uw gebied. 17 Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door de akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water van de putten drinken; wij zullen de koninklijke weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, voordat wij door uw gebied zullen getrokken zijn. 18 Maar Edom zei tot hem: U zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet! 19 Toen zeiden de Israëlieten tot hem: Wij zullen door de gebaande weg optrekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik de prijs daarvoor geven; ik zal alleen, zonder iets anders, te voet doortrekken. 20 Maar hij zei: U zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand. 21 Zo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn gebied te trekken; daarom week Israël van hem af. 22 Toen reisden zij van Kades; en de Israëlieten kwamen, de hele gemeenschap, aan de berg Hor. 23 JAHWEH nu sprak tot Mozes, en tot Aäron, aan de berg Hor, aan de grens van het land van Edom, zeggende: 24 Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden; want hij zal niet komen in het land, dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u tegen Mijn mond opstandig geweest bent bij de wateren van Meriba. 25 Neem Aäron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot de berg Hor. 26 En trek Aäron zijn kleren uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aäron zal verzameld worden, en daar sterven. 27 Mozes nu deed, zoals JAHWEH geboden had; want zij klommen op tot de berg Hor, voor de ogen van de hele gemeenschap. 28 En Mozes trok Aäron zijn kleren uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf daar, op de top van die berg. Toen kwam Mozes en Eleazar van die berg af. 29 Toen de hele gemeenschap zag, dat Aäron overleden was, zo beweenden zij Aäron dertig dagen, het hele huis van Israël. ### Numeri 21 1 Als de Kanaäniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israël door de weg van de spionnen kwam, zo streed hij tegen Israël, en hij voerde enige gevangenen daaruit als gevangenen weg. 2 Toen beloofde Israël JAHWEH een gelofte, en zei: Als U dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen. 3 JAHWEH dan verhoorde de stem van Israël, en gaf de Kanaänieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde de naam van die plaats Horma. 4 Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg van de Schelfzee, dat zij om het land van de Edomieten heentogen; maar de ziel van het volk werd verdrietig op deze weg. 5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt u ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. 6 Toen zond JAHWEH vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volk van Israël. 7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen JAHWEH en tegen u gesproken hebben; bid JAHWEH, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. 8 En JAHWEH zei tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal gebeuren, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. 9 En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het gebeurde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend. 10 Toen verreisden de Israëlieten, en zij sloegen hun kamp op te Oboth. 11 Daarna reisden zij van Oboth, en sloegen hun kamp op aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen de opgang van de zon. 12 Van daar reisden zij, en sloegen hun kamp op bij de beek Zered. 13 Van daar reisden zij, en sloegen hun kamp op aan deze zijde van de Arnon, die in de woestijn is, uitgaande uit het gebied van de Amorieten; want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. 14 (Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen van JAHWEH: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon, 15 En de afloop van de beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leunt aan de grens van Moab.) 16 En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welke JAHWEH tot Mozes zei: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven. 17 (Toen zong Israël dit lied: Spring op, u put, zingt daarvan bij beurte! 18 U put, die de vorsten gegraven hebben, die de edelen van het volk gedolven hebben, door de wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana; 19 En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth; 20 En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet. 21 Toen zond Israël boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, zeggende: 22 Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water van de putten niet drinken; wij zullen op de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetogen zijn. 23 Maar Sihon liet Israël niet toe, door zijn gebied door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël; 24 Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de grens van de kinderen Ammons was vast. 25 Zo nam Israël al deze steden in; en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, te Hesbon, en in al haar bijbehorende plaatsen. 26 Want Hesbon was de stad van Sihon, de koning van de Amorieten; en hij had gestreden tegen de vorige koning van de Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. 27 Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Kom tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon! 28 Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar van de Moabieten, en de heren van de hoogten van de Arnon. 29 Wee u, Moab! U, volk Kamoz bent verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, de koning van de Amorieten. 30 En wij hebben hen neergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, die tot Medeba toe reikt. 31 Zo woonde Israël in het land van de Amoriet. 32 Daarna zond Mozes om Jaëzer te bespioneren; en zij namen haar bijbehorende plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting. 33 Toen wendden zij zich en trokken op de weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, te Edreï. 34 JAHWEH nu zei tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en u zult hem doen, zoals u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. 35 En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, zo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting. ### Numeri 22 1 Daarna reisden de kinderen van Israël, en sloegen hun kamp op in de vlakke velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho. 2 Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israël aan de Amorieten gedaan had; 3 Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht van dit volk, want het was veel; en Moab was benauwd voor het aangezicht van de Israëlieten. 4 Daarom zei Moab tot de oudsten van de Midianieten: Nu zal deze gemeente afgrazen al wat rondom ons is, zoals de os de groente van het veld afgraast. In die tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning van de Moabieten. 5 Die zond boden aan Bileam, de zoon van Beor, te Pethor, dat aan de rivier is, in het land van de kinderen van zijn volk, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht van het land bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. 6 En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wie u zegent, die zal gezegend zijn, en wie u vervloekt, die zal vervloekt zijn. 7 Toen gingen de oudsten van de Moabieten, en de oudsten van de Midianieten, en hadden het loon van de waarzeggingen in hun hand; zo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak. 8 Hij dan zei tot hen: Overnacht hier deze nacht, zo zal ik u een antwoord teruggeven, zoals JAHWEH tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten van de Moabieten bij Bileam. 9 En God kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen, die bij u zijn? 10 Toen zei Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende: 11 Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht van het land bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik daartegen kunnen strijden, of het uitdrijven. 12 Toen zei God tot Bileam: U zult met hen niet trekken; u zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend. 13 Toen stond Bileam 's morgens op, en zei tot de vorsten van Balak: Ga naar uw land; want JAHWEH weigert mij toe te laten met u te gaan. 14 Zo stonden dan de vorsten van de Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan. 15 Maar Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en voornamer, dan die waren; 16 Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Zo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen! 17 Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat u tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk! 18 Toen antwoordde Bileam, en zei tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel van JAHWEH van mijn God te overtreden, om te doen klein of groot. 19 En nu, blijft u toch ook hier deze nacht, opdat ik wete, wat JAHWEH tot mij verder spreken zal. 20 God nu kwam tot Bileam in de nacht, en zei tot hem: Omdat die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en toch zult u dat doen, dat Ik tot u spreken zal. 21 Toen stond Bileam 's morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab. 22 Maar de toorn van God werd ontstoken, omdat hij op weg ging; en de Engel van JAHWEH stelde Zich in de weg, hem tot een tegenstander; hij reed nu op zijn ezelin, en twee van zijn jongeren waren bij hem. 23 De ezelin nu zag de Engel van JAHWEH staande in de weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bileam de ezelin, om haar naar de weg te doen sturen. 24 Maar de Engel van JAHWEH stond in een pad van de wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan de overzijde. 25 Toen de ezelin de Engel van JAHWEH zag, zo klemde zij zichzelf aan de wand, en klemde Bileams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan. 26 Toen ging de Engel van JAHWEH nog verder, en Hij stond in een nauwe plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechterhand noch ter linkerhand. 27 Als de ezelin de Engel van JAHWEH zag, zo legde zij zich neer onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok. 28 JAHWEH nu opende de mond van de ezelin, die tot Bileam zei: Wat heb ik u gedaan, dat u mij nu drie keer geslagen hebt? 29 Toen zei Bileam tot de ezelin: Omdat u mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zou u nu doden. 30 De ezelin nu zei tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke u gereden hebt van toen af, dat u mijn heer geweest bent, tot op deze dag? Ben ik ooit gewend geweest u zo te doen? Hij dan zei: Nee! 31 Toen ontdekte JAHWEH de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van JAHWEH zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht. 32 Toen zei de Engel van JAHWEH tot hem: Waarom hebt u uw ezelin nu drie keer geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenstander, omdat deze weg van Mij afwijkt. 33 Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu drie keer voor Mijn aangezicht geweken; als zij voor Mijn aangezicht niet geweken was, zeker Ik zou u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben. 34 Toen zei Bileam tot de Engel van JAHWEH: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat U mij tegemoet op deze weg stond; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal terugkeren. 35 De Engel van JAHWEH nu zei tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult u spreken. Zo trok Bileam met de vorsten van Balak. 36 Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad van de Moabieten, die aan de grens van de Arnon ligt, die aan het uiterste van de grens is. 37 En Balak zei tot Bileam: Heb ik niet ernstig tot u gezonden, om u te roepen? Waarom bent u niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren? 38 Toen zei Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigszins iets kunnen spreken? Het woord, dat God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken. 39 En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-huzzoth. 40 Toen slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren. 41 En het gebeurde 's morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baäl, dat hij van daar zag het uiterste van het volk. ### Numeri 23 1 Toen zei Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen. 2 Balak nu deed, zoals Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden een stier en een ram, op elk altaar. 3 Toen zei Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal JAHWEH mij tegemoet komen; en wat Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte. 4 Als God Bileam ontmoet was, zo zei hij tot Hem: Zeven altaren heb ik gereedgemaakt, en heb een stier en een ram op elk altaar geofferd. 5 Toen legde JAHWEH het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo. 6 Als hij nu tot hem terugkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van de Moabieten. 7 Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Uit Syrië heeft mij Balak, de koning van de Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël! 8 Wat zal ik vloeken, die God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar JAHWEH niet scheldt? 9 Want van de hoogte van de steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; zie, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden. 10 Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve de dood van de oprechten, en mijn uiterste zij zoals het zijne! 11 Toen zei Balak tot Bileam: Wat hebt u mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, u hebt hen doorgaans gezegend! 12 Hij nu antwoordde en zei: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat JAHWEH in mijn mond gelegd heeft? 13 Toen zei Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, vanwaar u hem zult zien; u zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet geheel zien; en vervloek hem mij van daar! 14 Zo nam hij hem mee tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een stier en een ram op elk altaar. 15 Toen zei hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem daar ontmoeten. 16 Als JAHWEH Bileam ontmoet was, zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zei: Keer weer tot Balak, en spreek zo. 17 Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten van de Moabieten bij hem. Balak nu zei tot hem: Wat heeft JAHWEH gesproken? 18 Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, u, zoon van Zippor! 19 God is geen man, dat Hij liegen zou, noch het kind van een mens, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? 20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; omdat Hij zegent, zo zal ik het niet keren. 21 Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël. JAHWEH, zijn God, is met hem, en het geklank van de Koning is bij hem. 22 God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn. 23 Want er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israël. In deze tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewerkt heeft. 24 Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, voordat het de roof gegeten, en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben! 25 Toen zei Balak tot Bileam: U zult het geheel noch vloeken, noch in geen geval zegenen. 26 Maar Bileam antwoordde en zei tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat JAHWEH spreken zal, dat zal ik doen? 27 Verder zei Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan een andere plaats meenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van die God, dat u het mij van daar vervloekt. 28 Toen nam Balak Bileam mee tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet. 29 En Bileam zei tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen. 30 Balak nu deed, zoals Bileam gezegd had; en hij offerde een stier en een ram op elk altaar. ### Numeri 24 1 Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen van JAHWEH, dat hij Israël zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, zoals meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn. 2 Als Bileam zijn ogen ophief, en Israël zag, gelegerd naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem. 3 En hij hief zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wie de ogen geopend zijn, spreekt! 4 De hoorder van de redenen Gods spreekt, die het visioen van de Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden! 5 Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israël! 6 Zoals de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; JAHWEH heeft ze geplant, als de aloë's, als de cederbomen aan het water. 7 Er zal water uit zijn emmers vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden. 8 God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten. 9 Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich neergelegd, zoals een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt! 10 Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zei tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, u hebt hen nu drie keer steeds gezegend! 11 En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, JAHWEH heeft u die eer van u geweerd! 12 Toen zei Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die u tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende: 13 Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel van JAHWEH niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat JAHWEH spreken zal, dat zal ik spreken. 14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen. 15 Toen hief hij zijn spreuk op, en zei: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wie de ogen geopend zijn, spreekt! 16 De hoorder van de redenen Gods spreekt, en die de wetenschap van de Allerhoogste weet; die het visioen van de Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wie de ogen ontdekt worden. 17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de grenzen van de Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren. 18 En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; maar Israël zal kracht doen. 19 En er zal één uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen. 20 Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Amalek is de eersteling van de heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve! 21 Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zei: Uw woning is vast, en u hebt uw nest in een steenrots gelegd. 22 Evenwel zal Kaïn verteerd worden, totdat u Assur als gevangene wegvoeren zal! 23 Verder hief hij zijn spreuk op, en zei: Och, wie zal leven, als God dit doen zal! 24 En de schepen van de oever van de Chitteers, die zullen Assur onderdrukken, zij zullen ook Heber onderdrukken; en hij zal ook ten verderve zijn. 25 Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weer tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg. ### Numeri 25 1 En Israël verbleef te Sittim, en het volk begon te ontucht plegen met de dochters van de Moabieten. 2 En zij nodigden het volk tot de slachtoffers van haar goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. 3 Als nu Israël zich koppelde aan Baäl-peor, ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël. 4 En JAHWEH zei tot Mozes: Neem al de hoofden van het volk, en hang ze JAHWEH tegen de zon, zo zal de hitte van de toorn van JAHWEH gekeerd worden van Israël. 5 Toen zei Mozes tot de rechters van Israël: Laat ieder zijn mannen doden, die zich aan Baäl-peor gekoppeld hebben! 6 En ziet, een man uit de Israëlieten kwam, en bracht een Midianitische vrouw tot zijn broers voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de hele gemeenschap van de Israëlieten, toen zij huilden voor de deur van de tent van de samenkomst. 7 Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden van de vergadering, en nam een speer in zijn hand; 8 En hij ging de Israëlietische man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, de Israëlietische man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de Israëlieten opgehouden. 9 Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend. 10 Toen sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 11 Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, heeft Mijn woede van over de Israëlieten afgewend, omdat hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden daarvan, zodat Ik de Israëlieten in Mijn ijver niet vernield heb. 12 Daarom spreek: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van de vrede. 13 En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond van het eeuwige priesterdom, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de Israëlieten. 14 De naam nu van de verslagen Israëlitische man, die verslagen was met de Midianitische vrouw, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis van de Simeonieten. 15 En de naam van de verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een hoofd was van de volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten. 16 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 17 Handel vijandig met de Midianieten, en versla hen; 18 Want zij hebben vijandig tegen u gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van de overste van de Midianieten, hun zus, die verslagen is, op de dag van de plaag, om de zaak van Peor. ### Numeri 26 1 Het gebeurde nu na die plaag, dat JAHWEH sprak tot Mozes, en tot Eleazar, de zoon van Aäron, de priester, zeggende: 2 Neem het aantal van de hele gemeenschap van de Israëlieten op, van twintig jaar oud en daarboven, naar het huis van hun vaders, al wie ten strijde in Israël uittrekt. 3 Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: 4 Dat men opneme van twintig jaar oud en daarboven; zoals JAHWEH Mozes geboden had, en de Israëlieten, die uit Egypteland vertrokken waren. 5 Ruben was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welke was het geslacht van de Hanochieten; van Pallu het geslacht van de Palluieten; 6 Van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Karmi het geslacht van de Karmieten. 7 Dit zijn de geslachten van de Rubenieten; en hun ingeschrevenen waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig. 8 En de zonen van Pallu waren Eliab. 9 En de zonen van Eliab waren Nemuël, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen van de vergadering, die ruzie maakten met Mozes en tegen Aäron, in de vergadering van Korach, als zij zich tegen JAHWEH verzetten. 10 En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken. 11 Maar de kinderen van Korach stierven niet. 12 De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuël, het geslacht van de Nemuëlieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten; 13 Van Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten. 14 Dat zijn de geslachten van de Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd. 15 De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten. 16 Van Ozni het geslacht van de Oznieten; van Heri het geslacht van de Herieten; 17 Van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten. 18 Dat zijn de geslachten van de zonen van Gad, naar hun ingeschrevenen: veertig duizend en vijfhonderd. 19 De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaän. 20 Zo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten. 21 En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Hamul het geslacht van de Hamulieten. 22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun ingeschrevenen: zes en zeventig duizend en vijfhonderd. 23 De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaieten; van Puva het geslacht van de Punieten; 24 Van Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten. 25 Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun ingeschrevenen: vier en zestig duizend en driehonderd. 26 De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht van de Seredieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jahleel het geslacht van de Jahleelieten. 27 Dat zijn de geslachten van de Zebulonieten, naar hun ingeschrevenen: zestig duizend en vijfhonderd. 28 De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm. 29 De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht van de Machirieten; Machir nu verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten. 30 Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten. 31 En van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten; 32 En van Semida het geslacht van de Semidaieten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten. 33 Maar Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen van de dochters van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. 34 Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun ingeschrevenen waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd. 35 Dit zijn de zonen van Efraïm, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten. 36 En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht van de Eranieten. 37 Dat zijn de geslachten van de zonen van Efraïm, naar hun ingeschrevenen: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten. 38 De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaieten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten; 39 Van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten. 40 En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naäman het geslacht van de Naämieten. 41 Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en zeshonderd. 42 Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten. 43 Al de geslachten van de Suhamieten, naar hun ingeschrevenen, waren vier en zestig duizend en vierhonderd. 44 De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaieten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriieten. 45 Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht van de Heberieten; van Malchiël het geslacht van de Malchiëlieten. 46 En de naam van de dochter van Aser was Serah. 47 Dat zijn de geslachten van de zonen van Aser, naar hun ingeschrevenen: drie en vijftig duizend en vierhonderd. 48 De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht van de Jahzeelieten; van Guni het geslacht van de Gunieten; 49 Van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten. 50 Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun ingeschrevenen waren vijf en veertig duizend en vierhonderd. 51 Dat zijn de ingeschrevenen van de zonen van Israël: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig. 52 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 53 Aan deze zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal van de namen. 54 Aan degenen, die veel zijn, zult u hun erfenis groter maken, en aan hen, die weinig zijn, zult u hun erfenis kleiner maken; aan ieder zal, naar zijn ingeschrevenen, zijn erfenis gegeven worden. 55 Het land toch zal door het lot gedeeld worden; naar de namen van de stammen van hun vaders zullen zij erven. 56 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen en de weinigen. 57 Dit zijn nu de ingeschrevenen van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kohath het geslacht van de Kohathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten. 58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Hebronieten, het geslacht van de Machlieten, het geslacht van de Muzieten, het geslacht van de Korachieten. En Kohath verwekte Amram. 59 En de naam van de huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zus. 60 En aan Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 61 Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht van JAHWEH. 62 En hun ingeschrevenen waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want deze werden niet geteld onder de Israëlieten, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de Israëlieten. 63 Dat zijn de ingeschrevenen van Mozes en Eleazar, de priester, die de Israëlieten telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho. 64 En onder deze was niemand van hen die geteld waren door Mozes en Aäron, de priester, als zij de Israëlieten telden in de woestijn van Sinaï. 65 Want JAHWEH had van die gezegd, dat zij in de woestijn zeker zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun. ### Numeri 27 1 Toen naderden de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef (en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza); 2 En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de hele gemeenschap, aan de deur van de tent van de samenkomst, zeggende: 3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering van degenen, die zich tegen JAHWEH verzameld hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen. 4 Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden van de broers van onze vader. 5 En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht van JAHWEH. 6 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 7 De dochters van Zelafead spreken recht; u zult haar geheel geven de bezitting van een erfenis, in het midden van de broers van haar vader; en u zult de erfenis van haar vader op haar doen komen. 8 En tot de Israëlieten zult u spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult u zijn erfenis op zijn dochter doen komen. 9 En als hij geen dochter heeft, zo zult u zijn erfenis aan zijn broers geven. 10 Als hij nu geen broers heeft, zo zult u zijn erfenis aan de broers van zijn vader geven. 11 Als ook zijn vader geen broers heeft, zo zult u zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal de Israëlieten tot een inzetting van het recht zijn, zoals JAHWEH Mozes geboden heeft. 12 Daarna zei JAHWEH tot Mozes: Klim op deze berg Abarim, en zie dat land, dat Ik de Israëlieten gegeven heb. 13 Wanneer u dat gezien zult hebben, dan zult u tot uw volken verzameld worden, u ook, zoals uw broer Aäron verzameld geworden is; 14 Aangezien u tegen Mijn mond opstandig bent geweest in de woestijn Zin, in de twisting van de vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin. 15 Toen sprak Mozes tot JAHWEH, zeggende: 16 Dat JAHWEH, de God van de geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering. 17 Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering van JAHWEH niet zij als schapen, die geen herder hebben. 18 Toen zei JAHWEH tot Mozes: Neem tot u Jozua, de zoon van Nun, een man, in wie de Geest is; en leg uw hand op hem; 19 En stel hem voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de hele gemeenschap; en geef hem bevel voor hun ogen; 20 En leg op hem van uw heerlijkheid, opdat zij horen, te weten de hele gemeenschap van de Israëlieten. 21 En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, de priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht van JAHWEH; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de Israëlieten met hem, en de hele gemeenschap. 22 En Mozes deed, zoals JAHWEH hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van de hele gemeenschap. 23 En hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; zoals JAHWEH door de dienst van Mozes gesproken had. ### Numeri 28 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Gebied de Israëlieten, en zeg tot hen: Mijn offergave, Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, Mijn liefelijke reuk, zult u waarnemen, om Mij te offeren op zijn vastgestelde tijd. 3 En u zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, dat u JAHWEH offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren overdag, tot een voortdurende brandoffer. 4 Het ene lam zult u bereiden 's morgens; en het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden. 5 En een tiende deel van een efa meelbloem als voedseloffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie. 6 Het is het voortdurende brandoffer, dat op de berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor JAHWEH. 7 En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult u het drankoffer van de sterke drank voor JAHWEH offeren. 8 En het andere lam zult u bereiden tussen de twee avonden; zoals het voedseloffer 's morgens, en zoals zijn drankoffer zult u het bereiden, als vuuroffer van de liefelijke reuk voor JAHWEH. 9 Maar op de sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, als voedseloffer, met olie gemengd, en ook zijn drankoffer. 10 Het is het brandoffer van de sabbat op elke sabbat, boven het voortdurende brandoffer, en zijn drankoffer. 11 En aan het begin van elke maand zult u een brandoffer voor JAHWEH offeren: twee jonge stieren, en één ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; 12 En drie tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd tot de ene stier; en twee tienden meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, tot de ene ram; 13 En tot elk tiende deel meelbloem als voedseloffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijke reuk, een vuuroffer, JAHWEH. 14 En hun drankoffers zullen zijn de helft van een hin tot een stier, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer van de nieuwe maan in elke maand, naar de maanden van het jaar. 15 Daartoe zal één geitenbok als zondoffer voor JAHWEH, boven het voortdurende brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer. 16 En in de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het pascha voor JAHWEH. 17 En op de vijftiende dag van die maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden. 18 Op de eerste dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult u doen; 19 Maar u zult een vuuroffer als brandoffer voor JAHWEH offeren: twee jonge stieren, en één ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. 20 En hun voedseloffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een stier, en twee tienden tot een ram zult u bereiden. 21 Tot elk zult u een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe. 22 Daarna één bok als zondoffer, om over u verzoening te doen. 23 Behalve het morgenbrandoffer, dat tot een voortdurende brandoffer is, zult u deze dingen bereiden. 24 Achtervolgens deze dingen zult u overdag, zeven dagen lang, het voedsel van het vuuroffer bereiden tot een liefelijke reuk voor JAHWEH; boven dat steeds brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer. 25 En op de zevende dag zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. 26 Ook op de dag van de eerstelingen, als u een nieuw voedseloffer voor JAHWEH zult offeren naar uw werken, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen. 27 Dan zult u JAHWEH een brandoffer tot een liefelijke reuk offeren: twee jonge stieren, één ram, zeven eenjarige lammeren; 28 En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot één stier, twee tienden tot één ram; 29 Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; 30 Één geitenbok, om voor u verzoening te doen. 31 Behalve het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, zult u ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankoffers. ### Numeri 29 1 Evenzo in de zevende maand, op de eerste van de maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; het zal u een dag van het geklank zijn. 2 Dan zult u een brandoffer, tot een liefelijke reuk, voor JAHWEH bereiden: één jonge stier, één ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; 3 En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot de stier, twee tienden tot de ram. 4 En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; 5 En één geitenbok als zondoffer, om over u verzoening te doen; 6 Behalve het brandoffer van de maand, en zijn voedseloffer, en het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, met hun drankoffers, naar hun wijze, tot een liefelijke reuk, als vuuroffer voor JAHWEH. 7 En op de tiende van deze zevende maand zult u een heilige samenroeping hebben, en u zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult u doen; 8 Maar u zult brandoffer, tot een liefelijke reuk, voor JAHWEH offeren: één jonge stier, één ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn. 9 En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot de stier, twee tienden tot de ene ram; 10 Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe; 11 Één geitenbok als zondoffer, naast het zondoffer van de verzoeningen, en het voortdurende brandoffer; en zijn voedseloffer, met hun drankoffers. 12 Ook op de vijftiende dag van deze zevende maand, zult u een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult u doen; maar zeven dagen zult u voor JAHWEH een feest vieren. 13 En u zult een brandoffer als vuuroffer offeren, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH: dertien jonge stieren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn; 14 En hun voedseloffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot één stier, tot die dertien stieren toe; twee tienden tot één ram, onder die twee rammen; 15 En tot elk een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe; 16 En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 17 Daarna op de tweede dag: twaalf jonge stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; 18 En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 19 En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, met hun drankoffers. 20 En op de derde dag: elf stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; 21 En hun voedseloffers, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 22 En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 23 Verder op de vierde dag: tien stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; 24 Hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 25 En één geitenbok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 26 En op de vijfde dag: negen stieren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren; 27 En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 28 En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 29 Daarna op de zesde dag: acht stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; 30 En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 31 En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffers. 32 En op de zevende dag: zeven stieren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren; 33 En hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stieren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze; 34 En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 35 Op de achtste dag zult u een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult u doen. 36 En u zult een brandoffer als vuuroffer offeren, tot een liefelijke reuk voor JAHWEH; één stier, één ram, zeven volkomen eenjarige lammeren; 37 Hun voedseloffer, en hun drankoffers tot de stier, tot de ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze; 38 En één bok als zondoffer; naast het voortdurende brandoffer, en zijn voedseloffer, en zijn drankoffer. 39 Deze dingen zult u voor JAHWEH doen op uw vastgestelde hoogtijden; naast uw geloften, en uw vrijwillige offers, met uw brandoffers, en met uw voedseloffers en met uw drankoffers, en met uw dankoffers. 40 En Mozes sprak tot de Israëlieten naar al wat JAHWEH Mozes geboden had. ### Numeri 30 1 En Mozes sprak tot de hoofden van de stammen van de Israëlieten, zeggende: Dit is de zaak, die JAHWEH geboden heeft: 2 Wanneer een man JAHWEH een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen. 3 Maar als een vrouw JAHWEH een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis van haar vader in haar jeugd zal verbonden hebben; 4 En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. 5 Maar als haar vader dat zal breken, op de dag als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar JAHWEH zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken. 6 Maar als zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft; 7 En haar man dat zal horen, en op de dag als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan. 8 Maar als haar man op de dag als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, en ook de uitspraak van haar lippen, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zo zal JAHWEH haar vergeven. 9 Voor wat betreft de gelofte van een weduwe, of van een verstotene: alles, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan. 10 Maar als zij in het huis van haar man gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft; 11 En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zo zullen al haar geloften bestaan, en ook alle verbintenis, waarmee zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan. 12 Maar als haar man die dingen geheel te niet maakt, op de dag als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis van haar ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en JAHWEH zal het haar vergeven. 13 Alle gelofte, en alle eed van de verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken. 14 Maar zo haar man tegen haar van dag tot dag geheel stilzwijgt, zo bevestigt hij al haar geloften, of al haar verbintenissen, die op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, op de dag als hij het hoorde. 15 Maar zo hij ze geheel te niet maken zal, nadat hij het gehoord zal hebben, zo zal hij haar ongerechtigheid dragen. 16 Dat zijn de voorschriften, die JAHWEH Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jeugd, in het huis van haar vader. ### Numeri 31 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, zeggende: 2 Neem de wraak van de Israëlieten van de Midianieten; daarna zult u verzameld worden tot uw volken. 3 Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak van JAHWEH te doen aan de Midianieten. 4 Van elke stam onder alle stammen van Israël zult u een duizend ten strijde zenden. 5 Zo werden geleverd uit de duizenden van Israël, duizend van elke stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde. 6 En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elke stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige voorwerpen, en de trompetten van het geklank in zijn hand. 7 En zij streden tegen de Midianieten, zoals JAHWEH Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was. 8 Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen van de Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen van de Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, de zoon van Beor. 9 Maar de Israëlieten namen de vrouwen van de Midianieten, en hun kinderen gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen. 10 Verder al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur. 11 En zij namen al de roof, en al de buit, van mensen en van beesten. 12 Daarna brachten zij de gevangenen, en de buit, en de roof, tot Mozes en tot Eleazar, de priester, en tot de gemeenschap van de Israëlieten, in het leger, in de vlakke velden van Moab, die zijn aan de Jordaan van Jericho. 13 Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten van de vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger. 14 En Mozes werd enorm vertoornd tegen de bevelhebbers van het leger, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden, die uit de strijd van die oorlog kwamen. 15 En Mozes zei tot hen: Hebt u dan alle vrouwen laten leven? 16 Zie, deze waren, door de raad van Bileam, de Israëlieten, om oorzake van de overtreding tegen JAHWEH te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering van JAHWEH. 17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderen; en doodt alle vrouw, die door bijligging van de man een man bekend heeft. 18 Maar al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging van de man niet bekend hebben, laat voor u leven. 19 En u, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen. 20 Ook zult u alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle werk van geitenhaar, en gereedschap van hout, ontzondigen. 21 En Eleazar, de priester, zei tot de soldaten, die tot die strijd getogen waren: Dit is de inzetting van de wet, die JAHWEH Mozes geboden heeft. 22 Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood; 23 Alle ding, dat het vuur lijdt, zult u door het vuur laten doorgaan, dat het rein wordt; evenwel zal het door het water van de afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult u door het water laten doorgaan. 24 U zult ook uw kleren op de zevende dag wassen, dat u rein wordt; en daarna zult u in het leger komen. 25 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 26 Neem het aantal op van de buit van de gevangenen van mensen en van beesten; u en Eleazar, de priester, en de familiehoofden van de vergadering. 27 En deel de buit in twee helften tussen degenen, die de strijd aangegrepen hebben, die tot de strijd uitgegaan zijn, en tussen de hele gemeenschap. 28 Daarna zult u een schatting voor JAHWEH heffen, van de oorlogsmannen, die tot deze strijd uitgetogen zijn, van vijfhonderd één ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezels, en uit de schapen. 29 Van hun helft zult u het nemen, en de priester Eleazar geven tot een hefoffer van JAHWEH. 30 Maar van de helft van de Israëlieten zult u één gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezels, en uit de schapen, uit al de beesten; en u zult ze aan de Levieten geven, die de taak van de tabernakel van JAHWEH waarnemen. 31 En Mozes en Eleazar, de priester, deden, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 32 De buit nu, het overschot van de roof, dat de soldaten geroofd hadden, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen; 33 En twee en zeventig duizend runderen; 34 En één en zestig duizend ezels; 35 En de zielen van de mensen, uit de vrouwen, die geen bijligging van de man bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend. 36 En de helft, te weten het deel van degenen, die tot deze strijd uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen. 37 En de schatting voor JAHWEH van schapen was zeshonderd vijf en zeventig. 38 En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor JAHWEH twee en zeventig. 39 En de ezels waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor JAHWEH was één en zestig. 40 En de zielen van de mensen waren zestien duizend, en hun schatting voor JAHWEH twee en dertig zielen. 41 En Mozes gaf Eleazar, de priester, de schatting van het hefoffer van JAHWEH, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 42 En van de helft van de Israëlieten, die Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden; 43 (Het halve deel nu van de vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd; 44 En de runderen waren zes en dertig duizend; 45 En de ezels dertig duizend en vijfhonderd; 46 En de zielen van de mensen zestien duizend;) 47 Van die helft van de Israëlieten nam Mozes één gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak van de tabernakel van JAHWEH waarnamen, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden van het leger waren, de bevelhebbers van de duizenden, en de bevelhebbers van de honderden; 49 En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen het aantal van de soldaten, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet één man. 50 Daarom hebben wij een offergave van JAHWEH gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden voorwerp, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangende gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht van JAHWEH. 51 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van hen het goud, alle kunstig gemaakte voorwerpen. 52 En al het goud van het hefoffer, dat zij JAHWEH offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkels, van de bevelhebbers van de duizenden, en van de bevelhebbers van de honderden. 53 Voor wat betreft de soldaten, ieder had geroofd voor zichzelf. 54 Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de bevelhebbers van de duizenden en van de honderden, en zij brachten het in de tent van de samenkomst, ter herinnering voor de Israëlieten, voor het aangezicht van JAHWEH. ### Numeri 32 1 De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaëzer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee. 2 Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleazar, de priester, en tot de oversten van de vergadering, zeggende: 3 Ataroth, en Dibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon; 4 Dit land, dat JAHWEH voor het aangezicht van de gemeenschap van Israël geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee. 5 Verder zeiden zij: Als wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan. 6 Maar Mozes zei tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broers ten strijde gaan, en zult u hier blijven? 7 Waarom toch zult u het hart van de Israëlieten breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat JAHWEH hun gegeven heeft? 8 Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-barnea zond, om dit land te bekijken. 9 Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart van de Israëlieten, dat zij niet gingen naar het land, dat JAHWEH hun gegeven had. 10 Toen ontstak de toorn van JAHWEH op die dag, en Hij zwoer, zeggende: 11 Als deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaar oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen; 12 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard JAHWEH na te volgen. 13 Zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het hele geslacht, dat gedaan had, wat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 14 En zie, u bent opgestaan in stede van uw vaders, een menigte van zondige mensen, om de hitte van de toorn van JAHWEH tegen Israël te vermeerderen. 15 Wanneer u van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij verder voortvaren het te laten in de woestijn; en u zult al dit volk verderven. 16 Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen. 17 Maar wij zelf zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht van de Israëlieten, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de versterkte steden, vanwege de inwoners van het land. 18 Wij zullen niet terugkeren tot onze huizen, voordat zich de Israëlieten tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis. 19 Want wij zullen met hen niet erven aan de overzijde van de Jordaan, en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang. 20 Toen zei Mozes tot hen: Als u deze zaak doen zult, als u zich voor het aangezicht van JAHWEH zult toerusten ten strijde. 21 En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht van JAHWEH, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben. 22 En het land voor het aangezicht van JAHWEH ten onder gebracht zij; zo zult u daarna terugkeren, en onschuldig zijn voor JAHWEH en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht van JAHWEH. 23 Als u daarentegen zo niet zult doen, ziet, zo hebt u tegen JAHWEH gezondigd; maar u zult uw zonde bemerken, als zij u vinden zal! 24 Bouw u steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is. 25 Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, zoals mijn heer gebiedt. 26 Onze kinderen, onze vrouwen, onze bezittingen en al onze beesten zullen daar zijn in de steden van Gilead; 27 Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten strijde toegerust is, voor het aangezicht van JAHWEH tot de strijd, zoals mijn heer gesproken heeft. 28 Toen gebood Mozes, aangaande hen, de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten; 29 En Mozes zei tot hen: Als de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met u over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht van JAHWEH, als het land voor uw aangezicht zal ten onder gebracht zijn; zo zult u hun het land Gilead ter bezitting geven. 30 Maar als zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van u in het land Kanaän. 31 En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat JAHWEH tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij zo doen. 32 Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht van JAHWEH naar het land Kanaän; en de bezitting van onze erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan. 33 Zo gaf Mozes hun, de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en de halve stam van Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden daarvan in het gebied, de steden van het land rondom. 34 En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër, 35 En Atroth-Sofan, en Jaëzer, en Jogbeha, 36 En Beth-Nimra, en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien. 37 En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim, 38 En Nebo, en Baäl-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen van de steden, die zij bouwden, met andere namen. 39 En de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting. 40 Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse; en hij woonde daarin. 41 Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jaïr. 42 En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam. ### Numeri 33 1 Dit zijn de reizen van de Israëlieten, die uit Egypteland vertrokken zijn, naar hun legers, door de hand van Mozes en Aäron. 2 En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar de mond van JAHWEH; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten. 3 Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, op de andere dag van het pascha, trokken de Israëlieten uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren; 4 Als de Egyptenaars begroeven degenen, die JAHWEH onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had JAHWEH gerichten geoefend aan hun goden. 5 Als de Israëlieten van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth. 6 En zij verreisden van Sukkoth, en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan het einde van de woestijn is. 7 En zij verreisden van Etham, en keerden weer naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baäl-sefon is, en zij sloegen hun kamp op voor Migdol. 8 En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en sloegen hun kamp op in Mara. 9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij sloegen hun kamp op daar. 10 En zij verreisden van Elim, en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee. 11 En zij verreisden van de Schelfzee, en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. 12 En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij sloegen hun kamp op in Dofka. 13 En zij verreisden van Dofka, en sloegen hun kamp op in Aluz. 14 En zij verreisden van Aluz, en sloegen hun kamp op in Rafidim; maar daar was geen water voor het volk, om te drinken. 15 En zij verreisden van Rafidim, en sloegen hun kamp op in de woestijn van Sinaï. 16 En zij verreisden uit de woestijn van Sinaï, en sloegen hun kamp op in Kibroth-thaava. 17 En zij verreisden van Kibroth-thaava, en sloegen hun kamp op in Hazeroth. 18 En zij verreisden van Hazeroth, en sloegen hun kamp op in Rithma. 19 En zij verreisden van Rithma, en sloegen hun kamp op in Rimmon-perez. 20 En zij verreisden van Rimmon-perez, en sloegen hun kamp op in Libna. 21 En zij verreisden van Libna, en sloegen hun kamp op in Rissa. 22 En zij verreisden van Rissa, en sloegen hun kamp op in Kehelatha. 23 En zij verreisden van Kehelatha, en sloegen hun kamp op in het gebergte van Safer. 24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en sloegen hun kamp op in Harada. 25 En zij verreisden van Harada, en sloegen hun kamp op in Makheloth. 26 En zij verreisden van Makheloth, en sloegen hun kamp op in Tachath. 27 En zij verreisden van Tachath, en sloegen hun kamp op in Tharah. 28 En zij verreisden van Tharah, en sloegen hun kamp op in Mithka. 29 En zij verreisden van Mithka, en sloegen hun kamp op in Hasmona. 30 En zij verreisden van Hasmona, en sloegen hun kamp op in Moseroth. 31 En zij verreisden van Moseroth, en sloegen hun kamp op in Bene-jaakan. 32 En zij verreisden van Bene-jaakan, en sloegen hun kamp op in Hor-gidgad. 33 En zij verreisden van Hor-gidgad, en sloegen hun kamp op in Jotbatha. 34 En zij verreisden van Jotbatha, en sloegen hun kamp op in Abrona. 35 En zij verreisden van Abrona, en sloegen hun kamp op in Ezeon-geber. 36 En zij verreisden van Ezeon-geber, en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades. 37 En zij verreisden van Kades, en sloegen hun kamp op aan de berg Hor, aan het einde van het land van Edom. 38 Toen ging de priester Aäron op de berg Hor, naar de mond van JAHWEH, en stierf daar, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypteland, in de vijfde maand, op de eerste van de maand. 39 Aäron nu was honderd drie en twintig jaar oud, als hij stierf op de berg Hor. 40 En de Kanaäniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaän, hoorde, dat de Israëlieten aankwamen. 41 En zij verreisden van de berg Hor, en sloegen hun kamp op in Zalmona. 42 En zij verreisden van Zalmona, en sloegen hun kamp op in Funon. 43 En zij verreisden van Funon, en sloegen hun kamp op in Oboth. 44 En zij verreisden van Oboth, en sloegen hun kamp op aan de heuvelen van Abarim, in het gebied van Moab. 45 En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en sloegen hun kamp op in Dibon-gad. 46 En zij verreisden van Dibon-gad, en sloegen hun kamp op in Almon-diblathaim. 47 En zij verreisden van Almon-diblathaim, en sloegen hun kamp op in de bergen Abarim, tegen Nebo. 48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en sloegen hun kamp op in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. 49 En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan van Beth-jesimoth, tot aan Abel-sittim, in de vlakke velden van de Moabieten. 50 En JAHWEH sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: 51 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaän; 52 Zo zult u alle inwoners van het land voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beelden verderven; ook zult u al hun gegoten beelden verderven, en al hun hoogten vernietigen. 53 En u zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om het erfelijk te bezitten. 54 En u zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; van hen, die veel zijn, zult u hun erfenis groter maken, en die, die weinig zijn, zult u hun erfenis kleiner maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen van uw vaders zult u de erfenis nemen. 55 Maar als u de inwoners van het land niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het gebeuren, dat, die u van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin u woont. 56 En het zal gebeuren, dat Ik u zal doen, zoals Ik hun dacht te doen. ### Numeri 34 1 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 2 Gebied de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn gebied. 3 De zuidzijde nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de kant van Edom; en de zuider grens zal u zijn van het einde van de Zoutzee tegen het oosten; 4 En deze grens zal u omgaan van het zuiden naar de opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-addar, en doorgaan naar Azmon. 5 Verder zal deze grens omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee. 6 Voor wat betreft de grens van het westen, daar zal u de grote zee de grens zijn; dit zal uw gebied van het westen zijn. 7 Verder zal u de grens van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult u zich de berg Hor aftekenen. 8 Van de berg Hor zult u aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen van deze grens zullen zijn naar Zedad. 9 En deze grens zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-enan; dit zal u de noorder grens zijn. 10 Verder zult u zich tot een grens tegen het oosten aftekenen van Hazar-enan naar Sefam. 11 En deze grens zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze grens afgaan en strekken langs de oever van de zee Cinnereth naar het oosten. 12 Verder zal deze grens afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn gebied rondom. 13 En Mozes gebood de Israëlieten, zeggende: Dit is het land, dat u door het lot als erfenis innemen zult, dat JAHWEH aan de negen stammen en de halve stam van Manasse te geven geboden heeft. 14 Want de stam van de kinderen van de Rubenieten, naar het huis van hun vaders, en de stam van de kinderen van de Gadieten, naar het huis van hun vaders, hebben ontvangen; en ook de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen. 15 Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho naar het oosten tegen de opgang. 16 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 17 Dit zijn de namen van de mannen, die u het land als erfenis zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun. 18 Daartoe zult u uit elke stam een overste nemen, om het land als erfenis uit te delen. 19 En dit zijn de namen van deze mannen: van de stam van Juda, Kaleb, zoon van Jefunne; 20 En van de stam van de kinderen van Simeon, Semuël, zoon van Ammihud; 21 Van de stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon; 22 En van de stam van de kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli; 23 Van de kinderen van Jozef: van de stam van de kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod; 24 En van de stam van de kinderen van Efraïm, de overste Kemuël, zoon van Siftan; 25 En van de stam van de kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach; 26 En van de stam van de kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan; 27 En van de stam van de kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi; 28 En van de stam van de kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud. 29 Dit zijn ze, die JAHWEH geboden heeft, de Israëlieten de erfenissen uit te delen, in het land Kanaän. ### Numeri 35 1 En JAHWEH sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende: 2 Gebied de Israëlieten, dat zij van de erfenis van hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult u aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden daaromheen. 3 En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun bezittingen, en voor al hun gedierte, 4 En de voorsteden van de steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom. 5 En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden. 6 De steden nu, die u aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die u geven zult, opdat de moordenaar daarheen vlucht; en daarboven zult u hun twee en veertig steden geven. 7 Al de steden, die u aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden. 8 De steden, die u van de bezitting van de Israëlieten geven zult, zult u van die, die vele heeft, vele nemen, en van die, die weinig heeft, weinig nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven. 9 Verder sprak JAHWEH tot Mozes, zeggende: 10 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan gaat naar het land Kanaän. 11 Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de moordenaar daarheen vlucht, die een ziel onwetend geslagen heeft. 12 En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de bloedwreker; opdat de moordenaar niet sterve, voordat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe. 13 En deze steden, die u geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn. 14 Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn. 15 Die zes steden zullen voor de Israëlieten, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vlucht, wie een ziel zonder opzet slaat. 16 Maar als hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden. 17 Of als hij hem met een handsteen, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden. 18 Of als hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een moordenaar is hij; deze moordenaar zal zeker gedood worden. 19 De wreker van het bloed, die zal de moordenaar doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden. 20 Als hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij; 21 Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; degene die geslagen heeft, zal zeker gedood worden, een moordenaar is hij; de bloedwreker zal deze moordenaar doden, als hij hem ontmoet. 22 Maar als hij hem in haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft; 23 Of zonder opzet met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende; 24 Zo zal de vergadering richten tussen degene die geslagen heeft, en tussen de bloedwreker, naar deze zelfde bepalingen. 25 En de vergadering zal de moordenaar redden uit de hand van de bloedwreker, en de vergadering zal hem doen terugkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was; en hij zal daarin blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft. 26 Maar als de moordenaar enigszins zal gaan uit de grenzen van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, 27 En de bloedwreker hem zal vinden buiten de grenzen van zijn vrijstad; zo de bloedwreker de moordenaar zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn. 28 Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood van de hogepriester; maar na de dood van de hogepriester zal de moordenaar terugkeren tot het land van zijn bezitting. 29 En deze dingen zullen u zijn tot een inzetting van recht, bij uw generaties, in al uw woningen. 30 Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de moordenaar doden, maar één enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve. 31 En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de moordenaar, die schuldig is te sterven; want hij zal zeker gedood worden. 32 Ook zult u geen verzoening nemen voor die, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou terugkeren, om te wonen in het land, tot de dood van de hogepriester. 33 Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene, die dat vergoten heeft. 34 Verontreinig dan het land niet, waarin u gaat wonen, in het midden waarvan Ik wonen zal; want Ik ben JAHWEH, wonende in het midden van de Israëlieten. ### Numeri 36 1 En de familiehoofden van het geslacht de kinderen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, uit de geslachten van de kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van de oversten, familiehoofden van de Israëlieten. 2 En zeiden: JAHWEH heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de Israëlieten in erfenis te geven; en mijn heer is door JAHWEH geboden, de erfenis van onze broer Zelafead te geven aan zijn dochters. 3 Wanneer zij één van de zonen van de andere stammen van de Israëlieten tot vrouwen zouden worden, zo zou haar erfenis van de erfenis van onze vaders afgetrokken worden, en toegedaan tot de erfenis van die stam, aan welke zij geworden zouden; zo zou van het lot van onze erfenis worden afgetrokken. 4 Als ook de Israëlieten een jubeljaar zullen hebben, zo zou haar erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van die stam, aan welke zij zouden geworden zijn; zo zou haar erfenis van de erfenis van de stam van onze vaders afgetrokken worden. 5 Toen gebood Mozes de Israëlieten, naar de mond van JAHWEH, zeggende: De stam van de kinderen van Jozef spreekt recht. 6 Dit is het woord, dat JAHWEH van de dochters van Zelafead geboden heeft, zeggende: Laat zij die tot vrouwen worden, die in haar ogen goed zal zijn; alleen, dat zij aan het geslacht van de stam van haar vader tot vrouwen worden. 7 Zo zal de erfenis van de Israëlieten niet omgewend worden van stam tot stam; want de Israëlieten zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van de stam van zijn vaders. 8 Verder zal elke dochter, die een erfenis erft, van de stammen van de Israëlieten, tot vrouw worden aan één van het geslacht van de stam van haar vader; opdat de Israëlieten erfelijk bezitten, een ieder de erfenis van zijn vaders. 9 Zo zal de erfenis niet omgewend worden van de ene stam tot de anderen; want de stammen van de Israëlieten zullen aanhangen, een ieder aan zijn erfenis. 10 Zoals JAHWEH Mozes geboden had, zo deden de dochters van Zelafead; 11 Want Machla, Thirza, en Hogla, en Milka, en Noha, dochters van Zelafead, zijn aan de zonen van haar ooms tot vrouwen geworden. 12 Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; zo bleef haar erfenis aan de stam van het geslacht van haar vader. 13 Dat zijn de geboden en de rechten, die JAHWEH door de dienst van Mozes aan de Israëlieten geboden heeft, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. ## Deuteronomium ### Deuteronomium 1 1 Dit zijn de woorden, die Mozes tot geheel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab. 2 Elf dagreizen zijn het van Horeb, door de weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-barnea. 3 En het is gebeurd in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste van de maand, dat Mozes sprak tot de Israëlieten, naar alles wat hem JAHWEH aan hen bevolen had; 4 Nadat hij geslagen had Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, de koning van Bazan, die woonde in Astharoth, te Edreï. 5 Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende: 6 JAHWEH, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: U bent lang genoeg bij deze berg gebleven. 7 Keer u, en vertrekt, en gaat in het gebergte van de Amorieten, en tot al hun buren, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens van de zee; het land van de Kanaänieten, en de Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath. 8 Zie, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; ga daarin, en bezit erfelijk het land, dat JAHWEH aan uw vaders, Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou. 9 En ik sprak in die tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen. 10 JAHWEH, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en zie, u bent vandaag als de sterren van de hemel in menigte. 11 JAHWEH, uw vaders God, doe tot u, zo als u nu bent, duizendmaal meer, en Hij zegene u, zoals Hij tot u gesproken heeft! 12 Hoe zou ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen? 13 Neem u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle. 14 Toen antwoordde u mij, en zei: Dit woord is goed, dat u gesproken hebt, om te doen. 15 Zo nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en voormannen voor uw stammen. 16 En ik gebood uw rechters in die tijd, zeggende: Hoor de verschillen tussen uw broers, en richt recht tussen de man en tussen zijn broer, en tussen zijn vreemdeling. 17 U zult het aangezicht in het gericht niet kennen; u zult de kleine, zowel als de grote, horen; u zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is van God; maar de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult u tot mij doen komen, en ik zal ze horen. 18 Zo gebood ik u in die tijd alle zaken, die u zou doen. 19 Toen vertrokken wij van Horeb, en doorwandelden die gehele grote en vreselijke woestijn, die u gezien hebt, op de weg van het gebergte van de Amorieten, zoals JAHWEH, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea. 20 Toen zei ik tot u: U bent gekomen tot het gebergte van de Amorieten, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal. 21 Zie, JAHWEH, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trek op, bezit het erfelijk, zoals JAHWEH, uw vaders God, tot u gesproken heeft; vrees niet, en ontzet u niet. 22 Toen naderde u allen tot mij, en zei: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid terugbrengen, welke weg wij daarin optrekken zullen, en tot welke steden wij komen zullen. 23 Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elke stam een man. 24 Die keerden zich, en trokken op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden het. 25 En zij namen van de vrucht van het land in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weer, en zeiden: Het land, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal, is goed. 26 Maar u wilde niet optrekken; maar u was de mond van JAHWEH, van uw God, opstandig. 27 En u morde in uw tenten, en zei: Omdat JAHWEH ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand van de Amorieten, om ons te vernietigen. 28 Waarheen zouden wij optrekken? Onze broers hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen van de Enakieten gezien. 29 Toen zei ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen. 30 JAHWEH, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte. 31 En in de woestijn, waar u gezien hebt, dat JAHWEH uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al de weg, die u gewandeld hebt, totdat u kwam aan deze plaats. 32 Maar door dit woord geloofde u niet aan JAHWEH, uw God. 33 Die voor uw aangezicht op de weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar u zou legeren; in de nacht in het vuur, opdat Hij u de weg wees, waarin u zou gaan, en overdag in de wolk. 34 Als nu JAHWEH de stem van uw woorden hoorde, zo werd Hij zeer boos, en zwoer, zeggende: 35 Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, dat Ik gezworen heb uw vaders te zullen geven! 36 Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft JAHWEH na te volgen. 37 Ook vertoornde zich JAHWEH op mij om uwentwil, zeggende: U zult daar ook niet inkomen. 38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen erven. 39 En uw kinderen, waarvan u zei: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die vandaag noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en die zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten. 40 U daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, de weg van de Schelfzee. 41 Toen antwoordde u, en zei tot mij: Wij hebben tegen JAHWEH gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat JAHWEH, onze God, ons geboden heeft. Als u nu ieder zijn krijgsgereedschap aangordde, en willens was, om naar het gebergte heen op te trekken, 42 Zo zei JAHWEH tot mij: Zeg hun: Trek niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat u niet voor het aangezicht van uw vijanden geslagen wordt. 43 Maar als ik tot u sprak, zo hoorde u niet, maar was de mond van JAHWEH opstandig, en handelde trots, en trok op naar het gebergte. 44 Toen trokken de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, zoals de bijen doen; en zij verpletterden u in Seïr tot Horma toe. 45 Als u nu terugkwam en huilde voor het aangezicht van JAHWEH, zo verhoorde JAHWEH uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u. 46 Zo bleef u in Kades vele dagen, naar de dagen, dat u er bleef. ### Deuteronomium 2 1 Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, de weg van de Schelfzee, zoals JAHWEH tot mij gesproken had, en wij trokken om het gebergte Seïr, vele dagen. 2 Toen sprak JAHWEH tot mij, zeggende: 3 U hebt dit gebergte genoeg omgetrokken; keer u naar het noorden; 4 En gebied het volk, zeggende: U zult doortrekken aan het gebied van uw broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar u zult u zeer wachten. 5 Meng u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seïr ter erfenis gegeven. 6 Voedsel zult u voor geld van hen kopen, dat u eet; en ook zult u water voor geld van hen kopen, dat u drinkt. 7 Want JAHWEH, uw God, heeft u gezegend in al het werk van uw hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is JAHWEH, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken. 8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broers, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van de weg van het vlakke veld, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortrokken de weg van de woestijn van Moab. 9 Toen sprak JAHWEH tot mij: Verschrik Moab niet, en meng u niet met hen in de strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, omdat Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. 10 De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en veelvuldig, en lang volk, zoals de Enakieten. 11 Deze werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten. 12 Ook woonden de Horieten te voren in Seïr; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en vernietigden hen van hun aangezicht, en hebben in hun plaats gewoond; zoals Israël gedaan heeft aan het land van zijn erfenis, dat JAHWEH hun gegeven heeft. 13 Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Zo trokken wij over de beek Zered. 14 De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-barnea, totdat wij over de beek Zered getrokken zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het hele geslacht van de soldaten uit het midden van de legers verteerd was, zoals JAHWEH hun gezworen had. 15 Zo was ook de hand van JAHWEH tegen hen, om hen uit het midden van de legers te verslaan, totdat zij verteerd waren. 16 En het gebeurde, als al de soldaten verteerd waren, uit het midden van de legers wegstervende, 17 Dat JAHWEH tot mij sprak, zeggende: 18 U zult vandaag doortrekken aan Ar, het gebied van Moab; 19 En u zult naderen tegenover de kinderen Ammons; verschrik die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons geen erfenis geven, omdat Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb. 20 Dit werd ook voor een land van de reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten; 21 Een groot, en veelvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en JAHWEH vernietigde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hun plaats woonden; 22 Zoals Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor wier aangezicht Hij de Horieten vernietigde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op deze dag. 23 Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittrokken, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, vernietigd, en aan hun plaats gewoond. 24 Maak u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; zie, Ik heb Sihon, de koning van Hesbon, de Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in de strijd. 25 Te deze dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vrees te geven over het aangezicht van de volken, onder de gehele hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht. 26 Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, de koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende: 27 Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleen langs de weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken. 28 Verkoop mij voedsel voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleen laat mij op mijn voeten doortrekken; 29 Zoals de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat JAHWEH, onze God, ons geven zal. 30 Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelfde niet laten doortrekken; want JAHWEH, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, zoals het is op deze dag. 31 En JAHWEH zei tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten. 32 En Sihon trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz. 33 En JAHWEH, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk. 34 En wij namen in die tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderen; wij lieten niemand overblijven. 35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en de roof van de steden, die wij innamen. 36 Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; JAHWEH, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht. 37 Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderde u niet, noch tot de hele streek van de beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat JAHWEH, onze God, ons verboden had. ### Deuteronomium 3 1 Daarna keerden wij ons en trokken op, de weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edreï. 2 Toen zei JAHWEH tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en u zult hem doen, zoals u Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt. 3 En JAHWEH, onze God, gaf ook Og, de koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven. 4 En wij namen in die tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de hele landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan. 5 Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendels gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden. 6 En wij verbanden ze, zoals wij Sihon, de koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen. 7 Maar al het vee en de roof van die steden roofden wij voor ons. 8 Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot de berg Hermon toe; 9 (De Zidoniërs noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.) 10 Al de steden van het platte land, en het hele Gilead, en het hele Bazan, tot Salcha en Edreï toe; steden van het koninkrijk van Og in Bazan. 11 Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen van de reuzen overgebleven; zie, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba van de kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar de elleboog van een man. 12 Ditzelfde land nu namen wij in die tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelfde, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten. 13 En het overige van Gilead, en ook het hele Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam van Manasse, de hele landstreek van Argob, door het hele Bazan; dat werd genoemd het land van de reuzen. 14 Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de hele landstreek van Argob, tot aan het gebied van de Gezurieten en Maächathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jaïr, tot op deze dag. 15 En aan Machir gaf ik Gilead. 16 Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en het gebied; en tot aan de beek Jabbok, het gebied van de kinderen Ammons; 17 Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, en ook het gebied; van Cinnereth af tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten. 18 Verder gebood ik u in die tijd, zeggende: JAHWEH, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen bent, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broers, de Israëlieten. 19 Behalve uw vrouwen, en uw kinderen, en uw vee (ik weet, dat u veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb; 20 Totdat JAHWEH uw broers rust geve, zoals u, dat zij ook erven het land, dat JAHWEH, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan; dan zult u terugkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb. 21 Ook gebood ik Jozua in die tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat JAHWEH, uw God, aan deze twee koningen gedaan heeft; zo zal JAHWEH aan alle koninkrijken doen, naar welke u heen doortrekt. 22 Vrees ze niet; want JAHWEH, uw God, strijdt voor u. 23 Ook bad ik JAHWEH om genade, zeggende in die tijd: 24 Adonai JAHWEH! U hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in de hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw machtige daden! 25 Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bekijken, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en de Libanon! 26 Maar JAHWEH verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar JAHWEH zei tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak. 27 Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want u zult over deze Jordaan niet gaan. 28 Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk heen overgaan, en zal hun dat land, dat u zien zult, doen erven. 29 Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor. ### Deuteronomium 4 1 Nu dan, Israël! hoor naar de voorschriften en naar de rechten, die ik u lere te doen; opdat u leeft, en heen inkomt, en erft het land, dat JAHWEH, uw vaders God, u geeft. 2 U zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat u bewaart de geboden van JAHWEH, uw God, die ik u gebiede. 3 Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, die heeft JAHWEH, uw God, uit het midden van u weggevaagd. 4 U daarentegen, die JAHWEH, uw God, aanhingt, u bent vandaag allen levende. 5 Zie, ik heb u geleerd de voorschriften en rechten, zoals JAHWEH, mijn God, mij geboden heeft; opdat u zo doet in het midden van het land, waar u naar toe gaat, om het te erven. 6 Behoud ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen van de volken, die al deze voorschriften horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! 7 Want wat groot volk is er, dat de goden zo nabij zijn als JAHWEH, onze God, telkens als wij Hem aanroepen? 8 En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige voorschriften en rechten heeft, als deze hele wet is, die ik vandaag voor uw aangezicht geef? 9 Alleen wees op uw hoede, en bewaart uw ziel wel, dat u niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen van uw leven; en u zult ze aan uw kinderen en uw kleinkinderen bekend maken. 10 Op de dag als u voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, aan Horeb stond, als JAHWEH tot mij zei: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op de aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren; 11 En u naderde en stond beneden die berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden van de hemel; er was duisternis, wolken en donkerheid). 12 Zo sprak JAHWEH tot u uit het midden van het vuur; u hoorde de stem van de woorden; maar u zag geen gelijkenis, behalve de stem. 13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen. 14 Ook gebood mij JAHWEH in die tijd, dat ik u voorschriften en rechten leren zou; opdat u die deed in dat land, naar dat u doortrekt, om dat te erven. 15 Wees dan wel op uw hoede voor uw zielen; want u hebt geen gelijkenis gezien, op de dag als JAHWEH op Horeb uit het midden van het vuur tot u sprak; 16 Opdat u zich niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de afbeelding van enig beeld, de gedaante van man of vrouw, 17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enige gevleugelde vogel, die door de hemel vliegt; 18 De gedaante van iets, dat op de aardbodem kruipt; de gedaante van enige vis, die in het water is onder de aarde; 19 Dat u ook uw ogen niet opheft naar de hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, het hele leger van de hemel; en wordt aangedreven, dat u zich voor die buigt, en hen dient; die JAHWEH, uw God, aan alle volken onder de gehele hemel heeft uitgedeeld. 20 Maar u heeft JAHWEH aangenomen, en uit de ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat u Hem tot een erfvolk zou zijn, zoals het op deze dag is. 21 Ook vertoornde Zich JAHWEH over mij, om uw woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat JAHWEH, uw God, u ter erfenis geven zal. 22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar u zult er overgaan, en dat goede land erven. 23 Pas op dat u het verbond van JAHWEH, van uw God, dat Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat u zich een gesneden beeld zou maken, de afbeelding van iets, dat JAHWEH, uw God, u verboden heeft. 24 Want JAHWEH, uw God, is een verterend vuur, een jaloers God. 25 Wanneer u nu kinderen en kleinkinderen verwekt zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zich zult verderven, dat u gesneden beelden maakt, de afbeelding van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen van JAHWEH, van uw God, om Hem tot toorn te verwekken; 26 Zo roep ik vandaag de hemel en de aarde tot getuige tegen u, dat u voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar u over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; u zult uw dagen daarin niet verlengen, maar geheel vernietigd worden. 27 En JAHWEH zal u verstrooien onder de volken; en u zult een klein volkje in getal overblijven onder de heidenen, waar JAHWEH u heen leiden zal. 28 En daar zult u goden dienen, die van de mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch ruiken. 29 Dan zult u van daar JAHWEH, uw God, zoeken, en vinden; als u Hem zoeken zult met uw hele hart en met uw hele ziel. 30 Wanneer u in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste van de dagen, dan zult u terugkeren tot JAHWEH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn. 31 Want JAHWEH, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond van uw vaders, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten. 32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van die dag af, dat God de mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde van de hemel tot aan het andere einde van de hemel, of zulk een groot ding gebeurd of gehoord zij, als dit: 33 Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden van het vuur, zoals u gehoord hebt, en levend zij gebleven? 34 Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden van een volk aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en met grote verschrikkingen; naar al wat JAHWEH, uw God, u voor uw ogen in Egypte gedaan heeft? 35 U is het getoond, opdat u weet, dat JAHWEH die God is; er is niemand meer dan Hij alleen! 36 Van de hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en u hebt Zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord. 37 En omdat Hij uw vaders liefhad, en hun zaad na hen gekozen had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd; 38 Om volken, die groter en machtiger waren dan u, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hun land ter erfenis gave, als het op deze dag is. 39 Zo zult u vandaag weten, en in uw hart hervatten, dat JAHWEH die God is, boven in de hemel, en onder op de aarde, niemand meer! 40 En u zult houden Zijn voorschriften en Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat u de dagen verlengt in het land, dat JAHWEH, uw God, u geeft, voor altijd. 41 Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; 42 Opdat daarheen vluchtte de moordenaar, die zijn naaste onwetend doodslaat, die hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in één van deze steden vluchtte en levend bleef; 43 Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten. 44 Dit is nu de wet, die Mozes de Israëlieten voorstelde: 45 Dit zijn de getuigenissen, en de voorschriften, en de rechten, die Mozes sprak tot de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken; 46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die Mozes sloeg, en de Israëlieten, als zij uit Egypte waren uitgetrokken, 47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen de opgang van de zon; 48 Van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, tot aan de berg Sion, die is Hermon; 49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee van het vlakke veld, onder Asdoth-pisga. ### Deuteronomium 5 1 En Mozes riep het hele Israël, en zei tot hen: Hoor, Israël! de voorschriften en rechten, die ik vandaag voor uw oren spreek, dat u ze leert en waarneemt, daarom te doen. 2 JAHWEH, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb. 3 Met onze vaders heeft JAHWEH dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier vandaag allen levend zijn. 4 Van aangezicht tot aangezicht heeft JAHWEH met u op de berg gesproken uit het midden van het vuur, 5 (Ik stond in die tijd tussen JAHWEH en tussen u, om u het woord van JAHWEH aan te zeggen; want u vreesde voor het vuur en klom niet op de berg) zeggende: 6 Ik ben JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. 7 U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 8 U zult u geen gesneden beeld maken, noch enige afbeelding, van wat boven in de hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is; 9 U zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, JAHWEH, uw God, ben een jaloers God, Die de misdaad van de vaders bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde geslacht van degenen, die Mij haten; 10 En doe barmhartigheid aan duizenden van degenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 11 U zult de Naam van JAHWEH, van uw God, niet zinloos gebruiken; want JAHWEH zal niet onschuldig houden degene, die Zijn Naam zinloos gebruikt. 12 Onderhoud de sabbatdag, dat u die heiligt; zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft. 13 Zes dagen zult u arbeiden, en al uw werk doen; 14 Maar de zevende dag is de sabbat van JAHWEH, van uw God; dan zult u geen werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienaar, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienaar, en uw dienstmaagd ruste, zoals u. 15 Want u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat JAHWEH, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekte arm; daarom heeft u JAHWEH, uw God, geboden, dat u de sabbatdag houden zult. 16 Eer uw vader, en uw moeder, zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal. 17 U zult niet doodslaan. 18 En u zult geen overspel doen. 19 En u zult niet stelen. 20 En u zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 21 En u zult niet begeren de vrouw van uw naaste; en u zult u niet laten gelusten het huis van uw naaste, zijn akker, noch zijn dienaar, noch zijn dienstmaagd, zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naasten is. 22 Deze woorden sprak JAHWEH tot uw hele gemeente, op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de donkerheid, met een luide stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij. 23 En het gebeurde, als u die stem uit het midden van de duisternis hoorde, en de berg van vuur brandde, zo naderde u tot mij, alle hoofden van uw stammen, en uw oudsten, 24 En zei: Zie, JAHWEH, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; deze dag hebben wij gezien, dat God met de mens spreekt, en dat hij levend blijft. 25 Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij doorgingen de stem van JAHWEH, van onze God, langer te horen, zo zouden wij sterven. 26 Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God, sprekende uit het midden van het vuur, gehoord heeft zoals wij, en is levend gebleven? 27 Nader u, en hoor alles, wat JAHWEH, onze God, zeggen zal; en spreek u tot ons al wat JAHWEH, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen. 28 Als nu JAHWEH de stem van uw woorden hoorde, toen u tot mij sprak, zo zei JAHWEH tot mij: Ik heb gehoord de stem van de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is allemaal goed, dat zij gesproken hebben. 29 Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden altijd te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen goed zou gaan in eeuwigheid! 30 Ga, zeg hun: Keer weer naar uw tenten. 31 Maar u, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en voorschriften, en rechten, die u hun leren zult, dat zij ze doen in het land, dat Ik hun geven zal, om dat te erven. 32 Neem dan waar, dat u doet, zoals JAHWEH, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand. 33 In al de weg, die JAHWEH, uw God, u gebiedt, zult u gaan; opdat u leeft, en dat het u welga, en u de dagen verlengt in het land, dat u erven zult. ### Deuteronomium 6 1 Dit zijn dan de geboden, de voorschriften en de rechten, die JAHWEH, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat u ze doet in het land, naar dat u heentrekt, om dat erfelijk te bezitten; 2 Opdat u JAHWEH, uw God, vreest, om te houden al Zijn voorschriften, en Zijn geboden, die ik u gebiede; u, en uw kind, en kindskind, al de dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden. 3 Hoor dan, Israël! en neem waar, dat u ze doet, opdat het u welga, en opdat u zeer vermenigvuldigt (zoals u JAHWEH, uw vaders God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honing is vloeiende. 4 Hoor, Israël! JAHWEH, onze God, is één enig JAHWEH! 5 Zo zult u JAHWEH, uw God, liefhebben, met uw hele hart, en met uw hele ziel, en met al uw vermogen. 6 En deze woorden, die ik u vandaag gebiede, zullen in uw hart zijn. 7 En u zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u neerligt, en als u opstaat. 8 Ook zult u ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdsbanden zijn tussen uw ogen. 9 En u zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven. 10 Als het dan zal gebeurd zijn, dat JAHWEH, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, 11 En huizen, vol van alle goeds, die u niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die u niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt, en u gegeten hebt en verzadigd bent; 12 Zo pas op dat u JAHWEH niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd. 13 U zult JAHWEH, uw God, vrezen, en Hem dienen; en u zult bij Zijn Naam zweren. 14 U zult andere goden niet navolgen, van de goden van de volken, die rondom u zijn. 15 Want JAHWEH, uw God is een jaloers God in het midden van u; dat de toorn van JAHWEH, van uw God, tegen u niet ontsteke, en Hij u van de aardbodem vernietige. 16 U zult JAHWEH, uw God, niet verzoeken, zoals u Hem verzocht hebt te Massa. 17 U zult de geboden van JAHWEH, van uw God, vlijtig houden, en ook Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften, die Hij u geboden heeft. 18 En u zult doen, wat recht en goed is in de ogen van JAHWEH; opdat het u welga, en dat u inkomt, en erft het goede land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft; 19 Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, zoals JAHWEH gesproken heeft. 20 Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en voorschriften, en rechten, die JAHWEH, onze God, u geboden heeft? 21 Zo zult u tot uw zoon zeggen: Wij waren dienaren van Farao in Egypte; maar JAHWEH heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd. 22 En JAHWEH gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn hele huis, voor onze ogen; 23 En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onze vaders gezworen had. 24 En JAHWEH gebood ons te doen al deze voorschriften, om te vrezen JAHWEH, onze God, ons voor altijd ten goede, om ons in het leven te behouden, zoals het op deze dag is. 25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht van JAHWEH, van onze God, zoals Hij ons geboden heeft. ### Deuteronomium 7 1 Wanneer u JAHWEH, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan u; 2 En JAHWEH, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat u ze slaat; zo zult u hen geheel verbannen; u zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn. 3 U zult u ook met hen niet vermaagschappen; u zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. 4 Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn van JAHWEH zou tegen u ontsteken, en u haast vernietigen. 5 Maar zo zult u hun doen: hun altaren zult u afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult u afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden. 6 Want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God; u heeft JAHWEH, uw God, gekozen, dat u Hem tot een eigendomsvolk zou zijn uit alle volken, die op de aardbodem zijn. 7 JAHWEH heeft geen lust tot u gehad, noch u gekozen, om uw veelheid boven alle andere volken; want u was het kleinste van alle volken. 8 Maar omdat JAHWEH u liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaders gezworen had, heeft u JAHWEH met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte. 9 U zult dan weten, dat JAHWEH, uw God, die God is, die getrouwe God, die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten. 10 En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn vijand niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden. 11 Houd dan de geboden, en de voorschriften, en de rechten, die ik u vandaag gebiede, om die te doen. 12 Zo zal het gebeuren, omdat u deze rechten zult horen, en houden, en die doen, dat JAHWEH, uw God, u het verbond en de goedertierenheid zal houden, die Hij uw vaders gezworen heeft; 13 En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft u te geven. 14 Gezegend zult u zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten; 15 En JAHWEH zal alle ziekte van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten van de Egyptenaren, die u kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten. 16 U zult dan al die volken verteren, die JAHWEH, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet sparen, en u zult hun goden niet dienen; want dat zou u een strik zijn. 17 Zo u in uw hart zei: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven? 18 Vrees niet voor hen; gedenk steeds, wat JAHWEH, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft; 19 De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en de uitgestrekte arm, door welke u JAHWEH, uw God, heeft uitgevoerd; zo zal JAHWEH, uw God, doen aan alle volken, voor wier aangezicht u vreest. 20 Daartoe zal JAHWEH, uw God, ook horzels onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn. 21 Ontzet u niet voor hun aangezicht; want JAHWEH, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God. 22 En JAHWEH, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht geleidelijk uitwerpen; haastig zult u hen niet mogen te niet doen, opdat het wild van het veld niet tegen u vermenigvuldige. 23 En JAHWEH zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij vernietigd worden. 24 Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat u hun naam van onder de hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, voordat u hen zult hebben vernietigd. 25 De gesneden beelden van hun goden zult u met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult u niet begeren, noch voor u nemen, opdat u daardoor niet verstrikt wordt; want dat is JAHWEH, uw God, een gruwel. 26 U zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat u een ban zou worden, zoals dat is; u zult het geheel verafschuwen, en volledig een gruwel daarvan hebben, want het is een ban. ### Deuteronomium 8 1 Alle geboden, die ik u vandaag gebiede, zult u waarnemen om te doen, opdat u leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat JAHWEH aan uw vaders gezworen heeft. 2 En u zult gedenken aan al de weg, die u JAHWEH, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of u Zijn geboden zou houden, of niet. 3 En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat u niet kende, noch uw vaders gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond van JAHWEH uitgaat. 4 Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren. 5 Bekent dan in uw hart, dat JAHWEH, uw God, u straft, zoals een man zijn zoon straft. 6 En houdt de geboden van JAHWEH, van uw God, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen. 7 Want JAHWEH, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten; 8 Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappels; een land van olierijke olijfbomen, en van honing; 9 Een land, waarin u brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, waarvan de stenen ijzer zijn, en waarvan u uit de bergen koper uithouwen zult. 10 Als u dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult u JAHWEH, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. 11 Pas op dat u JAHWEH, uw God, niet vergeet, dat u niet zou houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede; 12 Opdat niet misschien, als u zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, 13 En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat u hebt vermeerderd zal zijn; 14 Uw hart zich dan verheffe, dat u vergeet JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft; 15 Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; 16 Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaders niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed; 17 En u in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte van mijn hand heeft mij dit vermogen verkregen. 18 Maar u zult gedenken JAHWEH, uw God, dat Hij het is, die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaders gezworen heeft, zoals het op deze dag is. 19 Maar als het gebeurt, dat u JAHWEH, uw God, geheel vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u daarvoor buigt, zo betuig ik vandaag tegen u, dat u voorzeker zult vergaan. 20 Zoals de heidenen, die JAHWEH voor uw aangezicht weggevaagd heeft, zo zult u vergaan, omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn. ### Deuteronomium 9 1 Hoor, Israël! u zult vandaag over de Jordaan gaan, dat u inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan u; steden, die groot en tot in de hemel gesterkt zijn; 2 Een groot en lang volk, kinderen van de Enakieten; die u kent, en waarvan u gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht van de kinderen van Enak? 3 Zo zult u vandaag weten, dat JAHWEH, uw God, Degene is, die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen vernietigen, en Die zal hen voor uw aangezicht neerwerpen; en u zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastig te niet doen, zoals JAHWEH tot u gesproken heeft. 4 Wanneer hen nu JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: JAHWEH heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen JAHWEH voor uw aangezicht uit de bezitting. 5 Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid van uw hart, komt u er heen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid van deze volken, verdrijft hen JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat JAHWEH, uw God, aan uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. 6 Weet dan, dat u JAHWEH, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft, om dat te erven; want u bent een hardnekkig volk. 7 Gedenk, vergeet niet, dat u JAHWEH, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van die dag af, dat u uit Egypteland uitgegaan bent, totdat u kwam aan deze plaats, bent u opstandig geweest tegen JAHWEH. 8 Want aan Horeb vertoornde u JAHWEH zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te vernietigen. 9 Als ik op de berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen van het verbond, dat JAHWEH met u gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg, at geen brood, en dronk geen water. 10 En JAHWEH gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en daarop, naar al de woorden, die JAHWEH op de berg, uit het midden van het vuur, op de dag van de verzameling, met u gesproken had. 11 Zo gebeurde het, na verloop van veertig dagen en veertig nachten, als mij JAHWEH de twee stenen tafelen, de tafelen van het verbond, gaf, 12 Dat JAHWEH tot mij zei: Sta op, ga haastig af van hier; want uw volk, dat u uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastig afgeweken van de weg, die Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt. 13 Verder sprak JAHWEH tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk. 14 Laat van Mij af, dat Ik hen vernietige, en hun naam van onder de hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is. 15 Toen keerde ik mij, en ging van de berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen van het verbond waren op beide mijn handen. 16 En ik zag toe, en zie, u had tegen JAHWEH, uw God, gezondigd; u had u een gegoten kalf gemaakt; u was haastig afgeweken van de weg, die u JAHWEH geboden had. 17 Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen. 18 En ik wierp mij neer voor het aangezicht van JAHWEH, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die u had gezondigd, doende dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken. 19 Want ik vreesde vanwege de toorn en de woede waarmee JAHWEH zeer op u vertoornd was, om u te vernietigen; maar JAHWEH verhoorde mij ook op dat moment. 20 Ook vertoornde Zich JAHWEH zeer tegen Aäron, om hem te vernietigen; maar ik bad ook in die tijd voor Aäron. 21 Maar uw zonde, het kalf, dat u had gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van de berg afvliet. 22 Ook vertoornde u JAHWEH zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-thaava. 23 Verder als JAHWEH u zond uit Kades-barnea, zeggende: Ga op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo was u de mond van JAHWEH, van uw God, opstandig, en geloofde Hem niet, en was Zijn stem niet gehoorzaam. 24 Opstandig bent u geweest tegen JAHWEH, van de dag af, dat ik u gekend heb. 25 En ik wierp mij neer voor het aangezicht van JAHWEH, die veertig dagen en veertig nachten, waarin ik mij neerwierp, omdat JAHWEH gezegd had, dat Hij u vernietigen zou. 26 En ik bad tot JAHWEH, en zei: Heere, JAHWEH, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat U door Uw grootheid verlost hebt; dat U uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd. 27 Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardheid van dit volk, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde; 28 Opdat het land, vanwaar U ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze JAHWEH niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn. 29 Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat U door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekte arm hebt uitgevoerd! ### Deuteronomium 10 1 In die tijd zei JAHWEH tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op deze berg; daarna zult u zich een kist van hout maken. 2 En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die u gebroken hebt; en u zult ze leggen in die kist. 3 Zo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op de berg, en de twee tafelen waren in mijn hand. 4 Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die JAHWEH, op de dag van de verzameling, op de berg, uit het midden van het vuur, tot u gesproken had; en JAHWEH gaf ze mij. 5 En ik keerde mij, en ging af van de berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en daar zijn zij, zoals JAHWEH mij geboden heeft. 6 (En de Israëlieten reisden van Beëroth Bene-Jaäkan en Mosera. Daar stierf Aäron, en werd daar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats. 7 Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.) 8 In die tijd scheidde JAHWEH de stam Levi uit, om de ark van het verbond van JAHWEH te dragen, om voor het aangezicht van JAHWEH te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op deze dag. 9 Daarom heeft Levi geen deel noch erfenis met zijn broers; JAHWEH is zijn Erfdeel, zoals JAHWEH, uw God, tot hem gesproken heeft. 10 En ik stond op de berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en JAHWEH verhoorde mij ook op datzelfde moment; JAHWEH heeft u niet willen verderven. 11 Maar JAHWEH zei tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht van het volk, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaders gezworen heb, hun te geven. 12 Nu dan, Israël! wat eist JAHWEH, uw God van u dan JAHWEH, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en JAHWEH, uw God, te dienen, met uw hele hart en met uw hele ziel; 13 Om te houden de geboden van JAHWEH, en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede, u ten goede. 14 Zie, van JAHWEH, van uw God, is de hemel, en de hemel van de hemelen, de aarde, en al wat daarin is. 15 Alleen heeft JAHWEH lust gehad aan uw vaders, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, u, uit al de volken gekozen, zoals het op deze dag is. 16 Besnijd dan de voorhuid van uw hart, en verhardt uw nek niet meer. 17 Want JAHWEH, uw God, is een God van de goden, en een Heere van de heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt; 18 Die het recht van de wees en van de weduwe doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve. 19 Daarom zult u de vreemdeling liefhebben, want u bent vreemdelingen geweest in Egypteland. 20 JAHWEH, uw God, zult u vrezen; Hem zult u dienen, en Hem zult u aanhangen, en bij Zijn Naam zweren. 21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben. 22 Uw vaders trokken af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u JAHWEH, uw God, gesteld als de sterren van de hemel in menigte. ### Deuteronomium 11 1 Daarom zult u JAHWEH, uw God, liefhebben, en u zult altijd onderhouden Zijn bevel, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, en Zijn geboden. 2 En u zult vandaag weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing van JAHWEH, van uw God, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm; 3 Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, de koning van Egypte, en aan zijn hele land; 4 En wat Hij gedaan heeft aan het leger van de Egyptenaren, aan zijn paarden en aan zijn wagens; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij u van achteren vervolgden; en JAHWEH verdeed hen, tot op deze dag. 5 En wat Hij u gedaan heeft in de woestijn, totdat u gekomen bent aan deze plaats. 6 Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, de zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van geheel Israël. 7 Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk van JAHWEH, dat Hij gedaan heeft. 8 Houd dan alle geboden, die ik u vandaag gebiede; opdat u gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven; 9 En opdat u de dagen verlengt in het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honing. 10 Want het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, vanwaar u uitgegaan bent, dat u bezaaide met uw zaad, en bewaterde met uw gang, als een kruidhof. 11 Maar het land, waarheen u overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij de regen van de hemel; 12 Een land, dat JAHWEH, uw God, bezorgt; de ogen van JAHWEH, van uw God, zijn steeds daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar. 13 En het zal gebeuren, zo u ijverig zult horen naar Mijn geboden, die Ik u vandaag gebiede, om JAHWEH, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw hele hart en met uw hele ziel; 14 Zo zal Ik de regen van uw land geven te zijner tijd, vroege regen en spade regen, opdat u uw koren, en uw nieuwe wijn, en uw olie inzamelt. 15 En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en u zult eten en verzadigd worden. 16 Pas op dat uw hart niet verleid wordt, dat u afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt; 17 Dat de toorn van JAHWEH tegen u ontsteke, en Hij de hemel toesluite, dat er geen regen zij, en de aarde haar gewas niet geve; en u haastig omkomt van het goede land, dat u JAHWEH geeft. 18 Leg dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdsbanden zijn tussen uw ogen; 19 En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als u in uw huis zit, en als u op de weg gaat, en als u neerligt, en als u opstaat; 20 En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten; 21 Opdat uw dagen, en de dagen van uw kinderen, in het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, zoals de dagen van de hemel op de aarde. 22 Want zo u ijverig houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, JAHWEH, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende; 23 Zo zal JAHWEH al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en u zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan u bent. 24 Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en de Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw gebied zijn. 25 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; JAHWEH, uw God, zal uw schrik en uw vrees geven over al het land, waarop u treden zult, zoals Hij tot u gesproken heeft. 26 Zie, ik stel u vandaag voor, zegen en vloek: 27 De zegen, wanneer u horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, die ik u vandaag gebiede; 28 Maar de vloek, zo u niet horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, en afwijkt van de weg, die ik u vandaag gebiede, om andere goden na te wandelen, die u niet gekend hebt. 29 En het zal gebeuren, als u JAHWEH, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven; dan zult u de zegen uitspreken op de berg Gerizim, en de vloek op de berg Ebal. 30 Zijn zij niet aan de overzijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang van de zon, in het land van de Kanaänieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More? 31 Want u zult over de Jordaan gaan, dat u inkomt om te erven dat land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal; en u zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen. 32 Neem dan waar te doen al de voorschriften en de rechten, die ik u vandaag voorstel. ### Deuteronomium 12 1 Dit zijn de voorschriften en de rechten, die u zult waarnemen om te doen, in dat land, dat u JAHWEH, uw vaders God, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die u op de aardbodem leeft. 2 U zult geheel vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die u zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder alle groene boom. 3 En u zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden van hun goden neerhouwen; en u zult hun naam te niet doen uit die plaats. 4 U zult JAHWEH, uw God, zo niet doen! 5 Maar naar de plaats, die JAHWEH, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, naar Zijn woning zult u vragen, en daarheen zult u komen; 6 En daarheen zult u brengen uw brandoffers, en uw slachtoffers, en uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offers, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen. 7 En daar zult u voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, eten en vrolijk zijn, u en uw huizen, over alles, waaraan u uw hand geslagen hebt, waarin u JAHWEH, uw God, gezegend heeft. 8 U zult niet doen naar alles, wat wij hier vandaag doen, een ieder al wat in zijn ogen recht is. 9 Want u bent tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die JAHWEH, uw God, u geven zal. 10 Maar u zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u JAHWEH, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en u zult zeker wonen. 11 Dan zal er een plaats zijn, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen; daarheen zult u brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandoffers, en uw slachtoffers, uw tienden, en het hefoffer van uw hand, en al het beste van uw geloften, die u JAHWEH beloven zult. 12 En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, u, en uw zonen, en uw dochters, en uw dienaren, en uw dienaressen, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erfenis met u. 13 Pas op dat u uw brandoffers niet offert in alle plaats, die u zien zult. 14 Maar in de plaats, die JAHWEH in één van uw stammen zal verkiezen, daar zult u uw brandoffers offeren, en daar zult u doen al wat ik u gebiede. 15 Maar naar alle lust van uw ziel zult u slachten en vlees eten, naar de zegen van JAHWEH, van uw God, die Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert. 16 Alleen het bloed zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. 17 U zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw nieuwe wijn, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige van uw geloften, die u zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offers, noch het hefoffer van uw hand. 18 Maar u zult dat eten voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, in de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, over alles, waaraan u uw handen geslagen hebt. 19 Pas op dat u de Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land. 20 Wanneer JAHWEH, uw God, uw gebied zal verwijd hebben, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zeggen zult: Ik zal vlees eten; omdat uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult u vlees eten, naar alle lust van uw ziel. 21 Zo de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te zetten, ver van u zal zijn, zo zult u slachten van uw runderen en van uw schapen, die JAHWEH u gegeven heeft, zoals ik u geboden heb; en u zult eten in uw poorten, naar alle lust van uw ziel. 22 Maar zoals een ree en een hert gegeten wordt, zo zult u dat eten; de onreine en de reine zullen het samen eten. 23 Alleen houdt vast, dat u het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult u de ziel met het vlees niet eten; 24 U zult dat niet eten; op de aarde zult u het uitgieten als water; 25 U zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als u zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen van JAHWEH. 26 Maar uw heilige dingen, die u hebben zult, en uw geloften zult u opnemen, en komen tot de plaats, die JAHWEH verkiezen zal; 27 En u zult uw brandoffers, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar van JAHWEH, van uw God; en het bloed van uw slachtoffers zal op het altaar van JAHWEH, van uw God, worden uitgegoten; maar het vlees zult u eten. 28 Neem waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als u zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen van JAHWEH, van uw God. 29 Wanneer JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar die u heengaat, om die erfelijk te bezitten; en u die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen; 30 Pas op dat u niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen vernietigd zijn; en dat u niet vraagt naar hun goden, zeggende: Zoals deze volken hun goden gediend hebben, zo zal ik ook doen. 31 U zult JAHWEH, uw God, zo niet doen; want al wat JAHWEH een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochters met vuur verbrand voor hun goden. 32 Al dit woord, dat ik u gebiede, zult u waarnemen om te doen; u zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen. ### Deuteronomium 13 1 Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder; 2 En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die u niet gekend hebt, navolgen en hen dienen; 3 U zult naar de woorden van die profeet, of naar die dromen-dromer niet horen; want JAHWEH, uw God, verzoekt u, om te weten, of u JAHWEH, uw God, liefhebt met uw hele hart en met uw hele ziel. 4 JAHWEH, uw God, zult u navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult u houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen. 5 En die profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van de weg, die u JAHWEH, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. 6 Wanneer uw broer, de zoon van uw moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het geheime, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt, u noch uw vaders; 7 Van de goden van de volken, die rondom u zijn, nabij u, of ver van u, van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; 8 Zo zult u hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet sparen, en u zult u niet ontfermen, noch hem verbergen; 9 Maar u zult hem zeker doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk. 10 En u zult hem met stenen stenigen, dat hij sterve; want hij heeft u gezocht af te drijven van JAHWEH, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft. 11 Opdat geheel Israël het hore en vreze, en niet doorga te doen naar dit boze stuk in het midden van u. 12 Wanneer u van één van uw steden, die JAHWEH, uw God, u geeft, om daar te wonen, zult horen zeggen: 13 Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners van hun stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die u niet gekend hebt; 14 Zo zult u onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan; 15 Zo zult u de inwoners van die stad geheel slaan met de scherpte van het zwaard, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook haar beesten, met de scherpte van het zwaard. 16 En al haar roof zult u verzamelen in het midden van haar straat, en JAHWEH, uw God, die stad en al haar roof geheel met vuur verbranden; en zij zal één hoop zijn eeuwig, zij zal niet weer gebouwd worden. 17 Ook zal er niets van het verbannene aan uw hand kleven, opdat JAHWEH Zich wende van de hitte van Zijn toorn, en u geve barmhartigheid, en Zich over u erbarme, en u vermenigvuldige, zoals Hij uw vaders gezworen heeft; 18 Wanneer u de stem van JAHWEH, van uw God, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, om te doen wat recht is in de ogen van JAHWEH, van uw God. ### Deuteronomium 14 1 U bent kinderen van JAHWEH, van uw God; u zult uzelf niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode. 2 Want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God; en u heeft JAHWEH gekozen, om Hem tot een eigendomsvolk te zijn, uit al de volken, die op de aardbodem zijn. 3 U zult geen gruwel eten. 4 Dit zijn de beesten, die u eten zult; een os, klein vee van de schapen, en klein vee van de geiten; 5 Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems. 6 Alle beesten, die gespleten hoeven hebben, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult u eten. 7 Maar deze zult u niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die alleen gespleten hoeven hebben: de kameel, en de haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij hebben geen gespleten hoeven; onrein zullen zij u zijn. 8 Ook het varken; want dat heeft wel gespleten hoeven, maar het herkauwt niet; onrein zal het u zijn; van hun vlees zult u niet eten, en hun kadaver zult u niet aanroeren. 9 Dit zult u eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult u eten. 10 Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult u niet eten; het zal u onrein zijn. 11 Alle reine vogel zult u eten. 12 Maar deze zijn het, van die u niet zult eten: de adelaar, en de havik, en de zeearend; 13 En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard; 14 En alle raven naar zijn aard; 15 En de struisvogel, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard; 16 En de steenuil, en de ransuil, en de kauw, 17 En de roerdomp, en de pelikaan, en de visarend; 18 En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vleermuis; 19 Ook al het kruipend gevogelte zal u onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden. 20 Al het rein gevogelte zult u eten. 21 U zult geen kadaver eten; de vreemdeling, die in uw poorten is, zult u het geven, dat hij het ete, of verkoopt het de vreemde; want u bent een heilig volk voor JAHWEH, uw God. U zult het bokje niet koken in de melk van zijn moeder. 22 U zult trouw vertienen al het inkomen van uw zaad, dat elk jaar van het veld voortkomt. 23 En voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen, zult u eten de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn, en van uw olie, en de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen; opdat u JAHWEH, uw God, leert vrezen alle dagen. 24 Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat u dat niet zou kunnen heendragen, omdat de plaats te ver van u zal zijn, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam daar te stellen; wanneer JAHWEH, uw God, u zal gezegend hebben; 25 Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal; 26 En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterke drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet daar voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, en wees vrolijk, u en uw huis. 27 Maar de Leviet, die in uw poorten is, zult u niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erfenis met u. 28 Ten einde van drie jaar zult u voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelfde jaar, en u zult ze wegleggen in uw poorten; 29 Zo zal komen de Leviet, omdat hij geen deel noch erfenis met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u JAHWEH, uw God, zegene in al het werk van uw hand, dat u doen zult. ### Deuteronomium 15 1 Ten einde van zeven jaren zult u een vrijlating maken. 2 Dit nu is de zaak van de vrijlating, dat ieder schuldeiser, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broer niet aanmanen, omdat men voor JAHWEH een vrijlating heeft uitgeroepen. 3 De buitenlander zult u aanmanen; maar wat u bij uw broer hebt, zal uw hand vrijlaten; 4 Alleen, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want JAHWEH zal u overvloedig zegenen in het land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis zal geven, om hetzelfde erfelijk te bezitten; 5 Als u slechts de stem van JAHWEH, van uw God, vlijtig zult gehoorzamen, dat u waarneemt te doen al deze geboden, die ik u vandaag gebiede. 6 Want JAHWEH, uw God, zal u zegenen, zoals Hij tot u heeft gesproken, zo zult u aan vele volken lenen; maar u zult niet ontlenen; en u zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen. 7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, één uit uw broers, in één van uw poorten, in uw land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, zo zult u uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broer, die arm is; 8 Maar u zult hem uw hand gul opendoen, en zult hem rijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt. 9 Pas op dat in uw hart geen Belialswoord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar van de vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broer, die arm is, en dat u hem niet geeft; en hij over u roepe tot JAHWEH, en zonde in u zij. 10 U zult hem gul geven, en uw hart zal niet boos zijn, als u hem geeft; want omwille van deze zaak zal u JAHWEH, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan u uw hand slaat. 11 Want de arme zal niet ophouden uit het midden van het land; daarom gebiede ik u, zeggende: U zult uw hand gul opendoen aan uw broer, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land. 12 Wanneer uw broer, een Hebreër of een Hebreïnne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult u hem vrij van u laten gaan. 13 En als u hem vrij van u gaan laat, zo zult u hem niet leeg laten gaan: 14 U zult hem rijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u JAHWEH, uw God, gezegend heeft, daarvan zult u hem geven. 15 En u zult gedenken, dat u een dienaar in Egypteland geweest bent, en dat u JAHWEH, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u vandaag deze zaak. 16 Maar het zal gebeuren, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, omdat het hem wel bij u is; 17 Zo zult u een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwig uw dienaar zijn; en aan uw dienstmaagd zult u ook zo doen. 18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als u hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u JAHWEH, uw God, zegenen in alles, wat u doen zult. 19 Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een mannetje, zult u voor JAHWEH, uw God, heiligen; u zult niet arbeiden met de eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene van uw schapen scheren. 20 Voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, zult u ze jaar op jaar eten in de plaats, die JAHWEH zal verkiezen, u en uw huis. 21 Maar als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult u het JAHWEH, uw God, niet offeren; 22 In uw poorten zult u het eten; de onreine en de reine samen, als een ree, en als een hert, 23 Zijn bloed alleen zult u niet eten; u zult het op de aarde uitgieten als water. ### Deuteronomium 16 1 Neem waar de maand Abib, dat u voor JAHWEH, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u JAHWEH, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht. 2 Dan zult u voor JAHWEH, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die JAHWEH verkiezen zal, om Zijn Naam daar te doen wonen. 3 U zult niets gedesemds op hetzelfde eten; zeven dagen zult u ongezuurde broden op hetzelfde eten, een brood van de ellende, (want in haast bent u uit Egypteland uitgetrokken); opdat u gedenkt aan de dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen van uw leven. 4 Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enig deel van uw gebied; ook zal van het vlees, dat u aan de avond van de eerste dag geslacht zult hebben, niets tot de morgen overnachten. 5 U zult het pascha niet mogen slachten in één van uw poorten, die JAHWEH, uw God, u geeft. 6 Maar aan de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, daar zult u het pascha slachten aan de avond, als de zon ondergaat, op de vastgestelde tijd van uw uittrekken uit Egypte. 7 Dan zult u het koken en eten in de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal; daarna zult u zich 's morgens keren, en heengaan naar uw tenten. 8 Zes dagen zult u ongezuurde broden eten, en aan de zevende dag is een verbodsdag voor JAHWEH, uw God; dan zult u geen werk doen. 9 Zeven weken zult u zich tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult u de zeven weken beginnen te tellen. 10 Daarna zult u voor JAHWEH, uw God, het wekenfeest houden; het zal een vrijwillige schatting van uw hand zijn, dat u geven zult, naardat u JAHWEH, uw God, zal gezegend hebben. 11 En u zult vrolijk zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die JAHWEH, uw God, zal verkiezen, om Zijn Naam daar te doen wonen. 12 En u zult gedenken, dat u een dienaar geweest bent in Egypte; en u zult deze voorschriften houden en doen. 13 Het feest van de loofhutten zult u zich zeven dagen houden, als u zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. 14 En u zult vrolijk zijn op uw feest, u, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienaar, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn. 15 Zeven dagen zult u voor JAHWEH, uw God, feest houden, in de plaats, die JAHWEH verkiezen zal; want JAHWEH, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk van uw handen; daarom zult u immers vrolijk zijn. 16 Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest van de ongezuurde broden, en op het wekenfeest, en op het feest van de loofhutten; maar het zal niet leeg voor het aangezicht van JAHWEH verschijnen: 17 Een ieder, naar de gave van zijn hand, naar de zegen van JAHWEH, van uw God, die Hij u gegeven heeft. 18 Rechters en voormannen zult u zich stellen in al uw poorten, die JAHWEH, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht van de gerechtigheid. 19 U zult het gericht niet buigen; u zult het aangezicht niet kennen; ook zult u geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen van de wijzen, en verkeert de woorden van de rechtvaardigen. 20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult u najagen; opdat u leeft, en erfelijk bezit het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal. 21 U zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar van JAHWEH, van uw God, dat u zich maken zult. 22 Ook zult u zich geen opgericht beeld stellen, dat JAHWEH, uw God, haat. ### Deuteronomium 17 1 U zult JAHWEH, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is JAHWEH, uw God, een gruwel. 2 Wanneer in het midden van u, in één van uw poorten, die JAHWEH, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, van uw God, overtredende Zijn verbond; 3 Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het hele leger van de hemel, dat ik niet geboden heb; 4 En het wordt u aangezegd, en u hoort het; zo zult u het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan; 5 Zo zult u die man of die vrouw, die dit boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, die man zeg ik, of die vrouw; en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven. 6 Op de mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op de mond van één enige getuige zal hij niet gedood worden. 7 De hand van de getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand van het hele volk; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. 8 Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plaag en plaag, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult u zich opmaken en opgaan naar de plaats, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal; 9 En u zult komen tot de Levietische priesters, en tot de rechter, die in die dagen zijn zal; en u zult ondervragen, en zij zullen u de zaak van het recht aanzeggen. 10 En u zult doen naar het bevel van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, van die plaats, die JAHWEH verkiezen zal, en u zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren. 11 Naar het bevel van de wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult u doen; u zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechterhand of ter linkerhand. 12 De man nu, die trots handelen zal, dat hij niet hore naar de priester, die staat, om daar JAHWEH, uw God, te dienen, of naar de rechter, die man zal sterven; en u zult het boze uit Israël wegdoen. 13 Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trots handele. 14 Wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u JAHWEH, uw God, geeft, en u dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en u zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn; 15 Zo zult u zeker hem tot koning over u stellen, die JAHWEH, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broers zult u een koning over u stellen; het is u niet toegestaan over u te zetten een vreemde man, die uw broer niet zij. 16 Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen terugkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl JAHWEH u gezegd heeft: U zult voortaan niet terugkeren door deze weg. 17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen. 18 Verder zal het gebeuren, als hij op de stoel van zijn koninkrijk zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit wat voor het aangezicht van de Levietische priesters is; 19 En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen van zijn leven; opdat hij JAHWEH, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden van deze wet en deze voorschriften, om die te doen; 20 Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broers, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechterhand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël. ### Deuteronomium 18 1 De Levietische priesters, de hele stam van Levi, zullen geen deel noch erfenis hebben met Israël; de vuuroffers van JAHWEH en zijn erfdeel zullen zij eten. 2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden van zijn broers; JAHWEH is zijn Erfdeel, zoals Hij tot hem gesproken heeft. 3 Dit nu zal het recht van de priester zijn van het volk, van hen, die een offergave offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij de priester zal geven de schouder, en beide kaken, en de pens. 4 De eerstelingen van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering van uw schapen zult u hem geven; 5 Want JAHWEH, uw God, heeft hem uit al uw stammen gekozen, dat hij sta, om te dienen in de Naam van JAHWEH, hij en zijn zonen, altijd. 6 Verder wanneer een Leviet zal komen uit één van uw poorten, uit geheel Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte van zijn ziel, tot de plaats, die JAHWEH zal hebben gekozen; 7 En hij dienen zal in de Naam van JAHWEH, van zijn God, als al zijn broers, de Levieten, die daar voor het aangezicht van JAHWEH staan; 8 Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaders. 9 Wanneer u komt in het land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, zo zult u niet leren te doen naar de gruwelijke dingen van die volken. 10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een bezweerder, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een dodenbezweerder, of die de doden vraagt. 12 Want al wie dat doet, is JAHWEH een gruwel; en vanwege deze gruwelijke dingen verdrijft hen JAHWEH, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting. 13 Oprecht zult u zijn met JAHWEH, uw God. 14 Want deze volken, die u zult erven, horen naar bezweerders en waarzeggers; maar wat u betreft, JAHWEH, uw God, heeft u dat niet toegelaten. 15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broers, als mij, zal u JAHWEH, uw God, verwekken; naar Hem zult u horen; 16 Naar alles, wat u van JAHWEH, uw God, aan Horeb, op de dag van de verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet doorgaan te horen de stem van JAHWEH, van mijn God, en dit grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve. 17 Toen zei JAHWEH tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben. 18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broers, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal. 19 En het zal gebeuren, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van die zal Ik het zoeken. 20 Maar de profeet, die hoogmoedig zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in de naam van andere goden, die profeet zal sterven. 21 Zo u dan in uw hart zou mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat JAHWEH niet gesproken heeft? 22 Wanneer die profeet in de Naam van JAHWEH zal hebben gesproken, en dat woord gebeurt niet, en komt niet; dat is het woord, dat JAHWEH niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; u zult voor hem niet vrezen. ### Deuteronomium 19 1 Wanneer JAHWEH, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, van wie het land JAHWEH, uw God, u geven zal, en u die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen; 2 Zo zult u zich drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten. 3 U zult u de weg bereiden, en het gebied van uw land, dat u JAHWEH, uw God, zal doen erven, in drieën delen; dit nu zal zijn, opdat ieder moordenaar daarheen vlucht. 4 En dit zij de zaak van de moordenaar, die daarheen vluchten zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, die hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte; 5 Als, die met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van de steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in één van deze steden vluchten en leven; 6 Opdat de bloedwreker de moordenaar niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te ver zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel van de dood aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren. 7 Daarom gebiede ik u, zeggende: U zult u drie steden uitscheiden. 8 En als JAHWEH, uw God, uw gebied zal verruimen, zoals Hij uw vaders gezworen heeft, en u al dat land geven zal, dat Hij uw vaders te geven gesproken heeft; 9 (Wanneer u al dit gebod zult waarnemen, om dat te doen, wat ik u vandaag gebiede, JAHWEH, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult u zich nog drie steden toedoen tot deze drie; 10 Opdat het bloed van de onschuldigen niet vergoten wordt in het midden van uw land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft, en bloedschulden op u zouden zijn. 11 Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem hinderlagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vlucht tot één van die steden; 12 Zo zullen de oudsten van zijn stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand van de bloedwreker geven, dat hij sterve. 13 Uw oog zal hem niet sparen; maar u zult het bloed van de onschuldigen uit Israël wegdoen, dat het u welga. 14 U zult het gebied van uw naaste, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat u erven zult, in het land, dat u JAHWEH, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten. 15 Één enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. 16 Wanneer een valse getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen; 17 Zo zullen die twee mannen, die de twist hebben, staan voor het aangezicht van JAHWEH, voor het aangezicht van de priester, en van de rechters, die in die dagen zullen zijn. 18 En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broer; 19 Zo zult u hem doen, zoals hij zijn broer dacht te doen; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen; 20 Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet doorgaan meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u. 21 En uw oog zal niet sparen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet. ### Deuteronomium 20 1 Wanneer u zult uittrekken tot de strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagens, een volk, meerder dan u, zo zult u voor hen niet vrezen; want JAHWEH, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd. 2 En het zal gebeuren, als u tot de strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken. 3 En tot hen zeggen: Hoor, Israël! u bent vandaag na aan de strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht. 4 Want het is JAHWEH, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen. 5 Dan zullen de voormannen tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in de strijd, en iemand anders dat inwijde. 6 En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en daarvan vrucht niet heeft genoten? Die ga heen en kere weer naar zijn huis, opdat hij niet misschien in de strijd sterve en iemand anders die geniete. 7 En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat hij niet misschien in die strijd sterve, en een ander man haar neme. 8 Daarna zullen de voormannen doorgaan te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga heen en kere weer naar zijn huis; opdat het hart van zijn broers niet smelte, zoals zijn hart. 9 En het zal gebeuren, als die voormannen geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten van de legers aan het hoofd van het volk bestellen. 10 Wanneer u nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult u haar de vrede toeroepen. 11 En het zal gebeuren, als zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u schatplichtig zijn, en u dienen. 12 Maar zo zij geen vrede met u zal maken, maar strijd tegen u voeren, zo zult u haar belegeren. 13 En JAHWEH, uw God, zal haar in uw hand geven; en u zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte van het zwaard; 14 Behalve de vrouwen, en de kinderen, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult u voor u roven; en u zult eten de buit van uw vijanden, die u JAHWEH, uw God, gegeven heeft. 15 Zo zult u aan alle steden doen, die zeer ver van u zijn, die niet zijn van de steden van deze volken. 16 Maar van de steden van deze volken, die u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft, zult u niets laten leven, dat adem heeft. 17 Maar u zult ze geheel verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, zoals u JAHWEH, uw God, geboden heeft; 18 Opdat zij u niet leren te doen naar al hun gruwelijke dingen, die zij hun goden gedaan hebben, en u zondigt tegen JAHWEH, uw God. 19 Wanneer u een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult u haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want u zult daarvan eten; daarom zult u dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is het voedsel van de mens), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk. 20 Maar het geboomte, dat u kennen zult, dat het geen geboomte tot voedsel is, dat zult u verderven en afhouwen; en u zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, die tegen u strijd voert, totdat zij ten onderga. ### Deuteronomium 21 1 Wanneer in het land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft; 2 Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom de verslagene zijn. 3 De stad nu, die de naaste zal zijn aan de verslagene, daar zullen de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, met die niet gewerkt is, die aan het juk niet getrokken heeft. 4 En de oudsten van die stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe daar in het dal de nek doorhouwen. 5 Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want JAHWEH, uw God, heeft hen gekozen, om Hem te dienen, en om in de Naam van JAHWEH te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden. 6 En alle oudsten van die stad, die naast aan de verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is; 7 En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien; 8 Wees genadig aan Uw volk Israël, dat U, o JAHWEH! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israël! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn. 9 Zo zult u het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want u zult doen, wat recht is in de ogen van JAHWEH. 10 Wanneer u zult uitgetrokken zijn tot de strijd tegen uw vijanden; en JAHWEH, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat u hun gevangenen als gevangene wegvoert; 11 En u onder de gevangenen zult zien een vrouw, mooi van gestalte, en u lust tot haar gekregen zult hebben, dat u haar tot vrouw neemt; 12 Zo zult u haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagels knippen. 13 En zij zal het kleed van haar gevangenschap van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult u tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn. 14 En het zal gebeuren, als u geen behagen in haar hebt, dat u haar zult laten gaan naar haar begeerte; maar u zult haar in geen geval voor geld verkopen, u zult met haar geen winst drijven, daarom dat u haar vernederd hebt. 15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, één geliefde, en één gehate; en de geliefde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn; 16 Zo zal het gebeuren, op de dag als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan de zoon van de geliefde, voor het aangezicht van de zoon van de gehate, die de eerstgeborene is. 17 Maar de eerstgeborene, de zoon van de gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het begin van zijn kracht, het recht van de eerstgeboorte is het zijne. 18 Wanneer iemand een moedwillige en opstandige zoon heeft, die de stem van zijn vader en de stem van zijn moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gestraft zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal, 19 Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten van zijn stad, en tot de poorte van zijn plaats. 20 En zij zullen zeggen tot de oudsten van zijn stad: Deze onze zoon is afwijkende en opstandig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en dronkaard. 21 Dan zullen alle mensen van zijn stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en u zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het geheel Israël hore, en vreze. 22 Verder, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel van de dood waard is, dat hij gedood zal worden, en u hem aan het hout zult opgehangen hebben; 23 Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar u zult het zeker ten zelf dage begraven; want een opgehangene is voor God een vloek. Zo zult u uw land niet verontreinigen, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft. ### Deuteronomium 22 1 U zult os of klein vee van uw broer niet zien afgedreven, en u van die verbergen; u zult ze uw broer geheel weer toesturen. 2 En als uw broer niet nabij u is, of u hem niet kent, zo zult u ze binnen in uw huis verzamelen, dat zij bij u zijn, totdat uw broer die zoeke, en u ze hem teruggeeft. 3 Zo zult u ook doen aan zijn ezel, en zo zult u doen aan zijn kleding, ja, zo zult u doen aan al het verlorene van uw broer, dat van hem verloren zal zijn, en dat u zult hebben gevonden; u zult u niet mogen verbergen. 4 U zult de ezel van uw broer of zijn os niet zien, vallende op de weg, en u van die verbergen; u zult ze met hem geheel oprichten. 5 Het kleed van een man zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie dat doet, is JAHWEH, uw God, een gruwel. 6 Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op de weg voorkomt, in enige boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult u de moeder met de jongen niet nemen. 7 U zult de moeder geheel vrijlaten; maar de jongen zult u voor u nemen; opdat het u welga, en u de dagen verlengt. 8 Wanneer u een nieuw huis zult bouwen, zo zult u op uw dak een leuning maken; opdat u geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel. 9 U zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid van het zaad, dat u zult gezaaid hebben, en de inkomst van de wijngaard niet ontheiligd wordt. 10 U zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk. 11 U zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk. 12 Snoeren zult u zich maken aan de vier hoeken van uw opperkleed, waarmee u zich bedekt. 13 Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, dan haar zal haten, 14 En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwade naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb de maagdom aan haar niet gevonden; 15 Dan zullen de vader van dit meisje en haar moeder nemen, en tot de oudsten van de stad aan de poort uitbrengen, de maagdom van deze jonge vrouw. 16 En de vader van het meisje zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan deze man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat; 17 En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb de maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom van mijn dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten van de stad uitbreiden. 18 Dan zullen de oudsten van die stad die man nemen, en straffen hem; 19 En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan de vader van het meisje, omdat hij een kwade naam heeft uitgebracht over een meisje van Israël; verder zal zij hem tot vrouw zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen. 20 Maar als dit woord waarachtig is, dat de maagdom aan het meisje niet gevonden is; 21 Zo zullen zij dit meisje uitbrengen tot de deur van het huis van haar vader, en de mensen van haar stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in het huis van haar vader; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. 22 Wanneer een man gevonden zal worden, liggende bij de getrouwde vrouw van een man, zo zullen zij ook beiden sterven, de man, die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw; zo zult u het boze uit Israël wegdoen. 23 Wanneer er een meisje zal zijn, dat een maagd is, ondertrouwd aan een man, en een man haar in de stad zal gevonden, en bij haar gelegen hebben; 24 Zo zult u ze beiden uitbrengen tot de poort van die stad, en u zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven; het meisje, omdat zij niet geroepen heeft in de stad, en de man, omdat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft; zo zult u het boze uit het midden van u wegdoen. 25 En als een man een ondertrouwd meisje in het veld gevonden, en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, alleen sterven; 26 Maar het meisje zult u niets doen; het meisje heeft geen zonde van de dood; want zoals wanneer een man tegen zijn naaste opstond, en sloeg hem dood aan het leven, zo is deze zaak. 27 Want hij heeft haar in het veld gevonden; het ondertrouwde meisje riep, en er was niemand, die haar verloste. 28 Wanneer een man een meisje zal gevonden hebben, dat een maagd is, dat niet ondertrouwd is, en haar zal gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn; 29 Zo zal de man, die bij haar gelegen heeft, de vader van het meisje vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan al zijn dagen. 30 Een man zal de vrouw van zijn vader niet nemen, en hij zal de slip van zijn vader niet ontdekken. ### Deuteronomium 23 1 Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering van JAHWEH niet komen. 2 Geen bastaard zal in de vergadering van JAHWEH komen; zelfs zijn tiende geslacht zal in de vergadering van JAHWEH niet komen. 3 Geen Ammoniet, noch Moabiet zal in de vergadering van JAHWEH komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering van JAHWEH niet komen tot in eeuwigheid. 4 Omdat zij u op de weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als u uit Egypte uittrokt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, de zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken. 5 Maar JAHWEH, uw God, heeft naar Bileam niet willen horen; maar JAHWEH, uw God, heeft u de vloek in een zegen veranderd, omdat JAHWEH, uw God, u liefhad. 6 U zult hun vrede en hun best niet zoeken, al uw dagen in eeuwigheid. 7 De Edomiet zult u voor geen gruwel houden, want hij is uw broer; de Egyptenaar zult u voor geen gruwel houden want u bent een vreemdeling geweest in zijn land. 8 Voor wat betreft de kinderen, die hun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering van JAHWEH komen. 9 Wanneer het leger uittrekt tegen uw vijanden, zo zult u zich wachten voor alle kwade zaak. 10 Wanneer iemand onder u is, die niet rein is, door enig toeval in de nacht, die zal tot buiten het leger uitgaan; hij zal tot binnen het leger niet komen. 11 Maar het zal gebeuren, dat hij zich tegen het naderen van de avond met water zal baden; en als de zon ondergegaan is, zal hij tot binnen het leger komen. 12 U zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarheen zult u uitgaan naar buiten. 13 En u zult een schopje hebben, naast uw gereedschap, en het zal gebeuren, als u buiten gezeten hebt, dan zult u daarmee graven, en u omkeren, en bedekken wat van u uitgegaan is. 14 Want JAHWEH, uw God, wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen, en om uw vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat Hij niets schandelijks onder u zie, en achteruit van u afkere. 15 U zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn. 16 Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in één van uw poorten, waar het goed voor hem is; u zult hem niet verdrukken. 17 Er zal geen hoer zijn onder de dochters van Israël; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israël. 18 U zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis van JAHWEH, van uw God, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn JAHWEH, uw God, een gruwel. 19 U zult aan uw broer niet woekeren, met rente van geld, met rente van voedsel, met rente van enig ding, waarmee men woekert. 20 Aan de vreemde zult u woekeren; maar aan uw broer zult u niet woekeren; opdat u JAHWEH, uw God, zegene, in alles, waaraan u uw hand slaat, in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. 21 Wanneer u JAHWEH, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, u zult niet vertrekken die te betalen; want JAHWEH, uw God, zal ze zeker van u eisen, en zonde zou in u zijn. 22 Maar als u nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn. 23 Wat uit uw lippen gaat, zult u houden en doen; zoals u JAHWEH, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat u met uw mond gesproken hebt. 24 Wanneer u gaan zult in de wijngaard van uw naaste, zo zult u druiven eten naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw mand zult u niets doen. 25 Wanneer u zult gaan in het staande koren van uw naaste, zo zult u de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult u aan het staande koren van uw naaste niet bewegen. ### Deuteronomium 24 1 Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het gebeuren, als zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis. 2 Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal heengaan en de vrouw van een andere man worden, 3 En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn; 4 Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen terugnemen, dat zij hem zijn vrouw wordt, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht van JAHWEH; zo zult u het land niet doen zondigen, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geeft. 5 Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het leger niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; één jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen. 6 Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand. 7 Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broers, uit de Israëlieten, en drijft winst met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en u zult het boze uit het midden van u wegdoen. 8 Wees op uw hoede in de plaag van de melaatsheid, dat u ijverig waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesters u zullen leren; zoals ik hun geboden heb, zult u waarnemen te doen. 9 Gedenk, wat JAHWEH, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op de weg, als u uit Egypte was uitgetrokken. 10 Wanneer u aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult u tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen; 11 Buiten zult u staan, en de man, die u geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen. 12 Maar als hij een arm man is, zo zult u met zijn pand niet neerliggen. 13 U zult hem dat pand zeker teruggeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed neerligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God. 14 U zult de arme en behoeftige dagloner niet verdrukken, die uit uw broeders is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn. 15 Op zijn dag zult u zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot JAHWEH, en zonde in u zij. 16 De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. 17 U zult het recht van de vreemdeling en van de wees niet buigen, en u zult het kleed van de weduwe niet te pand nemen. 18 Maar u zult gedenken, dat u een knecht in Egypte geweest bent, en JAHWEH, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebiede ik u deze zaak te doen. 19 Wanneer u uw oogst op uw akker afgeoogst, en een schoof op de akker vergeten zult hebben, zo zult u niet terugkeren, om die op te nemen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u JAHWEH, uw God, zegene, in al het werk van uw handen. 20 Wanneer u uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult u de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn. 21 Wanneer u uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult u de druiven achter u niet nalopen; voor de vreemdeling, voor de wees en voor de weduwe zal het zijn. 22 En u zult gedenken, dat u een knecht in Egypteland geweest bent; daarom gebiede ik u deze zaak te doen. ### Deuteronomium 25 1 Wanneer er tussen mensen twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij de rechtvaardige rechtvaardig spreken, en de onrechtvaardige verdoemen. 2 En het zal gebeuren, als de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen neervallen, en hem doen slaan in zijn aanwezigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal. 3 Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien zo hij doorgaat hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broer dan voor uw ogen verachtelijk gehouden wordt. 4 Een os zult u niet muilbanden, als hij dorst. 5 Wanneer broers samenwonen en één van hen sterft en geen zoon heeft, zal de vrouw van de overledene niet de vrouw van een vreemde man buiten de familie worden; de broer van haar man zal tot haar ingaan, haar tot vrouw nemen en tegenover haar de zwagerplicht vervullen. 6 En het zal gebeuren, dat de eerstgeborene, die zij zal baren, zal staan in de naam van zijn broer, van de verstorvene; opdat zijn naam niet uitgewist wordt uit Israël. 7 Maar als deze man de vrouw van zijn broer niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broers vrouw opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: De broer van mijn man weigert zijn broer een naam te verwekken in Israël; hij wil mij de plicht van de broer van een man niet doen. 8 Dan zullen hem de oudsten van zijn stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen; 9 Zo zal de vrouw van zijn broer voor de ogen van de oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Zo zal met die man gedaan worden, die het huis van zijn broer niet zal bouwen. 10 En zijn naam zal in Israël genoemd worden: Het huis van degene, wiens schoen uitgetrokken is. 11 Wanneer mannen, de één met de ander, twisten, en de vrouw van de één toetreedt, om haar man uit de hand van degene, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt; 12 Zo zult u haar hand afhouwen, uw oog zal niet sparen. 13 U zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben; een grote en een kleine. 14 U zult in uw huis geen tweeërlei efa hebben, een grote en een kleine. 15 U zult een volkomen en gerechte weegsteen hebben; u zult een volkomen en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal. 16 Want al wie dat doet, is JAHWEH, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet. 17 Gedenk, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, als u uit Egypte uittrokt; 18 Hoe hij u op de weg ontmoette, en sloeg onder u in de staart al de zwakken achter u, als u moe en mat was; en hij vreesde God niet. 19 Het zal dan gebeuren, als u JAHWEH, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geven zal, om hetzelfde erfelijk te bezitten, dat u de herinnering van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet! ### Deuteronomium 26 1 Verder zal het gebeuren, wanneer u zult gekomen zijn in het land, dat u JAHWEH, uw God, als erfenis geven zal, en u dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen; 2 Zo zult u nemen van de eerstelingen van alle vrucht van het land, die u opbrengen zult van uw land, dat u JAHWEH, uw God, geeft, en zult ze in een mand leggen; en u zult heengaan tot de plaats, die JAHWEH, uw God, gekozen zal hebben, om Zijn Naam daar te doen wonen; 3 En u zult komen tot de priester, die in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar vandaag voor JAHWEH, uw God, dat ik gekomen ben in het land, dat JAHWEH onze vaders gezworen heeft ons te zullen geven. 4 En de priester zal de mand van uw hand nemen, en hij zal die voor het altaar van JAHWEH, van uw God, neerzetten. 5 Dan zult u voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij trok af naar Egypte, en verkeerde daar als vreemdeling met weinig volk; maar hij werd daar tot een groot, machtig en veelvuldig volk. 6 Maar de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harde dienst op. 7 Toen riepen wij tot JAHWEH, de God van onze vaders; en JAHWEH verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onze arbeid, en onze onderdrukking. 8 En JAHWEH voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote schrik, en door tekenen, en door wonderen. 9 En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honing. 10 En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht van dit land, dat U, JAHWEH, mij gegeven hebt! Dan zult u ze neerzetten voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, en zult u buigen voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God; 11 En u zult vrolijk zijn over al het goede, dat JAHWEH, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; u, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is. 12 Wanneer u zult geëindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar van de tienden; dan zult u aan de Leviet, aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden. 13 En u zult voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan de Leviet en aan de vreemdeling, aan de wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die U mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten. 14 Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben de stem van JAHWEH, van mijn God, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat U mij geboden hebt. 15 Zie naar beneden van Uw heilige woning, van de hemel, en zegen Uw volk Israël, en het land, dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaders gezworen hebt, een land van melk en honing vloeiende. 16 Te deze dage gebiedt u JAHWEH, uw God, deze voorschriften en rechten te doen; houd dan en doet ze, met uw hele hart en met uw hele ziel. 17 Vandaag hebt u JAHWEH doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat u zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn voorschriften, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat u Zijn stem zult gehoorzaam zijn. 18 En JAHWEH heeft u vandaag doen zeggen, dat u Hem tot een eigendomsvolk zult zijn, zoals Hij u gesproken heeft, en dat u al Zijn geboden zult houden; 19 Opdat Hij u zo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat u een heilig volk bent voor JAHWEH, uw God, zoals Hij gesproken heeft. ### Deuteronomium 27 1 En Mozes, samen met de oudsten van Israël, gebood het volk, zeggende: Behoud al deze geboden, die ik u vandaag gebiede. 2 Het zal dan gebeuren, op de dag als u over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal, zo zult u zich grote stenen oprichten, en bestrijken ze met kalk; 3 En u zult daarop schrijven alle woorden van deze wet, als u overgegaan zult zijn; opdat u komt in het land, dat JAHWEH, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honing, zoals JAHWEH, uw vaders God, tot u gesproken heeft. 4 Het zal dan gebeuren, als u over de Jordaan gegaan zult zijn, dat u die stenen, van die ik u vandaag gebiede, zult oprichten op de berg Ebal, en u zult ze met kalk bestrijken; 5 En u zult daar JAHWEH, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; u zult geen ijzer over hetzelfde bewegen. 6 Van hele stenen zult u het altaar van JAHWEH, van uw God, bouwen, en u zult JAHWEH, uw God, brandoffers daarop offeren. 7 Ook zult u dankoffers offeren, en zult daar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God. 8 En u zult op deze stenen schrijven alle woorden van deze wet, die wel uitdrukkende. 9 Verder sprak Mozes, samen met de Levietische priesters, tot geheel Israël, zeggende: Luister toe en hoort o Israël! Op deze dag bent u voor JAHWEH, uw God, tot een volk geworden. 10 Daarom zult u de stem van JAHWEH, van uw God, gehoorzaam zijn, en u zult doen Zijn geboden en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede. 11 En Mozes gebood het volk op die dag, zeggende: 12 Deze zullen staan, om het volk te zegenen op de berg Gerizim, als u over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin. 13 En deze zullen staan over de vloek op de berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali. 14 En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israël, met verheven stem: 15 Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel van JAHWEH, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen. 16 Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen. 17 Vervloekt zij, die het gebied van zijn naaste verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen. 18 Vervloekt zij, die een blinde op de weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen. 19 Vervloekt zij, die het recht van de vreemdeling, van de wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen. 20 Vervloekt zij, die bij de vrouw van zijn vader ligt, omdat hij de slip van zijn vader ontdekt heeft! En al het volk zal zeggen: Amen. 21 Vervloekt zij, die bij enig beest ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. 22 Vervloekt zij, die bij zijn zus ligt, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder! En al het volk zal zeggen: Amen. 23 Vervloekt zij, die bij zijn schoonmoeder ligt! En al het volk zal zeggen: Amen. 24 Vervloekt zij, die zijn naaste in het verborgene verslaat! En al het volk zal zeggen: Amen. 25 Vervloekt zij, die geschenk neemt, om een ziel, het bloed van een onschuldige, te verslaan! En al het volk zal zeggen: Amen. 26 Vervloekt zij, die de woorden van deze wet niet zal bevestigen, doende die! En al het volk zal zeggen: Amen. ### Deuteronomium 28 1 En het zal gebeuren, als u de stem van JAHWEH, van uw God, vlijtig zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede, zo zal JAHWEH, uw God, u hoog zetten boven alle volken van de aarde. 2 En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer u de stem van JAHWEH, van uw God, zult gehoorzaam zijn. 3 Gezegend zult u zijn in de stad, en gezegend zult u zijn op het veld. 4 Gezegend zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, en de vrucht van uw beesten, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. 5 Gezegend zal zijn uw mand en uw baktrog. 6 Gezegend zult u zijn in uw ingaan, gezegend zult u zijn in uw uitgaan. 7 JAHWEH zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door één weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten. 8 JAHWEH zal de zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan u uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u JAHWEH, uw God, geven zal. 9 JAHWEH zal u Zichzelf tot een heilig volk bevestigen, zoals Hij u gezworen heeft, wanneer u de geboden van JAHWEH, van uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. 10 En alle volken van de aarde zullen zien, dat de Naam van JAHWEH over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen. 11 En JAHWEH zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht van uw buik, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht van uw land; op het land, dat JAHWEH uw vaders gezworen heeft u te zullen geven. 12 JAHWEH zal u opendoen Zijn goede schat, de hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk van uw hand; en u zult aan vele volken lenen, maar u zult niet ontlenen. 13 En JAHWEH zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en u zult alleen boven zijn, en niet onder zijn; wanneer u horen zult naar de geboden van JAHWEH, van uw God, die ik u vandaag gebiede te houden en te doen; 14 En u niet afwijken zult van al de woorden, die ik u vandaag gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat u andere goden nawandelt, om hen te dienen. 15 Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van JAHWEH, van uw God, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat u doet al Zijn geboden en Zijn voorschriften, die ik u vandaag gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen. 16 Vervloekt zult u zijn in de stad, en vervloekt zult u zijn op het veld. 17 Vervloekt zal zijn uw mand en uw baktrog. 18 Vervloekt zal zijn de vrucht van uw buik, en de vrucht van uw land, de voortzetting van uw koeien, en de kudden van uw klein vee. 19 Vervloekt zult u zijn in uw ingaan, en vervloekt zult u zijn in uw uitgaan. 20 JAHWEH zal onder u zenden de vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan u uw hand slaat, dat u doen zult; totdat u vernietigd wordt, en totdat u haastig omkomt, vanwege de boosheid van uw werken, waarmee u Mij verlaten hebt. 21 JAHWEH zal u de pest doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. 22 JAHWEH zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat u omkomt. 23 En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn. 24 JAHWEH, uw God, zal pulver en stof tot regen van uw land geven; van de hemel zal het op u neerdalen, totdat u vernietigd wordt. 25 JAHWEH zal u geslagen geven voor het aangezicht van uw vijanden; door één weg zult u tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult u voor zijn aangezicht vluchten; en u zult van alle koninkrijken van de aarde beroerd worden. 26 En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte van de hemel, en aan de beesten van de aarde tot voedsel zijn; en niemand zal ze afschrikken. 27 JAHWEH zal u slaan met zweren van Egypte, en met gezwellen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan u niet zult kunnen genezen worden. 28 JAHWEH zal u slaan met waanzin, en met blindheid, en met verbaasdheid van het hart; 29 Dat u op de middag zult omtasten, zoals een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar u zult alleen verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn. 30 U zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult u bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult u planten, maar die niet onheilig maken. 31 Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar u zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet terugkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn. 32 Uw zonen en uw dochters zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken de hele dag; maar het zal in het vermogen van uw hand niet zijn. 33 De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat u niet gekend hebt; en u zult alle dagen alleen verdrukt en gepletterd zijn. 34 En u zult waanzinnig zijn, vanwege het gezicht van uw ogen, dat u zien zult. 35 JAHWEH zal u slaan met boze zweren, aan de knieën en aan de benen, waarvan u niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel. 36 JAHWEH zal u, en ook uw koning, die u over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat u niet gekend hebt, noch uw vaders; en daar zult u dienen andere goden, hout en steen. 37 En u zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u JAHWEH leiden zal. 38 U zult veel zaads op de akker uitbrengen, maar u zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren. 39 Wijngaarden zult u planten, en bouwen, maar u zult geen wijn drinken, noch iets verzamelen; want de worm zal het afeten. 40 Olijfbomen zult u hebben in al uw gebied, maar u zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen. 41 Zonen en dochters zult u winnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan. 42 Al uw geboomte, en de vrucht van uw land zal het boos gewormte erfelijk bezitten. 43 De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en u zult laag, laag neerdalen. 44 Hij zal u lenen, maar u zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en u zult tot een staart zijn. 45 En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat u vernietigd wordt; omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn voorschriften, die Hij u geboden heeft. 46 En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid. 47 Omdat u JAHWEH, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid van het hart, vanwege de veelheid van alles; 48 Zo zult u uw vijanden, die JAHWEH onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u vernietige. 49 JAHWEH zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde van de aarde, zoals een adelaar vliegt; een volk, waarvan u de taal niet zult verstaan; 50 Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht van de oude niet zal aannemen, noch de jonge genadig zijn. 51 En het zal de vrucht van uw beesten, en de vrucht van uw land opeten, totdat u vernietigd zult zijn; dat u geen koren, nieuwe wijn noch olie, voortzetting van uw koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe. 52 En het zal u benauwen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren neervallen, op welke u vertrouwde in uw hele land; ja, het zal u benauwen in al uw poorten, in uw hele land, dat u JAHWEH, uw God, gegeven heeft. 53 En u zult eten de vrucht van uw buik, het vlees van uw zonen en van uw dochters, die u JAHWEH, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijanden u zullen benauwen 54 Voor wat betreft de man, die teder onder u, en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijn broer, en tegen de huisvrouw van zijn schoot, en tegen zijn overige zonen, die hij overgehouden zal hebben; 55 Dat hij niet aan één van die zal geven van het vlees van zijn zonen, die hij eten zal, omdat hij voor zich niets heeft overgehouden; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u in al uw poorten zal benauwen. 56 Voor wat betreft de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen de man van haar schoot, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter; 57 En dat om haar nageboorte, die van tussen haar voeten uitgegaan zal zijn, en om haar zonen, die zij gebaard zal hebben; want zij zal hen eten in het verborgene, vanwege gebrek van alles; in de belegering en in de benauwing, waarmee uw vijand u zal benauwen in uw poorten. 58 Als u niet zult waarnemen te doen al de woorden van deze wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen deze heerlijke en vreselijke Naam, JAHWEH, uw God; 59 Zo zal JAHWEH uw plagen wonderlijk maken, en ook de plagen van uw zaad; het zullen grote en gewisse plagen, en boze en gewisse ziekten zijn. 60 En Hij zal op u doen keren alle kwalen van Egypte, voor die u gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen. 61 Ook alle ziekte, en alle plaag, die in het boek van deze wet niet geschreven is, zal JAHWEH over u doen komen, totdat u vernietigd wordt. 62 En u zult met weinig mensen overgelaten worden, in plaats dat u geweest bent als de sterren van de hemel in menigte; omdat u de stem van JAHWEH, van uw God, niet gehoorzaam geweest bent. 63 En het zal gebeuren, zoals JAHWEH Zich over u verblijdde, u goed doende en u vermenigvuldigende, zo zal Zich JAHWEH over u verblijden, u verdoende en u vernietigende; en u zult uitgerukt worden uit het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. 64 JAHWEH zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde van de aarde tot het andere einde; en daar zult u andere goden dienen die u niet gekend hebt, noch uw vaderen — van hout en steen. 65 Daartoe zult u onder die volken niet stil zijn, en uw voetzool zal geen rust hebben; want JAHWEH zal u daar een bevend hart geven, en bezwijking van de ogen, en mattigheid van de ziel. 66 En uw leven zal tegenover u hangen; en u zult nacht en dag schrikken, en u zult van uw leven niet zeker zijn. 67 's Morgens zult u zeggen: 'Was het maar avond!' en 's avonds zult u zeggen: 'Was het maar morgen!' vanwege de schrik in uw hart waarmee u verschrikt zult zijn, en vanwege wat uw ogen zullen zien. 68 En JAHWEH zal u naar Egypte doen terugkeren in schepen, door een weg, waarvan ik u gezegd heb: U zult die niet meer zien; en daar zult u zich aan uw vijanden willen verkopen tot dienaren en tot dienaressen; maar er zal geen koper zijn. ### Deuteronomium 29 1 Dit zijn de woorden van het verbond, dat JAHWEH Mozes geboden heeft te maken met de Israëlieten, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb. 2 En Mozes riep geheel Israël, en zei tot hen: U hebt gezien al wat JAHWEH in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land; 3 De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, die tekenen en grote wonderen. 4 Maar JAHWEH heeft u niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op deze dag. 5 En Ik heb u veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw kleren zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet. 6 Brood hebt u niet gegeten, en wijn en sterke drank hebt u niet gedronken; opdat u wist, dat Ik JAHWEH, uw God, ben. 7 Toen u nu kwam aan deze plaats, trok Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen. 8 En wij hebben hun land ingenomen, en dat als erfenis gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, en ook aan de halve stam van de Manassieten. 9 Houd dan de woorden van dit verbond, en doet ze; opdat u verstandig handelt in alles, wat u doen zult. 10 U staat vandaag allen voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God: uw hoofden van uw stammen, uw oudsten, en uw voormannen, alle man van Israël; 11 Uw kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe; 12 Om over te gaan in het verbond van JAHWEH, van uw God, en in Zijn vloek, dat JAHWEH, uw God, vandaag met u maakt; 13 Opdat Hij u vandaag Zichzelf tot een volk bevestige, en Hij u tot een God zij, zoals Hij tot u gesproken heeft, en zoals Hij uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft. 14 En niet met u alleen maak ik dit verbond en deze vloek; 15 Maar met degene, die vandaag hier bij ons voor het aangezicht van JAHWEH, van onze God, staat; en met degene, die hier vandaag bij ons niet is. 16 Want u weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetrokken zijn door het midden van de volken, die u doorgetrokken bent. 17 En u hebt gezien hun gruwelijke dingen, en hun afgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren. 18 Dat onder u niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart vandaag wende van JAHWEH, onze God, om te gaan dienen de goden van deze volken; dat onder u niet zij een wortel, die gal en alsem drage; 19 En het gebeure, als hij de woorden van deze vloek hoort, dat hij zichzelf zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar het goeddunken van mijn hart zal wandelen, om de dronkene te doen tot de dorstige. 20 JAHWEH zal hem niet willen vergeven; maar dan zal de toorn en ijver van JAHWEH roken over die man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en JAHWEH zal zijn naam van onder de hemel uitdelgen. 21 En JAHWEH zal hem ten kwade afscheiden van al de stammen van Israël, naar alle vloeken van het verbond, dat in het boek van deze wet geschreven is. 22 Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na u opstaan zullen, en de vreemde, die uit ver land komen zal, als zij zullen zien de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee JAHWEH het gekrenkt heeft; 23 Dat zijn hele aarde zij zwavel en zout van de verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; zoals de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die JAHWEH heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn woede; 24 En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft JAHWEH aan dit land zo gedaan? Wat is de ontsteking van deze grote toorn? 25 Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van JAHWEH, van de God van hun vaders, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde; 26 En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medegedeeld had; 27 Daarom is de toorn van JAHWEH ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al deze vloek, die in dit boek geschreven is. 28 En JAHWEH heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in woede, en in grote toorn; en Hij heeft hen verworpen in een ander land, zoals het is op deze dag. 29 De verborgen dingen zijn voor JAHWEH, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden van deze wet. ### Deuteronomium 30 1 Verder zal het gebeuren, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult u het weer ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u JAHWEH, uw God, gedreven heeft; 2 En u zult u bekeren tot JAHWEH, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u vandaag gebiede, u en uw kinderen, met uw hele hart en met uw hele ziel. 3 En JAHWEH, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich over u ontfermen; en Hij zal u weer verzamelen uit al de volken, waarheen u JAHWEH, uw God, verstrooid had. 4 Al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, van daar zal u JAHWEH, uw God, verzamelen, en van daar zal Hij u nemen. 5 En JAHWEH, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaders erfelijk bezeten hebben, en u zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaders. 6 En JAHWEH, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om JAHWEH, uw God, lief te hebben met uw hele hart en met uw hele ziel, opdat u leeft. 7 En JAHWEH, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben. 8 U dan zult u bekeren, en de stem van JAHWEH gehoorzaam zijn, en u zult doen al Zijn geboden, die ik u vandaag gebiede. 9 En JAHWEH, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk van uw hand, in de vrucht van uw buik, en in de vrucht van uw beesten, en in de vrucht van uw land, ten goede; want JAHWEH zal terugkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, zoals Hij Zich over uw vaders verblijd heeft; 10 Wanneer u de stem van JAHWEH, van uw God, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn voorschriften, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer u zich zult bekeren tot JAHWEH, uw God, met uw hele hart en met uw hele ziel. 11 Want dit gebod, dat ik u vandaag gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet ver. 12 Het is niet in de hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelfde horen late, dat wij het doen? 13 Het is ook niet aan de overzijde van de zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan de overzijde van de zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelfde horen late, dat wij het doen? 14 Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen. 15 Zie, ik heb u vandaag voorgesteld het leven, en het goede, en de dood, en het kwade. 16 Want ik gebiede u vandaag, JAHWEH, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, opdat u leeft en vermenigvuldigt, en JAHWEH, uw God, u zegene in het land, waar u naar toe gaat, om dat te erven. 17 Maar als uw hart zich zal afwenden, en u niet horen zult, en u gedreven zult worden, dat u zich voor andere goden buigt, en die dient; 18 Zo verkondig ik u vandaag, dat u voorzeker zult omkomen; u zult de dagen niet verlengen op het land, naar dat u over de Jordaan bent heengaande, om daarin te komen, dat u het erfelijk bezit. 19 Ik neem vandaag tegen u tot getuigen de hemel en de aarde; het leven en de dood heb ik u voorgesteld, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw zaad; 20 Liefhebbende JAHWEH, uw God, Zijn stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte van uw dagen; opdat u blijft in het land, dat JAHWEH uw vaders, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven. ### Deuteronomium 31 1 Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot geheel Israël, 2 En zei tot hen: Ik ben vandaag honderd en twintig jaar oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft JAHWEH tot mij gezegd: U zult over deze Jordaan niet gaan. 3 JAHWEH, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht vernietigen, dat u hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, zoals JAHWEH gesproken heeft. 4 En JAHWEH zal hun doen, zoals Hij aan Sihon en Og, koningen van de Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij vernietigd heeft. 5 Wanneer hen nu JAHWEH voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult u hun doen naar alle gebod, dat ik u geboden heb. 6 Wees sterk en hebt goede moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is JAHWEH, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten. 7 En Mozes riep Jozua, en zei tot hem voor de ogen van geheel Israël: Wees sterk en heb goede moed, want u zult met dit volk ingaan in het land dat JAHWEH hun vaders gezworen heeft, hun te zullen geven; en u zult het hun doen erven. 8 JAHWEH nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet. 9 En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, en aan alle oudsten van Israël. 10 En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op de gezette tijd van het jaar van de vrijlating, op het feest van de loofhutten. 11 Als geheel Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht van JAHWEH, van uw God, in de plaats, die Hij zal gekozen hebben, zult u deze wet voor geheel Israël uitroepen, voor hun oren; 12 Verzamelt het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen JAHWEH, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet. 13 En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen JAHWEH, uw God, al de dagen, die u leeft op het land, naar dat u over de Jordaan bent heengaande, om dat te erven. 14 En JAHWEH zei tot Mozes: Zie, uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt u in de tent van de samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent van de samenkomst. 15 Toen verscheen JAHWEH in de tent, in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur van de tent. 16 En JAHWEH zei tot Mozes: Zie, u zult slapen met uw vaders; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden van de vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelfde; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelfde gemaakt heb. 17 Zo zal Mijn toorn op die dag tegen hetzelfde ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij tot voedsel zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het op die dag zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is? 18 Ik dan zal Mijn aangezicht op die dag geheel verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden. 19 En nu, schrijft u dit lied, en leert het de Israëlieten; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij tot getuige zij tegen de Israëlieten. 20 Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaders gezworen heb, vloeiende van melk en honing, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond vernietigen. 21 En het zal gebeuren, wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelfde zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit de mond van zijn zaad niet vergeten worden; omdat Ik weet zijn maaksel dat het vandaag maakt, voordat Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb. 22 Zo schreef Mozes dit lied op die dag, en hij leerde het de Israëlieten. 23 En Hij gebood Jozua, de zoon van Nun, en zei: Wees sterk en heb goede moed, want u zult de Israëlieten inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn. 24 En het gebeurde, als Mozes voltooid had de woorden van deze wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren; 25 Zo gebood Mozes de Levieten, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, zeggende: 26 Neem dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark van het verbond van JAHWEH, van uw God, dat het daar zij tot getuige tegen u. 27 Want ik ken uw opstandigheid, en uw harde nek. Zie, terwijl ik nog vandaag met u leve, bent u opstandig geweest tegen JAHWEH; hoe veel te meer na mijn dood! 28 Verzamelt tot mij al de oudsten van uw stammen, en uw voormannen; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen de hemel en de aarde tot getuigen neme. 29 Want ik weet, dat u het na mijn dood zeker zult verderven, en afwijken van de weg, die ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste van de dagen ontmoeten, wanneer u zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, om Hem door het werk van uw handen tot toorn te verwekken. 30 Toen sprak Mozes, voor de oren van de hele gemeente van Israël, de woorden van dit lied, totdat zij voltrokken waren. ### Deuteronomium 32 1 Neig de oren, u hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen van mijn mond. 2 Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid. 3 Want ik zal de Naam van JAHWEH uitroepen; geef onze God grootheid! 4 Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn recht. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij. 5 Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht. 6 Zult u dit JAHWEH vergelden, u, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft? 7 Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen. 8 Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij het gebied van de volken gesteld naar het getal van de Israëlieten. 9 Want het deel van JAHWEH is Zijn volk, Jakob is het snoer van Zijn erfenis. 10 Hij vond hem in een land van de woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel. 11 Zoals een adelaar zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken; 12 Zo leidde hem JAHWEH alleen, en er was geen vreemd god met hem. 13 Hij deed hem rijden op de hoogten van de aarde, dat hij at de inkomsten van het veld; en Hij deed hem honing zuigen uit de steenrots, en olie uit de kei van de rots; 14 Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet van de lammeren en van de rammen, die in Bazan weiden, en van de bokken, met het vette van de nieren van tarwe; en het druivenbloed, reine wijn, hebt u gedronken. 15 Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (u bent vet, u bent dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde de Rotssteen van zijn heil. 16 Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelijke dingen hebben zij Hem tot toorn verwekt. 17 Zij hebben aan de demonen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor die uw vaders niet geschrikt hebben. 18 De Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt u vergeten; en u hebt in vergetenis gesteld de God, Die u gebaard heeft. 19 Als JAHWEH zag, zo versmaadde Hij hen, uit boosheid tegen zijn zonen en zijn dochters. 20 En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hun einde zal wezen; want zij zijn een geheel verkeerd geslacht, kinderen, in wie geen trouw is. 21 Zij hebben Mij tot ijver verwekt door wat geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun zinloosheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken. 22 Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in het onderste dodenrijk, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden van de bergen in vlam zetten. 23 Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten. 24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van de brandende pest en bitter verderf; en Ik zal de tanden van de beesten onder hen schikken, met vurig gif van slangen van het stof. 25 Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook de jongeling, ook het meisje, het zuigende kind met de grijze man. 26 Ik zei: In alle hoeken zou Ik hen verstrooien; Ik zou hun herinnering van onder de mensen doen ophouden; 27 Ten ware, dat Ik de boosheid van de vijand schroomde, dat niet hun tegenstanders zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; JAHWEH heeft dit alles niet gewerkt. 28 Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen. 29 O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken. 30 Hoe zou één enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hun Rotssteen hen verkocht, en JAHWEH hen overgeleverd had? 31 Want hun rotssteen is niet zoals onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde. 32 Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bessen. 33 Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift. 34 Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten? 35 Van Mij is de wraak en de vergelding, ten tijde als hun voet zal wankelen; want de dag van hun ondergang is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten. 36 Want JAHWEH zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is. 37 Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welke zij betrouwden? 38 Van wie de slachtoffers vet zij aten, van wie de drankoffers wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er plek om te schuilen voor u zij. 39 Zie nu, dat Ik, Ik DIE ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt! 40 Want Ik zal Mijn hand naar de hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid! 41 Als Ik Mijn glinsterend zwaard slijp, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenstanders doen terugkeren, en Mijn vijanden vergelden. 42 Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed van de verslagenen en van de gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken van de vijand zijn. 43 Juich, u heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenstanders doen terugkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk. 44 En Mozes kwam, en sprak al de woorden van dit lied voor de oren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun. 45 Als nu Mozes geëindigd had al die woorden tot geheel Israël te spreken; 46 Zo zei hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik vandaag onder u betuige, dat u ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden van deze wet. 47 Want dat is geen vergeefs woord voor u; maar het is uw leven; en door dit woord zult u de dagen verlengen op het land, waar u over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven. 48 Daarna sprak JAHWEH tot Mozes, op die dag, zeggende: 49 Klim op de berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten tot een bezitting geven zal; 50 En sterf op die berg, waarheen u opklimmen zult, en word met uw voorgeslacht verenigd; zoals uw broer Aäron stierf op de berg Hor, en werd met zijn voorgeslacht verenigd. 51 Omdat u zich tegen Mij vergrepen hebt, in het midden van de Israëlieten, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat u Mij niet geheiligd hebt in het midden van de Israëlieten. 52 Want van tegenover zult u dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik de Israëlieten geven zal. ### Deuteronomium 33 1 Dit nu is de zegen, met welke Mozes, de man van God, de Israëlieten gezegend heeft, voor zijn dood. 2 Hij zei dan: JAHWEH is van Sinaï gekomen, en is voor hen opgegaan van Seïr; Hij is blinkend verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden van de heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen. 3 Immers houdt Hij van de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden. 4 Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente; 5 En Hij was koning in Jeschurun, als de hoofden van het volk zich verzamelden, samen met de stammen van Israël. 6 Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn mensen van getal zijn! 7 En dit is van Juda, dat hij zei: Hoor, JAHWEH! de stem van Juda! en breng hem weer tot zijn volk; zijn handen moeten hem genoegzaam zijn, en weest U hem een Hulp tegen zijn vijanden! 8 En van Levi zei hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan de man, Uw gunstgenoot; die U verzocht hebt in Massa, met welke U getwist hebt aan de wateren van Meriba. 9 Die tot zijn vader en tot zijn moeder zei: Ik zie hem niet; en die zijn broers niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond. 10 Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israël Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat geheel verteerd zal worden, op Uw altaar. 11 Zegen, JAHWEH! zijn vermogen, en laat U het werk van zijn handen wel bevallen; versla het middel van degenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weer opstaan! 12 En van Benjamin zei hij: De geliefde van JAHWEH, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem de hele dag overdekken, en tussen Zijn schouders zal hij wonen! 13 En van Jozef zei hij: Zijn land zij gezegend van JAHWEH, van het uitnemendste van de hemel, van de dauw, en van de diepte, die beneden is liggende; 14 En van de uitnemendste inkomsten van de zon, en van de uitnemendste voortzetting van de maan; 15 En van het voornaamste van de oude bergen, en van het uitnemendste van de eeuwige heuvelen; 16 En van het uitnemendste van de aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid van Degene, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op de schedel van de afgezonderden van zijn broers! 17 Hij heeft de heerlijkheid van de eerstgeborene van zijn os, en zijn hoornen zijn hoornen van de eenhoorn; daarmee zal hij de volken samen stoten tot aan de einden van het land. Deze nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en deze zijn de duizenden van Manasse! 18 En van Zebulon zei hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten. 19 Zij zullen de volken tot de berg roepen; daar zullen zij offergaven van de gerechtigheid offeren; want zij zullen de overvloed van de zeeën zuigen, en de bedekte verborgen dingen van het zand. 20 En van Gad zei hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt de arm, ja ook de schedel. 21 En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij daar in het deel van de wetgever bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden van het volk; hij verrichtte de gerechtigheid van JAHWEH, en zijn gerichten met Israël. 22 En van Dan zei hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen. 23 En van Nafthali zei hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van de zegen van JAHWEH; bezit erfelijk het westen en het zuiden. 24 En van Aser zei hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broers aangenaam, en dope zijn voet in olie. 25 IJzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte zoals uw dagen! 26 Niemand is er zoals God, o Jeschurun! Die op de hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken. 27 De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve de vijand voor uw aangezicht, en zegge: Vernietig! 28 Israël dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en nieuwe wijn; ja, zijn hemel zal van dauw druipen. 29 Welgelukzalig bent u, o Israël! wie is u gelijk? u bent een volk, verlost door JAHWEH, het Schild van uw hulp, en Die een Zwaard is van uw hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinst aan u onderwerpen, en u zult op hun hoogten treden! ### Deuteronomium 34 1 Toen ging Mozes op uit de vlakke velden van Moab, naar de berg Nebo, op de hoogten van Pisga, die recht tegenover Jericho is; en JAHWEH wees hem dat hele land, Gilead tot Dan toe; 2 En het hele Nafthali, en het land van Efraïm en Manasse, en het hele land van Juda, tot aan de achterste zee; 3 En het Zuiden, en het effen veld van de vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe. 4 En JAHWEH zei tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar u zult daarheen niet overgaan. 5 Zo stierf Mozes, de knecht van JAHWEH, daar in het land van Moab, naar de mond van JAHWEH. 6 En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op deze dag. 7 Mozes nu was honderd en twintig jaar oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan. 8 En de Israëlieten beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen van het huilen, van de rouw over Mozes, werden voltooid. 9 Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de Geest van de wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de Israëlieten naar hem, en deden zoals JAHWEH Mozes geboden had. 10 En er stond geen profeet meer op in Israël, zoals Mozes, die JAHWEH gekend had, van aangezicht tot aangezicht, 11 In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem JAHWEH gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land; 12 En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van geheel Israël. ## Jozua ### Jozua 1 1 Het gebeurde nu, na de dood van Mozes, de knecht van JAHWEH, dat JAHWEH tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, sprak, zeggende: 2 Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, u en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geve. 3 Alle plaats, waarop uw voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, zoals Ik tot Mozes gesproken heb. 4 Van de woestijn en deze Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het hele land van de Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen de ondergang van de zon, zal uw gebied zijn. 5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen van uw leven; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. 6 Wees sterk en heb goede moed! want u zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaders heb gezworen hun te geven. 7 Alleen wees sterk en heb zeer goede moed, dat u waarneemt te doen naar de hele wet, die Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechterhand noch ter linkerhand, opdat u verstandig handelt overal, waar u zult gaan; 8 Dat het boek van deze wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat u waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want dan zult u uw wegen voorspoedig maken, en dan zult u verstandig handelen. 9 Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goede moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want JAHWEH, uw God, is met u overal, waar u heengaat. 10 Toen gebood Jozua de voormannen van het volk, zeggende: 11 Ga door het midden van het leger, en beveelt het volk, zeggende: Bereid proviant voor u; want binnen nog drie dagen zult u over deze Jordaan gaan, dat u ingaat, om te erven het land, dat JAHWEH, uw God, u geeft om te beërven. 12 En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en de halve stam van Manasse, zeggende: 13 Gedenk aan het woord, dat Mozes, de knecht van JAHWEH, u geboden heeft, zeggende: JAHWEH, uw God, geeft u rust, en Hij geeft u dit land; 14 Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar u zult gewapend trekken, voor het aangezicht van uw broers, alle strijdbare helden, en zult hen helpen; 15 Totdat JAHWEH uw broers rust geve, als u, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat JAHWEH, uw God, hun geeft; dan zult u terugkeren tot het land van uw erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht van JAHWEH, u gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon. 16 Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat u ons geboden hebt, zullen wij doen, en overal, waar u ons zenden zult, zullen wij gaan. 17 Zoals wij in alles naar Mozes hebben gehoord, zo zullen wij naar u horen; alleen dat JAHWEH, uw God, met u zij, zoals Hij met Mozes geweest is! 18 Alle man, die uw mond opstandig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat u hem gebieden zult, die zal gedood worden, alleen wees sterk en heb goede moed! ### Jozua 2 1 Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim spioneren zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Ga heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, van wie de naam was Rachab, en zij sliepen daar. 2 Toen werd de koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in deze nacht zijn hier mannen gekomen van de Israëlieten, om dit land te doorzoeken. 3 Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die in uw huis gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het hele land te doorzoeken. 4 Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zei zo: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren. 5 En het gebeurde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaag hen haastig na, want u zult ze achterhalen. 6 Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstopt onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren. 7 Die mannen nu jaagden hen na op de weg van de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden. 8 Voordat zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak. 9 En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat JAHWEH u dit land gegeven heeft, en dat uw verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor uw aangezicht gesmolten zijn. 10 Want wij hebben gehoord, dat JAHWEH de wateren van de Schelfzee uitgedroogd heeft voor uw aangezicht, toen u uit Egypte ging; en wat u aan de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die aan de overzijde van de Jordaan waren, die u verbannen hebt. 11 Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege uw aanwezigheid; want JAHWEH, uw God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde. 12 Nu dan, zweert mij toch bij JAHWEH, omdat ik goedertierenheid aan u gedaan heb, dat u ook goedertierenheid doen zult aan het huis van mijn vader, en geeft mij een waarteken, 13 Dat u mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broers en mijn zussen, met alles, wat zij hebben; en dat u onze zielen van de dood redden zult. 14 Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor u om te sterven, als u deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan gebeuren, wanneer JAHWEH ons dit land geeft, zo zullen wij aan u goedertierenheid en trouw bewijzen. 15 Zij liet hen dan neer met een touw door het venster; want haar huis was op de stadsmuur; en zij woonde op de muur. 16 En zij zei tot hen: Ga op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg. 17 Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van deze uw eed, die u ons hebt doen zweren; 18 Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult u dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, waardoor u ons zult neergelaten hebben; en u zult tot u in het huis verzamelen uw vader, en uw moeder, en uw broers, en het hele huisgezin van uw vader. 19 Zo zal het gebeuren, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, als een hand tegen hem zijn zal! 20 Maar als u deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, die u ons hebt doen zweren. 21 Zij nu zei: Het zij zo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster. 22 Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op de hele weg gezocht, maar niet gevonden. 23 Zo keerden die twee mannen weer, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, de zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun overkomen was. 24 En zij zeiden tot Jozua: Zeker, JAHWEH heeft dat hele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten. ### Jozua 3 1 Jozua dan maakte zich 's morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de Israëlieten; en zij overnachtten daar, voordat zij overtrokken. 2 En het gebeurde, dat de voormannen, op het einde van drie dagen, door het midden van het leger gingen; 3 En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer u de ark van het verbond van JAHWEH, van uw God, ziet, en de Levietische priesters die dragende, verreist u ook van uw plaats, en volgt haar na; 4 Dat er toch ruimte zij tussen u en haar, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert haar niet; opdat u die weg weet, die u gaan zult; want u bent door die weg niet gegaan gisteren en eergisteren. 5 Jozua zei ook tot het volk: Heilig u! want morgen zal JAHWEH wonderen in het midden van u doen. 6 Evenzo sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neem de ark van het verbond op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark van het verbond op, en zij gingen voor het aangezicht van het volk. 7 Want JAHWEH had tot Jozua gezegd: Deze dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van geheel Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, zoals Ik met Mozes geweest ben. 8 U dan zult de priesters, die de ark van het verbond dragen, gebieden, zeggende: Wanneer u komt tot aan het uiterste van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan. 9 Toen zei Jozua tot de Israëlieten: Nader hierheen, en hoort de woorden van JAHWEH, van uw God. 10 Verder zei Jozua: Hieraan zult u bekennen, dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij geheel voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten. 11 Zie, de ark van het verbond van de Heere van de hele aarde gaat door voor uw aangezicht in de Jordaan. 12 Nu dan, neemt u zich twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit iedere stam één man; 13 Want het zal gebeuren, met dat de voetzolen van de priesters, die de ark van JAHWEH, de Heere van de hele aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvloeien, en zij zullen op één hoop blijven staan. 14 En het gebeurde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark van het verbond voor het aangezicht van het volk. 15 En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten van de priesters, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst aan al haar oevers); 16 Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op één hoop, zeer verre van de stad Adam af, die aan de kant van Sarthan ligt; en die naar de zee van het vlakke veld, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. 17 Maar de priesters, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, stonden onbeweeglijk op het droge, in het midden van de Jordaan; en geheel Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door de Jordaan te trekken. ### Jozua 4 1 Het gebeurde nu, toen al het volk geëindigd had over de Jordaan te trekken, dat JAHWEH tot Jozua sprak, zeggende: 2 Neem u zich twaalf mannen uit het volk, uit elke stam één man. 3 En gebiedt hun, zeggende: Neem voor u op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten van de priesters, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met u over, en stelt ze in het kamp, waar u deze nacht zult overnachten. 4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld, uit elke stam één man. 5 En Jozua zei tot hen: Ga over voor de ark van JAHWEH, van uw God, midden in de Jordaan; en heft u een ieder één steen op zijn schouder, naar het getal van de stammen van de Israëlieten; 6 Opdat dit een teken zij onder u; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen? 7 Zo zult u tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark van het verbond van JAHWEH; als zij trok door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen de Israëlieten ter herinnering zijn tot in eeuwigheid. 8 De Israëlieten nu deden zo, zoals Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, zoals JAHWEH tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen van de Israëlieten en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze daar. 9 Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten van de priesters, die de ark van het verbond droegen; en zij zijn daar tot op deze dag. 10 De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle dingen voltooid waren, die JAHWEH Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte, en het trok over. 11 En het gebeurde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging de ark van JAHWEH over, en de priesters voor het aangezicht van het volk. 12 En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en ook de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht van de Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had. 13 Ongeveer veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht van JAHWEH ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho. 14 Op die dag maakte JAHWEH Jozua groot voor de ogen van het hele Israël; en zij vreesden hem, zoals zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen van zijn leven. 15 JAHWEH dan sprak tot Jozua, zeggende: 16 Gebied de priesters, die de ark van het getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen. 17 Toen gebood Jozua de priesters, zeggende: Klim op uit de Jordaan. 18 En het gebeurde, toen de priesters, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen van de priesters afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weer in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al haar oevers. 19 Het volk nu was de tiende van de eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij sloegen hun kamp op te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. 20 En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden. 21 En hij sprak tot de Israëlieten, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaders vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen? 22 Zo zult u het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan. 23 Want JAHWEH, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat u er was doorgegaan; zoals JAHWEH, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren; 24 Opdat alle volken van de aarde de hand van JAHWEH kennen zouden, dat zij sterk is; opdat u JAHWEH, uw God, vreest altijd. ### Jozua 5 1 En het gebeurde, toen al de koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan naar het westen, en al de koningen van de Kanaänieten, die aan de zee waren, hoorden, dat JAHWEH de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht van de Israëlieten, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht van de Israëlieten. 2 In die tijd sprak JAHWEH tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd opnieuw de Israëlieten ten tweede maal. 3 Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de Israëlieten op de heuvel van de voorhuiden. 4 Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getrokken was, de mannen, alle soldaten, waren gestorven in de woestijn, op de weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren. 5 Want al het volk, dat er uittrok, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op de weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden. 6 Want de Israëlieten wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het hele volk van de soldaten, die uit Egypte gegaan waren; die de stem van JAHWEH niet gehoorzaam geweest waren, die JAHWEH gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, dat JAHWEH hun vaders gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honing. 7 Maar hun zonen heeft Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op de weg niet besneden. 8 En het gebeurde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren. 9 Verder sprak JAHWEH tot Jozua: Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld; daarom noemde men de naam van die plaats Gilgal, tot op deze dag. 10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakke velden van Jericho. 11 En zij aten van het overjarige koren van het land, op de andere dag van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op die dag. 12 En het Manna hield op op de andere dag, nadat zij van het land overjarige koren gegeten hadden; en de Israëlieten hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst van het land Kanaän. 13 Verder gebeurde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zei tot Hem: Bent U van ons, of van onze vijanden? 14 En Hij zei: Nee, maar Ik ben de Vorst van het leger van JAHWEH: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zei tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht? 15 Toen zei de Vorst van het leger van JAHWEH tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop u staat, is heilig. En Jozua deed zo. ### Jozua 6 1 (Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de Israëlieten; er ging niemand uit, en er ging niemand in.) 2 Toen zei JAHWEH tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven. 3 U dan allen, die soldaten bent, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; zo zult u doen zes dagen lang. 4 En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en u zult op de zevende dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen. 5 En het zal gebeuren, als men langzaam met de ramshoorn blaast, als u het geluid van de bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, ieder tegenover zich. 6 Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zei tot hen: Draag de ark van het verbond, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark van JAHWEH. 7 En tot het volk zei hij: Trek door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark van JAHWEH. 8 En het gebeurde, zoals Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht van JAHWEH; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark van het verbond van JAHWEH volgde hen na; 9 En wie toegerust was, ging voor het aangezicht van de priesters, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. 10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: U zult niet juichen, ja, u zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op de dag, wanneer ik tot u zeggen zal: Juich! dan zult u juichen. 11 En hij deed de ark van JAHWEH rondom de stad gaan, omringende die eenmaal; toen kwamen zij weer in het leger, en overnachtten in het leger. 12 Daarna stond Jozua 's morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark van JAHWEH. 13 En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark van JAHWEH, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark van JAHWEH na, terwijl men ging en blies met de bazuinen. 14 Zo gingen zij eenmaal rondom de stad op de tweede dag; en zij keerden weer in het leger. Zo deden zij zes dagen lang. 15 En het gebeurde op de zevende dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan van de dageraad, en zij gingen rondom de stad, naar dezelfde wijze, zevenmaal; alleen op die dag gingen zij zevenmaal rondom de stad. 16 En het gebeurde de zevende keer, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juich, want JAHWEH heeft u de stad gegeven! 17 Maar deze stad zal voor JAHWEH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. 18 Alleen dat u zich wacht van het verbannene, opdat u zich misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch het beroert. 19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren voorwerpen, zullen voor JAHWEH heilig zijn; tot de schat van JAHWEH zullen zij komen. 20 Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het gebeurde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in. 21 En zij verbanden alles, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door de scherpte van het zwaard. 22 Jozua nu zei tot de twee mannen, de spionnen van het land: Ga in het huis van de vrouw, van de hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, zoals u haar gezworen hebt. 23 Toen gingen de jongemannen, de spionnen, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broers, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israël. 24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleen het zilver en goud, en ook de koperen en ijzeren voorwerpen, gaven zij tot de schat van het huis van JAHWEH. 25 Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin van haar vader, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op deze dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te bespioneren. 26 En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van JAHWEH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeboren zoon, en haar poorten stelle op zijn jongste zoon! 27 Zo was JAHWEH met Jozua; en zijn gerucht liep door het hele land. ### Jozua 7 1 Maar de Israëlieten overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen de Israëlieten. 2 Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trek omhoog en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai. 3 Daarna keerden zij weer naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het hele volk niet optrekke, dat er ongeveer twee duizend mannen, of ongeveer drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinig. 4 Zo trokken daarheen op van het volk ongeveer drie duizend man; die vluchtten voor het aangezicht van de mannen van Ai. 5 En de mannen van Ai sloegen van hen ongeveer zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water. 6 Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van JAHWEH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. 7 En Jozua zei: Ach, Adonai JAHWEH! waarom hebt U dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand van de Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan de overzijde van de Jordaan! 8 Och, JAHWEH! wat zal ik zeggen, aangezien dat Israël voor het aangezicht van zijn vijanden de nek gekeerd heeft? 9 Als het de Kanaänieten, en alle inwoners van het land horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onze naam uitroeien van de aarde; wat zult U dan voor Uw grote Naam doen? 10 Toen zei JAHWEH tot Jozua: Sta op; waarom ligt u dus neer op uw aangezicht? 11 Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd. 12 Daarom zullen de Israëlieten niet kunnen bestaan voor het aangezicht van hun vijanden; zij zullen de nek voor het aangezicht van hun vijanden keren; want zij zijn in de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij u de ban uit het midden van u vernietigt. 13 Sta op, heilig het volk, en zeg: Heilig u tegen morgen; want zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht van uw vijanden, voordat u de ban wegdoet uit het midden van u. 14 U zult dan in de morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal gebeuren, de stam, die JAHWEH geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht JAHWEH geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin JAHWEH geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man. 15 En het zal gebeuren, die geraakt zal worden met de ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond van JAHWEH overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft. 16 Toen maakte zich Jozua 's morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt. 17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt; 18 Wiens huisgezin, als hij dat deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda. 19 Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch JAHWEH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet. 20 Achan nu antwoordde Jozua, en zei: Werkelijk, ik heb tegen JAHWEH, de God van Israël, gezondigd, en heb zo en zo gedaan. 21 Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkels zilver, en een gouden tong, waarvan het gewicht vijftig sikkels was; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver daaronder. 22 Toen zond Jozua boden heen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder. 23 Zij dan namen die dingen uit het midden van de tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de Israëlieten; en zij stortten ze uit voor het aangezicht van JAHWEH. 24 Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezels, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. 25 En Jozua zei: Hoe hebt u ons in het ongeluk gestort? JAHWEH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. 26 En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich JAHWEH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam van die plaats het dal van Achor, tot deze dag toe. ### Jozua 8 1 Toen zei JAHWEH tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al de soldaten, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb de koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven. 2 U nu zult aan Ai en haar koning doen, zoals u aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat u haar roof en haar vee voor u roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van daarachter. 3 Toen maakte zich Jozua op, en al de soldaten, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit, 4 En gebood hun, zeggende: Zie toe, u zult tegen de stad hinderlagen leggen van achter de stad; houd u niet zeer verre van de stad, en wees u allen bereid. 5 Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal gebeuren, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, zoals in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vluchten. 6 Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vluchten voor onze aangezichten, zoals in het eerst; zo zullen wij vluchten voor hun aangezichten. 7 Dan zult u opstaan uit de achterlage, en u zult de stad innemen; want JAHWEH, uw God, zal ze in uw hand geven. 8 En het zal gebeuren, wanneer u de stad ingenomen hebt, zo zult u de stad met vuur aansteken; naar het woord van JAHWEH zult u doen; zie, ik heb het u geboden. 9 Zo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte die nacht in het midden van het volk. 10 En Jozua maakte zich 's morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht van het volk, naar Ai. 11 Ook trokken al de soldaten op, die bij hem waren; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij sloegen hun kamp op tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai. 12 Hij nam ook ongeveer vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen van de stad. 13 En zij stelden het volk, het hele leger, dat aan het noorden van de stad was, en zijn hinderlaag was aan het westen van de stad. En Jozua ging in dezelfde nacht in het midden van het dal. 14 En het gebeurde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen van de stad kwamen uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, op de vastgestelde tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage legde van achter de stad. 15 Jozua dan, en geheel Israël, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vluchtten door de weg van de woestijn. 16 Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken. 17 En er werd niet één man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna. 18 Toen sprak JAHWEH tot Jozua: Strek de speer uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de speer, die in zijn hand was, naar de stad aan. 19 Toen rees de achterlage haastig op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur. 20 Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook van de stad ging op naar de hemel; en zij hadden geen ruimte, om hierheen of daarheen te vluchten; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen. 21 En Jozua en geheel Israël, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook van de stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai. 22 Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden van de Israëlieten waren, de één van hier en de ander van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam. 23 Maar de koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua. 24 En het gebeurde, toen de Israëlieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, waarin zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte van het zwaard gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich geheel Israël naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte van het zwaard. 25 En het gebeurde, dat allen, die op die dag vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al samen mensen van Ai. 26 Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de speer had uitgestrekt, voordat hij al de inwoners van Ai verbannen had. 27 Alleen roofden de Israëlieten voor zichzelf het vee en de buit van die stad, naar het woord van JAHWEH, dat Hij Jozua geboden had. 28 Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwige hoop, ter verwoesting, tot op deze dag. 29 En de koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan de avond; en omstreeks de ondergang van de zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur van de stadspoort, en richtten daarop een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. 30 Toen bouwde Jozua een altaar voor JAHWEH, de God van Israël, op de berg Ebal; 31 Zoals Mozes, de knecht van JAHWEH, de Israëlieten geboden had, achtereenvolgens wat geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van hele stenen, waarover men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij JAHWEH brandoffers; ook offerden zij dankoffers. 32 Daar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, dat hij geschreven heeft voor het aangezicht van de Israëlieten. 33 En geheel Israël met zijn oudsten, en voormannen, en zijn rechters, stonden aan deze en aan de andere zijde van de ark, voor de Levietische priesters, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, zo vreemdelingen als ingezetenen, een helft daarvan tegenover de berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover de berg Ebal, zoals Mozes, de knecht van JAHWEH, bevolen had; om het volk van Israël in het eerst te zegenen. 34 En daarna las hij overluid al de woorden van de wet, de zegening en de vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat. 35 Daar was niet één woord van al wat Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de hele gemeente van Israël, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden. ### Jozua 9 1 En het gebeurde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens van de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten; 2 Zo verzamelden zij zich samen, om eenmoedig tegen Jozua en tegen Israël te strijden. 3 Als de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had, 4 Zo handelden zij ook op sluwe wijze, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden leren wijnzakken; 5 Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude kleren aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld. 6 En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons. 7 Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont u in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken? 8 Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zei Jozua tot hen: Wie bent u, en vanwaar komt u? 9 Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om de Naam van JAHWEH, van uw God; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft; 10 En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Bazan, die te Astharoth woonde. 11 Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners van ons land, zeggende: Neem reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn uw knechten, zo maakt nu een verbond met ons. 12 Dit ons brood hebben wij warm tot onze proviant uit onze huizen genomen, op de dag toen wij uittrokken om tot u te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld; 13 En deze leren wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze kleren, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis. 14 Toen namen de mannen van hun reiskost, maar zij baden JAHWEH niet om raad. 15 En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun. 16 En het gebeurde na verloop van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun buren waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende. 17 Want toen de Israëlieten voorttogen, zo kwamen zij op de derde dag aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beëroth, en Kirjath-Jearim. 18 En de Israëlieten sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij JAHWEH, de God van Israël; daarom morde de hele gemeenschap tegen de oversten. 19 Toen zeiden al de oversten tot de hele gemeenschap: Wij hebben hun gezworen bij JAHWEH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten. 20 Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, omwille van de eed, die wij hun gezworen hebben. 21 Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de hele gemeenschap, zoals de oversten tot hen gezegd hebben. 22 En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt u ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van u gezeten, daar u in het midden van ons bent wonende? 23 Nu dan, vervloekt bent u! en onder u zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters in het huis van mijn God. 24 Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Omdat het aan uw knechten zeker was te kennen gegeven, dat JAHWEH, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij u al dit land geven, en al de inwoners van het land voor uw aangezicht vernietigen zou, zo vreesden wij om ons leven zeer voor uw aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan. 25 En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, zoals het goed en zoals het recht is in uw ogen ons te doen. 26 Zo deed hij hun zo, en hij verloste hen van de hand van de Israëlieten, dat zij hen niet doodsloegen. 27 Zo gaf Jozua hen over op diezelfde dag tot houthouwers en waterputters van de vergadering, en dat tot het altaar van JAHWEH, tot deze dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zou. ### Jozua 10 1 Het gebeurde nu, toen Adoni-zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning zo gedaan had, zoals hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gemaakt hadden, en in hun midden waren; 2 Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als één van de koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk. 3 Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Pir-am, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon, zeggende: 4 Kom op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de Israëlieten. 5 Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen van de Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en streden tegen haar. 6 De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastig tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen van de Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld. 7 Toen trok Jozua op van Gilgal, hij en al de soldaten met hem, en alle strijdbare helden. 8 Want JAHWEH had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan. 9 Zo kwam Jozua snel tot hen; de gehele nacht over was hij van Gilgal opgetrokken. 10 En JAHWEH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. 11 Het gebeurde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp JAHWEH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden. 12 Toen sprak Jozua tot JAHWEH, op de dag als JAHWEH de Amorieten voor het aangezicht van de Israëlieten overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon! 13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan ongeveer een volkomen dag. 14 En er was geen dag aan deze gelijk, voor hem noch na hem, dat JAHWEH de stem van een man zo verhoorde; want JAHWEH streed voor Israël. 15 Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal. 16 Maar die vijf koningen waren gevlucht, en hadden zich verborgen in de grot bij Makkeda. 17 En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de grot bij Makkeda. 18 Zo zei Jozua: Wentelt grote stenen voor de mond van de grot, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren. 19 Maar staat u niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in de staart; laat hen in hun steden niet komen; want JAHWEH, uw God, heeft ze in uw hand gegeven. 20 En het gebeurde, toen Jozua en de Israëlieten geëindigd hadden hen met een zeer grote slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de versterkte steden gekomen waren; 21 Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de Israëlieten geroerd. 22 Daarna zei Jozua: Open de mond van de grot, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die grot. 23 Zij nu deden zo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de grot: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon. 24 En het gebeurde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zei tot de oversten van het oorlogsvolk, die met hem getrokken waren: Treed toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen. 25 Toen zei Jozua tot hen: Vrees niet en ontzet u niet, wees sterk en hebt goede moed; want zo zal JAHWEH aan al uw vijanden doen, tegen wie u strijdt. 26 En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf palen; en zij hingen aan de palen tot de avond. 27 En het gebeurde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de palen afname, en zij wierpen hen in de grot, waar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor de mond van de grot, die daar zijn tot op deze dag. 28 Op dezelfde dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte van het zwaard; daartoe verbande hij haar koning, hen en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed de koning van Makkeda, zoals hij de koning van Jericho gedaan had. 29 Toen trok Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij streed tegen Libna. 30 En JAHWEH gaf die ook in de hand van Israël, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haar koning, zoals hij de koning van Jericho gedaan had. 31 Toen trok Jozua voort, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en streed tegen haar. 32 En JAHWEH gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in op de tweede dag, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij Libna gedaan had. 33 Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet. 34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en geheel Israël met hem; en zij belegerden haar en streden tegen haar. 35 En zij namen haar in op diezelfde dag, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op dezelfde dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had. 36 Daarna trok Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij streden tegen haar. 37 En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was. 38 Toen keerde Jozua, en geheel Israël met hem, naar Debir, en hij streed tegen haar. 39 En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; zoals hij aan Hebron gedaan had, zo deed hij aan Debir en haar koning, en zoals hij aan Libna en haar koning gedaan had; 40 Zo sloeg Jozua het hele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, zoals JAHWEH, de God van Israël, geboden had. 41 En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het hele land Gosen, en tot Gibeon toe. 42 En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want JAHWEH, de God van Israël, streed voor Israël. 43 Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal. ### Jozua 11 1 Het gebeurde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, de koning van Madon, en tot de koning van Simron, en tot de koning van Achsaf, 2 En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-dor, aan de zee waren; 3 Tot de Kanaänieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa. 4 Deze nu trokken uit, en al hun legers met hen; veel volk, als het zand, dat aan de oever van de zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens. 5 Al deze koningen werden verzameld, en kwamen en sloegen hun kamp op samen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. 6 En JAHWEH zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omstreeks deze tijd zal Ik hen allen verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. 7 En Jozua, en al de soldaten met hem, kwam snel over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. 8 En JAHWEH gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. 9 Jozua nu deed hun, zoals hem JAHWEH gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagens verbrandde hij met vuur. 10 En Jozua keerde weer ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. 11 En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte van het zwaard, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. 12 En Jozua nam al de steden van deze koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard, hen verbannende, zoals Mozes, de knecht van JAHWEH geboden had. 13 Alleen verbrandden de Israëlieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua. 14 En al de roof van deze steden, en het vee, roofden de Israëlieten voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen vernietigden; zij lieten niet overblijven wat adem had. 15 Zoals JAHWEH Mozes, Zijn knecht, geboden had, zo gebood Mozes aan Jozua; en zo deed Jozua; hij deed er niet één woord af van alles, wat JAHWEH Mozes geboden had. 16 Zo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte van Israël, en zijn laagte. 17 Van de kale berg, die omhoog naar Seïr gaat, tot Baäl-gad toe, in het dal van de Libanon, onder aan de berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen. 18 Vele dagen voerde Jozua strijd tegen al deze koningen. 19 Er was geen stad, die vrede maakte met de Israëlieten, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door strijd. 20 Want het was van JAHWEH, hun harten te verstokken, dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zou, dat hun geen genade gebeurde, maar opdat hij hen vernietigen zou, zoals JAHWEH Mozes geboden had. 21 In die tijd nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het hele gebergte van Juda, en van het hele gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden. 22 Er bleef niemand van de Enakieten over in het land van de Israëlieten; alleen bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod. 23 Zo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat JAHWEH tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël als erfenis, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van de oorlog. ### Jozua 12 1 Dit nu zijn de koningen van het land, die de Israëlieten geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan de overzijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; van de beek Arnon af tot de berg Hermon, en het hele vlakke veld tegen het oosten: 2 Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, die aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen Ammons; 3 En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga. 4 Daartoe de grens van Og, de koning van Bazan, die van het overblijfsel van de reuzen was, wonende te Astharoth en te Edreï. 5 En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de grens van de Gezurieten, en van de Maächathieten; en de helft van Gilead, de grens van Sihon, de koning van Hesbon. 6 Mozes, de knecht van JAHWEH, en de Israëlieten sloegen hen, en Mozes, de knecht van JAHWEH, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting. 7 Dit nu zijn de koningen van het land, die Jozua sloeg, en de Israëlieten, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baäl-gad aan, in het dal van de Libanon, en tot aan de kale berg, die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen van Israël tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen. 8 Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen van de wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten. 9 De koning van Jericho, één; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, één; 10 De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één; 11 De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één; 12 De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één; 13 De koning van Debir, één; de koning van Geder, één; 14 De koning van Horma, één; de koning van Harad, één; 15 De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één; 16 De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één; 17 De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één; 18 De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één; 19 De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één; 20 De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één; 21 De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één; 22 De koning van Kedes, één, de koning van Jokneam, aan de Karmel, één; 23 De koning van Dor, tot Nafath-Dor, één; de koning van de heidenen te Gilgal, één; 24 De koning van Thirza, één. Al deze koningen zijn één en dertig. ### Jozua 13 1 Jozua nu was oud, op dagen gekomen; en JAHWEH zei tot hem: U bent oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. 2 Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen van de Filistijnen en het hele Gesuri. 3 Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de grens van Ekron tegen het noorden, dat de Kanaänieten toegerekend wordt; vijf vorsten van de Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 4 Van het zuiden, het hele land van de Kanaänieten, en Meara, die van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de grens van de Amorieten. 5 Daartoe het land van de Giblieten, en de hele Libanon tegen de opgang van de zon, van Baäl-Gad, onder aan de berg Hermon, tot aan de ingang van Hamath. 6 Allen, die op het gebergte wonen van de Libanon aan tot Misrefoth-Maim toe, al de Sidoniërs; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht van de Israëlieten; alleen maak, dat het Israël als erfdeel valle, zoals Ik u geboden heb. 7 En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan de halve stam van Manasse, 8 Met wie de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; die Mozes hun gaf aan de overzijde van de Jordaan tegen het oosten, zoals Mozes, de knecht van JAHWEH, hun gegeven had: 9 Van Aroër aan, die aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe; 10 En al de steden van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de grens van de kinderen Ammons; 11 En Gilead, en de grens van de Gezurieten, en van de Maächathieten, en de gehele berg Hermon, en geheel Bazan, tot Salcha toe; 12 Het hele koninkrijk van Og, in Bazan, die geregeerd heeft te Astharoth, en te Edreï; deze is overig gebleven uit het overblijfsel van de reuzen, die Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven. 13 Maar de Israëlieten verdreven de Gezurieten en de Maächathieten niet; maar Gezur en Maächath woonden in het midden van Israël tot op deze dag. 14 Alleen gaf hij de stam Levi geen erfenis. De vuuroffers Gods, van JAHWEH van Israël, zijn zijn erfenis, zoals Hij tot hem gesproken had. 15 Zo gaf Mozes aan de stam van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, 16 Dat hun gebied was van Aroër af, dat aan de oever van de beek Arnon is, en de stad, die in het midden van de beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe; 17 Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baäl, en Beth-Baäl-Meon, 18 En Jahza, en Kedemoth, en Mefaäth, 19 En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op de berg van het dal, 20 En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth; 21 En alle steden van het vlakke land, en het hele koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon regeerde, die Mozes geslagen heeft, en ook de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners van het land. 22 Daartoe hebben de Israëlieten met het zwaard gedood Bileam, de zoon van Beor, de voorzegger, naast degenen, die van hen verslagen zijn. 23 De grens nu van de kinderen van Ruben was de Jordaan, en haar gebied; dat is het erfdeel van de kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. 24 En aan de stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes, 25 Dat hun gebied was Jaëzer, en al de steden van Gilead, en het halve land van de kinderen Ammons, tot Aroër toe, die voor aan Rabba is; 26 En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de grens van Debir; 27 En in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, de koning te Hesbon, de Jordaan en haar gebied, tot aan het einde van de zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten. 28 Dit is het erfdeel van de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen. 29 Verder had Mozes aan de halve stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan de halve stam van de kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen; 30 Zodat hun gebied was van Mahanaim af, het hele Bazan, het hele koninkrijk van Og, de koning van Bazan, en al de plaatsen van Jaïr, die in Bazan zijn, zestig steden. 31 En het halve Gilead, en Astharoth, en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, namelijk de helft van de kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen. 32 Dat is het, wat Mozes als erfenis uitgedeeld had in de velden van Moab, aan de overzijde van de Jordaan van Jericho, tegen het oosten. 33 Maar aan de stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; JAHWEH, de God van Israël, is Zelf hun Erfdeel, zoals Hij tot hen gesproken heeft. ### Jozua 14 1 Dit is nu wat de Israëlieten geërfd hebben in het land Kanaän; dat de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten, hun hebben doen erven; 2 Door het lot van hun erfenis, zoals JAHWEH door de dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en de halve stam. 3 Want aan de twee stammen en de halve stam had Mozes een erfdeel gegeven aan de overzijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven. 4 Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en haar voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting. 5 Zoals JAHWEH Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten, en zij deelden het land. 6 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tot hem: U weet het woord, dat JAHWEH tot Mozes, de man van God, gesproken heeft te Kades-barnea, vanwege mij, en vanwege u. 7 Ik was veertig jaar oud, toen Mozes, de knecht van JAHWEH, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te bespioneren, en ik hem antwoord bracht, zoals het in mijn hart was. 8 Maar mijn broers, die met mij opgegaan waren, deden het hart van het volk smelten; maar ik volhardde JAHWEH, mijn God, na te volgen. 9 Toen zwoer Mozes op diezelfde dag, zeggende: Als niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen als erfdeel zal zijn in eeuwigheid, omdat u volhard hebt JAHWEH, mijn God, na te volgen. 10 En nu, zie, JAHWEH heeft mij in het leven behouden, zoals Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sinds dat JAHWEH dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben vandaag vijf en tachtig jaar oud. 11 Ik ben nog vandaag zo sterk, zoals ik was op de dag toen Mozes mij uitzond; zoals mijn kracht toen was, zo is nu mijn kracht, tot de oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan. 12 En nu, geef mij dit gebergte, waarvan JAHWEH op die dag gesproken heeft; want u hebt het op die dag gehoord, dat de Enakieten daar waren, en dat er grote versterkte steden waren; of JAHWEH met mij was, dat ik hen verdreef, zoals JAHWEH gesproken heeft. 13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, de zoon van Jefunne, Hebron als erfdeel. 14 Daarom werd Hebron aan Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, als erfdeel tot op deze dag; omdat hij volhard had JAHWEH, de God van Israël, na te volgen. 15 De naam nu van Hebron was vroeger Kirjath-arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van de oorlog. ### Jozua 15 1 En het lot voor de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de grens van Edom, de woestijn Zin, naar het zuiden, was het uiterste tegen het zuiden; 2 Zodat hun gebied, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van de tong af, die tegen het zuiden ziet; 3 En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaä; 4 En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen van deze grens zullen naar de zee zijn. Dit zal uw gebied tegen het zuiden zijn. 5 De grens nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de grens, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong van de zee, van het uiterste van de Jordaan. 6 En deze grens zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-Araba; en deze grens zal opgaan tot de steen van Bohan, de zoon van Ruben. 7 Verder zal deze grens opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal naar het noorden zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze grens doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel. 8 En deze grens zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze grens zal omhoog gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, naar het westen, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden. 9 Daarna zal deze grens strekken van de hoogte van de berg tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze grens strekken naar Baäla; deze is Kirjath-Jearim. 10 Daarna zal deze grens zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan. 11 Verder zal deze grens uitgaan aan de zijde van Ekron, naar het noorden, en deze grens zal strekken naar Sichron aan, en over de berg Baäla gaan, en uitgaan te Jabneël; en de uitgangen van deze grens zullen zijn naar de zee. 12 De grens nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en zijn gebied. Dit is de grens van de kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen. 13 Maar aan Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van JAHWEH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron. 14 En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak. 15 En vandaar trok hij omhoog tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer). 16 En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. 17 Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. 18 En het gebeurde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u? 19 En zij zei: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook bronnen. Toen gaf hij haar hoge bronnen en lage bronnen. 20 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen. 21 De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de grens van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeël, en Eder, en Jagur, 22 En Kina, en Dimona, en Adada, 23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan, 24 Zif, en Telem, en Bealoth, 25 En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, (dat is Hazor). 26 Amam, en Sema, en Molada, 27 En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet, 28 En Hazar-Sual, en Beër-Seba, en Biz-Jotheja, 29 Baäla, en Ijim, en Azem, 30 En Eltholad, en Chesil, en Horma, 31 En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna, 32 En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen. 33 In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna, 34 En Zanoah, en En-Gannim, Tappuah, en Enam, 35 Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka, 36 En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen. 37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-Gad, 38 En Dilan, en Mizpa, en Jokteël, 39 Lachis, en Bozkath, en Eglon, 40 En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis, 41 En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen. 42 Libna, en Ether, en Asan, 43 En Jiftah, en Asna, en Nezib, 44 En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen; 45 Ekron, en haar bijbehorende plaatsen, en haar dorpen. 46 Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen; 47 Asdod, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar gebied. 48 Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho, 49 En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir, 50 En Anab, en Estemo, en Anim, 51 En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen. 52 Arab, en Duma, en Esan, 53 En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka, 54 En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen. 55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta, 56 En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah, 57 Kaïn, Gibeä, en Timna; tien steden en haar dorpen. 58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor, 59 En Maärath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen. 60 Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen. 61 In de woestijn: Beth-Araba, Middin en Sechacha, 62 En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen. 63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe. ### Jozua 16 1 Daarna kwam het lot van de kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, naar het oosten, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El; 2 En het komt van Beth-el uit naar Luz; en het gaat door tot de grens van de Archiet, tot Ataroth toe; 3 En het gaat af tegen het westen naar de grens Jafleti, tot aan de grens van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee. 4 Zo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm. 5 De grens nu van de kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de grens van hun erfdeel was naar het oosten Atroth-addar tot aan het bovenste Beth-horon. 6 En deze grens gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze grens keert zich om tegen het oosten naar Thaänath-Silo, en gaat daardoor van het oosten naar Janoah; 7 En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan. 8 Van Tappuah gaat deze grens naar het westen naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen. 9 En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel van de kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen. 10 En zij verdreven de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; zo woonden die Kanaänieten in het midden van de Efraïmieten tot op deze dag; maar zij waren onder belasting dienende. ### Jozua 17 1 De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een soldaat was, zo had hij Gilead en Bazan. 2 Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen. 3 Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza. 4 Deze dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van Jozua, de zoon van Nun, en voor het aangezicht van de oversten, zeggende: JAHWEH heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden van onze broers. Daarom gaf hij haar, naar de mond van JAHWEH, een erfdeel in het midden van de broers van haar vader. 5 En aan Manasse vielen tien snoeren toe, naast het land Gilead en Bazan, dat aan de overzijde van de Jordaan is. 6 Want de dochters van Manasse erfden een erfdeel in het midden van zijn zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse. 7 Zodat de grens van Manasse was van Aser af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en deze grens gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappuah. 8 Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, hadden de kinderen van Efraïm. 9 Daarna komt de grens af naar de beek Kana tegen het zuiden van de beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden van de steden van Manasse; en de grens van Manasse is aan het noorden van de beek, en haar uitgangen zijn aan de zee. 10 Het was van Efraïm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn gebied; en aan het noorden stootten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar. 11 Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar bijbehorende plaatsen, en Jibleam en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar bijbehorende plaatsen: drie landstreken. 12 En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelfde land wonen. 13 En het gebeurde, als de Israëlieten sterk werden, zo maakten zij de Kanaänieten schatplichtig; maar zij verdreven hen niet geheel. 14 Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt u mij als erfdeel maar een lot en een deel gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel JAHWEH mij dus verre gezegend heeft? 15 Jozua nu zei tot hen: Omdat u een groot volk bent, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land van de Ferezieten en van de Refaieten, omdat u het gebergte van Efraïm te nauw is. 16 Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en haar bijbehorende plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn. 17 Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen één lot hebben; 18 Maar het gebergte zal het uwe zijn; en omdat het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want u zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk. ### Jozua 18 1 En de hele gemeenschap van de Israëlieten verzamelde zich te Silo, en zij richtten daar op de tent van de samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was. 2 En er bleven over onder de Israëlieten, aan wie zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen. 3 En Jozua zei tot de Israëlieten: Hoe lang houdt u zich zo slap, om voort te gaan, om het land te beërven, dat JAHWEH, de God van uw vaders, u gegeven heeft? 4 Geef voor u drie mannen van elke stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelfde naar hun erven, en weer tot mij komen. 5 Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn gebied van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn gebied van het noorden. 6 En u zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij hierheen brengen, dat ik voor u het lot hier werpe voor het aangezicht van JAHWEH, van onze God. 7 Want de Levieten hebben geen deel in het midden van u; maar het priesterdom van JAHWEH is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen aan de overzijde van de Jordaan, naar het oosten, dat hun Mozes, de knecht van JAHWEH, gegeven heeft. 8 Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Ga, en doorwandelt het land, en beschrijft het; kom dan weer tot mij, zo zal ik u hier het lot werpen, voor het aangezicht van JAHWEH, te Silo. 9 De mannen dan gingen heen, en trokken het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weer tot Jozua in het leger te Silo. 10 Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht van JAHWEH. En Jozua deelde daar de Israëlieten het land, naar hun afdelingen. 11 En het lot van de stam van de kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de grens van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef. 12 En hun gebied was naar de hoek naar het noorden van de Jordaan; en deze grens gaat omhoog aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte naar het westen, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven. 13 En van daar gaat de grens door naar Luz, aan de zijde van Luz (die is Beth-El), naar het zuiden; en deze grens gaat af naar Atroth-Addar, aan de berg, die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is. 14 En die grens strekt en keert zich om, naar de westhoek naar het zuiden van de berg, die tegenover Beth-Horon naar het zuiden is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baäl (die is Kirjath-Jearim), een stad van de kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen. 15 De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jearim; en deze grens gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein van de wateren van Neftoah. 16 En deze grens gaat af tot aan het uiterste van de berg, die tegenover het dal van de zoon van Hinnom is, die in het dal van de Refaïeten is tegen het noorden; en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde van de Jebusieten naar het zuiden, en gaat af aan de fontein van Rogel; 17 En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, die is tegenover de opgang naar Adummim, en zij gaat af aan de steen van Bohan, de zoon van Ruben; 18 En gaat door ter zijde tegenover Araba naar het noorden, en gaat af te Araba. 19 Verder gaat deze grens door aan de zijde van Beth-Hogla naar het noorden, en de uitgangen van deze grens zijn aan de tong van de Zoutzee naar het noorden, aan het uiterste van de Jordaan naar het zuiden. Dit is de zuiderlandpale. 20 De Jordaan nu bepaalt haar aan de hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, in hun gebied rondom, naar hun huisgezinnen. 21 De steden nu van de stam van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen, zijn: Jericho, en Beth-Hogla, en Emek-Keziz, 22 En Beth-Araba, en Zemaraim, en Beth-El, 23 En Haävvim, en Para, en Ofra, 24 Chefar-Haämmonai, en Ofni, en Gaba; twaalf steden en haar dorpen. 25 Gibeon, en Rama, en Beëroth, 26 En Mizpe, en Chefira, en Moza, 27 En Rekem, en Jirpeël, en Tharala, 28 En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden en ook haar dorpen. Dit is het erfdeel van de kinderen van Benjamin, naar hun huisgezinnen. ### Jozua 19 1 Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel van de kinderen van Juda. 2 En zij hadden in hun erfdeel: Beer-seba, en Seba, en Molada, 3 En Hazar-sual, en Bala, en Azem, 4 En Eltholad, en Bethul, en Horma, 5 En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-suza, 6 En Beth-lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen. 7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan; vier steden en haar dorpen; 8 En al de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baälath-beer, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Simeon, naar hun huisgezinnen. 9 Het erfdeel van de kinderen van Simeon is onder het snoer van de kinderen van Juda; want het erfdeel van de kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel. 10 Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; en de grens van hun erfdeel was tot aan Sarid. 11 En hun gebied gaat omhoog naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is. 12 En zij wendt zich van Sarid naar het oosten tegen de opgang van de zon, tot de grens van Chisloth-thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat omhoog naar Jafia. 13 En vandaar gaat zij naar het oosten door naar de opgang, naar Gath-hefer, te Eth-kazin, en zij komt uit te Rimmon-methoar, dat is Nea. 14 En deze grens keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-el. 15 En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen. 16 Dit is het erfdeel van de kinderen van Zebulon, naar hun huisgezinnen; deze steden en haar dorpen. 17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen. 18 En hun gebied was Jizreëla, en Chesulloth, en Sunem, 19 En Hafaraim, en Sion, en Anacharath, 20 En Rabbith, en Kisjon, en Ebez, 21 En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-pazzez. 22 En deze grens reikt aan Thabor, en Sahazima, en Beth-semes; en de uitgangen van hun gebied zijn aan de Jordaan; zestien steden en haar dorpen. 23 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Issaschar, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. 24 Toen ging het vijfde lot voor de stam van de kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen. 25 En hun gebied was Helkath, en Hali, en Beten, en Achsaf, 26 En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel naar het westen, en aan Sichor-libnath; 27 En wendt zich tegen de opgang van de zon naar Beth-dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-el naar het noorden naar Beth-emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand; 28 En Ebron, en Rehob, en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon. 29 En deze grens wendt zich naar Rama, en tot aan de versterkte stad Tyrus; dan keert deze grens naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib, 30 En Umma, en Afek, en Rehob; twee en twintig steden en haar dorpen. 31 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Aser, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen. 32 Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Nafthali, voor de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen. 33 En hun gebied is van Helef, van Allon tot Zaanannim, en Adami-nekeb, en Jabneel, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan. 34 En deze grens wendt zich naar het westen naar Asnoth-thabor, en van daar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan tegen de opgang van de zon. 35 De versterkte steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnereth, 36 En Adama, en Rama, en Hazor, 37 En Kedes, en Edreï, en En-hazor, 38 En Jiron, en Migdal-el, Horem en Beth-anath, en Beth-semes; negentien steden en haar dorpen. 39 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Nafthali, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen. 40 Het zevende lot ging uit voor de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen. 41 En de grens van hun erfdeel was: Zora, en Esthaol, en Ir-semes, 42 En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla, 43 En Elon, en Timnatha, en Ekron, 44 En Elteke, en Gibbethon, en Baälath, 45 En Jehud, en Bene-berak, en Gath-rimmon, 46 En Me-jarkon, en Rakkon, met de grens tegenover Jafo. 47 Maar de grens van de kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom trokken de kinderen van Dan op, en streden tegen Lesem, en namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en erfden haar, en woonden daarin; en zij noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan. 48 Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Dan, naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen. 49 Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn gebied, zo gaven de Israëlieten aan Jozua, de zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen. 50 Naar de mond van JAHWEH gaven zij hem die stad, die hij begeerde, Thimnath-serah, op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad, en woonde daarin. 51 Dit zijn de erfdelen, die Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen, door het lot aan de Israëlieten erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht van JAHWEH, aan de deur van de tent van de samenkomst. Zo maakten zij een einde van het uitdelen van het land. ### Jozua 20 1 Verder sprak JAHWEH tot Jozua, zeggende: 2 Spreek tot de Israëlieten, zeggende: Geef voor u de vrijsteden, waarvan Ik met u gesproken heb door de dienst van Mozes. 3 Dat daarheen vlucht de moordenaar, die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij u zijn tot een toevlucht voor de bloedwreker. 4 Als hij vlucht tot één van die steden, zo zal hij staan aan de deur van de stadspoort, en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten van die stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone. 5 En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij de moordenaar in zijn hand niet overgeven, omdat hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat. 6 En hij zal in dezelfde stad wonen, totdat hij sta voor het aangezicht van de vergadering voor het gericht, totdat de hogepriester sterve, die in die dagen zijn zal; dan zal de moordenaar terugkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, vanwaar hij gevlucht is. 7 Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda. 8 En aan de overzijde van de Jordaan, van Jericho naar het oosten, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van de stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van de stam van Gad; en Golan in Bazan, van de stam van Manasse. 9 Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al de Israëlieten, en voor de vreemdeling, die in het midden van hen verkeert, opdat daarheen vluchte al wie een ziel slaat zonder opzet; opdat hij niet sterve door de hand van de bloedwreker, voordat hij voor het aangezicht van de vergadering gestaan zal hebben. ### Jozua 21 1 Toen naderden de familiehoofden van de Levieten tot Eleazar, de priester, en tot Jozua, de zoon van Nun, en tot de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten; 2 En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaän, zeggende: JAHWEH heeft geboden door de dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten. 3 Daarom gaven de Israëlieten aan de Levieten van hun erfdeel, naar de mond van JAHWEH, deze steden en de voorsteden daarvan. 4 Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen van de Kahathieten; en voor de kinderen van Aäron, de priester, uit de Levieten, waren van de stam van Juda, en van de stam van Simeon, en van de stam van Benjamin, door het lot, dertien steden. 5 En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van de stam van Efraïm, en van de stam van Dan, en van de halve stam van Manasse, tien steden. 6 En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de halve stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden. 7 Aan de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, twaalf steden. 8 Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden en haar voorsteden, bij het lot, zoals JAHWEH geboden had door de dienst van Mozes. 9 Verder gaven zij van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, deze steden, die men bij name noemde; 10 Dat zij waren van de kinderen van Aäron, van de huisgezinnen van de Kahathieten, uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne. 11 Zo gaven zij hun de stad van Arba, de vader van Anok (zij is Hebron), op de berg van Juda, en haar voorsteden rondom haar. 12 Maar het veld van de stad en haar dorpen, gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne, tot zijn bezitting. 13 Zo gaven zij aan de kinderen van de priester Aäron de vrijstad van de moordenaar, Hebron en haar voorsteden, en Libna en haar voorsteden; 14 En Jatthir en haar voorsteden, en Esthemoa en haar voorsteden; 15 En Holon en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden; 16 En Ain en haar voorsteden, en Jutta en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden; negen steden van deze twee stammen. 17 En van de stam van Benjamin, Gibeon en haar voorsteden, Geba en haar voorsteden; 18 Anathoth en haar voorsteden, en Almon en haar voorsteden: vier steden. 19 Al de steden van de kinderen van Aäron, de priesters, waren dertien steden en haar voorsteden. 20 De huisgezinnen nu van de kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden van hun lot van de stam van Efraïm. 21 En zij gaven hun Sichem, een vrijstad van de moordenaar, en haar voorsteden, op de berg Efraïm, en Gezer en haar voorsteden; 22 En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden: vier steden. 23 En van de stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden; 24 Ajalon en haar voorsteden, Gath-Rimmon en haar voorsteden: vier steden. 25 En van de halve stam van Manasse, Thaänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden. 26 Al de steden voor de huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath zijn tien, met haar voorsteden. 27 En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van de Levieten, van de halve stam van Manasse, de vrijstad van de moordenaar, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beesthera en haar voorsteden: twee steden. 28 En van de stam van Issaschar, Kisjon en haar voorsteden, en Dobrath en haar voorsteden; 29 Jarmuth en haar voorsteden, En-Gannim en haar voorsteden: vier steden. 30 En van de stam van Aser, Misal en haar voorsteden, Abdon en haar voorsteden; 31 En Helkath en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden: vier steden. 32 En van de stam van Nafthali, de vrijstad van de moordenaar, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden. 33 Al de steden van de Gersonieten, naar hun huisgezinnen, zijn dertien steden en haar voorsteden. 34 Aan de huisgezinnen nu van de kinderen van Merari, van de overige Levieten, werd gegeven van de stam van Zebulon, Jokneam en haar voorsteden, Kartha en haar voorsteden; 35 Dimna en haar voorsteden, Nahalal en haar voorsteden: vier steden. 36 En van de stam van Ruben, Bezer en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden; 37 Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden: vier steden. 38 Van de stam van Gad nu, de vrijstad van de moordenaar, Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden; 39 Hesbon en haar voorsteden, Jaëzer en haar voorsteden: al die steden zijn vier. 40 Al die steden waren van de kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, die nog overig waren van de huisgezinnen van de Levieten; en hun lot was twaalf steden. 41 Al de steden van de Levieten, in het midden van de erfenis van de Israëlieten, waren acht en veertig steden en haar voorsteden. 42 Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; zo was het met al die steden. 43 Zo gaf JAHWEH aan Israël het hele land, dat Hij gezworen had hun vaders te geven, en zij beërfden het, en woonden daarin. 44 En JAHWEH gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaders gezworen had; en er bestond niet één man van al hun vijanden voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf JAHWEH in hun hand. 45 Er viel niet één woord van al de goede woorden, die JAHWEH gesproken had tot het huis van Israël; het kwam allemaal. ### Jozua 22 1 Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse, 2 En hij zei tot hen: U hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht van JAHWEH, geboden heeft; en u bent mijn stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb. 3 U hebt uw broers niet verlaten nu lange tijd, tot op deze dag toe; maar u hebt waargenomen de onderhouding van de geboden van JAHWEH, uw God. 4 En nu, JAHWEH, uw God, heeft uw broers rust gegeven, zoals Hij hun toegezegd had; keer dan nu opnieuw, en gaat u naar uw tenten, naar het land van uw bezitting, dat u Mozes, de knecht van JAHWEH, gegeven heeft aan de overzijde van de Jordaan. 5 Alleen neemt ijverig waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht van JAHWEH, geboden heeft, dat u JAHWEH, uw God, liefhebt, en dat u wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat u Hem dient met uw hele hart en met uw hele ziel. 6 Zo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten. 7 Want aan de helft van de stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft daarvan gaf Jozua een erfdeel bij hun broers, aan deze zijde van de Jordaan naar het westen. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen. 8 En hij sprak tot hen, zeggende: Keer weer tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel kleren; deel de roof van uw vijanden met uw broers. 9 Zo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse opnieuw, en trokken van de Israëlieten, van Silo, dat in het land Kanaän is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land van hun bezitting, waarin zij bezitters gemaakt waren, naar de mond van JAHWEH, door de dienst van Mozes. 10 Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse daar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien. 11 En de Israëlieten hoorden zeggen: Zie, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaän, aan de grenzen van de Jordaan, aan de zijde van de Israëlieten. 12 Als de Israëlieten dit hoorden, zo verzamelde de hele gemeenschap van de Israëlieten te Silo, dat zij tegen hen optogen met een leger. 13 En de Israëlieten zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan de halve stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester; 14 En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis één vorst, uit al de stammen van Israël; en zij waren een ieder een hoofd van het huis van hun vaders over de duizenden van Israël. 15 Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de halve stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende: 16 Zo spreekt de hele gemeente van JAHWEH: Wat overtreding is dit, waarmee u overtreden hebt tegen de God van Israël, vandaag afkerende van achter JAHWEH, mits dat u een altaar voor u gebouwd hebt, om vandaag tegen JAHWEH opstandig te zijn? 17 Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, waarvan wij niet gereinigd zijn tot op deze dag, hoewel de plaag in de vergadering van JAHWEH geweest is? 18 Omdat u zich vandaag van achter JAHWEH afkeert, het zal dan gebeuren, als u vandaag opstandig bent tegen JAHWEH, zo zal Hij Zich morgen enorm vertoornen tegen de hele gemeente van Israël. 19 Maar toch, als het land van uw bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting van JAHWEH, waar de tabernakel van JAHWEH woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar wees niet opstandig tegen JAHWEH, en wees ook niet opstandig tegen ons, een altaar voor u bouwende, naast het altaar van JAHWEH, onze God. 20 Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een toorn over de hele gemeenschap van Israël? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid. 21 Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden van de duizenden van Israël: 22 De God van de goden, JAHWEH, de God van de goden, JAHWEH, Die weet het; Israël zelf zal het ook weten! Is het door opstandigheid, of is het door overtreding tegen JAHWEH, zo behoudt ons vandaag niet; 23 Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter JAHWEH af te keren, of om brandoffer en voedseloffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zo eise het JAHWEH. 24 En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt u met JAHWEH, de God van Israël, te doen? 25 JAHWEH heeft immers de Jordaan tot grens gezet tussen ons en tussen u, u, kinderen van Ruben, en u, kinderen van Gad! u hebt geen deel aan JAHWEH. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij JAHWEH niet vreesden. 26 Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer, noch ten offer. 27 Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen u, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij de dienst van JAHWEH voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandoffers, en met onze slachtoffers, en met onze dankoffers; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: U hebt geen deel aan JAHWEH. 28 Daarom zeiden wij: Wanneer het gebeurt, dat zij morgen [zo] tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Zie de gedaante van het altaar van JAHWEH, dat onze vaders gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen u. 29 Het zij verre van ons, dat wij zouden opstandig zijn tegen JAHWEH, of dat wij te deze dage ons van achter JAHWEH afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten voedseloffer, of ten slachtoffer, naast het altaar van JAHWEH, onze God, dat voor Zijn tabernakel is. 30 Toen de priester Pinehas, en de oversten van de vergadering, en de hoofden van de duizenden van Israël, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen. 31 En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Vandaag weten wij, dat JAHWEH in het midden van ons is, omdat u deze overtreding tegen JAHWEH niet begaan hebt; toen hebt u de Israëlieten verlost uit de hand van JAHWEH. 32 En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, keerde opnieuw met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanaän, tot de Israëlieten; en zij brachten hun antwoord weer; 33 Het antwoord nu was goed in de ogen van de Israëlieten, en de Israëlieten loofden God, en zeiden niet [meer] van tegen hen op te trekken met een leger, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden. 34 En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat God JAHWEH is. ### Jozua 23 1 En het gebeurde na vele dagen, nadat JAHWEH Israël rust gegeven had van al zijn vijanden rondom heen, en Jozua oud geworden [en] op dagen gekomen was; 2 Zo riep Jozua geheel Israël, hun oudsten, en hun hoofden, en hun richters, en hun voormannen, en hij zei tot hen: Ik ben oud geworden, [en] op dagen gekomen; 3 En u hebt gezien alles, wat JAHWEH, uw God, gedaan heeft aan al deze volken voor uw aangezicht; want JAHWEH, uw God, Zelf, is het, Die voor u gestreden heeft. 4 Zie, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, als erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen de ondergang van de zon. 5 En JAHWEH, uw God, Zelf zal hen uitstoten voor uw aangezicht, en Hij zal hen van voor uw aangezicht verdrijven; en u zult hun land erfelijk bezitten, zoals JAHWEH, uw God, tot u gesproken heeft. 6 Zo wees zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat u daarvan niet afwijkt ter rechter [hand] noch ter linkerhand; 7 Dat u niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij u; gedenk ook niet aan de naam van hun goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet; 8 Maar JAHWEH, uw God, zult u aanhangen, zoals u tot op deze dag gedaan hebt. 9 Want JAHWEH heeft van uw aangezicht verdreven grote en machtige volken; en wat u betreft, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan, tot op deze dag toe. 10 Één enig man onder u zal er duizend jagen; want het is JAHWEH, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, zoals Hij tot u gesproken heeft. 11 Daarom bewaart uw zielen ijverig, dat u JAHWEH, uw God, liefhebt. 12 Want zo u enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en u tot hen zult ingaan, en zij tot u; 13 Weet voorzeker, dat JAHWEH, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen u zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat u omkomt van dit goede land, dat u JAHWEH, uw God, gegeven heeft. 14 En ziet, ik ga vandaag in de weg van de hele aarde; en u weet in uw hele hart en in uw hele ziel, dat er niet één enig woord gevallen is van al die goede woorden, die JAHWEH, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is daarvan niet één enig woord gevallen. 15 En het zal gebeuren, zoals al die goede dingen over u gekomen zijn, die JAHWEH, uw God, tot u gesproken heeft, zo zal JAHWEH over u komen laten al die kwade dingen, totdat Hij u vernietige van dit goede land, dat u JAHWEH, uw God gegeven heeft. 16 Wanneer u het verbond van JAHWEH, van uw God, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en u heengaat en dient andere goden, en u daarvoor neerbuigt, zo zal de toorn van JAHWEH over u ontsteken, en u zult haastig omkomen van het goede land, dat Hij u gegeven heeft. ### Jozua 24 1 Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en zijn hoofden, en zijn richters, en zijn voormannen; en zij stelden zich voor het aangezicht van God. 2 Toen zei Jozua tot het hele volk: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend. 3 Toen nam Ik uw vader Abraham van de overzijde van de rivier, en deed hem wandelen door het hele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak. 4 En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen trokken af in Egypte. 5 Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, zoals Ik in zijn midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit. 6 Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwam u aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaders na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee. 7 Zij nu riepen tot JAHWEH, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt u vele dagen in de woestijn gewoond. 8 Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik vernietigde hen voor uw aangezicht. 9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. 10 Maar Ik wilde Bileam niet horen; daarom zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand. 11 Toen u over de Jordaan getrokken was, en te Jericho kwam, zo streden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; maar Ik gaf hen in uw hand. 12 En Ik zond horzels voor u heen; die dreven hen weg van uw aangezicht, [zoals] de beide koningen van de Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog. 13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan u niet gewerkt hebt, en steden, die u niet gebouwd hebt, en u woont daarin; u eet van de wijngaarden en olijfbomen, die u niet geplant hebt. 14 En nu, vreest JAHWEH, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan de overzijde van de rivier, en in Egypte; en dient JAHWEH. 15 Maar zo het kwaad is in uw ogen JAHWEH te dienen, kiest u vandaag, wie u dienen zult; hetzij de goden, die uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont; maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen JAHWEH dienen! 16 Toen antwoordde het volk en zei: Het zij verre van ons, dat wij JAHWEH verlaten zouden, om andere goden te dienen. 17 Want JAHWEH is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaders uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op de hele weg, waardoor wij getrokken zijn, en onder alle volken, door wier midden wij getrokken zijn. 18 En JAHWEH heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amoriet, inwoner van het land. Wij zullen ook JAHWEH dienen, want Hij is onze God. 19 Toen zei Jozua tot het volk: U zult JAHWEH niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een jaloers God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven. 20 Als u JAHWEH verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben. 21 Toen zei het volk tot Jozua: Nee, maar wij zullen JAHWEH dienen. 22 Jozua nu zei tot het volk: U bent getuigen over uzelf, dat u zich JAHWEH gekozen hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen. 23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot JAHWEH, de God van Israël. 24 En het volk zei tot Jozua: Wij zullen JAHWEH, onze God, dienen, en wij zullen Zijn stem gehoorzamen. 25 Zo maakte Jozua op die dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem. 26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom van JAHWEH was. 27 En Jozua zei tot het hele volk: Zie, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van JAHWEH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God niet liegt. 28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel. 29 En het gebeurde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht van JAHWEH, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren. 30 En zij begroeven hem in het gebied van zijn erfdeel, te Timnath-serah, die is op een berg van Efraïm, aan het noorden van de berg Gaas. 31 Israël nu diende JAHWEH al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk van JAHWEH wisten, dat Hij aan Israël gedaan had. 32 Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden. 33 Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op de heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm. ## Richteren ### Richteren 1 1 En het gebeurde na de dood van Jozua, dat de Israëlieten JAHWEH vroegen, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaänieten, om tegen hen te strijden? 2 En JAHWEH zei: Juda zal optrekken, zie, Ik heb dat land in zijn hand gegeven. 3 Toen zei Juda tot zijn broer Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänievoor de oorlogn, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Zo trok Simeon op met hem. 4 En Juda trok op, en JAHWEH gaf de Kanaänieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man. 5 En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaänieten en de Ferezieten. 6 Maar Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen van zijn handen en van zijn voeten af. 7 Toen zei Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oprapende; zoals ik gedaan heb, zo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf daar. 8 Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. 9 En daarna waren de kinderen van Juda afgetrokken, om te strijden tegen de Kanaänieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. 10 En Juda was heengetrokken tegen de Kanaänieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai. 11 En van daar was hij heengetrokken tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was tevoren Kirjath-Sefer. 12 En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven. 13 Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw. 14 En het gebeurde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen zei Kaleb tot haar: Wat is u? 15 En zij zei tot hem: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook bronnen. Toen gaf Kaleb haar hoge bronnen en lage bronnen. 16 De kinderen van de Keniet, de schoonvader van Mozes, trokken ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. 17 Juda dan trok met zijn broer Simeon, en zij sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde de naam van deze stad Horma. 18 Daartoe nam Juda Gaza in, met haar gebied, en Askelon met haar gebied, en Ekron met haar gebied. 19 En JAHWEH was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners van het dal te verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden. 20 En zij gaven Hebron aan Kaleb, zoals Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak. 21 Maar de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag. 22 En het huis van Jozef trok ook op naar Beth-El. En JAHWEH was met hen. 23 En het huis van Jozef bestelde spionnen bij Beth-El; de naam nu van deze stad was tevoren Luz. 24 En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch de ingang van de stad, en wij zullen goedertierenheid bij u doen. 25 En als hij hun de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte van het zwaard; maar die man en zijn hele huis lieten zij gaan. 26 Toen trok deze man in het land van de Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op deze dag. 27 En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar bijbehorende plaatsen, noch Thaänach met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar bijbehorende plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar bijbehorende plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelfde land. 28 En het gebeurde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op belasting stelde; maar hij verdreef hen niet geheel. 29 Ook verdreef Efraïm de Kanaänieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem te Gezer. 30 Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem, en waren schatplichtig. 31 Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; 32 Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet. 33 Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden van de Kanaänieten, die in het land woonden; maar de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun schatplichtig. 34 En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal. 35 Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij schatplichtig werden. 36 En het gebied van de Amorieten was van de opgang van Akrabbim, van de rotssteen, en omhoog heen. ### Richteren 2 1 En een Engel van JAHWEH kwam omhoog van Gilgal tot Bochim, en Hij zei: Ik heb u uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaders gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken in eeuwigheid. 2 En wat u betreft, u zult geen verbond maken met de inwoners van dit land; hun altaren zult u afbreken. Maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt u dit gedaan? 3 Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn. 4 En het gebeurde, als de Engel van JAHWEH deze woorden tot alle Israëlieten gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en huilde. 5 Daarom noemden zij de naam van die plaats Bochim; en zij offerden daar aan JAHWEH. 6 Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de Israëlieten heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten. 7 En het volk diende JAHWEH, al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk van JAHWEH, dat Hij aan Israël gedaan had. 8 Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht van JAHWEH, gestorven was, honderd en tien jaar oud zijnde; 9 En zij hem begraven hadden in het gebied van zijn erfdeel, te Timnath-heres, op een berg van Efraïm, tegen het noorden van de berg Gaas; 10 En al dat geslacht ook tot zijn vaders verzameld was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat JAHWEH niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had. 11 Toen deden de Israëlieten, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en zij dienden de Baäls. 12 En zij verlieten JAHWEH, de God van hun vaders, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden van de volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten JAHWEH tot toorn. 13 Want zij verlieten JAHWEH, en dienden de Baäl en Astharoth. 14 Zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van de rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand van hun vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van hun vijanden. 15 Overal, waarheen zij uittrokken, was de hand van JAHWEH tegen hen, ten kwade, zoals JAHWEH gesproken, en zoals JAHWEH gezworen had; en hun was zeer bang. 16 En JAHWEH verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand van degenen, die hen beroofden; 17 Maar zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van de weg, die hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden van JAHWEH; zo deden zij niet. 18 En wanneer JAHWEH hun richteren verwekte, zo was JAHWEH met de richter, en verloste hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter; want het berouwde JAHWEH, om hun zuchten vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten. 19 Maar het gebeurde met het versterven van de richter, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaders, navolgende andere goden, die dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van deze hun harde weg. 20 Daarom ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël, dat Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaders geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben; 21 Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf; 22 Opdat Ik Israël door hen verzoeke, of zij de weg van JAHWEH zullen houden, om daarin te wandelen, zoals hun vaders gehouden hebben, of niet. 23 Zo liet JAHWEH deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastig uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven. ### Richteren 3 1 Dit nu zijn de heidenen, die JAHWEH liet blijven, om door hen Israël te verzoeken, allen, die niet wisten van al de oorlogen van Kanaän; 2 Alleen, opdat de geslachten van de Israëlieten die wisten, opdat Hij hun de oorlog leerde, tenminste van hen, die daar tevoren niet van wisten. 3 Vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, en de Sidoniërs, en de Hevieten, wonende in het gebergte van de Libanon, van de berg Baäl-hermon, tot daar men komt te Hamath. 4 Deze dan waren, om Israël door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden van JAHWEH zouden horen, die Hij hun vaders door de hand van Mozes geboden had. 5 Als nu de Israëlieten woonden in het midden van de Kanaänieten, van de Hethieten, en van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Hevieten, en van de Jebusieten; 6 Zo namen zij zich hun dochters tot vrouwen, en gaven hun eigen dochters aan hun zonen; en zij dienden hun goden. 7 En de Israëlieten deden, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en vergaten JAHWEH, hun God, en zij dienden de Baäls en de bossen. 8 Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamië; en de Israëlieten dienden Cuschan Rischataim acht jaren. 9 Zo riepen de Israëlieten tot JAHWEH; en JAHWEH verwekte de Israëlieten een verlosser, die hen verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broer van Kaleb, die jonger was dan hij. 10 En de Geest van JAHWEH was over hem, en hij richtte Israël, en trok uit ten strijde; en JAHWEH gaf Cuschan Rischataim, de koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim. 11 Toen was het land veertig jaren stil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf. 12 Maar de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; toen sterkte JAHWEH Eglon, de koning van de Moabieten, tegen Israël, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 13 En hij verzamelde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij trok heen, en sloeg Israël, en zij namen de Palmstad in bezit. 14 En de Israëlieten dienden Eglon, koning van de Moabieten, achttien jaren. 15 Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH, en JAHWEH verwekte hun een verlosser, Ehud, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de Israëlieten zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, de koning van de Moabieten. 16 En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, waarvan de lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn kleren, aan zijn rechterheup. 17 En hij bracht aan Eglon, de koning van de Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man. 18 En het gebeurde, als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden; 19 Maar hij zelf keerde opnieuw van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zei: Ik heb een geheime zaak aan u, o koning! die zei: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit. 20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zei Ehud: Ik heb een woord van God aan u. Toen stond hij op van de stoel. 21 Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik; 22 Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de mest uitging. 23 Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren van de opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot. 24 Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren van de opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer. 25 Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren van de opperzaal niet. Toen namen zij de sleutel en deden open; en zie, hun heer lag ter aarde dood. 26 En Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath. 27 En het gebeurde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraïm; en de Israëlieten trokken met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen. 28 En hij zei tot hen: Volg mij na; want JAHWEH heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij trokken af, hem na, en namen de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan. 29 En zij sloegen de Moabieten in die tijd, ongeveer tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet één man ontkwam. 30 Zo werd Moab op die dag onder Israëls hand ten onder gebracht; en het land was stil tachtig jaren. 31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; zo verloste hij ook Israël. ### Richteren 4 1 Maar de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, als Ehud gestorven was. 2 Zo verkocht hen JAHWEH in de hand van Jabin, koning van de Kanaänieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; die nu woonde in Haroseth van de heidenen. 3 Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de Israëlieten met geweld onderdrukt, twintig jaren. 4 Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël. 5 En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-el, op het gebergte van Efraïm; en de Israëlieten gingen op tot haar ten gerichte. 6 En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, van Kedes-nafthali; en zij zei tot hem: Heeft JAHWEH, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op de berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon? 7 En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, de oorlogsoverste van Jabin, met zijn wagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven? 8 Toen zei Barak tot haar: Als u met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar als u niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken. 9 En zij zei: Ik zal zeker met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn op deze weg, die u wandelt; want JAHWEH zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw. Zo maakte Debora zich op, en trok met Barak naar Kedes. 10 Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij trok op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook trok Debora met hem op. 11 Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kaïn, uit de kinderen van Hobab, Mozes' schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan de eik in Zaanaim, die bij Kedes is. 12 Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, op de berg Thabor getrokken was. 13 Zo riep Sisera al zijn wagens bijeen, negenhonderd ijzeren wagens, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth van de heidenen tot de beek Kison. 14 Debora dan zei tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, waarop JAHWEH Sisera in uw hand gegeven heeft; is JAHWEH niet voor uw aangezicht heen uitgetrokken? Zo trok Barak van de berg Thabor af, en tien duizend man achter hem. 15 En JAHWEH versloeg Sisera, met al zijn wagens, en het hele leger, door de scherpte van het zwaard, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van de wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten. 16 En Barak jaagde ze na, achter de wagens en achter het leger, tot aan Haroseth van de heidenen. En het hele leger van Sisera viel door de scherpte van het zwaard, dat er niet overbleef tot één toe. 17 Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; want er was vrede tussen Jabin, de koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, de Keniet. 18 Jaël nu ging uit, Sisera tegemoet, en zei tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken. 19 Daarna zei hij tot haar: Geef mij toch een beetje water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe. 20 Ook zei hij tot haar: Sta in de deur van de tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat u zegt: Niemand. 21 Daarna nam Jaël, de huisvrouw van Heber, een nagel van de tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef de nagel in de slaap van zijn hoofd, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepe slaap bevangen en vermoeid, en stierf. 22 En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jaël ging uit hem tegemoet, en zei tot hem: Kom, en ik zal u de man wijzen, die u zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in de slaap van zijn hoofd. 23 Zo heeft God op die dag Jabin, de koning van Kanaän, ten onder gebracht, voor het aangezicht van de Israëlieten. 24 En de hand van de Israëlieten ging steeds voort, en werd hard over Jabin, de koning van Kanaän, totdat zij Jabin, de koning van Kanaän, hadden uitgeroeid. ### Richteren 5 1 Verder zong Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, op dezelfde dag, zeggende: 2 Loof JAHWEH, van het wreken van de wraken in Israël, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden. 3 Hoor, u koningen, neem ter ore, u vorsten! Ik, voor JAHWEH zal ik zingen, ik zal JAHWEH, de God van Israël, psalmzingen. 4 JAHWEH! toen U voorttrok van Seïr, toen U daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. 5 De bergen vloeiden weg van het aangezicht van JAHWEH; zelfs Sinaï van het aangezicht van JAHWEH, van de God van Israël. 6 In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen. 7 De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israël. 8 Verkoos hij nieuwe goden, dan was er strijd in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een speer, onder veertig duizend in Israël? 9 Mijn hart is tot wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; loof JAHWEH! 10 U, die op witte ezelinnen rijdt, u, die aan het gerichte zit, en u, die over weg wandelt, spreekt er van! 11 Van het geluid van de schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt daar samen van de gerechtigheid van JAHWEH, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israël; toen ging het volk van JAHWEH af tot de poorten. 12 Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, u zoon van Abinoam. 13 Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; JAHWEH doet mij heersen over de geweldigen. 14 Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetrokken, en uit Zebulon, trekkende door de staf van de schrijver. 15 Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en zoals Issaschar, zo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen van het hart groot. 16 Waarom bleeft u zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat van de kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen van het hart. 17 Gilead bleef aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen. 18 Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, ook Nafthali, op de hoogten van het veld. 19 De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen winst van het zilver daarvan. 20 Van de hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera. 21 De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken. 22 Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen van zijn machtigen. 23 Vloek Meroz, zegt de Engel van JAHWEH, vloekt haar inwoners steeds; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp van JAHWEH, tot de hulp van JAHWEH, met de helden. 24 Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, de huisvrouw van Heber, de Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent! 25 Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter. 26 Haar hand sloeg zij aan de nagel, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doorgenageld en doorgedrongen. 27 Tussen haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neer; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden! 28 De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de traliën: Waarom wacht zijn wagen te komen! Waarom blijven de gangen van zijn wagens achter? 29 Haar meest wijze vorstinnen antwoordden haar; ook beantwoordde zij zichzelf: 30 Zouden zij dan de buit niet vinden en delen? een liefje, of twee liefjes, voor iedere man? Voor Sisera een buit van verscheidene kleuren, een buit van verscheidene kleuren, gestikt; van verscheiden kleur aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen? 31 Zo moeten omkomen al Uw vijanden, o JAHWEH! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren. ### Richteren 6 1 Maar de Israëlieten deden, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; zo gaf hen JAHWEH in de hand van de Midianieten, zeven jaren. 2 Als nu de hand van de Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de Israëlieten, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de grotten, en de vestingen. 3 Want het gebeurde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. 4 En zij sloegen hun kamp op tegen hen, en verdierven de opkomst van het land, tot daar u komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel. 5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen zoals de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kamelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. 6 Zo werd Israël zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH. 7 En het gebeurde, als de Israëlieten tot JAHWEH riepen, vanwege de Midianieten; 8 Zo zond JAHWEH een man, die een profeet was, tot de Israëlieten; die zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd; 9 En Ik heb u verlost van de hand van de Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven; 10 En Ik zei tot u: Ik ben JAHWEH, uw God; vrees de goden van de Amorieten niet, in wier land u woont; maar u bent Mijn stem niet gehoorzaam geweest. 11 Toen kwam een Engel van JAHWEH, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, die aan Joas, de Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht van de Midianieten. 12 Toen verscheen hem de Engel van JAHWEH, en zei tot hem: JAHWEH is met u, u, strijdbare held! 13 Maar Gideon zei tot Hem: Och, mijn Heer! zo JAHWEH met ons is, waarom is ons dan dit alles overkomen? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons JAHWEH niet uit Egypte opgevoerd? Maar nu heeft ons JAHWEH verlaten, en heeft ons in de hand van de Midianieten gegeven. 14 Toen keerde zich JAHWEH tot hem, en zei: Ga heen in deze uw kracht, en u zult Israël uit de hand van de Midianieten verlossen; heb Ik u niet gezonden? 15 En hij zei tot Hem: Och, mijn Heer! waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in het huis van mijn vader. 16 En JAHWEH zei tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult u de Midianieten slaan, als één enige man. 17 En hij zei tot Hem: Als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat U het bent, Die met mij spreekt. 18 Wijk toch niet van hier, voordat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zei: Ik zal blijven, totdat u terugkomt. 19 En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meel; het vlees legde hij in een mand, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder de eik, en zette het neer. 20 Maar de Engel van God zei tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op die rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed zo. 21 En de Engel van JAHWEH stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel van JAHWEH verdween uit zijn ogen. 22 Toen zag Gideon, dat het een Engel van JAHWEH was; en Gideon zei: Ach, Heere, JAHWEH! daarom, omdat ik een Engel van JAHWEH gezien heb van aangezicht tot aangezicht. 23 Maar JAHWEH zei tot hem: Vrede zij u, vrees niet, u zult niet sterven. 24 Toen bouwde Gideon daar JAHWEH een altaar, en noemde het: JAHWEH is vrede! het is nog tot op deze dag in Ofra van de Abi-ezrieten. 25 En het gebeurde in die nacht, dat JAHWEH tot hem zei: Neem een stier van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, de tweede stier, van zeven jaren; en breek af het altaar van Baäl, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is. 26 En bouw JAHWEH, uw God, een altaar, op de hoogte van deze vesting, in een bekwame plaats; en neem de tweede stier, en offer een brandoffer met het hout van de haag, die u zult hebben afgehouwen. 27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, zoals JAHWEH tot hem gesproken had. Maar het gebeurde, omdat hij het huis van zijn vader en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht. 28 Als nu de mannen van die stad 's morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Baäl omgeworpen, en de haag, die daarbij was, afgehouwen, en die tweede stier was op het gebouwde altaar geofferd. 29 Zo zeiden zij, de één tot de ander: Wie heeft dit gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zei men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan. 30 Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft. 31 Joas daarentegen zei tot allen, die bij hem stonden: Zult u voor de Baäl twisten; zult u hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog deze morgen gedood worden! Als hij een god is, hij twiste voor zichzelf, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen. 32 Daarom noemde hij hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen. 33 Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en sloegen hun kamp op in het dal van Jizreël. 34 Toen trok de Geest van JAHWEH Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen. 35 Ook zond hij boden in geheel Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; evenzo zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet. 36 En Gideon zei tot God: Als U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt; 37 Zie, ik zal een wollen vlies op de vloer leggen; als er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de hele aarde, zo zal ik weten, dat U Israël door mijn hand zult verlossen, zoals U gesproken hebt. 38 En het gebeurde zo; want hij stond op de andere dag vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong de dauw uit het vlies, een schaal vol water. 39 En Gideon zei tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleen ditmaal spreke; laat mij toch alleen ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de hele aarde zij dauw. 40 En God deed zo in die nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de hele aarde was dauw. ### Richteren 7 1 Toen stond Jerubbaäl (die is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij sloegen hun kamp op aan de fontein van Harod; dat hij het leger van de Midianieten had tegen het noorden, achter de heuvel More, in het dal. 2 En JAHWEH zei tot Gideon: Het volk is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost. 3 Nu dan, roep nu uit voor de oren van het volk, zeggende: Wie bevreesd is en beeft, die kere weer, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weer twee en twintig duizend, dat er tien duizend overbleven. 4 En JAHWEH zei tot Gideon: Nog is het volk te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u daar beproeven; en het zal gebeuren, van wie Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van wie Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken. 5 En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zei JAHWEH tot Gideon: Al wie met zijn tong uit het water zal likken, zoals een hond zou likken, die zult u alleen stellen; evenzo al wie op zijn knieën zal bukken om te drinken. 6 Toen was het getal van degenen, die met hun hand tot hun mond gelikt hadden, driehonderd man; maar alle overigen van het volk hadden op hun knieën gebukt, om water te drinken. 7 En JAHWEH zei tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelikt hebben, zal Ik u verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats. 8 En het volk nam de proviant in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israël gaan, ieder naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het leger van de Midianieten beneden in het dal. 9 En het gebeurde in die nacht, dat JAHWEH tot hem zei: Sta op, ga heen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven. 10 Vrees u dan nog af te gaan, zo ga af, u, en Pura, uw jongen, naar het leger. 11 En u zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat u aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste van de schildwachten, die in het leger waren. 12 En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, zoals sprinkhanen in menigte, en hun kamelen waren ontelbaar, zoals het zand, dat aan de oever van de zee is, in menigte. 13 Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zei: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroosterd gerstebrood wentelde zich in het leger van de Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag. 14 En zijn metgezel antwoordde, en zei: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israëlietische man; God heeft de Midianieten en dit hele leger in zijn hand gegeven. 15 En het gebeurde, als Gideon de vertelling van deze droom, en zijn uitlegging hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde weer tot het leger van Israël, en zei: Maak u op, want JAHWEH heeft het leger van de Midianieten in uw hand gegeven. 16 En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf ieder een bazuin in zijn hand, en lege kruiken, en fakkelen in het midden van de kruiken. 17 En hij zei tot hen: Zie naar mij en doet zo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste van de leger, zo zal het gebeuren, zoals ik zal doen, zo zult u doen. 18 Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult u ook met de bazuin blazen, rondom het hele leger, en u zult zeggen: Voor JAHWEH en voor Gideon! 19 Zo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste van de leger, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken. 20 Zo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van JAHWEH, en van Gideon! 21 En zij stonden, ieder in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het hele leger, en zij schreeuwden en vluchtten. 22 Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette JAHWEH het zwaard van de één tegen de anderen, en dat in het hele leger; en het leger vluchtte tot Beth-sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-mehola, boven Tabbath. 23 Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit geheel Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna. 24 Ook zond Gideon boden in het hele gebergte van Efraïm, zeggende: Kom af de Midianieten tegemoet, en beneemt hun de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; zo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. 25 En zij vingen twee vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, en doodden Oreb op de rotssteen Oreb, en Zeëb doodden zij in de perskuip van Zeëb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon, over de Jordaan. ### Richteren 8 1 Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat is dit, dat u ons gedaan hebt, dat u ons niet riept, toen u heentrok om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. 2 Hij daarentegen zei tot hen: Wat heb ik nu gedaan, zoals u; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? 3 God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, zoals u? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. 4 Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe, toch vervolgende. 5 En hij zei tot de mensen van Sukkoth: Geef toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen van de Midianieten, achterna. 6 Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw leger brood zouden geven? 7 Toen zei Gideon: Daarom, als JAHWEH Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen van de woestijn, en met distelen. 8 En hij trok van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen evenzo. En de mensen van Pnuël antwoordden hem, zoals de mensen van Sukkoth geantwoord hadden. 9 Daarom sprak hij ook tot de mensen van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede terugkome, zal ik deze toren afwerpen. 10 Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, ongeveer vijftien duizend, al de overgeblevenen van het hele leger van de kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. 11 En Gideon trok omhoog, de weg van degenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. 12 En Zebah en Tsalmuna vluchtten; maar hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het hele leger. 13 Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van de strijd terugkwam, voor de opgang van de zon, 14 Zo ving hij een jongen van de mensen te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. 15 Toen kwam hij tot de mensen van Sukkoth, en zei: Zie daar Zebah en Tsalmuna, om wie u mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna al in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moe zijn, brood zouden geven? 16 En hij nam de oudsten van die stad, en doornen van de woestijn, en distelen, en deed het de mensen van Sukkoth daardoor verstaan. 17 En de toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de mensen van de stad. 18 Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die u te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Zoals u, zo waren zij, dezelfde, van gedaante als koningszonen. 19 Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder; zo werkelijk als JAHWEH leeft, zo u hen had laten leven, ik zou u niet doden! 20 En hij zei tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was. 21 Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta u op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren. 22 Toen zeiden de mannen van Israël tot Gideon: Heers over ons, zo u als uw zoon en de zoon van uw zoon, omdat u ons van de hand van de Midianieten verlost hebt. 23 Maar Gideon zei tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; JAHWEH zal over u heersen. 24 Verder zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geef mij maar ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, omdat zij Ismaëlieten waren. 25 En zij zeiden: Wij zullen ze graag geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop ieder een voorhoofdsiersel van zijn roof. 26 En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkels goud, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen van hun kamelen geweest waren. 27 En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en geheel Israël hoereerde daar die na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. 28 Zo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. 29 En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging heen en woonde in zijn huis. 30 Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heup voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. 31 En zijn bijvrouw, dat te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. 32 En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, van de Abi-ezriet. 33 En het gebeurde, als Gideon gestorven was, dat de Israëlieten zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God. 34 En de Israëlieten dachten niet aan JAHWEH, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. 35 En zij deden geen goedertierenheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had. ### Richteren 9 1 Abimelech nu, de zoon van Jerubbaäl, ging heen naar Sichem, tot de broers van zijn moeder; en hij sprak tot hen, en tot het hele geslacht van het huis van de vader van zijn moeder, zeggende: 2 Spreek toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerse? Gedenk ook, dat ik uw been en uw vlees ben. 3 Toen spraken de broers van zijn moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al die woorden; en hun hart neigde zich naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broer. 4 En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmee ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden. 5 En hij kwam in het huis van zijn vader te Ofra, en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, zeventig mannen, op één steen; maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl werd overgelaten, want hij had zich verstopt. 6 Toen verzamelden zich alle burgers van Sichem, en het hele huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech tot koning, bij de hoge eik, die bij Sichem is. 7 Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte van de berg Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zei tot hen: Hoor naar mij, u, burgers van Sichem! en God zal naar u horen. 8 De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Wees u koning over ons. 9 Maar de olijfboom zei tot hen: Zou ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? 10 Toen zeiden de bomen tot de vijgeboom: Kom u, wees koning over ons. 11 Maar de vijgeboom zei tot hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? 12 Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom u, wees koning over ons. 13 Maar de wijnstok zei tot hen: Zou ik mijn nieuwe wijn verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen? 14 Toen zeiden al de bomen tot de doornenbos: Kom u, wees koning over ons. 15 En de doornenbos zei tot de bomen: Als u mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar als niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon. 16 Zo nu, als u het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat u Abimelech koning gemaakt hebt, en als u welgedaan hebt bij Jerubbaäl en bij zijn huis, en als u hem naar de verdienste van zijn handen gedaan hebt. 17 (Want mijn vader heeft voor u gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit de hand van de Midianieten gered; 18 Maar u bent vandaag opgestaan tegen het huis van mijn vader, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één steen gedood; en u hebt Abimelech, een zoon van zijn dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is); 19 Als u dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbaäl en bij zijn huis te deze dage gehandeld hebt, zo wees vrolijk over Abimelech, en hij zij ook vrolijk over u. 20 Maar als niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech! 21 Toen vluchtte Jotham, en vluchtte, en ging naar Beer; en hij woonde daar vanwege zijn broer Abimelech. 22 Als nu Abimelech drie jaar over Israël geheerst had, 23 Zo zond God een boze geest tussen Abimelech en tussen de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech; 24 Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd werd op Abimelech, hun broer, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broers te doden. 25 En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten van de bergen hinderlagen legden, en al wie voorbij hen op de weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd. 26 Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broers, en zij gingen over in Sichem; en de burgers van Sichem verlieten zich op hem. 27 En zij trokken uit in het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis van hun god, en aten en dronken, en vloekten Abimelech. 28 En Gaäl, de zoon van Ebed, zei: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? is hij niet een zoon van Jerubbaäl? en Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen van Hemor, de vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen? 29 Och, dat dit volk in mijn hand was! ik zou Abimelech wel verdrijven. En tot Abimelech zei hij: Vermeerder uw leger, en trek uit. 30 Als Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn. 31 En hij zond listig boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers zijn te Sichem gekomen, en zie, zij, met deze stad, handelen vijandig tegen u. 32 Zo maak u nu op bij nacht, u en het volk, dat met u is, en leg hinderlagen in het veld. 33 En het gebeure in de morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, zoals uw hand vinden zal. 34 Abimelech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij legden hinderlagen op Sichem, met vier groepen. 35 En Gaäl, de zoon van Ebed, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimelech rees op, en al het volk, dat met hem was, uit de achterlage. 36 Als Gaäl dat volk zag, zo zei hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten van de bergen. Zebul daarentegen zei tot hem: U ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan. 37 Maar Gaäl voer verder voort te spreken en zei: Zie daar volk, afkomende uit het midden van het land, en één hoop komt van de weg van de eik Meonenim. 38 Toen zei Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmee u zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat u veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem! 39 En Gaäl trok uit voor het aangezicht van de burgers van Sichem, en hij streed tegen Abimelech. 40 En Abimelech jaagde hem na, want hij vluchtte voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur van de stadspoort. 41 Abimelech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gaäl en zijn broers, dat zij te Sichem niet mochten wonen. 42 En het gebeurde op de andere dag dat het volk uittrok in het veld, en zij zeiden het Abimelech aan. 43 Toen nam hij het volk, en deelde hen in drie hopen, en hij legde hinderlagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en sloeg hen. 44 Want Abimelech en de hopen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur van de stadspoort; en de twee andere hopen overvielen allen, die in het veld waren, en sloegen hen. 45 Verder streed Abimelech tegen de stad die hele dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout. 46 Als alle burgers van de toren van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de vesting, in het huis van de god Berith. 47 En het werd Abimelech aangezegd, dat alle burgers van de toren van Sichem zich verzameld hadden. 48 Zo ging Abimelech op de berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zei tot het volk, dat bij hem was: Wat u mij hebt zien doen, haast u, doet als ik. 49 Zo hieuw ook al het volk ieder zijn tak af, en zij volgden Abimelech na, en legden ze aan de vesting, en verbrandden daardoor de vesting met vuur; dat ook alle mensen van de toren van Sichem stierven, ongeveer duizend mannen en vrouwen. 50 Verder trok Abimelech naar Thebez, en hij sloeg zijn kamp op tegen Thebez, en nam haar in. 51 Maar er was een sterke toren in het midden van de stad; zo vluchtten daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak van de toren. 52 Toen kwam Abimelech tot aan de toren, en bestormde die; en hij naderde tot aan de deur van de toren, om die met vuur te verbranden. 53 Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan. 54 Toen riep hij haastig de jongen, die zijn wapenen droeg, en zei tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf. 55 Als nu de mannen van Israël zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij ieder naar zijn plaats. 56 Zo deed God terugkeren het kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broers. 57 Evenzo al het kwaad van de mensen van Sichem deed God terugkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen. ### Richteren 10 1 Na Abimelech nu stond op, om Israël te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraïm. 2 En hij richtte Israël drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir. 3 En na hem stond op Jaïr, de Gileadiet; en hij richtte Israël twee en twintig jaren. 4 En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-jair, tot op deze dag, die in het land van Gilead zijn. 5 En Jaïr stierf, en werd begraven te Kamon. 6 Toen voeren de Israëlieten voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en dienden de Baäls, en Astharoth, en de goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden van de kinderen Ammons, en ook de goden van de Filistijnen; en zij verlieten JAHWEH, en dienden Hem niet. 7 Zo ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël; en Hij verkocht hen in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de kinderen Ammons. 8 En zij onderdrukten en vertraden de Israëlieten in dat jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de Israëlieten, die aan de overzijde van de Jordaan waren, in het land van de Amorieten, dat in Gilead is. 9 Daartoe trokken de kinderen Ammons over de Jordaan, om te strijden, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraïm; zodat het Israël zeer bang werd. 10 Toen riepen de Israëlieten tot JAHWEH, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben. 11 Maar JAHWEH zei tot de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, 12 En de Sidoniërs, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen u tot Mij riept, dan uit hun hand verlost? 13 Toch hebt u Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen. 14 Ga heen, roept tot de goden, die u gekozen hebt; laten die u verlossen, in de tijd van uw benauwdheid. 15 Maar de Israëlieten zeiden tot JAHWEH: Wij hebben gezondigd; doe U ons, naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleen verlos ons toch te deze dage! 16 En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden JAHWEH. Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël. 17 En de kinderen van Ammon werden bijeengeroepen, en sloegen hun kamp op in Gilead; daarentegen werden de Israëlieten verzameld, en sloegen hun kamp op te Mizpa. 18 Toen zei het volk, de oversten van Gilead, de één tot de ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead. ### Richteren 11 1 Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerenkind; maar Gilead had Jeftha gegenereerd. 2 Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen van deze vrouw, groot geworden zijnde, verstootten Jeftha uit, en zeiden tot hem: U zult in het huis van onze vader niet erven, want u bent een zoon van een andere vrouw. 3 Toen vluchtte Jeftha voor het aangezicht van zijn broers, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen verzamelden zich tot Jeftha, en trokken met hem uit. 4 En het gebeurde, na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen Israël streden. 5 Zo gebeurde het, als de kinderen Ammons tegen Israël streden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob. 6 En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons. 7 Maar Jeftha zei tot de oudsten van Gilead: Hebt u mij niet gehaat, en mij uit mijn vaders huis verstoten? waarom bent u dan nu tot mij gekomen, terwijl u in benauwdheid bent? 8 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u teruggekomen, dat u met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en u zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead. 9 Toen zei Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo u mij terughaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en JAHWEH hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn? 10 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: JAHWEH zij toehoorder tussen ons, als wij niet zo naar uw woord doen. 11 Zo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht van JAHWEH te Mizpa. 12 Verder zond Jeftha boden tot de koning van de kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en u met elkaar te doen, dat u tot mij gekomen bent, om tegen mijn land te strijden? 13 En de koning van de kinderen Ammons zei tot de boden van Jeftha: Omdat Israël, als hij uit Egypte optrok, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weer met vrede. 14 Maar Jeftha voer verder voort, en zond boden tot de koning van de kinderen Ammons. 15 En hij zei tot hem: Zo zegt Jeftha: Israël heeft het land van de Moabieten, en het land van de kinderen Ammons niet genomen; 16 Want als zij uit Egypte optrokken, zo wandelde Israël door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades. 17 En Israël zond boden tot de koning van de Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning van de Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning van de Moabieten, die ook niet wilde. Zo bleef Israël in Kades. 18 Daarna wandelde hij in de woestijn, en trok om het land van de Edomieten en het land van de Moabieten, en kwam van de opgang van de zon aan het land van de Moabieten, en zij sloegen hun kamp op aan de overzijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen het gebied van de Moabieten; want de Arnon is het gebied van de Moabieten. 19 Maar Israël zond boden tot Sihon, de koning van de Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zei tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats. 20 Maar Sihon betrouwde Israël niet door zijn gebied door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij sloegen hun kamp op te Jaza; en hij streed tegen Israël. 21 En JAHWEH, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israël, dat zij hen sloegen; zo nam Israël erfelijk in het hele land van de Amorieten, die in dat land woonden. 22 En zij namen erfelijk in het gehele gebied van de Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan. 23 Zo heeft nu JAHWEH, de God van Israël, de Amorieten voor het aangezicht van Zijn volk Israël uit de bezitting verdreven; en zou u hun erfgenaam zijn? 24 Zou u niet degene erven, die uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Zo zullen wij al degene erven, die JAHWEH, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft. 25 Nu verder, bent u veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten? heeft hij ooit met Israël getwist? heeft hij ook ooit tegen hem gestreden? 26 Terwijl Israël driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stadjes, en in Aroër en in de stadjes, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt u het dan in die tijd niet gered? 27 Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar u doet kwalijk bij mij, dat u tegen mij strijdt; JAHWEH, Die Rechter is, richte vandaag tussen de Israëlieten en tussen de kinderen Ammons! 28 Maar de koning van de kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had. 29 Toen kwam de Geest van JAHWEH op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons. 30 En Jeftha beloofde JAHWEH een gelofte, en zei: Als U de kinderen Ammons geheel in mijn hand zult geven; 31 Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons terugkom, dat zal van JAHWEH zijn, en ik zal het offeren als brandoffer. 32 Zo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en JAHWEH gaf hen in zijn hand. 33 En hij sloeg hen van Aroër af tot daar u komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-Keramim, met een zeer grote slag. Zo werden de kinderen Ammons ten onder gebracht voor het aangezicht van de Israëlieten. 34 Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter. 35 En het gebeurde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn kleren, en zei: Ach, mijn dochter! u hebt mij geheel neergebogen, en u bent onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot JAHWEH, en ik zal niet kunnen teruggaan. 36 En zij zei tot hem: Mijn vader! heb u uw mond opengedaan tot JAHWEH, doe mij, zoals uit uw mond gegaan is; aangezien JAHWEH u volkomen wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons. 37 Verder zei zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij gebeuren: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga af tot de bergen, en bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen. 38 En hij zei: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar vriendinnen, en beweende haar maagdom op de bergen. 39 En het gebeurde na verloop van twee maanden dat zij tot haar vader terugkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Verder werd het een gewoonte in Israël, 40 Dat de dochters van Israël van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar. ### Richteren 12 1 Toen werden de mannen van Efraïm bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom bent u doorgetrokken om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden. 2 En Jeftha zei tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb u geroepen, maar u hebt mij uit hun hand niet verlost. 3 Als ik nu zag, dat u niet verloste, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en trok door tot de kinderen Ammons, en JAHWEH gaf hen in mijn hand; waarom bent u dan te deze dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden? 4 En Jeftha verzamelde alle mannen van Gilead, en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraïm en tussen Manasse, zeiden: U bent vluchtelingen van Efraïm. 5 Want de Gileadieten namen de Efraïmieten de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan af; en het gebeurde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Bent u een Efraïmiet? wanneer hij zei: Nee; 6 Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zei: Sibbolet, en kon het zo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan, dat in die tijd van Efraïm vielen twee en veertig duizend. 7 Jeftha nu richtte Israël zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead. 8 En na hem richtte Israël Ebzan, van Bethlehem. 9 En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochters naar buiten, en bracht dertig dochters van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israël zeven jaren. 10 Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem. 11 En na hem richtte Israël Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israël tien jaren. 12 En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon. 13 En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet. 14 En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israël acht jaren. 15 Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraïm, op de berg van de Amalekiet. ### Richteren 13 1 En de Israëlieten voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; zo gaf JAHWEH hen in de hand van de Filistijnen veertig jaren. 2 En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, van wie de naam Manoach was; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet. 3 En een Engel van JAHWEH verscheen aan deze vrouw, en Hij zei tot haar: Zie nu, u bent onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar u zult zwanger worden, en een zoon baren. 4 Zo wees toch nu op uw hoede, en drink geen wijn noch sterke drank, en eet niets onreins. 5 Want zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat jongetje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. 6 Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man van God tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel van God, zeer vreselijk; en ik vroeg Hem niet, vanwaar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen. 7 Maar Hij zei tot mij: Zie, u zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterke drank, en eet niets onreins; want dat jongetje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag van zijn dood. 8 Toen aanbad Manoach JAHWEH vurig, en zei: Och, JAHWEH! dat toch de Man van God, Die U gezonden hebt, weer tot ons kome, en ons lere, wat we dat jongetje doen zullen, dat geboren zal worden. 9 En God verhoorde de stem van Manoach; en de Engel van God kwam opnieuw tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, maar haar man Manoach was niet bij haar. 10 Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zei tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, die op die dag tot mij kwam. 11 Toen stond Manoach op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot die Man, en zei tot Hem: Bent u die Man, Die tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zei: Ik ben het. 12 Toen zei Manoach: Nu, dat Uw woorden komen; maar wat zal de wijze van het jongetje en zijn werk zijn? 13 En de Engel van JAHWEH zei tot Manoach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten. 14 Zij zal niet eten van iets, dat van de wijnstok van de wijn voortkomt; en wijn en sterke drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden. 15 Toen zei Manoach tot de Engel van JAHWEH: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden. 16 Maar de Engel van JAHWEH zei tot Manoach: Als u Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en als u een brandoffer zult doen, dat zult u JAHWEH offeren. Want Manoach wist niet, dat het een Engel van JAHWEH was. 17 En Manoach zei tot de Engel van JAHWEH: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen. 18 En de Engel van JAHWEH zei tot hem: Waarom vraagt u dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk. 19 Toen nam Manoach een geitenbokje, en het voedseloffer, en offerde het op de rotssteen aan JAHWEH. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe. 20 En het gebeurde, als de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel van JAHWEH op in de vlam van het altaar. Als Manoach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde. 21 En de Engel van JAHWEH verscheen niet meer aan Manoach, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manoach, dat het een Engel van JAHWEH was. 22 En Manoach zei tot zijn huisvrouw: Wij zullen zeker sterven, omdat wij God gezien hebben. 23 Maar zijn huisvrouw zei tot hem: Zo JAHWEH lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en voedseloffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om deze tijd zoiets als dit laten horen. 24 Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat jongetje werd groot, en JAHWEH zegende het. 25 En de Geest van JAHWEH begon hem bij tijden aan te vuren in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol. ### Richteren 14 1 En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochters van de Filistijnen, 2 Zo ging hij omhoog, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zei: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochters van de Filistijnen; nu dan, neem mij die tot een vrouw. 3 Maar zijn vader zei tot hem, en ook zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochters van uw broers, en onder al mijn volk, dat u heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zei tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen. 4 Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van JAHWEH was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. 5 Zo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, heen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet. 6 Toen kwam de Geest van JAHWEH met kracht over hem, dat hij hem vaneen scheurde, zoals men een bokje vaneen scheurt, en er was niets in zijn hand; maar hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. 7 En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen. 8 En na sommige dagen kwam hij weer, om haar te nemen; toen week hij af, om het kadaver van de leeuw te bekijken, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing. 9 En hij nam die in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; maar hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honing uit het lichaam van de leeuw genomen had. 10 Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson daar een bruiloft, want zo waren de jongemannen gewend te doen. 11 En het gebeurde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn. 12 Simson dan zei tot hen: Ik zal nu u een raadsel te raden geven; als u mij dat in de zeven dagen van deze bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik u geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. 13 En als u het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult u mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen. 14 En hij zei tot hen: Voedsel ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren. 15 Daarna gebeurde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis van uw vader, met vuur verbranden. Hebt u ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet? 16 En Simsons huisvrouw huilde voor hem en zei: U haat mij maar, en hebt mij niet lief; u hebt de kinderen van mijn volk een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zei tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren? 17 En zij huilde voor hem, op de zevende van de dagen waarin zij deze bruiloft hadden; zo gebeurde het op de zevende dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel de kinderen van haar volk. 18 Toen zeiden de mannen van de stad tot hem, op de zevende dag, voordat de zon onderging: Wat is zoeter dan honing? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zei tot hen: Zo u met mijn kalf niet had geploegd, u zou mijn raadsel niet hebben uitgevonden. 19 Toen kwam de Geest van JAHWEH met kracht over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Maar zijn toorn ontstak, en hij ging op naar het huis van zijn vader. 20 En de huisvrouw van Simson werd van zijn metgezel, die hem vergezeld had. ### Richteren 15 1 En het gebeurde na sommige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zei: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan. 2 Want haar vader zei: Ik sprak zeker, dat u haar geheel haatte, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zus schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar. 3 Toen zei Simson tot hen: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe. 4 En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden. 5 En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren van de Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe. 6 Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zei: Simson, de schoonzoon van de Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur. 7 Toen zei Simson tot hen: Zou u zo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden. 8 En hij sloeg hen, de schenkel en de heup, met een grote slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots Etam. 9 Toen trokken de Filistijnen op, en sloegen hun kamp op tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi. 10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom bent u tegen ons opgetrokken? En zij zeiden: Wij zijn opgetrokken om Simson te binden, om hem te doen, zoals hij ons gedaan heeft. 11 Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol van de rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist u niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt u ons dan dit gedaan? En hij zei tot hen: Zoals zij mij gedaan hebben, zo heb ik hun gedaan. 12 En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand van de Filistijnen. Toen zei Simson tot hen: Zweer mij, dat u op mij niet zult aanvallen. 13 En zij spraken tot hem, zeggende: Nee, maar wij zullen u wel binden, en u in hun hand overgeven; maar wij zullen u in geen geval doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots. 14 Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest van JAHWEH kwam met kracht over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen. 15 En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmee duizend man. 16 Toen zei Simson: Met een ezelskinnebakken, één hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen. 17 En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, zo wierp hij het kaakbeen uit zijn hand, en hij noemde die plaats Ramath-lechi. 18 Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot JAHWEH, en zei: U hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand van deze onbesnedenen? 19 Toen kloofde God de holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit daarvan, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weer, en hij werd levend. Daarom noemde hij haar naam: De fontein van de aanroeper, die in Lechi is, tot op deze dag. 20 En hij richtte Israël, in de dagen van de Filistijnen, twintig jaren. ### Richteren 16 1 Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag daar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in. 2 Toen werd de Gazieten gezegd: Simson is hier ingekomen; zo gingen zij rondom, en legden hem de gehele nacht hinderlagen in de stadspoort; maar zij hielden zich de gehele nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden. 3 Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op om middernacht, en hij greep de deuren van de stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met de grendelboom, en legde ze op zijn schouders, en droeg ze omhoog op de hoogte van de berg, die in het gezicht van Hebron is. 4 En het gebeurde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, van wie de naam Delila was. 5 Toen kwamen de vorsten van de Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmee wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, ieder, duizend en honderd zilverlingen. 6 Delila dan zei tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmee u zou kunnen gebonden worden, dat men u plaag. 7 En Simson zei tot haar: Als zij mij bonden met zeven verse touwen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens. 8 Toen brachten de vorsten van de Filistijnen tot haar op zeven verse touwen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmee. 9 De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zei zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de touwen, zoals een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur ruikt. Zo werd zijn kracht niet bekend. 10 Toen zei Delila tot Simson: Zie, u hebt met mij gespot, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee u zou kunnen gebonden worden? 11 En hij zei tot haar: Als zij mij vastbonden met nieuwe touwen, waarmee geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens. 12 Toen nam Delila nieuwe touwen, en bond hem daarmee, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad. 13 En Delila zei tot Simson: Tot hiertoe hebt u met mij gespot, en leugens tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmee u zou kunnen gebonden worden. En hij zei tot haar: Als u de zeven haarlokken van mijn hoofd vlochtet aan een weversboom. 14 En zij maakte ze vast met een pin, en zei tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en nam weg de pin van de gevlochten haarlokken, en de weversboom. 15 Toen zei zij tot hem: Hoe zult u zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? U hebt nu drie keer met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij. 16 En het gebeurde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe; 17 Zo verklaarde hij haar zijn hele hart, en zei tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijn moeders buik af; als ik geschoren werd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen. 18 Als nu Delila zag, dat hij haar zijn hele hart verklaard had, zo zond zij heen, en riep de vorsten van de Filistijnen, zeggende: Kom ditmaal op, want hij heeft mij zijn hele hart verklaard. En de vorsten van de Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten dat geld in hun hand. 19 Toen deed zij hem slapen op haar knieën, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken van zijn hoofd afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem. 20 En zij zei: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zei: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere keren, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat JAHWEH van hem geweken was. 21 Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in de gevangenis. 22 En het haar van zijn hoofd begon weer te groeien, zoals toen hij geschoren werd. 23 Toen verzamelden zich de vorsten van de Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven. 24 Evenzo als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onze vijand, en die ons land verwoestte, en die van onze verslagenen velen maakte! 25 En het gebeurde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roep Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit de gevangenis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren. 26 Toen zei Simson tot de jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, waarop het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune. 27 Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten van de Filistijnen; en op het dak waren ongeveer drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde. 28 Toen riep Simson tot JAHWEH, en zei: Heere, JAHWEH! gedenk toch aan mij, en sterk mij toch alleen ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke. 29 En Simson vatte de twee middelste pilaren, waarop het huis was gevestigd, en waarop het steunde, de ene met zijn rechterhand, en de andere met zijn linkerhand; 30 En Simson zei: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had. 31 Toen kwamen zijn broers af, en het hele huis van zijn vader, en namen hem op, en brachten hem omhoog, en begroeven hem tussen Zora en tussen Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach; hij nu had Israël gericht twintig jaar. ### Richteren 17 1 En er was een man van het gebergte van Efraïm, van wie de naam Micha was. 2 Die zei tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen, die u ontnomen zijn, waarover u gevloekt hebt, en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zei zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon door JAHWEH! 3 Zo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weer. Maar zijn moeder zei: Ik heb dat geld aan JAHWEH geheel geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu teruggeven. 4 Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weer. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze de goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha. 5 En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van één uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester was. 6 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed, wat recht was in zijn ogen. 7 Nu was er een jongeling van Bethlehem-juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde daar als vreemdeling. 8 En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-juda getrokken, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraïm tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan, 9 Zo zei Micha tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden. 10 Toen zei Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van kleren, en uw leeftocht; zo ging de Leviet met hem. 11 En de Leviet bewilligde bij die man te blijven; en de jongeling was hem als één van zijn zonen. 12 En Micha vulde de hand van de Leviet, dat hij hem tot een priester werd; zo was hij in het huis van Micha. 13 Toen zei Micha: Nu weet ik, dat JAHWEH mij weldoen zal, omdat ik deze Leviet tot een priester heb. ### Richteren 18 1 In die dagen was er geen koning in Israël; en in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op die dag onder de stammen van Israël niet genoegzaam ter erfenis toegevallen. 2 Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te bespioneren, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Ga, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraïm, tot aan het huis van Micha, en overnachtten daar. 3 Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van de jongeling, de Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet u hier, en wat hebt u hier? 4 En hij zei tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester. 5 Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, waarop wij wandelen, voorspoedig zal zijn. 6 En de priester zei tot hen: Ga in vrede; uw weg, die u zult heentrekken, is voor JAHWEH. 7 Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Laïs; en zij zagen het volk, dat in hun midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze van de Sidoniërs, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met enige mens. 8 En zij kwamen tot hun broers te Zora en te Esthaol, en hun broers zeiden tot hen: Wat zegt u? 9 En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bekeken, en ziet, het is zeer goed; zou u dan stil zijn? Wees niet lui om te trekken, dat u heen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen; 10 (Als u daarheen komt, zo zult u komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is. 11 Toen reisden van daar uit het geslacht van de Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen. 12 En zij trokken op, en sloegen hun kamp op bij Kirjath-jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-dan, tot op deze dag; zie, het is achter Kirjath-jearim. 13 En van daar trokken zij door naar het gebergte van Efraïm, en zij kwamen tot aan het huis van Micha. 14 Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te bespioneren, en zeiden tot hun broers: Weet u ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij. 15 Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van de jongeling, de Leviet, in het huis van Micha; en zij vroegen hem naar vrede. 16 En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort. 17 Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te bespioneren, gingen op, kwamen daarheen in, en namen weg het gesneden beeld, en de efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren. 18 Als die nu in het huis van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, de efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zei de priester tot hen: Wat doet u? 19 En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat u een priester bent voor het huis van één man, of dat u een priester bent voor een stam, en een geslacht in Israël? 20 Toen werd het hart van de priester vrolijk, en hij nam de efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden van het volk. 21 Zo keerden zij zich, en trokken voort; en zij stelden de kinderen, en het vee, en de bagage voor zich. 22 Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen, zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan. 23 En zij riepen de kinderen van Dan na; die hun aangezichten omkeerden, en zeiden tot Micha: Wat is u, dat u bijeengeroepen bent? 24 Toen zei hij: U hebt mijn goden, die ik gemaakt had, weggenomen, en ook de priester, en bent weggegaan; wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dat u tot mij zegt: Wat is u? 25 Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitter gemoed, op u aanvallen, en u uw leven verliest, en het leven van uw huis. 26 Zo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zo keerde hij om, en kwam weer tot zijn huis. 27 Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en de priester, die hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, en de stad verbrandden zij met vuur. 28 En er was niemand, die hen verloste; want zij was ver van Sidon, en zij hadden niets met enige mens te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin. 29 En zij noemden de naam van de stad Dan, naar de naam van hun vader Dan, die aan Israël geboren was; hoewel de naam van deze stad tevoren Laïs was. 30 En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor de stam van de Danieten, tot de dag toe, dat het land als gevangene is weggevoerd. 31 Zo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis van God te Silo was. ### Richteren 19 1 Het gebeurde ook in die dagen, als er geen koning was in Israël, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraïm, die zich een vrouw, een bijvrouw, nam van Bethlehem-juda. 2 Maar zijn bijvrouw hoereerde, bij hem zijnde, en trok van hem weg naar het huis van haar vader, tot Bethlehem-juda; en zij was daar enige dagen, te weten vier maanden. 3 En haar man maakte zich op, en trok haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weer te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis van haar vader. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting. 4 En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en overnachtten daar. 5 Op de vierde dag nu gebeurde het, dat zij 's morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zei de vader van het meisje tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een stuk brood, en daarna zult u wegtrekken. 6 Zo zaten zij neer, en zij beiden aten samen, en dronken. Toen zei de vader van de jonge vrouw tot de man: Bewillig toch en overnacht, en laat uw hart vrolijk zijn. 7 Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij daar opnieuw overnachtte. 8 Als hij op de vijfde dag 's morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zei de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij wachtten, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten samen. 9 Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijvrouw, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zei: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, overnacht toch; zie, de dag legert zich, overnacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent. 10 Maar de man wilde niet overnachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (die is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw met hem. 11 Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zei tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad van de Jebusieten wijken, en daarin overnachten. 12 Maar zijn heer zei tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de Israëlieten; maar wij zullen voorttrekken tot Gibeä toe. 13 Verder zei hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot één van die plaatsen naderen, en te Gibeä of te Rama overnachten. 14 Zo trokken zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibeä, die Benjamins is; 15 En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibeä te overnachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neer in een straat van de stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te overnachten. 16 En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in de avond, die man ook was van het gebergte van Efraïm, maar als vreemdeling verkeerde te Gibeä; maar de mensen van deze plaats waren kinderen van Jemini. 17 Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij die reizende man op de straat van de stad; en de oude man zei: Waar trekt u heen, en vanwaar komt u? 18 En hij zei tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraïm, vanwaar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getrokken, maar ik trek nu naar het huis van JAHWEH; en er is niemand, die mij in huis neemt. 19 Daar toch onze ezels zowel stro als voer hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor de jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek. 20 Toen zei de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleen overnacht niet op de straat. 21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezels voer; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij. 22 Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot de oude man, de heer van het huis, zeggende: Breng de man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen. 23 En de man, de heer van het huis, ging tot hen uit, en zei tot hen: Niet, mijn broers, doet toch zo kwalijk niet; aangezien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet. 24 Zie, mijn dochter die maagd is, en zijn bijvrouw, die zal ik nu uitbrengen, dat u die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan deze man zulk een dwaas ding niet. 25 Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijvrouw, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig de gehele nacht tot aan de morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees. 26 En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van de morgenstond, en viel neer voor de deur van het huis van de man, waarin haar heer was, totdat het licht werd. 27 Als nu haar heer 's morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijvrouw, aan de deur van het huis, en haar handen op de dorpel. 28 En hij zei tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op de ezel, en de man maakte zich op, en trok naar zijn plaats. 29 Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijvrouw, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in het hele gebied van Israël. 30 En het gebeurde, dat al wie het zag, zei: Dat is niet gebeurd noch gezien, van die dag af, dat de Israëlieten uit Egypteland zijn opgetrokken, tot op deze dag; leg uw hart daarop, geeft raad en spreekt! ### Richteren 20 1 Toen trokken alle Israëlieten uit, en de vergadering verzamelde zich, als één enig man, van Dan af tot Ber-seba toe, ook het land van Gilead, tot JAHWEH te Mizpa. 2 En uit de hoeken van het gehele volk stelden zich al de stammen van Israël in de vergadering van het volk van God, vierhonderd duizend man te voet, die het zwaard uittrokken. 3 (De kinderen Benjamins nu hoorden, dat de Israëlieten opgetrokken waren naar Mizpa.) En de Israëlieten zeiden: Spreek, hoe is dit kwaad gebeurd? 4 Toen antwoordde de Levietische man, de man van de vrouw, die gedood was, en zei: Ik kwam met mijn bijvrouw te Gibeä, die Benjamins is, om te overnachten. 5 En de burgers van Gibeä maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht; zij dachten mij te doden, en mijn bijvrouw hebben zij geschonden, dat zij gestorven is. 6 Toen greep ik mijn bijvrouw, en deelde haar, en zond haar in het hele land van de erfenis van Israël, omdat zij een schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden. 7 Zie, u allen bent Israëlieten, geeft hier voor u woord en raad! 8 Toen maakte zich al het volk op, als één enig man, zeggende: Wij zullen niet gaan, een ieder naar zijn tent, noch wijken, een ieder naar zijn huis. 9 Maar nu, dit is de zaak, die wij aan Gibeä zullen doen: tegen haar bij het lot! 10 En wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen van Israël, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om proviant te nemen voor het volk, opdat zij, komende te Gibeä-benjamins, haar doen naar al de dwaasheid, die zij in Israël gedaan heeft. 11 Zo werden alle mannen van Israël verzameld tot deze stad, verbonden als één enig man. 12 En de stammen van Israël zonden mannen door de gehele stam van Benjamin, zeggende: Wat voor een kwaad is dit, dat onder u gebeurd is? 13 Zo geeft nu die mannen, die kinderen Belials, die te Gibeä zijn, dat wij hen doden, en het kwaad uit Israël wegdoen. Maar de kinderen van Benjamin wilden niet horen naar de stem van hun broers, de Israëlieten. 14 Maar de kinderen van Benjamin verzamelden zich uit de steden naar Gibeä, om uit te trekken ten strijde tegen de Israëlieten. 15 En de kinderen van Benjamin werden op die dag geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibeä geteld werden, zevenhonderd uitgelezen mannen. 16 Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezen mannen, die links waren; deze allen slingerden met een steen op een haar, dat het hun niet miste. 17 En de mannen van Israël werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderd duizend mannen, die het zwaard uittrokken; deze allen waren mannen van oorlog. 18 En de Israëlieten maakten zich op, en trokken omhoog in het huis van God, en vroegen God, en zeiden: Wie zal onder ons allereerst optrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin? En JAHWEH zei: Juda allereerst. 19 Zo maakten zich de Israëlieten in de morgenstond op, en sloegen hun kamp op tegen Gibeä. 20 En de mannen van Israël trokken uit ten strijde tegen Benjamin; verder schikten de mannen van Israël de strijd tegen hen bij Gibeä. 21 Toen trokken de kinderen van Benjamin uit van Gibeä, en zij vernielden ter aarde op die dag van Israël twee en twintig duizend man. 22 Maar het volk versterkte zich, te weten de mannen van Israël, en zij beschikten de strijd opnieuw ter plaatse, waar zij die van de vorige dag geschikt hadden. 23 En de Israëlieten trokken op, en huilden voor het aangezicht van JAHWEH tot op de avond, en vroegen JAHWEH zeggende: Zal ik weer naderen ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer? En JAHWEH zei: Trek tegen hem op. 24 Zo naderden de Israëlieten tot de kinderen van Benjamin, op de andere dag. 25 En die van Benjamin trokken uit hun tegemoet, uit Gibeä, op de tweede dag, en velden van de Israëlieten nog achttien duizend man neer ter aarde; die allen trokken het zwaard uit. 26 Toen trokken alle Israëlieten en al het volk op, en kwamen in het huis van God, en huilden, en bleven daar voor het aangezicht van JAHWEH, en vastten die dag tot op de avond; en zij offerden brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van JAHWEH. 27 En de Israëlieten vroegen JAHWEH, want daar was de ark van het verbond van God in die dagen. 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor Zijn aangezicht, in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broer, of zal ik ophouden? en JAHWEH zei: Trek op, want morgen zal Ik hem in uw hand geven. 29 Toen bestelde Israël achterlagen op Gibeä rondom. 30 En de Israëlieten trokken op, aan de derde dag, tegen de kinderen van Benjamin; en zij schikten de strijd op Gibeä, als op de andere keren. 31 Toen trokken de kinderen van Benjamin uit, het volk tegemoet, en werden van de stad afgetrokken; en zij begonnen te slaan van het volk, en te doorsteken, zoals de andere keren, op de straten, waarvan de één opgaat naar het huis van God, en de ander naar Gibeä, in het veld, ongeveer dertig man van Israël. 32 Toen zeiden de kinderen van Benjamin: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen, als tevoren; maar de Israëlieten zeiden: Laat ons vluchten, en hen van de stad aftrekken naar de straten. 33 Toen maakten zich alle mannen van Israël op uit hun plaatsen, en schikten de strijd te Baäl-thamar; ook brak Israëls achterlage op uit haar plaats, na de ontbloting van Gibeä. 34 En tien duizend uitgelezen mannen van geheel Israël kwamen van tegenover Gibeä, en de strijd werd zwaar; maar zij wisten niet, dat het kwaad hen treffen zou. 35 Toen sloeg JAHWEH Benjamin voor Israëls aangezicht; dat de Israëlieten op die dag van Benjamin vernielden vijf en twintig duizend en honderd mannen; die allen trokken het zwaard uit. 36 En de kinderen van Benjamin zagen, dat zij geslagen waren; want de mannen van Israël gaven de Benjaminieten plaats, omdat zij vertrouwden op de achterlage, die zij tegen Gibeä gesteld hadden. 37 En de achterlage haastte, en brak vooruit naar Gibeä toe; ja, de achterlage trok recht door, en sloeg de hele stad met de scherpte van het zwaard. 38 En de mannen van Israël hadden een bestemde tijd met de hinderlaag, wanneer zij een grote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan. 39 Zo keerden zich de mannen van Israël om in de strijd; en Benjamin had begonnen te slaan en te doorsteken van de mannen van Israël ongeveer dertig man; want zij zeiden: Immers is hij zeker voor ons aangezicht geslagen, als in de vorige strijd. 40 Toen begon de verheffing op te gaan van de stad, als een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, ziet, zo ging de brand van de stad op naar de hemel. 41 En de mannen van Israël keerden zich om; en de mannen van Benjamin werden verbaasd, want zij zagen, dat het kwaad hen treffen zou. 42 Zo wendden zij zich voor het aangezicht van de mannen van Israël naar de weg van de woestijn; maar de strijd kleefde hen aan, en die uit de steden vernielden ze in het midden van hen. 43 Zij omringden Benjamin, zij vervolgden hem, zij vertraden hem gemakkelijk, tot voor Gibeä, tegen de opgang van de zon. 44 En er vielen van Benjamin achttien duizend mannen; deze allen waren strijdbare mannen. 45 Toen keerden zij zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon; maar zij deden een nalezing onder hen op de straten, van vijf duizend man; verder kleefden zij hen achteraan tot aan Gideom, en sloegen van hen twee duizend man. 46 Zo waren allen, die op die dag van Benjamin vielen, vijf en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken; die allen waren strijdbare mannen. 47 Maar zeshonderd mannen keerden zich, en vluchtten naar de woestijn, tot de rotssteen van Rimmon, en bleven in de rotssteen van Rimmon, vier maanden. 48 En de mannen van Israël keerden weer tot de kinderen van Benjamin, en sloegen hen met de scherpte van het zwaard, die van de hele stad tot de beesten toe, ja, al wat gevonden werd; ook zetten zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur. ### Richteren 21 1 De mannen van Israël nu hadden te Mizpa gezworen, zeggende: Niemand van ons zal zijn dochter aan de Benjaminieten tot vrouw geven. 2 Zo kwam het volk tot het huis van God, en zij bleven daar tot op de avond, voor Gods aangezicht; en zij hieven hun stem op en huilden met groot geween. 3 En zeiden: O JAHWEH, God van Israël! Waarom is dit gebeurd in Israël, dat er vandaag één stam van Israël gemist wordt? 4 En het gebeurde op de andere dag, dat zich het volk vroeg opmaakte, en bouwde daar een altaar; en zij offerden brandoffers en dankoffers. 5 En de Israëlieten zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in de vergadering uit al de stammen van Israël tot JAHWEH? Want er was een grote eed gebeurd aangaande degene, die niet opkwam tot JAHWEH te Mizpa, zeggende: Hij zal zeker gedood worden. 6 En het berouwde de Israëlieten over Benjamin, hun broer; en zij zeiden: Vandaag is één stam van Israël afgesneden. 7 Wat zullen wij, wat betreft de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want wij hebben bij JAHWEH gezworen, dat wij hun van onze dochters geen tot vrouwen zullen geven. 8 En zij zeiden: Is er iemand van de stammen van Israël, die niet opgekomen is tot JAHWEH te Mizpa? En ziet, van Jabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger, tot de gemeente. 9 Want het volk werd geteld, en ziet, er was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead. 10 Toen zond de vergadering daarheen twaalf duizend mannen, van de strijdbaarste; en zij geboden hun, zeggende: Trek heen, en slaat met de scherpte van het zwaard de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderen. 11 Maar dit is de zaak, die u doen zult; al wat mannelijk is, en alle vrouwen, die de bijligging van een man bekend hebben, zult u verbannen. 12 En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd meisjes, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging van de man; en zij brachten die in het leger te Silo, die is in het land Kanaän. 13 Toen zond de hele vergadering heen, en sprak tot de kinderen van Benjamin, die in de rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe. 14 Zo kwamen de Benjaminieten in die tijd weer; en zij gaven hun de vrouwen, die zij in het leven behouden hadden van de vrouwen van Jabes in Gilead; maar zo waren er nog niet genoeg voor hen. 15 Toen berouwde het het volk over Benjamin, omdat JAHWEH een scheur gemaakt had in de stammen van Israël. 16 En de oudsten van de vergadering zeiden: Wat zullen wij, wat betreft de vrouwen, doen aan degenen, die overgebleven zijn? Want de vrouwen zijn uit Benjamin vernietigd. 17 Verder zeiden zij: De erfenis van degenen, die ontkomen zijn, is van Benjamin, en er moet geen stam uitgewist worden uit Israël. 18 Maar wij zullen hun geen vrouwen van onze dochters kunnen geven; want de Israëlieten hebben gezworen, zeggende: Vervloekt zij, die de Benjaminieten een vrouw geeft! 19 Toen zeiden zij: Zie, er is een feest van JAHWEH te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis van God, tegen de opgang van de zon, aan de hoge weg, die opgaat van het huis van God naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona. 20 En zij geboden de kinderen van Benjamin, zeggende: Ga heen, en loert in de wijngaarden. 21 En let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zo komt u voort uit de wijngaarden, en schaakt u, een ieder zijn huisvrouw, uit de dochters van Silo; en gaat heen in het land van Benjamin. 22 En het zal gebeuren, wanneer haar vaders of haar broers zullen komen, om voor ons te rechten, dat wij tot hen zullen zeggen: Weest hun om onzentwil genadig, omdat wij geen huisvrouw voor een ieder van hen in deze strijd genomen hebben; want u hebt ze hun niet gegeven, dat u op deze tijd schuldig zou zijn. 23 En de kinderen van Benjamin deden zo, en voerden naar hun getal vrouwen weg, van de reiende dochters, die zij roofden, en zij trokken heen, en keerden weer tot hun erfenis, en herbouwden de steden, en woonden daarin. 24 Ook trokken de Israëlieten in die tijd van daar, ieder naar zijn stam en naar zijn geslacht; zo trokken zij uit van daar, ieder naar zijn erfenis. 25 In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed, wat recht was in zijn ogen. ## Ruth ### Ruth 1 1 In de dagen, als de richters richtten, zo gebeurde het, dat er honger in het land was; daarom trok een man van Bethlehem-juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden van Moab, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen. 2 De naam nu van deze man was Elimelech, en de naam van zijn huisvrouw Naomi, en de naam van zijn twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-juda; en zij kwamen in de velden van Moab, en bleven daar. 3 En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen. 4 Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij bleven daar ongeveer tien jaar. 5 En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; zo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man. 6 Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weer uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat JAHWEH Zijn volk bezocht had, gevende hun brood. 7 Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op de weg, om weer te keren naar het land van Juda, 8 Zo zei Naomi tot haar twee schoondochters: Ga heen, keert weer, ieder tot het huis van haar moeder; JAHWEH doe bij u goedertierenheid, zoals u gedaan hebt bij de doden, en bij mij. 9 JAHWEH geve u, dat u ruste vindt, ieder in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en huilden; 10 En zij zeiden tot haar: Wij zullen zeker met u terugkeren tot uw volk. 11 Maar Naomi zei: Keer weer, mijn dochters! Waarom zou u met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn? 12 Keer weer, mijn dochters! Ga heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zei: Ik heb hoop, of ik ook in deze nacht een man had, ja, ook zonen baarde; 13 Zou u daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zou u daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand van JAHWEH is tegen mij uitgegaan. 14 Toen hieven zij haar stem op, en huilden opnieuw; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan. 15 Daarom zei zij: Zie, uw schoonzus is teruggekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer u ook weer, uw schoonzus na. 16 Maar Ruth zei: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weer te keren; want waar u zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar u zult overnachten, zal ik overnachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God. 17 Waar u zult sterven, zal ik sterven, en daar zal ik begraven worden; zo doe mij JAHWEH en zo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u! 18 Als zij nu zag, dat zij vast voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken. 19 Zo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het gebeurde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de hele stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi? 20 Maar zij zei tot hen: Noem mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. 21 Vol trok ik weg, maar leeg heeft mij JAHWEH doen terugkeren; waarom zou u mij Naomi noemen, daar JAHWEH tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft? 22 Zo kwam Naomi weer, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden van Moab terugkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst. ### Ruth 2 1 Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz. 2 En Ruth, de Moabietische, zei tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oprapen, achter die, in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zei tot haar: Ga heen, mijn dochter! 3 Zo ging zij heen, en kwam en raapte op in het veld, achter de maaiers; en haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimelech was. 4 En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zei tot de maaiers: JAHWEH zij met u! En zij zeiden tot hem: JAHWEH zegene u! 5 Daarna zei Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Van wie is deze jonge vrouw? 6 En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zei: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi teruggekomen is uit de velden van Moab; 7 En zij heeft gezegd: Laat mij toch oprapen en aren bij de graanschoven verzamelen, achter de maaiers; zo is zij gekomen en heeft gestaan van 's morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig. 8 Toen zei Boaz tot Ruth: Hoort u niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te rapen; ook zult u van hier niet weggaan, maar hier zult u zich houden bij mijn maagden. 9 Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en u zult achter hen gaan; heb ik de jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de kruiken, en drink van wat de jongens zullen geschept hebben. 10 Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zei tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u mij kent, daar ik een vreemde ben? 11 En Boaz antwoordde en zei tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat u bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na de dood van uw man, en hebt uw vader en uw moeder, en het land van uw geboorte verlaten, en bent heengegaan tot een volk, dat u van te voren niet kende. 12 JAHWEH vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van JAHWEH, de God van Israël, onder Wiens vleugels u gekomen bent om toevlucht te nemen! 13 En zij zei: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, omdat u mij getroost hebt, en omdat u naar het hart van uw dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, zoals één van uw dienaressen. 14 Als het nu etenstijd was, zei Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw stuk brood in de azijn. Zo zat zij neer aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroosterd koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over. 15 Als zij nu opstond, om op te rapen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de graanschoven oprapen, en beschaamt haar niet. 16 Ja, laat ook geleidelijk van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het oprape, en bestraft haar niet. 17 Zo raapte zij op in dat veld, tot aan de avond; en zij sloeg uit, wat zij opgeraapt had, en het was ongeveer een efa gerst. 18 En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgeraapt had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had. 19 Toen zei haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt u vandaag opgeraapt, en waar hebt u gewerkt? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wie zij gewerkt had, en zei: De naam van de man, bij wie ik vandaag gewerkt heb, is Boaz. 20 Toen zei Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij hij door JAHWEH, Die Zijn goedertierenheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Verder zei Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is één van onze lossers. 21 En Ruth, de Moabietische, zei: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: U zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij de gehele oogst, die ik heb, zullen hebben voltooid. 22 En Naomi zei tot haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat u met zijn maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld. 23 Zo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te rapen, totdat de gersteoogst en tarweoogst voltooid waren; en zij bleef bij haar schoonmoeder. ### Ruth 3 1 En Naomi, haar schoonmoeder, zei tot haar: Mijn dochter! zou ik u geen rust zoeken, dat het u welga? 2 Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden u geweest bent, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal deze nacht gerst op de dorsvloer wannen. 3 Zo baad u, en zalf u, en doe uw kleren aan, en ga af naar de dorsvloer; maar maak u de man niet bekend, voordat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. 4 En het zal gebeuren, als hij neerligt, dat u de plaats zult merken, waar hij zal neergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat u doen zult. 5 En zij zei tot haar: Al wat u tot mij zegt, zal ik doen. 6 Zo ging zij af naar de dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had. 7 Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neer te liggen aan het uiterste van een korenhoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich. 8 En het gebeurde te middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel. 9 En hij zei: Wie bent u? En zij zei: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want u bent de losser. 10 En hij zei: Gezegend bent u door JAHWEH, mijn dochter! U hebt deze uw laatste goedertierenheid beter gemaakt dan de eerste, omdat u geen jongemannen bent nagegaan, hetzij arm of rijk. 11 En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat u gezegd hebt, zal ik u doen; want de hele stad van mijn volk weet, dat u een deugdelijke vrouw bent. 12 Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik. 13 Blijf deze nacht over; verder in de morgen zal het gebeuren, als hij u lost, goed, laat hem lossen; maar als het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als JAHWEH leeft; leg u neer tot de morgen toe. 14 Zo lag zij neer aan zijn voetdeksel tot de morgen toe; en zij stond op, voordat de één de ander kennen kon; want hij zei: Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is. 15 Verder zei hij: Lang de sluier, die op u is, en houd die; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad. 16 Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, die zei: Wie bent u, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had. 17 Ook zei zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zei tot mij: Kom niet leeg tot uw schoonmoeder. 18 Toen zei zij: Zit stil, mijn dochter, totdat u weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij vandaag deze zaak voltooid hebbe. ### Ruth 4 1 En Boaz ging op in de poort, en zette zich daar en ziet, de losser, van wie Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zei hij: Wijk hierheen, zet u hier, u, zulk een! En hij week daarheen, en zette zich. 2 En hij nam tien mannen van de oudsten van de stad, en zei: Zet u hier; en zij zetten zich. 3 Toen zei hij tot die losser: Het stuk lands, dat van onze broer Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land van de Moabieten teruggekomen is, verkocht; 4 En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in aanwezigheid van de inwoners, en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk; zo u het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve u, die het losse, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen. 5 Maar Boaz zei: Op de dag als u het land aanvaardt van de hand van Naomi, zo zult u het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van de verstorvene, om de naam van de verstorvene te verwekken over zijn erfdeel. 6 Toen zei die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los u mijn lossing voor u; want ik zal niet kunnen lossen. 7 Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de hele zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël. 8 Zo zei de losser tot Boaz: Aanvaard u het voor u; en hij trok zijn schoen uit. 9 Toen zei Boaz tot de oudsten en al het volk: U bent vandaag getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimelech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi. 10 Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om de naam van de verstorvene over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam van de verstorvene niet wordt uitgeroeid van zijn broers, en van de poort van zijn plaats; u bent vandaag getuigen. 11 En al het volk, dat in de poort was, en ook de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; JAHWEH make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben; en handel kloek in Efratha, en maak uw naam beroemd in Bethlehem! 12 En uw huis zij, als het huis van Perez (die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat JAHWEH u geven zal uit deze jonge vrouw. 13 Zo nam Boaz Ruth, en zij werd hem tot vrouw, en hij ging tot haar in; en JAHWEH gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baarde. 14 Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij JAHWEH, Die niet heeft nagelaten u vandaag een losser te geven; en zijn naam worde beroemd in Israël! 15 Die zal u zijn tot een verkwikker van de ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, die voor u beter is dan zeven zonen. 16 En Naomi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster. 17 En de buren gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader. 18 Dit nu zijn de afstammelingen van Perez: Perez verwekte Hezron; 19 En Hezron verwekte Ram; en Ram verwekte Amminadab; 20 En Amminadab verwekte Nahesson; en Nahesson verwekte Salma; 21 En Salmon verwekte Boaz, en Boaz verwekte Obed; 22 En Obed verwekte Isaï; en Isaï verwekte David. ## 1 Samuël ### 1 Samuël 1 1 Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraïm, van wie de naam Elkana was, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet. 2 En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen. 3 Deze man nu ging omhoog uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren aan JAHWEH van de legermachten te Silo; en daar waren priesters van JAHWEH, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 4 En het gebeurde op die dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochters, delen. 5 Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; maar JAHWEH had haar baarmoeder toegesloten. 6 En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat JAHWEH haar baarmoeder toegesloten had. 7 En zo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis van JAHWEH, zo tergde zij haar zo; daarom huilde zij en at niet. 8 Toen zei Elkana, haar man: Hanna, waarom weent u, en waarom eet u niet, en waarom is uw hart treurig? Ben ik u niet beter dan tien zonen? 9 Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van de tempel van JAHWEH. 10 Zij dan van ziel bitter bedroefd zijnde, zo bad zij tot JAHWEH, en zij huilde zeer. 11 En zij beloofde een gelofte, en zei: JAHWEH van de legermachten, zo U eenmaal de ellende van Uw dienstmaagd aanziet, en aan mij gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat JAHWEH geven al de dagen van zijn leven, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. 12 Het gebeurde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht van JAHWEH, zo gaf Eli acht op haar mond. 13 Want Hanna sprak in haar hart; alleen roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken. 14 En Eli zei tot haar: Hoe lang zult u zich dronken aanstellen? Doe uw wijn van u. 15 Maar Hanna antwoordde en zei: Nee, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht van JAHWEH. 16 Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet. 17 Toen antwoordde Eli en zei: Ga heen in vrede, en de God van Israël zal uw bede geven, die u van Hem gebeden hebt. 18 En zij zei: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Zo ging die vrouw van haar weg; en zij at, en haar aangezicht was haar niet meer zo. 19 En zij stonden 's morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht van JAHWEH, en zij keerden weer, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana had gemeenschap met zijn huisvrouw Hanna, en JAHWEH gedacht aan haar. 20 En het gebeurde, na verloop van dagen, dat Hanna zwanger werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuël: Want, zei zij, ik heb hem van JAHWEH gebeden. 21 En die man, Elkana trok op met zijn hele huis, om JAHWEH te offeren het jaarlijkse offer, en zijn gelofte. 22 Maar Hanna trok niet op; maar zij zei tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht van JAHWEH verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid. 23 En Elkana, haar man, zei tot haar: Doe, wat goed is in uw ogen; blijf, totdat u hem zult gespeend hebben; JAHWEH bevestige naar Zijn woord! Zo bleef de vrouw, en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende. 24 Daarna, als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich omhoog, met drie stieren, en een efa meel, en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis van JAHWEH te Silo; en de jongen was zeer jong. 25 En zij slachtten een stier; zo brachten zij het kind tot Eli. 26 En zij zei: Och, mijn heer! zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om JAHWEH te bidden. 27 Ik bad om dit kind, en JAHWEH heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. 28 Daarom heb ik hem ook aan JAHWEH overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van JAHWEH gebeden. En hij bad daar JAHWEH aan. ### 1 Samuël 2 1 Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt van vreugde op in JAHWEH; mijn hoorn is verhoogd in JAHWEH; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. 2 Er is niemand heilig, zoals JAHWEH; want er is niemand dan U, en er is geen rotssteen, zoals onze God! 3 Maakt het niet te veel, dat u hoog, hoog zou spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want JAHWEH is een God van de wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. 4 De boog van de sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord. 5 Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6 JAHWEH doodt en maakt levend; Hij doet in het dodenrijk neerdalen, en Hij doet weer opkomen. 7 JAHWEH maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8 Hij verheft de geringe uit het stof, en de arme verhoogt Hij uit de mest, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel van eer doe beërven; want de grondvesten van de aarde zijn van JAHWEH, en Hij heeft de wereld daarop gezet. 9 Hij zal de voeten van Zijn gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. 10 Die met JAHWEH twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in de hemel over hen donderen; JAHWEH zal de einden van de aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en de hoorn Zijn Gezalfde verhogen. 11 Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was JAHWEH dienende voor het aangezicht van de priester Eli. 12 Maar de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden JAHWEH niet. 13 Want de wijze van die priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offergave offerde, de jongen van de priester kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand; 14 En sloeg in de teile, of in de ketel, of in de pan, of in de pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Zo deden zij aan al de Israëlieten, die te Silo kwamen. 15 Ook voordat zij het vet aanstaken, kwam de jongen van de priester, en zei tot de man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor de priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw. 16 Wanneer nu die man tot hem zei: Zij zullen dat vet als heden geheel aansteken, zo neem dan voor u, zoals het uw ziel lusten zal; zo zei hij tot hem: Nu zult u het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen. 17 Zo was de zonde van deze jongemannen zeer groot voor het aangezicht van JAHWEH; want de mensen verachtten het voedseloffer van JAHWEH. 18 Maar Samuël diende voor het aangezicht van JAHWEH, zijnde een jongeling, omgord met de linnen lijfrok. 19 En zijn moeder maakte hem een kleine rok, en bracht hem die van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren. 20 En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zei: JAHWEH geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij JAHWEH afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats. 21 Want JAHWEH bezocht Hanna, en zij werd zwanger, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuël werd groot bij JAHWEH. 22 Maar Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan geheel Israël deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent van de samenkomst. 23 En hij zei tot hen: Waarom doet u al zulke dingen, dat ik deze uw slechte dingen hore van dit hele volk? 24 Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; u maakt, dat het volk van JAHWEH overtreedt. 25 Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen JAHWEH zondigt, wie zal voor hem bidden? Maar zij hoorden de stem van hun vader niet, want JAHWEH wilde hen doden. 26 En de jongeling Samuël nam toe, en werd groot en aangenaam zowel bij JAHWEH als ook bij de mensen. 27 En er kwam een man van God tot Eli, en zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Heb Ik Mij duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao? 28 En Ik heb hem uit alle stammen van Israël Mij tot priester gekozen, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om de efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis van uw vader gegeven al de vuuroffers van de Israëlieten. 29 Waarom slaat u achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn voedseloffer, dat Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat u zich mest van het voornaamste van alle voedseloffers van Mijn volk Israël? 30 Daarom spreekt JAHWEH, de God van Israël: Ik had wel duidelijk gezegd: Uw huis en het huis van uw vader zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt JAHWEH: Volstrekt niet van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden. 31 Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en de arm van het huis van uw vader, dat er geen oud man in uw huis wezen zal. 32 En u zult aanschouwen de benauwdheid van de woning van God, in plaats van al het goede, dat Hij Israël zou gedaan hebben; en er zal op geen dag een oud man in uw huis zijn. 33 Maar de man, die Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte van uw huize zal sterven, mannen geworden zijnde. 34 Dit nu zal u een teken zijn, dat over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op één dag zullen zij beiden sterven. 35 En Ik zal Mij een getrouwe priester verwekken; die zal doen, zoals in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; die zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht van Mijn Gezalfde wandelen. 36 En het zal gebeuren, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neer te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bediening, dat ik een stuk brood mag eten. ### 1 Samuël 3 1 En de jongeling Samuël diende JAHWEH voor het aangezicht van Eli; en het woord van JAHWEH was schaars in die dagen; er was geen openbaar visioen. 2 En het gebeurde op die dag, als Eli op zijn plaats neerlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon), 3 En Samuël zich ook neergelegd had, voordat de lampe Gods uitgedaan werd, in de tempel van JAHWEH, waar de ark van God was, 4 Dat JAHWEH Samuël riep; en hij zei: Zie, hier ben ik. 5 En hij liep tot Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar hij zei: Ik heb niet geroepen, keer weer, leg u neer. En hij ging heen en legde zich neer. 6 Toen riep JAHWEH Samuël opnieuw; en Samuël stond op; en ging tot Eli, en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Hij dan zei: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weer, leg u neer. 7 Maar Samuël kende JAHWEH nog niet; en het woord van JAHWEH was aan hem nog niet geopenbaard. 8 Toen riep JAHWEH Samuël opnieuw, voor de derde keer; en hij stond op, en ging tot Eli, en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Toen verstond Eli, dat JAHWEH de jongeling riep. 9 Daarom zei Eli tot Samuël: Ga heen, leg u neer, en het zal gebeuren, zo Hij u roept, zo zult u zeggen: Spreek, JAHWEH, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuël heen en legde zich aan zijn plaats. 10 Toen kwam JAHWEH, en stelde Zich daar, en riep zoals de andere keren: Samuël, Samuël! En Samuël zei: Spreek, want Uw knecht hoort. 11 En JAHWEH zei tot Samuël: Zie, Ik doe één ding in Israël, dat al wie het horen zal, die zullen zijn beide oren klinken. 12 Op die dag zal Ik verwekken over Eli alles, wat Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal het beginnen en voltooien. 13 Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, vanwege de ongerechtigheid, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien. 14 Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door voedseloffer! 15 Samuël nu lag tot aan de morgen; toen deed hij de deuren van het huis van JAHWEH open; maar Samuël vreesde dit visioen aan Eli te kennen te geven. 16 Toen riep Eli Samuël, en zei: Mijn zoon Samuël! Hij dan zei: Zie, hier ben ik. 17 En hij zei: Wat is het woord, dat Hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God doe u zo, en zo doe Hij daartoe, als u een woord voor mij verbergt van al de woorden, die Hij tot u gesproken heeft! 18 Toen gaf hem Samuël te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. En hij zei: Hij is JAHWEH; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen! 19 Samuël nu werd groot; en JAHWEH was met hem, en liet niet één van al Zijn woorden op de aarde vallen. 20 En geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, bekende, dat Samuël bevestigd was tot een profeet van JAHWEH. 21 En JAHWEH voer voort te verschijnen te Silo; want JAHWEH openbaarde Zich aan Samuël te Silo, door het woord van JAHWEH. ### 1 Samuël 4 1 En het woord van Samuël kwam tot geheel Israël. En Israël trok uit, de Filistijnen tegemoet, ten strijde, en sloeg zijn kamp op bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen sloegen hun kamp op bij Afek. 2 En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israël te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israël voor het aangezicht van de Filistijnen geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld ongeveer vier duizend man. 3 Als het volk opnieuw in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons JAHWEH vandaag geslagen voor het aangezicht van de Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark van het verbond van JAHWEH, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand van onze vijanden. 4 Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark van het verbond van JAHWEH van de legermachten, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark van het verbond van God. 5 En het gebeurde, als de ark van het verbond van JAHWEH in het leger kwam, zo juichte geheel Israël met een groot gejuich, zo dat de aarde dreunde. 6 Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger van de Hebreën? Toen vernamen zij, dat de ark van JAHWEH in het leger gekomen was. 7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is gisteren en eergisteren niet gebeurd! 8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn. 9 Wees sterk, en wees mannen, u Filistijnen, opdat u de Hebreën niet misschien dient, zoals zij u gediend hebben; zo wees mannen, en strijdt. 10 Toen streden de Filistijnen, en Israël werd geslagen, en zij vluchtten ieder in zijn tenten; en er gebeurde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israël vielen dertig duizend voetvolks. 11 En de ark van God werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven. 12 Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo deze dag; en zijn kleren waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd. 13 En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van de weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark van God. Als die man kwam, om dat te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de hele stad. 14 En als Eli de stem van het geroep hoorde, zo zei hij: Wat is de stem van dit rumoer? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli. 15 (Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.) 16 En die man zei tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben vandaag uit de slagorden gevlucht. Hij dan zei: Wat is er gebeurd, mijn zoon? 17 Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zei: Israël is gevlucht voor het aangezicht van de Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk gebeurd; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark van God is genomen. 18 En het gebeurde, als hij van de ark van God vermeldde, zo viel hij achteruit van de stoel af, aan de zijde van de poort, en brak de nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren. 19 En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was zwanger, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark van God genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeën overvielen haar. 20 En ongeveer de tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want u hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte. 21 En zij noemde de jongen Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël! Omdat de ark van God als gevangene weggevoerd was, en vanwege haar schoonvader en haar man. 22 En zij zei: De eer is als gevangene weggevoerd uit Israël, want de ark van God is genomen. ### 1 Samuël 5 1 De Filistijnen nu namen de ark van God, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod. 2 En de Filistijnen namen de ark van God, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. 3 Maar als die van Asdod op de andere dag vroeg opstonden, ziet, zo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van JAHWEH. En zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. 4 Toen zij nu op de andere dag 's morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark van JAHWEH; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen van zijn handen afgehouwen, aan de dorpel; alleen was Dagon daarop overgebleven. 5 Daarom treden de priesters van Dagon, en allen, die in het huis van Dagon komen, niet op de dorpel van Dagon te Asdod, tot op deze dag. 6 Maar de hand van JAHWEH was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met gezwellen, Asdod en haar gebied. 7 Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat het zo toeging, zo zeiden zij: Dat de ark van de God van Israël bij ons niet blijve; want Zijn hand is hard over ons, en over Dagon, onze god. 8 Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten van de Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen? En die zeiden: Dat de ark van de God van Israël rondom Gath ga. Zo droegen zij de ark van de God van Israël rondom. 9 En het gebeurde, nadat zij die hadden rondom gedragen, zo was de hand van JAHWEH tegen die stad met een zeer grote kwelling; want Hij sloeg de mensen van die stad van de kleine tot de grote, en zij hadden gezwellen in de verborgen plaatsen. 10 Toen zonden zij de ark van God naar Ekron; maar het gebeurde, als de ark van God te Ekron kwam, zo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben de ark van de God van Israël tot mij rondom gebracht, om mij en mijn volk te doden. 11 En zij zonden heen, en verzamelden al de vorsten van de Filistijnen, en zeiden: Zend de ark van de God van Israël heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de hele stad, en de hand van God was er zeer zwaar. 12 En de mensen, die niet stierven, werden geslagen met gezwellen, zodat het geschrei van de stad opklom naar de hemel. ### 1 Samuël 6 1 Als nu de ark van JAHWEH zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was, 2 Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark van JAHWEH doen? Laat ons weten, waarmee wij ze aan haar plaats zenden zullen. 3 Zij dan zeiden: Als u de ark van de God van Israël wegzendt, zendt haar niet leeg weg, maar vergeldt Hem geheel een schuldoffer; dan zult u genezen worden, en u zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt. 4 Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden gezwellen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten van de Filistijnen; want het is dezelfde plaag over u allen, en over uw vorsten. 5 Zo maakt dan beelden van uw gezwellen, en beelden van uw muizen, die het land verderven, en geeft de God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over u, en van over uw god, en van over uw land. 6 Waarom toch zou u uw hart verzwaren, zoals de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen? 7 Nu dan, neemt en maakt een nieuwe wagen, en twee zogende koeien, op die geen juk gekomen is; span de koeien aan de wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weer naar huis. 8 Neem dan de ark van JAHWEH, en zet ze op de wagen, en legt de gouden kleinoden, die u Hem als schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga. 9 Zie dan toe, als zij de weg van haar gebied opgaat naar Beth-semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest. 10 En die mensen deden zo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan de wagen, en haar kalveren sloten zij in huis. 11 En zij zetten de ark van JAHWEH op de wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden van hun gezwellen. 12 De koeien nu gingen recht in die weg, op de weg naar Beth-semes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechterhand noch ter linkerhand; en de vorsten van de Filistijnen gingen daarachter tot aan de grens van Beth-semes. 13 En die van Beth-semes maaiden de tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen. 14 En de wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van de wagen, en offerden de koeien aan JAHWEH als brandoffer. 15 En de Levieten namen de ark van JAHWEH af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op die grote steen; en die mensen van Beth-semes offerden brandoffers, en slachtten slachtoffers voor JAHWEH, op die dag. 16 En als de vijf vorsten van de Filistijnen dat gezien hadden, zo keerden zij weer op die dag naar Ekron. 17 Dit nu zijn de gouden gezwellen, die de Filistijnen aan JAHWEH als schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod één voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gath één, voor Ekron één. 18 Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden van de Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de versterkte steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, de grote steen, waarop zij de ark van JAHWEH neergesteld hadden, die tot op deze dag is op de akker van Jozua, de Beth-semiet. 19 En de Heere sloeg onder die mensen van Beth-semes, omdat zij in de ark van JAHWEH gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat JAHWEH een grote slag onder het volk geslagen had. 20 Toen zeiden de mensen van Beth-semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van JAHWEH, deze heilige God? En tot wie van ons zal Hij optrekken? 21 Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark van JAHWEH teruggebracht; kom af, haalt ze omhoog tot u. ### 1 Samuël 7 1 Toen kwamen de mannen van Kirjath-jearim, en haalden de ark van JAHWEH op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark van JAHWEH bewaarde. 2 En het gebeurde, van die dag af, dat de ark van de Heere te Kirjath-jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het hele huis van Israël klaagde JAHWEH achterna. 3 Toen sprak Samuël tot het hele huis van Israël, zeggende: Als u zich met uw hele hart tot JAHWEH bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot JAHWEH, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand van de Filistijnen rukken. 4 De Israëlieten nu deden de Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden JAHWEH alleen. 5 Verder zei Samuël: Verzamelt het hele Israël naar Mizpa, en ik zal JAHWEH voor u bidden. 6 En zij werden verzameld te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht van JAHWEH; en zij vastten op die dag, en zeiden daar: Wij hebben tegen JAHWEH gezondigd. Zo richtte Samuël de Israëlieten te Mizpa. 7 Toen de Filistijnen hoorden, dat de Israëlieten zich verzameld hadden te Mizpa, zo kwamen de oversten van de Filistijnen op tegen Israël. Als de Israëlieten dat hoorden, zo vreesden zij voor het aangezicht van de Filistijnen. 8 En de Israëlieten zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat u niet zou roepen tot JAHWEH, onze God, opdat Hij ons verlosse uit de hand van de Filistijnen. 9 Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel aan JAHWEH als brandoffer; en Samuël riep tot JAHWEH voor Israël; en JAHWEH verhoorde hem. 10 En het gebeurde, toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en JAHWEH donderde op die dag met een grote donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël. 11 En de mannen van Israël trokken uit van Mizpa, en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Beth-kar. 12 Samuël nu nam een steen, en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zei: Tot hiertoe heeft JAHWEH ons geholpen. 13 Zo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in het gebied van Israël; want de hand van JAHWEH was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël. 14 En de steden, die de Filistijnen van Israël genomen hadden kwamen weer aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël de grens daarvan uit de hand van de Filistijnen; en er was vrede tussen Israël en tussen de Amorieten. 15 Samuël nu richtte Israël al de dagen van zijn leven. 16 En hij trok van jaar tot jaar, en ging rondom naar Beth-el, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte Israël in al die plaatsen. 17 Maar hij keerde weer naar Rama; want daar was zijn huis, en daar richtte hij Israël; en hij bouwde daar JAHWEH een altaar. ### 1 Samuël 8 1 Het gebeurde nu, toen Samuël oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot richters over Israël. 2 De naam van zijn eerstgeboren zoon nu was Joël, en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters te Ber-seba. 3 Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht. 4 Toen verzamelden zich alle oudsten van Israël, en zij kwamen tot Samuël te Rama; 5 En zij zeiden tot hem: Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, zoals al de volken hebben. 6 Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuël bad JAHWEH aan. 7 Maar JAHWEH zei tot Samuël: Hoor naar de stem van het volk in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. 8 Naar de werken, die zij gedaan hebben, van die dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; zo doen zij u ook. 9 Hoor dan nu naar hun stem; maar als u hen op het hoogste zult betuigd hebben, zo zult u hen te kennen geven de wijze van de koning, die over hen regeren zal. 10 Samuël nu zei al de woorden van JAHWEH het volk aan, dat een koning van hem begeerde. 11 En zei: Dit zal de wijze van de koning zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen heen lopen; 12 En dat hij hen zich stelle tot oversten van de duizenden, en tot oversten van de vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, en ook zijn wapentuig. 13 En uw dochters zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters. 14 En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan zijn knechten geven. 15 En uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven. 16 En hij zal uw knechten, en uw dienaressen, en uw beste jongemannen, en uw ezels nemen, en hij zal zijn werk daarmee doen. 17 Hij zal uw kudden vertienen; en u zult hem tot knechten zijn. 18 U zult wel op die dag roepen, vanwege uw koning, die u zich zult gekozen hebben, maar JAHWEH zal u op die dag niet verhoren. 19 Maar het volk weigerde Samuëls stem te horen; en zij zeiden: Nee, maar er zal een koning over ons zijn. 20 En wij zullen ook zijn zoals al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren. 21 Als Samuël al de woorden van het volk gehoord had, zo sprak hij die voor de oren van JAHWEH. 22 JAHWEH nu zei tot Samuël: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zei Samuël tot de mannen van Israël: Ga heen, ieder naar zijn stad. ### 1 Samuël 9 1 Er was nu een man van Benjamin, van wie de naam Kis was, een zoon van Abiël, de zoon van Zeror, de zoon van Bechorath, de zoon van Afiah, de zoon van een man van Jemini, een dapper held. 2 Die had een zoon, van wie de naam Saul was, een jongeling, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de Israëlieten; van zijn schouders en omhoog was hij hoger dan al het volk. 3 De ezelinnen nu van Kis, de vader van Saul, waren verloren; daarom zei Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu één van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen. 4 Hij dan ging door het gebergte van Efraïm, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, maar zij vonden ze niet. 5 Toen zij in het land van Zuf kwamen, zei Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons terugkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en zich zorgen om ons maakt. 6 Hij daarentegen zei tot hem: Zie toch, er is een man van God in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zeker; laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, waarop wij gaan zullen. 7 Toen zei Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch die man brengen? Want het brood is weg uit onze voorwerpen, en wij hebben geen gaven, om de man van God te brengen; wat hebben wij? 8 En de jongen antwoordde Saul verder en zei: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel van een zilveren sikkel; dat zal ik de man van God geven, opdat hij ons onze weg wijze. 9 (Vroeger zei een ieder zo in Israël, als hij ging om God te vragen: Kom en laat ons gaan tot de ziener; want die vandaag een profeet genoemd wordt, die werd vroeger een ziener genoemd.) 10 Toen zei Saul tot zijn jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man van God was. 11 Als zij opklommen door de opgang van de stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier? 12 Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Zie, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen, omdat het volk vandaag een offergave heeft op de hoogte. 13 Wanneer u in de stad komt, zo zult u hem vinden, voordat hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, voordat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult u hem vinden. 14 Zo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden van de stad kwamen, ziet, zo ging Samuël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte. 15 Want JAHWEH had het voor Samuëls oor geopenbaard, één dag voordat Saul kwam, zeggende: 16 Morgen ongeveer deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u tot voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit de hand van de Filistijnen, want Ik heb Mijn volk aangezien, omdat het geroep daarvan tot Mij gekomen is. 17 Toen Samuël Saul aanzag, zo antwoordde hem JAHWEH: Zie, dit is de man, over wie Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen. 18 En Saul naderde tot Samuël in het midden van de poort, en zei: Wijs mij toch, waar is hier het huis van de ziener? 19 En Samuël antwoordde Saul en zei: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat u vandaag met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven. 20 Want wat de ezelinnen betreft, die u vandaag de derde dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en van wie zal zijn al het gewenste, dat in Israël is? Is het niet van u, en van het hele huis van uw vader? 21 Toen antwoordde Saul, en zei: Ben ik niet een zoon van Jemini, van de kleinsten van de stammen van Israël? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van de stam van Benjamin? Waarom spreekt u mij dan aan met zulke woorden? 22 Samuël dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste van de genodigden; die nu waren ongeveer dertig man. 23 Toen zei Samuël tot de kok: Breng dat stuk, dat ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zei: Zet het bij u weg. 24 De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zei: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is op de vastgestelde tijd voor u bewaard, als ik zei: Ik heb het volk genodigd. Zo at Saul met Samuël op die dag. 25 Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak. 26 En zij stonden vroeg op; en het gebeurde, ongeveer de opgang van de dageraad, zo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op, dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten. 27 Toen zij afgegaan waren aan het einde van de stad, zo zei Samuël tot Saul: Zeg de jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta u als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen. ### 1 Samuël 10 1 Toen nam Samuël een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zei: Is het niet zo, dat JAHWEH u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft? 2 Als u vandaag van mij gaat, zo zult u twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de grens van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die u bent gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken van de ezelinnen verlaten, en hij maakt zich zorgen om u, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen? 3 Als u zich van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-el; één, dragende drie bokjes, en één, dragende drie bollen broods, en één, dragende een fles wijn. 4 En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult u van hun hand nemen. 5 Daarna zult u komen op de heuvel Gods, waar bezettingen van de Filistijnen zijn; en het zal gebeuren, als u daar in de stad komt, zo zult u ontmoeten één hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren. 6 En de Geest van JAHWEH zal met kracht over u komen, en u zult met hen profeteren; en u zult in een andere man veranderd worden. 7 En het zal gebeuren, als u deze tekenen zullen komen, doe u, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn. 8 U nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandoffers te offeren, om te offeren offergaven van de dankzegging; zeven dagen zult u daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat u doen zult. 9 Het gebeurde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuël te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen op diezelfde dag. 10 Toen zij daar aan de heuvel kwamen, zie, zo kwam hem één hoop profeten tegemoet; en de Geest van JAHWEH kwam met kracht over hem, en hij profeteerde in het midden van hen. 11 En het gebeurde, als een ieder die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zei het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat aan de zoon van Kis gebeurd is? Is Saul ook onder de profeten? 12 Toen antwoordde een man van daar, en zei: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten? 13 Toen hij nu voltooid had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte. 14 En Sauls oom zei tot hem en tot zijn jongen: Waar bent u heengegaan? Hij nu zei: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuël. 15 Toen zei Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël u gezegd? 16 Saul nu zei tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak van het koninkrijk, waarvan Samuël gezegd had, gaf hij hem niet te kennen. 17 Maar Samuël riep het volk samen tot JAHWEH, te Mizpa. 18 En hij zei tot de Israëlieten: Zo heeft JAHWEH, de God van Israël, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en Ik heb u van de hand van de Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten. 19 Maar u hebt vandaag uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht van JAHWEH, naar uw stammen en naar uw duizenden. 20 Toen nu Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt. 21 Toen hij de stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. 22 Toen vraagden zij verder JAHWEH, of die man nog daarheen komen zou? JAHWEH dan zei: Zie, hij heeft zich tussen de voorwerpen verstopt. 23 Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden van het volk; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en omhoog. 24 Toen zei Samuël tot het hele volk: Ziet u, die JAHWEH gekozen heeft? Want zoals hij, is er niemand onder het hele volk. Toen juichte het hele volk, en zij zeiden: de koning leve! 25 Samuël nu sprak tot het volk het recht van het koninkrijk, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht van JAHWEH. Toen liet Samuël het hele volk gaan, elk naar zijn huis. 26 En Saul ging ook naar zijn huis te Gibeä, en van het leger gingen met hem, van wie het hart God geroerd had. 27 Maar de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Maar hij was als doof. ### 1 Samuël 11 1 Toen trok Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen. 2 Maar Nahas, de Ammoniet, zei tot hen: Mits deze zal ik een verbond met u maken, dat ik u allen het rechteroog uitsteke; en dat ik deze schande op geheel Israël legge. 3 Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al het gebied van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan. 4 Als de boden te Gibeä-sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en huilde. 5 En ziet, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zei: Wat is het volk, dat zij huilen? Toen vertelden zij hem de woorden van de mannen van Jabes. 6 Toen kwam de Geest van God met kracht over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer. 7 En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle gebied van Israël door de hand van de boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuël, zo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vrees voor JAHWEH op het volk, en zij gingen uit als één enig man. 8 En hij telde hen te Bezek; en van de Israëlieten waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend. 9 Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Zo zult u de mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing gebeuren, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd. 10 En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot u uitgaan, en u zult ons doen naar alles, wat goed is in uw ogen. 11 Het gebeurde nu op de andere dag, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden van het leger, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het gebeurde, dat de overigen zo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee samen bleven. 12 Toen zei het volk tot Samuël: Wie is hij, die zei: Zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dat wij hen doden. 13 Maar Saul zei: Er zal op deze dag geen man gedood worden, want JAHWEH heeft vandaag een verlossing in Israël gedaan. 14 Verder zei Samuël tot het volk: Kom en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk daar vernieuwen. 15 Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul daar koning voor het aangezicht van JAHWEH te Gilgal; en zij offerden daar dankoffers voor het aangezicht van JAHWEH; en Saul verheugde zich daar geheel zeer, met al de mannen van Israël. ### 1 Samuël 12 1 Toen zei Samuël tot geheel Israël: Zie, ik heb naar uw stem gehoord in alles, wat u mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet. 2 En nu, ziet, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijn zonen zijn bij u; en ik heb voor uw aangezichten gewandeld van mijn jeugd af tot deze dag toe. 3 Zie, hier ben ik, betuigt tegen mij voor JAHWEH, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wie ik verongelijkt heb, wie ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het u wedergeven. 4 Toen zeiden zij: U hebt ons niet verongelijkt, en u hebt ons niet onderdrukt, en u hebt van niemands hand iets genomen. 5 Toen zei hij tot hen: JAHWEH zij een Getuige tegen u, en Zijn gezalfde zij op deze dag getuige, dat u in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zei: Hij zij Getuige! 6 Verder zei Samuël tot het volk: Het is JAHWEH, Die Mozes en Aäron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft. 7 En nu, stelt u hier, dat ik met u rechte, voor het aangezicht van JAHWEH, over al de gerechtigheden van JAHWEH, die Hij aan u en aan uw vaders gedaan heeft. 8 Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zo riepen uw vaders tot JAHWEH; en JAHWEH zond Mozes en Aäron, en zij leidden uw vaders uit Egypte, en deden hen aan deze plaats wonen. 9 Maar zij vergaten JAHWEH, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van Sisera, de oorlogsoverste, te Hazor, en in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de koning van de Moabieten, die tegen hen streden. 10 En zij riepen tot JAHWEH, en zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij JAHWEH verlaten, en de Baäls en Astharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit de hand van onze vijanden, en wij zullen U dienen. 11 En JAHWEH zond Jerubbaäl, en Bedan, en Jeftha, en Samuël, en Hij rukte u uit de hand van uw vijanden rondom, zo dat u zeker woonde. 12 Als u nu zag, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zei u tot mij: Nee, maar een koning zal over ons regeren; zo toch JAHWEH, uw God, uw Koning was. 13 En nu, ziet daar de koning, die u gekozen hebt, die u begeerd hebt; en zie, JAHWEH heeft een koning over u gezet. 14 Zo u JAHWEH zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en tegen de mond van JAHWEH niet opstandig bent, zo zult u, zowel u als de koning, die over u regeren zal, achter JAHWEH, uw God, zijn. 15 Maar zo u naar de stem van JAHWEH niet zult horen, maar tegen de mond van JAHWEH opstandig zijn, zo zal de hand van JAHWEH, tegen u zijn, als tegen uw vaders. 16 Ook stelt u nu hier, en ziet die grote zaak, die JAHWEH voor uw ogen doen zal. 17 Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot JAHWEH roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat u voor de ogen van JAHWEH gedaan hebt, dat u een koning voor u begeerd hebt. 18 Toen Samuël JAHWEH aanriep, zo gaf JAHWEH donder en regen op die dag; daarom vreesde al het volk zeer JAHWEH en Samuël. 19 En al het volk zei tot Samuël: Bid voor uw knechten tot JAHWEH, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben. 20 Toen zei Samuël tot het volk: Vrees niet, u hebt al dit kwaad gedaan; maar wijk niet van achter JAHWEH af, maar dient JAHWEH met uw hele hart. 21 En wijkt niet af; want u zou de zinloosheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn zinloosheden. 22 Want JAHWEH zal Zijn volk niet verlaten, omwille van Zijn grote Naam, omdat JAHWEH beliefd heeft, u Zich tot een volk te maken. 23 Wat ook mij betreft, het zij verre van mij, dat ik tegen JAHWEH zou zondigen, dat ik zou aflaten voor u te bidden; maar ik zal u de goede en rechte weg leren. 24 Vrees slechts JAHWEH, en dient Hem trouw met uw hele hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij u gedaan heeft! 25 Maar als u voortaan kwaad doet, zo zult u, als ook uw koning, omkomen. ### 1 Samuël 13 1 Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël. 2 Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israël; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibeä-Benjamins; en het overige van het volk liet hij gaan, ieder naar zijn tent. 3 Maar Jonathan sloeg de bezetting van de Filistijnen, die te Geba was, dat de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het hele land, zeggende: Laat het de Hebreën horen. 4 Toen hoorde het hele Israël zeggen: Saul heeft de bezetting van de Filistijnen geslagen, en ook is Israël in kwade reuk gekomen bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gilgal. 5 En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan de oever van de zee is; en zij trokken op, en sloegen hun kamp op te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven. 6 Toen de mannen van Israël zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de grotten, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten. 7 De Hebreën nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem. 8 En hij bleef zeven dagen, tot de tijd, die Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem. 9 Toen zei Saul: Breng tot mij herwaarts een brandoffer, en dankoffers; en hij offerde brandoffer. 10 En het gebeurde, toen hij geëindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen. 11 Toen zei Samuël: Wat hebt u gedaan? Saul nu zei: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en u op de bestemde tijd van de dagen niet kwam, en de Filistijnen te Michmas verzameld waren, 12 Zo zei ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht van JAHWEH niet ernstig aangebeden, zo dwong ik mijzelf, en heb brandoffer geofferd. 13 Toen zei Samuël tot Saul: U hebt dwaas gedaan; u hebt het gebod van JAHWEH, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want JAHWEH zou nu uw rijk over Israël bevestigd hebben tot in eeuwigheid. 14 Maar nu zal uw rijk niet bestaan. JAHWEH heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en JAHWEH heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat u niet gehouden hebt, wat JAHWEH u geboden had. 15 Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibeä-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, ongeveer zeshonderd man. 16 En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibeä-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd. 17 En de plunderaars gingen uit het leger van de Filistijnen, in drie groepen; de ene groep keerde zich op de weg naar Ofra, naar het land Sual; 18 En één hoop keerde zich naar de weg van Beth-Horon; en één hoop keerde zich naar de weg van de grens, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet. 19 En er werd geen smid gevonden in het hele land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard noch speer maken. 20 Daarom moest geheel Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat ieder zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet. 21 Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen van de prikkelen. 22 En het gebeurde op de dag van de strijd, dat er geen zwaard noch speer gevonden werd in de hand van het hele volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden. 23 En het leger van de Filistijnen trok naar de doortocht van Michmas. ### 1 Samuël 14 1 Het gebeurde nu op één dag, dat Jonathan, de zoon van Saul, tot de jongen, die zijn wapenen droeg, zei: Kom, en laat ons tot de bezetting van de Filistijnen overgaan, die aan de overzijde is; maar hij gaf het zijn vader niet te kennen. 2 Saul nu zat aan het uiterste van Gibeä onder de granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was ongeveer zeshonderd man. 3 En Ahia, de zoon van Ahitub, de broer van Ikabod, de zoon van Pinehas, de zoon van Eli, was priester van JAHWEH, te Silo, dragende de efod; maar het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was. 4 Er was nu tussen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot de bezetting van de Filistijnen, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan de overzijde; en de naam van de ene was Bozes, en de naam van de andere Sene. 5 De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba. 6 Jonathan nu zei tot de jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting van deze onbesnedenen overgaan; misschien zal JAHWEH voor ons werken; want bij JAHWEH is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen. 7 Toen zei zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart. 8 Jonathan nu zei: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en wij zullen ons aan hen ontdekken. 9 Als zij zo tot ons zeggen: Sta stil, totdat wij aan u komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen. 10 Maar zeggen zij zo: Klim tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want JAHWEH heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn. 11 Toen zij beiden zich aan de bezetting van de Filistijnen ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Zie, de Hebreën zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstopt hadden. 12 Verder antwoordden de mannen van de bezetting aan Jonathan en zijn wapendrager, en zeiden: Klim op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zei tot zijn wapendrager: Klim op achter mij, want JAHWEH heeft hen gegeven in de hand van Israël. 13 Toen klom Jonathan op zijn handen en op zijn voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jonathans aangezicht, en zijn wapendrager doodde ze achter hem. 14 Deze eerste slag nu, waarmee Jonathan en zijn wapendrager ongeveer twintig mannen versloegen, gebeurde ongeveer in de helft van een bunder, zijnde een juk ossen lands. 15 En er was een beving in het leger, op het veld en onder het hele volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelf; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods. 16 Als nu de wachters van Saul te Gibeä-benjamins zagen, dat, ziet, de menigte versmolt, en doorging, en geklopt werd; 17 Toen zei Saul tot het volk, dat bij hem was: Telt toch, en beziet, wie van ons weggegaan zijn. En zij telden, en ziet, Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet. 18 Toen zei Saul tot Ahia: Breng de ark van God herwaarts. Want de ark van God was op die dag bij de Israëlieten. 19 En het gebeurde, toen Saul nog tot de priester sprak, dat het rumoer, dat in het leger van de Filistijnen was, zeer toenam en vermenigvuldigde; zo zei Saul tot de priester: Haal uw hand in. 20 Saul nu, en al het volk, dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde; en ziet, het zwaard van de enen was tegen de anderen, er was een zeer groot geluid. 21 Er waren ook Hebreën bij de Filistijnen, als vroeger, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; deze nu vervoegden zich ook met de Israëlieten, die bij Saul en Jonathan waren. 22 Als alle mannen van Israël, die zich verstopt hadden in het gebergte van Efraïm, hoorden, dat de Filistijnen vluchtten, zo kleefden zij ook hen achteraan in de strijd. 23 Zo verloste JAHWEH Israël op die dag; en het leger trok over naar Beth-aven. 24 En de mannen van Israël werden verzwakt op die dag; want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die voedsel eet tot aan de avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat hele volk geen voedsel. 25 En het hele volk kwam in een woud; en daar was honing op het veld. 26 Toen het volk in het woud kwam, ziet, zo was er een honigvloed; maar niemand raakte met zijn hand aan zijn mond, want het volk vreesde de bezwering. 27 Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van de staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte die in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht. 28 Toen antwoordde een man uit het volk, en zei: Uw vader heeft het volk moeizaam bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die vandaag brood eet! Daarom bezwijkt het volk. 29 Toen zei Jonathan: Mijn vader heeft het land in het ongeluk gestort; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van deze honing gesmaakt heb; 30 Hoe veel meer, als het volk vandaag had mogen vrij eten van de buit van zijn vijanden, die het gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen. 31 Maar zij sloegen op die dag de Filistijnen van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer moe. 32 Toen maakte zich het volk aan de buit, en zij namen schapen, en runderen, en kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at ze met het bloed. 33 En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk verzondigt zich aan JAHWEH, etende met het bloed. En hij zei: U hebt trouweloos gehandeld; wentelt vandaag een grote steen tot mij. 34 Verder sprak Saul: Verstrooi u onder het volk, en zegt tot hen: Breng tot mij ieder zijn os, en ieder zijn schaap, en slacht het hier, en eet, en bezondigt u niet aan JAHWEH, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk ieder zijn os met zijn hand, in de nacht, en slachtte ze daar. 35 Toen bouwde Saul JAHWEH een altaar; dit was het eerste altaar, dat hij JAHWEH bouwde. 36 Daarna zei Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na, bij nacht, en laat ons hen beroven, totdat het morgen licht worde, en laat ons niet één man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is in uw ogen; maar de priester zei: Laat ons herwaarts tot God naderen. 37 Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken de Filistijnen na? Zult U ze in de hand van Israël overgeven? Maar Hij antwoordde hem niet op die dag. 38 Toen zei Saul: Kom herwaarts uit alle hoeken van het volk, en verneemt, en ziet, waarin deze zonde vandaag gebeurd zij. 39 Want zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die Israël verlost, al was het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij de dood sterven; en niemand uit het hele volk antwoordde hem. 40 Verder zei hij tot het hele Israël: U zult aan de ene zijde zijn, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zei het volk tot Saul: Doe, wat goed is in uw ogen. 41 Saul nu sprak tot JAHWEH, de God van Israël: Toon de onschuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrijuit. 42 Toen zei Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt. 43 Saul dan zei tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat u gedaan hebt. Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zei: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste van de staf, die ik in mijn hand had; zie hier ben ik, moet ik sterven? 44 Toen zei Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan! u moet de dood sterven. 45 Maar het volk zei tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Volstrekt niet! zo waarachtig als JAHWEH leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit vandaag met God gedaan. Zo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf. 46 Saul nu trok op van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hun plaats. 47 Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf. 48 En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israël uit de hand van degene, die hem beroofde. 49 De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen van zijn twee dochters waren deze: de naam van de eerstgeborene was Merab, en de naam van de kleinste Michal. 50 En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaäz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abi-ner, een zoon van Ner, Sauls oom. 51 En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiël. 52 En er was een sterke strijd tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die verzamelde hij tot zich. ### 1 Samuël 15 1 Toen zei Samuël tot Saul: JAHWEH heeft mij gezonden, dat ik u tot koning zalfde over Zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stem van de woorden van JAHWEH. 2 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik heb bezocht, wat Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op de weg, toen hij uit Egypte opkwam. 3 Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en spaar hem niet; maar dood van de man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kamelen tot de ezels toe. 4 Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda. 5 Als Saul tot aan de stad Amalek kwam, zo legde hij een achterlage in het dal. 6 En Saul liet de Kenieten zeggen: Ga weg, wijkt, trekt af uit het midden van de Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want u hebt barmhartigheid gedaan aan al de Israëlieten, toen zij uit Egypte opkwamen. Zo weken de Kenieten uit het midden van de Amalekieten. 7 Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar u komt te Sur, dat voor aan Egypte is. 8 En hij ving Agag, de koning van de Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte van het zwaard. 9 Maar Saul en het hele volk spaarde Agag, en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat verdwijnende was, verbanden zij. 10 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Samuël, zeggende: 11 Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, omdat hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuël, en hij riep tot JAHWEH de hele nacht. 12 Daarna maakte zich Samuël 's morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen. 13 Samuël nu kwam tot Saul, en Saul zei tot hem: Gezegend bent u voor JAHWEH! Ik heb het woord van JAHWEH bevestigd. 14 Toen zei Samuël: Wat is dan dit voor een stem van de schapen in mijn oren, en een stem van de runderen, die ik hoor? 15 Saul nu zei: Zij hebben ze van de Amalekieten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen gespaard, om aan JAHWEH, uw God, te offeren; maar het overige hebben wij verbannen. 16 Toen zei Samuël tot Saul: Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat JAHWEH vannacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zei tot hem: Spreek. 17 En Samuël zei: Is het niet zo, toen u klein was in uw ogen, dat u het hoofd van de stammen van Israël geworden bent, en dat JAHWEH u tot koning over Israël gezalfd heeft? 18 En JAHWEH heeft u op de weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat u hen te niet doet. 19 Waarom toch hebt u naar de stem van JAHWEH niet gehoord, maar bent tot de roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen van JAHWEH? 20 Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stem van JAHWEH gehoord, en heb gewandeld op de weg, waarop mij JAHWEH gezonden heeft; en ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, mee gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen. 21 Het volk nu heeft genomen van de roof, schapen en runderen, het voornaamste van het verbannene, om aan JAHWEH, uw God, op te offeren te Gilgal. 22 Maar Samuël zei: Heeft JAHWEH lust aan brandoffers, en slachtoffers, als aan het gehoorzamen van de stem van JAHWEH? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette van de rammen. 23 Want opstandigheid is een zonde van de toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat u het woord van JAHWEH verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat u geen koning zult zijn. 24 Toen zei Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van JAHWEH en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord. 25 Nu dan, vergeef mij toch mijn zonde, en keer met mij opnieuw, dat ik JAHWEH aanbidde. 26 Maar Samuël zei tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren; omdat u het woord van JAHWEH verworpen hebt, zo heeft JAHWEH u verworpen, dat u geen koning over Israël zult zijn. 27 Als zich Samuël omkeerde om weg te gaan, zo greep hij een slip van zijn mantel en zij scheurde. 28 Toen zei Samuël tot hem: JAHWEH heeft vandaag het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan u. 29 En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou. 30 Hij dan zei: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten van mijn volk, en voor Israël; en keer opnieuw met mij, dat ik JAHWEH, uw God, aanbidde. 31 Toen keerde Samuël opnieuw Saul na; en Saul aanbad JAHWEH. 32 Toen zei Samuël: Breng Agag, de koning van de Amalekieten, hier tot mij; Agag nu ging tot hem weeldelijk; en Agag zei: Werkelijk, de bitterheid van de dood is geweken! 33 Maar Samuël zei: Zoals uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, zo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken, voor het aangezicht van JAHWEH te Gilgal. 34 Daarna ging Samuël naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibeä-sauls. 35 En Samuël zag Saul niet meer tot de dag van zijn dood toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde JAHWEH, dat Hij Saul tot koning over Israël gemaakt had. ### 1 Samuël 16 1 Toen zei JAHWEH tot Samuël: Hoe lang draagt u leed om Saul, die Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, de Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. 2 Maar Samuël zei: Hoe zou ik heengaan? Saul zal het toch horen en mij doden. Toen zei JAHWEH: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen, om JAHWEH offergave te doen. 3 En u zult Isaï ten offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven, wat u doen zult, en u zult voor Mij zalven, die Ik u zeggen zal. 4 Samuël nu deed, wat JAHWEH gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten van de stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede? 5 Hij dan zei: Met vrede; ik ben gekomen om JAHWEH offergave te doen; heilig u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer. 6 En het gebeurde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zeker, is deze voor JAHWEH, Zijn gezalfde. 7 Maar JAHWEH zei tot Samuël: Zie zijn uiterlijk niet aan, noch de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen; want het is niet zoals de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar JAHWEH ziet het hart aan. 8 Toen riep Isaï Abinadab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar hij zei: Deze heeft JAHWEH ook niet gekozen. 9 Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan; maar hij zei: Deze heeft JAHWEH ook niet gekozen. 10 Zo liet Isaï zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuël gaan; maar Samuël zei tot Isaï: JAHWEH heeft deze niet gekozen. 11 Verder zei Samuël tot Isaï: Zijn dit al de jongemannen? En hij zei: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zei tot Isaï: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, voordat hij hier zal gekomen zijn. 12 Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, en ook schoon van ogen en schoon van aanzien; en JAHWEH zei: Sta op, zalf hem, want deze is het. 13 Toen nam Samuël de oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden van zijn broers. En de Geest van JAHWEH kwam met kracht over David van die dag af en voortaan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar Rama. 14 En de Geest van JAHWEH week van Saul; en een boze geest van JAHWEH verschrikte hem. 15 Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest van God verschrikt u. 16 Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal gebeuren, als de boze geest van God op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u wordt. 17 Toen zei Saul tot zijn knechten: Zie mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij. 18 Toen antwoordde één van de jongemannen, en zei: Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, de Bethlehemiet, die spelen kan en hij is een dapper held, en een soldaat, en verstandig in zaken, en een schoon man, en JAHWEH is met hem. 19 Saul nu zond boden tot Isaï, en zei: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is. 20 Toen nam Isaï een ezel met brood, en een leren zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul. 21 Zo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij hield veel van hem, en hij werd zijn wapendrager. 22 Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden. 23 En het gebeurde, als de geest van God over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem. ### 1 Samuël 17 1 En de Filistijnen verzamelden hun leger ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij sloegen hun kamp op tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim. 2 Maar Saul en de mannen van Israël verzamelden zich, en sloegen hun kamp op in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan. 3 De Filistijnen nu stonden aan een berg aan de ene, en de Israëlieten stonden aan een berg aan de andere zijde; en de vallei was tussen hen. 4 Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger van de Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span. 5 En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkels kopers; 6 En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders; 7 En de schacht van zijn speer was als een weversboom, en het lemmer van zijn speer was van zeshonderd sikkels ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht. 8 Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zei tot hen: Waarom zou u uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en u knechten van Saul? Kies een man onder u, die tot mij afkome. 9 Als hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij u tot knechten zijn; maar als ik hem overwin en hem sla, zo zult u ons tot knechten zijn, en ons dienen. 10 Verder zei de Filistijn: Ik heb vandaag de slagorden van Israël gehoond, zeggende: Geef mij een man, dat wij samen strijden! 11 Toen Saul en het hele Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, waren zij ontsteld, en vreesden zeer. 12 David nu was de zoon van de Efrathische man van Bethlehem-juda, van wie de naam Isaï was, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen. 13 En de drie grootste zonen van Isaï gingen heen; zij volgden Saul na in de oorlog. De namen nu van zijn drie zonen, die in de oorlog gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma. 14 En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd. 15 Maar David ging heen, en kwam weer van Saul, om de schapen van zijn vader te weiden te Bethlehem. 16 De Filistijn nu trad toe, 's morgens vroeg en 's avonds. Zo stelde hij zich daar veertig dagen lang. 17 En Isaï zei tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broers een efa van dit geroosterd koren, en deze tien broden, en breng ze terloops in het leger tot uw broers. 18 Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en u zult uw broers bezoeken, of het hun welga, en u zult van hen een teken van leven meenemen. 19 Saul nu, en zij, en alle mannen van Israël waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende. 20 Toen maakte zich David 's morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij de hoeder, en hij nam het op, en ging heen, zoals Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan de wagenburg, als het leger in slagorde uittrok, en men ten strijde riep. 21 En de Israëlieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde. 22 David nu liet de voorwerpen van zich, onder de hand van de bewaarder van de voorwerpen, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vroeg zijn broers naar hun welstand. 23 Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het leger van de Filistijnen, en hij sprak achtereenvolgens die woorden; en David hoorde ze. 24 Maar alle mannen in Israël, als zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer. 25 En de mannen van Israël zeiden: Hebt u die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal gebeuren, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal het huis van zijn vader vrijmaken in Israël. 26 Toen zei David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen? 27 Opnieuw zei hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Zo zal men de man doen, die hem slaat. 28 Als Eliab, zijn grootste broer, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom bent u nu afgekomen, en onder wie hebt u de weinig schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw overmoed, en de boosheid van uw hart wel; want u bent afgekomen, opdat u de strijd zou zien. 29 Toen zei David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak? 30 En hij wendde zich af van die naar een ander toe, en hij zei achtereenvolgens dat woord; en het volk gaf hem weer antwoord, achtervolgens de eerste woorden. 31 Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de aanwezigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen. 32 En David zei tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met deze Filistijn strijden. 33 Maar Saul zei tot David: U zult niet kunnen heengaan tot deze Filistijn, om met hem te strijden; want u bent een jongeling, en hij is een soldaat van zijn jeugd af. 34 Toen zei David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen van zijn vader, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg. 35 En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem. 36 Uw knecht heeft zo de leeuw als de beer geslagen; zo zal deze onbesneden Filistijn zijn, zoals één van die, omdat hij de slagorden van de levende God gehoond heeft. 37 Verder zei David: JAHWEH, Die mij van de hand van de leeuw gered heeft, en uit de hand van de beer, Die zal mij redden uit de hand van deze Filistijn. Toen zei Saul tot David: Ga heen, en JAHWEH zij met u! 38 En Saul kleedde David met zijn kleren, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier. 39 En David gordde zijn zwaard aan over zijn kleren, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zei David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich. 40 En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in de zak, en zijn slinger was in zijn hand; zo naderde hij tot de Filistijn. 41 De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht. 42 Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, en ook knap van uiterlijk. 43 De Filistijn nu zei tot David: Ben ik een hond, dat u tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden. 44 Daarna zei de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogels van de hemel geven, en aan de dieren van het veld. 45 David daarentegen zei tot de Filistijn: U komt tot mij met een zwaard, en met een speer, en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van JAHWEH van de legermachten, de God van de slagorden van Israël, Die u gehoond hebt. 46 Op deze dag zal JAHWEH u in mijn hand geven, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van het leger van de Filistijnen deze dag aan de vogels van de hemel, en aan de beesten van het veld geven; en de hele aarde zal weten, dat Israël een God heeft. 47 En deze hele vergadering zal weten, dat JAHWEH niet door het zwaard, noch door de speer verlost; want de oorlog is van JAHWEH, Die zal u in onze hand geven. 48 En het gebeurde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, de Filistijn tegemoet. 49 En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof de Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde. 50 Zo overweldigde David de Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg de Filistijn, en doodde hem; maar David had geen zwaard in de hand. 51 Daarom liep David, en stond op de Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmee af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, zo vluchtten zij. 52 Toen maakten zich de mannen van Israël en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden van de Filistijnen vielen op de weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron. 53 Daarna keerden de Israëlieten om, van het fel najagen van de Filistijnen, en zij beroofden hun legers. 54 Daarna nam David het hoofd van de Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent. 55 Toen Saul David zag uitgaan de Filistijn tegemoet, zei hij tot Abner, de oorlogsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet. 56 De koning nu zei: Vraag u het, wiens zoon deze jongeling is. 57 Als David keerde terug van het slaan van de Filistijn, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van de Filistijn was in zijn hand. 58 En Saul zei tot hem: Wiens zoon bent u, jongeling? En David zei: Ik ben een zoon van uw knecht Isaï, de Bethlehemiet. ### 1 Samuël 18 1 Het gebeurde nu, als hij geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan hield van hem als van zijn ziel. 2 En Saul nam hem op die dag, en liet hem niet terugkeren tot het huis van zijn vader. 3 Jonathan nu en David maakten een verbond, omdat hij hem liefhad als zijn ziel. 4 En Jonathan deed zijn mantel af, die hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn kleren, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe. 5 En David trok uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtig, en Saul zette hem over de soldaten; en hij was aangenaam in de ogen van het hele volk, en ook in de ogen van de knechten van Saul. 6 Het gebeurde nu, toen zij kwamen, en David keerde terug van het slaan van de Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israël, met gezang en reien, de koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten. 7 En de vrouwen, spelende, antwoordden elkaar en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden! 8 Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zei: Zij hebben David tien duizend gegeven, maar mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn. 9 En Saul had het oog op David, van die dag af en voortaan. 10 En het gebeurde op de andere dag, dat de boze geest van God met kracht over Saul kwam, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een speer in zijn hand. 11 En Saul schoot de speer, en zei: Ik zal David aan de wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af. 12 En Saul vreesde voor David, want JAHWEH was met hem, en Hij was van Saul geweken. 13 Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht van het volk. 14 En David gedroeg zich voorzichtig op al zijn wegen; en JAHWEH was met hem. 15 Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzichtig gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht. 16 Maar geheel Israël en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht. 17 Daarom zei Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleen, wees mij een dapper zoon, en voer de oorlog van JAHWEH. Want Saul zei: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. 18 Maar David zei tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en het huisgezin van mijn vader in Israël, dat ik de schoonzoon van de koning zou worden? 19 Het gebeurde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriël, de Meholathiet, tot vrouw gegeven. 20 Maar Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen. 21 En Saul zei: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand van de Filistijnen tegen hem zij. Daarom zei Saul tot David: Met de andere zult u vandaag mijn schoonzoon worden. 22 En Saul gebood zijn knechten: Spreek met David in het geheime, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu de schoonzoon van de koning. 23 En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zei David: Is dat licht in uw ogen, de schoonzoon van de koning te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben? 24 En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken. 25 Toen zei Saul: Zo zult u tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan de bruidschat, maar aan honderd voorhuiden van de Filistijnen, opdat men zich wreke aan de vijanden van de koning. Want Saul dacht David te vellen door de hand van de Filistijnen. 26 Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij de schoonzoon van de koning zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld. 27 Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze de koning volledig, opdat hij schoonzoon van de koning worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal tot vrouw. 28 En Saul zag en merkte, dat JAHWEH met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief. 29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen. 30 Als de vorsten van de Filistijnen uittrokken, zo gebeurde het, als zij uittrokken, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was. ### 1 Samuël 19 1 Daarom sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Maar Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David. 2 En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wees toch 's morgens op uw hoede, en blijf in het verborgene, en verstop u. 3 Maar ik zal uitgaan, en aan de hand van mijn vader staan op het veld, waar u zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen. 4 Zo sprak dan Jonathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zei tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn. 5 Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft de Filistijn geslagen, en JAHWEH heeft een groot heil aan het hele Israël gedaan; u hebt het gezien, en u bent verblijd geweest; waarom zou u dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende? 6 Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als JAHWEH leeft, hij zal niet gedood worden! 7 En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren. 8 En er werd opnieuw strijd; en David trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een grote slag, en zij vluchtten voor zijn aangezicht. 9 Maar de boze geest van JAHWEH was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn speer was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand; 10 Saul nu zocht met de speer David aan de wand te spitten, maar hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de speer in de wand sloeg. Toen vluchtte David, en ontkwam in die nacht. 11 Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem 's morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Als u uw ziel deze nacht niet behoedt, zo zult u morgen gedood worden. 12 En Michal liet David door een venster neer, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam. 13 En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdkussen, en dekte het met een kleed toe. 14 Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zei: Hij is ziek. 15 Toen zond Saul boden, om David te bekijken, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode. 16 Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdkussen. 17 Toen zei Saul tot Michal: Waarom hebt u mij zo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zei tot Saul: Hij zei tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden? 18 Zo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuël gingen heen, en zij bleven te Najoth. 19 En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth, bij Rama. 20 Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuël staande, over hen gesteld; en de Geest van God was over Sauls boden, en die profeteerden ook. 21 Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook. 22 Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot de grote waterput, die te Sechu was, en hij vraagde en zei: Waar is Samuël, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama. 23 Toen ging hij daarheen naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest van God was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam. 24 En hij trok zelf ook zijn kleren uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuël; en hij viel bloot neer die hele dag, en de hele nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten? ### 1 Samuël 20 1 Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam, en zei voor het aangezicht van Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht van uw vader, dat hij mijn ziel zoekt? 2 Hij daarentegen zei tot hem: Volstrekt niet, u zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen grote zaak, en geen kleine zaak, die hij voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak van mij verbergen? Dat is niet. 3 Toen zwoer David verder, en zei: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich geen zorgen maakt; en zeker, zo waarachtig als JAHWEH leeft, en uw ziel leeft, er is maar als een schrede tussen mij en tussen de dood! 4 Jonathan nu zei tot David: Wat uw ziel zegt, dat zal ik u doen. 5 En David zei tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zeker met de koning zou aanzitten om te eten; zo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan de derde avond. 6 Als uw vader mij zeker mist, zo zult u zeggen: David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijn stad Bethlehem mocht lopen; want daar is een jaarlijks offer voor het hele geslacht. 7 Als hij zo zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar als hij geheel ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is. 8 Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want u hebt uw knecht in een verbond van JAHWEH met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood u mij; waarom zou u mij toch tot uw vader brengen? 9 Toen zei Jonathan: Volstrekt niet van u! Maar als ik zeker merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten was, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven? 10 David nu zei tot Jonathan: Wie zal het mij te kennen geven, als uw vader u wat hards antwoordt? 11 Toen zei Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld. 12 En Jonathan zei tot David: JAHWEH, de God van Israël, als ik mijn vader onderzocht zal hebben ongeveer deze tijd, morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zend, en voor uw oor openbare; 13 Zo doe JAHWEH aan Jonathan, en zo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat u in vrede heengaat; en JAHWEH zij met u, zoals Hij met mijn vader geweest is. 14 En zult u niet, als ik dan nog leve, ja, zult u niet de goedertierenheid van JAHWEH aan mij doen, dat ik niet sterve? 15 Ook zult u uw goedertierenheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer JAHWEH ieder van de vijanden van David van de aardbodem zal uitgeroeid hebben. 16 Zo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat JAHWEH eise van de hand van de vijanden van David! 17 En Jonathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde van zijn ziel. 18 Daarna zei Jonathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal leeg gevonden worden. 19 En als u de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar u zich verborgen had op de dag van deze handeling; en blijf bij de steen Ezel. 20 Zo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik naar een teken schoot. 21 En zie, ik zal de jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, als ik uitdrukkelijk tot de jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom u, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zo werkelijk JAHWEH leeft! 22 Maar als ik tot de jongen zo zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en verder; ga heen, want JAHWEH heeft u laten gaan. 23 En voor wat betreft de zaak, waarvan ik en u gesproken hebben, zie, JAHWEH zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid! 24 David nu verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij het voedsel, om te eten. 25 Toen zich de koning gezet had op zijn zitplaats, op dit maal zoals de andere maal, aan de stede bij de wand, zo stond Jonathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd leeg gevonden. 26 En Saul sprak op die dag niets, want hij zei: Hem is wat voorgevallen, dat hij niet rein is; voorzeker, hij is niet rein. 27 Het gebeurde nu op de andere dag, de tweede van de nieuwe maan, als Davids plaats leeg gevonden werd, zo zei Saul tot zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch vandaag tot het voedsel gekomen? 28 En Jonathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstig naar Bethlehem te mogen gaan. 29 En hij zei: Laat mij toch gaan; want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broer heeft het mij zelfs geboden; heb ik nu genade in uw ogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijn broers zie; hierom is hij aan de tafel van de koning niet gekomen. 30 Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jonathan, en hij zei tot hem: U, zoon van de verkeerde in opstandigheid, weet ik het niet, dat u de zoon van Isaï gekozen hebt tot uw schande, en tot schande van de naaktheid van uw moeder? 31 Want al de dagen, die de zoon van Isaï op de aardbodem leven zal, zo zult u noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij, want hij is een kind van de dood. 32 Toen antwoordde Jonathan Saul, zijn vader, en zei tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan? 33 Toen schoot Saul de speer op hem, om hem te slaan. Zo merkte Jonathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden. 34 Daarom stond Jonathan van de tafel op in hitte van de toorn; en hij at op de tweede dag van de nieuwe maan geen brood, want hij maakte zich zorgen om David, omdat zijn vader hem gesmaad had. 35 En het gebeurde 's morgens, dat Jonathan in het veld ging, op de tijd, die David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem. 36 En hij zei tot zijn jongen: Loop, zoek nu de pijlen, die ik schieten zal. De jongen liep heen, en hij schoot een pijl, die hij deed over hem vliegen. 37 Toen de jongen tot aan de plaats van de pijl, die Jonathan geschoten had, gekomen was, zo riep Jonathan de jongen na, en zei: Is niet de pijl van u af en verder? 38 Opnieuw riep Jonathan de jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil! De jongen van Jonathan nu raapte de pijl op, en hij kwam tot zijn heer. 39 Maar de jongen wist er niets van; Jonathan en David alleen wisten van de zaak. 40 Toen gaf Jonathan zijn gereedschap aan de jongen, die hij had; en hij zei tot hem: Ga heen, breng het in de stad. 41 Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich drie keer; en zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat het David geheel veel maakte. 42 Toen zei Jonathan tot David: Ga in vrede; wat wij beiden in de Naam van JAHWEH gezworen hebben, zeggende: JAHWEH zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! 43 Daarna stond hij op, en ging heen; en Jonathan kwam in de stad. ### 1 Samuël 21 1 Toen kwam David te Nob, tot de priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zei tot hem: Waarom bent u alleen, en geen man met u? 2 En David zei tot de priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zei tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, waarvoor ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; de jongemannen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen gegeven. 3 En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt. 4 En de priester antwoordde David, en zei: Er is geen gewoon brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongemannen slechts van de vrouwen onthouden hebben. 5 David nu antwoordde de priester, en zei tot hem: Ja trouwens, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de voorwerpen van de jongemannen zijn heilig; en het is enigerwijze normaal brood, te meer omdat vandaag ander in de voorwerpen zal geheiligd worden. 6 Toen gaf de priester hem dat heilige brood, omdat er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht van JAHWEH weggenomen waren, dat men er warm brood legde, op de dag als dat weggenomen werd. 7 Daar was nu een man van de knechten van Saul, op die dag opgehouden voor het aangezicht van JAHWEH, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herders, die Saul had. 8 En David zei tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen speer of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, omdat de zaak van de koning haastig was. 9 Toen zei de priester: Het zwaard van Goliath, de Filistijn, die u sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter de efod; als u zich dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zei: Er is zijn gelijke niet; geef het mij. 10 En David maakte zich op, en vluchtte op die dag van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, de koning van Gath. 11 Maar de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning van het land? Zong men niet van deze in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden? 12 En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, de koning van Gath. 13 Daarom veranderde hij zijn gezicht voor hun ogen, en hij maakte zichzelf gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren van de poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen. 14 Toen zei Achis tot zijn knechten: Zie, u ziet, dat de man krankzinnig is, waarom hebt u hem tot mij gebracht? 15 Heb ik razenden gebrek, dat u deze gebracht hebt, om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen? ### 1 Samuël 22 1 Toen ging David van daar, en ontkwam in de grot van Adullam. En zijn broers hoorden het, en het hele huis van zijn vader, en kwamen daarheen tot hem af. 2 En tot hem verzamelde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitter bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren ongeveer vierhonderd mannen. 3 En David ging van daar naar Mizpa van de Moabieten; en hij zei tot de koning van de Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij u uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal. 4 En hij bracht hen voor het aangezicht van de koning van de Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was. 5 Maar de profeet Gad zei tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth. 6 En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn speer in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem. 7 Toen zei Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoor toch, u, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isaï u allen akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen? 8 Dat u zich allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met de zoon van Isaï; en niemand is onder u, die het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot iemand die lagen legt, zoals het op deze dag is. 9 Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zei: Ik zag de zoon van Isaï, komende te Nob, tot Achimelech, de zoon van Ahitub; 10 Die JAHWEH voor hem vraagde, en gaf hem proviant; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, de Filistijn. 11 Toen zond de koning heen, om de priester Achimelech, de zoon van Ahitub, te roepen, en het hele huis van zijn vader, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot de koning. 12 En Saul zei: Hoor nu, u, zoon van Ahitub! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn heer! 13 Toen zei Saul tot hem: Waarom hebt u samen u tegen mij verbonden, u en de zoon van Isaï, mits dat u hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, zoals het op deze dag is? 14 En Achimelech antwoordde de koning en zei: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en de schoonzoon van de koning, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis? 15 Heb ik vandaag begonnen God voor hem te vragen? Volstrekt niet van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het hele huis van mijn vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot. 16 Maar de koning zei: Achimelech, u moet de dood sterven, u en het hele huis van uw vader. 17 En de koning zei tot de lijfwachten, die bij hem stonden: Wend u, en doodt de priesters van JAHWEH, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Maar de knechten van de koning wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters van JAHWEH aan te vallen. 18 Toen zei de koning tot Doëg: Wend u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doëg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde op die dag vijf en tachtig mannen, die de linnen lijfrok droegen. 19 Hij sloeg ook Nob, de stad van deze priesters, met de scherpte van het zwaard, van de man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte van het zwaard. 20 Maar één van de zonen van Achimelech, de zoon van Ahitub, ontkwam, van wie de naam Abjathar was; die vluchtte David na. 21 En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesters van JAHWEH gedood had. 22 Toen zei David tot Abjathar: Ik wist wel op die dag, toen Doëg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van het huis van uw vader. 23 Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar u zult met mij in bewaring zijn. ### 1 Samuël 23 1 En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij beroven de schuren. 2 En David vraagde JAHWEH, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En JAHWEH zei tot David: Ga heen, en u zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen. 3 Maar de mannen van David zeiden tot hem: Zie, wij vrezen hier in Juda; hoeveel te meer, als wij naar Kehila tegen de slagorden van de Filistijnen gaan zullen. 4 Toen vraagde David JAHWEH nog verder; en JAHWEH antwoordde hem en zei: Maak u op, trek af naar Kehila; want Ik geef de Filistijnen in uw hand. 5 Zo trok David en zijn mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een grote slag; zo verloste David de inwoners van Kehila. 6 En het gebeurde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met de efod in zijn hand. 7 Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehila gekomen was, zo zei Saul: God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is besloten, komende in een stad met poorten en grendels. 8 Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila, om David en zijn mannen te belegeren. 9 Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem in het geheim voorhad, zei hij tot de priester Abjathar: Breng de efod herwaarts. 10 En David zei: JAHWEH, God van Israël! Uw knecht heeft zeker gehoord, dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil. 11 Zullen mij ook de burgers van Kehila in zijn hand overgeven? Zal Saul afkomen, zoals Uw knecht gehoord heeft? O JAHWEH, God van Israël, geef het toch Uw knecht te kennen! JAHWEH nu zei: Hij zal afkomen. 12 Daarna zei David: Zouden de burgers van Kehila mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul? En JAHWEH zei: Zij zouden u overgeven. 13 Toen maakte zich David en zijn mannen op, ongeveer zeshonderd man, en zij gingen uit Kehila, en zij gingen heen, waar zij konden gaan. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehila ontkomen was, zo hield hij op uit te trekken. 14 David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op de berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, maar God gaf hem niet over in zijn hand. 15 Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud. 16 Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. 17 En hij zei tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar u zult koning worden over Israël, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul dat wel. 18 En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht van JAHWEH; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis. 19 Toen trokken de Zifieten op tot Saul naar Gibeä, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op de heuvel van Hachila, die aan de rechterhand van de wildernis is? 20 Nu dan, o koning, kom spoedig af naar al de begeerte van uw ziel; en het komt ons toe hem over te geven in de hand van de koning. 21 Toen zei Saul: Gezegend bent u voor JAHWEH, dat u zich over mij ontfermd hebt! 22 Ga toch heen, en bereidt de zaak nog meer, dat u weet en beziet zijn plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien heeft; want hij heeft tot mij gezegd, dat hij zeer listig pleegt te handelen. 23 Daarom ziet toe, en verneemt naar alle schuilplaatsen, waarin hij schuilt; kom dan weer tot mij met vast bescheid, zo zal ik met u gaan; en het zal gebeuren, zo hij in het land is, zo zal ik hem naspeuren onder alle duizenden van Juda. 24 Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangezicht van Saul. David nu en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de rechterhand van de wildernis. 25 Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van die rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon. 26 En Saul ging aan deze zijde van de berg, en David en zijn mannen aan de overzijde van de berg. Het gebeurde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen. 27 Maar daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen. 28 Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij trok de Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekoth. ### 1 Samuël 24 1 En David trok van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi. 2 En het gebeurde, nadat Saul teruggekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi. 3 Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en hij trok heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen van de steenbokken. 4 En hij kwam tot de schaapskooien aan de weg, waar een grot was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden van de grot. 5 Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie de dag, waarop JAHWEH tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u zult hem doen, zoals het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel. 6 Maar het gebeurde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had. 7 En hij zei tot zijn mannen: Dat late JAHWEH ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, de gezalfde van JAHWEH, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde van JAHWEH! 8 En David scheidde zijn mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de grot, en ging op de weg. 9 Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de grot, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich. 10 En David zei tot Saul: Waarom hoort u de woorden van de mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad? 11 Zie, op deze dag hebben uw ogen gezien, dat JAHWEH u vandaag in mijn hand gegeven heeft in deze grot, en men zei, dat ik u doden zou; maar mijn hand spaarde u, want ik zei: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde van JAHWEH. 12 Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip van uw mantel in mijn hand; want als ik de slip van uw mantel afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; toch jaagt u mijn ziel, dat u ze wegneemt. 13 JAHWEH zal richten tussen mij en tussen u, en JAHWEH zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 14 Zoals het spreekwoord van de ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn. 15 Naar wie is de koning van Israël uitgegaan? Wie jaagt u na? Naar een dode hond, naar een enige vlo! 16 Maar JAHWEH zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand. 17 En het gebeurde, toen David geëindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zo zei Saul: Is dit uw stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijn stem op en huilde. 18 En hij zei tot David: U bent rechtvaardiger dan ik; want u hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden. 19 En u hebt mij vandaag aangewezen, dat u mij goed gedaan hebt; want JAHWEH had mij in uw hand besloten, en u hebt mij niet gedood. 20 Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goede weg laten gaan? JAHWEH nu vergelde u het goede, voor deze dag, die u mij vandaag gemaakt hebt. 21 En nu, zie, ik weet, dat u voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand bestaan zal. 22 Zo zweer mij dan nu bij JAHWEH, zo u mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen uit het huis van mijn vader! 23 Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging in zijn huis, maar David en zijn mannen gingen op in de vesting. ### 1 Samuël 25 1 En Samuël stierf; en geheel Israël verzamelde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en trok af naar de woestijn Paran. 2 En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren van zijn schapen te Karmel. 3 En de naam van de man was Nabal, en de naam van zijn huisvrouw was Abigaïl; en de vrouw was goed van verstand, en mooi van gestalte; maar de man was hard en boos van daden, en hij was een Kalebiet. 4 Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor, 5 Zo zond David tien jongemannen; en David zei tot de jongemannen: Ga op naar Karmel, en als u tot Nabal komt, zo zult u hem in mijn naam naar de welstand vragen; 6 En zult zo zeggen tot die welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat u hebt, zij vrede! 7 En nu, ik heb gehoord, dat u scheerders hebt; nu, de herders, die u hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen smaad aangedaan, en zij hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn. 8 Vraag het uw jongemannen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongemannen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goede dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, wat uw hand vinden zal. 9 Toen de jongemannen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo hielden zij stil. 10 En Nabal antwoordde de knechten van David, en zei: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn vandaag vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer. 11 Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik het de mannen geven, die ik niet weet, vanwaar zij zijn? 12 Toen keerden zich de jongemannen van David naar hun weg; en zij keerden weer, en kwamen, en boodschapten hem achtervolgens al deze woorden. 13 David dan zei tot zijn mannen: Ieder gorde zijn zwaard aan. Toen gordde ieder zijn zwaard aan, en David gordde ook zijn zwaard aan; en zij trokken op achter David, ongeveer vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het gereedschap. 14 Maar een jongeling uit de jongemannen boodschapte het aan Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onze heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren. 15 Toch zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaad geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren. 16 Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen. 17 Weet dan nu, en zie, wat u doen zult; want het kwaad is ten volle over onze heer besloten, en over zijn hele huis; en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken. 18 Toen haastte zich Abigaïl, en nam tweehonderd broden, en twee lederen zakken wijn, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroosterd koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en legde die op ezels. 19 En zij zei tot haar jongemannen: Trek heen voor mijn aangezicht; zie, ik kom achter u; maar haar man Nabal gaf zij het niet te kennen. 20 Het gebeurde nu, toen zij op de ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene van de berg, en ziet, David en zijn mannen kwamen af haar tegemoet, en zij ontmoette hen. 21 David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, zo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. 22 Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, als ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is! 23 Toen nu Abigaïl David zag, zo haastte zij zich, en kwam van de ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde. 24 En zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden van uw dienstmaagd. 25 Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan deze Belials man, aan Nabal; want zoals zijn naam is, zo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongemannen van mijn heer niet gezien, die u gezonden hebt. 26 En nu, mijn heer! zo waarachtig als JAHWEH leeft, en uw ziel leeft, het is JAHWEH, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken! 27 En nu, dit is de zegen, die uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde aan de jongemannen, die de voetstappen van mijn heer nawandelen. 28 Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want JAHWEH zal zeker mijn heer een bestendig huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van JAHWEH oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af. 29 Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel van mijn heer ingebonden zijn in het bundeltje van de levenden bij JAHWEH, uw God; maar de ziel van uw vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid van de slinger. 30 En het zal gebeuren, als JAHWEH mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël; 31 Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot van het hart, te weten, dat u bloed zonder oorzaak zou vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelf zou verlost hebben; en als JAHWEH mijn heer weldoen zal, zo zult u uw dienstmaagd gedenken. 32 Toen zei David tot Abigaïl: Gezegend zij JAHWEH, de God van Israël, Die u op deze dag mij tegemoet gezonden heeft! 33 En gezegend zij uw raad en gezegend bent u, dat u mij op deze dag geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben! 34 Want voorzeker, het is zo waarachtig als JAHWEH, de God van Israël, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, tenzij u zich gehaast had, en mij tegemoet gekomen was, zo was van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht! 35 Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zei tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen. 36 Toen nu Abigaïl tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als de maaltijd van een koning; en het hart van Nabal was vrolijk daarop, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet één woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht. 37 Het gebeurde nu in de morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zo gaf hem zijn huisvrouw die woorden te kennen. Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij werd als een steen. 38 En het gebeurde ongeveer na tien dagen, zo sloeg JAHWEH Nabal, dat hij stierf. 39 Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zei hij: Gezegend zij JAHWEH, Die de twist van mijn smaad getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat JAHWEH het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David zond heen, en liet met Abigaïl spreken, om haar tot vrouw te nemen. 40 Als nu de knechten van David tot Abigaïl gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, om u tot vrouw te nemen. 41 Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en zij zei: Zie, uw dienstmaagd zij tot een dienares, om de voeten van de knechten van mijn heer te wassen. 42 Abigaïl nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden, die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw. 43 Ook nam David Ahinoam van Jizreël; zo waren ook die beiden hem tot vrouwen. 44 Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, die van Gallim was. ### 1 Samuël 26 1 De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibeä, zeggende: Houd zich David niet verborgen op de heuvel van Hachila, voor aan de wildernis? 2 Toen maakte zich Saul op, en trok af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif. 3 En Saul sloeg zijn kamp op op de heuvel van Hachila, die voor aan de wildernis is aan de weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn. 4 Want David had spionnen gezonden, en hij vernam, dat Saul voorzeker kwam. 5 En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag in de wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd. 6 Toen antwoordde David, en sprak tot Achimelech, de Hethiet, en tot Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab, zeggende: Wie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zei Abisai: Ik zal met u afgaan. 7 Zo kwamen David en Abisai tot het volk in de nacht; en ziet, Saul lag te slapen in de wagenburg, en zijn speer stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner, en het volk lag rondom hem. 8 Toen zei Abisai tot David: God heeft vandaag uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de speer op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet voor de tweede keer doen. 9 David daarentegen zei tot Abisai: Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan de gezalfde van JAHWEH gelegd, en is onschuldig gebleven? 10 Verder zei David: Zo waarachtig als JAHWEH leeft; maar JAHWEH zal hem slaan, of zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome. 11 JAHWEH late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan de gezalfde van JAHWEH! zo neem toch nu de speer, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan. 12 Zo nam David de speer en de waterfles van Sauls hoofdeinde, en zij gingen heen; en er was niemand, die het zag, en niemand, die het merkte, ook niemand, die ontwaakte; want zij sliepen allen; want er was een diepe slaap van JAHWEH op hen gevallen. 13 Toen David over aan de overzijde gekomen was, zo stond hij op de hoogte van de berg van verre, dat er een grote plaats tussen hen was. 14 En David riep tot het volk, en tot Abner, de zoon van Ner, zeggende: Zult u niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en zei: Wie bent u, die tot de koning roept? 15 Toen zei David tot Abner: Bent u niet een man, en wie is u gelijk in Israël? Waarom dan hebt u over uw heer, de koning, geen wacht gehouden? Want daar is één van het volk gekomen, om de koning, uw heer, te verderven. 16 Deze zaak, die u gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als JAHWEH leeft, u bent kinderen van de dood, die over uw heer, de gezalfde van JAHWEH, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de speer van de koning is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was. 17 Saul nu kende de stem van David, en zei: Is dit uw stem, mijn zoon David? David zei: Het is mijn stem, mijn heer koning! 18 Hij zei verder: Waarom vervolgt mijn heer zijn knecht zo achterna, want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijn hand? 19 En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden van zijn knecht. Als JAHWEH u tegen mij aanport, laat Hem het voedseloffer ruiken; maar als het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht van JAHWEH, omdat zij mij vandaag verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel van JAHWEH, zeggende: Ga heen, dien andere goden. 20 En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht van JAHWEH; want de koning van Israël is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, zoals men een veldhoen op de bergen nastreeft. 21 Toen zei Saul: Ik heb gezondigd; keer weer, mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen, voor dat mijn ziel deze dag dierbaar in uw ogen geweest is; zie, ik heb dwaas gedaan, en ik heb zeer enorm gedwaald. 22 Toen antwoordde David, en zei: Zie, de speer van de koning; zo laat één van de jongemannen overkomen, en halen ze. 23 JAHWEH dan vergelde aan ieder zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid; want JAHWEH had u vandaag in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan de gezalfde van JAHWEH. 24 En zie, zoals op deze dag uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, zo zij mijn ziel in de ogen van JAHWEH groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood. 25 Toen zei Saul tot David: Gezegend bent u, mijn zoon David; u zult het ja zeker doen, en u zult ook zeker de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weer naar zijn plaats. ### 1 Samuël 27 1 David nu zei in zijn hart: Nu zal ik één van de dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastig ontkome in het land van de Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in het hele gebied van Israël; zo zal ik ontkomen uit zijn hand. 2 Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath. 3 En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, ieder met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische. 4 Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken. 5 En David zei tot Achis: Als ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in één van de steden van het land, dat ik daar woon; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen? 6 Toen gaf Achis op die dag Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op deze dag. 7 Het getal nu van de dagen, die David in het land van de Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden. 8 David nu trok op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners van het land), dat u gaat naar Sur, en tot aan Egypteland. 9 En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezels, en kamelen, en kleren, en keerde weer en kwam tot Achis. 10 Als Achis zei: Waar bent u vandaag ingevallen? zo zei David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden van de Jerahmeelieten, en tegen het zuiden van de Kenieten. 11 En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Zo heeft David gedaan! En zo was zijn wijze al de dagen, die hij in het land van de Filistijnen gewoond heeft. 12 En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich geheel en al in kwade reuk gebracht bij zijn volk, in Israël; daarom zal hij eeuwig mij tot een knecht zijn. ### 1 Samuël 28 1 En het gebeurde in die dagen, als de Filistijnen hun legers verzamelden tot de strijd, om tegen Israël te strijden, zo zei Achis tot David: U zult zeker weten, dat u met mij in het leger zult uittrekken, u en uw mannen. 2 Toen zei David tot Achis: Zo zult u weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zei tot David: Daarom zal ik u tot bewaarder van mijn hoofd zetten, altijd. 3 Samuël nu was gestorven, en geheel Israël had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en dodenbezweerders. 4 En de Filistijnen kwamen en verzamelden zich, en zij sloegen hun kamp op te Sunem; en Saul verzamelde geheel Israël, en zij sloegen hun kamp op op Gilboa. 5 Toen Saul het leger van de Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer. 6 En Saul vraagde JAHWEH; maar JAHWEH antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten. 7 Toen zei Saul tot zijn knechten: Zoek mij een vrouw, die een waarzeggende geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggende geest heeft. 8 En Saul verstelde zich, en trok andere kleren aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen in de nacht tot de vrouw, en hij zei: Voorzeg mij toch door de waarzeggende geest, en doe mij opkomen, die ik tot u zeggen zal. 9 Toen zei de vrouw tot hem: Zie, u weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de dodenbezweerders uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt u dan mijn ziel een strik, om mij te doden? 10 Saul nu zwoer haar bij JAHWEH, zeggende: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, als u een straf om deze zaak zal overkomen! 11 Toen zei de vrouw: Wie zal ik u doen opkomen? En hij zei: Doe mij Samuël opkomen. 12 Toen nu de vrouw Samuël zag, zo riep zij met luide stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt u mij bedrogen? Want u bent Saul. 13 En de koning zei tot haar: Vrees niet; maar wat ziet u? Toen zei de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende. 14 Hij dan zei tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zei: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat het Samuël was, zo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich. 15 En Samuël zei tot Saul: Waarom hebt u mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zei Saul: Ik ben zeer benauwd, want de Filistijnen strijden tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door de dienst van de profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat u mij te kennen geeft, wat ik doen zal. 16 Toen zei Samuël: Waarom vraagt u mij toch, omdat JAHWEH van u geweken en uw vijand geworden is? 17 Want JAHWEH heeft voor Zich gedaan, zoals Hij door mijn dienst gesproken heeft; en heeft het koninkrijk van uw hand gescheurd, en Hij heeft dat gegeven aan uw naaste, aan David. 18 Zoals u naar de stem van JAHWEH niet gehoord hebt, en de hitte van Zijn toorn niet uitgericht hebt tegen Amalek; daarom heeft JAHWEH u deze zaak gedaan op deze dag. 19 En JAHWEH zal ook Israël met u in de hand van de Filistijnen geven, en morgen zult u en uw zonen bij mij zijn; ook zal JAHWEH het leger van Israël in de hand van de Filistijnen geven. 20 Toen viel Saul haastig ter aarde, zo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden van Samuël; ook was er geen kracht in hem; want hij had de hele dag en de hele nacht geen brood gegeten. 21 De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zei tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die u tot mij gesproken hebt. 22 Zo hoor toch u nu ook naar de stem van uw dienstmaagd, en laat mij een stuk brood voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat u over weg gaat. 23 Maar hij weigerde het, en zei: Ik zal niet eten. Maar zijn knechten, en ook de vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hun stem, en hij stond op van de aarde, en zette zich op het bed. 24 En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van. 25 En zij bracht ze voor Saul en voor zijn knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, en gingen weg in die nacht. ### 1 Samuël 29 1 De Filistijnen nu hadden al hun legers verzameld te Afek; en de Israëlieten sloegen hun kamp op bij de fontein, die bij Jizreël is. 2 En de vorsten van de Filistijnen trokken daarheen met honderden, en met duizenden; maar David met zijn mannen trokken met Achis in de achtertocht. 3 Toen zeiden de oversten van de Filistijnen: Wat zullen deze Hebreën? Zo zei Achis tot de oversten van de Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, de koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van die dag af, dat hij afgevallen is tot deze dag toe. 4 Maar de oversten van de Filistijnen werden zeer boos op hem, en de oversten van de Filistijnen zeiden tot hem: Doe de man terugkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar u hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in de strijd, opdat hij ons niet tot een tegenstander wordt in de strijd; want waarmee zou deze zich bij zijn heer aangenaam maken? Is het niet met de hoofden van deze mannen? 5 Is dit niet die David, van wie zij in de rei elkaar antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden? 6 Toen riep Achis David, en zei tot hem: Het is zo waarachtig als JAHWEH leeft, dat u oprecht bent, en uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden, van die dag af, dat u tot mij bent gekomen, tot deze dag toe; maar u bent niet aangenaam in de ogen van de vorsten. 7 Zo keer nu om, en ga in vrede, opdat u geen kwaad doet in de ogen van de vorsten van de Filistijnen. 8 Toen zei David tot Achis: Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt u in uw knecht gevonden, van die dag af, dat ik voor uw aangezicht geweest ben, tot deze dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer, de koning? 9 Achis nu antwoordde en zei tot David: Ik weet het; werkelijk, u bent aangenaam in mijn ogen, als een engel van God; maar de oversten van de Filistijnen hebben gezegd: Laat hem met ons in deze strijd niet optrekken. 10 Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten van uw heer, die met u gekomen zijn; en als u zich morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het u licht geworden is, zo gaat heen. 11 Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijn mannen, dat zij 's morgens weggingen, om weer te keren in het land van de Filistijnen; de Filistijnen daarentegen trokken op naar Jizreël. ### 1 Samuël 30 1 Het gebeurde nu, als David en zijn mannen de derde dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en het met vuur verbrand hadden; 2 En dat zij de vrouwen, die daarin waren, als gevangene weggevoerd hadden; maar zij hadden niemand doodgeslagen, van de kleinste tot de grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren van hun weg gegaan. 3 En David en zijn mannen kwamen aan de stad, en ziet, zij was met vuur verbrand; en hun vrouwen, en hun zonen en hun dochters waren als gevangene weggevoerd. 4 Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en huilden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te huilen. 5 Davids beide vrouwen waren ook als gevangene weggevoerd, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet. 6 En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen; want de zielen van het hele volk waren verbitterd, ieder over zijn zonen en over zijn dochters; maar David sterkte zich in JAHWEH, zijn God. 7 En David zei tot de priester Abjathar, de zoon van Achimelech: Breng mij toch de efod hier. En Abjathar bracht de efod tot David. 8 Toen vraagde David JAHWEH, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zei tot hem: Jaag na, want u zult zeker achterhalen, en u zult zeker verlossen. 9 David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven de overigen staan. 10 En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moe waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan. 11 En zij vonden een Egyptische man op het veld, en zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood, en hij at, en zij gaven hem water te drinken. 12 Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weer in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken. 13 Daarna zei David tot hem: Van wie bent u? En vanwaar bent u? Toen zei de Egyptische jongen: Ik ben de knecht van een Amalekietische man, en mijn heer heeft mij verlaten, omdat ik voor drie dagen ziek geworden ben. 14 Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op wat van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand. 15 Toen zei David tot hem: Zou u mij wel heen afleiden tot deze bende? Hij dan zei: Zweer mij bij God, dat u mij niet zult doden, en dat u mij niet zult overleveren in de hand van mijn heer! Zo zal ik u tot deze bende afleiden. 16 En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de hele aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al de grote buit, die zij genomen hadden uit het land van de Filistijnen, en uit het land van Juda. 17 En David sloeg hen van de schemering tot aan de avond van hun andere dag; en er ontkwam niet één man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kamelen reden en vluchtten. 18 Zo redde David al wat de Amalekieten genomen hadden; ook redde David zijn twee vrouwen. 19 En onder hen werd niet gemist van de kleinste tot aan de grootste, en tot aan de zonen en dochters; en van de buit, ook tot alles, wat zij van hen genomen hadden; David bracht het allemaal weer. 20 David nam ook al de schapen en de runderen; zij dreven ze voor dat vee heen, en zeiden: Dit is Davids buit. 21 Als David tot de tweehonderd mannen kwam, die zo moe waren geweest, dat zij David niet hadden kunnen navolgen, en die zij aan de beek Besor hadden laten blijven, die gingen David tegemoet, en het volk, dat bij hem was, tegemoet; en David trad tot het volk, en hij vraagde hen naar de welstand. 22 Toen antwoordde elke boosaardige Belialsman onder de mannen, die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van de buit, die wij gered hebben, niet geven, maar aan ieder zijn vrouw en zijn kinderen; laat hen die heenleiden, en weggaan. 23 Maar David zei: Zo zult u niet doen, mijn broers, met wat ons JAHWEH gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven. 24 Wie zou toch u in deze zaak horen? Want zoals het deel van degenen is, die in de strijd mee afgetogen zijn, zo zal ook het deel van degenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen. 25 En dit is van die dag af en voortaan zo geweest; want hij heeft het tot een inzetting en tot een recht gesteld in Israël, tot op deze dag. 26 Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda, zijn vrienden, van de buit, zeggende: Zie, daar is een zegen voor u, van de buit van de vijanden van JAHWEH. 27 Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather, 28 En tot die te Aroër, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa, 29 En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden van de Jerahmeëlieten waren, en tot die, welke in de steden van de Kenieten waren, 30 En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach, 31 En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen. ### 1 Samuël 31 1 De Filistijnen dan streden tegen Israël; en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul. 3 En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met de boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters. 4 Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. 5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem. 6 Zo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, op die dag te gelijk. 7 Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde van de Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. 8 Het gebeurde nu op de andere dag, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa. 9 En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij trokken zijn wapenen uit, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om te boodschappen in het huis van hun afgoden, en onder het volk. 10 En zij leiden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan de muur te Beth-san. 11 Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden; 12 Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen de hele nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, van de muur te Beth-san; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze daar. 13 En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen. ## 2 Samuël ### 2 Samuël 1 1 Verder gebeurde het na Sauls dood, als David van de slag van de Amalekieten was teruggekeerd, en David twee dagen te Ziklag gebleven was; 2 Zo gebeurde het op de derde dag, dat, ziet, uit het leger van Saul, een man kwam, van wie de kleren gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het gebeurde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neer. 3 En David zei tot hem: Vanwaar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontkomen uit het leger van Israël. 4 Verder zei David tot hem: Wat is de zaak? Vertel het mij toch. En hij zei, dat het volk uit de strijd gevlucht was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren. 5 En David zei tot de jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet u, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan? 6 Toen zei de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam toevallig op het gebergte van Gilboa; en ziet, Saul leunde op zijn speer; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem. 7 Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zei: Zie, hier ben ik. 8 En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik zei tot hem: Ik ben een Amalekiet. 9 Toen zei hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze benauwdheid heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog geheel in mij. 10 Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en de armband, die aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht. 11 Toen vatte David zijn kleren en scheurde ze; evenzo ook al de mannen, die met hem waren. 12 En zij weeklaagden, en huilden, en vastten tot op de avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk van JAHWEH, en over het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren. 13 Verder zei David tot de jongen, die hem de boodschap gebracht had: Vanwaar bent u? En hij zei: Ik ben de zoon van een vreemdeling, van een Amalekiet. 14 En David zei tot hem: Hoe, hebt u niet gevreesd uw hand uit te strekken, om de gezalfde van JAHWEH te verderven? 15 En David riep een van de jongens, en zei: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf. 16 En David zei tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb de gezalfde van JAHWEH gedood. 17 David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon; 18 Als hij gezegd had, dat men de kinderen van Juda de boog zou leren; zie, het is geschreven in het boek van de Oprechten. 19 O Sieraad van Israël, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen! 20 Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters van de Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters van de onbesnedenen niet opspringen van vreugde. 21 U, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden van de hefoffers; want daar is het schild van de helden smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd was geweest met olie. 22 Van het bloed van de verslagenen, van het vette van de helden, werd Jonathans boog niet achteruit gedreven; en Sauls zwaard keerde niet leeg weer. 23 Saul en Jonathan, die geliefden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan adelaars, zij waren sterker dan leeuwen. 24 U, dochters van Israël, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding. 25 Hoe zijn de helden gevallen in het midden van de strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten! 26 Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broer Jonathan! U was mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde van de vrouwen. 27 Hoe zijn de helden gevallen, en de oorlogswapenen verloren! ### 2 Samuël 2 1 En het gebeurde daarna, dat David JAHWEH vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een van de steden van Juda? En JAHWEH zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron. 2 Zo trok David daarheen op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet. 3 Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, ieder met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron. 4 Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden daar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben. 5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zei tot hen: Gezegend bent u JAHWEH, dat u deze goedertierenheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven. 6 Zo doe nu JAHWEH aan u goedertierenheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, omdat u deze zaak gedaan hebt. 7 En nu, laat uw handen sterk zijn, en wees dapper, omdat uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd. 8 Abner nu, de zoon van Ner, de oorlogsoverste, die Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim, 9 En maakte hem tot koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over geheel Israël. 10 Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleen die van het huis van Juda volgden David na. 11 Het getal nu van de dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden. 12 Toen trok Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, de zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon. 13 Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, trokken ook uit; en zij ontmoetten elkaar bij de vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde van de vijver, en die aan de overzijde van de vijver. 14 En Abner zei tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht vechten. En Joab zei: Laat hen zich opmaken. 15 Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten. 16 En de één greep de ander bij het hoofd, en stootte zijn zwaard in de zijde van de anderen, en zij vielen samen; daarvan noemde men die plaats Chelkath-hazurim, die bij Gibeon is. 17 En er was op die dag een geheel zeer harde strijd. Maar Abner en de mannen van Israël werden voor het aangezicht van de knechten van David geslagen. 18 Nu waren daar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een van de reeën, die in het veld zijn. 19 En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan. 20 Toen zag Abner achter zich om, en zei: Bent u dit, Asahel? En hij zei: Ik ben het. 21 En Abner zei tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem. 22 Toen voer Abner verder voort, zeggende tot Asahel: Wijk af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broer Joab? 23 Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de speer aan de vijfde rib, dat de speer van achter hem uitging; en hij viel daar, en stierf op zijn plaats. En het gebeurde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven. 24 Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot de heuvel van Amma, die is voor Giach, op de weg van de woestijn van Gibeon. 25 En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot één groep; en zij stonden op de spits van een heuvel. 26 Toen riep Abner tot Joab, en zei: Zal dan het zwaard eeuwig verteren? Weet u niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult u het volk niet zeggen, dat zij terugkeren van hun broers te vervolgen? 27 En Joab zei: Zo waarachtig als God leeft, tenzij u gesproken had, zeker het volk zou al toen van de morgen af weggevoerd zijn geweest, ieder van zijn broer te vervolgen! 28 Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet verder voort te strijden. 29 Abner dan en zijn mannen gingen die gehele nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het hele Bithron door, en kwamen tot Mahanaim. 30 Joab keerde ook weer van achter Abner, en verzamelde het hele volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel. 31 Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven. 32 En zij namen Asahel op, en begroeven hem in het graf van zijn vader, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen de gehele nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron. ### 2 Samuël 3 1 En er was een lange strijd tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Maar David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker. 2 En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; 3 En zijn tweede was Chileab, van Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, koning van Gesur; 4 En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital; 5 En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Deze zijn David geboren te Hebron. 6 Terwijl die strijd was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo gebeurde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul. 7 Saul nu had een bijvrouw gehad, van wie de naam Rizpa was, dochter van Aja; en Isboseth zei tot Abner: Waarom bent u ingegaan tot de bijvrouw van mijn vader? 8 Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zei: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broers en aan zijn vrienden, vandaag goedertierenheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat u vandaag aan mij onderzoekt de ongerechtigheid van een vrouw? 9 God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, zoals JAHWEH aan David gezworen heeft, dat ik even zo aan hem zal doen. 10 Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende de stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe. 11 En hij kon Abner verder niet één woord antwoorden, omdat hij hem vreesde. 12 Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Van wie is het land? zeggende verder: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om geheel Israël tot u om te keren. 13 En hij zei: Wel, ik zal een verbond met u maken; maar één ding begeer ik van u, zeggende: U zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat u Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als u komt om mijn aangezicht te zien. 14 Ook zond David boden tot Isboseth, de zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden van de Filistijnen ondertrouwd heb. 15 Isboseth dan zond heen, en nam haar van de man, van Paltiël, de zoon van Laïs. 16 En haar man ging met haar, al gaande en huilend achter haar, tot Bahurim toe. Toen zei Abner tot hem: Ga weg, keer weer. En hij keerde weer. 17 Abner nu had woorden met de oudsten van Israël, zeggende: U hebt David te voren lang tot een koning over u begeerd. 18 Zo doet het nu; want JAHWEH heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand van de Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden. 19 En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Verder ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het hele huis van Benjamin. 20 En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en de mannen, die met hem waren, een maaltijd. 21 Toen zei Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en verzamelen geheel Israël tot mijn heer, de koning, dat zij een verbond met u maken, en u regeert over alles, wat uw ziel begeert. Zo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede. 22 En ziet, Davids knechten en Joab kwamen van een bende, en brachten met zich een grote roof. Abner nu was niet bij David te Hebron; want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede. 23 Als nu Joab en het hele leger, dat met hem was, aankwamen, zo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Ner, is gekomen tot de koning, en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede. 24 Toen ging Joab tot de koning in, en zei: Wat hebt u gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen; waarom nu hebt u hem laten gaan, dat hij zo vrij is weggegaan? 25 U kent Abner, de zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uw uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat u doet. 26 En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem opnieuw haalden van de bornput van Sira; maar David wist het niet. 27 Als nu Abner weer te Hebron kwam, zo leidde Joab hem ter zijde af in het midden van de poort, om in de stilte met hem te spreken; en hij sloeg hem daar aan de vijfde rib, dat hij stierf, vanwege het bloed van zijn broer Asahel. 28 Als David dat daarna hoorde, zo zei hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk, bij JAHWEH, tot in eeuwigheid, van het bloed van Abner, de zoon van Ner. 29 Laat het blijven op het hoofd van Joab, en op het hele huis van zijn vader; en laat er in het huis van Joab nooit iemand ontbreken die een vloed heeft, of melaats is, of zich aan de stok vasthoudt, of door het zwaard valt, of gebrek aan brood heeft! 30 Zo hebben Joab en zijn broer Abisai Abner doodgeslagen, omdat hij hun broer Asahel te Gibeon in de strijd gedood had. 31 David dan zei tot Joab en tot al het volk, dat bij hem was: Scheur uw kleren, en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner heen; en de koning David ging achter de baar. 32 Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zo hief de koning zijn stem op, en huilde bij Abners graf; ook huilde al het volk. 33 En de koning maakte een klage over Abner, en zei: Is dan Abner gestorven, als een dwaas sterft? 34 Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar u bent gevallen, zoals men valt voor het aangezicht van kinderen van de verkeerdheid. Toen huilde het hele volk nog meer over hem. 35 Daarna kwam al het volk, om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zo, en doe er zo toe, als ik voor het ondergaan van de zon brood of iets smake! 36 Als al het volk dit vernam, zo was het goed in hun ogen, alles, zoals de koning gedaan had, was goed in de ogen van het hele volk. 37 En al het volk en geheel Israël merkten op die dag, dat het van de koning niet was, dat men Abner, de zoon van Ner, gedood had. 38 Verder zei de koning tot zijn knechten: Weet u niet, dat te deze dage een vorst, ja, een grote in Israël gevallen is? 39 Maar ik ben vandaag zwak, en gezalfd tot koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik; JAHWEH zal de boosdoener vergelden naar zijn boosheid. ### 2 Samuël 4 1 Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en geheel Israël werd verschrikt. 2 En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden; de naam van de enen was Baëna, en de naam van de anderen Rechab, zonen van Rimmon, de Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook Beëroth werd aan Benjamin gerekend. 3 En de Beërothieten waren gevlucht naar Gitthaim, en waren daar vreemdelingen tot op deze dag. 4 En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die verlamd was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het gebeurde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth. 5 En de zonen van Rimmon: de Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen heen, en kwamen in het huis van Isboseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in de middag. 6 En zij kwamen daarin tot het midden van het huis, alsof zij tarwe kwamen halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broer Baëna ontkwamen. 7 Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en hakten zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen heen, de weg op het vlakke veld, de gehele nacht. 8 En zij brachten het hoofd van Isboseth tot David te Hebron, en zeiden tot de koning: Zie, daar is het hoofd van Isboseth, de zoon van Saul, uw vijand, die uw ziel zocht, zo heeft JAHWEH mijn heer de koning te deze dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad. 9 Maar David antwoordde Rechab en zijn broer Baëna, de zonen van Rimmon, de Beërothiet, en zei tot hen: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die mijn ziel uit alle benauwdheid verlost heeft! 10 Omdat ik hem, die mij boodschapte, zeggende: Zie, Saul is dood; daar hij in zijn ogen was als een, die goede boodschap bracht, toch gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende, dat ik hem bodenloon zou geven; 11 Hoeveel te meer, wanneer goddeloze mannen een rechtvaardigen man in zijn huis op zijn slaapstede hebben gedood? Nu dan, zou ik zijn bloed van uw handen niet eisen, en u van de aarde wegdoen? 12 En David gebood zijn jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hun handen en hun voeten af, en hingen ze op bij de vijver te Hebron, maar het hoofd van Isboseth namen zij, en begroeven het in Abners graf te Hebron. ### 2 Samuël 5 1 Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij. 2 Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, was u Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft JAHWEH tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult tot een voorganger zijn over Israël. 3 Zo kwamen alle oudsten van Israël tot de koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van JAHWEH; en zij zalfden David tot koning over Israël. 4 Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd. 5 Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over geheel Israël en Juda. 6 En de koning trok met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: U zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat wil zeggen: David zal hier niet inkomen. 7 Maar David nam de burg Sion in; die is de stad van David. 8 Want David zei op diezelfde dag: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen. 9 Zo woonde David in de burg en noemde die Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en naar binnen. 10 David nu ging steeds voort, en werd groot; want JAHWEH, de God van de legermachten, was met hem. 11 En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis. 12 En David merkte, dat JAHWEH hem tot een koning over Israël bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, omwille van Zijn volk Israël. 13 En David nam meer bijvrouwen, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochters geboren. 14 En dit zijn de namen van degenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo. 15 En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia, 16 En Elischama, en Eljada, en Elifeleth. 17 Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, zo trokken alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, trok af, naar de burg. 18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim. 19 Zo vraagde David JAHWEH, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult U ze in mijn hand geven? En JAHWEH zei tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw hand geven. 20 Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen daar, en zei: JAHWEH heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemde hij de naam van die plaats, Baäl-perazim. 21 En zij lieten hun afgoden daar; en David en zijn mannen namen ze op. 22 Daarna trokken de Filistijnen weer op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim. 23 En David vraagde JAHWEH, Die zei: U zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat u aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen; 24 En het gebeure, als u hoort het geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen, dan rep u; want dan is JAHWEH voor uw aangezicht uitgegaan, om het leger van de Filistijnen te slaan. 25 En David deed zo, zoals JAHWEH hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat u komt te Gezer. ### 2 Samuël 6 1 Daarna verzamelde David opnieuw alle beste mannen in Israël, dertig duizend. 2 En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baälim-juda, om van daar op te brengen de ark van God, waarbij de Naam wordt aangeroepen, de Naam van JAHWEH van de legermachten, Die daarop woont tussen de cherubim. 3 En zij voerden de ark van God op een nieuwe wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden de nieuwe wagen. 4 Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op de heuvel is, met de ark van God, wegvoerden, zo ging Ahio voor de ark heen. 5 En David en het hele huis van Israël speelden voor het aangezicht van JAHWEH, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen. 6 Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark van God, en hield ze, want de runderen struikelden. 7 Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen Uza, en God sloeg hem daar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf daar bij de ark van God. 8 En David ontstak, omdat JAHWEH een zware slag toegebracht had aan Uza; en hij noemde die plaats Perez-uza, tot op deze dag. 9 En David vreesde JAHWEH ten zelf dage; en hij zei: Hoe zal de ark van JAHWEH tot mij komen? 10 David dan wilde de ark van JAHWEH niet tot zich laten overbrengen in de stad van David; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, de Gethiet. 11 En de ark van JAHWEH bleef in het huis van Obed-edom, de Gethiet, drie maanden; en JAHWEH zegende Obed-edom en zijn hele huis. 12 Toen boodschapte men de koning David, zeggende: JAHWEH heeft het huis van Obed-edom, en al wat hij heeft, gezegend vanwege de ark van God; zo ging David heen en haalde de ark van God uit het huis van Obed-edom omhoog in de stad van David, met vreugde. 13 En het gebeurde, als zij, die de ark van JAHWEH droegen, zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde. 14 En David huppelde met alle macht voor het aangezicht van JAHWEH; en David was omgord met een linnen lijfrok. 15 Zo brachten David en het hele huis van Israël de ark van JAHWEH op, met gejuich en met geluid van de bazuinen. 16 En het gebeurde, als de ark van JAHWEH in de stad van David kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu de koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht van JAHWEH, verachtte zij hem in haar hart. 17 Toen zij nu de ark van JAHWEH inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandoffers voor het aangezicht van JAHWEH, en dankoffers. 18 Als David geëindigd had het brandoffer en de dankoffers te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van JAHWEH van de legermachten. 19 En hij deelde uit aan het hele volk, aan de hele menigte van Israël, van de mannen tot de vrouwen toe, aan ieder een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, ieder naar zijn huis. 20 Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zei: Hoe is vandaag de koning van Israël verheerlijkt, die zich vandaag voor de ogen van de dienaressen van zijn dienaren heeft ontbloot, zoals een van de ijdele mensen zich onbeschaamdelijk ontbloot? 21 Maar David zei tot Michal: Voor het aangezicht van JAHWEH, Die mij gekozen heeft voor uw vader en voor zijn hele huis, mij aangesteld heeft als een voorganger over het volk van JAHWEH, over Israël; ja, ik zal spelen voor het aangezicht van JAHWEH. 22 Ook zal ik mij nog geringer houden dan zo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienaressen, waarvan u gezegd hebt, daarmee zal ik verheerlijkt worden. 23 Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot de dag van haar dood toe. ### 2 Samuël 7 1 En het gebeurde, als de koning in zijn huis zat, en JAHWEH hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom, 2 Zo zei de koning tot de profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark van God woont in het midden van de gordijnen. 3 En Nathan zei tot de koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want JAHWEH is met u. 4 Maar het gebeurde in dezelfde nacht, dat het woord van JAHWEH tot Nathan kwam, zeggende: 5 Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt JAHWEH: Zou u Mij een huis bouwen tot Mijn woning? 6 Want Ik heb in geen huis gewoond, van die dag af, dat Ik de Israëlieten uit Egypte opvoerde, tot op deze dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel. 7 Overal, waar Ik met al de Israëlieten heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een van de stammen van Israël, die Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij niet een cederen huis? 8 Nu dan, zo zult u tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat u een voorganger zou zijn over Mijn volk, over Israël. 9 En Ik ben met u geweest, overal, waar u gegaan bent, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een grote naam gemaakt, als de naam van de groten, die op de aarde zijn. 10 En Ik heb voor Mijn volk, voor Israël, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woont, en niet meer heen en weer gedreven wordt; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, zoals in het eerst. 11 En van die dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël. Maar u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u JAHWEH te kennen, dat JAHWEH u een huis maken zal. 12 Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en u met uw vaders zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 13 Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal de stoel van zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid. 14 Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; die als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen. 15 Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, zoals Ik die weggenomen heb van Saul, die Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen. 16 Maar uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 17 Naar al deze woorden, en naar dit hele visioen, zo sprak Nathan tot David. 18 Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht van JAHWEH, en hij zei: Wie ben ik, Adonai JAHWEH, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 19 Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Adonai JAHWEH, maar U hebt ook over het huis van Uw knecht gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet van de mensen, Adonai JAHWEH! 20 En wat zal David nog meer tot U spreken? Want U kent Uw knecht, Adonai JAHWEH! 21 Vanwege Uw woord, en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, om aan Uw knecht bekend te maken. 22 Daarom bent U groot, JAHWEH God! Want er is niemand zoals U, en er is geen God dan alleen U, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben. 23 En wie is, zoals Uw volk, zoals Israël, één enig volk op aarde, dat God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor u deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht van Uw volk, dat U Zich uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende. 24 En U hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid; en U, JAHWEH, bent hun tot een God geworden. 25 Nu dan, JAHWEH God, doe dit woord, dat U over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, zoals U gesproken hebt. 26 En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: JAHWEH van de legermachten is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht. 27 Want U, JAHWEH van de legermachten, U, God van Israël! U hebt voor het oor van Uw knecht geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden. 28 Nu dan, Adonai JAHWEH! U bent die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en U hebt dit goede tot Uw knecht gesproken. 29 Zo moge het U nu behagen, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want U, Adonai JAHWEH, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid. ### 2 Samuël 8 1 En het gebeurde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-amma uit de hand van de Filistijnen. 2 Ook sloeg hij de Moabieten, en meette hen met een snoer, doende hen ter aarde neerliggen; en hij meette met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Zo werden de Moabieten David tot knechten, en brachten geschenken. 3 David sloeg ook Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen hij heen trok, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath. 4 En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagens over. 5 En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadad-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 6 En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, en brachten geschenken; en JAHWEH behoedde David overal, waar hij heentrok. 7 En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem. 8 Daartoe nam de koning David zeer veel koper uit Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer. 9 Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David het hele leger van Hadad-ezer geslagen had; 10 Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot de koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds strijd tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en koperen voorwerpen; 11 Die de koning David ook JAHWEH heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had; 12 Van Syrië, en van Moab, en van de kinderen van Ammon, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van de roof van Hadad-ezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba. 13 Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriërs geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend. 14 En hij legde bezettingen in Edom; in geheel Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en JAHWEH behoedde David overal, waar hij heentrok. 15 Zo regeerde David over geheel Israël, en David deed aan zijn hele volk recht en gerechtigheid. 16 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het leger; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier. 17 En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver. 18 Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen. ### 2 Samuël 9 1 En David zei: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik goedertierenheid aan hem doe, vanwege Jonathan? 2 Het huis van Saul nu had een knecht, van wie de naam Ziba was; en zij riepen hem tot David. En de koning zei tot hem: Bent u Ziba? En hij zei: Uw knecht. 3 En de koning zei: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods goedertierenheid bij hem doe? Toen zei Ziba tot de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten. 4 En de koning zei tot hem: Waar is hij? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, te Lodebar. 5 Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar. 6 Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neer. En David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw knecht. 7 En David zei tot hem: Vrees niet, want ik zal zeker goedertierenheid bij u doen, omwille van uw vader Jonathan; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en u zult steeds brood eten aan mijn tafel. 8 Toen boog hij zich, en zei: Wat is uw knecht, dat u omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben? 9 Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zei tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn hele huis, heb ik de zoon van uw heer gegeven. 10 Daarom zult u voor hem het land bearbeiden, u, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon van uw heer brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon van uw heer, zal voortdurend brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten. 11 En Ziba zei tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, zo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van de zonen van de koning zijn. 12 Mefiboseth nu had een kleine zoon, van wie de naam Micha was; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth. 13 Zo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij steeds at aan de tafel van de koning; en hij was kreupel aan beide zijn voeten. ### 2 Samuël 10 1 En het gebeurde daarna, dat de koning van de kinderen van Ammon stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats. 2 Toen zei David: Ik zal goedertierenheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas, zoals zijn vader goedertierenheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door de dienst van zijn knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen van Ammon. 3 Toen zeiden de vorsten van de kinderen van Ammon tot hun heer Hanun: Eer David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere? 4 Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun kleren half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. 5 Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zei: Blijf te Jericho, totdat uw baard weer gegroeid zal zijn, komt dan weer. 6 Toen nu de kinderen van Ammon zagen, dat zij zich bij David in kwade reuk gebracht hadden, zonden de kinderen van Ammon heen, en huurden van de Syriërs van Beth-Rechob, en van de Syriërs van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van de koning van Maächa duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man. 7 Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het hele leger met de helden. 8 En de kinderen van Ammon trokken uit, en stelden de slagorde voor de deur van de poort; maar de Syriërs van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maächa stonden afzonderlijk in het veld. 9 Als nu Joab zag, dat de spits van de slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël, en stelde hen in orde tegen de Syriërs aan; 10 En het overige van het volk gaf hij onder de hand van zijn broer Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen van Ammon aan. 11 En hij zei: Zo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zo zult u mij komen verlossen; en zo de kinderen van Ammon u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen. 12 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; JAHWEH nu doe, wat goed is in Zijn ogen. 13 Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot de strijd tegen de Syriërs; en zij vluchtten voor zijn aangezicht. 14 Als de kinderen van Ammon zagen, dat de Syriërs vluchtten, vluchtten zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weer van de kinderen van Ammon, en kwam te Jeruzalem. 15 Toen nu de Syriërs zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, zo verzamelden zij zich weer samen. 16 En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriërs uitkomen, die aan de overzijde van de rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, trok voor hun aangezicht heen. 17 Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij geheel Israël, en trok over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem. 18 Maar de Syriërs vluchtten voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagens, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij daar stierf. 19 Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen; en de Syriërs vreesden de kinderen van Ammon meer te verlossen. ### 2 Samuël 11 1 En het gebeurde bij het aanbreken van het nieuwe jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en geheel Israël heenzond, dat zij de kinderen van Ammon zouden vernietigen, en Rabba belegeren zouden. Maar David bleef te Jeruzalem. 2 Zo gebeurde het tegen de avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was heel knap om te zien. 3 En David zond heen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zei: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, de Hethiet? 4 Toen zond David boden heen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinheid gezuiverd), daarna keerde zij weer naar haar huis. 5 En die vrouw werd zwanger; zo zond zij heen, en liet David weten, en zei: Ik ben zwanger geworden. 6 Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uria, de Hethiet, tot mij. En Joab zond Uria tot David. 7 Als nu Uria tot hem kwam, zo vraagde David naar de welstand van Joab, en naar de welstand van het volk, en naar de welstand van de oorlog. 8 Daarna zei David tot Uria: Ga af naar uw huis, en was uw voeten. En toen Uria uit het huis van de koning uitging, werd hem een gerecht van de koning achternagebracht. 9 Maar Uria legde zich neer voor de deur van het huis van de koning, met al de knechten van zijn heer; en hij ging niet af in zijn huis. 10 En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zei David tot Uria: Komt u niet van de reis? Waarom bent u niet afgegaan in uw huis? 11 En Uria zei tot David: De ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten van mijn heer zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als u leeft en uw ziel leeft, als ik deze zaak doen zal! 12 Toen zei David tot Uria: Blijf ook vandaag hier, zo zal ik u morgen afzenden. Zo bleef Uria te Jeruzalem, die dag en de andere dag. 13 En David nodigde hem, zodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken. Daarna ging hij in de avond uit, om zich neer te leggen op zijn bed, met de knechten van zijn heer, maar ging niet af in zijn huis. 14 's Morgens nu gebeurde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond die door de hand van Uria. 15 En hij schreef in die brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover de sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen wordt en sterve. 16 Zo gebeurde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat daar strijdbare mannen waren. 17 Als nu de mannen van de stad uittrokken en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria, de Hethiet, stierf ook. 18 Toen zond Joab heen, en liet David de gehele handel van deze strijd weten. 19 En hij beval de bode, zeggende: Als u zult geëindigd hebben de gehele handel van deze strijd tot de koning uit te spreken; 20 En het zal gebeuren, als de woede van de koning opkomt, en hij tot u zegt: Waarom bent u zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist u niet, dat zij van de muur zouden schieten? 21 Wie sloeg Abimelech, de zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van de muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom bent u tot de muur genaderd? Dan zult u zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood. 22 En de bode ging heen, en kwam in, en gaf David te kennen alles, waar hem Joab om uitgezonden had. 23 En de bode zei tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur van de poort. 24 Toen schoten de schutters van de muur af op uw knechten, dat er van de knechten van de koning dood gebleven zijn; en uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood. 25 Toen zei David tot de bode: Zo zult u tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, want het zwaard verteert zowel deze als anderen; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem zo. 26 Als nu de huisvrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zo droeg zij leed over haar heer. 27 En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem tot vrouw, en baarde hem een zoon. Maar deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen van JAHWEH. ### 2 Samuël 12 1 En JAHWEH zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zei hij tot hem: Er waren twee mannen in één stad, de één rijk en de ander arm. 2 De rijke had zeer veel schapen en runderen. 3 Maar de arme had geheel niet dan één enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn brood, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter. 4 Toen nu de rijke man een wandelaar ontving, zag hij ervan af te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor de reizende man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam het ooilam van de arme man, en bereidde dat voor de man, die tot hem gekomen was. 5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen die man; en hij zei tot Nathan: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind van de dood! 6 En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet gespaard heeft. 7 Toen zei Nathan tot David: U bent die man! Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered; 8 En Ik heb u het huis van uw heer gegeven, daartoe de vrouwen van uw heer in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en als het weinig is, Ik zou u zoveel en nog meer daartoe doen. 9 Waarom hebt u dan het woord van JAHWEH veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? U hebt Uria, de Hethiet, met het zwaard verslagen, en de vrouw van Uria hebt u tot vrouw genomen; en hem hebt u met het zwaard van de kinderen van Ammon doodgeslagen. 10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat u Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, de Hethiet, genomen hebt, dat zij u zijn vrouw wordt. 11 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen van deze zon. 12 Want u hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor geheel Israël, en voor de zon. 13 Toen zei David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen JAHWEH! En Nathan zei tot David: JAHWEH heeft ook uw zonde weggenomen, u zult niet sterven. 14 Toch, omdat u door deze zaak de vijanden van JAHWEH enorm hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, de dood sterven. 15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En JAHWEH sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uria David gebaard had, dat het zeer ziek werd. 16 En David zocht God voor die jongen; en David vastte een vasten, en ging in, en lag de nacht over op de aarde. 17 Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen. 18 En het gebeurde op de zevende dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen. 19 Maar David zag, dat zijn knechten mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Daarom zei David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood. 20 Toen stond David op van de aarde, en waste en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis van JAHWEH, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at. 21 Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat u gedaan hebt? Vanwege het levende kind hebt u gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, bent u opgestaan en hebt brood gegeten. 22 En hij zei: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zei: Wie weet, JAHWEH zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. 23 Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet terugkeren. 24 Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, die zij Salomo noemde; en JAHWEH had hem lief. 25 En zond heen door de hand van de profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-jah, omwille van JAHWEH. 26 Joab nu streed tegen Rabba van de kinderen van Ammon; en hij nam de koninklijke stad in. 27 Toen zond Joab boden tot David, en zei: Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen. 28 Zo verzamel u nu het overige van het volk, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zo ik de stad zou innemen, mijn naam over haar uitgeroepen wordt. 29 Toen verzamelde David al dat volk, en trok naar Rabba; en hij streed tegen haar, en nam ze in. 30 En hij nam de kroon van haar koning van zijn hoofd af, waarvan het gewicht een talent goud was, met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit een zeer grote roof van de stad. 31 Het volk nu, dat daarin was, voerde hij uit, en legde het onder zagen, en onder ijzeren dorswagens, en onder ijzeren bijlen, en deed hen door de kleioven doorgaan; en zo deed hij aan alle steden van de kinderen van Ammon. Daarna keerde David, en al het volk, weer naar Jeruzalem. ### 2 Samuël 13 1 En het gebeurde daarna, zo Absalom, Davids zoon, een knappe zus had, van wie de naam Thamar was, dat Amnon, Davids zoon, haar lief kreeg. 2 En Amnon was benauwd tot ziek wordens toe, om zijn zus Thamars wil; want zij was een maagd, zodat het in Amnons ogen zwaar was, haar iets te doen. 3 Maar Amnon had een vriend, van wie de naam Jonadab was, een zoon van Simea, Davids broer; en Jonadab was een zeer wijs man. 4 Die zei tot hem: Waarom bent u van morgen tot morgen zo mager, u koningszoon, zult u het mij niet te kennen geven? Toen zei Amnon tot hem: Ik heb Thamar, de zus van mijn broer Absalom, lief. 5 En Jonadab zei tot hem: Leg u op uw bed, en maak u ziek; als dan uw vader zal komen om u te zien, zo zult u tot hem zeggen: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en het voedsel voor mijn ogen toemake, opdat ik het aanzie, en van haar hand ete. 6 Amnon dan legde zich, en maakte zich ziek. Toen nu de koning kwam om hem te zien, zei Amnon tot de koning: Dat toch mijn zus Thamar kome, dat zij twee koekjes voor mijn ogen toemake, en ik van haar hand ete. 7 Toen zond David heen tot Thamar in het huis, zeggende: Ga toch heen in het huis van uw broer Amnon, en maak hem een voedsel. 8 En Thamar ging heen in het huis van haar broer Amnon, (hij nu was neerliggende), en zij nam deeg, en kneedde het, en maakte koekjes toe voor zijn ogen, en bakte de koekjes. 9 En zij nam een pan, en goot ze uit voor zijn aangezicht; maar hij weigerde te eten. En Amnon zei: Doe alle man van mij uitgaan. En alle man ging van hem uit. 10 Toen zei Amnon tot Thamar: Breng het voedsel in de kamer, dat ik van uw hand ete; zo nam Thamar de koekjes, die zij gemaakt had, en bracht ze haar broer Amnon in de kamer. 11 Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zo greep hij haar, en zei tot haar: Kom, lig bij mij, mijn zus! 12 Maar zij zei tot hem: Niet, mijn broer, verkracht mij niet, want zo doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet. 13 Want ik, waarheen zou ik mijn schande brengen? En u, u zou zijn als een van de dwazen in Israël; zo spreek toch nu tot de koning, want hij zal mij van u niet onthouden. 14 Maar hij wilde naar haar stem niet horen; maar sterker zijnde dan zij, zo verkrachtte hij haar, en lag bij haar. 15 Daarna haatte haar Amnon met een zeer grote haat; want de haat, waarmee hij haar haatte, was groter dan de liefde, waarmee hij haar had liefgehad; en Amnon zei tot haar: Maak u op, ga weg. 16 Toen zei zij tot hem: Er zijn geen redenen om mij uit te drijven; dit kwaad zou groter zijn dan het andere, dat u bij mij gedaan hebt; maar hij wilde naar haar niet horen. 17 En hij riep zijn jongen, die hem diende, en zei: Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe. 18 Zij nu had een veelvervigen rok aan; want zo werden de dochters van de koning, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe. 19 Toen nam Thamar as op haar hoofd, en scheurde de veelvervigen rok, die zij aanhad; en zij legde haar hand op haar hoofd, en ging vast heen en kreet. 20 En haar broer Absalom zei tot haar: Is uw broer Amnon bij u geweest? Nu dan, mijn zus, zwijg stil, hij is uw broer; zet uw hart niet op deze zaak. Zo bleef Thamar en was eenzaam in het huis van haar broer Absalom. 21 Als de koning David al deze dingen hoorde, zo ontstak hij zeer. 22 Maar Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch goed; maar Absalom haatte Amnon, omdat hij zijn zus Thamar verkracht had. 23 En het gebeurde, na twee volle jaren, dat Absalom, schaapsscheerders had te Baäl-Hazor, dat bij Efraïm is; zo nodigde Absalom al de zonen van de koning. 24 En Absalom kwam tot de koning, en zei: Zie, nu heeft uw knecht schaapsscheerders; dat toch de koning en zijn knechten met uw knecht gaan. 25 Maar de koning zei tot Absalom: Niet, mijn zoon, laat ons toch niet al samen gaan, opdat wij u niet moeilijk zijn; en hij hield bij hem aan, maar hij wilde niet gaan, maar zegende hem. 26 Toen zei Absalom: Zo niet, laat toch mijn broer Amnon met ons gaan. Maar de koning zei tot hem: Waarom zou hij met u gaan? 27 Als Absalom bij hem aanhield, zo liet hij Amnon en al de zonen van de koning met hem gaan. 28 Absalom nu gebood zijn jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vrolijk is van de wijn, en ik tot u zal zeggen: Sla Amnon, dan zult u hem doden; vrees niet; is het niet, omdat ik het u geboden heb? Wees sterk en wees dapper. 29 En Absaloms jongens deden aan Amnon, zoals Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen van de koning op, en reden ieder op zijn muildier, en vluchtten. 30 En het gebeurde, als zij op de weg waren, dat het gerucht tot David kwam, dat men zei: Absalom heeft al de zonen van de koning geslagen, en er is niet één van hen overgelaten. 31 Toen stond de koning op, en scheurde zijn kleren, en legde zich neer ter aarde; evenzo stonden al zijn knechten met gescheurde kleren. 32 Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broer, antwoordde en zei: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongemannen, de zonen van de koning, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegeleid, van de dag af, dat hij zijn zus Thamar verkracht heeft. 33 Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al de zonen van de koning zijn dood; want Amnon alleen is dood. 34 Absalom nu vluchtte; en de jongen, die de wacht hield, hief zijn ogen op, en zag toe, en ziet, er kwam veel volk van de weg achter hem, aan de zijde van het gebergte. 35 Toen zei Jonadab tot de koning: Zie, de zonen van de koning komen; naar het woord van uw knecht, zo is het gebeurd. 36 En het gebeurde, als hij geëindigd had te spreken, ziet, zo kwamen de zonen van de koning, en hieven hun stemmen op en huilden; en de koning ook en al zijn knechten huilden met een zeer groot geween. 37 (Absalom dan vluchtte, en trok tot Thalmai, de zoon van Ammihur, koning van Gesur.) En hij droeg rouw over zijn zoon, al die dagen. 38 Zo vluchtte Absalom, en trok naar Gesur; en hij was daar drie jaar. 39 Toen verlangde de ziel van de koning David zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon, dat hij dood was. ### 2 Samuël 14 1 Als nu Joab, de zoon van Zeruja, merkte, dat het hart van de koning over Absalom was; 2 Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zei tot haar: Stel u toch, alsof u rouw draagt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode; 3 En ga in tot de koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haar mond. 4 En de Thekoietische vrouw zei tot de koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen, en zich neergebogen had, zo zei zij: Behoud, o koning! 5 En de koning zei tot haar: Wat is u? En zij zei: Zeker, ik ben een weduwvrouw, en mijn man is gestorven. 6 Nu had uw dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twistten in het veld, en er was geen scheider tussen hen; zo sloeg de één de ander, en doodde hem. 7 En zie, het hele geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef die hier, die zijn broer geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel van zijn broer, die hij doodgeslagen heeft, doden, en ook de erfgenaam vernietigen; zo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op de aardbodem. 8 Toen zei de koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal voor u gebieden. 9 En de Thekoietische vrouw zei tot de koning: Mijn heer koning, de ongerechtigheid zij op mij en op het huis van mijn vader; de koning daarentegen, en zijn stoel, zij onschuldig. 10 En de koning zei: Spreek iemand tegen u, zo breng hem tot mij; en hij zal u voortaan niet meer aantasten. 11 En zij zei: De koning gedenke toch aan JAHWEH, uw God, dat de bloedwrekers niet te vele worden om te verderven, dat zij mijn zoon niet vernietigen. Toen zei hij: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, als er één van de haren van uw zoon op de aarde zal vallen! 12 Toen zei deze vrouw: Laat toch uw dienstmaagd een woord tot mijn heer de koning spreken. En hij zei: Spreek. 13 En de vrouw zei: Waarom hebt u dan zoiets tegen Gods volk gedaan? Want daaruit, dat de koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, omdat de koning zijn verstotene niet wederhaalt. 14 Want wij zullen de dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij de verstotene niet van Zich verstote. 15 Nu dan, dat ik gekomen ben, om ditzelve woord tot de koning, mijn heer, te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zo zei uw dienstmaagd: Ik zal nu tot de koning spreken; misschien zal de koning het woord van zijn dienstmaagd doen. 16 Want de koning zal horen, om zijn dienstmaagd te redden van de hand van de man, die voorheeft mij en mijn zoon samen van Gods erfenis te vernietigen. 17 Verder zei uw dienstmaagd: Het woord van mijn heer, van de koning, zij toch tot rust; want zoals een Engel van God, zo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en JAHWEH, uw God, zal met u zijn. 18 Toen antwoordde de koning, en zei tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij de zaak, die ik u vragen zal. En de vrouw zei: Mijn heer de koning spreke toch. 19 En de koning zei: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zei: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer koning, als iemand ter rechter- of ter linkerhand zou kunnen afwijken van alles, wat mijn heer de koning gesproken heeft; want uw knecht Joab heeft het mij geboden, en die heeft al deze woorden in de mond van uw dienstmaagd gelegd; 20 Dat ik de gestalte van deze zaak zo omwenden zou, dat heeft uw knecht Joab gedaan; maar mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel van God, om te merken alles, wat op de aarde is. 21 Toen zei de koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zaak gedaan; zo ga heen, haal de jongeling Absalom weer. 22 Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde, en boog zich, en dankte de koning; en Joab zei: Vandaag heeft uw knecht gemerkt, dat ik genade gevonden heb in uw ogen, mijn heer koning! Omdat de koning het woord van zijn knecht gedaan heeft. 23 Zo maakte zich Joab op, en trok naar Gesur; en hij bracht Absalom te Jeruzalem. 24 En de koning zei: Dat hij in zijn huis kere, en mijn aangezicht niet zie. Zo keerde Absalom in zijn huis, en zag het aangezicht van de koning niet. 25 Nu was er in geheel Israël geen man zo schoon als Absalom, zeer te prijzen; van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe was er geen gebrek in hem. 26 En als hij zijn hoofd schoor, (nu gebeurde het na verloop van elk jaar, dat hij het schoor, omdat het hem te zwaar was, zo schoor hij het), zo woog het haar van zijn hoofd tweehonderd sikkels, naar het gewicht van de koning. 27 Ook werden Absalom drie zonen geboren, en een dochter, van wie de naam Thamar was; deze was een vrouw, schoon van aanzien. 28 Zo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij het aangezicht van de koning niet zag. 29 Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot de koning zond; maar hij wilde niet tot hem komen. Zo zond hij nog voor de tweede keer; evenwel wilde hij niet komen. 30 Zo zei hij tot zijn knechten: Zie, de akker van Joab is naast de mijne, en hij heeft gerst daarop; ga heen, en steek het aan met vuur, en Absaloms knechten staken die akker aan met vuur. 31 Toen maakte zich Joab op en kwam tot Absalom in het huis, en zei tot hem: Waarom hebben uw knechten het stuk akkers, dat van mij is, met vuur aangestoken? 32 En Absalom zei tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot de koning zend, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het was mij goed, dat ik nog daar was; nu dan, laat mij het aangezicht van de koning zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij. 33 Toen ging Joab in tot de koning, en zei het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot de koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde, voor het aangezicht van de koning; en de koning kuste Absalom. ### 2 Samuël 15 1 En het gebeurde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagens en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht heen. 2 Ook maakte zich Absalom 's morgens vroeg op, en stond aan de zijde van de weg van de poort. En het gebeurde, dat Absalom iedereen, die een geschil had, om tot de koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zei: Uit welke stad bent u? Als hij dan zei: Uw knecht is uit een van de stammen van Israël; 3 Zo zei Absalom tot hem: Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar u hebt geen verhoorder vanwege de koning. 4 Verder zei Absalom: Och, dat men mij tot rechter stelde in het land! Dat iedereen tot mij zou komen, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake. 5 Het gebeurde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem. 6 En naar die wijze deed Absalom aan geheel Israël, die tot de koning ten gerichte kwamen. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël. 7 Ten einde nu van veertig jaren is het gebeurd, dat Absalom tot de koning zei: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik JAHWEH beloofd heb, te Hebron betalen. 8 Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Als JAHWEH mij zeker weer te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik JAHWEH dienen. 9 Toen zei de koning tot hem: Ga in vrede. Zo maakte hij zich op, en ging naar Hebron. 10 Absalom nu had spionnen uitgezonden in alle stammen van Israël, om te zeggen: Als u het geluid van de bazuin zult horen, zo zult u zeggen: Absalom is koning te Hebron. 11 En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, maar gaande in hun eenvoud, want zij wisten van geen zaak. 12 Absalom zond ook om Achitofel, de Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offergaven offerde. En de samenzwering werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom. 13 Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van ieder in Israël volgt Absalom na. 14 Zo zei David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maak u op, en laat ons vluchten, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte van het zwaard. 15 Toen zeiden de knechten van de koning tot de koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten. 16 En de koning ging uit met zijn hele huis te voet; maar de koning liet tien bijvrouwen, om het huis te bewaren. 17 Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats. 18 En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor het aangezicht van de koning heen. 19 Zo zei de koning tot Ithai, de Gethiet: Waarom zou u ook met ons gaan? Keer weer, en blijf bij de koning; want u bent vreemd, en ook zult u weer vertrekken naar uw plaats. 20 Gisteren bent u gekomen, en vandaag zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weer; en breng uw broers terug; goedertierenheid en trouw zij met u. 21 Maar Ithai antwoordde de koning, en zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn! 22 Toen zei David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Zo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren. 23 En het hele land huilde met luide stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar de weg van de woestijn. 24 En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark van het verbond van God, en zij zetten de ark van God neer; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan. 25 Toen zei de koning tot Zadok: Breng de ark van God weer in de stad; als ik genade zal vinden in de ogen van JAHWEH, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, en ook Zijn woning. 26 Maar als Hij zo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is. 27 Verder zei de koning tot de priester Zadok: Bent u niet een ziener? Keer weer in de stad met vrede; ook uw beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u. 28 Zie, ik zal verblijven in de vlakke velden van de woestijn, totdat er een woord van u kome, dat men mij aanzegge. 29 Zo bracht Zadok, en Abjathar, de ark van God weer te Jeruzalem, en zij bleven daar. 30 En David ging op door de opgang van de olijven, opgaande en huilend, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en huilend. 31 Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Daarom zei David: O, JAHWEH! maak toch Achitofels raad tot zotheid. 32 En het gebeurde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij daar God aanbad; zie, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd. 33 En David zei tot hem: Zo u met mij voortgaat, zo zult u mij tot een last zijn; 34 Maar zo u weer in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal van de koning zijn; ik ben wel de knecht van uw vader van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zou u mij de raad van Achitofel te niet maken. 35 En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, daar met u? Zo zal het gebeuren, dat u alle ding, dat u uit het huis van de koning zult horen, de priesters, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven. 36 Zie, hun beide zonen zijn daar bij hen, Ahimaäz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult u door hun hand tot mij zenden alle ding, dat u zult horen. 37 Zo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem. ### 2 Samuël 16 1 Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths jongen, met een paar gezadelde ezels, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een leren zak wijn. 2 En de koning zei tot Ziba: Wat zult u daarmee? En Ziba zei: De ezels zijn voor het huis van de koning, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de woestijn drinken. 3 Toen zei de koning: Waar is dan de zoon van uw heer? En Ziba zei tot de koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal mij het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader wedergeven. 4 Zo zei de koning tot Ziba: Zie, het zal het uwe zijn alles wat Mefiboseth heeft. En Ziba zei: Ik buig mij neer, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning! 5 Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, van wie de naam Simeï was, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte. 6 En hij wierp David met stenen, en ook alle knechten van de koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren. 7 Zo nu zei Simeï in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, u, man van het bloed, en u, Belials man! 8 JAHWEH heeft op u doen terugkomen al het bloed van Sauls huis, in plaats van wie u geregeerd hebt; nu heeft JAHWEH het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, u bent in uw ongeluk, omdat u een man van het bloed bent. 9 Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tot de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen. 10 Maar de koning zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want JAHWEH toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt u zo gedaan? 11 Verder zei David tot Abisai en tot al zijn knechten: Zie, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want JAHWEH heeft het hem gezegd. 12 Misschien zal JAHWEH mijn ellende aanzien; en JAHWEH zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te deze dage. 13 Zo ging David met zijn mensen op de weg; en Simeï ging al voort langs de zijde van de berg tegen hem over, en vloekte, en wierp met stenen van tegenover hem, en stoof met stof. 14 En de koning kwam in, en al het volk, dat met hem was, moe zijnde; en hij verkwikte zich daar. 15 Absalom nu en al het volk, de mannen van Israël, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met hem. 16 En het gebeurde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zei: De koning leve, de koning leve! 17 Maar Absalom zei tot Husai: Is dit uw goedertierenheid aan uw vriend? Waarom bent u niet met uw vriend getrokken? 18 En Husai zei tot Absalom: Nee, maar die JAHWEH verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israël, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven. 19 En ten andere, wie zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht van zijn zoon? Zoals ik voor het aangezicht van uw vader gediend heb, zo zal ik voor uw aangezicht zijn. 20 Toen zei Absalom tot Achitofel: Geef onder u raad, wat zullen wij doen? 21 En Achitofel zei tot Absalom: Ga in tot de bijvrouwen van uw vader, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zo zal geheel Israël horen, dat u bij uw vader in kwade reuk bent gekomen, en de handen van allen, die met u zijn, zullen gesterkt worden. 22 Zo spanden zij Absalom een tent op het dak; en Absalom ging in tot de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van het hele Israël. 23 En in die dagen was Achitofels raad, die hij raadde, als of men naar Gods woord gevraagd had; zo was alle raad van Achitofel, zo bij David als bij Absalom. ### 2 Samuël 17 1 Verder zei Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitzoeken, dat ik mij opmake en David deze nacht achterna jage. 2 Zo zal ik over hem komen, daar hij moe en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik de koning alleen slaan. 3 En ik zal al het volk tot u doen terugkeren; de man, die u zoekt, is zoals het terugkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn. 4 Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten van Israël. 5 Maar Absalom zei: Roep toch ook Husai, de Archiet, en laat ons horen, wat hij ook zegt. 6 En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Zo heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek u. 7 Toen zei Husai tot Absalom: De raad, die Achitofel op ditmaal geraden heeft, is niet goed. 8 Verder zei Husai: U kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een soldaat, en zal niet overnachten met het volk. 9 Zie, nu heeft hij zich verstopt in een van de holen, of in een van de plaatsen. En het zal gebeuren, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, dan zal zeggen: Er is een slag gebeurd onder het volk, dat Absalom navolgt. 10 Zo zou hij, die ook een dapper man is, van wie het hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want geheel Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn. 11 Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde geheel Israël, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in de strijd. 12 Dan zullen wij tot hem komen, in een van de plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, zoals de dauw op de aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet één worden overgelaten. 13 En als hij zich in een stad zal begeven, zo zal geheel Israël koorden tot die stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek neertrekken, totdat ook niet één steentje daar gevonden worde. 14 Toen zei Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, de Archiet, is beter dan Achitofels raad. Maar JAHWEH had het geboden, om de goede raad van Achitofel te vernietigen, opdat JAHWEH het kwaad over Absalom bracht. 15 En Husai zei tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Zo en zo heeft Achitofel Absalom en de oudsten van Israël geraden, maar zo en zo heb ik geraden. 16 Nu dan, zendt haastig heen, en boodschapt David, zeggende: Overnacht deze nacht niet in de vlakke velden van de woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden wordt, en al het volk, dat met hem is. 17 Jonathan nu en Ahimaäz stonden bij de fontein Rogel; en een dienstmaagd ging heen en zei het hun aan; en zij gingen heen en zeiden het de koning David aan; want zij mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen. 18 Een jongen dan nog zag hen, en zei het Absalom aan; maar die beiden gingen haastig, en kwamen in het huis van een man te Bahurim, die een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin. 19 En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van de put, en strooide gort daarop. Zo werd de zaak niet bekend. 20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaäz en Jonathan? En de vrouw zei tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weer naar Jeruzalem. 21 En het gebeurde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit de put, en gingen heen en boodschapten het de koning David; en zij zeiden tot David: Maak u op, en gaat haastig over het water, want zo heeft Achitofel tegen u geraden. 22 Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot één toe, die niet over de Jordaan gegaan was. 23 Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij de ezel, en maakte zich op, en trok naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Zo stierf hij, en werd begraven in het graf van zijn vader. 24 David nu kwam te Mahanaim, en Absalom trok over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem. 25 En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het leger. Amasa nu was de zoon van een man, van wie de naam Jethra was, de Israëliet, die ingegaan was tot Abigal, dochter van Nahas, zus van Zeruja, Joabs moeder. 26 Israël nu en Absalom sloegen hun kamp op in het land van Gilead. 27 En het gebeurde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba van de kinderen van Ammon, en Machir, de zoon van Ammiël, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 28 Beddewerk, en schalen, en aarden voorwerpen, en tarwe, en gerst, en meel, en geroosterd koren, en bonen, en linzen, ook geroosterd, 29 En honing, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moe, en dorstig in de woestijn. ### 2 Samuël 18 1 En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden. 2 Verder zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, de zoon van Zeruja, Joabs broer, en een derde deel onder de hand van Ithai, de Gethiet. En de koning zei tot het volk: Ik zal ook zelf zeker met u uittrekken. 3 Maar het volk zei: U zult niet uittrekken; want of wij te enen male vluchtten, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar u bent nu als tien duizend van ons. Zo zal het nu beter zijn, dat u ons uit de stad ter hulpe bent. 4 Toen zei de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden. 5 En de koning gebood Joab, en Abisai, en Ithai, zeggende: Handel mij voorzichtig met de jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood. 6 Zo trok het volk uit in het veld, Israël tegemoet, en de strijd gebeurde bij Efraïms woud. 7 En het volk van Israël werd daar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en daar gebeurde op die dag een grote slag, van twintig duizend. 8 Want de strijd werd daar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, op die dag. 9 Absalom nu ontmoette voor het aangezicht van de knechten van David; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een grote eik, zo werd zijn hoofd vast aan de eik, dat hij hangen bleef tussen de hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door. 10 Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zei: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik. 11 Toen zei Joab tot de man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, u hebt het gezien, waarom dan hebt u hem niet daar ter aarde geslagen, zo het aan mij stond om u tien zilverlingen en een gordel te geven? 12 Maar die man zei tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht wegen, zo zou ik mijn hand aan de zoon van de koning niet slaan; want de koning heeft u, en Abisai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende: Hoed u, wie u bent, van de jongeling, van Absalom. 13 Of ik al vals tegen mijn ziel handelde, zo zou toch geen ding voor de koning verborgen worden; ook u zelf zou er u van tegenover stellen. 14 Toen zei Joab: Ik zal hier bij u zo niet talmen; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van de eik. 15 En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem. 16 Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug. 17 En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een grote kuil, en stelden op hem een zeer grote steenhoop; en geheel Israël vluchtte, ieder naar zijn tent. 18 Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zei: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had die pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op deze dag genoemd: Absaloms hand. 19 Toen zei Ahimaäz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en de koning boodschappen, dat JAHWEH hem recht gedaan heeft van de hand van zijn vijanden. 20 Maar Joab zei tot hem: U zult deze dag geen boodschapper zijn, maar op een andere dag zult u boodschappen; deze dag nu zult u niet boodschappen, daarom dat de zoon van de koning dood is. 21 En Joab zei tot Cuschi: Ga heen, en zeg de koning aan, wat u gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en liep heen. 22 Maar Ahimaäz, Zadoks zoon, voer nog voort en zei tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zei: Waarom zou u nu heenlopen, mijn zoon! Zo u toch geen passende boodschap hebt? 23 Wat het ook zij, zei hij, laat mij heenlopen; zo zei hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep de weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij. 24 David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak van de poort aan de muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen. 25 Zo riep de wachter, en zei het de koning aan; en de koning zei: Als hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond; en hij ging al voort en naderde. 26 Toen zag de wachter een andere man lopende, en de wachter riep tot de poortwachter en zei: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zei de koning: Die is ook een boodschapper. 27 Verder zei de wachter: Ik zie de manier van lopen van de eerste aan, als die van Ahimaäz, Zadoks zoon. Toen zei de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen. 28 Ahimaäz dan riep en zei tot de koning Vrede! En hij boog zich voor de koning met het aangezicht ter aarde, en hij zei: Geloofd zij JAHWEH, uw God, Die de mannen, die hun hand tegen mijn heer de koning ophieven, heeft overgegeven. 29 Toen zei de koning: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Ahimaäz zei: Ik zag een groot rumoer, als Joab, de knecht van de koning, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat. 30 En de koning zei: Ga om, stel u hier; zo ging hij om, en bleef staan. 31 En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zei: Mijn heer de koning wordt geboodschapt, dat u JAHWEH vandaag heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden. 32 Toen zei de koning tot Cuschi: Is het wel met de jongeling, met Absalom? En Cuschi zei: De vijanden van mijn heer de koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling. 33 Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal van de poort, en huilde; en in zijn gaan zei hij zo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven was, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! ### 2 Samuël 19 1 En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom. 2 Toen werd de verlossing op die dag het hele volk tot rouw; want het volk had op die dag horen zeggen: Het smart de koning over zijn zoon. 3 En het volk kwam op die dag sluipend in de stad, zoals het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in de strijd gevlucht zijn. 4 De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luide stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon! 5 Toen kwam Joab tot de koning in het huis, en zei: U hebt vandaag beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel van uw zonen en van uw dochters, en de ziel van uw vrouwen, en de ziel van uw bijvrouwen vandaag hebben bevrijd; 6 Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want u geeft vandaag te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk vandaag, dat zo Absalom leefde, en wij vandaag allen dood waren, dat het dan recht zou zijn in uw ogen. 7 Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart van uw knechten; want ik zweer bij JAHWEH, als u niet uitgaat, zo er een man deze nacht bij u zal overnachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe. 8 Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor het aangezicht van de koning, maar Israël was gevlucht, ieder naar zijn tenten. 9 En al het volk, in alle stammen van Israël, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand van onze vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom; 10 En Absalom, die wij over ons gezalfd hadden, is in de strijd gestorven; nu dan, waarom zwijgt u van de koning weer te halen? 11 Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesters, zeggende: Spreek tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zou u de laatsten zijn, om de koning weer te halen in zijn huis? (Want de rede van het hele Israël was tot de koning gekomen in zijn huis.) 12 U bent mijn broers; mijn been en mijn vlees bent u; waarom zou u dan de laatsten zijn, om de koning weer te halen? 13 En tot Amasa zult u zeggen: Bent u niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo u niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, altijd, in Joabs plaats. 14 Zo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enige man; en zij zonden heen tot de koning, zeggende: Keer weer, u en al uw knechten. 15 Toen keerde de koning weer, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om de koning tegemoet te gaan, dat zij de koning over de Jordaan voerden. 16 En Simeï, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, de koning David tegemoet; 17 En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij trokken vaardig over de Jordaan, voor de koning. 18 Als men nu de doorwaadbare plaats overstak, om het huis van de koning over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neer voor het aangezicht van de koning, als hij over de Jordaan voer; 19 En hij zei tot de koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerd gedaan heeft, op die dag, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zou nemen. 20 Want uw knecht weet het zeker, ik heb gezondigd; maar zie, ik ben vandaag gekomen, de eerste van het hele huis van Jozef, om mijn heer de koning tegemoet af te komen. 21 Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zei: Zou dan Simeï hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch de gezalfde van JAHWEH gevloekt heeft. 22 Maar David zei: Wat heb ik met u te doen, u zonen van Zeruja! Dat u mij vandaag ten satan zou zijn? Zou vandaag iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet, dat ik vandaag koning geworden ben over Israël? 23 En de koning zei tot Simeï: U zult niet sterven. En de koning zwoer hem. 24 Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af de koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoon gemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn kleren gewassen, van die dag af, dat de koning was weggegaan, tot die dag toe, dat hij met vrede wederkwam. 25 En het gebeurde, als hij te Jeruzalem de koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zei: Waarom bent u niet met mij getrokken, Mefiboseth? 26 En hij zei: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zei: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot de koning trekken, want uw knecht is kreupel. 27 Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning vals aangedragen; maar mijn heer de koning is als een engel van God; doe dan, wat goed is in uw ogen. 28 Want heel het huis van mijn vader is niet geweest, dan maar mensen van de dood voor mijn heer de koning; toch hebt u uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan de koning? 29 Toen zei de koning tot hem: Waarom spreekt u meer van uw zaken? Ik heb gezegd: U en Ziba, deelt het land. 30 En Mefiboseth zei tot de koning: Hij neme het ook geheel weg, aangezien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen. 31 Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij trok met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden. 32 Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had de koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man. 33 En de koning zei tot Barzillai: Trek u met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden. 34 Maar Barzillai zei tot de koning: Hoe veel zullen de dagen van de jaren van mijn leven zijn, dat ik met de koning zou optrekken naar Jeruzalem? 35 Ik ben vandaag tachtig jaar oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zou ik meer kunnen horen naar de stem van de zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer de koning verder tot een last zijn? 36 Uw knecht zal maar een weinig met de koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen? 37 Laat toch uw knecht terugkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf van mijn vader en van mijn moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat die met mijn heer de koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen. 38 Toen zei de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat u op mij begeren zult, zal ik u doen. 39 Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; zo keerde hij weer naar zijn plaats. 40 En de koning trok voort naar Gilgal, en Chimham trok met hem voort; en al het volk van Juda had de koning overgevoerd, als ook een gedeelte van het volk van Israël. 41 En ziet, alle mannen van Israël kwamen tot de koning; en zij zeiden tot de koning: Waarom hebben u onze broers, de mannen van Juda, gestolen, en hebben de koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen van David met hem? 42 Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom bent u nu boos over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van de kost van de koning, of heeft hij ons een geschenk geschonken? 43 En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan de koning, en ook aan David, wij, meer dan u; waarom hebt u ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onze koning weer te halen? Maar het woord van de mannen van Juda was harder dan het woord van de mannen van Israël. ### 2 Samuël 20 1 Toen was daar toevallig een Belials man, van wie de naam Seba was, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zei: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan de zoon van Isaï, ieder naar zijn tenten, o Israël! 2 Toen trok alle man van Israël op van achter David, Seba, de zoon van Bichri, achterna; maar de mannen van Juda kleefden hun koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeruzalem. 3 Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijvrouwen, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op de dag van hun dood, levende als weduwen. 4 Verder zei de koning tot Amasa: Roep mij de mannen van Juda samen, tegen de derde dag; en u, stel u dan hier. 5 En Amasa ging heen, om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter, boven de gezetten tijd, die hij hem gezet had. 6 Toen zei David tot Abisai: Nu zal ons Seba, de zoon van Bichri, meer kwaad doen, dan Absalom; neem u de knechten van uw heer, en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien versterkte steden voor zich vinde, en zich aan onze ogen onttrekke. 7 Toen trokken uit, hem achterna, de mannen van Joab, en de Krethi, en de Plethi, en al de helden. Deze trokken uit van Jeruzalem, om Seba, de zoon van Bichri, achterna te jagen. 8 Als zij nu waren bij de grote steen, die bij Gibeon is, zo kwam Amasa voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed, dat hij aan had, en daarop was een gordel, daar het zwaard aan vastgemaakt was op zijn middel in zijn schede; en als hij voortging, zo viel het uit. 9 En Joab zei tot Amasa: Is het wel met u, mijn broer? En Joab vatte met de rechterhand de baard van Amasa, om hem te kussen. 10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard, dat in Joabs hand was; zo sloeg hij hem daarmee aan de vijfde rib, en hij stortte zijn binnenste ter aarde uit, en hij sloeg hem niet voor de tweede keer, en hij stierf. Toen jaagden Joab en zijn broer Abisai, Seba, de zoon van Bichri, achterna. 11 Maar een man, van Joabs jongens, bleef bij hem staan, en hij zei: Wie is er, die lust heeft aan Joab, en wie is er, die voor David is, die volge Joab na! 12 Amasa nu lag in het bloed gewenteld, midden op de straat. Als die man zag, dat al het volk staan bleef, zo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, omdat hij zag, dat al wie bij hem kwam, bleef staan. 13 Toen hij nu van de straat weggenomen was, trok alle man voort, Joab na, om Seba, de zoon van Bichri, achterna te jagen. 14 En hij trok heen door alle stammen van Israël, naar Abel, te weten, Beth-Maächa, en het hele Berim; en zij verzamelden zich, en kwamen hem ook na. 15 En zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maächa, en zij wierpen een wal op tegen de stad, dat hij aan de buitenmuur stond; en al het volk, dat met Joab was, verdorven de muur, om die neer te vellen. 16 Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Hoor, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hiertoe, dat ik tot u spreke. 17 Toen hij nu tot haar naderde, zei de vrouw: Bent u Joab? En hij zei: Ik ben het; en zij zei tot hem: Hoor de woorden van uw dienstmaagd; en hij zei: Ik hoor. 18 Toen sprak zij, zeggende: In voortijden spraken zij gemeenlijk, zeggende: Zij zullen zonder twijfel te Abel vragen; en zo volbrachten zij het. 19 Ik ben een van de vreedzamen, van de getrouwen in Israël, en u zoekt te doden een stad, die een moeder is in Israël; waarom zou u het erfdeel van JAHWEH verslinden? 20 Toen antwoordde Joab, en zei: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zou verslinden, en dat ik zou verderven! 21 De zaak is niet zo; maar een man van het gebergte van Efraïm, van wie de naam Seba is, de zoon van Bichri, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, tegen David; lever hem alleen, zo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zei de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over de muur geworpen worden. 22 En de vrouw kwam in tot al het volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen Seba, de zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, ieder naar zijn tenten; en Joab keerde weer naar Jeruzalem tot de koning. 23 Joab nu was over het hele leger van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi; 24 En Adoram was over de belasting; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier; 25 En Seja was schrijver; en Zadok en Abjathar waren priesters. 26 En ook was Ira, de Jaïriet, Davids opperofficier. ### 2 Samuël 21 1 En er was in Davids dagen een honger, drie jaar, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht van JAHWEH. En JAHWEH zei: Het is om Saul en vanwege het bloedhuis, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft. 2 Toen riep de koning de Gibeonieten, en zei tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de Israëlieten, maar van het overblijfsel van de Amorieten; en de Israëlieten hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de Israëlieten en Juda.) 3 David dan zei tot de Gibeonieten: Wat zal ik u doen, en waarmee zal ik verzoenen, dat u het erfdeel van JAHWEH zegent? 4 Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in Israël. En hij zei: Wat zegt u dan, dat ik u doen zal? 5 En zij zeiden tot de koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden vernietigd worden, zonder te kunnen bestaan in enige grens van Israël; 6 Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen voor JAHWEH ophangen te Gibeä Sauls, o, u verkorene van JAHWEH! En de koning zei: Ik zal hen geven. 7 Maar de koning spaarde Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, om de eed van JAHWEH, die tussen hen was, tussen David en tussen Jonathan, Sauls zoon. 8 Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zus, Sauls dochter, die zij Adriël, de zoon van Barzillai, de Meholathiet, gebaard had; 9 En hij gaf hen in de hand van de Gibeonieten, die ze ophingen op de berg voor het aangezicht van JAHWEH; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van de oogst, in de eerste dagen, in het begin van de gersteoogst. 10 Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande die voor zich uit op een rotssteen, van het begin van de oogst, totdat er water op hen drupte van de hemel; en zij liet het gevogelte van de hemel op hen niet rusten overdag, noch het gedierte van het veld in de nacht. 11 En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijvrouw, gedaan had. 12 Zo ging David heen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgers van Jabes in Gilead, die ze gestolen hadden van de straat Beth-san, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, op de dag als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa. 13 En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen van de gehangenen. 14 En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Zo werd God na deze voor het land verbeden. 15 Verder hadden de Filistijnen nog een strijd tegen Israël. En David trok af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moe werd. 16 En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht van zijn speer driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; deze dacht David te slaan. 17 Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg de Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: U zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat u de lamp van Israël niet uitblust. 18 En het gebeurde daarna, dat er opnieuw een strijd was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was. 19 Verder was er nog een strijd te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-oregim, sloeg Beth-halachmi, die was met Goliath, de Gethiet, van wie de speerschacht was als een weversboom. 20 Nog was er ook een strijd te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingers had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren. 21 En hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broer, sloeg hem. 22 Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten. ### 2 Samuël 22 1 En David sprak de woorden van dit lied tot JAHWEH, op de dag als JAHWEH hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul. 2 Hij zei dan: JAHWEH is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper. 3 God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn van mijn heil, mijn Vesting en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt U mij verlost! 4 Ik riep JAHWEH aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden. 5 Want golven van de dood hadden mij omvangen; beken van Belial verschrikten mij. 6 Banden van het dodenrijk omringden mij; strikken van de dood bejegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik JAHWEH aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren. 8 Toen daverde en beefde de aarde; de fundamenten van de hemel beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was. 9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. 10 En Hij boog de hemel, en daalde neer; en donkerheid was onder Zijn voeten. 11 En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugels van de wind. 12 En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding van de wateren, wolken van de hemel. 13 Van de glans voor Hem heen werden kolen van het vuur aangestoken. 14 JAHWEH donderde van de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem. 15 En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze. 16 En de diepe kolken van de zee werden gezien, de gronden van de wereld werden ontdekt, door de bestraffing van JAHWEH, van het geblaas van de wind van Zijn neus. 17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. 18 Hij verloste mij van mijn sterke vijand, van mijn vijanden, omdat zij machtiger waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend op de dag van mijn ongeluk; maar JAHWEH was mij een Steun. 20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. 21 JAHWEH vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weer naar de reinheid van mijn handen. 22 Want ik heb de wegen van JAHWEH gehouden, en ben van mijn God niet goddeloos afgegaan. 23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn voorschriften, daarvan week ik niet af. 24 Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. 25 Zo gaf mij JAHWEH weer naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinheid, voor Zijn ogen. 26 Bij de goedertierene houdt U Zich goedertieren; bij de oprechten held houdt U Zich oprecht. 27 Bij de reine houdt U Zich rein; maar bij de verkeerde houdt U Zich verdraaid. 28 En U verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, U zult hen vernederen. 29 Want U bent mijn Lamp, o JAHWEH, en JAHWEH doet mijn duisternis opklaren. 30 Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur. 31 Gods weg is volmaakt; de rede van JAHWEH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. 32 Want wie is God, behalve JAHWEH, en wie is een rotssteen, behalve onze God? 33 God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend. 34 Hij maakt mijn voeten zoals van de hinden, en stelt mij op mijn hoogten. 35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is. 36 Ook hebt U mij gegeven het schild van Uw heil, en door Uw verootmoedigen hebt U mij groot gemaakt. 37 U hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijn vijanden, en vernietigde hen, en keerde niet weer, voordat ik ze verdaan had. 39 En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weer opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten. 40 Want U omgordde mij met kracht ten strijde; U deed onder mij neerbuigen, die tegen mij opstonden. 41 En U gaf mij de nek van mijn vijanden, van mijn vijanden, en ik vernielde hen. 42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar JAHWEH, maar Hij antwoordde hun niet. 43 Toen vergruisde ik hen als stof van de aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk van de straten. 44 Ook hebt U mij uitgeholpen van de twisten van mijn volk, U hebt mij bewaard tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. 45 Vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten. 47 JAHWEH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen van mijn heil! 48 De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij neerwerpt; 49 En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van geweld. 50 Daarom zal ik U, o JAHWEH, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen. 51 Hij is een Toren van de verlossingen van Zijn koning, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid. ### 2 Samuël 23 1 Verder zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isaï zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israël, zegt: 2 De Geest van JAHWEH heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest. 3 De God van Israël heeft gezegd, de Rotssteen van Israël heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vrees voor God. 4 En Hij zal zijn zoals het licht 's morgens, wanneer de zon opgaat, 's morgens zonder wolken, wanneer van de glans na de regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen. 5 Hoewel mijn huis zo niet is bij God, toch heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel bestemd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten. 6 Maar de mannen Belials zullen allemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten; 7 Maar een ieder die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout van een speer; en zij zullen geheel met vuur verbrand worden ter plekke. 8 Dit zijn de namen van de helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste van de bevelhebbers. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal. 9 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die daar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israël waren opgetogen. 10 Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moe werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en JAHWEH werkte een groot heil ten zelf dage; en het volk keerde opnieuw hem na, alleen om te plunderen. 11 Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en daar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte; 12 Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en JAHWEH werkte een groot heil. 13 Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in de oogst tot David, in de grot van Adullam; en de hoop van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaim. 14 En David was toen in een vesting; en de bezetting van de Filistijnen was toen te Bethlehem. 15 En David kreeg lust, en zei: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is? 16 Toen braken die drie helden door het leger van de Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; maar hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor JAHWEH. 17 En zei: Het zij verre van mij, o JAHWEH, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed van de mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden. 18 Abisai, Joabs broer, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drieën; en die hief zijn speer op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie. 19 Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie. 20 Verder Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man, groot van daden, van Kabzeël; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in de sneeuwtijd. 21 Daartoe sloeg hij een Egyptische man, een man van aanzien; en in de hand van de Egyptenaar was een speer, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar, en doodde hem met zijn eigen speer. 22 Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder de drie helden. 23 Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eerste kwam hij niet; en David stelde hem over zijn lijfwachten. 24 Asahel, Joabs broer, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem; 25 Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet; 26 Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoïet; 27 Abi-Ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet; 28 Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet; 29 Heleb, de zoon van Baëna, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibeä van de kinderen Benjamins; 30 Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas; 31 Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet; 32 Eljachba, de Saälboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan; 33 Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet; 34 Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maächathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet; 35 Hezrai, de Karmeliet; Paërai, de Arbiet; 36 Jig-Al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet; 37 Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beërothiet, de wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; 38 Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet; 39 Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles. ### 2 Samuël 24 1 En de toorn van JAHWEH voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen hen, zeggende: Ga, tel Israël en Juda. 2 De koning dan zei tot Joab, de oorlogsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-Seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal van het volk wete. 3 Toen zei Joab tot de koning: Nu doe JAHWEH, uw God, tot dit volk, zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer de koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak? 4 Maar het woord van de koning nam de overhand tegen Joab, en tegen de oversten van het leger. Zo trok Joab uit, met de oversten van het leger, van het aangezicht van de koning, om het volk Israël te tellen. 5 En zij gingen over de Jordaan, en sloegen hun kamp op bij Aroër, ter rechterhand van de stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jaëzer. 6 Verder kwamen zij in Gilead, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij tot Dan-Jaän, en rondom bij Sidon. 7 En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden van de Hevieten en van de Kanaänieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-Seba. 8 Zo trokken zij om door het hele land; en na verloop van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem. 9 En Joab gaf het aantal van het getelde volk aan de koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man. 10 En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zei tot JAHWEH: Ik heb zeer gezondigd in wat ik gedaan heb; maar nu, o JAHWEH, neem toch de misdaad van Uw knecht weg, want ik heb zeer dwaas gedaan. 11 Als nu David 's morgens opstond, zo kwam het woord van JAHWEH tot de profeet Gad, Davids ziener, zeggende: 12 Ga heen, en spreek tot David: Zo zegt JAHWEH: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u één uit die, dat Ik u doe. 13 Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zei tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt u drie maanden vluchten voor het aangezicht van uw vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pest in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Hem zal teruggeven, Die mij gezonden heeft. 14 Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand van JAHWEH vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen. 15 Toen gaf JAHWEH een pest in Israël, van de morgen af tot de gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen. 16 Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde JAHWEH over dat kwaad, en Hij zei tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel van JAHWEH nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 17 En David, als hij de engel zag, die het volk sloeg, sprak tot JAHWEH, en zei: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen het huis van mijn vader. 18 En Gad kwam tot David op die dag, en zei tot hem: Ga op, richt voor JAHWEH een altaar op, op de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet. 19 Zo ging David op naar het woord van Gad, zoals JAHWEH geboden had. 20 En Arauna zag toe, en zag de koning en zijn knechten tot zich overkomen; zo ging Arauna uit, en boog zich voor de koning met zijn aangezicht ter aarde. 21 En Arauna zei: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zei: Om deze dorsvloer van u te kopen, om JAHWEH een altaar te bouwen, opdat deze plaag opgehouden wordt van over het volk. 22 Toen zei Arauna tot David: Mijn heer de koning neme en offere, wat goed is in zijn ogen; zie, daar de runderen als brandoffer, en de sleden en het rundertuig tot hout. 23 Dit alles gaf Arauna, de koning, aan de koning. Verder zei Arauna tot de koning: JAHWEH uw God neme een welgevallen in u! 24 Maar de koning zei tot Arauna: Nee, maar ik zal het zeker van u kopen voor de prijs; want ik zal aan JAHWEH, mijn God, niet offeren brandoffers om niet. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkels. 25 En David bouwde daar voor JAHWEH een altaar, en offerde brandoffers en dankoffers. Zo werd JAHWEH voor het land verbeden, en deze plaag van over Israël opgehouden. ## 1 Koningen ### 1 Koningen 1 1 De koning David nu was oud, op dagen gekomen; en zij dekten hem met kleren, maar hij kreeg geen warmte. 2 Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer de koning een meisje, een maagd zoeken, dat voor het aangezicht van de koning sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm wordt. 3 Zo zochten zij een schoon meisje in alle gebied van Israël; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot de koning. 4 En het meisje was bovenmate schoon, en koesterde de koning, en diende hem; maar de koning had geen gemeenschap met haar. 5 Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagens en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. 6 En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt u zo gedaan? En ook was hij zeer mooi van gestalte, en Haggith had hem gebaard na Absalom. 7 En zijn raadslagen waren met Joab, de zoon van Zeruja, en met Abjathar, de priester; die hielpen, volgende Adonia. 8 Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en Simeï, en Reï, en de helden, die David had, waren met Adonia niet. 9 En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij de steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en nodigde al zijn broers, de zonen van de koning, en alle mannen van Juda, de knechten van de koning. 10 Maar Nathan, de profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broer, nodigde hij niet uit. 11 Toen sprak Nathan tot Bathseba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt u niet gehoord, dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet. 12 Nu dan, kom, laat mij u toch een raad geven, dat u uw ziel en de ziel van uw zoon Salomo redt. 13 Ga heen, en treed in tot de koning David, en zeg tot hem: Heb u niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning? 14 Zie, als u daar nog met de koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden vervullen. 15 En Bathseba ging in tot de koning in de binnenkamer; maar de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende de koning. 16 En Bathseba neigde het hoofd en boog zich neer voor de koning; en de koning zei: Wat is u? 17 En zij zei tot hem: Mijn heer! u hebt uw dienstmaagd bij JAHWEH, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! 18 En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, u weet het niet. 19 En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en uitgenodigd al de zonen van de koning, en Abjathar, de priester, en Joab, de oorlogsoverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet uitgenodigd. 20 Maar u, mijn heer koning, de ogen van het hele Israël zijn op u, dat u hun zou te kennen geven, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zal. 21 Anders zal het gebeuren, als mijn heer de koning met zijn vaders zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn. 22 En ziet, zij sprak nog met de koning, als de profeet Nathan inkwam. 23 En zij gaven de koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht van de koning, en boog zich voor de koning op zijn aangezicht ter aarde. 24 En Nathan zei: Mijn heer koning! hebt u gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten? 25 Want hij is vandaag afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft uitgenodigd al de zonen van de koning, en de oversten van het leger, en Abjathar, de priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adonia leve! 26 Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Salomo, uw knecht, heeft hij niet uitgenodigd. 27 Is deze zaak van mijn heer de koning gebeurd? En hebt u uw knecht niet bekend gemaakt, wie op de troon van mijn heer de koning na hem zitten zou? 28 En de koning David antwoordde en zei: Roep mij Bathseba; en zij kwam voor het aangezicht van de koning, en stond voor het aangezicht van de koning. 29 Toen zwoer de koning, en zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, die mijn ziel uit allen nood verlost heeft; 30 Voorzeker, zoals ik u gezworen heb bij JAHWEH, de God van Israël, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, zo zal ik op deze zelfde dag doen. 31 Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neer voor de koning, en zei: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid! 32 En de koning David zei: Roep mij Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht van de koning. 33 En de koning zei tot hen: Neem met u de knechten van uw heer, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon. 34 En dat Zadok, de priester, met Nathan, de profeet, hem daar tot koning over Israël zalven. Daarna zult u met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! 35 Dan zult u achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israël en over Juda. 36 Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, de koning, en zei: Amen; zo zegge JAHWEH, de God van mijn heer de koning! 37 Zoals JAHWEH met mijn heer de koning geweest is, zo zij Hij met Salomo; en Hij make zijn troon groter dan de troon van mijn heer de koning David! 38 Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van de koning David, en geleidden hem naar Gihon. 39 En Zadok, de priester, nam de oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zei: De koning Salomo leve! 40 En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid spleet. 41 En Adonia hoorde het, en al de genodigden, die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid van de bazuinen, en zei: Waarom is het geroep van die stad, die in roer is? 42 Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, de priester; en Adonia zei: Kom in, want u bent een kloek man, en zult het goede boodschappen. 43 En Jonathan antwoordde en zei tot Adonia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt. 44 En de koning heeft met hem gezonden Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, en Benaja, de zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin van de koning. 45 Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar blij opgetogen, zodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat u gehoord hebt. 46 En ook zit Salomo op de troon van het koninkrijk. 47 Zo zijn ook de knechten van de koning gekomen, om onze heer, de koning David, te zegenen, zeggende: Uw God make de naam van Salomo beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning heeft aangebeden op de slaapstede. 48 Ja, ook heeft de koning zo gezegd: Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die vandaag gegeven heeft één, zittende op mijn troon, dat het mijn ogen gezien hebben! 49 Toen verschrikten en stonden op al de genodigden, die bij Adonia waren, en gingen ieder zijn eigen weg. 50 Maar Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen van het altaar. 51 En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest de koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen van het altaar gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal! 52 En Salomo zei: Als hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar als in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven. 53 En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neer voor de koning Salomo. En Salomo zei tot hem: Ga heen naar uw huis. ### 1 Koningen 2 1 Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende: 2 Ik ga heen in de weg van de hele aarde, zo wees sterk, en wees een man. 3 En neem waar de wacht van JAHWEH, uw God, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn voorschriften, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, zoals geschreven is in de wet van Mozes; opdat u verstandig handelt in al wat u doen zult, en al waarheen u zich wenden zult; 4 Opdat JAHWEH bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Als uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouw, met hun hele hart en met hun hele ziel te wandelen, zo zal geen man, zei Hij, u afgesneden worden van de troon van Israël. 5 Zo weet u ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israël, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren. 6 Doe dan naar uw wijsheid, dat u zijn grijze haar niet met vrede in het graf laat dalen. 7 Maar aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet, zult u goedertierenheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want zo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broer Absalom. 8 En zie, bij u is Simeï, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldige vloek, op de dag als ik ging naar Mahanaim; maar hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij JAHWEH, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode! 9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, omdat u een wijs man bent; en u zult weten, wat u hem doen zult, opdat u zijn grijze haar met bloed in het graf doet dalen. 10 En David ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de stad van David. 11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd. 12 En Salomo zat op de troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd. 13 Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, tot Bathseba, de moeder van Salomo; en zij zei: Is uw komst vrede? En hij zei: Vrede. 14 Daarna zei hij: Ik heb een woord aan u. En zij zei: Spreek. 15 Hij zei dan: U weet, dat het koninkrijk van mij was, en het hele Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en van mijn broer geworden is; want het is hem van JAHWEH geworden. 16 En nu begeer ik van u één enige begeerte; wijs mijn aangezicht niet af. En zij zei tot hem: Spreek. 17 En hij zei: Spreek toch tot de koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag, de Sunamietische, tot vrouw geve. 18 En Bathseba zei: Het is goed, ik zal de koning voor u aanspreken. 19 Zo kwam Bathseba tot de koning Salomo, om hem voor Adonia aan te spreken. En de koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijn troon, en deed een stoel voor de moeder van de koning zetten; en zij zat aan zijn rechterhand. 20 Toen zei zij: Ik begeer van u één enige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de koning zei tot haar: Begeer, mijn moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen. 21 En zij zei: Laat Abisag, de Sunamietische, aan Adonia, uw broer, tot vrouw gegeven worden. 22 Toen antwoordde de koning Salomo, en zei tot zijn moeder: En waarom begeert u Abisag, de Sunamietische, voor Adonia? Begeer ook voor hem het koninkrijk (want hij is mijn broer, die ouder is dan ik ben), ja, voor hem, en voor Abjathar, de priester, en voor Joab, de zoon van Zeruja. 23 En de koning Salomo zwoer bij JAHWEH, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben! 24 En nu, zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op de troon van mijn vader David, en Die mij een huis gemaakt heeft, zoals Hij gesproken had; voorzeker, Adonia zal vandaag gedood worden! 25 En de koning Salomo zond door de hand van Benaja, de zoon van Jojada; die viel op hem aan, dat hij stierf. 26 En tot Abjathar, de priester, zei de koning: Ga naar Anathoth, op uw akkers; want u bent een man van de dood; maar op deze dag zal ik u niet doden, omdat u de ark van de Heere JAHWEH voor het aangezicht van mijn vader David gedragen hebt, en omdat u verdrukt bent geweest, in alles, waarin mijn vader verdrukt was. 27 Salomo dan verdreef Abjathar, dat hij priester van JAHWEH niet was, om te vervullen het woord van JAHWEH, dat Hij over het huis van Eli te Silo gesproken had. 28 Als het gerucht tot Joab kwam (want Joab had zich gewend achter Adonia, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zo vluchtte Joab tot de tent van JAHWEH, en vatte de hoornen van het altaar. 29 En het werd de koning Salomo aangezegd, dat Joab tot de tent van JAHWEH gevlucht was, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, zeggende: Ga heen, val op hem aan. 30 En Benaja kwam tot de tent van JAHWEH, en zei tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. En hij zei: Nee, maar hier zal ik sterven! En Benaja bracht het antwoord weer aan de koning, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord. 31 En de koning zei tot hem: Doe zoals hij gesproken heeft, en val op hem aan, en begraaf hem, opdat u wegdoet, van mij en van het huis van mijn vader, dat bloed, dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft. 32 Zo zal JAHWEH zijn bloed op zijn hoofd doen terugkeren, omdat hij op twee mannen, rechtvaardiger en beter dan hij, aangevallen is, en die met het zwaard gedood heeft, daar het mijn vader David niet wist, Abner, de zoon van Ner, de oorlogsoverste van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de oorlogsoverste van Juda. 33 Zo zal hun bloed terugkeren op het hoofd van Joab, en op het hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David, en zijn zaad, en zijn huis, en zijn troon zal vrede hebben van JAHWEH tot in eeuwigheid. 34 En Benaja, de zoon van Jojada, ging op, en viel op hem aan, en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis, in de woestijn. 35 En de koning zette Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats over het leger; en Zadok, de priester, zette de koning in de plaats van Abjathar. 36 Daarna zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Bouw u een huis in Jeruzalem, en woon daar; en ga van daar niet uit herwaarts of daarheen. 37 Want het zal gebeuren op de dag van uw uitgaan, als u over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat u de dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn. 38 En Simeï zei tot de koning: Dat woord is goed; zoals mijn heer de koning gesproken heeft, zo zal uw knecht doen. En Simeï woonde te Jeruzalem vele dagen. 39 Maar het gebeurde met het einde van drie jaar, dat twee knechten van Simeï wegliepen tot Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath; en men gaf het Simeï te kennen, zeggende: Zie, uw knechten zijn in Gath. 40 Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijn ezel, en trok heen naar Gath tot Achis, om zijn knechten te zoeken; zo trok Simeï heen, en bracht zijn knechten van Gath. 41 En het werd Salomo aangezegd, dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen, en wedergekomen was. 42 Toen zond de koning, en riep Simeï, en zei tot hem: Heb ik u niet beëdigd bij JAHWEH, en tegen u betuigd, zeggende: Op de dag van uw uitgaan, als u zult herwaarts of daarheen gaan, weet voorzeker, dat u de dood zult sterven? En u zei tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb. 43 Waarom dan hebt u de eed van JAHWEH niet gehouden, en het gebod, dat ik over u geboden had? 44 Verder zei de koning tot Simeï: U weet al de boosheid, die uw hart weet, die u aan mijn vader David gedaan hebt; daarom heeft JAHWEH uw boosheid op uw hoofd doen terugkeren. 45 Maar de koning Salomo is gezegend; en de troon van David zal bevestigd zijn voor het aangezicht van JAHWEH tot in eeuwigheid. 46 En de koning gebood Benaja, de zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan, dat hij stierf. Zo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo. ### 1 Koningen 3 1 En Salomo verzwagerde zich met Farao, de koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad van David totdat hij voltooid zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis van JAHWEH, en de muur van Jeruzalem rondom. 2 Alleen offerde het volk op de hoogten, want geen huis was voor de Naam van JAHWEH gebouwd, tot die dagen toe. 3 En Salomo had JAHWEH lief, wandelende in de voorschriften van zijn vader David; alleen offerde hij en rookte op de hoogten. 4 En de koning ging naar Gibeon, om daar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandoffers offerde Salomo op dat altaar. 5 Te Gibeon verscheen JAHWEH aan Salomo in een droom in de nacht en God zei: Begeer wat Ik u geven zal. 6 En Salomo zei: U hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote goedertierenheid gedaan, zoals hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid van het hart met U; en U hebt hem deze grote goedertierenheid gehouden, dat U hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te deze dage. 7 Nu dan, JAHWEH, mijn God! U hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan. 8 En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat U gekozen hebt, een groot volk, dat niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. 9 Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandig onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw machtig volk kunnen richten? 10 Die zaak nu was goed in de ogen van JAHWEH, dat Salomo deze zaak begeerd had. 11 En God zei tot hem: Omdat u deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel van uw vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen; 12 Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uw gelijke voor u niet geweest is, en uw gelijke na u niet opstaan zal. 13 Zelfs ook wat u niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, zowel rijkdom als eer; dat uw gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 14 En zo u in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn voorschriften en Mijn geboden, zoals uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen. 15 En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark van het verbond van JAHWEH, en offerde brandoffers, en bereidde dankoffers, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten. 16 Toen kwamen er twee vrouwen, die hoeren waren, tot de koning; en zij stonden voor zijn aangezicht. 17 En de ene vrouw zei: Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard. 18 Het is nu gebeurd op de derde dag na mijn baren dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren samen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeën in het huis. 19 En de zoon van deze vrouw is in de nacht gestorven, omdat zij op hem gelegen had. 20 En zij stond om middernacht op, en nam mijn zoon van bij mij, als uw dienstmaagd sliep, en legde hem in haar schoot, en haar dode zoon legde zij in mijn schoot. 21 En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in de morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, die ik gebaard had. 22 Toen zei de andere vrouw: Nee, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; de ander daarentegen zei: Nee, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Zo spraken zij voor het aangezicht van de koning. 23 Toen zei de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is het, die dood is; en die zegt: Nee, maar de dode is uw zoon, en de levende mijn zoon. 24 Verder zei de koning: Haal mij een zwaard; en zij brachten een zwaard voor het aangezicht van de koning. 25 En de koning zei: Doorsnijd dat levende kind in tweeën, en geeft de ene één helft, en de andere één helft. 26 Maar de vrouw, van wie de zoon de levende was, sprak tot de koning (want haar moederhart brandde van medelijden om haar zoon), en zei: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het in geen geval; deze daarentegen zei: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het. 27 Toen antwoordde de koning, en zei: Geef aan die het levende kind, en doodt het in geen geval; die is zijn moeder. 28 En geheel Israël hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht van de koning; want zij zagen, dat de wijsheid van God in hem was, om recht te doen. ### 1 Koningen 4 1 Zo was de koning Salomo koning over geheel Israël. 2 En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman. 3 Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 4 En Benaja, de zoon van Jojada, was over het leger; en Zadok en Abjathar waren priesters. 5 En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, de vriend van de koning. 6 En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de belasting. 7 En Salomo had twaalf bestelmeesters over geheel Israël, die de koning en zijn huis verzorgden; voor elk was één maand in het jaar om te verzorgen. 8 En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraïm. 9 De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-semes, en Elon-beth-hanan. 10 De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het hele land Hefer. 11 De zoon van Abinadab had de hele landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw. 12 Baäna, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het hele Beth-sean, dat is bij Zartana, beneden van Jizreël, van Beth-sean aan tot Abel-mehola, tot aan de overzijde van Jokmeam. 13 De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, de zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, die is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendels. 14 Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim. 15 Ahimaäz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, tot vrouw. 16 Baäna, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth. 17 Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar. 18 Simeï, de zoon van Ela, in Benjamin. 19 Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, de koning van de Amorieten, en van Og, de koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was. 20 Juda nu en Israël waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blij zijnde. 21 En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen van zijn leven. 22 Het voedsel nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel; 23 Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgezonderd de herten, en reeën, en buffelen en gemeste vogels. 24 Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde van de rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde van de rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom. 25 En Juda en Israël woonden zeker, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo. 26 Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagens, en twaalf duizend ruiteren. 27 Die bestelmeesters nu, een ieder op zijn maand, verzorgden de koning Salomo, en al degenen, die tot de tafel van de koning Salomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken. 28 De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kamelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, ieder naar zijn last. 29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip van het hart, zoals zand, dat aan de oever van de zee is. 30 En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid van de Egyptenaren; 31 Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom. 32 En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf. 33 Hij sprak ook van de bomen, van de cederboom af, die op de Libanon is, tot op de hysop, die aan de wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen. 34 En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te horen, van alle koningen van de aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden. ### 1 Koningen 5 1 En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in de plaats van zijn vader), omdat Hiram altijd van David gehouden had. 2 Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende: 3 U weet, dat mijn vader David voor de Naam van JAHWEH, zijn God, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmee zij hem omsingelden, totdat JAHWEH hen onder zijn voetzolen gaf. 4 Maar nu heeft JAHWEH, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenstander, en geen bedreiging. 5 En zie, ik denk voor de Naam van JAHWEH, mijn God, een huis te bouwen; zoals JAHWEH gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, die Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen. 6 Zo gebied nu, dat men mij cederen uit de Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon van uw knechten zal ik u geven, naar al wat u zeggen zult; want u weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, zoals de Sidoniërs. 7 En het gebeurde, als Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zei: Gezegend zij JAHWEH vandaag, Die David een wijze zoon gegeven heeft over dit grote volk! 8 En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom u tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederhout, en met het dennenhout. 9 Mijn knechten zullen het afbrengen van de Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die u aan mij ontbieden zult, en zal het daar los maken, en u zult het wegnemen; u zult ook mijn wil doen, dat u mijn huis voedsel geeft. 10 Zo gaf Hiram aan Salomo cederhout en dennenhout, naar al zijn wil. 11 En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot voedsel van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; dat gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar. 12 JAHWEH dan gaf Salomo wijsheid, zoals Hij tot hem gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en tussen Salomo, en zij beiden maakten een verbond. 13 En de koning Salomo legde heel Israël een herendienst op; de herendienst bestond uit dertig duizend man. 14 En hij zond hen naar de Libanon, tien duizend per maand bij beurten; een maand waren zij op de Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram had de leiding over deze herendienst. 15 Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte. 16 Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, dat dat werk deed. 17 Als de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen toe, kostelijke stenen, gehouwen stenen, om de grond van dat huis te leggen. 18 En de bouwers van Salomo, en de bouwers van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen. ### 1 Koningen 6 1 Het gebeurde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na de uitgang van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis van JAHWEH bouwde. 2 En dat huis, dat de koning Salomo voor JAHWEH bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte. 3 En het voorhuis, vooraan de tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis. 4 En hij maakte vensters aan het huis van gesloten uitzichten. 5 En rondom aan de wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, zowel van de tempel als van de aanspraakplaats. Zo maakte hij zijkamers rondom. 6 De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom naar buiten inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis. 7 Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met volmaakte steen, zoals die toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd. 8 De deur van de middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde. 9 Zo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en bedekte dat huis met gewelven en rijen van cederen. 10 Hij bouwde ook de kamers aan het hele huis, van vijf ellen in haar hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederhout. 11 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Salomo, zeggende: 12 Wat dit huis betreft, dat u bouwt, zo u wandelt in Mijn voorschriften, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, door daarin te wandelen; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb; 13 En Ik zal in het midden van de Israëlieten wonen; en Ik zal Mijn volk Israël niet verlaten. 14 Zo bouwde Salomo dat huis en volmaakte het. 15 Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van de vloer van het huis tot aan het dak van de wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte de vloer van het huis met dennen planken. 16 Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van de vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige van de heiligen. 17 Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was. 18 En het ceder aan het huis inwendig was gesneden met knoppen en open bloemen; het was al ceder, geen steen werd gezien. 19 En de aanspraakplaats bereidde hij inwaarts in het huis, om de ark van het verbond van JAHWEH daar te zetten. 20 En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtrok ze met gesloten goud; ook overtrok hij het cederen altaar. 21 En Salomo overtrok het huis van binnen met gesloten goud; en hij trok voor de aanspraakplaats een voorhangsel heen door met gouden ketenen, en overtrok dat met goud. 22 Zo overtrok hij het hele huis met goud, totdat het hele huis volmaakt was; daartoe overtrok hij met goud het hele altaar, dat voor de aanspraakplaats was. 23 In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen. 24 En van vijf ellen was de ene vleugel van de cherub, en van vijf ellen de andere vleugel van de cherub; van het einde van zijn ene vleugel, tot aan het einde van zijn andere vleugel, waren tien ellen. 25 Zo was de andere cherub van tien ellen; beide cherubs hadden dezelfde maat, en dezelfde snede. 26 De hoogte van de ene cherub was van tien ellen, en zo van de andere cherub. 27 En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugels uit, zodat de vleugel van de ene raakte aan deze wand, en de vleugel van de andere cherub raakte aan de andere wand; en hun vleugels naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel. 28 En hij overtrok deze cherubs met goud. 29 En al de wanden van het huis, in het ronde, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en van buiten. 30 Daartoe overtrok hij de vloer van het huis met goud van binnen en van buiten. 31 En aan de ingang van de aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel van de wand. 32 De twee deuren ook waren van olieachtige bomen; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, die hij met goud overtrok; ook trok hij goud over de cherubs en over de palmbomen. 33 En zo maakte hij aan de deuren van de tempel posten van olieachtige bomen, uit het vierde deel van de wand. 34 En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden van de ene deur waren omdraaiende; zo waren de twee gegraveerde zijden van de andere deur omdraaiende. 35 En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, die hij met goud overtrok, gericht naar het uitgesnedene. 36 Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken. 37 In het vierde jaar werd de grond van het huis van JAHWEH gelegd, in de maand Ziv; 38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, die is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; zo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd. ### 1 Koningen 7 1 Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn hele huis. 2 Hij bouwde ook het huis van het woud van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren. 3 En het was bedekt met ceder van boven op de ribben, die op vijf en veertig pilaren waren, vijftien in een rij. 4 Er waren drie rijen van uitzichten, dat het ene venster was over het andere venster, in drie orden. 5 Ook waren al de deuren en de posten vierkantig van dezelfde uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden. 6 Daarna maakte hij een voorhuis van pilaren; vijftig ellen was zijn lengte, en dertig ellen zijn breedte; en het voorhuis was tegenover die, en de pilaren met de dikke balken daartegenover. 7 Ook maakte hij een voorhuis voor de troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis van het gericht, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer. 8 En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, dat aan hetzelfde werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk. 9 Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van de grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof. 10 Het was ook gegrondvest met kostelijke stenen, grote stenen; met stenen van tien ellen, en stenen van acht ellen. 11 En bovenop kostelijke stenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen. 12 En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis van JAHWEH, en met het voorhuis van dat huis. 13 En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen. 14 Hij was de zoon van een weduwvrouw, uit de stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot de koning Salomo, en maakte al zijn werk. 15 Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van de ene pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving de andere pilaar. 16 Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden van de pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel. 17 De netten waren van vlechtwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd van de pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel. 18 Zo maakte hij de pilaren, en ook twee rijen rondom over het ene net, om de kapitelen, die boven het hoofd van de granaatappels waren, te bedekken; zo deed hij ook aan het andere kapiteel. 19 En de kapitelen, die waren op het hoofd van de pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen. 20 De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover de buik, die was naast het net; en tweehonderd granaatappels waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel. 21 Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis van de tempel; en de rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en de linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz. 22 En op het hoofd van de pilaren was het leliewerk; zo werd het werk van de pilaren volmaakt. 23 Verder maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij van haar ene rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. 24 En onder haar rand waren knoppen, haar rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen van deze knoppen waren in haar gieting gegoten. 25 Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was daar bovenop; en al hun achterdelen waren inwaarts. 26 Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem; zij hield twee duizend bath. 27 Hij maakte ook tien koperen stellingen; van vier ellen was de lengte van een stelling, en van vier ellen haar breedte, en van drie ellen haar hoogte. 28 En dit was het werk van het onderstel; zij hadden lijsten, en de lijsten waren tussen kransen. 29 En op de lijsten, die tussen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet boven heen; en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk. 30 En een onderstel had vier koperen wielen, en koperen platen; en haar vier hoeken hadden steunen; onder het wasvat waren deze gegoten steunen ter zijde van ieders bijvoegselen. 31 En de mond daarvan was van binnen de krans, en daarboven van een el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van een el en een halve el; en op de mond daarvan waren ook graveringen, en de lijsten daarvan waren vierkantig, niet rond. 32 De vier wielen nu waren onder de lijsten, en de assen van de wielen aan het onderstel; en de hoogte van een rad was een el en een halve el. 33 En het werk van die wielen was als het werk van een wagenrad; hun assen, en hun naven, en hun randen, en hun spaken waren alle gegoten. 34 En er waren vier steunen op de vier hoeken van een onderstel; haar steunen waren uit het onderstel. 35 En op het hoofd van een onderstel was een ronde hoogte van een halve el rondom; ook waren op het hoofd van het onderstel haar handhaven, en haar lijsten daaruit. 36 Hij sneed nu op de platen van haar handhaven, en op haar lijsten, cherubs, leeuwen, en palmbomen, naar elks lege plaats, en bijvoegselen rondom. 37 Aan deze gelijk maakte hij de tien onderstellen; dezelfde gieting, dezelfde maat, dezelfde snede hadden zij allen. 38 Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elk onderstel van die tien onderstellen was een wasvat. 39 En hij zette vijf van die onderstellen aan de rechterzijde van het huis, en vijf aan de linkerzijde van het huis; maar de zee zette hij aan de rechterzijde van het huis, naar het oosten tegen het zuiden. 40 Daartoe maakte Hiram de wasvaten, en de scheppen, en de besprengbekkens; en Hiram voltooide al het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo maakte voor het huis van JAHWEH; 41 Te weten de twee pilaren, en bollen van de kapitelen, die op het hoofd van de twee pilaren waren, en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op het hoofd van de pilaren waren; 42 En de vierhonderd granaatappels tot de twee netten, namelijk twee rijen van granaatappels tot het ene net, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren; 43 En ook de tien onderstellen, en de tien wasvaten op de onderstellen; 44 Daartoe de enige zee; en de twaalf runderen onder die zee. 45 De potten ook, en de scheppen, en de besprengbekkens, en al deze voorwerpen, die Hiram voor de koning Salomo tot het huis van JAHWEH maakte, alle van gepolijst koper. 46 In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth en tussen Zarthan. 47 En Salomo liet al deze voorwerpen ongewogen vanwege de zeer grote hoeveelheid; het gewicht van het koper werd niet onderzocht. 48 Ook maakte Salomo al de voorwerpen, die voor het huis van JAHWEH waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, waarop de toonbroden waren; 49 En de kandelaren, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, voor de aanspraakplaats, van gesloten goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud; 50 En ook de schalen, en de messen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; daartoe de scharnieren van de deuren van het binnenste huis, van het heilige van de heiligen, en van de deuren van het huis van de tempel, van goud. 51 Zo werd al het werk volbracht, dat de koning Salomo aan het huis van JAHWEH maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de voorwerpen legde hij onder de schatten van het huis van JAHWEH. ### 1 Koningen 8 1 Toen verzamelde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaders, onder de Israëlieten, tot de koning Salomo te Jeruzalem, om de ark van het verbond van JAHWEH op te brengen uit de stad van David, die is Sion. 2 En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand. 3 En al de oudsten van Israël kwamen; en de priesters namen de ark op. 4 En zij brachten de ark van JAHWEH en de tent van de samenkomst omhoog en ook al de heilige voorwerpen, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten die omhoog. 5 De koning Salomo nu en de hele gemeenschap van Israël, die bij hem verzameld waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden. 6 Zo brachten de priesters de ark van het verbond van JAHWEH tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder de vleugels van de cherubim. 7 Want de cherubim spreidden beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven. 8 Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn daar tot op deze dag. 9 Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als JAHWEH een verbond maakte met de Israëlieten, toen zij uit Egypteland vertrokken waren. 10 En het gebeurde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis van JAHWEH vervulde. 11 En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld. 12 Toen zei Salomo: JAHWEH heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen. 13 Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning. 14 Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de hele gemeente van Israël; en de hele gemeente van Israël stond. 15 En hij zei: Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende: 16 Van die dag af, dat Ik Mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. 17 Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis voor de Naam van JAHWEH, de God van Israël, te bouwen. 18 Maar JAHWEH zei tot David, mijn vader: Omdat het in uw hart geweest is om voor Mijn Naam een huis te bouwen, hebt u welgedaan, dat het in uw hart geweest is. 19 Evenwel u zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lichaam voortkomen zal, die zal voor Mijn Naam dat huis bouwen. 20 Zo heeft JAHWEH bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, zoals JAHWEH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van JAHWEH, de God van Israël. 21 En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond van JAHWEH is, dat Hij met onze vaders maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde. 22 En Salomo stond voor het altaar van JAHWEH, tegenover de hele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel; 23 En hij zei: JAHWEH, God van Israël, er is geen God, zoals U, boven in de hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de goedertierenheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun hele hart wandelen; 24 Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, zoals het te deze dage is. 25 En nu JAHWEH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op de troon van Israël zitte; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, zoals u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. 26 Nu dan, o God van Israël, laat toch Uw woord waar worden, dat U gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David. 27 Maar werkelijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel van de hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb! 28 Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o JAHWEH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht vandaag voor Uw aangezicht bidt. 29 Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, waarvan U gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 30 Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en U, hoor in de plaats van Uw woning, in de hemel, ja, hoor, en vergeef. 31 Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelf te vervloeken; en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal; 32 Hoor U dan in de hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende de ongerechtige, door zijn weg op zijn hoofd te geven, en rechtvaardigende de gerechtige, door hem naar zijn gerechtigheid te geven. 33 Wanneer Uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht van de vijand, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen; 34 Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun vaders gegeven hebt. 35 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; 36 Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de goede weg waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt. 37 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plaag, of enige ziekte wezen zal; 38 Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israël, gebeuren zal; als zij erkennen, een ieder de plaag van zijn hart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal; 39 Hoor U dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en doe, en geef ieder naar al zijn wegen, zoals U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van alle kinderen van de mensen; 40 Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat U onze vaders gegeven hebt. 41 Zelfs ook voor wat betreft de vreemde, die van Uw volk Israël niet zal zijn, maar uit ver land omwille van Uw Naam komen zal; 42 (Want zij zullen horen van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekte arm) als hij komen en bidden zal in dit huis; 43 Hoor U in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, zoals Uw volk Israël, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb. 44 Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijand uittrekken zal door de weg, die U hen heen zenden zult, en zullen tot JAHWEH bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik voor Uw Naam gebouwd heb; 45 Hoor dan in de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit. 46 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen als gevangene wegvoeren in het land van de vijand, dat verre of nabij is. 47 En zij in het land, waar zij als gevangene weggevoerd zijn, weer aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van degenen, die ze als gevangene weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld; 48 En zij zich tot U bekeren, met hun hele hart, en met hun hele ziel, in het land van hun vijanden, die hen als gevangene weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar de weg van hun land (dat U hun vaders gegeven hebt), naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik voor Uw Naam gebouwd heb; 49 Hoor dan in de hemel, de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit; 50 En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmee zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht van degenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich over hen ontfermen; 51 Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die U uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden van de ijzeren ovens; 52 Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht, en tot de smeking van Uw volk Israël, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U. 53 Want U hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken van de aarde; zoals U gesproken hebt door de dienst van Mozes, Uw knecht, als U onze vaders uit Egypte uitvoerde, Adonai JAHWEH! 54 Het gebeurde nu, als Salomo voltooid had dit hele gebed, en deze smeking tot JAHWEH te bidden, dat hij van voor het altaar van JAHWEH opstond, van het knielen op zijn knieën, met zijn handen uitgebreid naar de hemel; 55 Zo stond hij, en zegende de hele gemeente van Israël, zeggende met luide stem: 56 Geloofd zij JAHWEH, Die aan Zijn volk Israël rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet één enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door de dienst van Mozes, Zijn knecht. 57 JAHWEH, onze God, zij met ons, zoals Hij geweest is met onze vaders; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet; 58 Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn voorschriften, en Zijn rechten, die Hij onze vaders geboden heeft. 59 En dat deze mijn woorden, waarmee ik voor JAHWEH gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor JAHWEH, onze God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israël, elk dagelijks op zijn dag. 60 Opdat alle volken van de aarde weten, dat JAHWEH die God is, niemand meer; 61 En uw hart volkomen zij met JAHWEH, onze God, om te wandelen in Zijn voorschriften, en Zijn geboden te houden, zoals te deze dage. 62 En de koning, en geheel Israël met hem, offerden slachtoffers voor het aangezicht van JAHWEH. 63 En Salomo offerde als dankoffer, dat hij aan JAHWEH offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Zo hebben zij het huis van JAHWEH ingewijd, de koning en al de Israëlieten. 64 Op diezelfde dag heiligde de koning het middelste van de voorhof, dat voor het huis van JAHWEH was, omdat hij daar het brandoffer en het voedseloffer bereid had, en ook het vet van de dankoffers; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH was, was te klein, om de brandoffers, en de voedseloffers, en het vet van de dankoffers te bevatten. 65 Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en geheel Israël met hem, een grote gemeente, van de ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht van JAHWEH, onze God, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen. 66 Op de achtste dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden de koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blij en goedsmoeds over al het goede, dat JAHWEH aan David, Zijn knecht, en aan Israël, Zijn volk, gedaan had. ### 1 Koningen 9 1 Het gebeurde nu, als Salomo voltooid had te bouwen het huis van JAHWEH en het huis van de koning, en al de begeerte van Salomo, die hem gelust had te maken; 2 Dat JAHWEH voor de tweede keer aan Salomo verscheen, zoals Hij hem in Gibeon verschenen was. 3 En JAHWEH zei tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die u voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, dat u gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam daar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn altijd. 4 En zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid van het hart, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechten houden zult; 5 Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk over Israël bevestigen in eeuwigheid; zoals Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van de troon van Israël. 6 Maar zo u zich geheel afkeren zult, u en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn voorschriften, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u daarvoor neerbuigen zult; 7 Zo zal Ik Israël uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik voor Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken. 8 En wat dit huis betreft, dat verheven zal geweest zijn, al wie daar zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft JAHWEH zo gedaan aan dit land en aan dit huis? 9 En men zal zeggen: Omdat zij JAHWEH, hun God, verlaten hebben, Die hun vaders uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich daarvoor neergebogen, en hen gediend; daarom heeft JAHWEH al dit kwaad over hen gebracht. 10 En het gebeurde na verloop van twintig jaren, waarin Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis van JAHWEH en het huis van de koning; 11 (Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat toen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea. 12 En Hiram trok uit van Tyrus, om de steden te bekijken, die Salomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen. 13 Daarom zei hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broer, die u mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op deze dag. 14 En Hiram had de koning gezonden honderd en twintig talenten goud. 15 Dit is de reden waarom koning Salomo herendienst oplegde: om het huis van JAHWEH te bouwen, en zijn huis, en Millo, en de muur van Jeruzalem, en ook Hazor, en Megiddo, en Gezer. 16 Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven. 17 Zo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon. 18 En Baälath, en Tamor in de woestijn, in dat land; 19 En al de voorraadsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op de Libanon, en in het hele land van zijn heerschappij. 20 Voor wat betreft al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de Israëlieten; 21 Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de Israëlieten niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo tot slavenarbeid verplicht tot op deze dag. 22 Maar van de Israëlieten maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren soldaten, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn bevelhebbers, en de oversten van zijn wagens, en van zijn ruiteren. 23 Deze waren de oversten van de bestelden, die over het werk van Salomo waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was. 24 Maar de dochter van Farao trok van de stad van David op tot haar huis, dat hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo. 25 En Salomo offerde drie keer in het jaar brandoffers en dankoffers, op het altaar, dat hij voor JAHWEH gebouwd had, en rookte op dat, wat voor het aangezicht van JAHWEH was, als hij het huis volmaakt had. 26 De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-geber, dat bij Eloth is, aan de oever van de Schelfzee, in het land van Edom. 27 En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo. 28 En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot de koning Salomo. ### 1 Koningen 10 1 En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande de Naam van JAHWEH, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken. 2 En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar leger, met kamelen, dragende specerijen, en zeer veel goud, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was. 3 En Salomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor de koning, dat hij haar niet verklaarde. 4 Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, 5 En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij heen opging in het huis van JAHWEH, zo was in haar geen geest meer. 6 En zij zei tot de koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid. 7 Ik heb die woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; u hebt met wijsheid en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb. 8 Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen! 9 Geloofd zij JAHWEH, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op de troon van Israël te zetten! Omdat JAHWEH in eeuwigheid van Israël houdt, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. 10 En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen. 11 Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente. 12 En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis van JAHWEH, en voor het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op deze dag. 13 En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van de koning Salomo; zo keerde zij en trok in haar land, zij en haar knechten. 14 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op één jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten goud; 15 Behalve dat van de marskramers was, en van de handel van de kruideniers, en van alle koningen van Arabië, en van de landvoogden van dat land. 16 Ook maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels goud liet hij opwegen tot elk groot schild. 17 Ook driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond goud liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van Libanon. 18 Ook maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met dicht goud. 19 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van de troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen. 20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, zoiets is in geen enkel koninkrijk gemaakt geweest. 21 Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht. 22 Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaar, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. 23 Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde, in rijkdom en in wijsheid. 24 En de hele aarde zocht het aangezicht van Salomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had. 25 En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar. 26 Daartoe verzamelde Salomo wagens en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij de koning in Jeruzalem. 27 En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. 28 En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden van de koning namen het linnen garen voor de prijs. 29 En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor honderd en vijftig; en zo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië. ### 1 Koningen 11 1 En de koning Salomo had veel buitenlandse vrouwen lief, en dat naast de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische; 2 Van die volken, waarvan JAHWEH gezegd had tot de Israëlieten: U zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zeker uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde. 3 En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijvrouwen en zijn vrouwen neigden zijn hart. 4 Want het gebeurde in de tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met JAHWEH, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. 5 Want Salomo wandelde Astoreth, de god van de Sidoniërs, na, en Milchom, de gruwel van de Ammonieten. 6 Zo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; en volhardde niet JAHWEH te volgen, zoals zijn vader David. 7 Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, de afschuwelijke afgod van de Moabieten, op de berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, de afschuwelijke afgod van de kinderen Ammons. 8 En zo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden. 9 Daarom vertoornde Zich JAHWEH tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van JAHWEH, de God van Israël, Die hem tweemaal verschenen was. 10 En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; maar hij hield niet, wat JAHWEH geboden had. 11 Daarom zei JAHWEH tot Salomo: Omdat dit bij u gebeurd is, dat u niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn voorschriften, die Ik u geboden heb; Ik zal zeker dit koninkrijk van u scheuren, en het uw knecht geven. 12 In uw dagen toch zal Ik dat niet doen, omwille van uw vader David, van de hand van uw zoon zal Ik het scheuren. 13 Maar Ik zal het hele koninkrijk niet afscheuren; één stam zal Ik uw zoon geven, omwille van Mijn knecht David, en omwille van Jeruzalem, dat Ik gekozen heb. 14 Zo verwekte JAHWEH Salomo een tegenstander, Hadad, de Edomiet; hij was van het zaad van de koning in Edom. 15 Want het was gebeurd, als David in Edom was, toen Joab, de oorlogsoverste, optoog, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg; 16 Want Joab bleef daar zes maanden, met het hele Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had. 17 Maar Hadad was ontvlucht, hij en enige Edomietische mannen uit de knechten van zijn vader met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een kleine jongen. 18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, de koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf. 19 En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zus van zijn huisvrouw, de zus van Tachpenes, de koningin. 20 En de zus van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubath, die Tachpenes grootbracht in het huis van Farao; zodat Genubath in het huis van Farao was, onder de zonen van Farao. 21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaders ontslapen, en dat Joab, de oorlogsoverste, dood was, zei Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke. 22 Maar Farao zei: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, u in uw land zoekt te trekken? En hij zei: Niets, maar laat mij evenwel gaan. 23 Ook verwekte God hem een tegenstander, Rezon, de zoon van Eljada, die gevlucht was van zijn heer Hadad-ezer, de koning van Zoba, 24 Tegen wie hij ook mannen verzameld had, en werd overste van een bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damascus, woonden zij daar, en regeerden in Damascus. 25 En hij was Israëls tegenstander al de dagen van Salomo, en dat naast het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië. 26 Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen de koning. 27 Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen de koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk van de stad van zijn vader David toe. 28 En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo deze jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al de last van het huis van Jozef. 29 Het gebeurde nu in die tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op de weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; 30 Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. 31 En hij zei tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. 32 Maar één stam zal hij hebben, omwille van Mijn knecht David, en omwille van Jeruzalem, de stad, die Ik gekozen heb uit alle stammen van Israël. 33 Omdat zij Mij verlaten, en zich neergebogen hebben voor Astoreth, de god van de Sidoniërs, Kamos, de god van de Moabieten, en Milchom, de god van de kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn voorschriften en Mijn rechten; zoals zijn vader David. 34 Maar niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen van zijn leven, omwille van Mijn knecht David, die Ik gekozen heb, die Mijn geboden en Mijn voorschriften gehouden heeft. 35 Maar uit de hand van zijn zoon zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36 En zijn zoon zal Ik één stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij gekozen heb, om Mijn Naam daar te stellen. 37 Zo zal Ik u nemen, en u zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en u zult koning zijn over Israël. 38 En het zal gebeuren, zo u horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn voorschriften en Mijn geboden, zoals Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, zoals Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven. 39 En Ik zal daarom het zaad van David verootmoedigen; toch niet altijd. 40 Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vluchtte in Egypte, tot Sisak, de koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf. 41 Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek van de geschiedenissen van Salomo? 42 De tijd nu, die Salomo te Jeruzalem over het hele Israël regeerde, was veertig jaar. 43 Daarna ontsliep Salomo met zijn vaders, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. ### 1 Koningen 12 1 En Rehabeam trok naar Sichem, want het hele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. 2 Het gebeurde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht; en Jerobeam woonde in Egypte), 3 Dat zij heen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de hele gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; u dan nu, maak de harde dienst van uw vader, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. 5 En hij zei tot hen: Ga heen tot aan de derde dag, komt dan weer tot mij. En het volk ging heen. 6 En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Als u vandaag knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij altijd uw knechten zijn. 8 Maar hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden. 9 En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, dat tot mij gesproken heeft, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter. 10 En de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maakt u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan het middel van mijn vader. 11 Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 12 Zo kwam Jerobeam en het hele volk tot Rehabeam op de derde dag, zoals de koning gesproken had, zeggende: Kom weer tot mij op de derde dag. 13 En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden. 14 En hij sprak tot hen naar de raad van de jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 15 Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van JAHWEH, opdat Hij Zijn woord bevestigde, dat JAHWEH door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 16 Toen geheel Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk de koning weer antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij aan de zoon van Isaï; naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israël naar zijn tenten. 17 Maar voor wat betreft de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 18 Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de belasting was; en het hele Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. 19 Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag. 20 En het gebeurde, als geheel Israël hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij heen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over geheel Israël koning maakten; niemand volgde het huis van David, dan de stam van Juda alleen. 21 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, verzamelde hij het hele huis van Juda en de stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend beste manschappen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis van Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam, de zoon van Salomo, bracht. 22 Maar het woord van God kwam tot Semaja, de man van God, zeggende: 23 Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het hele huis van Juda en Benjamin, en het overige van het volk, zeggende: 24 Zo zegt JAHWEH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers, de Israëlieten; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij gebeurd. En zij hoorden het woord van JAHWEH, en keerden weer, om weg te trekken naar het woord van JAHWEH. 25 Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraïm, en woonde daarin, en trok van daar uit, en bouwde Penuël. 26 En Jerobeam zei in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weer tot het huis van David keren. 27 Zo dit volk opgaan zal om offergaven te doen in het huis van JAHWEH te Jeruzalem, zo zal het hart van dit volk tot hun heer, tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, de koning van Juda, terugkeren. 28 Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zei tot hen: Het is u te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben. 29 En hij zette het ene te Beth-el, en het andere stelde hij te Dan. 30 En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe. 31 Hij maakte ook een huis van de hoogten; en maakte priesters van de geringsten van het volk, die niet waren uit de zonen van Levi. 32 En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op de vijftiende dag van de maand, zoals het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; zo deed hij te Beth-el, offerende aan de kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-el priesters van de hoogten, die hij gemaakt had. 33 En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-el gemaakt had, op de vijftiende dag van de achtste maand, van de maand, die hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij de Israëlieten een feest, en offerde op dat altaar, rokende. ### 1 Koningen 13 1 En ziet, een man van God kwam uit Juda, door het woord van JAHWEH tot Beth-el; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken. 2 En hij riep tegen het altaar, door het woord van JAHWEH, en zei: Altaar, altaar, zo zegt JAHWEH: Zie, een zoon zal aan het huis van David geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters van de hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden. 3 En hij gaf op diezelfde dag een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan JAHWEH gesproken heeft; zie, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden. 4 Het gebeurde nu, als de koning het woord van de man van God hoorde, dat hij tegen het altaar te Beth-el geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijp hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weer tot zich trekken kon. 5 En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man van God gegeven had, door het woord van JAHWEH. 6 Toen antwoordde de koning, en zei tot de man van God: Aanbid toch het aangezicht van JAHWEH, uw God, ernstig, en bid voor mij, dat mijn hand weer tot mij kome! Toen bad de man van God het aangezicht van JAHWEH ernstig; en de hand van de koning kwam weer tot hem, en werd zoals te voren. 7 En de koning sprak tot de man van God: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven. 8 Maar de man van God zei tot de koning: Al gaf u mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken. 9 Want zo heeft mij JAHWEH geboden door Zijn woord, zeggende: U zult geen brood eten, noch water drinken; en u zult niet terugkeren door de weg, die u gegaan bent. 10 En hij ging door een andere weg, en keerde niet weer door de weg waarlangs hij te Beth-el gekomen was. 11 Een oud profeet nu woonde te Beth-el; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man van God op die dag in Beth-el gedaan had, met de woorden, die hij tot de koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader. 12 En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij gegaan? En zijn zonen hadden de weg gezien, die de man van God was gegaan, die uit Juda gekomen was. 13 Toen zei hij tot zijn zonen: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem de ezel, en hij reed daarop. 14 En hij trok de man van God na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zei tot hem: Bent u de man van God, die uit Juda gekomen bent? En hij zei: Ik ben het. 15 Toen zei hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood. 16 Maar hij zei: Ik kan niet met u terugkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats. 17 Want een woord is tot mij gebeurd door het woord van JAHWEH: U zult daar noch brood eten, noch water drinken; u zult niet terugkeren, gaande door de weg, waarlangs u gegaan bent. 18 En hij zei tot hem: Ik ben ook een profeet, zoals u, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord van JAHWEH, zeggende: Breng hem weer met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Maar hij loog hem. 19 En hij keerde met hem terug, en at brood in zijn huis, en dronk water. 20 En het gebeurde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord van JAHWEH kwam tot de profeet, die hem had doen terugkeren; 21 En hij riep tot de man van God, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Omdat u tegen de mond van JAHWEH opstandig bent geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u JAHWEH, uw God, geboden had, 22 Maar bent teruggekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: U zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in het graf van uw vader niet komen. 23 En het gebeurde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem de ezel zadelde, te weten voor de profeet, die hij had doen terugkeren. 24 Zo trok hij heen, en een leeuw vond hem op de weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op de weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam. 25 En ziet, er gingen mensen voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op de weg, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde. 26 Als de profeet, die hem van de weg had doen terugkeren, dit hoorde, zo zei hij: Het is de man van God, die tegen de mond van JAHWEH opstandig is geweest; daarom heeft JAHWEH hem de leeuw overgegeven, die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord van JAHWEH, dat Hij tot hem gesproken had. 27 Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadel mij de ezel. En zij zadelden hem. 28 Toen trok hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op de weg, en de ezel, en de leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en de ezel niet gebroken. 29 Toen nam de profeet het dode lichaam van de man van God op, en legde dat op de ezel, en voerde het terug; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven. 30 En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij bedreven rouw over hem: Ach, mijn broeder! 31 Het gebeurde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man van God begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen. 32 Want de zaak zal zeker gebeuren, die hij door het woord van JAHWEH uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria zijn. 33 Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn boze weg; maar maakte opnieuw priesters van de hoogten van de geringsten van het volk; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd één van de priesters van de hoogten. 34 En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om het te doen afsnijden en te vernietigen van de aardbodem. ### 1 Koningen 14 1 In die tijd was Abia, de zoon van Jerobeam, ziek. 2 En Jerobeam zei tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat u Jerobeams huisvrouw bent, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk. 3 En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honing, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen gebeuren zal. 4 En Jerobeams huisvrouw deed zo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom. 5 Maar JAHWEH zei tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, inzake haar zoon, want hij is ziek; zo en zo zult u tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal. 6 En het gebeurde, als Ahia het geruis van haar voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zei: Kom in, u huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt u zich dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap. 7 Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb; 8 En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en u niet geweest bent, zoals Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn hele hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen; 9 Maar kwaad gedaan hebt, doende meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan bent, en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen; 10 Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, zoals de mest weggedaan wordt, totdat het geheel vergaan zij. 11 Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten; want JAHWEH heeft het gesproken. 12 U dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven. 13 En geheel Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor JAHWEH, de God van Israël, in het huis van Jerobeam gevonden is. 14 Maar JAHWEH zal Zich een koning verwekken over Israël, die het huis van Jerobeam op diezelfde dag uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn? 15 JAHWEH zal ook Israël slaan, zoals een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaders gegeven heeft, en zal hen verstrooien aan de overzijde van de rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, JAHWEH tot toorn verwekkende. 16 En Hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen. 17 Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling. 18 En zij begroeven hem, en geheel Israël beklaagde hem; naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de profeet. 19 Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gevochten, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 20 De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaders, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. 21 Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die JAHWEH gekozen had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische. 22 En Juda deed, wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaders gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden. 23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op alle hoge heuvel, en onder alle groene boom. 24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH van het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. 25 Het gebeurde nu in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem. 26 En hij nam de schatten van het huis van JAHWEH, en de schatten van het huis van de koning weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. 27 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de lijfwachten, die de deur van het huis van de koning bewaarden. 28 En het gebeurde, zo wanneer de koning in het huis van JAHWEH ging, dat de lijfwachten die droegen, en die terugbrachten in de wachtkamer van de lijfwachten. 29 Het overige nu van de geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 30 En er was strijd tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al hun dagen. 31 En Rehabeam ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van David; en de naam van zijn moeder was Naäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats. ### 1 Koningen 15 1 In het achttiende jaar nu van de koning Jerobeam, de zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda. 2 Hij regeerde drie jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom. 3 En hij wandelde in al de zonden van zijn vader, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met JAHWEH, zijn God, zoals het hart van zijn vader David. 4 Maar omwille van David, gaf JAHWEH, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem. 5 Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen van JAHWEH, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen van zijn leven, dan alleen in de zaak van Uria, de Hethiet. 6 En er was strijd geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen van zijn leven. 7 Het overige nu van de geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Er was ook strijd tussen Abiam en tussen Jerobeam. 8 En Abiam ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van David; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. 9 In het twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda. 10 En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Maächa, een dochter van Abisalom. 11 En Asa deed wat recht was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vader David. 12 Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de afgoden, die zijn vader gemaakt had. 13 Ja, zelfs zijn moeder Maächa zette hij ook af, dat zij geen koningin was, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijke afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron. 14 De hoogten werden wel niet weggenomen; toch was het hart van Asa volkomen met JAHWEH, al zijn dagen. 15 En hij bracht in het huis van JAHWEH de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en voorwerpen. 16 En er was strijd tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen. 17 Want Baësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda. 18 Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis van JAHWEH, en de schatten van het huis van de koning, en gaf ze in de hand van zijn knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende: 19 Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baësa, de koning van Israël, dat hij aftrekke van tegen mij. 20 En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maächa, en het hele Cinneroth, met het hele land Nafthali. 21 En het gebeurde, als Baësa dat hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza. 22 Toen liet de koning Asa door geheel Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Baësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmee Geba-benjamins, en Mizpa. 23 Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? Maar in de tijd van zijn ouderdom werd hij ziek aan zijn voeten. 24 En Asa ontsliep met zijn vaders, en werd begraven met zijn vaders, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats. 25 Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël. 26 En hij deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. 27 En Baësa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, smeedde een samenzwering tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon, dat van de Filistijnen is, als Nadab en geheel Israël Gibbethon belegerden. 28 En Baësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats. 29 Het gebeurde nu, als hij regeerde, dat hij het hele huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, voordat hij hem vernietigd had, naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahia, de Siloniet; 30 Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij JAHWEH, de God van Israël, getergd had. 31 Het overige nu van de geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 32 En er was oorlog tussen Asa en tussen Baësa, de koning van Israël, al hun dagen. 33 In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baësa, de zoon van Ahia, koning over geheel Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren. 34 En hij deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, en wandelde in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen. ### 1 Koningen 16 1 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa, zeggende: 2 Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en u gewandeld hebt in de weg van Jerobeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden; 3 Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, zoals het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat. 4 Die van Baësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten. 5 Het overige nu van de geschiedenissen van Baësa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 6 En Baësa ontsliep met zijn vaders, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats. 7 Zo kwam ook het woord van JAHWEH, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen van JAHWEH, Hem tot toorn verwekkende door het werk van zijn handen, omdat hij was zoals het huis van Jerobeam, en omdat hij het verslagen had. 8 In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren. 9 En Zimri, zijn knecht, overste van de helft van de wagens, smeedde een samenzwering tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza; 10 Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats. 11 En het gebeurde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het hele huis van Baësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden. 12 Zo vernietigde Zimri het hele huis van Baësa, naar het woord van JAHWEH, dat Hij over Baësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu; 13 Om al de zonden van Baësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende JAHWEH, de God van Israël, door hun zinloosheden. 14 Het overige nu van de geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 15 In het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat van de Filistijnen is. 16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gemaakt, ja, heeft ook de koning verslagen; daarom maakte het hele Israël op diezelfde dag Omri, de oorlogsoverste, koning over Israël, in het leger. 17 En Omri trok op, en geheel Israël met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza. 18 En het gebeurde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis van de koning, en verbrandde boven zich het huis van de koning met vuur, en stierf; 19 Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, wandelende in de weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen. 20 Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn samenzwering, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 21 Toen werd het volk van Israël verdeeld in twee helften; de helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri. 22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, de zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde. 23 In het een en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren. 24 En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilver, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria. 25 En Omri deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren. 26 En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israël had doen zondigen, en verwekte JAHWEH, de God van Israël, tot toorn, door hun zinloosheden. 27 Het overige nu van de geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 28 En Omri ontsliep met zijn vaders, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats. 29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren. 30 En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van JAHWEH, meer dan allen, die voor hem geweest waren. 31 En het gebeurde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat?), dat hij ook Izebel, de dochter van Eth-baal, de koning van de Sidoniërs, tot vrouw nam, en heenging, en diende Baäl, en boog zich voor hem. 32 En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had. 33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om JAHWEH, de God van Israël, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die voor hem geweest waren. 34 In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongste zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord van JAHWEH, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had. ### 1 Koningen 17 1 En Elia, de Thisbiet, van de inwoners van Gilead, zei tot Achab: Zo waarachtig als JAHWEH, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord! 2 Daarna kwam het woord van JAHWEH tot hem, zeggende: 3 Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. 4 En het zal gebeuren, dat u uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. 5 Hij ging dan heen, en deed naar het woord van JAHWEH; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. 6 En de raven brachten hem 's morgens brood en vlees, evenzo brood en vlees 's avonds; en hij dronk uit de beek. 7 En het gebeurde na verloop van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest. 8 Toen kwam het woord van JAHWEH tot hem, zeggende: 9 Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon daar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. 10 Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort van de stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout sprokkelende; en hij riep tot haar, en zei: Haal mij toch een beetje water in deze kruik, dat ik drinke. 11 Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een stuk brood in uw hand. 12 Maar zij zei: Zo waarachtig als JAHWEH, uw God, leeft, als ik een koek heb, dan alleen een hand vol meel in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven. 13 En Elia zei tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij allereerst een kleine koek daarvan, en breng mij die hier uit; maar voor u en uw zoon zult u daarna wat maken. 14 Want zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie van de fles zal niet ontbreken, tot op de dag, dat JAHWEH regen op de aardbodem geven zal. 15 En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. 16 Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had door de dienst van Elia. 17 En het gebeurde na deze dingen, dat de zoon van deze vrouw, de waardin van het huis, ziek werd; en zijn ziekte werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was. 18 En zij zei tot Elia: Wat heb ik met u te doen, u man van God? Bent u bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen, en om mijn zoon te doden? 19 En hij zei tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neer op zijn bed. 20 En hij riep JAHWEH aan, en zei: JAHWEH, mijn God, hebt U dan ook deze weduwe, bij wie ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat U haar zoon gedood hebt? 21 En hij mat zich drie keer uit over dat kind, en riep JAHWEH aan, en zei: JAHWEH, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem terugkomen. 22 En JAHWEH verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weer in hem, dat het weer levend werd. 23 En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zei: Zie, uw zoon leeft. 24 Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man van God bent, en dat het woord van JAHWEH in uw mond waarheid is. ### 1 Koningen 18 1 En het gebeurde na vele dagen, dat het woord van JAHWEH kwam tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. 2 En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria. 3 En Achab had Obadja, de hofmeester, geroepen; en Obadja was JAHWEH zeer vrezende. 4 Want het gebeurde, als Izebel de profeten van JAHWEH uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een grot, en onderhield hen met brood en water. 5 En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten. 6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op één weg, en Obadja ging ook bijzonder op één weg. 7 Als nu Obadja op de weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zei: Bent u mijn heer Elia? 8 Hij zei: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. 9 Maar hij zei: Wat heb ik gezondigd, dat u uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode? 10 Zo waarachtig als JAHWEH, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden. 11 En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier. 12 En het mocht gebeuren, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest van JAHWEH u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees JAHWEH van mijn jeugd af. 13 Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten van JAHWEH doodde? Dat ik van de profeten van JAHWEH honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een grot, en die met brood en water onderhouden heb? 14 En nu zegt u: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan. 15 En Elia zei: Zo waarachtig als JAHWEH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij vandaag aan hem vertonen! 16 Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zei het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet. 17 En het gebeurde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zei: Bent u die beroerder van Israël? 18 Toen zei hij: Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar u en het huis van uw vader, daarmee, dat u de geboden van JAHWEH verlaten hebt en de Baäls nagevolgd bent. 19 Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het hele Israël op de berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baäl, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten. 20 Zo zond Achab onder alle Israëlieten, en verzamelde de profeten op de berg Karmel. 21 Toen naderde Elia tot het hele volk, en zei: Hoe lang hinkt u op twee gedachten? Zo God JAHWEH is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet één woord. 22 Toen zei Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet van JAHWEH overgebleven, en de profeten van Baäl zijn vierhonderd en vijftig mannen. 23 Dat men ons dan twee stieren geve, en dat zij voor zich de ene stier kiezen, en die in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal de andere stier bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen. 24 Roep u daarna de naam van uw god aan, en ik zal de Naam van JAHWEH aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het hele volk antwoordde en zei: Dat woord is goed. 25 En Elia zei tot de profeten van Baäl: Kies u voor u de ene stier, en bereidt u hem eerst, want u bent velen; en roept de naam van uw god aan, en legt geen vuur daaraan. 26 En zij namen de stier, die hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen de naam van Baäl aan, van de morgen tot op de middag, zeggende: O Baäl, antwoord ons! Maar er was geen stem en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had. 27 En het gebeurde op de middag, dat Elia met hen spotte, en zei: Roep met luide stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden. 28 En zij riepen met luide stem, en zij sneden zichzelf met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten. 29 Het gebeurde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het voedseloffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking. 30 Toen zei Elia tot het hele volk: Nader tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij herstelde het altaar van JAHWEH, dat verbroken was. 31 En Elia nam twaalf stenen, naar het getal van de stammen van de kinderen van Jakob, tot wie het woord van JAHWEH gebeurd was, zeggende: Israël zal uw naam zijn. 32 En hij bouwde met die stenen het altaar in de Naam van JAHWEH; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads. 33 En hij stelde het hout op, en deelde de stier in stukken, en legde hem op het hout. 34 En hij zei: Vul vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zei: Doet het voor de tweede keer. En zij deden het voor de tweede keer. Verder zei hij: Doet het voor de derde keer. En zij deden het voor de derde keer; 35 Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water. 36 Het gebeurde nu, als men het voedseloffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zei: JAHWEH, God van Abraham, Izak en Israël, dat het vandaag bekend worde, dat U God in Israël bent, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb. 37 Antwoord mij, JAHWEH, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat U, o JAHWEH, die God bent, en dat U hun hart achteruit omgewend hebt. 38 Toen viel het vuur van JAHWEH, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, dat in de groeve was. 39 Als nu het hele volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: JAHWEH is God, JAHWEH is God! 40 En Elia zei tot hen: Grijp de profeten van Baäl, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen daar. 41 Daarna zei Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedige regen. 42 Zo trok Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit vooruit ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieën. 43 En hij zei tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zei: Er is niets. Toen zei hij: Ga weer heen, zevenmaal. 44 En het gebeurde op de zevende maal, dat hij zei: Zie, een kleine wolk, als de hand van een man, gaat op van de zee. En hij zei: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude. 45 En het gebeurde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en trok naar Jizreël. 46 En de hand van JAHWEH was over Elia, en hij gordde zijn middel, en liep voor het aangezicht van Achab heen, tot daar men te Jizreël komt. ### 1 Koningen 19 1 En Achab zei Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard. 2 Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen om deze tijd uw ziel stellen, als de ziel van één van hen. 3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, vanwege zijn leven, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen daar. 4 Maar hij zelf ging heen in de woestijn één dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zei: Het is genoeg; neem nu, JAHWEH, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaders. 5 En hij legde zich neer, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zei tot hem: Sta op, eet; 6 En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; zo at hij, en dronk, en legde zich opnieuw neer. 7 En de engel van JAHWEH kwam voor de tweede keer, en roerde hem aan, en zei: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn. 8 Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht van dat voedsel, veertig dagen en veertig nachten, tot aan de berg van God, Horeb. 9 En hij kwam daar in een grot, en overnachtte daar; en ziet, het woord van JAHWEH kwam tot hem, en zei tot hem: Wat maakt u hier, Elia? 10 En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor JAHWEH, de God van de legermachten; want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 11 En Hij zei: Ga uit, en sta op deze berg, voor het aangezicht van JAHWEH. En zie, JAHWEH ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor JAHWEH heen; maar JAHWEH was in de wind niet; en na deze wind een aardbeving; JAHWEH was ook in de aardbeving niet; 12 En na de aardbeving een vuur; JAHWEH was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte. 13 En het gebeurde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in de ingang van de grot. En ziet, een stem kwam tot hem, die zei: Wat maakt u hier, Elia? 14 En hij zei: Ik heb zeer geijverd voor JAHWEH, de God van de legermachten; want de Israëlieten hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen. 15 En JAHWEH zei tot hem: Ga, keer weer op uw weg, naar de woestijn van Damascus; en ga daar in, en zalf Hazaël tot koning over Syrië. 16 Daartoe zult u Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, van Abel-mehola, zult u tot profeet zalven in uw plaats. 17 En het zal gebeuren, dat Jehu hem, die van het zwaard van Hazaël ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, die zal Elisa doden. 18 Ook heb Ik in Israël doen overblijven zeven duizend, knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en elke mond, die hem niet gekust heeft. 19 Zo ging hij van daar, en vond Elisa, de zoon van Safat; die ploegde met twaalf juk runderen voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem. 20 En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zei: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zei tot hem: Ga, keer weer; want wat heb ik u gedaan? 21 Zo keerde hij weer van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap van de runderen kookte hij hun vlees, dat hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem. ### 1 Koningen 20 1 En Benhadad, de koning van Syrië, verzamelde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagens; en hij trok op, en belegerde Samaria en streed tegen haar. 2 En hij zond boden tot Achab, de koning van Israël, in de stad. 3 En hij zei hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is van mij, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn van mij. 4 En de koning van Israël antwoordde en zei: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb. 5 Daarna kwamen de boden weer, en zeiden: Zo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult u mij geven; 6 Maar morgen om deze tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen van uw knechten bezoeken; en het zal gebeuren, dat zij al het begeerlijke van uw ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen. 7 Toen riep de koning van Israël alle oudsten van het land, en zei: Merk toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd. 8 Maar al de oudsten, en het hele volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet. 9 Daarom zei hij tot de boden van Benhadad: Zeg mijn heer de koning: Alles, waarom u in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weer. 10 En Benhadad zond tot hem en zei: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, als het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt! 11 Maar de koning van Israël antwoordde en zei: Spreek tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt. 12 En het gebeurde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zei tot zijn knechten: Leg aan! En zij legden aan tegen de stad. 13 En ziet, een profeet trad tot Achab, de koning van Israël, en zei: Zo zegt JAHWEH: Hebt u gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze vandaag in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben. 14 En Achab zei: Door wie? En hij zei: Zo zegt JAHWEH: Door de jongens van de oversten van de gewesten. En hij zei: Wie zal de strijd aanbinden? En hij zei: U. 15 Toen telde hij de jongens van de oversten van de gewesten, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de Israëlieten, zeven duizend. 16 En zij trokken uit op de middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen. 17 En de jongens van de oversten van de gewesten trokken eerst uit. Maar Benhadad zond enige uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen. 18 En hij zei: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend. 19 Zo trokken deze jongens van de oversten van de gewesten uit de stad, en het leger, dat hen navolgde. 20 En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriërs vluchtten, en Israël jaagde hen na. Maar Benhadad, de koning van Syrië, ontkwam op een paard, met enige ruiteren. 21 En de koning van Israël trok uit, en sloeg paarden en wagens, dat hij een grote slag aan de Syriërs sloeg. 22 Toen trad die profeet tot de koning van Israël, en zei tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat u doen zult; want met de wederkomst van het jaar zal de koning van Syrië tegen u optrekken. 23 Want de knechten van de koning van Syrië hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! 24 Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elk uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats. 25 En u, tel u een leger, als dat leger, dat van u gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagens, als die wagens; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed zo. 26 Het gebeurde nu met de wederkomst van het jaar, dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij trok op naar Afek, ten strijde tegen Israël. 27 De Israëlieten werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de Israëlieten sloegen hun kamp op tegenover hen, als twee blote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land. 28 En de man van God trad toe, en sprak tot de koning van Israël, en zei: Zo zegt JAHWEH: Omdat de Syriërs gezegd hebben: JAHWEH is een God van de bergen, en Hij is niet een God van de laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben. 29 En deze waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het gebeurde nu op de zevende dag, dat de strijd aanging; en de Israëlieten sloegen van de Syriërs honderd duizend voetvolks op één dag. 30 En de overgeblevenen vluchtten naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vluchtte Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer. 31 Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis van Israël goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om ons middel leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot de koning van Israël; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden. 32 Toen gordden zij zakken om hun middel, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zei: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder. 33 De mannen nu namen ijverig waar, en vatten het haastig, of het van hem was, en zeiden: Uw broer Benhadad leeft. En hij zei: Kom, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op de wagen klimmen. 34 En hij zei tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damascus, zoals mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan. 35 Toen zei een man uit de zonen van de profeten tot zijn naaste, door het woord van JAHWEH: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan. 36 En hij zei tot hem: Omdat u de stem van JAHWEH niet gehoorzaam bent geweest, zie, als u van mij weggegaan bent, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg. 37 Daarna vond hij een andere man, en zei: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende. 38 Toen ging de profeet heen, en stond voor de koning op de weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen. 39 En het gebeurde, als de koning voorbijging, dat hij tot de koning riep, en zei: Uw knecht was uitgegaan in het midden van de strijd; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zei: Bewaar deze man, als hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, of u zult een talent zilver opwegen. 40 Het gebeurde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zei de koning van Israël tot hem: Zo is uw oordeel; u hebt zelf het geveld. 41 Toen haastte hij zich, en deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israël kende hem, dat hij één van de profeten was. 42 En hij zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Omdat u de man, die Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk. 43 En de koning van Israël trok heen, somber gestemd en boos, naar zijn huis, en kwam te Samaria. ### 1 Koningen 21 1 Het gebeurde nu na deze dingen, dat Naboth, een Jizreëliet, een wijngaard had, die te Jizreël was, bij het paleis van Achab, de koning van Samaria. 2 Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, omdat hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld de waarde daarvan geven. 3 Maar Naboth zei tot Achab: Dat late JAHWEH verre van mij zijn, dat ik u de erfenis van mijn vaders geven zou! 4 Toen kwam Achab in zijn huis, geïrriteerd en boos over het woord, dat Naboth, de Jizreëliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erfenis van mijn vaders niet geven. En hij legde zich neer op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood. 5 Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat u geen brood eet? 6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, de Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven. 7 Toen zei Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zou u nu het koninkrijk over Israël regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, geven. 8 Zij dan schreef brieven in de naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth. 9 En zij schreef in die brieven, zeggende: Roep een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats van het volk; 10 En zet tegenover hem twee mannen, zonen van Belial, die tegen hem getuigen, zeggende: U hebt God en de koning vaarwel gezegd; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve. 11 En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel tot hen gezonden had; zoals geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had. 12 Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats van het volk. 13 Toen kwamen de twee mannen, zonen van Belial, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf. 14 Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood. 15 Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zei: Sta op, bezit de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, erfelijk, die hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood. 16 En het gebeurde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar de wijngaard van Naboth, de Jizreëliet, af te gaan, om die erfelijk te bezitten. 17 Maar het woord van JAHWEH kwam tot Elia, de Thisbiet, zeggende: 18 Maak u op, ga heen af, Achab, de koning van Israël, tegemoet, die in Samaria is; zie hij is in de wijngaard van Naboth, waarheen hij afgegaan is, om die erfelijk te bezitten. 19 En u zult tot hem spreken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Hebt u doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult u tot hem spreken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelikt hebben, zullen de honden uw bloed likken, ja het uwe! 20 En Achab zei tot Elia: Hebt u mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zei: Ik heb u gevonden, omdat u uzelf verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen van JAHWEH. 21 Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, en ook de beslotene en verlatene in Israël. 22 En Ik zal uw huis maken zoals het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en zoals het huis van Baësa, de zoon van Ahia; om de terging, waarmee u Mij getergd hebt, en dat u Israël hebt doen zondigen. 23 Verder ook over Izebel sprak JAHWEH, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan de voorwal van Jizreël. 24 Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogels van de hemel eten. 25 Maar er was niemand geweest zoals Achab, die zichzelf verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen van JAHWEH, omdat Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste. 26 En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de afgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. 27 Het gebeurde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neer in de zak, en ging langzaam. 28 En het woord van JAHWEH kwam tot Elia, de Thisbiet, zeggende: 29 Hebt u gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen van zijn zoon zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen. ### 1 Koningen 22 1 En zij zaten drie jaar stil, dat er geen strijd was tussen Syrië en tussen Israël. 2 Maar het gebeurde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot de koning van Israël afgekomen was, 3 Dat de koning van Israël tot zijn knechten zei: Weet u, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van de koning van Syrië. 4 Daarna zei hij tot Josafat: Zult u met mij trekken in de strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zei tot de koning van Israël: Zo zal ik zijn zoals u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 5 Verder zei Josafat tot de koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord van JAHWEH. 6 Toen verzamelde de koning van Israël de profeten, ongeveer vierhonderd man, en hij zei tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want JAHWEH zal ze in de hand van de koning geven. 7 Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van JAHWEH, dat wij het van hem vragen mochten? 8 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog één man, om door hem JAHWEH te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: De koning zegge niet zo! 9 Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla. 10 De koning van Israël nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid. 11 En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zei: Zo zegt JAHWEH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben. 12 En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn; want JAHWEH zal hen in de hand van de koning geven. 13 De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden van de profeten zijn uit één mond goed tot de koning; dat toch uw woord zij, zoals het woord van één uit hen, en spreek het goede. 14 Maar Micha zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, wat JAHWEH tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken. 15 Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zei tot hem: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want JAHWEH zal ze in de hand van de koning geven. 16 En de koning zei tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in de Naam van JAHWEH? 17 En hij zei: Ik zag het hele Israël verstrooid op de bergen, zoals schapen, die geen herder hebben; en JAHWEH zei: Deze hebben geen heer; ieder kere weer naar zijn huis in vrede. 18 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren? 19 Verder zei hij: Daarom hoort het woord van JAHWEH: Ik zag JAHWEH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse leger staande naast Hem, aan Zijn rechterhand en aan Zijn linkerhand. 20 En JAHWEH zei: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zei zo, en de andere zei zo. 21 Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht van JAHWEH, en zei: Ik zal hem overreden. 22 En JAHWEH zei tot hem: Waarmee? En hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult er ook in slagen; ga uit en doe zo. 23 Nu dan, zie, JAHWEH heeft een leugengeest in de mond van al deze uw profeten gegeven; en JAHWEH heeft kwaad over u gesproken. 24 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op de kaak; en hij zei: Door wat weg is de geest van JAHWEH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? 25 En Micha zei: Zie, u zult het zien, op die dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te verbergen. 26 De koning van Israël nu zei: Neem Micha, en breng hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning; 27 En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in de gevangenis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom. 28 En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft JAHWEH door mij niet gesproken! Verder zei hij: Hoor, u volken altegaar! 29 Zo trok de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. 30 En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo vermomde zich de koning van Israël, en kwam in de strijd. 31 De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, van wie hij er twee en dertig had, zeggende: U zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar de koning van Israël alleen. 32 Het gebeurde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Zeker, die is de koning van Israël, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat riep uit. 33 En het gebeurde, als de oversten van de wagens zagen, dat hij de koning van Israël niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden. 34 Toen spande een man de boog in zijn eenvoud, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond. 35 En de strijd nam op dezelfde dag toe, en de koning werd met de wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf 's avonds, en het bloed van de wonde vloeide in de bak van de wagen. 36 En er ging een uitroeping door het leger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land! 37 Zo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven de koning te Samaria. 38 Als men nu de wagen in de vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren zich wasten, naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had. 39 Het overige nu van de geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het ivoren huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 40 Zo ontsliep Achab met zijn vaders; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats. 41 Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël. 42 Josafat was vijf en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silchi. 43 En hij wandelde in al de weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen van JAHWEH. 44 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 45 En Josafat maakte vrede met de koning van Israël. 46 Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 47 Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren. 48 Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder van de koning. 49 En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-geber. 50 Toen zei Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet. 51 En Josafat ontsliep met zijn vaders, en werd bij zijn vaders begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 52 Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël. 53 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; want hij wandelde in de weg van zijn vader, en in de weg van zijn moeder, en in de weg van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 54 En hij diende Baäl, en boog zich voor hem, en vertoornde JAHWEH, de God van Israël, naar alles, wat zijn vader gedaan had. ## 2 Koningen ### 2 Koningen 1 1 En Moab viel van Israël af, na Achabs dood. 2 En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd ziek. En hij zond boden, en zei tot hen: Ga heen, vraagt Baäl-zebub, de god van Ekron, of ik van deze ziekte genezen zal. 3 Maar de Engel van JAHWEH sprak tot Elia, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u heengaat, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? 4 Daarom nu zegt JAHWEH zo: U zult niet afkomen van dat bed, waarop u geklommen bent, maar u zult de dood sterven. En Elia ging weg. 5 Zo kwamen de boden weer tot hem; en hij zei tot hen: Wat is dit, dat u wederkomt? 6 En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zei tot ons: Ga heen, keert weer tot de koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt JAHWEH: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat u zendt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom zult u van dat bed, waarop u geklommen bent, niet afkomen, maar u zult de dood sterven. 7 En hij sprak tot hen: Hoe was de gestalte van de man, die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft? 8 En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een leren gordel gegord om zijn middel. Toen zei hij: Het is Elia, de Thisbiet. 9 En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte van een berg), zo sprak hij tot hem: U, man van God! de koning zegt: Kom af. 10 Maar Elia antwoordde en sprak tot de hoofdman van vijftigen: Als ik dan een man van God ben, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van de hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen. 11 En hij zond opnieuw tot hem een andere hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. Deze antwoordde en sprak tot hem: U, man van God! zo zegt de koning: Kom haastig af. 12 En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man van God, zo dale vuur van de hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods van de hemel en verteerde hem en zijn vijftigen. 13 En opnieuw zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en boog zich op zijn knieën, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: U, man van God, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen, dierbaar zijn in uw ogen! 14 Zie, het vuur is van de hemel gedaald, en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen! 15 Toen sprak de Engel van JAHWEH tot Elia: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot de koning. 16 En hij sprak tot hem: Zo zegt JAHWEH: Daarom, dat u boden gezonden hebt, om Baäl-zebub, de god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop u geklommen bent, zult u niet afkomen, maar u zult de dood sterven. 17 Zo stierf hij, naar het woord van JAHWEH, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Josafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon. 18 Het overige nu van de zaken van Ahazia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? ### 2 Koningen 2 1 Het gebeurde nu, als JAHWEH Elia met een onweer ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal. 2 En Elia zei tot Elisa: Blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar Beth-el gezonden. Maar Elisa zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo gingen zij af naar Beth-el. 3 Toen gingen de zonen van de profeten, die te Beth-el waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet u, dat JAHWEH vandaag uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. 4 En Elia zei tot hem: Elisa, blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Zo kwamen zij te Jericho. 5 Toen traden de zonen van de profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet u, dat JAHWEH vandaag uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zei: Ik weet het ook wel, zwijgt u stil. 6 En Elia zei tot hem: Blijf toch hier, want JAHWEH heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen heen. 7 En vijftig mannen van de zonen van de profeten gingen heen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan. 8 Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge. 9 Het gebeurde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zei tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, voordat ik van bij u weggenomen word. En Elisa zei: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn! 10 En hij zei: U hebt een harde zaak begeerd; als u mij zult zien, als ik van bij u weggenomen word, het zal u zo gebeuren; maar zo niet, het zal niet gebeuren. 11 En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Zo voer Elia met een onweer ten hemel. 12 En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn kleren en scheurde ze in twee stukken. 13 Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weer, en stond aan de oever van de Jordaan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zei: Waar is JAHWEH, de God van Elia? Ja, Dezelfde? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en daarheen verdeeld, en Elisa ging er door. 15 Als nu de kinderen van de profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neer ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest van JAHWEH hem opgenomen, en op één van de bergen, of in één van de dalen hem geworpen heeft. Maar hij zei: Zend niet. 17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zei: Zend. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, maar hem niet vonden. 18 Toen kwamen zij weer tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zei tot hen: Heb ik tot u niet gezegd: Ga niet? 19 En de mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning van deze stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar. 20 En hij zei: Breng mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem. 21 Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zei: Zo zegt JAHWEH: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden. 22 Zo werd dat water gezond, tot op deze dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had. 23 En hij ging van daar op naar Beth-el. Als hij nu de weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! 24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in de Naam van JAHWEH. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden daarvan twee en veertig kinderen. 25 En hij ging van daar naar de berg Karmel; en van daar keerde hij weer naar Samaria. ### 2 Koningen 3 1 Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, maar niet zoals zijn vader en zoals zijn moeder; want hij deed dat opgerichte beeld van Baäl weg, dat zijn vader gemaakt had. 3 Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af. 4 Mesa nu, de koning van de Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan de koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. 5 Maar het gebeurde, als Achab gestorven was, dat de koning van de Moabieten van de koning van Israël afviel. 6 Zo trok de koning Joram in die tijd uit Samaria, en monsterde geheel Israël. 7 En hij ging heen, en zond tot Josafat, de koning van Juda, zeggende: De koning van de Moabieten is van mij afgevallen, zult u met mij trekken in de oorlog tegen de Moabieten? En hij zei: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, zoals u bent, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden. 8 En hij zei: Door welke weg zullen wij optrekken? Hij dan zei: Door de weg van de woestijn van Edom. 9 Zo trok de koning van Israël heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen rondgetrokken waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water. 10 Toen zei de koning van Israël: Ach, dat JAHWEH deze drie koningen geroepen heeft, om die in de hand van de Moabieten te geven! 11 En Josafat zei: Is hier geen profeet van JAHWEH, dat wij door hem JAHWEH mochten vragen? Toen antwoordde één van de knechten van de koning van Israël, en zei: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot. 12 En Josafat zei: Het woord van JAHWEH is bij hem. Zo trokken tot hem af de koning van Israël, en Josafat, en de koning van Edom. 13 Maar Elisa zei tot de koning van Israël: Wat heb ik met u te doen? Ga heen tot de profeten van uw vader, en tot de profeten van uw moeder. Maar de koning van Israël zei tot hem: Nee, want JAHWEH heeft deze drie koningen geroepen, om die in de hand van de Moabieten te geven. 14 En Elisa zei: Zo waarachtig als JAHWEH van de legermachten leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, de koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien! 15 Nu dan, brengt mij een speelman. En het gebeurde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand van JAHWEH op hem kwam. 16 En hij zei: Zo zegt JAHWEH: Maak in dit dal vele grachten. 17 Want zo zegt JAHWEH: U zult geen wind zien, en u zult geen regen zien; toch zal dit dal met water vervuld worden, zodat u zult drinken, u en uw vee, en uw beesten. 18 Daartoe is dat slecht in de ogen van JAHWEH, Hij zal ook de Moabieten in uw hand geven. 19 En u zult alle versterkte steden, en alle uitgelezen steden slaan, en zult alle goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken lands zult u met stenen verderven. 20 En het gebeurde 's morgens, als men het voedseloffer offert, dat er, ziet, water door de weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd. 21 Toen nu al de Moabieten hoorden, dat koningen opgetrokken waren, om tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af, die de gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de grens. 22 En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover rood, zoals bloed. 23 En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven, en hebben de één de ander verslagen; nu dan aan de buit, u Moabieten! 24 Maar als zij aan het leger van Israël kwamen, maakten zich de Israëlieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vluchtten van hun aangezicht; ja, zij kwamen in het land, slaande ook de Moabieten. 25 De steden nu braken zij af, en ieder wierp zijn steen op alle goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede bomen, totdat zij in Kir-hareseth alleen de stenen daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen hen. 26 Maar als de koning van de Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittrokken, om door te breken tegen de koning van Edom; maar zij konden niet. 27 Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem als brandoffer op de muur. Daaruit werd een zeer grote toorn in Israël; daarom trokken zij van hem af, en keerden weer in hun land. ### 2 Koningen 4 1 Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen van de profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en u weet, dat uw knecht JAHWEH was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen. 2 En Elisa zei tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat u in het huis hebt. En zij zei: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie. 3 Toen zei hij: Ga, eis voor u kruiken van buiten, van al uw buren lege kruiken; maak er niet weinig te hebben. 4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die kruiken, en zet weg, dat vol is. 5 Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de kruiken toe, en zij goot in. 6 En het gebeurde, als die kruiken vol waren, dat zij tot haar zoon zei: Breng mij nog een kruik aan; maar hij zei tot haar: Er is geen kruik meer. En de olie stond stil. 7 Toen kwam zij, en gaf het de man van God te kennen; en hij zei: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; u dan met uw zonen, leef bij het overige. 8 Het gebeurde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat daar een grote vrouw was, die hem aanhield om brood te eten. Verder gebeurde het, telkens hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten. 9 En zij zei tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man van God heilig is, die bij ons altijd doortrekt. 10 Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het gebeuren, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. 11 En het gebeurde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neer. 12 Toen zei hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht. 13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, u bent zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot de koning, of tot de oorlogsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden van mijn volk. 14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud. 15 Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.) 16 En hij zei: Op deze vastgestelde tijd, ongeveer deze tijd van het leven zult u een zoon omhelzen. En zij zei: Nee, mijn heer, u, man van God, lieg tegen uw dienstmaagd niet. 17 En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op die vastgestelde tijd, ongeveer de tijd van het leven, die Elisa tot haar gesproken had. 18 Toen nu het kind groot werd, gebeurde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers. 19 En het zei tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zei tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder. 20 En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieën tot aan de middag toe; toen stierf hij. 21 En zij ging op, en legde hem op het bed van de man van God; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit. 22 En zij riep om haar man, en zei: Zend mij toch één van de jongens, en één van de ezelinnen, dat ik tot de man van God lope, en wederkome. 23 En hij zei: Waarom gaat u vandaag tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zei: Het zal wel zijn. 24 Toen zadelde zij de ezelin, en zei tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zeg. 25 Zo trok zij heen, en kwam tot de man van God, tot de berg Karmel. En het gebeurde, als de man van God haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen, zei: Zie, daar is de Sunamietische. 26 Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zei: Het is wel. 27 Toen zij nu tot de man van God op de berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Maar de man van God zei: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitter bedroefd, en JAHWEH heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd. 28 En zij zei: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zei ik niet: Bedrieg mij niet? 29 En hij zei tot Gehazi: Gord uw middel, en neem mijn staf in uw hand, en ga heen; zo u iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van de jongen. 30 Maar de moeder van de jongen zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na. 31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde de staf op het aangezicht van de jongen; maar er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weer hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt. 32 En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed. 33 Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot JAHWEH. 34 En hij klom op, en legde zich neer op het kind, en leggende zijn mond op zijn mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees van het kind werd warm. 35 Daarna kwam hij weer, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens daarheen, en klom weer op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open. 36 En hij riep Gehazi, en zei: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zei: Neem uw zoon op. 37 Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit. 38 Als nu Elisa weer te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen van de profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zei tot zijn jongen: Zet de grote pot aan, en kook moes voor de zonen van de profeten. 39 Toen ging er één uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilde wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in de moespot; want zij kenden ze niet. 40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het gebeurde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man van God, de dood is in de pot! En zij konden het niet eten. 41 Maar hij zei: Breng dan meel; en hij wierp het in de pot; en hij zei: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in de pot. 42 En er kwam een man van Baäl-salisa, en bracht de man van God broden van de eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten. 43 Maar zijn dienaar zei: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zei: Geef aan het volk, dat zij eten; want zo zegt JAHWEH: Men zal eten en overhouden. 44 Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord van JAHWEH. ### 2 Koningen 5 1 Naäman nu, de oorlogsoverste van de koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht van zijn heer, en van hoog aanzien; want door hem had JAHWEH de Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, maar melaats. 2 En er waren benden uit Syrië getrokken, en hadden een klein meisje uit het land van Israël als gevangene gebracht, die in de dienst van de huisvrouw van Naäman was. 3 Deze zei tot haar vrouw: Och, of mijn heer was voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen. 4 Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft het meisje gesproken, dat uit het land van Israël is. 5 Toen zei de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilver, en zes duizend sikkels goud, en tien wisselklederen. 6 En hij bracht de brief tot de koning van Israël, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naäman tot u gezonden, dat u hem ontledigt van zijn melaatsheid. 7 En het gebeurde, als de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn kleren scheurde, en zei: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want werkelijk, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt. 8 Maar het gebeurde, als Elisa, de man van God, gehoord had, dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had, dat hij tot de koning zond, om te zeggen: Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is. 9 Zo kwam Naäman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa. 10 Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u terugkomen, en u zult rein zijn. 11 Maar Naäman werd zeer boos, en trok weg, en zei: Zie, ik zei bij mij zelf: Hij zal zeker uitkomen, en staan, en de Naam van JAHWEH, Zijn God, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en de melaatse ontledigen. 12 Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren van Israël; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en trok weg met woede. 13 Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zou u ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, aangezien hij tot u gezegd heeft: Was u, en u zult rein zijn? 14 Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man van God; en zijn vlees kwam weer, zoals het vlees van een kleine jongen; en hij werd rein. 15 Toen keerde hij weer tot de man van God, hij en zijn hele leger, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de hele aarde, dan in Israël! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht. 16 Maar hij zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, als ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, maar hij weigerde het. 17 En Naäman zei: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar JAHWEH. 18 In deze zaak vergeve JAHWEH uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neer te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon neerbuigen zal; als ik mij zo neerbuigen zal in het huis van Rimmon, JAHWEH vergeve toch uw knecht in deze zaak. 19 En hij zei tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine streek lands. 20 Gehazi nu, de jongen van Elisa, de man van God, zei: Zie, mijn heer heeft Naäman, die Syriër belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft, wat hij gebracht had; maar zo waarachtig als JAHWEH leeft, ik zal hem nalopen, en zal wat van hem nemen! 21 Zo volgde Gehazi Naäman achterna. En toen Naäman zag, dat hij hem naliep, viel hij van de wagen af, hem tegemoet, en hij zei: Is het wel? 22 En hij zei: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongemannen uit de zonen van de profeten, van het gebergte van Efraïm gekomen; geef hun toch een talent zilver en twee wisselklederen. 23 En Naäman zei: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilver in twee beurzen, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen. 24 Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij trokken heen. 25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zei tot hem: Vanwaar, Gehazi? En hij zei: Uw knecht is noch herwaarts noch daarheen gegaan. 26 Maar hij zei tot hem: Ging niet mijn hart mee, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om kleren te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienaressen? 27 Daarom zal u de melaatsheid van Naäman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw. ### 2 Koningen 6 1 En de kinderen van de profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te nauw. 2 Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zei: Ga heen. 3 En er zei één: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zei: Ik zal gaan. 4 Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af. 5 En het gebeurde, als één het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zei: Ach, mijn heer, want het was geleend. 6 En de man van God zei: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarheen, en deed het ijzer boven zwemmen. 7 En hij zei: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het, 8 En de koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een. 9 Maar de man van God zond heen tot de koning van Israël, zeggende: Pas op dat u door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarheen afgekomen. 10 Daarom zond de koning van Israël heen aan die plaats, waarvan hem de man van God gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich daar, niet eenmaal, noch tweemaal. 11 Toen werd het hart van de koning van Syrië onstuimig over deze handel; en hij riep zijn knechten, en zei tot hen: Zult u mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor de koning van Israël? 12 En één van zijn knechten zei: Nee, mijn heer koning! Maar Elisa, de profeet, die in Israël is, geeft de koning van Israël te kennen de woorden, die u in uw binnenste slaapkamer spreekt. 13 En hij zei: Ga heen, en ziet, waar hij is, dat ik zend en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan. 14 Toen zond hij daarheen paarden, en wagens, en een zwaar leger; die in de nacht kwamen, en omsingelden de stad. 15 En de dienaar van de man van God stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een leger omringde de stad met paarden en wagens. Toen zei zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen. 16 En hij zei: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn. 17 En Elisa bad, en zei: JAHWEH, open toch zijn ogen, dat hij zie! En JAHWEH opende de ogen van de jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa. 18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot JAHWEH, en zei: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa. 19 Toen zei Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volg mij na, en ik zal u leiden tot de man, die u zoekt; en hij leidde hen naar Samaria. 20 En het gebeurde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa zei: JAHWEH, open de ogen van deze, dat zij zien! En JAHWEH opende hun ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria. 21 En de koning van Israël zei tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader? 22 Maar hij zei: U zult hen niet slaan; zou u ook slaan, die u met uw zwaard en met uw boog gevangen had? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken. 23 En hij bereidde hun een grote maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden van de Syriërs niet meer in het land van Israël. 24 En het gebeurde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn hele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde. 25 En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen. 26 En het gebeurde, als de koning op de muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning! 27 En hij zei: JAHWEH helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? Van de dorsvloer of van de wijnpers? 28 Verder zei de koning tot haar: Wat is u? En zij zei: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem vandaag eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten. 29 Zo hebben wij mijn zoon gekookt, en hebben hem gegeten; maar als ik op de andere dag tot haar zei: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstopt. 30 En het gebeurde, als de koning de woorden van deze vrouw gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde, zo hij op de muur voortging; en het volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was. 31 En hij zei: Zo doe mij God, en doe zo daartoe, als het hoofd van Elisa de zoon van Safat, vandaag op hem zal blijven staan! 32 (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar voordat de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt u gezien, hoe die zoon van de moordenaar gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Zie toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis van de voeten van zijn heer achter hem? 33 Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij zei: Zie, dat kwaad is van JAHWEH; wat zou ik verder op JAHWEH wachten? ### 2 Koningen 7 1 Toen zei Elisa: Hoort het woord van JAHWEH; zo zegt JAHWEH: Morgen ongeveer deze tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria. 2 Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde de man van God, en zei: Zie, zo JAHWEH vensters in de hemel maakte, zou die zaak kunnen gebeuren? En hij zei: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten. 3 Er waren nu vier melaatse mannen voor de deur van de poort; die zeiden, de één tot de ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven? 4 Als wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en als wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger van de Syriërs vallen; als zij ons laten leven, wij zullen leven; en als zij ons doden, wij zullen maar sterven. 5 En zij stonden op in de schemering, om in het leger van de Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger van de Syriërs kwamen, ziet, toen was er niemand. 6 Want JAHWEH had het leger van de Syriërs doen horen een geluid van wagens, en een geluid van paarden, het geluid van een grote legermacht; zodat zij zeiden de één tot de ander: Zie, de koning van Israël heeft tegen ons gehuurd de koningen van de Hethieten, en de koningen van de Egyptenaren, om tegen ons te komen. 7 Daarom hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevlucht, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezels, het leger zoals het was; en waren gevlucht vanwege hun leven. 8 Als nu deze melaatsen aan het uiterste van het leger kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en kleren, en gingen heen, en verborgen het; daarna keerden zij weer, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen heen, en verborgen het. 9 Toen zeiden zij, de één tot de ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Als wij talmen tot de lichte morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis van de koning boodschappen. 10 Zo kwamen zij, en riepen tot de poortwachter van de stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger van de Syriërs, en ziet, niemand was daar, noch de stem van een mens; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, zoals zij waren. 11 En hij riep de poortwachters; en zij deden de boodschap binnen in het huis van de koning. 12 En de koning stond op in de nacht, en zei tot zijn knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriërs ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen. 13 Toen antwoordde één van zijn knechten, en zei: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de hele menigte van de Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de hele menigte van de Israëlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien. 14 Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger van de Syriërs achterna, zeggende: Ga heen, en ziet. 15 En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de hele weg was vol van kleren en gereedschap, die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weer, en boodschapten het de koning. 16 Toen ging het volk uit, en beroofde het leger van de Syriërs; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord van JAHWEH. 17 De koning nu had de hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, zoals de man van God gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was. 18 Want het was gebeurd, zoals de man van God gesproken had tot de koning, zeggende: Morgen ongeveer deze tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria. 19 En die hoofdman had de man van God geantwoord en gezegd: Zie, zo JAHWEH vensters in de hemel maakte, zou het ook naar dit woord gebeuren kunnen? En hij had gezegd: Zie, u zult het met uw ogen zien, maar daarvan niet eten. 20 Even zo gebeurde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf. ### 2 Koningen 8 1 Elisa nu had gesproken tot die vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op, en ga heen, u en uw huisgezin, en verkeer als vreemdeling, waar u verkeren kunt; want JAHWEH heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal. 2 En de vrouw had zich opgemaakt, en had gedaan naar het woord van de man van God; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling verkeerd in het land van de Filistijnen, zeven jaren. 3 En het gebeurde met het einde van de zeven jaren, dat de vrouw uit het land van de Filistijnen terugkeerde; en zij ging uit, dat zij tot de koning riep, om haar huis en om haar akker. 4 De koning nu sprak tot Gehazi, de jongen van de man van God, zeggende: Vertel mij toch al de grote dingen, die Elisa gedaan heeft. 5 En het gebeurde, als hij de koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, ziet, zo riep de vrouw, van wie de zoon hij levend gemaakt had, tot de koning, om haar huis en om haar akker. Toen zei Gehazi: Mijn heer koning! Dit is de vrouw, en dit is haar zoon, die Elisa heeft levend gemaakt. 6 En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten van de akker, van de dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe. 7 Daarna kwam Elisa in Damascus, als Benhadad, de koning van Syrië, ziek was; en men boodschapte hem, zeggende: De man van God is herwaarts gekomen. 8 Toen zei de koning tot Hazaël: Neem een geschenk in uw hand, en ga de man van God tegemoet; en vraag door hem JAHWEH, zeggende: Zal ik van deze ziekte genezen? 9 Zo ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijn hand, te weten, alle goed van Damascus, een last van veertig kamelen; en hij kwam, en stond voor zijn aangezicht, en zei: Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden, om te zeggen: Zal ik van deze ziekte genezen? 10 En Elisa zei tot hem: Ga, zeg, u zult geheel niet genezen; want JAHWEH heeft mij getoond, dat hij de dood sterven zal. 11 En hij hield zijn gezicht staande, en zette het vast tot schamens toe; en de man van God huilde. 12 Toen zei Hazaël: Waarom weent mijn heer? En hij zei: omdat ik weet, wat kwaad u de Israëlieten doen zult; u zult hun vestingen in het vuur zetten, en hun jonge manschap met het zwaard doden, en hun jonge kinderen verpletteren, en hun zwangere vrouwen opensnijden. 13 En Hazaël zei: Maar wat is uw knecht, die een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elisa zei: JAHWEH heeft mij getoond, dat u koning zijn zult over Syrië. 14 Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zei: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zei: Hij heeft tot mij gezegd: U zult zeker genezen. 15 En het gebeurde op de andere dag, dat hij een deken nam, en in het water doopte, en over zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Hazaël werd koning in zijn plaats. 16 In het vijfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, de koning van Juda, te regeren. 17 Hij was twee en dertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 18 En hij wandelde op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem tot vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 19 Maar JAHWEH wilde Juda niet verderven, omwille van David, Zijn knecht; zoals Hij hem gezegd had, dat Hij hem altijd voor zijn zonen een lamp zou geven. 20 In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich. 21 Daarom trok Joram over naar Zair, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten van de wagens; en het volk vluchtte in zijn hutten. 22 De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op deze dag; toen viel Libna af in deze tijd. 23 Het overige nu van de geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 24 En Joram ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders, in de stad van David; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 25 In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, de koning van Juda, te regeren. 26 Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri, de koning van Israël. 27 En hij wandelde in de weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals het huis van Achab; want hij was een schoonzoon van het huis van Achab. 28 En hij trok met Joram, de zoon van Achab, naar de strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazaël, de koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram. 29 Toen keerde Joram, de koning, terug, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bekijken, want hij was ziek. ### 2 Koningen 9 1 Toen riep de profeet Elisa één van de zonen van de profeten, en hij zei tot hem: Gord uw middel, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead. 2 Als u daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden van zijn broers, en breng hem in een binnenste kamer. 3 En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt JAHWEH: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlucht, en wacht niet langer. 4 Zo ging de jongeling, die jongeling van de profeet, naar Ramoth in Gilead. 5 En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het leger, en hij zei: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zei: Tot wie van ons allen? En hij zei: Tot u, o hoofdman! 6 Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zei tot hem: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk van JAHWEH, over Israël. 7 En u zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten van JAHWEH, wreke van de hand van Izebel. 8 En het hele huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook de beslotene en verlatene in Israël. 9 Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, de zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, de zoon van Ahia. 10 Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vluchtte. 11 En als Jehu uitging tot de knechten van zijn heer, zei men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze krankzinnige tot u gekomen? En hij zei tot hen: U kent de man en zijn spraak. 12 Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zei: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël. 13 Toen haastten zij zich, en ieder nam zijn kleed, en legde het onder hem, op de hoogste trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden! 14 Zo maakte Jehu, de zoon van Josafat, de zoon van Nimsi, een samenzwering tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en geheel Israël, wegens Hazaël, de koning van Syrië; 15 Maar de koning Joram was teruggekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië.) En Jehu zei: Zo het uw wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen. 16 Toen reed Jehu, en trok naar Jizreël; want Joram lag daar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bekijken. 17 De wachter nu stond op de toren te Jizreël, en zag de hoop van Jehu, als hij aankwam, en zei: Ik zie één hoop. Toen zei Joram: Neem een ruiter, en zend die hun tegemoet, en dat hij zegt: Is het vrede? 18 En de ruiter te paard trok heen hem tegemoet, en zei: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weer. 19 Toen zond hij een andere ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zei hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt u met de vrede te doen? Keer om naar achter mij. 20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weer; en het drijven is als het drijven van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij drijft als een razende. 21 Toen zei Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo trok Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij trokken uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, de Jizreëliet. 22 Het gebeurde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zei: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn? 23 Toen keerde Joram zijn hand, en vluchtte, en zei tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia! 24 Maar Jehu spande de boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen. 25 Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk, als ik en u naast elkaar achter zijn vader Achab reden, dat hem JAHWEH deze last oplegde, zeggende: 26 Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed van zijn zonen, zegt JAHWEH, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt JAHWEH. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord van JAHWEH. 27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vluchtte hij door de weg van het huis van de hof; maar Jehu vervolgde hem achterna, en zei: Sla hem ook op de wagen, aan de opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar. 28 En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaders in de stad van David. 29 In het elfde jaar nu van Joram, de zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda. 30 En Jehu kwam te Jizreël. Als Izebel dat hoorde, zo verfde zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit. 31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zei zij: Is het wel, o Zimri, moordenaar van zijn heer? 32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zei: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen. 33 En hij zei: Stoot ze van boven neer. En zij stootten haar van boven neer, zodat van haar bloed aan de wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar. 34 Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zei hij: Zie nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is de dochter van een koning. 35 En zij gingen heen om haar te begraven; maar zij vonden niet van haar, dan de schedel, en de voeten, en de palmen van haar handen. 36 Toen kwamen zij weer, en gaven het hem te kennen, en hij zei: Dit is het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken heeft door de dienst van Zijn knecht Elia, de Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten. 37 En het dode lichaam van Izebel zal zijn zoals mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel. ### 2 Koningen 10 1 Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, die hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de verzorgers van Achab, zeggende: 2 Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, omdat de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagens en de paarden bij u zijn, en ook een versterkte stad, en wapenen; 3 Zo ziet naar de beste en gerechtigste van de zonen van uw heer, zet die op de troon van zijn vader; en strijdt voor het huis van uw heer. 4 Maar zij vreesden heel erg, en zeiden: Zie, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan? 5 Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat u tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen. 6 Toen schreef hij voor de tweede keer tot hen een brief, zeggende: Zo u van mij bent, en u naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen van uw heer, en komt tot mij morgen ongeveer deze tijd naar Jizreël. (De zonen nu van de koning, zeventig mannen, waren bij de grote stad, die hen opvoedden.) 7 Het gebeurde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen van de koning namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in manden, die zij tot hem zonden naar Jizreël. 8 En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen van de koning gebracht. En hij zei: Leg ze in twee hopen, aan de deur van de poort, tot morgen. 9 En het gebeurde 's morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zei: U bent rechtvaardig. Zie, ik heb een samenzwering gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle deze geslagen? 10 Weet nu, dat niets van het woord van JAHWEH, dat JAHWEH tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want JAHWEH heeft gedaan, wat Hij door de dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft. 11 Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreël, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesters; totdat hij hem geen overigen liet overblijven. 12 En hij maakte zich op, en trok heen en ging naar Samaria; en zijnde te Beth-Heked van de herders, op de weg, 13 Vond Jehu de broers van Ahazia, de koning van Juda, en hij zei: Wie bent u? En zij zeiden: Wij zijn de broers van Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen van de koning en de zonen van de koningin te groeten. 14 Toen zei hij: Grijp hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij de bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet één van hen over. 15 En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, de zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zei tot hem: Is uw hart recht, zoals mijn hart met uw hart is? En Jonadab zei: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op de wagen klimmen. 16 En hij zei: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor JAHWEH. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen. 17 En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem vernietigd had, naar het woord van JAHWEH, dat Hij tot Elia gesproken had. 18 En Jehu verzamelde al het volk, en zei tot hen: Achab heeft Baäl een beetje gediend; Jehu zal hem veel dienen. 19 Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesters tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offergave aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Maar Jehu deed dat door list, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht. 20 Verder zei Jehu: Roep een dag van samenkomst voor Baäl af. En zij riepen die uit. 21 Ook zond Jehu in het hele Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet één man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde. 22 Toen zei hij tot degene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit. 23 En Jehu kwam met Jonadab, de zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zei tot de dienaren van Baäl: Onderzoek, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren van JAHWEH, maar van de dienaren van Baäl alleen. 24 Toen zij nu inkwamen, om slachtoffers en brandoffers te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zei: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor diens ziel zijn. 25 En het gebeurde, als hij voltooid had het brandoffer te doen, dat Jehu zei tot de lijfwachten en tot de officieren: Kom in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard; en de lijfwachten en officieren wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baäl; 26 En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze. 27 Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot geheime gemakken, tot op deze dag. 28 Zo vernietigde Jehu Baäl uit Israël. 29 Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren. 30 JAHWEH dan zei tot Jehu: Daarom dat u welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op de troon van Israël zitten. 31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet van JAHWEH, van de God van Israël, met zijn hele hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed. 32 In die dagen begon JAHWEH Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle gebied van Israël: 33 Van de Jordaan af, tegen de opgang van de zon, het hele land van Gilead, van de Gadieten, en van de Rubenieten, en van de Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan. 34 Het overige nu van de geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 35 En Jehu ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats. 36 En de dagen, die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren. ### 2 Koningen 11 1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht het hele koninklijke nageslacht om. 2 Maar Joseba, de dochter van de koning Joram, de zus van Ahazia, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd. 3 En hij was met haar verstopt in het huis van JAHWEH zes jaren; en Athalia regeerde over het land. 4 In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de lijfwachten, en hij bracht hen tot zich, in het huis van JAHWEH; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis van JAHWEH, en hij toonde hun de zoon van de koning. 5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis van de koning; 6 En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de lijfwachten; zo zult u waarnemen de taak van dit huis, tegen inbreking. 7 En de twee delen van u, allen, die op de sabbat uitgaan, zullen de taak van het huis van JAHWEH waarnemen bij de koning. 8 En u zult de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en bent u bij de koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt. 9 De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op de sabbat ingingen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; en zij kwamen tot de priester Jojada. 10 En de priester gaf aan de oversten van honderd de speren en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van JAHWEH geweest waren. 11 En de lijfwachten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij de koning rondom. 12 Daarna bracht hij de zoon van de koning voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve! 13 Toen Athalia hoorde de stem van de lijfwachten en van het volk, zo kwam zij tot het volk in het huis van JAHWEH. 14 En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij de pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! 15 Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over het leger gesteld waren, en zei tot hen: Breng haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis van JAHWEH niet gedood worden. 16 En zij legden de handen aan haar; en zij ging de weg van de ingang van de paarden naar het huis van de koning, en zij werd daar gedood. 17 En Jojada maakte een verbond tussen JAHWEH en tussen de koning, en tussen het volk, dat JAHWEH tot een volk zou zijn; en ook tussen de koning en tussen het volk. 18 Daarna ging al het volk van het land in het huis van Baäl, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij volkomen; en Mattan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis van JAHWEH. 19 En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de lijfwachten, en al het volk van het land; en zij brachten de koning af uit het huis van JAHWEH, en kwamen door de weg van de poort van de lijfwachten tot het huis van de koning, en hij zat op de troon van de koningen. 20 En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden bij het huis van de koning. 21 Joas was zeven jaar oud, toen hij koning werd. ### 2 Koningen 12 1 In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja van Ber-Seba. 2 En Joas deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, al zijn dagen, waarin de priester Jojada hem onderwees. 3 Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 4 En Joas zei tot de priesters: Al het geld van de gewijde gaven, dat gebracht zal worden in het huis van JAHWEH, te weten het geld van degene, die overgaat tot de ingeschrevenen, het geld van een ieder van de personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis van JAHWEH, 5 Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de bouwvalligheden van het huis herstellen, naar alles wat er aan bouwvalligheden gevonden zal worden. 6 Maar het gebeurde in het drie en twintigste jaar van de koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden. 7 Toen riep de koning Joas de priester Jojada en de andere priesters, en zei tot hen: Waarom betert u niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat u het zou geven voor de breuken van het huis. 8 En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren. 9 Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis van JAHWEH; en de priesters, die de dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat in het huis van JAHWEH gebracht werd. 10 Het gebeurde nu, als zij zagen, dat veel geld in de kist was, dat de schrijver van de koning met de hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis van JAHWEH gevonden werd. 11 En zij gaven het geld wel gewogen in handen van de verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis van JAHWEH; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwers, die het huis van JAHWEH vermaakten; 12 En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis van JAHWEH te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren. 13 Echter werden niet gemaakt voor het huis van JAHWEH zilveren schalen, messen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden voorwerp, of zilveren voorwerp, van het geld, dat in het huis van JAHWEH gebracht werd. 14 Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmee het huis van JAHWEH. 15 Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wie zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouw. 16 Het geld van schuldoffer, en het geld van zondoffers werd in het huis van JAHWEH niet gebracht; het was voor de priesters. 17 Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en voerde strijd tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken. 18 Maar Joas, de koning van Juda, nam al de gewijde gaven, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaders, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn gewijde gaven, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis van JAHWEH, en van het huis van de koning, en zond het tot Hazaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem. 19 Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 20 En zijn knechten stonden op, en maakten een samenzwering, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla; 21 Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaders in de stad van David; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 13 1 In het drie en twintigste jaar van Joas, de zoon van Ahazia, de koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af. 3 Daarom ontstak de toorn van JAHWEH tegen Israël; en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, al die dagen. 4 Maar Joahaz bad het aangezicht van JAHWEH ernstig aan; en JAHWEH verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israël, dat de koning van Syrië hen verdrukte. 5 (Zo gaf JAHWEH Israël een verlosser, dat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de Israëlieten woonden in hun tenten, als te voren. 6 Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.) 7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagens, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrië had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof. 8 Het overige nu van de geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 9 En Joahaz ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats. 10 In het zeven en dertigste jaar van Joas, de koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren. 11 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, maar hij wandelde daarin. 12 Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmee hij gestreden heeft tegen Amazia, de koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 13 En Joas ontsliep met zijn vaders, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël. 14 Elisa nu was ziek geweest van zijn ziekte, waarvan hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen van Israël en zijn ruiteren! 15 En Elisa zei tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen. 16 En hij zei tot de koning van Israël: Leg uw hand aan de boog, en hij legde zijn hand daaraan; en Elisa legde zijn handen op de handen van de koning. 17 En hij zei: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zei Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zei: Het is een pijl van de verlossing van JAHWEH, en een pijl van de verlossing tegen de Syriërs; want u zult de Syriërs slaan in Afek, tot hun vernietiging. 18 Daarna zei hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zei hij tot de koning van Israël: Sla tegen de aarde. En hij sloeg drie keer; daarna stond hij stil. 19 Toen werd de man van God zeer boos op hem, en zei: U zou vijf maal of zesmaal geslagen hebben; dan zou u de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; maar nu zult u de Syriërs drie keer slaan. 20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu van de Moabieten kwamen in het land met het ingaan van het jaar. 21 En het gebeurde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij de man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten. 22 Hazaël nu, de koning van Syrië, verdrukte Israël, al de dagen van Joahaz. 23 Maar JAHWEH was hun genadig, en ontfermde Zich over hen, en wendde Zich tot hen, omwille van Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe. 24 En Hazaël, de koning van Syrië, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats. 25 Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weer in, uit de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met strijd genomen had; Joas sloeg hem drie keer, en bracht de steden aan Israël weer. ### 2 Koningen 14 1 In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, werd Amazia koning, de zoon van Joas, de koning van Juda. 2 Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Joaddan van Jeruzalem. 3 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, toch niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had. 4 Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 5 Het gebeurde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten sloeg, die de koning, zijn vader, geslagen hadden, 6 Maar de kinderen van de moordenaars doodde hij niet; zoals geschreven is in het wetboek van Mozes, waar JAHWEH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden. 7 Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met strijd, en noemde haar naam Jokteel, tot op deze dag. 8 Toen zond Amazia boden tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkaars aangezicht zien. 9 Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, zeggende: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon tot vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. 10 U hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zou u zich in het kwade mengen, dat u vallen zou, u en Juda met u? 11 Maar Amazia hoorde niet; daarom trok Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkaars aangezicht zagen te Beth-semes, dat in Juda is. 12 En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël, en zij vluchtten, ieder in zijn tenten. 13 En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Ahazia, te Beth-semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen. 14 En hij nam al het goud, en het zilver, en al de voorwerpen, die gevonden werden in het huis van JAHWEH, en in de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars; en hij keerde weer naar Samaria. 15 Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, de koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 16 En Joas ontsliep met zijn vaders, en werd te Samaria begraven bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats. 17 Amazia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, vijftien jaren. 18 Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 19 En zij maakten een samenzwering tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem daar. 20 En zij brachten hem op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaders, in de stad van David. 21 En het hele volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaar oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia. 22 Die bouwde Elath, en bracht haar weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaders ontslapen was. 23 In het vijftiende jaar van Amazia, de zoon van Joas, de koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël, en regeerde een en veertig jaren. 24 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 25 Hij bracht ook weer de grens van Israël van de ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord van JAHWEH, van de God van Israël, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Jona, de zoon van Amitthai, de profeet, die van Gath-hefer was. 26 Want JAHWEH zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had. 27 En JAHWEH had niet gesproken, dat Hij de naam van Israël van onder de hemel vernietigen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, de zoon van Joas. 28 Het overige nu van de geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij oorlog gevoerd heeft, en hoe hij Damascus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israël teruggebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 29 En Jerobeam ontsliep met zijn vaders, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 15 1 In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, de koning van Juda. 2 Hij was zestien jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia van Jeruzalem. 3 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had. 4 Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten. 5 En JAHWEH plaagde de koning, dat hij melaats werd tot de dag van zijn dood; en hij woonde in een afgezonderd huis; maar Jotham, de zoon van de koning, was over het huis, richtende het volk van het land. 6 Het overige nu van de geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 7 En Azaria ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in de stad van David; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. 8 In het acht en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israël te Samaria, zes maanden. 9 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vaders gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats. 11 Het overige nu van de geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 12 Dit was het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op de troon van Israël zitten; en het is zo gebeurd. 13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria. 14 Want Menahem, de zoon van Gadi, trok op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, de zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats. 15 Het overige nu van de geschiedenissen van Sallum, en zijn samenzwering, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 16 Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar gebied van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar zwangere vrouwen hieuw hij in stukken. 17 In het negen en dertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria. 18 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 19 Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat zijn hand met hem zou zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken. 20 Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om de koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; zo keerde de koning van Assyrië weer, en bleef daar niet in het land. 21 Het overige nu van de geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël? 22 Daarna ontsliep Menahem met zijn vaders; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats. 23 In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria. 24 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 25 En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een samenzwering tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis van de koning, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen van de Gileadieten; zo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats. 26 Het overige nu van de geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 27 In het twee en vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria. 28 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 29 In de dagen Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Maächa, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het hele land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië. 30 En Hosea, de zoon van Ela, maakte een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia. 31 Het overige nu van de geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël. 32 In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda. 33 Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. 34 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij. 35 Alleen werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelfde bouwde de hoge poort aan het huis van JAHWEH. 36 Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 37 In die dagen begon JAHWEH in Juda te zenden Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia. 38 En Jotham ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 16 1 In het zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, de koning van Juda. 2 Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van JAHWEH van zijn God, als zijn vader David. 3 Want hij wandelde in de weg van de koningen van Israël; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruweldaden van de heidenen, die JAHWEH voor de Israëlieten verdreven had. 4 Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte. 5 Toen trok Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij konden hem niet verslaan. 6 In die tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath weer aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op deze dag. 7 Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië, en uit de hand van de koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. 8 En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis van JAHWEH, en in de schatten van het huis van de koning gevonden werd, en hij zond de koning van Assyrië een geschenk. 9 Zo hoorde de koning van Assyrië naar hem; want de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, en nam haar in, en voerde hen als gevangene naar Kir, en hij doodde Rezin. 10 Toen trok de koning Achaz Tiglath-pilezer, de koning van Assyrië, tegemoet, naar Damascus; en gezien hebbende een altaar, dat in Damascus was, zo zond de koning Achaz aan de priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, met zijn volledige vormgeving. 11 En Uria, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damascus ontboden had; zo deed de priester Uria, tegen dat de koning Achaz van Damascus kwam. 12 Als nu de koning van Damascus gekomen was, zag de koning het altaar en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop. 13 En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn voedseloffer, en goot zijn drankoffer en sprengde het bloed van zijn dankoffers op dat altaar. 14 Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht van JAHWEH was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis van JAHWEH, en hij zette het aan de zijde van zijn altaar naar het noorden. 15 En de koning Achaz gebood Uria, de priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en het brandoffer van de koning, en zijn voedseloffer, en het brandoffer van al het volk van het land, en hun voedseloffer, en hun drankoffers; en spreng daarop al het bloed van het brandoffer, en al het bloed van het slachtoffer; maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken. 16 En Uria, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had. 17 En de koning Achaz sneed de lijsten van de stellingen af, en nam die van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer. 18 Daartoe het deksel van de sabbat, dat zij in het huis gebouwd hadden, en de buitenste ingang van de koning nam hij weg van het huis van JAHWEH, vanwege de koning van Assyrië. 19 Het overige nu van de geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 20 En Achaz ontsliep met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders, in de stad van David; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 17 1 In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; evenwel niet, als de koningen van Israël, die voor hem geweest waren. 3 Tegen hem trok op Salmaneser, koning van Assyrië; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf. 4 Maar de koning van Assyrië ontdekte dat Hosea samenzwoer: hij had tot So, de koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan de koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; daarom nam de koning van Assyrië hem gevangen en zette hem vast in de gevangenis. 5 Want de koning van Assyrië trok op in het hele land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaar. 6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 7 Want het was gebeurd, dat de Israëlieten gezondigd hadden tegen JAHWEH, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, de koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd; 8 En hadden gewandeld in de voorschriften van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten verdreven had, en van de koningen van Israël, die ze gemaakt hadden. 9 En de Israëlieten hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen JAHWEH, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe. 10 En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op elke hoge heuvel en onder alle groen geboomte. 11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, zoals de heidenen, die JAHWEH van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om JAHWEH tot toorn te verwekken. 12 En zij hadden de afgoden gediend, waarvan JAHWEH tot hen gezegd had: U zult deze zaak niet doen. 13 Als nu JAHWEH tegen Israël en tegen Juda, door de dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeer u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn voorschriften, naar al de wet, die Ik uw vaders geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb; 14 Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, zoals de nek van hun vaders geweest was, die aan JAHWEH, hun God, niet geloofd hadden. 15 Daartoe verwierpen zij Zijn voorschriften, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaders gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de zinloosheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van wie JAHWEH hun geboden had, dat zij niet zouden doen zoals die. 16 Ja, zij verlieten al de geboden van JAHWEH, van hun God, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle leger van de hemel, en dienden Baäl. 17 Ook deden zij hun zonen en hun dochters door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken. 18 Daarom vertoornde zich JAHWEH zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen. 19 Zelfs hield Juda de geboden van JAHWEH, van hun God, niet; maar zij wandelden in de voorschriften van Israël, die zij gemaakt hadden. 20 Zo verwierp JAHWEH het hele zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand van de rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. 21 Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter JAHWEH, en hij deed ze een grote zonde zondigen. 22 Zo wandelden de Israëlieten in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af; 23 Totdat JAHWEH Israël van Zijn aangezicht wegdeed, zoals Hij gesproken had door de dienst van al Zijn knechten, de profeten; zo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op deze dag. 24 De koning nu van Assyrië bracht volk van Babel, en van Chuta, en van Avva, en van Hamath, en Sefarvaim, en deed hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de Israëlieten; en zij namen Samaria erfelijk in, en woonden in haar steden. 25 En het gebeurde in het begin van hun woning daar, dat zij JAHWEH niet vreesden; zo zond JAHWEH leeuwen onder hen, die enige van hen doodden. 26 Daarom spraken zij tot de koning van Assyrië, zeggende: De volken, die u vervoerd hebt, en hebt doen wonen in de steden van Samaria, weten de wijze van de God van het land niet; daarom heeft Hij leeuwen onder hen gezonden, en ziet, zij doden hen, omdat zij niet weten de wijze van de God van het land. 27 Toen gebood de koning van Assyrië, zeggende: Breng één van de priesters daarheen, die u van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken, en wonen daar; en dat hij hun lere de wijze van de God van het land. 28 Zo kwam één uit de priesters, die zij van Samaria weggevoerd hadden, en woonde te Beth-el; en hij leerde hun, hoe zij JAHWEH vrezen zouden. 29 Maar elk volk maakte zijn goden; en zij stelden ze in de huizen van de hoogten, die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in hun steden, waarin zij woonachtig waren. 30 Want de mensen van Babel maakten Sukkoth Benoth, en de mensen van Chut maakten Nergal, en de mensen van Hamath maakten Asima, 31 En de Avieten maakten Nibhaz en Tartak, en de Sefarvieten verbrandden hun zonen voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim, met vuur. 32 Ook vreesden zij JAHWEH, en maakten zich van hun geringsten priesters van de hoogten, die voor hen dienst deden in de huizen van de hoogten. 33 Zij vreesden JAHWEH, en dienden ook hun goden, naar de wijze van de volken, van wie zij die weggevoerd hadden. 34 Tot op deze dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vrezen JAHWEH niet, en zij doen niet naar hun voorschriften, en naar hun rechten, en naar de wet, en naar het gebod, dat JAHWEH geboden heeft aan de kinderen van Jakob, die Hij de naam Israël gaf. 35 Toch had JAHWEH een verbond met hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: U zult geen andere goden vrezen, noch u voor hen neerbuigen, noch hen dienen, noch hun offergave doen. 36 Maar JAHWEH, Die u uit Egypteland met grote kracht en met een uitgestrekte arm opgevoerd heeft, Die zult u vrezen, en voor Hem zult u zich buigen, en Hem zult u offergave doen; 37 En de voorschriften, en de rechten, en de wet, en het gebod, die Hij u geschreven heeft, zult u waarnemen te doen te allen dag; en u zult andere goden niet vrezen. 38 En het verbond, dat Ik met u gemaakt heb, zult u niet vergeten; en u zult andere goden niet vrezen. 39 Maar JAHWEH, uw God, zult u vrezen; en Hij zal u redden uit de hand van al uw vijanden. 40 Maar zij hoorden niet, maar zij deden naar hun eerste wijze. 41 Maar deze volken vreesden JAHWEH, en dienden hun gesneden beelden; ook doen hun kinderen en hun kleinkinderen, zoals hun vaders gedaan hebben, tot op deze dag. ### 2 Koningen 18 1 Het gebeurde nu in het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda. 2 Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Abi, een dochter van Zacharia. 3 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. 4 Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan. 5 Hij betrouwde op JAHWEH, de God van Israël, zodat na hem zijn gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die voor hem geweest waren. 6 Want hij kleefde JAHWEH aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die JAHWEH aan Mozes geboden had. 7 Zo was JAHWEH met hem; overal, waar hij heen uittrok, handelde hij moedig; daartoe viel hij af van de koning van Assyrië, dat hij hem niet diende. 8 Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar gebied, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe. 9 Het gebeurde nu in het vierde jaar van de koning Hizkia (dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10 En zij namen haar in na verloop van drie jaar, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, de koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 11 En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden van de Meden. 12 Daarom dat zij de stem van JAHWEH, van hun God, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht van JAHWEH, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. 13 Maar in het veertiende jaar van de koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda, en nam ze in. 14 Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot de koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat u mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilver, en dertig talenten goud op. 15 Zo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis van JAHWEH, en in de schatten van het huis van de koning. 16 In die tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van JAHWEH, en van de posten, die Hizkia, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat aan de koning van Assyrië. 17 Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot de koning Hizkia, met een zwaar leger naar Jeruzalem; en zij trokken op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optrokken en gekomen waren, bleven zij staan bij de watergang van de bovenste vijver, die is bij de hoge weg van het veld van de bleker. 18 En zij riepen tot de koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 19 En Rabsake zei tot hen: Zeg nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt? 20 U zegt (maar het is een woord van de lippen): Er is raad en macht tot de oorlog; op wie vertrouwt u nu, dat u tegen mij rebelleert? 21 Zie nu, vertrouwt u zich op die gebroken rietstaf, op Egypte, waarop zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, voor al degenen, die op hem vertrouwen. 22 Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op JAHWEH, onze God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u zich buigen te Jeruzalem? 23 Nu dan, wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 24 Hoe zou u dan het aangezicht van één enige vorst van de geringste knechten van mijn heer afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. 25 Nu, ben ik zonder JAHWEH opgetrokken tegen deze plaats, om die te verderven? JAHWEH heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. 26 Toen zei Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. 27 Maar Rabsake zei tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met u hun mest eten, en hun water drinken zullen? 28 Zo stond Rabsake, en riep met luide stem in het Joods; en hij sprak en zei: Hoort het woord van de grote koning, van de koning van Assyrië! 29 Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand. 30 Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op JAHWEH, zeggende: JAHWEH zal ons zeker redden, en deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden. 31 Hoor naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handel met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water van zijn bornput; 32 Totdat ik kom, en u haal in een land, als uw land, een land van koren en van nieuwe wijn, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honing; zo zult u leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: JAHWEH zal ons redden. 33 Hebben de goden van de volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van de koning van Assyrië? 34 Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered? 35 Welke zijn ze onder alle goden van de landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat JAHWEH Jeruzalem uit mijn hand redden zou? 36 Maar het volk zweeg stil en antwoordde hem niet één woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden. 37 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. ### 2 Koningen 19 1 En het gebeurde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van JAHWEH. 2 Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz; 3 En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren. 4 Misschien zal JAHWEH, uw God, horen al de woorden van Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden, met woorden, die JAHWEH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. 5 En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6 En Jesaja zei tot hen: Zo zult u tot uw heer zeggen: Zo zegt JAHWEH: Vrees niet voor de woorden, die u gehoord hebt, waarmee Mij de dienaren van de koning van Assyrië gelasterd hebben. 7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. 8 Zo kwam Rabsake weer, en vond de koning van Assyrië, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Zie, hij is uitgetrokken om tegen u te strijden, zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Wie u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden. 11 Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zou u gered worden? 12 Hebben de goden van de volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelfde gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? 13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van JAHWEH, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van JAHWEH. 15 En Hizkia bad voor het aangezicht van JAHWEH, en zei: O JAHWEH, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde, U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16 O, JAHWEH! neig Uw oor en hoor, doe, JAHWEH! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die deze gezonden heeft, om de levende God te honen. 17 Werkelijk, JAHWEH, hebben de koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest; 18 En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. 19 Nu dan, JAHWEH, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U, JAHWEH, alleen God bent. 20 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt JAHWEH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord. 21 Dit is het woord, dat JAHWEH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. 22 Wie hebt u gehoond en gelasterd? en tegen Wie hebt u de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israël! 23 Door middel van uw boden hebt u JAHWEH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogten van de bergen, de zijden van de Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud van zijn schone veld. 24 Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd. 25 Hebt u niet gehoord, dat Ik dat lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af gevormd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat u zou zijn, om de versterkte steden te verstoren tot woeste hopen. 26 Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld, en de groene grasscheutjes, het hooi van de daken, en het brandkoren, voordat het overeind staat. 27 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. 28 Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, waardoor u gekomen bent. 29 En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten. 30 Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw naar beneden wortelen, en zal omhoog vrucht dragen. 31 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van JAHWEH van de legermachten zal dit doen. 32 Daarom zo zegt JAHWEH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. 33 Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt JAHWEH. 34 Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en omwille van David, Mijn knecht. 35 Het gebeurde dan in die nacht, dat de Engel van JAHWEH uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 36 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve. 37 Het gebeurde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich neerboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 20 1 In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Geef bevel aan uw huis, want u zult sterven, en niet leven. 2 Toen keerde hij zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot JAHWEH, zeggende: 3 Och, JAHWEH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia huilde heel erg. 4 Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord van JAHWEH tot hem kwam, zeggende: 5 Keer weer en zeg tot Hizkia, de voorganger van Mijn volk: Zo zegt JAHWEH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan de derde dag zult u opgaan in het huis van JAHWEH; 6 En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen, en zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om Mijnentwil, en omwille van Mijn knecht David. 7 Daarna zei Jesaja: Neem een klomp vijgen; en zij namen ze, en legden ze op de zweer, en hij werd genezen. 8 Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat JAHWEH mij gezond maken zal, en dat ik de derde dag in het huis van JAHWEH zal opgaan? 9 En Jesaja zei: Dit zal u een teken van JAHWEH zijn, dat JAHWEH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden vooruit gaan, of tien graden achteruit keren? 10 Toen zei Hizkia: Het is voor de schaduw licht, tien graden naar beneden te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achteruit kere. 11 En Jesaja, de profeet, riep JAHWEH aan; en Hij deed de schaduw tien graden achteruit keren in de graden, die zij naar beneden gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer. 12 In die tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia ziek geweest was. 13 En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn hele schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn hele heerschappij, dat hij hun niet toonde. 14 Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit ver land gekomen, uit Babel. 15 En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb. 16 Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord van JAHWEH. 17 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders tot deze dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt JAHWEH. 18 Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel. 19 Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van JAHWEH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Zou het niet, aangezien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal? 20 Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 21 En Hizkia ontsliep met zijn vaders; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 21 1 Manasse was twaalf jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hefzi-bah. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. 3 Want hij bouwde de hoogten weer op, die Hizkia, zijn vader, vernietigd had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor het leger van de hemel, en diende ze. 4 En hij bouwde altaren in het huis van JAHWEH, waarvan JAHWEH gezegd had: Te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten. 5 Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van JAHWEH. 6 Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde bezwering en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken. 7 Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis, waarvan JAHWEH gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid. 8 En Ik zal niet voortvaren de voet van Israël te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaders gegeven heb; alleen, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de hele wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft. 9 Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had. 10 Toen sprak JAHWEH door de dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende: 11 Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelijke dingen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn afgoden heeft doen zondigen; 12 Daarom, zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zie, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. 13 En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, en ook het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, zoals men een schotel uitwist; men wist die uit, en men keert hem om op zijn holligheid. 14 En Ik zal het overblijfsel van Mijn erfdeel verlaten, en zal ze in de hand van hun vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden. 15 Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van die dag, dat hun vaders van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op deze dag toe. 16 Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; afgezien van zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 17 Het overige van de geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 18 En Manasse ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de hof van zijn huis, in de hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 19 Amon was twee en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba. 20 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH; zoals zijn vader Manasse gedaan had. 21 Want hij wandelde in al de weg, die zijn vader gewandeld had, en hij diende de afgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neer. 22 Zo verliet hij JAHWEH, de God van zijn vaders, en hij wandelde niet in de weg van JAHWEH. 23 En de knechten van Amon smeedden een samenzwering tegen hem, en zij doodden de koning in zijn huis. 24 Maar het volk van het land versloeg allen, die tegen de koning Amon een samenzwering gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. 25 Het overige nu van de geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 26 En men begroef hem in zijn graf, in de hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats. ### 2 Koningen 22 1 Josia was acht jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jedida, een dochter van Adaja, van Bozkath. 2 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH; en hij wandelde in al de weg van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand noch ter linkerhand. 3 Het gebeurde nu in het achttiende jaar van de koning Josia, dat de koning de schrijver Safan, de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam, zond in het huis van JAHWEH, zeggende: 4 Ga op tot Hilkia, de hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis van JAHWEH gebracht is, dat de wachters van de dorpel van het volk verzameld hebben; 5 En dat zij dat geven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis van JAHWEH; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis van JAHWEH is, om de breuken van het huis te beteren; 6 Aan de timmerlieden en de bouwers, en de metselaars, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om het huis te beteren. 7 Maar er werd met hen geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden trouw. 8 Toen zei de hogepriester Hilkia tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek in het huis van JAHWEH gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het. 9 Daarna kwam Safan, de schrijver, tot de koning, en bracht de koning bescheid weer, en hij zei: Uw knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was, samengebracht, en hebben het gegeven in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van JAHWEH. 10 Ook gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht van de koning. 11 Het gebeurde nu, als de koning de woorden van het wetboek hoorde, dat hij zijn kleren scheurde. 12 En de koning gebood Hilkia, de priester, en Ahikam, de zoon van Safan, en Achbor, de zoon van Michaja, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: 13 Ga heen, vraagt JAHWEH voor mij, en voor het volk, en voor het hele Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de woede van JAHWEH is groot, die tegen ons aangestoken is, omdat onze vaders niet gehoord hebben naar de woorden van dit boek, om te doen naar al wat voor ons geschreven is. 14 Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja heen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar. 15 En zij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zeg tot de man, die u tot mij gezonden heeft: 16 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en over haar inwoners, namelijk al de woorden van het boek, dat de koning van Juda gelezen heeft. 17 Daarom dat zij Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk van hun handen, zo zal Mijn woede aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. 18 Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om JAHWEH te vragen, zo zult u tot hem zeggen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Voor wat betreft de woorden, die u gehoord hebt; 19 Omdat uw hart week geworden is, en u zich voor het aangezicht van JAHWEH vernederd hebt, als u hoorde, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en haar inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat u uw kleren gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt JAHWEH. 20 Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaders, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten de koning het antwoord weer. ### 2 Koningen 23 1 Toen zond de koning heen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem. 2 En de koning ging op in het huis van JAHWEH, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van de minste tot de meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van JAHWEH gevonden was. 3 De koning nu stond aan de pilaar, en maakte een verbond voor het aangezicht van JAHWEH, om JAHWEH na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften met heel zijn hart en met heel zijn ziel te houden, bevestigende de woorden van dit verbond, die in dit boek geschreven zijn. En het hele volk stond in dit verbond. 4 En de koning gebood de hogepriester Hilkia, en de priesters van de tweede ordening, en de dorpelbewaarders, dat zij uit de tempel van JAHWEH alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het leger van de hemel gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen. 5 Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, en ook, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het leger van de hemel rookten. 6 Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis van JAHWEH weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven van de kinderen van het volk. 7 Daartoe brak hij de huizen van de schandjongens af, die aan het huis van JAHWEH waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden. 8 En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten van de poorten af, ook die aan de deur van de poort van Jozua, de overste van de stad, was, die aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande. 9 Maar de priesters van de hoogten offerden niet op het altaar van JAHWEH te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broers. 10 Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal van de kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor de Molech door het vuur deed gaan. 11 En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van de ingang van het huis van JAHWEH, tot de kamer van Nathan-melech, de hoveling, die in Parvarim was; en de wagens van de zon verbrandde hij met vuur. 12 Verder de altaren die op het dak van de opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, en ook de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis van JAHWEH gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron. 13 De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, die waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van de Moabieten, en voor Milchom, de gruwel van de kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning. 14 Ook brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen. 15 Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, gemaakt had; samen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos. 16 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op de berg waren, en zond heen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord van JAHWEH, dat de man van God uitgeroepen had, die deze woorden uitriep. 17 Verder zei hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de mensen van de stad zeiden tot hem: Het is het graf van de man van God, die uit Juda kwam, en deze dingen, die u tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft. 18 En hij zei: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van de profeet, die uit Samaria gekomen was. 19 Daartoe nam Josia ook weg al de huizen van de hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om JAHWEH tot toorn te verwekken; en hij deed daarmee naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had. 20 En hij slachtte al de priesters van de hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen daarop. Daarna keerde hij weer naar Jeruzalem. 21 En de koning gebood het hele volk, zeggende: Houd JAHWEH, uw God, pascha, zoals in dit boek van het verbond geschreven is. 22 Want zoals dit pascha was er geen gehouden, van de dagen van de richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen van de koningen van Israël, noch van de koningen van Juda. 23 Maar in het achttiende jaar van de koning Josia, werd dit pascha voor JAHWEH te Jeruzalem gehouden. 24 En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de dodenbezweerders, en de terafim, en de afgoden, en alle gruwelijke dingen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden van de wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis van JAHWEH gevonden had. 25 En voor hem was geen koning zijn gelijke, die zich tot JAHWEH, met zijn hele hart, en met zijn hele ziel, en met zijn hele kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijn gelijke niet op. 26 Toch keerde zich JAHWEH van de brand van Zijn grote toorn niet af, waarmee Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmee Manasse Hem getergd had. 27 En JAHWEH zei: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, zoals Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik gekozen heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen. 28 Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 29 In zijn dagen trok Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia trok hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had. 30 En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in de plaats van zijn vader. 31 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna. 32 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden. 33 Maar Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. 34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, de zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf daar. 35 En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; maar hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk van het land, om aan Farao Necho te geven. 36 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma. 37 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden. ### 2 Koningen 24 1 In zijn dagen trok Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaar; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem. 2 En JAHWEH zond tegen hem de benden van de Chaldeeën, en de benden van de Syriërs, en de benden van de Moabieten, en de benden van de kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord van JAHWEH, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knechten, de profeten. 3 Zeker gebeurde dit naar het bevel van JAHWEH tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had; 4 Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde JAHWEH niet vergeven. 5 Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda? 6 En Jojakim ontsliep met zijn vaders; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats. 7 De koning nu van Egypte trok voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van de koning van Egypte was. 8 Jojachin was achttien jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem. 9 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader gedaan had. 10 In die tijd trokken de knechten van Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd. 11 Zelfs kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden. 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot de koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar van zijn regering. 13 En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis van JAHWEH, en de schatten van het huis van de koning; en hij hieuw alle gouden voorwerpen af, die Salomo, de koning van Israël, in de tempel van JAHWEH gemaakt had, zoals JAHWEH gesproken had. 14 En hij voerde geheel Jeruzalem weg, en ook al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk van het land. 15 Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, en ook de moeder van de koning, en de vrouwen van de koning, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen van het land bracht hij als gevangene van Jeruzalem naar Babel; 16 En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; deze bracht de koning van Babel als gevangene naar Babel. 17 En de koning van Babel maakte Mattanja, zijn oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia. 18 Zedekia was een en twintig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna. 19 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat Jojakim gedaan had. 20 Want het gebeurde, om de toorn van JAHWEH tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. ### 2 Koningen 25 1 En het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn hele leger, en sloeg zijn kamp op tegen haar; en zij bouwden tegen haar schansen rondom. 2 Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia. 3 Op de negende van de vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had, 4 Toen werd de stad doorgebroken, en al de soldaten vluchtten in de nacht door de weg van de poort, tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld. 5 Maar het leger van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn leger werd van bij hem verstrooid. 6 Zij dan grepen de koning, en voerden hem omhoog tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 7 En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. 8 Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem. 9 En hij verbrandde het huis van JAHWEH, en het huis van de koning, en ook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. 10 En het hele leger van de Chaldeeën, dat met de overste van de lijfwachten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af. 11 Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg. 12 Maar van de armsten van het land liet de overste van de lijfwachten enige overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. 13 Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van JAHWEH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van JAHWEH was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. 14 Zij namen ook de potten, en de scheppen, en de messen, en de rookschalen, en al de koperen voorwerpen, daar men de dienst mee deed. 15 En de overste van de lijfwachten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was. 16 De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis van JAHWEH gemaakt had; het koper van al deze voorwerpen was zonder gewicht. 17 De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappels op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en gelijk aan deze had de andere pilaar, met het net. 18 Ook nam de overste van de lijfwachten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. 19 En uit de stad nam hij een hoveling, die over de soldaten gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de opperschrijver van het leger, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in de stad gevonden werden. 20 Als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, deze genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel, naar Ribla. 21 En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land als gevangene weggevoerd. 22 Maar voor wat betreft het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan. 23 Toen nu al de oversten van de legers, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, zij en hun mannen. 24 En Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zei tot hen: Vrees niet van te zijn knechten van de Chaldeeën, blijft in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u wel gaan. 25 Maar het gebeurde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; en ook de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren. 26 Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot de meeste, en de oversten van de legers, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën. 27 Het gebeurde daarna in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de zeven en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, uit de gevangenis, verhief. 28 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. 29 En hij veranderde de kleren van zijn gevangenis, en hij at voortdurend brood voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. 30 En wat zijn levensonderhoud betreft, kreeg hij voortdurend een door de koning vastgesteld dagelijks deel, alle dagen van zijn leven. ## 1 Kronieken ### 1 Kronieken 1 1 Adam, Seth, Enos, 2 Kenan, Mahalal-el, Jered, 3 Henoch, Methusalah, Lamech, 4 Noach, Sem, Cham en Jafeth. 5 De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras. 6 En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma. 7 En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten. 8 De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaän. 9 En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan. 10 Cusch nu verwekte Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde. 11 En Mitsraim verwekte de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten, 12 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van wie de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten. 13 Kanaän nu verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth, 14 En de Jebusiet, en de Amoriet, en de Girgasiet, 15 En de Heviet, en de Arkiet, en de Siniet, 16 En de Arvadiet, en de Zemariet, en de Hamathiet. 17 De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech. 18 Arfachsad nu verwekte Selah, en Selah verwekte Heber. 19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam van de een was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan. 20 En Joktan verwekte Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah, 21 En Hadoram, en Uzal, en Dikla, 22 En Ebal, en Abimaël, en Scheba, 23 En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle deze waren zonen van Joktan. 24 Sem, Arfachsad, Selah, 25 Heber, Peleg, Rehu, 26 Serug, Nahor, Terah, 27 Abram; die is Abraham. 28 De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël. 29 Dit zijn hun afstammelingen: de eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam, 30 Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema, 31 Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël. 32 De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijvrouw: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan. 33 De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura. 34 Abraham nu verwekte Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël. 35 En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korah. 36 De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek. 37 De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza. 38 De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan. 39 De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zus van Lotan was Timna. 40 De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manahath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zibeon waren Aja en Ana. 41 De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran. 42 De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran. 43 Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, voordat er een koning regeerde over de Israëlieten: Bela, de zoon van Beor; en de naam van zijn stad was Dinhaba. 44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra. 45 En Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Themanieten, regeerde in zijn plaats. 46 En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith. 47 En Hadad stierf, en Samla, van Masreka, regeerde in zijn plaats. 48 En Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats. 49 En Saul stierf, en Baäl-hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 50 Als Baäl-hanan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Pahi, en de naam van zijn huisvrouw was Mehetabeel, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab. 51 Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth, 52 De vorst Aholi-bama, de vorst Ela, de vorst Pinon, 53 De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar, 54 De vorst Magdiel, de vorst Iram. Deze waren de vorsten van Edom. ### 1 Kronieken 2 1 Deze zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon, 2 Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser. 3 De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen van JAHWEH; daarom doodde Hij hem. 4 Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf. 5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul. 6 En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf. 7 En de kinderen van Charmi waren Achar, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep. 8 De kinderen van Ethan nu waren Azaria. 9 En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeël, en Ram, en Chelubai. 10 Ram nu verwekte Amminadab, en Amminadab verwekte Nahesson, de vorst van de kinderen van Juda; 11 En Nahesson verwekte Salma, en Salma verwekte Boaz, 12 En Boaz verwekte Obed, en Obed verwekte Isaï, 13 En Isaï verwekte Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, de tweede, en Simea, de derde, 14 Nethaneël, de vierde, Raddai, de vijfde, 15 Ozem, de zesde, David, de zevende. 16 En hun zussen waren Zeruja en Abigaïl. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El; drie. 17 En Abigaïl baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaëliet. 18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, verwekte kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon. 19 Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur. 20 En Hur verwekte Uri, en Uri verwekte Bezaleël. 21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, de vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaar oud was; en zij baarde hem Segub. 22 Segub nu verwekte Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead. 23 En hij nam Gesur en Aram, met de plaatsen van Jaïr, daarvan, met Kenath en haar bijbehorende plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, de vader van Gilead. 24 En na de dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Asschur, de vader van Thekoa. 25 De kinderen van Jerahmeël nu, de eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia. 26 Jerahmeël had nog een andere vrouw, van wie de naam Atara was; zij was de moeder van Onam. 27 En de kinderen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker. 28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur. 29 De naam nu van de huisvrouw van Abisur was Abihaïl: die baarde hem Achban en Molid. 30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder kinderen. 31 En de kinderen van Appaïm waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai. 32 En de kinderen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen. 33 De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeël. 34 En Sesan had geen zonen, maar dochters. En Sesan had een Egyptische knecht, van wie de naam Jarha was. 35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai. 36 Attai nu verwekte Nathan, en Nathan verwekte Zabad, 37 En Zabad verwekte Eflal, en Eflal verwekte Obed, 38 En Obed verwekte Jehu, en Jehu verwekte Azaria, 39 En Azaria verwekte Helez, en Helez verwekte Elasa, 40 En Elasa verwekte Sismai, en Sismai verwekte Sallum, 41 En Sallum verwekte Jekamja, en Jekamja verwekte Elisama. 42 De kinderen van Kaleb nu, de broer van Jerahmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, de vader van Hebron. 43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema. 44 Sema nu verwekte Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem verwekte Sammai. 45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur. 46 En Efa, de bijvrouw van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran verwekte Gazez. 47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf. 48 Uit de bijvrouw Maächa verwekte Kaleb: Seber en Tirhana. 49 En de huisvrouw van Saäf, de vader van Madmanna, baarde Seva, de vader van Machbena, en de vader van Gibeä; en de dochter van Kaleb was Achsa. 50 Dit waren de kinderen van Kaleb, de zoon van Hur, de eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-jearim; 51 Salma, de vader van de Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader. 52 De kinderen van Sobal, de vader van Kirjath-jearim, waren Haroe en Hazihammenuchoth. 53 En de geslachten van Kirjath-jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van deze zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten. 54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft van de Manathieten, en de Zorieten. 55 En de huisgezinnen van de schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; deze zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, de vader van het huis van Rechab. ### 1 Kronieken 3 1 Deze nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigaïl, de Karmelietische; 2 De derde Absalom, de zoon van Maächa, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith; 3 De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla. 4 Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem. 5 Deze nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-sua, de dochter van Ammiël; 6 Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet, 7 En Nogah, en Nefeg, en Jafia, 8 En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen. 9 Deze allen zijn zonen van David, afgezien van de kinderen van de bijvrouwen, en Thamar hun zus. 10 Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat; 11 Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas; 12 Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham; 13 Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse; 14 Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia. 15 De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedekia, de vierde Sallum. 16 De kinderen van Jojakim nu waren: Jechonia zijn zoon, Zedekia zijn zoon. 17 En de kinderen van Jechonia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; 18 Van deze zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja. 19 De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simeï; en de kinderen van Zerubbabel waren Mesullam en Hananja; en Selomith was hun zus; 20 En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf. 21 De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja. 22 De kinderen nu van Sechanja waren Semaja; en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Bariah, en Nearja, en Safat; zes. 23 En de kinderen van Nearja waren Eljoënai, en Hizkia, en Azrikam; drie. 24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodajeva, en Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Delaja, en Anani; zeven. ### 1 Kronieken 4 1 De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal. 2 En Reaja, de zoon van Sobal, verwekte Jahath, en Jahath verwekte Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen van de Zorathieten; 3 En deze zijn van de vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam van hun zus was Hazelelponi. 4 En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, de eerstgeborene van Efratha, de vader van Bethlehem. 5 Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naära. 6 En Naära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haähastari. Dit zijn de kinderen van Naära. 7 En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan. 8 En Koz verwekte Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, de zoon van Harum. 9 Jabez nu was heerlijker dan zijn broers; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. 10 Want Jabez riep de God van Israël aan, zeggende: Als U mij rijk zegenen, en mijn gebied vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade zo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde. 11 En Chelub, de broer van Suha, verwekte Mechir; hij is de vader van Eston. 12 Eston nu verwekte Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, de vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha. 13 En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath. 14 En Meonothai verwekte Ofra; en Seraja verwekte Joab, de vader van het dal van de werkmeesters; want zij waren werkmeesters. 15 De kinderen van Kaleb nu, de zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz. 16 En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareël. 17 En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, de vader van Esthemoa. 18 En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, de vader van Gedor, en Heber, de vader van Socho, en Jekuthiël, de vader van Zanoah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had. 19 En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zus van Naham, waren Abi-kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maächathiet. 20 En de kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-zoheth. 21 De kinderen van Sela, de zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis van de linnenwerkers in het huis Asbea. 22 Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; maar deze dingen zijn oud. 23 Deze waren pottenbakkers, wonend bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij de koning in zijn werk. 24 De kinderen van Simeon waren Nemuël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul. 25 Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon. 26 De kinderen van Misma waren deze: Hammuël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon. 27 Simeï nu had zestien zonen en zes dochters; maar zijn broers hadden niet veel kinderen; en hun hele huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda. 28 En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-sual, 29 En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad, 30 En te Bethuël, en te Horma, en te Ziklag, 31 En te Beth-markaboth, en te Hazar-susim, en te Beth-biri, en te Saäraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd. 32 En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden. 33 En al haar dorpen, die in de omloop van deze steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen. 34 Maar Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia, 35 En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, de zoon van Seraja, de zoon van Asiël, 36 En Eljoënai, en Jaäkoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiël, en Jesimeël, en Benaja, 37 En Ziza, de zoon van Sifeï, de zoon van Allon, de zoon van Jedaja, de zoon van Simri, de zoon van Semaja; 38 Deze kwamen tot namen, waren vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen van hun vaders braken uit in menigte. 39 En zij gingen tot aan de ingang van Gedor tot het oosten van het dal, om weide te zoeken voor hun schapen. 40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren. 41 Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, de koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen van degenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op deze dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen. 42 Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Uzziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden. 43 En zij sloegen de overigen van de ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden daar tot op deze dag. ### 1 Kronieken 5 1 De kinderen van Ruben nu, de eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar omdat hij het bed van zijn vader ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, de zoon van Israël; maar niet zo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht; 2 Want Juda werd machtig onder zijn broers, en die tot een voorganger was, was uit hem; maar de eerstgeboorte was van Jozef.) 3 De kinderen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi. 4 De kinderen van Joël: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï; 5 Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baäl; 6 Zijn zoon Beera, die Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, als gevangene wegvoerde; hij was de vorst van de Rubenieten. 7 Voor wat betreft zijn broers in hun huisgezinnen, als zij naar hun afstamming in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja, 8 En Bela, de zoon van Azaz, de zoon van Sema, de zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo, en Baäl-Meon, 9 En hij woonde tegen het oosten, tot de ingang van de woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead. 10 En in de dagen van Saul voerden zij strijd tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de hele oostzijde van Gilead. 11 De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe. 12 Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan. 13 Hun broers nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven. 14 Deze zijn de kinderen van Abihaïl, de zoon van Huri, de zoon van Jaroah, de zoon van Gilead, de zoon van Michaël, de zoon van Jesisai, de zoon van Jahdo, de zoon van Buz. 15 Ahi, de zoon van Abdiël, de zoon van Guni, was het hoofd van het huis van hun vaders. 16 En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar bijbehorende plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen. 17 Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël. 18 Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van de halve stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en de boog spannende, en ervaren in de oorlog, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het leger. 19 En zij voerden strijd tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab. 20 Maar zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in de oorlog, zo liet Hij Zich van hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden. 21 En zij voerden hun vee als gevangene weg; van hun kamelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezels, en honderd duizend zielen van de mensen. 22 Want er vielen vele verwonden, omdat de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij als gevangene weggevoerd werden. 23 De kinderen nu van de halve stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en de berg Hermon. 24 Deze nu waren de hoofden van hun vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliël, en Azriël, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden van de huizen van hun vaders. 25 Maar zij hebben tegen de God van hun vaders overtreden, en de goden van de volken van het land nagehoereerd, die God voor hun aangezichten had vernietigd. 26 Zo verwekte de God van Israël de geest van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrië, die voerde hen als gevangene weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en de halve stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op deze dag. ### 1 Kronieken 6 1 De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari. 2 De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël. 3 En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar. 4 En Eleazar verwekte Pinehas, Pinehas verwekte Abisua; 5 En Abisua verwekte Bukki, en Bukki verwekte Uzzi; 6 En Uzzi verwekte Zerahja, en Zerahja verwekte Merajoth; 7 En Merajoth verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; 8 En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Ahimaäz; 9 En Ahimaäz verwekte Azarja, en Azarja verwekte Johanan; 10 En Johanan verwekte Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had. 11 En Azarja verwekte Amarja, en Amarja verwekte Ahitub; 12 En Ahitub verwekte Zadok, en Zadok verwekte Sallum; 13 En Sallum verwekte Hilkia, en Hilkia verwekte Azarja; 14 En Azarja verwekte Seraja, en Seraja verwekte Jozadak; 15 En Jozadak ging mee, als JAHWEH Juda en Jeruzalem als gevangene wegvoerde door de hand van Nebukadnezar. 16 Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari. 17 En dit zijn de namen van de zonen van Gerson: Libni en Simeï. 18 En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël. 19 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen van de Levieten, naar hun vaders. 20 Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma; 21 Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai. 22 De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir; 23 Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir; 24 Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriël; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul. 25 De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth. 26 Elkana; diens zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath; 27 Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana. 28 De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abia. 29 De kinderen van Merari waren Maheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simeï; zijn zoon Uzza; 30 Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja. 31 Deze nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt van het gezang in het huis van JAHWEH, nadat de ark tot rust gekomen was. 32 En zij dienden voor de tabernakel van de tent van de samenkomst met gezangen, totdat Salomo het huis van JAHWEH te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt. 33 Deze nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen van de Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël, 34 De zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 35 De zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahath, de zoon van Amasai, 36 De zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Zefanja, 37 De zoon van Tahath, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, 38 De zoon van Jizhar, de zoon van Kahath, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 39 En zijn broer Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon van Berechja, de zoon van Simea, 40 De zoon van Michaël, de zoon van Baeseja, de zoon van Malchija, 41 De zoon van Ethni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, 42 De zoon van Ethan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, 43 De zoon van Jahath, de zoon van Gerson, de zoon van Levi. 44 Hun broers nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linkerzijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 45 De zoon van Hasabja, de zoon van Amazia, de zoon van Hilkia, 46 De zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 47 De zoon van Maheli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi. 48 Hun broers nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst van de tabernakel van het huis van God. 49 Aäron nu en zijn zonen rookten op het altaar van het brandoffer, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige van de heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht van God, geboden had. 50 Dit nu zijn de kinderen van Aäron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon; 51 Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon; 52 Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon; 53 Zadok zijn zoon; Ahimaäz zijn zoon. 54 En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun gebied, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin van de Kahathieten, want dat lot was voor hen. 55 En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden daaromheen. 56 Maar het veld van de stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, de zoon van Jefunne. 57 En de kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden, 58 En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden, 59 En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden. 60 Van de stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden. 61 Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van de stam, uit de halve stam van half Manasse, bij het lot, tien steden. 62 En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Issaschar, en van de stam van Aser, en van de stam van Nafthali, en van de stam van Manasse in Basan, dertien steden. 63 De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van de stam van Ruben, en van de stam van Gad, en van de stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden. 64 Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden en haar voorsteden. 65 En zij gaven ze bij het lot, van de stam van de kinderen van Juda, en van de stam van de kinderen van Simeon, en van de stam van de kinderen van Benjamin, deze steden, die zij bij namen noemden. 66 Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen van de kinderen van Kahath, vielen steden van hun gebied ten deel, van de stam van Efraïm. 67 Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden, 68 En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-Horon en haar voorsteden, 69 En Ajalon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden. 70 En uit de halve stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bileam en haar voorsteden. De huisgezinnen van de overige kinderen van Kahath hadden deze steden: 71 De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van de halve stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharoth, en haar voorsteden. 72 En van de stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden, 73 En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden. 74 En van de stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden, 75 En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden. 76 En van de stam van Nafthali: Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjathaim en haar voorsteden. 77 De overige kinderen van Merari hadden van de stam van Zebulon: Rimmono en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden; 78 En aan de overzijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van de stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden, 79 En Kedemoth en haar voorsteden, en Mefaath en haar voorsteden; 80 En van de stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanaim en haar voorsteden, 81 En Hesbon en haar voorsteden, en Jaëzer en haar voorsteden. ### 1 Kronieken 7 1 De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier. 2 De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriël, en Jachmai, en Jibsam, en Samuël; hoofden van de huizen van hun vaders, van Thola, strijdbare helden in hun generaties; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd. 3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisia; deze vijf waren al samen hoofden. 4 En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen van de legers zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen. 5 En hun broers, in alle huisgezinnen van Issaschar, strijdbare helden, waren zeven en tachtig duizend, zij allen in geslachtsregisters gesteld zijnde. 6 De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie. 7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziël, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen van de vaders, strijdbare helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig. 8 De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher. 9 Deze nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden van de huizen van hun vaders, strijdbare helden, waren twintig duizend en tweehonderd. 10 De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenaäna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar. 11 Alle deze waren kinderen van Jediael, tot familiehoofden, strijdbare helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het leger ten strijde. 12 Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher. 13 De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha. 14 De kinderen van Manasse waren Asriël, die de vrouw van Gilead baarde; maar zijn bijvrouw, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead. 15 Machir nu nam tot een vrouw de zus van Huppim en Suppim, en haar naam was Maächa; en de naam van de tweede was Zelafead. Zelafead nu had dochters. 16 En Maächa, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naam van zijn broer was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem. 17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; deze zijn de kinderen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. 18 Wat betreft nu zijn zus Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahela. 19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam. 20 En de kinderen van Efraïm waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath; 21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthelah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. 22 Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broers kwamen om hem te troosten. 23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis. 24 Zijn dochter nu was Seëra, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seëra. 25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan; 26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammihud; zijn zoon Elisama; 27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua. 28 En hun bezitting en hun woning was Beth-el, en haar bijbehorende plaatsen; en tegen het oosten Naäran, en tegen het westen Gezer en haar bijbehorende plaatsen; en Sichem en haar bijbehorende plaatsen, tot Gaza toe, en haar bijbehorende plaatsen. 29 En aan de zijden van de kinderen van Manasse was Beth-sean en haar bijbehorende plaatsen, Thaänach en haar bijbehorende plaatsen, Megiddo en haar bijbehorende plaatsen, Dor en haar bijbehorende plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, de zoon van Israël, gewoond. 30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hun zus. 31 De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiël; hij is de vader van Birzavith. 32 En Heber verwekte Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hun zus. 33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet. 34 En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram. 35 En de kinderen van zijn broer Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal. 36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra, 37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra. 38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara. 39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniël, en Rizja. 40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden van de vaderlijke huizen, uitgelezen strijdbare helden, hoofden van de vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten strijde in de oorlog; hun getal was zes en twintig duizend mannen. ### 1 Kronieken 8 1 Benjamin nu verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, en Ahrah, de derde, 2 Naho, de vierde, en Rafa, de vijfde, 3 Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abihud, 4 En Abisua, en Naäman, en Ahoah, 5 En Gera, en Sefufan, en Huram. 6 Deze nu zijn de kinderen van Ehud; deze waren familiehoofden van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manahath; 7 En Naäman, en Ahia, en Gera; deze voerde hij weg; en hij verwekte Uzza en Ahihud. 8 En Saharaim verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggezonden had) uit Husim en Baära, zijn vrouwen; 9 En uit Hodes, zijn huisvrouw, verwekte hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en Malcham, 10 En Jeüz, en Sochja, en Mirma; deze zijn zijn zonen, familiehoofden. 11 En uit Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl. 12 De kinderen van Elpaäl nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar bijbehorende plaatsen; 13 En Beria, en Sema; deze waren familiehoofden van de inwoners te Ajalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven. 14 En Ahjo, Sasak en Jeremoth, 15 En Zebadja, en Arad, en Eder, 16 En Michaël, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria. 17 En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber, 18 En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaäl. 19 En Jakim, en Zichri, en Zabdi, 20 En Eljoënai, en Zillethai, en Eliël, 21 En Adaja, en Beraja, en Simrath waren kinderen van Simeï. 22 En Jispan, en Eber, en Eliël, 23 En Abdon, en Zichri, en Hanan, 24 En Hananja, en Elam, en Antothija, 25 En Jifdeja, en Pnuël waren zonen van Sasak. 26 En Samserai, en Seharja, en Athalja, 27 En Jaäresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham. 28 Deze waren de familiehoofden, hoofden naar hun geslachten; deze woonden te Jeruzalem. 29 En te Gibeon woonde de vader van Gibeon; en de naam van zijn huisvrouw was Maächa. 30 En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Nadab, 31 En Gedor, en Ahio, en Zecher. 32 En Mikloth verwekte Simea; en deze woonden ook tegenover hun broers te Jeruzalem, met hun broers. 33 Ner nu verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, Abinadab, en Esbaäl. 34 En Jonathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl verwekte Micha. 35 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaärea, en Achaz. 36 En Achaz verwekte Jehoadda, en Jehoadda verwekte Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu verwekte Moza; 37 En Moza verwekte Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elasa; zijn zoon was Azel. 38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al deze waren zonen van Azel. 39 En de zonen van Esek, zijn broer, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeus, de tweede, en Elifelet, de derde. 40 En de zonen van Ulam waren mannen, strijdbare helden, de boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al deze waren van de kinderen van Benjamin. ### 1 Kronieken 9 1 En geheel Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, vanwege hun overtredingen. 2 De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de tempelknechten. 3 Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse; 4 Uthai, de zoon van Ammihud, de zoon van Omri, de zoon van Imri, de zoon van Bani, van de kinderen van Perez, de zoon van Juda. 5 En van de Silonieten was Asaja, de eerstgeborene, en zijn kinderen. 6 En van de kinderen van Zerah was Jeüel, en van hun broers waren zeshonderd en negentig. 7 En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodavia, de zoon van Hassenua; 8 En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, de zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, de zoon van Reüel, de zoon van Jibnija; 9 En hun broers naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren familiehoofden in de huizen van hun vaders. 10 Van de priesters nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin, 11 En Azarja, de zoon van Hilkija, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, overste van het huis van God; 12 En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pashur, de zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, de zoon van Jahzera, de zoon van Mesullam, de zoon van Mesillemith, de zoon van Immer. 13 Daartoe hun broers, hoofden in de huizen van hun vaders, duizend zevenhonderd en zestig, strijdbare helden aan het werk van de dienst van het huis van God. 14 Van de Levieten nu waren Semaja, de zoon van Hasub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari; 15 En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, de zoon van Zichri, de zoon van Asaf; 16 En Obadja, de zoon van Semaja, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, de zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen van de Netofathieten. 17 De poortwachters nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broers; Sallum was het hoofd. 18 Ook tot nog toe, aan de poort van de koning naar het oosten, waren deze de poortwachters onder de legers van de kinderen van Levi. 19 En Sallum, de zoon van Kore, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korah, en zijn broers van het huis van zijn vader, de Korahieten, waren over het werk van de dienst, wachters van de dorpelen van de tabernakel; zoals hun vaders in het leger van JAHWEH geweest waren bewaarders van de ingang; 20 Als Pinehas, de zoon van Eleazar, te voren voorganger bij hen was, met wie JAHWEH was. 21 Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortwachter aan de deur van de tent van de samenkomst. 22 Allen, die uitgekozen waren tot poortwachters aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd. 23 Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis van JAHWEH, in het huis van de tent, aan de wachten. 24 Die poortwachters waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden. 25 En hun broers waren op hun dorpen, inkomende op de zevende dag van tijd tot tijd, om met hen te dienen; 26 Want in dat ambt waren vier overste poortwachters, die Levieten waren; en zij waren over de kamers en over de schatten van het huis van God. 27 En zij bleven over nacht rondom het huis van God; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat elke morgen. 28 En enige van hen waren over de voorwerpen van de dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit. 29 Want daaruit zijn er besteld over de voorwerpen, en over al de heilige voorwerpen, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij. 30 En uit de zonen van de priesters waren de bereiders van het reukwerk van de specerijen. 31 En Mattithja uit de Levieten, die was de eerstgeborene van Sallum, de Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt. 32 En uit de kinderen van de Kahathieten, uit hun broers, waren enige over de broden van de toerichting, om die alle sabbatten te bereiden. 33 Uit deze zijn ook de zangers, familiehoofden onder de Levieten in de kamers, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn. 34 Dit zijn de familiehoofden onder de Levieten, hoofden in hun generaties; deze woonden te Jeruzalem. 35 Maar te Gibeon hadden gewoond Jeiël, de vader van Gibeon; de naam van zijn zus nu was Maächa. 36 En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Ner, en Nadab. 37 En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth. 38 Mikloth nu verwekte Simeam; deze woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broers, met hun broers. 39 En Ner verwekte Kis, en Kis verwekte Saul, en Saul verwekte Jonathan, en Malchi-sua, en Abinadab, en Esbaäl. 40 En Jonathans zoon van Merib-Baäl, en Merib-Baäl verwekte Micha. 41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaerea. 42 En Achaz verwekte Jaera, en Jaera verwekte Alemeth, en Azmaveth, en Zimri; en Zimri verwekte Moza; 43 En Moza verwekte Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel. 44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan; deze zijn Azels zonen. ### 1 Kronieken 10 1 En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen van Israël vluchtten voor het aangezicht van de Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa. 2 En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul. 3 En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en hij vreesde zeer voor de schutters. 4 Toen zei Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmee, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij de spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin. 5 Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf. 6 Zo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn hele huis is tegelijk gestorven. 7 Als al de mannen van Israël, die in het dal waren, zagen, dat zij gevlucht waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vluchtten. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin. 8 Het gebeurde nu op de andere dag, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa. 9 En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in het land van de Filistijnen rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk. 10 En zij leiden zijn wapenen in het huis van hun god; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon. 11 Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden, 12 Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen van zijn zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen. 13 Zo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmee hij overtreden had tegen JAHWEH, tegen het woord van JAHWEH dat hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende, 14 En JAHWEH niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, de zoon van Isaï. ### 1 Kronieken 11 1 Toen verzamelde zich geheel Israël tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees. 2 Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt u Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft JAHWEH, uw God, tot u gezegd: U zult Mijn volk Israël weiden, en u zult voorganger zijn van Mijn volk Israël. 3 Ook kwamen alle oudsten in Israël tot de koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht van JAHWEH; en zij zalfden David tot koning over Israël, naar het woord van JAHWEH, door de dienst van Samuël. 4 En David trok heen, en geheel Israël, naar Jeruzalem, die is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners van het land. 5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: U zult hier niet inkomen. David dan nog won de burg Sion, die is de stad van David. 6 Want David zei: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, die het eerst; daarom werd hij tot een hoofd. 7 David nu woonde op de burg; daarom heet men die de stad van David. 8 En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom heen; en Joab vernieuwde het overige van de stad. 9 En David ging steeds voort, en werd groot, want JAHWEH van de legermachten was met hem. 10 Deze nu waren de hoofden van de helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israël, om hem koning te maken, naar het woord van JAHWEH over Israël. 11 Deze nu zijn van het getal van de helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd van de dertigen, die zijn speer tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg. 12 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden. 13 Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde verzameld waren, en het stuk van de akker vol gerst was, en het volk voor het aangezicht van de Filistijnen vluchtte; 14 En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en JAHWEH verloste hen door een grote verlossing. 15 En drie uit de dertig hoofden trokken af naar de rotssteen tot David in de grot van Adullam; en het leger van de Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim. 16 En David was toen in de vesting en de bezetting van de Filistijnen was toen te Bethlehem. 17 En David kreeg lust, en zei: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is? 18 Toen braken die drie door het leger van de Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Maar David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor JAHWEH; 19 En hij zei: Dat late mijn God verre van mij zijn, van dat te doen! Zou ik het bloed van deze mannen drinken? Met gevaar van hun leven, ja, met gevaar van hun leven hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden. 20 Abisai nu, de broer van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn speer tegen driehonderd, versloeg hen; zo had hij een naam onder die drie. 21 Uit die drie was hij geëerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet. 22 Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dappere man van Kabzeël, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden van de kuil, in de sneeuwtijd. 23 Hij versloeg ook een Egyptische man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een speer in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de speer uit de hand van de Egyptenaar, en hij doodde hem met zijn eigen speer. 24 Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; daarom had hij een naam onder die drie helden. 25 Zie, hij was de heerlijkste van die dertig; toch kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn lijfwachten. 26 De helden nu van de legers waren: Asahel, de broer van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem; 27 Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet; 28 Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoïet; Abiëzer, de Anathothiet; 29 Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet; 30 Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baäna, de Netofathiet; 31 Ithai, de zoon van Ribai, van Gibeä van de kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet; 32 Hurai, van de beken van Gaäs; Abiël; de Arbathiet; 33 Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saälboniet; 34 Van de kinderen van Hasem, de Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet; 35 Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur; 36 Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet; 37 Hezro, de Karmeliet; Naäri, de zoon van Ezbai; 38 Joël, de broer van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri; 39 Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, de zoon van Zeruja; 40 Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet; 41 Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai; 42 Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd van de Rubenieten; toch waren er dertig boven hem; 43 Hanan, de zoon van Maächa, en Josafat, de Mithniet; 44 Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiël, de zoon van Hotham, de Aroëriet; 45 Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broer, de Tiziet; 46 Eliël, Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaäm; en Jithma, de Moabiet; 47 Eliël en Obed, en Jaäziël van Mezobaja. ### 1 Kronieken 12 1 Deze nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, de zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot die strijd hielpen. 2 Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit de boog; zij waren van de broers van Saul, uit Benjamin. 3 Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semaa, de Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet. 4 En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet; 5 Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet; 6 Elkana, en Jissia, en Azareël, en Joëzer, en Jasobam, de Korahieten; 7 En Joëla en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor. 8 Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, strijdbare helden, soldaten ten oorlog, toegerust met groot schild en schild; en hun gezichten waren gezichten van de leeuwen; en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid. 9 Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde; 10 Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde; 11 Attai de zesde; Eliël de zevende; 12 Johanan de achtste; Elzabad de negende; 13 Jormeja de tiende; Machbannai de elfde. 14 Deze waren van de kinderen van Gad, hoofden van het leger; één van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend. 15 Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen zij vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners van de laagten, tegen het oosten en tegen het westen. 16 Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David. 17 En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zei tot hen: Als u ten vrede tot mij gekomen bent, om mij te helpen, zo zal mijn hart één met u zijn; maar als het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God van onze vaders zie het, en straffe het! 18 En de Geest trok Amasai aan, de overste van de bevelhebbers, en hij zei: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, u, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden van de benden. 19 Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten van de Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen. 20 Toen hij naar Ziklag trok, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden van de duizenden, die in Manasse waren. 21 En deze hielpen David mee tegen die benden; want alle deze waren strijdbare helden; en zij waren oversten in het leger. 22 Want er kwamen er in die tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger van God. 23 En dit zijn de getallen van de hoofden van degenen, die toegerust waren ten strijde, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar de mond van JAHWEH: 24 Van de kinderen van Juda, die grote schilden en speren droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten strijde; 25 Van de kinderen van Simeon, strijdbare helden ten strijde, zeven duizend en honderd; 26 Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd; 27 En Jehojada was overste van de Aäronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd. 28 En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit het huis van zijn vader waren twee en twintig oversten; 29 En van de kinderen van Benjamin, de broers van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden; 30 En van de kinderen van Efraïm, twintig duizend en achthonderd, strijdbare helden, mannen van naam in het huis van hun vaders; 31 En van de halve stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken; 32 En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israël doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broers pasten op hun woord; 33 Uit Zebulon, uitgaande in het leger, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart; 34 En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met groot schild en speer, zeven en dertig duizend. 35 En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd; 36 En uit Aser, uitgaande in het leger, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend; 37 En van de overzijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend. 38 Al deze soldaten, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over geheel Israël. En ook was al het overige van Israël een hart, om David tot koning te maken. 39 En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broers hadden voor hen wat toebereid. 40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezels, en op kamelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israël. ### 1 Kronieken 13 1 En David hield raad met de oversten van de duizenden en van de honderden, en met alle vorsten. 2 En David zei tot de hele gemeente van Israël: Als het u goeddunkt, en van JAHWEH, onze God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons verzameld worden. 3 En laat ons de ark van onze God tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht. 4 Toen zei de hele gemeente, dat men zo doen zou; want die zaak was recht in de ogen van het hele volk. 5 David dan verzamelde geheel Israël van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark van God te brengen van Kirjath-jearim. 6 Toen trok David op met het hele Israël naar Baäla, dat is, Kirjath-jearim, dat in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark van God, van JAHWEH, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen. 7 En zij voerden de ark van God op een nieuwe wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden de wagen. 8 En David en geheel Israël speelden voor het aangezicht van God met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten. 9 Toen zij aan de dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden. 10 Toen ontstak de toorn van JAHWEH over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf daar voor het aangezicht van God. 11 En David ontstak, dat JAHWEH een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij die plaats Perez-uza, tot op deze dag. 12 En David vreesde JAHWEH op die dag, zeggende: Hoe zal ik de ark van God tot mij brengen? 13 Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad van David, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-edom, de Gethiet. 14 Zo bleef de ark van God bij het huisgezin van Obed-edom, in zijn huis, drie maanden; en JAHWEH zegende het huis van Obed-edom, en alles, wat hij had. ### 1 Kronieken 14 1 Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden. 2 En David merkte, dat hem JAHWEH tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, omwille van Zijn volk Israël. 3 En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David verwekte meer zonen en dochters. 4 Dit nu zijn de namen van de kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo, 5 En Jibchar, en Elisua, en Elpelet, 6 En Nogah, en Nefeg, en Jafia, 7 En Elisama, en Beëljada, en Elifelet. 8 Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het hele Israël, zo trokken al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo trok hij uit tegen hen. 9 Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaim. 10 Toen vroeg David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult U hen in mijn hand geven? En JAHWEH zei tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven. 11 Toen zij nu optogen naar Baäl-perazim, zo sloeg hen David daar; en David zei: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur van de wateren; daarom noemden zij de naam van die plaats Baäl-perazim. 12 En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand. 13 Maar de Filistijnen voeren nog voort, en zij verspreidden zich in dat dal. 14 En David vraagde God nog eens; en God zei tot hem: U zult niet optrekken achter hen heen; maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeziënbomen. 15 En het zal gebeuren, als u hoort het geruis van een gang in de toppen van de moerbeziënbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger van de Filistijnen te slaan. 16 David nu deed, zoals hem God geboden had; en zij sloegen het leger van de Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer. 17 Zo ging Davids naam uit in al die landen; en JAHWEH gaf Zijn verschrikking over al die heidenen. ### 1 Kronieken 15 1 En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde van de ark van God een plaats, en spande een tent voor haar. 2 Toen zei David: Niemand mag de ark van God dragen, dan de Levieten; want die heeft JAHWEH gekozen, om de ark van God te dragen, en om Hem te dienen tot in de eeuwigheid. 3 Ook verzamelde David geheel Israël te Jeruzalem, om de ark van JAHWEH op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had. 4 En David verzamelde de kinderen van Aäron en de Levieten. 5 Van de kinderen van Kehath was Uriël overste, en van zijn broers waren honderd en twintig. 6 Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broers waren tweehonderd en twintig. 7 Van de kinderen van Gersom was Joël overste, en van zijn broers waren honderd en dertig. 8 Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broers waren tweehonderd. 9 Uit de kinderen van Hebron was Eliël overste, en zijn broers waren tachtig. 10 Uit de kinderen van Uzziël was Amminadab overste, en zijn broers waren honderd en twaalf. 11 En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab. 12 En hij zei tot hen: U bent familiehoofden onder de Levieten; heilig u, u en uw broers, dat u de ark van JAHWEH, van de God van Israël, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb. 13 Want omdat u ten eerste dit niet deedt, heeft JAHWEH, onze God, onder ons een straf gegeven, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht. 14 Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark van JAHWEH, van de God van Israël, op te brengen. 15 En de kinderen van de Levieten droegen de ark van God op hun schouders, met de draagbomen, die op hen waren, zoals Mozes geboden had naar het woord van JAHWEH. 16 En David zei tot de oversten van de Levieten, dat zij hun broers, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap. 17 Zo stelden dan de Levieten Heman, de zoon van Joël, en uit zijn broers Asaf, de zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broers, Ethan, de zoon van Kusaja; 18 En met hen hun broers van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaäziel, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maäseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, de poortwachters. 19 De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen; 20 En Zecharja, en Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, en Eliab, en Maäseja, en Benaja, met luiten op Alamoth. 21 En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiël, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om de toon te versterken. 22 En Chenanja, de overste van de Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig. 23 En Berechja en Elkana waren poortwachters van de ark. 24 En Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark van God; en Obed-Edom en Jehia waren poortwachters van de ark. 25 Het gebeurde nu, dat David en de oudsten van Israël, en de oversten van de duizenden, heengingen, om de ark van het verbond van JAHWEH op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde; 26 Zo gebeurde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark van het verbond van JAHWEH droegen, dat zij zeven stieren en zeven rammen offerden. 27 David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen van de zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen. 28 Zo bracht geheel Israël de ark van het verbond van JAHWEH op, met gejuich, en met geluid van de bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen. 29 Het gebeurde nu, toen de ark van het verbond van JAHWEH tot aan de stad van David gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en de koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart. ### 1 Kronieken 16 1 Toen zij de ark van God inbrachten, zo stelden zij ze in het midden van de tent, die David voor haar gespannen had; en zij offerden brandoffers en dankoffers voor het aangezicht van God. 2 Als David het brandoffer en de dankoffers geëindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in de Naam van JAHWEH. 3 En hij deelde ieder in Israël, van de man tot de vrouw, ieder een rond brood, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. 4 En hij stelde voor de ark van JAHWEH sommigen uit de Levieten tot dienaren, en dat, om JAHWEH, de God van Israël, te vermelden, en te loven, en te prijzen. 5 Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem; Jeiël, en Semiramoth, en Jehiël, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeiël, met instrumenten van de luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen; 6 Maar Benaja en Jahaziël, de priesters, steeds met trompetten voor de ark van het verbond van God. 7 Op die dag gaf David ten eerste deze psalm, om JAHWEH te loven, door de dienst van Asaf, en zijn broers. 8 Loof JAHWEH, roep Zijn Naam aan, maak Zijn daden bekend onder de volken. 9 Zing Hem, psalmzing Hem, spreek aandachtig van al Zijn wonderwerken. 10 Roem u in de Naam van Zijn heiligheid; dat zich het hart van degenen, die JAHWEH zoeken, verblijde. 11 Vraag naar JAHWEH en Zijn sterkte, zoek Zijn aangezicht steeds. 12 Gedenk van Zijn wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en de oordelen van Zijn mond; 13 U, zaad van Israël, Zijn dienaar, u, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen! 14 Hij is JAHWEH, onze God; Zijn oordelen zijn over de hele aarde. 15 Gedenk tot in de eeuwigheid van Zijn verbond, van het woord, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht; 16 Van het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak; 17 Die Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond; 18 Zeggende: Ik zal u het land Kanaän geven, een snoer van uw erfdeel; 19 Als u weinig mensen in getal was; ja, weinigen en vreemdelingen daarin. 20 En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk. 21 Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: 22 Raak Mijn gezalfde niet aan, en doe Mijn profeten geen kwaad. 23 Zing JAHWEH, u, hele aarde, boodschap Zijn heil van dag tot dag. 24 Vertel Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken. 25 Want JAHWEH is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden. 26 Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar JAHWEH heeft de hemelen gemaakt. 27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats. 28 Geef JAHWEH, u, geslachten van de volken, geef JAHWEH eer en sterkte. 29 Geef JAHWEH de eer van Zijn Naam, breng offer, en kom voor Zijn aangezicht; aanbid JAHWEH in de heerlijkheid van het heiligdom. 30 Schrik voor Zijn aangezicht, u, hele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen wordt. 31 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: JAHWEH regeert. 32 Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is. 33 Dan zullen de bomen van het woud juichen voor het aangezicht van JAHWEH, omdat Hij komt, om de aarde te richten. 34 Loof JAHWEH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 35 En zeg: Verlos ons, o God van ons heil, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heilige Naam loven, en dat wij ons van Uw lof roemen. 36 Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zei: Amen! en het loofde JAHWEH. 37 Zo liet hij daar, voor de ark van het verbond van JAHWEH, Asaf en zijn broers, om steeds te dienen voor de ark, naardat op elke dag besteld was. 38 Obed-edom nu, met hun broers, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-edom, de zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortwachters; 39 En de priester Zadok, en zijn broers, de priesters, voor de tabernakel van JAHWEH op de hoogte, die te Gibeon is; 40 Om JAHWEH de brandoffers steeds te offeren op het brandofferaltaar, 's morgens en 's avonds; en dat naar alles, wat er geschreven staat in de wet van JAHWEH, die Hij Israël geboden had. 41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om JAHWEH te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in de eeuwigheid. 42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten van de muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort. 43 Zo trok het hele volk heen, ieder in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen. ### 1 Kronieken 17 1 Het gebeurde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, de profeet, zei: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark van het verbond van JAHWEH onder gordijnen. 2 Toen zei Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u. 3 Maar het gebeurde in dezelfde nacht, dat het woord van God tot Nathan kwam, zeggende: 4 Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Zo zegt JAHWEH: U zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen. 5 Want Ik heb in geen huis gewoond van die dag af, dat Ik Israël heb opgevoerd tot deze dag toe; maar Ik ben gegaan van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel. 6 Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israël, heb Ik wel een woord gesproken tot één van de richters van Israël, die Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt u Mij geen cederen huis? 7 Nu dan, zo zult u zeggen tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat u een voorganger over Mijn volk Israël zou zijn; 8 En Ik ben met u geweest overal, waar u heengegaan bent, en Ik heb al uw vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en Ik heb u een naam gemaakt, zoals de naam is van de groten, die op de aarde zijn. 9 En Ik heb voor Mijn volk Israël een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats woon, en niet meer heen en weer gedreven wordt; en de kinderen van de verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, zoals in het eerst. 10 En van die dagen af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israël; en heb al uw vijanden vernederd; ook heb Ik u te kennen gegeven, dat u JAHWEH een huis bouwen zal. 11 En het zal gebeuren, als uw dagen zullen vervuld zijn, dat u heengaat tot uw vaders, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw zonen zijn zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. 12 Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in de eeuwigheid. 13 Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, zoals Ik die weggenomen heb van die, die voor u geweest is; 14 Maar Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. 15 Naar al deze woorden, en naar dit hele visioen, zo sprak Nathan tot David. 16 Toen kwam de koning David in, en bleef voor het aangezicht van JAHWEH, en hij zei: Wie ben ik, JAHWEH God, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 17 En dit is klein in Uw ogen geweest, o God! daarom hebt U van het huis van Uw knecht tot van verre heen gesproken, en U hebt mij naar menselijke wijze voorzien met deze verhoging, o JAHWEH God! 18 Wat zal David meer bij U daartoe voegen, vanwege de eer aan Uw knecht? Maar U kent Uw knecht wel. 19 JAHWEH, omwille van uw knecht, en naar Uw hart, hebt U al deze grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken. 20 JAHWEH, er is niemand zoals U, en er is geen God behalve U, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben. 21 En wie is als Uw volk Israël, één enig volk op de aarde, dat God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat U Zich een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht van Uw volk, dat U uit Egypte verlost hebt? 22 En U hebt Uw volk Israël U tot volk gemaakt tot in de eeuwigheid; en U, JAHWEH, bent hun tot een God geworden. 23 Nu dan, JAHWEH, het woord, dat U over Uw knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, zoals U gesproken hebt. 24 Ja, het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, is Israëls God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht. 25 Want U, mijn God, hebt voor het oor van Uw knecht geopenbaard, dat U hem een huis bouwen zou; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht te bidden. 26 Nu dan, JAHWEH, U bent die God; en U hebt dit goede over Uw knecht gesproken. 27 Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want U, JAHWEH, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid. ### 1 Kronieken 18 1 Het gebeurde nu na deze, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onder bracht; en hij nam Gath, en haar bijbehorende plaatsen, uit de hand van de Filistijnen. 2 Hij sloeg ook de Moabieten, zo dat de Moabieten Davids knechten werden, en brachten geschenken. 3 David sloeg ook Hadar-ezer, de koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath. 4 En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagenpaarden; maar hij behield honderd wagens daarvan over. 5 En de Syriërs van Damascus kwamen, om Hadar-ezer, de koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriërs twee en twintig duizend man. 6 En David legde bezetting in Syrië van Damascus, zo dat de Syriërs Davids knechten werden, en brachten geschenken. En JAHWEH behoedde David overal, waar hij heenging. 7 En David nam de gouden schilden, die bij Hadar-ezers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem. 8 Ook nam David zeer veel koper uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen voorwerpen gemaakt. 9 Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de hele legermacht van Hadar-ezer, de koning van Zoba, geslagen had; 10 Zo zond hij zijn zoon Hadoram tot de koning David, om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had (want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou), en alle gouden, en zilveren, en koperen voorwerpen; 11 Deze heiligde de koning David ook JAHWEH, met het zilver en het goud, dat hij medegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten. 12 Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend. 13 En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en JAHWEH behoedde David overal, waar hij heenging. 14 Zo regeerde David over geheel Israël, en hij deed zijn hele volk recht en gerechtigheid. 15 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het leger; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier; 16 En Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en Sausa schrijver; 17 En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eerste aan de hand van de koning. ### 1 Kronieken 19 1 En het gebeurde na deze, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, stierf, en zijn zoon werd koning in zijn plaats. 2 Toen zei David: Ik zal goedertierenheid doen aan Hanun, de zoon van Nahas; want zijn vader heeft goedertierenheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden, om hem te troosten over zijn vader. Toen de knechten van David in het land van de kinderen Ammons tot Hanun kwamen, om hem te troosten, 3 Zo zeiden de vorsten van de kinderen Ammons tot Hanun: Eer David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijn knechten tot u gekomen, om te doorzoeken, en om om te keren, en om het land te bespioneren? 4 Daarom nam Hanun de knechten van David, en hij schoor hen, en sneed hun kleren half af tot aan de heupen, en liet hen heengaan. 5 Zij nu gingen heen, en men boodschapte David van deze mannen; en hij zond hun tegemoet; want die mannen waren zeer beschaamd. De koning dan zei: Blijf te Jericho, totdat uw baard weer gegroeid is; kom dan opnieuw. 6 Toen de kinderen Ammons zagen, dat zij zich in kwade reuk gebracht hadden bij David, zo zond Hanun en de kinderen Ammons duizend talenten zilver, om zich wagens en ruiters te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maächa, en uit Zoba; 7 Zodat zij zich huurden twee en dertig duizend wagens; en de koning van Maächa en zijn volk kwamen en sloegen hun kamp op voor Medeba; ook verzamelden de kinderen Ammons uit hun steden, en zij kwamen ten strijde. 8 Toen het David hoorde, zo zond hij Joab en het hele leger met de helden. 9 Als de kinderen Ammons uitgetogen waren, zo stelden zij de slagorde voor de poort van de stad; maar de koningen, die gekomen waren, die waren bijzonder in het veld. 10 Toen Joab zag, dat de spits van de slagorde van voren en van achteren tegen hem was, zo verkoos hij enige uit alle uitgelezenen in Israël, en hij stelde hen in orde tegen de Syriërs aan. 11 En het overige van het volk gaf hij in de hand van zijn broer Abisai, en zij stelden hen in orde tegen de kinderen Ammons aan. 12 En hij zei: Als mij de Syriërs te sterk worden, zo zult u mij komen verlossen; en als de kinderen Ammons u te sterk worden, zo zal ik u verlossen. 13 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden van onze God; JAHWEH nu doe, wat goed is in Zijn ogen. 14 Toen naderde Joab en het volk, dat bij hem was, ten strijde voor het aangezicht van de Syriërs; en zij vluchtten voor zijn aangezicht. 15 Toen de kinderen Ammons zagen, dat de Syriërs vluchtten, zo vluchtten zij ook voor het aangezicht van Abisai, zijn broer, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem. 16 Als de Syriërs zagen, dat zij voor het aangezicht van Israël geslagen waren, zo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uit, die aan de overzijde van de rivier woonden; en Sofach, de oorlogsoverste van Hadar-ezer, trok voor hun aangezicht heen. 17 Toen het David werd aangezegd, zo verzamelde hij geheel Israël, en hij trok over de Jordaan, en hij kwam tot hen, en hij stelde de slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zo streden zij met hem. 18 Maar de Syriërs vluchtten voor het aangezicht van Israël, en David versloeg van de Syriërs zeven duizend wagens, en veertig duizend mannen te voet; daartoe doodde hij Sofach, de oorlogsoverste. 19 Toen de knechten van Hadar-ezer zagen, dat zij geslagen waren, voor het aangezicht van Israël, zo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en de Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen. ### 1 Kronieken 20 1 Het gebeurde nu ten tijde van het aanbreken van het nieuwe jaar, ten tijde als de koningen uittrokken, zo voerde Joab de legermacht, en hij verdierf het land van de kinderen Ammons; en hij kwam, en belegerde Rabba; maar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba, en verwoestte ze. 2 En David nam de kroon van hun koning van zijn hoofd, en hij bevond haar in gewicht een talent goud, en daar was edelgesteente aan; en zij werd op Davids hoofd gezet, en hij voerde zeer veel roof uit de stad. 3 Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en zo deed David aan al de steden van de kinderen Ammons. Toen keerde David opnieuw met al het volk naar Jeruzalem. 4 En het gebeurde daarna, als de oorlog met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten onder gebracht. 5 Daarna was er nog een strijd tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jaïr, versloeg Lachmi, de broer van Goliath, de Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom. 6 Daarna was er nog een strijd te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingers waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren; 7 En hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van Simea, de broer van David, versloeg hem. 8 Deze waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand van zijn knechten. ### 1 Kronieken 21 1 Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan, dat hij Israël telde. 2 En David zei tot Joab en tot de oversten van het volk: Ga heen, tel Israël van Ber-seba tot Dan toe, en breng hen tot mij, dat ik hun getal wete. 3 Toen zei Joab: JAHWEH doe tot Zijn volk, zoals zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israël tot schuld worden? 4 Maar het woord van de koning nam de overhand tegen Joab; daarom trok Joab uit, en hij doorwandelde geheel Israël; daarna kwam hij weer te Jeruzalem. 5 En Joab gaf David het aantal van het getelde volk; en geheel Israël was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken. 6 Maar Levi en Benjamin telde hij daaronder niet; want het woord van de koning was Joab een gruwel. 7 En deze zaak was kwaad in de ogen van God; daarom sloeg Hij Israël. 8 Toen zei David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad van Uw knecht weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld. 9 JAHWEH nu sprak tot Gad, de ziener van David, zeggende: 10 Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Drie dingen leg Ik u voor; kies u één uit die, dat Ik u doe. 11 En Gad kwam tot David, en zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Neem u uit: 12 Of drie jaar honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenstander, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard van JAHWEH, dat is, de pest in het land, en een verdervende engel van JAHWEH in al het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Die zal wedergeven, Die mij gezonden heeft. 13 Toen zei David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand van JAHWEH vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand van de mensen niet vallen. 14 JAHWEH dan gaf pest in Israël; en er vielen van Israël zeventig duizend man. 15 En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag JAHWEH, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zei tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel van JAHWEH nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 16 Als David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel van JAHWEH, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten. 17 En David zei tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O JAHWEH, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis van mijn vader zij, maar niet tegen Uw volk ter plaag. 18 Toen zei de engel van JAHWEH tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om JAHWEH een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 19 Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in de Naam van JAHWEH gesproken had. 20 Toen zich Ornan wendde, zo zag hij de engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verborgen zich; en Ornan dorste tarwe. 21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit de dorsvloer, en boog zich neer voor David, met het aangezicht ter aarde. 22 En David zei tot Ornan: Geef mij de plaats van de dorsvloer, dat ik daarop JAHWEH een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plaag opgehouden wordt van over het volk. 23 Toen zei Ornan tot David: Neem ze maar heen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandoffers, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot voedseloffer; ik geef het al. 24 En de koning David zei tot Ornan: Nee, maar ik zal het zeker kopen voor het volle geld; want ik zal voor JAHWEH niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere. 25 En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkels van gewicht. 26 Toen bouwde David daar JAHWEH een altaar, en hij offerde brandoffers en dankoffers. Als hij JAHWEH aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit de hemel, op het brandofferaltaar. 27 En JAHWEH zei tot de engel, dat hij zijn zwaard weer in zijn schede steken zou. 28 In die tijd, toen David zag, dat JAHWEH hem geantwoord had op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet, zo offerde hij daar; 29 Want de tabernakel van JAHWEH, die Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar van het brandoffer, was in die tijd op de hoogte te Gibeon. 30 David nu kon niet voor dat altaar heengaan, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van de engel van JAHWEH. ### 1 Kronieken 22 1 En David zei: Hier zal het huis van God van JAHWEH zijn, en hier zal het altaar van het brandoffer voor Israël zijn. 2 En David zei, dat men verzamelen zou de vreemdelingen, die in het land van Israël waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, die men behouwen zou, om het huis van God te bouwen. 3 En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren van de poorten, en tot de samenvoegingen; ook koper in menigte, zonder gewicht; 4 En cederhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederhout in menigte. 5 Want David zei: Mijn zoon Salomo is een jongeling en zwak; en het huis, dat men JAHWEH bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Zo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood. 6 Toen riep hij zijn zoon Salomo, en gebood hem JAHWEH, de God van Israël, een huis te bouwen. 7 En David zei tot Salomo: Mijn zoon, wat mij betreft, het was in mijn hart de Naam van JAHWEH, van mijn God, een huis te bouwen; 8 Maar het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: U hebt bloed in menigte vergoten, want u hebt grote krijgen gevoerd; u zult Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u veel bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt. 9 Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man van de rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom heen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. 10 Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal de troon van zijn rijk over Israël bevestigen tot in eeuwigheid. 11 Nu, mijn zoon, JAHWEH zal met u zijn, en u zult voorspoedig zijn, en zult het huis van JAHWEH, van uw God, bouwen, zoals Hij van u gesproken heeft. 12 Alleen JAHWEH geve u kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet van JAHWEH, van uw God. 13 Dan zult u voorspoedig zijn, als u waarnemen zult te doen de voorschriften en de rechten, die JAHWEH aan Mozes geboden heeft over Israël. Wees sterk en heb goede moed, vrees niet, en wees niet verslagen! 14 Zie daar, ik heb in mijn verdrukking voor het huis van JAHWEH bereid honderd duizend talenten goud, en duizend maal duizend talenten zilver; en van het koper en van het ijzer is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe u er nog meer bij. 15 Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze mensen in allerlei werk. 16 Van het goud, van het zilver, en van het koper, en van het ijzer is geen getal; maak u op, en doe het, en JAHWEH zal met u zijn. 17 Ook gebood David aan alle vorsten van Israël, dat zij zijn zoon Salomo helpen zouden, zeggende: 18 Is niet JAHWEH, uw God, met u, en heeft u rust gegeven rondom heen? Want Hij heeft de inwoners van het land in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht van JAHWEH, en voor het aangezicht van Zijn volk. 19 Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken JAHWEH, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom van God van JAHWEH; dat men de ark van het verbond van JAHWEH en de heilige voorwerpen Gods in dit huis brenge, dat voor de Naam van JAHWEH zal gebouwd worden. ### 1 Kronieken 23 1 Toen nu David oud was en verzadigd van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israël. 2 En hij verzamelde al de vorsten van Israël, ook de priesters en de Levieten. 3 En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend. 4 Uit deze waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis van JAHWEH aan te drijven; en zes duizend voormannen en rechters; 5 En vier duizend poortwachters, en vier duizend lofzangers van JAHWEH, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zei David, om lof te zingen. 6 En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari. 7 Uit de Gersonieten waren Ladan en Simeï. 8 De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël, het hoofd, en Zetham, en Joël; drie. 9 De kinderen van Simeï waren Selomith, en Haziël, en Haran, drie; deze waren de familiehoofden van Ladan. 10 De kinderen van Simeï nu waren Jahath, Zina, en Jeus, en Beria; deze waren de kinderen van Simeï; vier. 11 En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van één telling. 12 De kinderen van Kehath waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël; vier. 13 De kinderen van Amram waren Aäron en Mozes. Aäron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht van JAHWEH, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen. 14 Voor wat betreft Mozes, de man van God, zijn kinderen werden genoemd onder de stam van Levi. 15 De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliëzer. 16 Van de kinderen van Gersom was Sebuël het hoofd. 17 De kinderen van Eliëzer nu waren deze: Rehabja het hoofd; en Eliëzer had geen andere kinderen, maar de kinderen van Rehabja vermeerderden ten hoogste. 18 Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd. 19 Voor wat betreft de kinderen van Hebron: Jeria was het hoofd, Amarja de tweede, Jahaziel de derde, en Jekameam de vierde. 20 Voor wat betreft de kinderen van Uzziël: Micha was het hoofd, en Jissia de tweede. 21 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis. 22 En Eleazar stierf, en hij had geen zonen, maar dochters; en de kinderen van Kis, haar broers, namen ze. 23 De kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth; drie. 24 Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis van hun vaders, de familiehoofden, naar hun gerekenden in het getal van de namen naar hun hoofden, doende het werk van de dienst van het huis van JAHWEH van twintig jaar oud en daarboven. 25 Want David had gezegd: JAHWEH, de God van Israël, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid. 26 En ook voor wat betreft de Levieten, dat zij de tabernakel, noch enig van zijn gereedschap, tot zijn dienst behorende, niet meer zouden dragen. 27 Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaar oud en daarboven; 28 Omdat hun standplaats was aan de hand van de zonen van Aäron in de dienst van het huis van JAHWEH, over de voorhoven, en over de kamers, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van de dienst van het huis van God; 29 Te weten tot het brood van de toerichting, en tot de meelbloem als voedseloffer, en tot ongezuurde platte koeken, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting; 30 En om elke morgen te staan, om JAHWEH te loven en te prijzen; en evenzo 's avonds; 31 En tot al het offeren van de brandoffers van JAHWEH, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, steeds, voor het aangezicht van JAHWEH; 32 En dat zij de taak van de tent van de samenkomst zouden waarnemen, en de taak van het heiligdom, en de taak van de zonen van Aäron, hun broers, in de dienst van het huis van JAHWEH. ### 1 Kronieken 24 1 Voor wat betreft de kinderen van Aäron, dit waren hun verdelingen. De zonen van Aäron waren Nadab, en Abihu, Eleazar en Ithamar. 2 Maar Nadab stierf, en Abihu, voor het aangezicht van hun vader, en zij hadden geen kinderen. En Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt. 3 David nu verdeelde hen, en Zadok uit de kinderen van Eleazar, en Abimelech uit de kinderen van Ithamar, naar hun ambt in hun dienst. 4 En van de kinderen van Eleazar werden meer gevonden tot hoofden van de mannen, dan van de kinderen van Ithamar, als zij hen afdeelden; van de kinderen van Eleazar waren zestien hoofden van de vaderlijke huizen, maar van de kinderen van Ithamar, naar hun vaderlijke huizen, acht. 5 En zij deelden hen door loten af, deze met anderen; want de oversten van het heiligdom en de oversten Gods waren uit de kinderen van Eleazar en van de kinderen van Ithamar. 6 En Semaja, de zoon van Nethaneël, de schrijver, uit de Levieten, schreef hen op, voor het aangezicht van de koning, en van de vorsten, en van de priester Zadok, en van Achimelech, de zoon van Abjathar, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; één vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en evenzo werd genomen voor Ithamar. 7 Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja, 8 Het derde voor Harim, het vierde voor Seorim, 9 Het vijfde voor Malchia, het zesde voor Mijamin, 10 Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia, 11 Het negende voor Jesua, het tiende voor Sechanja, 12 Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim, 13 Het dertiende voor Huppa, het veertiende voor Jesebeab, 14 Het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor Immer, 15 Het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happizzes, 16 Het negentiende voor Petahja, het twintigste voor Jehezkel, 17 Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul, 18 Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maäzja. 19 Het ambt van deze in hun dienst was te gaan in het huis van JAHWEH, naar hun ordening door de hand van Aäron, van hun vader; zoals hem JAHWEH, de God van Israël, geboden had. 20 Van de overige kinderen van Levi nu, was van de kinderen van Amram Subael, van de kinderen van Subael was Jechdeja. 21 Voor wat betreft Rehabja: van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd. 22 Van de Jizharieten was Selomoth; van de kinderen van Selomoth was Jahath. 23 En van de kinderen van Hebron was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde, Jekameam de vierde. 24 Van de kinderen van Uzziël was Micha; van de kinderen van Micha was Samir; 25 De broer van Micha was Jissia; van de kinderen van Jissia was Zecharja. 26 De kinderen van Merari waren Maheli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno. 27 De kinderen van Merari van Jaazia waren Beno, en Soham, en Zakkur, en Hibri. 28 Van Maheli was Eleazar; en die had geen kinderen. 29 Voor wat betreft Kis: de kinderen van Kis waren Jerahmeël. 30 En de kinderen van Musi waren Maheli, en Eder, en Jeremoth. Deze zijn de kinderen van de Levieten, naar hun vaderlijke huizen. 31 En zij wierpen ook loten, naast hun broers, de zonen van Aäron, voor het aangezicht van de koning David, en Zadok, en Achimelech, en van de familiehoofden onder de priesters en onder de Levieten; het hoofd van de vaders tegen zijn kleinste broer. ### 1 Kronieken 25 1 En David, en ook de oversten van het leger, scheidde af tot de dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst. 2 Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan de handen van de koning profeteerde. 3 Voor wat betreft Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met JAHWEH te danken en te loven. 4 Voor wat betreft Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth. 5 Deze allen waren kinderen van Heman, de ziener van de koning, in de woorden van God, om de hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven, en drie dochters. 6 Deze waren allemaal aan de handen van hun vader gesteld tot het gezang van het huis van JAHWEH, op cimbalen, luiten, en harpen, tot de dienst van het huis van God, aan de handen van de koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman. 7 En hun getal met hun broers, die geleerd waren in het gezang van JAHWEH, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig. 8 En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkaar, zo de kleinen, als de groten, de meester met de leerling. 9 Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Het tweede voor Gedalja; hij en zijn broers, en zijn zonen, waren twaalf. 10 Het derde voor Zakkur; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 11 Het vierde voor Jizri; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 12 Het vijfde voor Nethanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 13 Het zesde voor Bukkia; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 14 Het zevende voor Jesarela; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 15 Het achtste voor Jesaja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 16 Het negende voor Mattanja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 17 Het tiende voor Simeï; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 18 Het elfde voor Azareël; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 19 Het twaalfde voor Hasabja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 20 Het dertiende voor Subael; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 21 Het veertiende voor Mattithja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 22 Het vijftiende voor Jeremoth; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 23 Het zestiende voor Hananja; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 24 Het zeventiende voor Josbekasa; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 25 Het achttiende voor Hanani; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 26 Het negentiende voor Mallothi; zijn zonen en zijn broers; twaalf. 27 Het twintigste voor Eliatha; zijn zonen en zijn broers; twaalf. 28 Het een en twintigste voor Hothir; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 29 Het twee en twintigste voor Giddalti; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 30 Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broers, twaalf. 31 Het vier en twintigste voor Romamthi-ezer; zijn zonen en zijn broers, twaalf. ### 1 Kronieken 26 1 Voor wat betreft de verdelingen van de poortwachters: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf. 2 Meselemja nu had kinderen; Zecharja was de eerstgeborene, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde, 3 Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljeöenai de zevende. 4 Obed-Edom had ook kinderen: Semaja was de eerstgeborene, Jozabad de tweede, Joah de derde, en Sachar de vierde, en Nethaneël de vijfde. 5 Ammiël de zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend. 6 Ook werden zijn zoon Semaja kinderen geboren, heersende over het huis van hun vader; want zij waren strijdbare helden. 7 De kinderen van Semaja waren Othni, en Refael, en Obed, en Elzabad, zijn broers, kloeke mensen; Elihu, en Semachja. 8 Deze allen waren uit de kinderen van Obed-Edom; zij, en hun kinderen, en hun broers, kloeke mannen in kracht tot de dienst; daar waren er twee en zestig van Obed-Edom. 9 Meselemja nu had kinderen en broers, kloeke mensen, achttien. 10 En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen; Simri was het hoofd; (alhoewel hij de eerstgeborene niet was, toch stelde hem zijn vader tot een hoofd). 11 Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zecharja de vierde; al de kinderen en broers van Hosa waren dertien. 12 Uit deze waren de verdelingen van de poortwachters onder de hoofden van de mannen, tot de wachten tegen hun broers, om te dienen in het huis van JAHWEH. 13 En zij wierpen de loten, zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen, tot elke poort. 14 Het lot nu tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden; 15 Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis van de schatkameren. 16 Suppim en Hosa tegen het westen, met de poort Schallechet, bij de opgaande hoge weg, wacht tegenover wacht. 17 Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden overdag vier; tegen het zuiden overdag vier; maar bij de schatkameren twee en twee. 18 Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij de hoge weg, twee bij Parbar. 19 Dit zijn de verdelingen van de poortwachters van de kinderen van de Korahieten, en van de kinderen van Merari. 20 Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis van God, en over de schatten van de geheiligde dingen. 21 Van de kinderen van Ladan, kinderen van de Gersoniet Ladan; van Ladan, de Gersoniet, waren familiehoofden Jehiëli. 22 De kinderen van Jehiëli waren Zetham en Joël, zijn broer; deze waren over de schatten van het huis van JAHWEH. 23 Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzziëlieten, 24 En Sebuël, de zoon van Gersom, de zoon van Mozes, was overste over de schatten. 25 Maar zijn broers van Eliëzer waren deze: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon. 26 Deze Selomith en zijn broers waren over al de schatten van de heilige dingen, die de koning David geheiligd had, en ook de familiehoofden, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten van het leger; 27 Van de oorlogen en van de buit hadden zij het geheiligd, om het huis van JAHWEH te onderhouden. 28 Ook alles, wat Samuël, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broers. 29 Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israël, tot voormannen en tot rechters. 30 Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broers, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israël op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk van JAHWEH, en tot de dienst van de koning. 31 Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten van zijn geslachten onder de vaders; in het veertigste jaar van het koninkrijk van David zijn er gezocht en onder hen gevonden strijdbare helden in Jaëzer in Gilead. 32 En zijn broers waren kloeke mensen, twee duizend en zevenhonderd familiehoofden; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en de halve stam van de Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken van de koning. ### 1 Kronieken 27 1 Dit nu zijn de Israëlieten naar hun getal, de familiehoofden, en de oversten van de duizenden en van de honderden, met hun voormannen, de koning dienende in alle zaken van de verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden van het jaar; elke verdeling was vier en twintig duizend. 2 Over de eerste verdeling in de eerste maand was Jasobam, de zoon van Zabdiël; en in zijn verdeling waren er vier en twintig duizend. 3 Hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van al de oversten van de legers in de eerste maand. 4 En over de verdeling in de tweede maand was Dodai, de Ahohiet, en over zijn verdeling was Mikloth ook voorganger; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 5 De derde overste van het leger in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, de opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 6 Deze Benaja was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijn verdeling was Ammizabad, zijn zoon. 7 De vierde, in de vierde maand, was Asahel, de broer van Joab, en na hem Zebadja, zijn zoon; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 8 De vijfde, in de vijfde maand, was Samhuth, de Jizrahiet, de overste; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 9 De zesde, in de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 10 De zevende, in de zevende maand, was Helez, de Peloniet, uit de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 11 De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 12 De negende, in de negende maand, was Abiezer, de Anathothiet; van de Benjaminieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 13 De tiende, in de tiende maand, was Maharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 14 De elfde, in de elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraïm; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniël; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend. 16 Maar over de stammen van Israël waren deze: over de Rubenieten was Eliëzer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maächa; 17 Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuël; over de Aäronieten was Zadok; 18 Over Juda was Elihu, uit de broers van David; over Issaschar was Omri, de zoon van Michaël; 19 Over Zebulon was Jismaja, de zoon van Obadja; over Nafthali was Jerimoth, de zoon van Azriël; 20 Over de kinderen van Efraïm was Hosea, de zoon van Azazja; over de halve stam van Manasse was Joël, de zoon van Pedaja; 21 Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner; 22 Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Deze waren de oversten van de stammen van Israël. 23 Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaar oud en daar beneden waren; omdat JAHWEH gezegd had, dat Hij Israël vermenigvuldigen zou als de sterren van de hemel. 24 Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voltooide het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening van de kronieken van de koning David. 25 En over de schatten van de koning was Azmaveth, de zoon van Adiël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jonathan, de zoon van Uzzia. 26 En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Ezri, de zoon van Chelub. 27 En over de wijngaarden was Simeï, de Ramathiet; maar over wat dat van de wijnstokken kwam tot de schatten van de wijn, was Zabdi, de Sifmiet. 28 En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baäl-Hanan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten van de olie. 29 En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai. 30 En over de kamelen was Obil, de Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet. 31 En over het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle deze waren oversten over de bezittingen, die de koning David had. 32 En Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook schrijver; Jehiël nu, de zoon van Hachmoni, was bij de zonen van de koning. 33 En Achitofel was raad van de koning; en Husai, de Archiet, was de vriend van de koning. 34 En na Achitofel was Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was de krijgsoverste van de koning. ### 1 Kronieken 28 1 Toen verzamelde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten van de stammen, en de oversten van de verdelingen, de koning dienende, en de oversten van de duizenden, en de oversten van de honderden, en de oversten van alle bezittingen en vee van de koning en van zijn zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, elke kloeke held. 2 En de koning David stond op zijn voeten, en hij zei: Hoor mij, mijn broers, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis van de rust voor de ark van het verbond van JAHWEH te bouwen, en voor de voetbank van de voeten van onze God, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen. 3 Maar God heeft tot mij gezegd: U zult Mijn Naam geen huis bouwen, want u bent een soldaat, en u hebt veel bloed vergoten. 4 Nu heeft mij JAHWEH, de God van Israël, gekozen uit heel het huis van mijn vader, dat ik tot koning over Israël wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger gekozen, en het huis van mijn vader in het huis van Juda; en onder de zonen van mijn vader heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij tot koning maakte over geheel Israël. 5 En uit al mijn zonen (want JAHWEH heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo gekozen, dat hij zitten zou op de stoel van het koninkrijk van JAHWEH over Israël. 6 En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn. 7 En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, als hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, zoals te deze dage. 8 Nu dan, voor de ogen van het hele Israël, de gemeente van JAHWEH, en voor de oren van onze God, houdt en zoekt al de geboden van JAHWEH, van uw God; opdat u dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven. 9 En u, mijn zoon Salomo, ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want JAHWEH doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het maaksel van de gedachten; als u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar als u Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten. 10 Zie nu toe, want JAHWEH heeft u gekozen, dat u een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het. 11 En David gaf zijn zoon Salomo een ontwerp van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis van het verzoendeksel; 12 En een ontwerp van alles, wat bij hem door de Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis van JAHWEH, en van alle kamers rondom; tot de schatten van het huis van God, en tot de schatten van de heilige dingen; 13 En van de verdelingen van de priesters en van de Levieten, en van alle werk van de dienst van het huis van JAHWEH, en van alle voorwerpen van de dienst van het huis van JAHWEH. 14 Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle voorwerpen van elke dienst; ook zilver tot alle zilveren voorwerpen bij gewicht, tot al de voorwerpen van elke dienst; 15 En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elke kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar de dienst van elke kandelaar. 16 Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen van de toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen; 17 En louter goud tot de vleeshaken, en tot de sprengbekkens, en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het gewicht tot elke beker, evenzo tot zilveren bekers, tot elke beker het gewicht; 18 En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld van de wagen, te weten van de cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark van het verbond van JAHWEH overdekken. 19 Dit alles heeft men mij, zei David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand van JAHWEH, te weten al de werken van dit voorbeeld. 20 En David zei tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goede moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want God JAHWEH, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, voordat u al het werk tot de dienst van het huis van JAHWEH zult volbracht hebben. 21 En zie, daar zijn de verdelingen van de priesters en van de Levieten, tot alle dienst van het huis van God; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot alle dienst, ook de vorsten, en het hele volk, bereid tot al uw bevelen. ### 1 Kronieken 29 1 Verder zei de koning David tot de hele gemeente: God heeft mijn zoon Salomo alleen gekozen, een jongeling en zwak; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, JAHWEH. 2 Ik heb nu uit al mijn kracht bereid tot het huis van mijn God, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardonixstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en marmerstenen in menigte. 3 En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis van mijn God, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis van mijn God daarenboven, naast al wat ik in het huis van het heiligdom bereid heb; 4 Drie duizend talenten goud, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden van de huizen te overtrekken; 5 Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren voorwerpen, en tot alle werk, door de hand van de werkmeesteren te maken. En wie is er gewillig, vandaag zijn hand JAHWEH te vullen? 6 Toen gaven vrijwillig de oversten van de vaders, en de oversten van de stammen van Israël, en de oversten van de duizenden en van de honderden, en de oversten van het werk van de koning; 7 En zij gaven, tot de dienst van het huis van God, vijf duizend talenten goud, en tien duizend drachmen, en tien duizend talenten zilver, en achttien duizend talenten kopers, en honderd duizend talenten ijzers. 8 En bij wie stenen gevonden werden, die gaven zij in de schat van het huis van JAHWEH, onder de hand van Jehiël, de Gersoniet. 9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart JAHWEH vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap. 10 Daarom loofde David JAHWEH voor de ogen van de hele gemeente; en David zei: Geloofd bent U, JAHWEH, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! 11 Uw, o JAHWEH, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in de hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o JAHWEH, is het Koninkrijk, en U hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. 12 En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en U heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. 13 Nu dan, onze God, wij danken U, en loven de Naam van Uw heerlijkheid. 14 Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand. 15 Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, zoals al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting. 16 JAHWEH, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, de Naam van Uw heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles Uw. 17 En ik weet, mijn God, dat U het hart proeft, en dat U een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtheid van mijn hart al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich tegenover U vrijwillig gedragen heeft. 18 O JAHWEH, U, God van onze vaders, Abraham, Izak en Israël, bewaar dit in de eeuwigheid in de zin van de gedachten van het hart van Uw volk, en richt hun hart tot U. 19 En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw voorschriften; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, dat ik bereid heb. 20 Daarna zei David tot de hele gemeente: Loof nu JAHWEH, uw God! Toen loofde de hele gemeente JAHWEH, de God van hun vaders; en zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neer voor JAHWEH, en voor de koning. 21 En zij offerden JAHWEH slachtoffers; ook offerden zij JAHWEH brandoffers, op de andere morgen van die dag, duizend stieren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankoffers; en slachtoffers in menigte, voor geheel Israël. 22 En zij aten en dronken op diezelfde dag voor het aangezicht van JAHWEH met grote vreugde; en zij maakten Salomo, de zoon van David, voor de tweede keer koning, en zij zalfden hem JAHWEH tot voorganger, en Zadok tot priester. 23 Zo zat Salomo op de troon van JAHWEH, als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig; en geheel Israël hoorde naar hem. 24 En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van de koning David, gaven de hand, dat zij onder de koning Salomo zijn zouden. 25 En JAHWEH maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van geheel Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zoals aan geen koning van Israël voor hem geweest is. 26 Zo heeft dan David, de zoon van Isaï, geregeerd over geheel Israël. 27 De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig. 28 En hij stierf in goede ouderdom, verzadigd van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats. 29 De geschiedenissen nu van de koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuël, de ziener, en in de geschiedenissen van de profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, de ziener; 30 Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israël, en over al de koninkrijken van de landen. ## 2 Kronieken ### 2 Kronieken 1 1 En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want JAHWEH, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot. 2 En Salomo sprak tot het hele Israël, tot de oversten van de duizenden en van de honderden, en tot de richteren, en tot alle oversten in geheel Israël, de familiehoofden; 3 En zij gingen heen, Salomo en de hele gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent van de samenkomst Gods, die Mozes, de knecht van JAHWEH, in de woestijn gemaakt had. 4 (Maar de ark van God had David van Kirjath-jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.) 5 Ook was het koperen altaar, dat Bezaleël, de zoon van Uri, de zoon van Hur, gemaakt had, daar voor de tabernakel van JAHWEH; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelfde. 6 En Salomo offerde daar, voor het aangezicht van JAHWEH, op het koperen altaar, dat aan de tent van de samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandoffers. 7 In die nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zei tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal. 8 En Salomo zei tot God: U hebt aan mijn vader David grote goedertierenheid gedaan; en U hebt mij koning gemaakt in zijn plaats; 9 Nu, JAHWEH God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want U hebt mij koning gemaakt over een volk, veelvuldig als het stof van de aarde; 10 Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten? 11 Toen zei God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en u niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel van uw vijanden, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat u Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb; 12 De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. 13 Zo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent van de samenkomst; en hij regeerde over Israël. 14 En Salomo verzamelde wagens en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagens, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. 15 En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte. 16 En het uitbrengen van de paarden was wat Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden van de koning namen het linnengaren voor de prijs. 17 En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkels zilver, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en zo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen van de Hethieten, en voor de koningen van Syrië. ### 2 Kronieken 2 1 Salomo nu dacht voor de Naam van JAHWEH een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk. 2 En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; en ook drie duizend en zeshonderd opzichters daarover. 3 En Salomo zond tot Huram, de koning van Tyrus, zeggende: Zoals u met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij. 4 Zie, ik zal een huis voor de Naam van JAHWEH, van mijn God, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk van de geurende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting van het voortdurende brood, en voor de brandoffers 's morgens en 's avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden van JAHWEH, van onze God; dat voor eeuwig is in Israël. 5 En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden. 6 Maar wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, omdat de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, tenzij om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken? 7 Zo zend mij nu een wijze man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. 8 Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn. 9 En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn. 10 En zie, ik zal uw knechten, de houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie. 11 Huram nu, de koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat JAHWEH Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld. 12 Verder zei Huram: Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij de koning David een wijze zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor JAHWEH, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe! 13 Zo zend ik nu een wijze man, kloek van verstand, Huram Abi; 14 De zoon van een vrouw uit de dochters van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David. 15 Zo zend nu mijn heer zijn knechten de tarwe en de gerst, de olie en de wijn, die hij gezegd heeft. 16 En wij zullen hout houwen uit de Libanon, naar al uw behoefte, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en u zult het laten ophalen naar Jeruzalem. 17 En Salomo telde al de vreemde mannen, die in het land van Israël waren, achtervolgens de telling, waarmee zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd. 18 En hij maakte daaruit zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, en ook drie duizend en zeshonderd opzichters, om het volk te doen arbeiden. ### 2 Kronieken 3 1 En Salomo begon het huis van JAHWEH te bouwen te Jeruzalem, op de berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet. 2 Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op de tweede dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk. 3 En deze zijn de grondleggingen van Salomo, om het huis van God te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen. 4 En het voorhuis, dat vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; dat hij van binnen overtrok met louter goud. 5 Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtrok hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk. 6 Hij overtrok ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parvaim. 7 Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden. 8 Verder maakte hij het huis van het heilige van de heiligen, waarvan de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen was, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtrok dat met goed goud, tot zeshonderd talenten. 9 En het gewicht van de nagelen was tot vijftig sikkels goud; en hij overtrok de opperzalen met goud. 10 Ook maakte hij, in het huis van het heilige van de heiligen, twee cherubim van uittrekkend werk, en hij overtrok die met goud. 11 Voor wat betreft de vleugels van de cherubim, hun lengte was twintig ellen; de vleugel van de ene was van vijf ellen, rakende aan de wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan de vleugel van de andere cherub. 12 Ook was de vleugel van de andere cherub van vijf ellen, rakende aan de wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan de vleugel van de andere cherub. 13 De vleugels van deze cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts. 14 Hij maakte ook het voorhangsel van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop. 15 Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op hun hoofd was, was van vijf ellen. 16 Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden van de pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappels, en zette ze tussen de ketenen. 17 En hij richtte de pilaren op voor aan de tempel, één ter rechterhand, en één ter linkerhand; en hij noemde de naam van de rechter Jachin, en de naam van de linker Boaz. ### 2 Kronieken 4 1 Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte. 2 Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar ene rand tot haar andere rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom. 3 Daaronder nu was de gelijkenis van runderen, rondom heen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen van deze runderen waren in haar gieting gegoten. 4 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven daarop; en al hun achterdelen waren inwaarts. 5 Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van de rand van een beker of van een leliebloem, bevattende vele bathen; zij hield drie duizend. 6 En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechterhand en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen. 7 Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar hun wijze, en hij stelde ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand. 8 Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in de tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens. 9 Verder maakte hij het voorhof van de priesters, en het grote voorhof, en ook de deuren voor het voorhof, en overtrok hun deuren met koper. 10 De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden. 11 Daartoe maakte Huram de potten, en de scheppen, en de sprengbekkens; zo voltooide Huram het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo aan het huis van God maakte. 12 De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapitelen, op het hoofd van de pilaren; en de twee netten, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die op het hoofd van de pilaren waren; 13 En de vierhonderd granaatappels tot de twee netten: twee rijen van granaatappels tot elk net, om de twee bollen van de kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren. 14 Hij maakte ook de stellingen; en wasvaten maakte hij op de stellingen; 15 Één zee, en de twaalf runderen daaronder. 16 Ook de potten, en de scheppen, en de vleeshaken, en al hun voorwerpen maakte Huram Abi voor de koning Salomo, voor het huis van JAHWEH, van gepolijst koper. 17 In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredatha. 18 En Salomo maakte al deze voorwerpen, in grote menigte; want het gewicht van het koper werd niet onderzocht. 19 Ook maakte Salomo alle voorwerpen, die voor het huis van God waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbroden zijn; 20 En de kandelaren met hun lampen, van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, voor de aanspraakplaats; 21 En de bloemen, en de lampen, en de snuiters, van goud; het was het volmaaktste goud; 22 En ook de messen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; aangaande de ingang van het huis, zijn binnenste deuren, van het heilige van de heiligen, en de deuren van het huis van de tempel waren van goud. ### 2 Kronieken 5 1 Zo werd al het werk volbracht, dat Salomo aan het huis van JAHWEH maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de voorwerpen legde hij onder de schatten van het huis van God. 2 Toen verzamelde Salomo de oudsten van Israël, en al de hoofden van de stammen, de oversten van de vaders onder de Israëlieten, te Jeruzalem, om de ark van het verbond van JAHWEH op te brengen uit de stad van David, die is Sion. 3 En alle mannen van Israël verzamelden zich tot de koning op het feest, dat was in de zevende maand. 4 En al de oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen de ark op. 5 En zij brachten de ark, en de tent van de samenkomst omhoog, en ook al de heilige voorwerpen, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten omhoog. 6 De koning Salomo nu, en de hele vergadering van Israël, die bij hem verzameld waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden. 7 Zo brachten de priesters de ark van het verbond van JAHWEH tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige van de heiligen, tot onder de vleugels van de cherubim. 8 Want de cherubim spreidden de beide vleugels over de plaats van de ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven. 9 Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden van de handbomen gezien werden uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op deze dag. 10 Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als JAHWEH een verbond maakte met de Israëlieten, toen zij uit Egypte vertrokken waren. 11 En het gebeurde, als de priesters uit het heilige uitgingen; (want al de priesters, die gevonden werden, hadden zich geheiligd, zonder de verdelingen te houden; 12 En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hun zonen, en van hun broers, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten, en harpen, stonden tegen het oosten van het altaar, en met hen tot honderd en twintig priesters toe, trompettende met trompetten.) 13 Het gebeurde dan, als zij eenparig trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende JAHWEH; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij JAHWEH prezen, dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis van JAHWEH. 14 En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van God vervuld. ### 2 Kronieken 6 1 Toen zei Salomo: JAHWEH heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen. 2 En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning. 3 Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de hele gemeente van Israël; en de hele gemeente van Israël stond. 4 En hij zei: Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende: 5 Van die dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad gekozen uit alle stammen van Israël, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man gekozen om een voorganger te zijn over Mijn volk Israël. 6 Maar Ik heb Jeruzalem gekozen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David gekozen, dat hij over Mijn volk Israël wezen zou. 7 Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen voor de Naam van JAHWEH, van de God van Israël. 8 Maar JAHWEH zei tot mijn vader David: Omdat dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, u hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is. 9 Evenwel, u zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw middel voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen. 10 Zo heeft JAHWEH Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op de troon van Israël, zoals JAHWEH gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd voor de Naam van JAHWEH, van de God van Israël. 11 En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond van JAHWEH is, dat Hij maakte met de Israëlieten. 12 En hij stond voor het altaar van JAHWEH, tegenover de hele gemeente van Israël; en hij breidde zijn handen uit; 13 (Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden van de voorhof; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieën voor de hele gemeente van Israël, en breidde zijn handen uit naar de hemel). 14 En hij zei: JAHWEH, God van Israël, er is geen God zoals U, in de hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de goedertierenheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun hele hart wandelen; 15 Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat U tot hem gesproken had; want met Uw mond hebt U gesproken, en met Uw hand vervuld, zoals het te deze dage is. 16 En nu, JAHWEH, God van Israël, houd Uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op de troon van Israël; alleen zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, zoals u gewandeld hebt voor Mijn aangezicht. 17 Nu dan, o JAHWEH, God van Israël! Laat Uw woord waar worden, dat U gesproken hebt tot Uw knecht, tot David. 18 Maar werkelijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Zie de hemelen, ja, de hemel van de hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb? 19 Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o JAHWEH, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt. 20 Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, waarvan U gezegd hebt, Uw Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, dat Uw knecht bidden zal in deze plaats. 21 Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en hoor U uit de plaats van Uw woning, uit de hemel, ja, hoor, en vergeef. 22 Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en die hem een eed van de vloek opgelegd zal hebben, om zichzelf te vervloeken, en de eed van de vloek voor Uw altaar in dit huis komen zal; 23 Hoor U dan uit de hemel, en doe, en richt Uw knechten, vergeldende de goddeloze, door zijn weg op zijn hoofd te geven, en rechtvaardigende de rechtvaardige, door hem naar zijn gerechtigheid te geven. 24 Wanneer ook Uw volk Israël voor het aangezicht van de vijand zal geslagen worden, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich bekeren, en Uw Naam belijden, en voor Uw aangezicht in dit huis bidden en smeken zullen, 25 Hoor U dan uit de hemel, en vergeef de zonden van Uw volk Israël, en breng hen weer in het land, dat U hun en hun vaders gegeven hebt. 26 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als U hen geplaagd zult hebben; 27 Hoor U dan in de hemel, en vergeef de zonden van Uw knechten en van Uw volk Israël, als U hun zult geleerd hebben de goede weg, waarin zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat U Uw volk tot een erfenis gegeven hebt. 28 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en kevers wezen zullen, als iemand van zijn vijanden in het land van zijn poorten hem belegeren zal, of enige plaag, of enige ziekte wezen zal; 29 Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël gebeuren zal, als zij erkennen, een ieder zijn plaag en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal; 30 Hoor U dan uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, en vergeef, en geef ieder naar al zijn wegen, zoals U zijn hart kent; want U alleen kent het hart van de kinderen van de mensen. 31 Opdat zij U vrezen, om te wandelen in Uw wegen, al de dagen, die zij leven zullen op het land, dat U onze vaders gegeven hebt. 32 Zelfs ook voor wat betreft de vreemde, die van Uw volk Israël niet zijn zal, maar uit ver land, omwille van Uw grote Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekte arm, komen zal; als zij komen, en bidden zullen in dit huis; 33 Hoor U dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken van de aarde Uw Naam kennen, zo om U te vrezen, zoals Uw volk Israël, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, dat ik gebouwd heb. 34 Wanneer Uw volk in de oorlog tegen zijn vijanden uittrekken zal door de weg, die U hen heenzenden zult, en zullen tot U bidden naar de weg van deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; 35 Hoor dan uit de hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit. 36 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en U tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht van de vijand, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen als gevangene wegvoeren in een land, dat verre of nabij is; 37 En zij in het land, waar zij als gevangene weggevoerd zijn, weer aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land van hun gevangenis, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan, en goddeloos gehandeld; 38 En zij zich tot U bekeren, met hun hele hart en met hun hele ziel, in het land van hun gevangenis, waar zij hen als gevangene weggevoerd hebben, en bidden zullen naar de weg van hun land, dat U hun vaders gegeven hebt, en naar deze stad, die U gekozen hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb; 39 Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed en hun smekingen, en voer hun recht uit, en vergeef Uw volk, wat zij tegen U gezondigd zullen hebben. 40 Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed van deze plaats. 41 En nu, JAHWEH God, maak U op tot Uw rust, U en de ark van Uw kracht; laat Uw priesters, JAHWEH God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blij zijn. 42 O JAHWEH God! wend het aangezicht van Uw gezalfde niet af; gedenk aan de goedertierenheden van David, Uw knecht. ### 2 Kronieken 7 1 Als nu Salomo voltooid had te bidden, zo daalde het vuur van de hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; en de heerlijkheid van JAHWEH vervulde het huis. 2 En de priesters konden niet ingaan in het huis van JAHWEH; want de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld. 3 En als al de Israëlieten dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid van JAHWEH over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op de vloer, en aanbaden en loofden JAHWEH, dat Hij goedig is, dat Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. 4 De koning nu en al het volk offerden slachtoffers voor het aangezicht van JAHWEH. 5 En de koning Salomo offerde slachtoffers van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Zo hebben de koning en het hele volk het huis van God ingewijd. 6 Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten van JAHWEH, die de koning David gemaakt had, om JAHWEH te loven, dat Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en geheel Israël stond. 7 En Salomo heiligde het middelste van de voorhof, dat voor het huis van JAHWEH was, omdat hij daar de brandoffers en het vette van de dankoffers bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het voedseloffer, en het vette niet vatten. 8 Salomo hield ook in die tijd het feest zeven dagen, en geheel Israël met hem, een zeer grote gemeente, van de ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte. 9 En op de achtste dag hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding van het altaar zeven dagen, en het feest zeven dagen. 10 Maar op de drie en twintigste dag van de zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blij en goedsmoeds over het goede, dat JAHWEH aan David en Salomo, en Zijn volk Israël gedaan had. 11 Zo volbracht Salomo het huis van JAHWEH, en het huis van de koning; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis van JAHWEH en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit. 12 En JAHWEH verscheen Salomo in de nacht, en Hij zei tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats gekozen tot een offerhuis. 13 Zo Ik de hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik de sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zend; 14 En Mijn volk, over wie Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit de hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen. 15 Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed van deze plaats. 16 Want Ik heb nu dit huis gekozen en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar altijd zijn. 17 En wat u betreft, zo u voor Mijn aangezicht wandelen zult, zoals uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn voorschriften en Mijn rechten houden zult; 18 Zo zal Ik de troon van uw koninkrijk bevestigen, zoals Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heerse. 19 Maar zo u zich afkeren zult, en Mijn voorschriften en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult; 20 Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken. 21 En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft JAHWEH aan dit land en aan dit huis zo gedaan? 22 En men zal zeggen: Omdat zij JAHWEH, de God van hun vaders, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich daarvoor neergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht. ### 2 Kronieken 8 1 Het gebeurde nu na verloop van twintig jaren, waarin Salomo het huis van JAHWEH en zijn huis gebouwd had, 2 Dat Salomo de steden, die Huram hem gegeven had, bouwde, en de Israëlieten daar deed wonen. 3 Daarna trok Salomo naar Hamath-zoba, en hij overweldigde het. 4 Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de voorraadsteden, die hij bouwde in Hamath. 5 Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het lage Beth-horon, versterkte steden met muren, deuren en grendels; 6 En ook Baälath, en al de voorraadsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden van de ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in de Libanon, en in het hele land van zijn heerschappij. 7 Voor wat betreft al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israël waren; 8 Uit hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de Israëlieten niet verdaan hadden, die verplichtte Salomo tot slavenarbeid tot op deze dag. 9 Maar uit de Israëlieten, die Salomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren soldaten, en oversten van zijn bevelhebbers, en oversten van zijn wagens en van zijn ruiteren;) 10 Uit deze dan waren oversten van de bestelden, die de koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden. 11 Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad van David, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zei: Mijn vrouw zal in het huis van David, de koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, waartoe de ark van JAHWEH gekomen is. 12 Toen offerde Salomo JAHWEH brandoffers op het altaar van JAHWEH, dat hij voor het voorhuis gebouwd had; 13 Zelfs naar de eis van elke dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de vastgestelde hoogtijden, drie keer in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het wekenfeest, en op het feest van de loofhutten. 14 Hij stelde ook, naar de wijze van zijn vader David, de verdelingen van de priesters over hun dienst, en van de Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesters te dienen, naar de eis van elke dag; en de poortwachters in hun verdelingen, aan elke poort; want zo was het gebod van David, de man van God. 15 En men week niet van het gebod van de koning aan de priesters en de Levieten, aangaande alle zaken, en aangaande de schatten. 16 Zo werd al het werk van Salomo bereid tot de dag van de grondlegging van het huis van JAHWEH, en tot het volbrengen daarvan, dat het huis van JAHWEH volmaakt werd. 17 Toen trok Salomo naar Ezeon-geber, en naar Eloth, aan de oever van de zee, in het land Edom. 18 En Huram zond hem, door de hand van zijn knechten, schepen, en ook knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten goud, die zij brachten tot de koning Salomo. ### 2 Kronieken 9 1 En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar leger, en kamelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was. 2 En Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde. 3 Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had, 4 En het voedsel van zijn tafel, en het zitten van zijn knechten, en het staan van zijn dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis van JAHWEH, zo was in haar geen geest meer. 5 En zij zei tot de koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid. 6 En ik heb hun woorden niet geloofd, voordat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid van uw wijsheid is mij niet aangezegd; u hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb. 7 Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die steeds voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen. 8 Geloofd zij JAHWEH, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, voor JAHWEH, uw God, tot een koning te zetten; omdat uw God van Israël houdt, om het tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen. 9 En zij gaf de koning honderd en twintig talenten goud, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was zoals deze specerij, die de koningin van Scheba de koning Salomo gaf, geen geweest. 10 Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente. 11 En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis van JAHWEH en tot het huis van de koning, en ook harpen en luiten voor de zangers; zoiets was ook te voren in het land van Juda niet geweest. 12 En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve wat zij tot de koning gebracht had; zo keerde zij, en trok naar haar land, zij en haar knechten. 13 Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op één jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten goud; 14 Behalve dat zij van de marskramers en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle koningen van Arabië, en de vorsten van dat land, goud en zilver aan Salomo. 15 Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd grote schilden van geslagen goud; zeshonderd sikkels van geslagen goud liet hij opwegen tot elk groot schild. 16 Ook driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkels goud liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis van het woud van de Libanon. 17 Nog maakte de koning een grote ivoren troon, en hij overtrok die met louter goud. 18 En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan de troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen. 19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; zoiets is in geen koninkrijk gemaakt geweest. 20 Ook waren alle drinkvaten van de koning Salomo van goud, en alle voorwerpen van het huis van het woud van de Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht. 21 Want de schepen van de koning voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaar kwamen de schepen van Tharsis in, en brachten goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen. 22 Zo werd de koning Salomo groter dan alle koningen van de aarde in rijkdom en wijsheid. 23 En alle koningen van de aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had. 24 En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren voorwerpen, en gouden voorwerpen, en kleren, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar. 25 Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagens, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij de koning te Jeruzalem. 26 En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land van de Filistijnen, en tot aan de grens van Egypte. 27 Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte. 28 En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen. 29 Het overige nu van de geschiedenissen van Salomo, van de eerste en van de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, de profeet, en in de profetie van Ahia, de Siloniet, en in de visioenen van Jedi, de ziener, aangaande Jerobeam, de zoon van Nebat? 30 En Salomo regeerde te Jeruzalem over geheel Israël, veertig jaren. 31 En Salomo ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 10 1 En Rehabeam trok naar Sichem; want het hele Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken. 2 Het gebeurde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dat hoorde (hij nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van de koning Salomo gevlucht was), dat Jerobeam uit Egypte terugkeerde; 3 Want zij zonden heen, en lieten hem roepen; zo kwam Jerobeam met het hele Israël, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende: 4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak u de harde dienst van uw vader, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen. 5 En hij zei tot hen: Kom over drie dagen weer tot mij. En het volk ging heen. 6 En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt u, dat men dit volk antwoorden zal? 7 En zij spraken tot hem, zeggende: Als u dit volk goedertieren en tegenover hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij altijd uw knechten zijn. 8 Maar hij verliet de raad van de oudsten, die zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongemannen, die met hem opgegroeid waren, die voor zijn aangezicht stonden. 9 En hij zei tot hen: Wat raadt u, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter? 10 En de jongemannen die met hem opgegroeid waren, spraken tot hem, zeggende: Zo zult u zeggen tot dat volk, dat tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak u het over ons lichter; zo zult u tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan het middel van mijn vader. 11 Als nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 12 Zo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam, op de derde dag, zoals de koning gesproken had, zeggende: Kom weer tot mij op de derde dag. 13 En de koning antwoordde hun hard; want de koning Rehabeam verliet de raad van de oudsten. 14 En hij sprak tot hen naar de raad van de jongemannen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geselen gestraft, maar ik zal u met schorpioenen straffen. 15 Zo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat JAHWEH Zijn woord bevestigde, dat Hij door de dienst van Ahia, de Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, de zoon van Nebat. 16 Toen het hele volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk de koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erfenis hebben wij aan de zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het hele Israël naar zijn tenten. 17 Maar voor wat betreft de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook. 18 Toen zond de koning Rehabeam Hadoram, die over de belasting was; en de Israëlieten stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte. 19 Zo vielen de Israëlieten van het huis van David af, tot op deze dag. ### 2 Kronieken 11 1 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, verzamelde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weer aan Rehabeam bracht. 2 Maar het woord van JAHWEH kwam tot Semaja, de man van God, zeggende: 3 Zeg tot Rehabeam, de zoon van Salomo, de koning van Juda, en tot het hele Israël in Juda en Benjamin, zeggende: 4 Zo zegt JAHWEH: U zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broers; een ieder kere weer tot zijn huis, want deze zaak is van Mij gebeurd. En zij hoorden de woorden van JAHWEH, en zij keerden weer van tegen Jerobeam te trekken. 5 Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vestingen in Juda. 6 Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa, 7 En Beth-Zur, en Socho, en Adullam, 8 En Gath, en Maresa, en Zif, 9 En Adoraim, en Lachis, en Azeka, 10 En Zora, en Ajalon, en Hebron; die in Juda en in Benjamin de versterkte steden waren. 11 En hij sterkte deze vestingen, en legde oversten daarin, en schatten van voedsel, en olie, en wijn; 12 En in elke stad grote schilden en speren, en sterkte ze geheel zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne. 13 Daartoe de priesters en de Levieten, die in het hele Israël waren, stelden zich bij hem uit al hun gebied. 14 Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom van JAHWEH te mogen bedienen. 15 En hij had zich priesters gesteld voor de hoogte, en voor de demonen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had. 16 Na die kwamen ook uit alle stammen van Israël te Jeruzalem, die hun hart begaven, om JAHWEH, de God van Israël, te zoeken, dat zij JAHWEH, de God van hun vaders, offergave deden. 17 Zo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, de zoon van Salomo, drie jaar; want drie jaar wandelden zij in de weg van David, en Salomo. 18 En Rehabeam nam naast Mahalath, de dochter van Jerimoth, de zoon van David, ook Abihaïl, de dochter van Eliab, de zoon van Isaï, tot vrouw, 19 Die hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham. 20 En na haar nam hij Maächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith. 21 En Rehabeam had Maächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijvrouwen; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijvrouwen; en hij verwekte acht en twintig zonen en zestig dochters. 22 En Rehabeam stelde Abia, de zoon van Maächa, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broers; want het was om hem koning te maken. 23 En hij handelde verstandig, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle versterkte steden verspreidde, die hij voedsel gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen. ### 2 Kronieken 12 1 Het gebeurde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet van JAHWEH verliet, en geheel Israël met hem. 2 Daarom gebeurde het, in het vijfde jaar van de koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen JAHWEH), 3 Met duizend en tweehonderd wagens, en met zestig duizend ruiteren; en van het volk was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libyers, Suchieten en Moren; 4 En hij nam de versterkte steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe. 5 Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH: U hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak. 6 Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: JAHWEH is rechtvaardig. 7 Als nu JAHWEH zag, dat zij zich verootmoedigden, kwam het woord van JAHWEH tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn woede over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden. 8 Maar zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en de dienst van de koninkrijken van de landen. 9 Zo trok Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis van JAHWEH en de schatten van het huis van de koning weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had. 10 En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten van de lijfwachten, die de deur van het huis van de koning bewaarden. 11 En het gebeurde, zo wanneer de koning in het huis van JAHWEH ging, dat de lijfwachten kwamen, en die droegen, en die wederbrachten in de wachtkamer van de lijfwachten. 12 En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn van JAHWEH van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen. 13 Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die JAHWEH uit alle stammen van Israël gekozen had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam van zijn moeder was Naäma, een Ammonietische. 14 En hij deed dat kwaad was, omdat hij zijn hart niet richtte, om JAHWEH te zoeken. 15 De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, de profeet, en Iddo, de ziener, verhalende de geslachtsregisters; daartoe de oorlogen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen? 16 En Rehabeam ontsliep met zijn vaders, en werd begraven in de stad van David; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 13 1 In het achttiende jaar van de koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda. 2 Hij regeerde drie jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Michaja, de dochter van Uriël, van Gibeä; en er was strijd tussen Abia en tussen Jerobeam. 3 En Abia bond de strijd aan met een leger van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, strijdbare helden. 4 En Abia maakte zich op van boven de berg Zemaraim, die is in het gebergte van Efraïm; en hij zei: Hoor mij toe, Jerobeam, en geheel Israël! 5 Staat het u niet toe te weten, dat JAHWEH, de God van Israël, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond? 6 Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, de zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer. 7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem verzameld, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, de zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en zwak van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken. 8 En nu, u denkt u te versterken tegen het koninkrijk van JAHWEH, dat in de hand is van de zonen van David; u bent wel een grote menigte, maar u hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft. 9 Hebt u niet de priesters van JAHWEH, de zonen van Aäron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesters gemaakt, zoals de volken van de landen? Een ieder die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester van degenen, die geen goden zijn. 10 Maar wat ons betreft, JAHWEH is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die JAHWEH dienen, zijn de zonen van Aäron, en de Levieten zijn in het werk. 11 En zij steken aan voor JAHWEH brandoffers, op elke morgen en op elke avond, ook reukwerk van geurende specerijen, naast de toerichting van het brood op de reine tafel, en de gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elke avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht van JAHWEH, van onze God; maar u hebt Hem verlaten. 12 Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesters met de trompetten van het geklank, om tegen u alarmgeklank te maken; o Israëlieten, strijdt niet tegen JAHWEH, de God van uw vaders, want u zult geen voorspoed hebben. 13 Maar Jerobeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen. 14 Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij de strijd voor en achter; en zij riepen tot JAHWEH, en de priesters trompetten met de trompetten. 15 En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het gebeurde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het hele Israël sloeg voor Abia en Juda. 16 En de Israëlieten vluchtten voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand. 17 Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met een grote slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen. 18 Zo werden de Israëlieten vernederd in die tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, omdat zij op JAHWEH, de God van hun vaders, gesteund hadden. 19 En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-el met haar bijbehorende plaatsen, en Jesana met haar bijbehorende plaatsen, en Efron met haar bijbehorende plaatsen. 20 En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar JAHWEH sloeg hem, dat hij stierf. 21 Zo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en verwekte twee en twintig zonen en zestien dochters. 22 Het overige nu van de geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van de profeet Iddo. ### 2 Kronieken 14 1 Zo ontsliep Abia met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van David, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil. 2 En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen van JAHWEH, van zijn God. 3 Want hij nam de altaren van de vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af. 4 En hij zei tot Juda, dat zij JAHWEH, de God van hun vaders, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden. 5 Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil. 6 Daartoe bouwde hij versterkte steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, omdat JAHWEH hem rust gaf. 7 Want hij zei tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendels, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben JAHWEH, onze God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom heen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed. 8 Asa nu had een leger van driehonderd duizend uit Juda, groot schild en speer dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en de boog spannende; al deze waren strijdbare helden. 9 En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een leger van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Maresa toe. 10 Toen trok Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa. 11 En Asa riep tot JAHWEH, zijn God, en zei: JAHWEH, het is niets bij U, te helpen hetzij de machtige, hetzij de krachteloze; help ons, o JAHWEH, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o JAHWEH! U bent onze God; laat de sterfelijke mens tegen U niets uitrichten. 12 En JAHWEH plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vluchtten. 13 Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor JAHWEH en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel buit daarvan. 14 En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking van JAHWEH was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel buit daarin was. 15 En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kamelen; en kwamen weer te Jeruzalem. ### 2 Kronieken 15 1 Toen kwam de Geest van God op Azaria, de zoon van Oded. 2 En hij ging uit, Asa tegen, en hij zei tot hem: Hoor mij, Asa, en geheel Juda, en Benjamin! JAHWEH is met u, terwijl u met Hem bent; en zo u Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo u Hem verlaat, Hij zal u verlaten. 3 Israël nu is vele dagen geweest zonder de ware God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet. 4 Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot JAHWEH, de God van Israël, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden. 5 En in die tijden was er geen vrede voor degene, die uitging, en degene, die inkwam; maar vele onlusten waren over al de inwoners van die landen; 6 Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had hen met alle angst verschrikt. 7 Daarom wees u sterk, en laat uw handen niet verslappen; want er is loon naar uw werk. 8 Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van de profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de gruwelijke dingen uit het hele land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar van JAHWEH, dat voor het voorhuis van JAHWEH was. 9 En hij verzamelde het hele Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat JAHWEH, zijn God, met hem was. 10 En zij verzamelden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa. 11 En zij offerden JAHWEH op diezelfde dag van de roof, die zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen. 12 En zij traden in een verbond, dat zij JAHWEH, de God van hun vaders, zoeken zouden met hun hele hart en met hun hele ziel. 13 En al wie JAHWEH, de God van Israël, niet zou zoeken, zou gedood worden, van de kleine tot de grote, en van de man tot de vrouw toe. 14 En zij zwoeren JAHWEH met luide stem en met gejuich, evenzo met trompetten en met bazuinen. 15 En geheel Juda was verblijd over deze eed; want zij hadden met hun hele hart gezworen, en met hun hele wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en JAHWEH gaf hun rust rondom heen. 16 Voor wat betreft Maächa, de moeder van de koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin was, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron. 17 De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa toch was volkomen al zijn dagen. 18 En hij bracht in het huis van God de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en voorwerpen. 19 En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa. ### 2 Kronieken 16 1 In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, trok Baësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda. 2 Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis van JAHWEH en van het huis van de koning, en zond tot Benhadad, de koning van Syrië, die in Damascus woonde, zeggende: 3 Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet met Baësa, de koning van Israël, dat hij van tegen mij aftrekke. 4 En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de oversten van de legers, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-maim, en alle voorraadsteden van Nafthali. 5 En het gebeurde, als Baësa dat hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte. 6 Toen nam de koning Asa geheel Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmee Baësa gebouwd had; en hij bouwde daarmee Geba en Mizpa. 7 En in deze tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, de koning van Juda, en hij zei tot hem: Omdat u gesteund hebt op de koning van Syrië, en niet gesteund hebt op JAHWEH, uw God, daarom is het leger van de koning van Syrië uit uw hand ontkomen. 8 Waren niet de Moren en de Libyers een groot leger met zeer veel wagens en ruiteren? Toen u toch op JAHWEH steunde, heeft Hij hen in uw hand gegeven. 9 Want voor wat betreft JAHWEH, Zijn ogen doorlopen de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, van wie het hart volkomen is tot Hem; u hebt hierin dwaas gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn. 10 Maar Asa werd boos tegen de ziener, en leidde hem in de gevangenis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enige uit het volk in die tijd. 11 En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. 12 Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, ziek aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn ziekte; daartoe ook zocht hij JAHWEH niet in zijn ziekte, maar de dokters. 13 Zo ontsliep Asa met zijn vaders; en hij stierf in het een en veertigste jaar van zijn regering. 14 En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad van David, en legden hem op het bed, dat hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een heel groot vuur. ### 2 Kronieken 17 1 En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israël. 2 En hij legde oorlogsvolk in alle versterkte steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had. 3 En JAHWEH was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen van zijn vader David, en zocht de Baäls niet. 4 Maar hij zocht de God van zijn vader, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israël. 5 En JAHWEH bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en geheel Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte. 6 En zijn hart verhief zich in de wegen van JAHWEH; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg. 7 In het derde jaar nu van zijn regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van Juda. 8 En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram. 9 En zij leerden in Juda, en het wetboek van JAHWEH was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk. 10 En een verschrikking van JAHWEH werd over alle koninkrijken van de landen, die rondom Juda waren, dat zij niet streden tegen Josafat. 11 En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken. 12 Zo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en voorraadsteden. 13 En hij had veel werk in de steden van Juda, en soldaten, strijdbare helden in Jeruzalem. 14 Dit nu is hun telling, naar de huizen van hun vaders. In Juda waren oversten van de duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend strijdbare helden. 15 Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd en tachtig duizend; 16 Naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan JAHWEH overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend strijdbare helden. 17 En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren. 18 En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, voor de oorlog toegerust. 19 Deze waren in de dienst van de koning; afgezien van degenen, die de koning in de versterkte steden door geheel Juda gezet had. ### 2 Kronieken 18 1 Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab. 2 En na verloop van enige jaren trok hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead. 3 Want Achab, de koning van Israël, zei tot Josafat, de koning van Juda: Zult u met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zei tot hem: Zo zal ik zijn, zoals u bent, en zoals uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in deze strijd. 4 Verder zei Josafat tot de koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord van JAHWEH. 5 Toen verzamelde de koning van Israël de profeten, vierhonderd mannen, en hij zei tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand van de koning geven. 6 Maar Josafat zei: Is hier niet nog een profeet van JAHWEH, dat wij van hem vragen mochten? 7 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Er is nog één man, om door hem JAHWEH te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zei: de koning zegge niet zo. 8 Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zei: Haal haastig Micha, de zoon van Jimla. 9 De koning van Israël nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun kleren, en zij zaten op het plein, aan de deur van de poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun aanwezigheid. 10 En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zei: Zo zegt JAHWEH: Met deze zult u de Syriërs stoten, totdat u hen geheel verdaan zult hebben. 11 En al de profeten profeteerden zo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en u zult voorspoedig zijn, want JAHWEH zal hen in de hand van de koning geven. 12 De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden van de profeten zijn, uit één mond, goed tot de koning; dat nu toch uw woord zij, zoals van één uit hen, en spreek het goede. 13 Maar Micha zei: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, wat mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken! 14 Als hij tot de koning gekomen was, zo zei de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En hij zei: Trek op, en u zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uw hand gegeven worden. 15 En de koning zei tot hem: Tot hoevele reizen zal ik u bezweren, opdat u tot mij niet spreekt, dan de waarheid, in de Naam van JAHWEH? 16 En hij zei: Ik zag het hele Israël verstrooid op de bergen, zoals schapen, die geen herder hebben; en JAHWEH zei: Deze hebben geen heer; ieder kere weer naar zijn huis in vrede. 17 Toen zei de koning van Israël tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren? 18 Verder zei hij: Daarom hoort het woord van JAHWEH: Ik zag JAHWEH, zittende op Zijn troon, en al het hemelse leger, staande aan Zijn rechterhand en Zijn linkerhand. 19 En JAHWEH zei: Wie zal Achab, de koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei Hij: Deze zegt zo, en die zegt zo. 20 Toen kwam een geest voort, en stond voor het aangezicht van JAHWEH, en zei: Ik zal hem overreden. En JAHWEH zei tot hem: Waarmee? 21 En Hij zei: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in de mond van al zijn profeten. En Hij zei: U zult overreden, en zult er ook in slagen; ga uit, en doe zo. 22 Nu dan, zie, JAHWEH heeft een leugengeest in de mond van deze uw profeten gegeven, en JAHWEH heeft kwaad over u gesproken. 23 Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op de kaak, en hij zei: Door wat weg is de Geest van JAHWEH van mij doorgegaan, om u aan te spreken? 24 En Micha zei: Zie, u zult het zien op die dag, als u zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken. 25 De koning van Israël nu zei: Neem Micha, en brengt hem weer tot Amon, de overste van de stad, en tot Joas, de zoon van de koning; 26 En u zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet deze in de gevangenis, en spijst hem met brood van de bedruktheid, en met water van de bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom. 27 En Micha zei: Als u enigszins met vrede wederkomt, zo heeft JAHWEH door mij niet gesproken. Verder zei hij: Hoor, u volken altegaar! 28 Zo trok de koning van Israël, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead. 29 En de koning van Israël zei tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in de strijd komen; maar u, trek uw kleren aan. Zo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in de strijd. 30 De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten van de wagens, die hij had, zeggende: U zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen de koning van Israël alleen. 31 Het gebeurde dan, als de oversten van de wagens Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij trokken rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en JAHWEH hielp hem, en God wendde hen van hem af. 32 Want het gebeurde, als de oversten van de wagens zagen, dat het de koning van Israël niet was, dat zij van achter hem afkeerden. 33 Toen spande een man de boog in zijn eenvoud, en schoot de koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot de voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond. 34 En de strijd nam op die dag toe, en de koning van Israël deed zich met de wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot de avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging. ### 2 Kronieken 19 1 En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weer naar zijn huis te Jeruzalem. 2 En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zei tot de koning Josafat: Zou u de goddeloze helpen, en die JAHWEH haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht van JAHWEH grote boosheid. 3 Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want u hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken. 4 Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij trok opnieuw uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen terugkeren tot JAHWEH, de God van hun vaders. 5 En hij stelde richters in het land, in alle versterkte steden van Juda, van stad tot stad. 6 En hij zei tot de richters: Zie wat u doet, want u houdt het gericht niet voor de mens, maar voor JAHWEH; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. 7 Nu dan, de verschrikking van JAHWEH zij op u; neem waar, en doet het; want bij JAHWEH, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. 8 Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesters, en van de familiehoofden van Israël, over het gericht van JAHWEH, en over rechtsgeschillen, als zij weer te Jeruzalem gekomen waren. 9 En hij gebood hun, zeggende: Doe zo in de vrees voor JAHWEH, met getrouwheid en met een volkomen hart. 10 En in alle geschil, dat van uw broers, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en voorschriften en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan JAHWEH, en een grote boosheid over u en over uw broers zij; doe zo, en u zult niet schuldig worden. 11 En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak van JAHWEH; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak van de koning; ook zijn de voormannen, de Levieten, voor uw aangezicht; wees sterk en doet het, en JAHWEH zal met de goede zijn. ### 2 Kronieken 20 1 Het gebeurde nu na deze, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen naast de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde. 2 Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van de overzijde van de zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, dat is Engedi. 3 Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om JAHWEH te zoeken; en hij riep een vasten uit in geheel Juda. 4 En Juda werd verzameld, om de hulp van JAHWEH te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om JAHWEH te zoeken. 5 En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis van JAHWEH, voor het nieuwe voorhof. 6 En hij zei: O, JAHWEH, God van onze vaders, bent U niet de God in de hemel? Ja, U bent de Heerser over alle koninkrijken van de heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan. 7 Hebt U niet, onze God, de inwoners van dit land van voor het aangezicht van Uw volk Israël verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven? 8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende: 9 Als over ons enig kwaad komt, het zwaard van het oordeel, of pest, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, omdat Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en U zult verhoren en verlossen. 10 En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seïr, door wie U Israël niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland trokken, maar zij weken van hen, en vernietigden hen niet; 11 Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erfenis, die U ons te erven gegeven hebt, te verdrijven. 12 O, onze God, zult U geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U. 13 En geheel Juda stond voor het aangezicht van JAHWEH, ook hun kinderen, hun vrouwen en hun zonen. 14 Toen kwam de Geest van JAHWEH in het midden van de gemeente, op Jahaziël, de zoon van Zecharja, de zoon van Benaja, de zoon van Jehiël, de zoon van Matthanja, de Leviet, uit de zonen van Asaf; 15 En hij zei: Merk op, geheel Juda, en u, inwoners van Jeruzalem, en u, koning Josafat! Zo zegt JAHWEH tot u: Vrees u niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods. 16 Trek morgen tot hen af; zie, zij komen op bij de opgang van Ziz; en u zult hen vinden in het einde van het dal, voor aan de woestijn van Jeruël. 17 U zult in deze strijd niet te strijden hebben; stel uzelf, staat en ziet het heil van JAHWEH met u, o Juda en Jeruzalem! Vrees niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want JAHWEH zal met u wezen. 18 Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor het aangezicht van JAHWEH, aanbiddende JAHWEH. 19 En de Levieten uit de kinderen van de Kahathieten, en uit de kinderen van de Korahieten, stonden op, om JAHWEH, de God van Israël, met luide stem ten hoogste te prijzen. 20 En zij maakten zich 's morgens vroeg op, en trokken uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittrokken, stond Josafat en zei: Hoor mij, o Juda, en u, inwoners van Jeruzalem! Geloof in JAHWEH, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof aan Zijn profeten, en u zult voorspoedig zijn. 21 Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde voor JAHWEH zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Loof JAHWEH, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! 22 Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde JAHWEH achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen. 23 Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te vernietigen; en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de één de ander ten verderve. 24 Als nu Juda tot de wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen. 25 Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel bezittingen en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden de buit drie dagen, want daarvan was veel. 26 En op de vierde dag verzamelden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij JAHWEH; daarom noemden zij de naam van die plaats het dal van Beracha, tot op deze dag. 27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weer, en Josafat in de voorspitse van hen, om opnieuw met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want JAHWEH had hen verblijd over hun vijanden. 28 En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis van JAHWEH. 29 En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken van die landen, als zij hoorden, dat JAHWEH tegen de vijanden van Israël gestreden had. 30 Zo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom heen. 31 Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azuba, een dochter van Silhi. 32 En hij wandelde in de weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen van JAHWEH. 33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot de God van zijn vaders. 34 Het overige nu van de geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, de zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek van de koningen van Israël. 35 Maar na deze vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, de koning van Israël; die handelde goddeloos in zijn doen. 36 En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-geber. 37 Maar Eliëzer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat u zich met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft JAHWEH uw werken verscheurd. Zo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan. ### 2 Kronieken 21 1 Daarna ontsliep Josafat met zijn vaders, en werd begraven bij zijn vaders in de stad van David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats. 2 En hij had broers, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Zecharja, en Azarjahu, en Michaël, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël. 3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostbaarheden, met versterkte steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was. 4 Als Joram tot het koninkrijk van zijn vader opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broers met het zwaard, en ook enige van de vorsten van Israël. 5 Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem. 6 En hij wandelde in de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 7 Maar JAHWEH wilde het huis van David niet verderven, omwille van het verbond, dat Hij met David gemaakt had; en zoals Hij gezegd had, hem en zijn zonen altijd een lamp te zullen geven. 8 In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning. 9 Daarom trok Joram voort met zijn oversten, en al de wagens met hem; en hij maakte zich in de nacht op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten van de wagens. 10 Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op deze dag; toen in die tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had JAHWEH, de God van zijn vaders, verlaten. 11 Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem ontucht plegen, ja, hij dreef Juda daartoe. 12 Zo kwam een schrift tot hem van de profeet Elia, zeggende: Zo zegt JAHWEH, de God van uw vader David: Omdat u in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, de koning van Juda, niet gewandeld hebt; 13 Maar hebt gewandeld in de weg van de koningen van Israël, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen ontucht plegen, achtervolgens het ontucht plegen van het huis van Achab; en ook uw broers, uit het huis van uw vader, gedood hebt, die beter waren dan u; 14 Zie, JAHWEH zal u plagen met een grote plaag aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw bezittingen. 15 U zult ook in grote ziekten zijn, door de ziekte van uw ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de ziekte, jaar op jaar. 16 Zo verwekte JAHWEH tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren, die aan de zijde van de Moren zijn. 17 Die trokken op in Juda, en braken daarin, en voerden alle bezittingen weg, die in het huis van de koning gevonden werden, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste van zijn zonen. 18 En na dit alles plaagde hem JAHWEH in zijn binnenste met een ziekte, daar geen genezen aan was. 19 Dit gebeurde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde van de twee jaren uitging, zijn ingewanden met de ziekte uitgingen, dat hij stierf van boze ziekten; en zijn volk maakte hem geen vuur, als het vuur van zijn vaders. 20 Hij was twee en dertig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging heen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen. ### 2 Kronieken 22 1 En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinste zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde. 2 Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athalia, een dochter van Omri. 3 Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddeloos te handelen. 4 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na de dood van zijn vader, hem ten verderve. 5 Hij wandelde ook in hun raad, en trok heen met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, tot de strijd tegen Hazaël, de koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram. 6 En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië; en Azarja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bekijken, want hij was ziek. 7 De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, trok hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, die JAHWEH gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien. 8 Zo gebeurde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broers van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde. 9 Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstopt in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die JAHWEH met zijn hele hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk. 10 Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om. 11 Maar Jozabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van de koning Joram, de huisvrouw van de priester Jojada (want zij was de zus van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde. 12 En hij was bij hen verstopt in het huis van God zes jaren; en Athalia regeerde over het land. ### 2 Kronieken 23 1 Maar in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten van de honderden, Azarja, de zoon van Jeroham en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azarja, de zoon van Obed, en Maaseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond. 2 Die trokken om in Juda, en verzamelden de Levieten uit alle steden van Juda, en de familiehoofden van Israël, en zij kwamen naar Jeruzalem. 3 En die hele gemeente maakte een verbond in het huis van God, met de koning; en hij zei tot hen: Zie, de zoon van de koning zal koning zijn, zoals JAHWEH van de zonen van David gesproken heeft. 4 Dit is de zaak, die u doen zult: een derde deel van u, die op de sabbat ingaan, van de priesters en van de Levieten, zullen tot poortwachters van de dorpelen zijn; 5 En een derde deel zal zijn aan het huis van de koning; en een derde deel aan de Fundamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis van JAHWEH. 6 Maar dat niemand kome in het huis van JAHWEH, dan de priesters en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht van JAHWEH waarnemen. 7 De Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; maar wees u bij de koning, als hij inkomt en uitgaat. 8 En de Levieten en geheel Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op de sabbat inkwamen, met degenen, die op de sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de verdelingen geen verlof gegeven. 9 Verder gaf de priester Jojada aan de oversten van de honderden de speren, en de grote schilden, en de schilden, die van de koning David geweest waren, die in het huis van God waren. 10 En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij de koning rondom. 11 Toen brachten zij de zoon van de koning voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve! 12 Toen nu Athalia hoorde de stem van het volk, dat toeliep en de koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis van JAHWEH. 13 En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan de ingang; en de oversten en de trompetten waren bij de koning; en al het volk van het land was blij, en blies met de trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou; toen verscheurde Athalia haar kleren, en zij riep: Verraad, verraad! 14 Maar de priester Jojada bracht de oversten van de honderden, die over het leger gesteld waren, uit, en zei tot hen: Breng ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: U zult ze in het huis van JAHWEH niet doden. 15 En zij legden de handen aan haar, en zij ging naar de ingang van de Paardenpoort, naar het huis van de koning; en zij doodden ze daar. 16 En Jojada maakte een verbond tussen Hem, en tussen al het volk, en tussen de koning, dat zij JAHWEH tot een volk zouden zijn. 17 Daarna ging al het volk in het huis van Baäl, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, de priester van Baäl, sloegen zij dood voor de altaren. 18 Jojada nu bestelde de ambten in het huis van JAHWEH, onder de hand van de Levietische priesters, die David in het huis van JAHWEH afgedeeld had, om de brandoffers van JAHWEH te offeren, zoals in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David. 19 En hij stelde de poortwachters aan de poorten van het huis van JAHWEH, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame. 20 En hij nam de oversten van de honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk van het land, en bracht de koning van het huis van JAHWEH af, en zij kwamen door het midden van de hoge poort in het huis van de koning; en zij zetten de koning op de troon van het koninkrijk. 21 En al het volk van het land was blij, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden. ### 2 Kronieken 24 1 Joas was zeven jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja, van Ber-seba. 2 En Joas deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, al de dagen van de priester Jojada. 3 En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij verwekte zonen en dochters. 4 Het gebeurde nu na deze, dat het in het hart van Joas was, het huis van JAHWEH te vernieuwen. 5 Zo verzamelde hij de priesters en de Levieten, en zei tot hen: Trek uit tot de steden van Juda, en verzamelt geld van het hele Israël, om het huis van uw God te beteren van jaar tot jaar; en u, haast tot deze zaak; maar de Levieten haastten niet. 6 En de koning riep Jojada, het hoofd, en zei tot hem: Waarom hebt u geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, de knecht van JAHWEH, en van de gemeente van Israël, voor de tent van het getuigenis? 7 Want als Athalia goddeloos handelde, hadden haar zonen het huis van God opengebroken, ja, zelfs alle geheiligde dingen van het huis van JAHWEH besteed aan de Baäls. 8 En de koning gebood, en zij maakten een kist, en stelden die buiten aan de poort van het huis van JAHWEH. 9 En men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men voor JAHWEH inbrengen zou de schatting van Mozes, de knecht van God, over Israël in de woestijn. 10 Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in, en wierpen in de kist, totdat men voltooid had. 11 Het gebeurde nu ter tijd, als hij de kist, naar het bevel van de koning, door de hand van de Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver van de koning kwam, en de bestelde van de hoofdpriester, en de kist leeg maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan haar plaats; zo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte; 12 Dat de koning en Jojada gaven aan degenen, die het werk van de dienst van het huis van JAHWEH verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden, om het huis van JAHWEH te vernieuwen, en ook werkmeesters in ijzer en koper, om het huis van JAHWEH te beteren. 13 Zo deden de verzorgers van het werk, dat de betering van het werk door hun hand toenam; en zij herstelden het huis van God in zijn gestalte, en maakten het vast. 14 Als zij nu voltooid hadden, brachten zij voor de koning en Jojada het overige van het geld, waarvan hij voorwerpen maakte voor het huis van JAHWEH, voorwerpen om te dienen en te offeren, en rookschalen, en gouden en zilveren voorwerpen; en zij offerden steeds brandoffers in het huis van JAHWEH al de dagen van Jojada. 15 En Jojada werd oud en verzadigd van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaar oud, toen hij stierf. 16 En zij begroeven hem in de stad van David, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israël, zowel aan God als zijn huize. 17 Maar na de dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neer voor de koning; toen hoorde de koning naar hen. 18 Zo verlieten zij het huis van JAHWEH, van de God van hun vaders, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote boosheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld. 19 Maar Hij zond profeten onder hen, om hen tot JAHWEH te doen terugkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet. 20 En de Geest van God trok Zacharia aan, de zoon van Jojada, de priester, die boven het volk stond, en hij zei tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt u de geboden van JAHWEH? Daarom zult u niet voorspoedig zijn; omdat u JAHWEH verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten. 21 En zij maakten een samenzwering tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod van de koning, in het voorhof van het huis van JAHWEH. 22 Zo gedacht de koning Joas niet aan de goedertierenheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; die, als hij stierf, zei: JAHWEH zal het zien en zoeken! 23 Daarom gebeurde het met de wisseling van het jaar, dat de legermacht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten van het volk; en zij zonden al hun roof tot de koning van Damascus. 24 Hoewel de legermacht van Syrië met weinig mannen kwam, evenwel gaf JAHWEH in hun hand een legermacht van grote menigte, omdat zij JAHWEH, de God van hun vaders, verlaten hadden; zo voerden zij de oordelen uit tegen Joas. 25 En toen zij van hem weggetrokken waren (want zij lieten hem in grote ziekten), maakten zijn knechten, om het bloed van de zonen van de priester Jojada, een samenzwering tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad van David, maar zij begroeven hem niet in de graven van de koningen. 26 Deze nu zijn, die een samenzwering tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische. 27 Voor wat betreft zijn zonen, en de grootheid van de last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis van God, ziet, zij zijn geschreven in de historie van het boek van de koningen; en zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 25 1 Amazia, vijf en twintig jaar oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Joaddan, van Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, maar niet met een volkomen hart. 3 Het gebeurde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten, die de koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde. 4 Maar hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, zoals in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar JAHWEH geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven. 5 En Amazia verzamelde Juda, en stelde hen, naar de huizen van de vaders, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door geheel Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaar oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten strijde, handelende speer en groot schild. 6 Daartoe huurde hij uit Israël honderd duizend strijdbare helden, voor honderd talenten zilver. 7 Maar er kwam een man van God tot hem, zeggende: O, koning! laat het leger van Israël met u niet gaan; want JAHWEH is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm. 8 Maar zo u gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor de vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen. 9 En Amazia zei tot de man van God: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man van God zei: JAHWEH heeft meer dan dit, om u te geven. 10 Toen scheidde Amazia die af, te weten de benden, die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weer tot hun plaats in hitte van de toorn. 11 Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en trok in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend. 12 Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte van de steenrots, en stootten hen van de spits van de steenrots af, dat zij allen barstten. 13 Maar de mannen van de benden, die Amazia had doen terugkeren, dat zij met hem in de strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-horon toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel buit. 14 Het gebeurde nu, nadat Amazia van het slaan van de Edomieten gekomen was, en dat hij de goden van de kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich daarvoor neer boog en die rookte. 15 Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen Amazia; en Hij zond tot hem een profeet, die zei tot hem: Waarom hebt u de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand? 16 En het gebeurde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zei: Heeft men u tot raadgever van de koning gesteld? Houd u op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zei: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, omdat u dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt. 17 En Amazia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, de zoon van Joahaz, de zoon van Jehu, de koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkaars aangezicht zien. 18 Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, de koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op de Libanon is, zond tot de ceder, die op de Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon tot vrouw; maar het gedierte van het veld, dat op de Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel. 19 U zegt: Zie, u hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zou u zich in het kwaad mengen, dat u vallen zou; u en Juda met u? 20 Maar Amazia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, omdat zij de goden van de Edomieten gezocht hadden. 21 Zo trok Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amazia, de koning van Juda, zagen elkaars gezichten te Beth-semes, dat in Juda is. 22 En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël; en zij vluchtten ieder in zijn tenten. 23 En Joas, de koning van Israël, greep Amazia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Joahaz, te Beth-semes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen. 24 Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de voorwerpen, die in het huis van God gevonden werden, bij Obed-edom, en de schatten van het huis van de koning, en ook gijzelaars, en hij keerde weer naar Samaria. 25 Amazia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, vijftien jaren. 26 Het overige nu van de geschiedenissen van Amazia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël? 27 Van de tijd nu af, dat Amazia afgeweken was van achter JAHWEH, zo maakten zij in Jeruzalem een samenzwering tegen hem; maar hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem daar. 28 En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaders in de stad van Juda. ### 2 Kronieken 26 1 Toen nam het hele volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaar oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia. 2 Die bouwde Eloth, en bracht ze weer aan Juda, nadat de koning met zijn vaders ontslapen was. 3 Zestien jaar was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jecholia, van Jeruzalem. 4 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had. 5 Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de visioenen Gods; in de dagen nu, dat hij JAHWEH zocht, maakte hem God voorspoedig. 6 Want hij trok uit, en streed tegen de Filistijnen, en brak de muur van Gath, en de muur van Jabne, en de muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen. 7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-baal woonden, en tegen de Meunieten. 8 En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot de ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste. 9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze. 10 Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, omdat hij veel vee had, zowel in de laagten als in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van de landbouw. 11 Verder had Uzzia een legermacht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten strijde bij benden, naar het getal van hun monstering, door de hand van Jeiël, de schrijver, en Mahaseja, de ambtman; onder de hand van Hananja, één van de vorsten van de koning. 12 Het hele getal van de familiehoofden, van de strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd. 13 En onder hun hand was een leger van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om de koning tegen de vijand te helpen. 14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het hele leger, schilden, en speren, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe. 15 Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was. 16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen JAHWEH, zijn God; want hij ging in de tempel van JAHWEH, om te roken op het reukaltaar. 17 Maar Azaria, de priester, ging hem na, en met hem priesters van JAHWEH, tachtig kloeke mannen. 18 En zij wederstonden de koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, voor JAHWEH te roken, maar de priesters, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van JAHWEH God. 19 Toen werd Uzzia boos, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu boos werd tegen de priesters, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht van de priesters in het huis van JAHWEH, van boven het reukaltaar. 20 Toen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesters en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij verdreven hem haastig vandaar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat JAHWEH hem geplaagd had. 21 Zo was de koning Uzzia melaats tot aan de dag van zijn dood; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis van JAHWEH afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis van de koning, richtende het volk van het land. 22 Het overige nu van de geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven. 23 En Uzzia ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 27 1 Jotham was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok. 2 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in de tempel van JAHWEH niet ging; en het volk verdierf zich nog. 3 Die bouwde de hoge poorten aan het huis van JAHWEH; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel. 4 Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens. 5 Hij streed ook tegen de koning van de kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in dat jaar hem gaven honderd talenten zilver, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons opnieuw, ook in het tweede en in het derde jaar. 6 Zo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht van JAHWEH, van zijn God. 7 Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda. 8 Hij was vijf en twintig jaar oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem. 9 En Jotham ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad van David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 28 1 Achaz was twintig jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vader David; 2 Maar hij wandelde in de wegen van de koningen van Israël; daartoe maakte hij ook gegoten beelden voor de Baäls. 3 Die rookte ook in het dal van de zoon van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. 4 Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, en ook onder alle groen geboomte. 5 Daarom gaf hem JAHWEH, zijn God, in de hand van de koning van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem als gevangene wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij in Damascus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand van de koning van Israël, die hem sloeg met een grote slag. 6 Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op één dag, allen strijdbare mannen, omdat zij JAHWEH, de God van hun vaders, verlaten hadden. 7 En Zichri, een geweldig man van Efraïm, sloeg Maaseja, de zoon van de koning, dood, en Azrikam, de huisoverste, en ook Elkana, de tweede na de koning. 8 En de Israëlieten voerden van hun broers als gevangene weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochters, en plunderden ook veel buit van hen; en zij brachten de roof te Samaria. 9 Daar nu was een profeet van JAHWEH, van wie de naam Oded was; die ging uit, het leger tegen, dat naar Samaria kwam, en zei tot hen: Zie, door de woede van JAHWEH, van de God van uw vaders, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en u hebt hen doodgeslagen in boosheid, die tot aan de hemel raakt. 10 Daartoe denkt u nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; bent u het niet alleen? Bij u zijn schulden tegen JAHWEH, uw God. 11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weer, die u van uw broers als gevangene weggevoerd hebt; want de hitte van de toorn van JAHWEH is over u. 12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden van de kinderen van Efraïm, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het leger kwamen. 13 En zij zeiden tot hen: U zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen JAHWEH; denkt u toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte van de toorn over Israël is? 14 Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht van de oversten en van de hele gemeente. 15 De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van de roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezels, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broers; daarna keerden zij weer naar Samaria. 16 Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden. 17 Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen als gevangene weggevoerd. 18 Daartoe waren de Filistijnen in de steden van de laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar bijbehorende plaatsen, en Timna en haar bijbehorende plaatsen, en Gimzo en haar bijbehorende plaatsen; en zij woonden daar. 19 Want JAHWEH vernederde Juda, omwille van Achaz, de koning van Israël; want hij had Juda afgetrokken, dat het geheel zeer overtrad tegen JAHWEH. 20 En Tiglath-pilneser, de koning van Assyrië, kwam tot hem; maar hij benauwde hem, en sterkte hem niet. 21 Want Achaz nam een deel van het huis van JAHWEH, en van het huis van de koning en van de vorsten, dat hij de koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet. 22 Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij van het overtreden tegen JAHWEH nog meer; dit was de koning Achaz. 23 Want hij offerde aan de goden van Damascus, die hem geslagen hadden, en zei: Omdat de goden van de koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, en ook aan geheel Israël. 24 En Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van God, en hieuw de voorwerpen van het huis van God in stukken, en sloot de deuren van het huis van JAHWEH toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem. 25 Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om andere goden te roken; zo verwekte hij JAHWEH, de God van zijn vaders, tot toorn. 26 Het overige nu van de geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek van de koningen van Juda en Israël. 27 En Achaz ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven van de koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 29 1 Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaar oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Abia, een dochter van Zacharia. 2 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat zijn vader David gedaan had. 3 Die deed in het eerste jaar van zijn regering, in de eerste maand, de deuren van het huis van JAHWEH open, en beterde ze. 4 En hij bracht de priesters en de Levieten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat. 5 En hij zei tot hen: Hoor mij, o Levieten; heilig nu uzelf, en heiligt het huis van JAHWEH, van de God van uw vaders, en brengt de onreinheid uit van het heiligdom. 6 Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, van onze God, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van de tabernakel van JAHWEH omgewend, en hebben de nek toegekeerd. 7 Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God van Israël niet geofferd. 8 Daarom is een grote toorn van JAHWEH over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, zoals u ziet met uw ogen. 9 Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochters, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest. 10 Nu is het in mijn hart een verbond te maken met JAHWEH, de God van Israël, opdat de hitte van Zijn toorn van ons afkere. 11 Mijn zonen, weest nu niet traag; want JAHWEH heeft u gekozen, dat u voor Zijn aangezicht staan zou, om Hem te dienen; en opdat u Hem dienaren en wierokers zou wezen. 12 Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azarja, van de kinderen van de Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleël; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah; 13 En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiël; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja; 14 En van de kinderen van Heman, Jehiël en Simeï; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziël. 15 En zij verzamelden hun broers, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod van de koning, door de woorden van JAHWEH, om het huis van JAHWEH te reinigen. 16 Maar de priesters gingen binnen in het huis van JAHWEH, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis van JAHWEH al de onreinheid, die zij in de tempel van JAHWEH vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron. 17 Zij begonnen nu te heiligen op de eerste van de eerste maand, en op de achtste dag van de maand kwamen zij in het voorhuis van JAHWEH, en heiligden het huis van JAHWEH in acht dagen; en op de zestiende dag van de eerste maand maakten zij een einde. 18 Daarna kwamen zij binnen tot de koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het hele huis van JAHWEH gereinigd, en ook het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel van de toerichting met al haar gereedschap. 19 Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar van JAHWEH. 20 Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde de oversten van de stad, en hij ging op in het huis van JAHWEH. 21 En zij brachten zeven stieren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken als zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zei tot de zonen van Aäron, de priesters, dat zij die op het altaar van JAHWEH zouden offeren. 22 Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; ook slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar. 23 Daarna brachten zij de bokken bij, als zondoffer, voor het aangezicht van de koning en van de gemeente, en zij legden hun handen daarop. 24 En de priesters slachtten ze, en ontzondigden met hun bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het hele Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor geheel Israël bevolen. 25 En hij stelde de Levieten in het huis van JAHWEH, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, de ziener van de koning, en van Nathan, de profeet; want dit gebod was van de hand van JAHWEH, door de hand van Zijn profeten. 26 De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten. 27 En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang van JAHWEH met de trompetten en met de instrumenten van David, de koning van Israël. 28 De hele gemeente nu boog zich neer, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voltooid was. 29 Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neer. 30 Daarna zei de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij JAHWEH loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, de ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neer. 31 En Jehizkia antwoordde en zei: Nu hebt u uw handen voor JAHWEH gevuld, treedt toe, en brengt slachtoffers en lofoffers tot het huis van JAHWEH; en de gemeente bracht slachtoffers en lofoffers en alle vrijwilligen van harte brandoffers. 32 En het getal van de brandoffers, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle voor JAHWEH als brandoffer. 33 Nog waren van de geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen. 34 Maar van de priesters waren er te weinig, en zij konden al de brandoffers de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broers, de Levieten, totdat het werk geëindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesters. 35 En ook waren de brandoffers in menigte, met het vet van de dankoffers, en met de drankoffers, voor de brandoffers; zo werd de dienst van het huis van JAHWEH besteld. 36 Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over wat God het volk voorbereid had; want deze zaak gebeurde haastig. ### 2 Kronieken 30 1 Daarna zond Jehizkia tot het hele Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis van JAHWEH te Jeruzalem, om voor JAHWEH, de God van Israël, pascha te houden. 2 Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de hele gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand. 3 Want zij hadden het niet kunnen houden in die tijd, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem. 4 En deze zaak was recht in de ogen van de koning, en in de ogen van de hele gemeente. 5 Zo stelden zij dat, dat men een stem door geheel Israël, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha voor JAHWEH, de God van Israël, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, zoals het geschreven was. 6 De lopers dan gingen heen met de brieven van de hand van de koning en van zijn vorsten, door geheel Israël en Juda, en naar het gebod van de koning, zeggende: U, Israëlieten, bekeert u tot JAHWEH, de God van Abraham, Izak en Israël, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die u overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië. 7 En weest niet als uw vaders en als uw broers, die tegen JAHWEH, de God van hun vaders, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, zoals u ziet. 8 Verhard nu uw nek niet, zoals uw vaders; geef JAHWEH de hand, en komt tot Zijn heiligdom, dat Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient JAHWEH, uw God; zo zal de hitte van Zijn toorn van u afkeren. 9 Want als u zich bekeert tot JAHWEH, zullen uw broers en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht van degenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen terugkomen; want JAHWEH, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo u zich tot Hem bekeert. 10 Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; maar zij belachten hen, en bespotten hen. 11 Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem. 12 Ook was de hand van God in Juda, hun dezelfde hart gevende, dat zij het gebod van de koning en van de vorsten deden, naar het woord van JAHWEH. 13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volk, om het feest van de ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente. 14 En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, dat zij in de beek Kidron wierpen. 15 Toen slachtten zij het pascha, op de veertiende van de tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandoffers gebracht in het huis van JAHWEH. 16 En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, de man van God; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand van de Levieten. 17 Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting van de paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die voor JAHWEH te heiligen. 18 Want een menigte van het volk, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet zoals geschreven is. Maar Jehizkia bad voor hen, zeggende: JAHWEH, die goed is, make verzoening voor die. 19 Die zijn hele hart gericht heeft, om God JAHWEH, de God van zijn vaders, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid van het heiligdom. 20 En JAHWEH verhoorde Jehizkia, en heelde het volk. 21 Zo hielden de Israëlieten, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesters prezen JAHWEH, dag op dag, met sterk luidende instrumenten van JAHWEH. 22 En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis van JAHWEH; en zij aten de offergaven van de vastgestelde hoogtijd zeven dagen, offerende dankoffers, en lovende JAHWEH, de God van hun vaders. 23 Als nu de hele gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap. 24 Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend stieren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend stieren en tien duizend schapen; de priesters nu hadden zich in menigte geheiligd. 25 En de hele gemeente van Juda verblijdde zich, en ook de priesters en de Levieten, en de hele gemeente van degenen, die uit Israël gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israël gekomen waren, en die in Juda woonden. 26 Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was zoiets in Jeruzalem niet geweest. 27 Toen stonden de Levietische priesters op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in de hemel. ### 2 Kronieken 31 1 Als zij nu dit alles voltooid hadden, trokken alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit geheel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de Israëlieten weer, een ieder tot zijn bezitting in hun steden. 2 En Hizkia bestelde de verdelingen van de priesters en van de Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesters en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankoffers, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers van JAHWEH; 3 Ook het deel van de koning van zijn bezittingen tot de brandoffers, tot de brandoffers 's morgens en 's avonds, en de brandoffers van de sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van de vastgestelde hoogtijden; zoals geschreven is in de wet van JAHWEH. 4 En hij zei tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel van de priesters en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet van JAHWEH. 5 Toen nu dat woord uitbrak, brachten de Israëlieten vele eerstelingen van koren, nieuwe wijn, en olie, en honing, en van al de inkomsten van het veld; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte. 6 En de kinderen van Israël en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van de runderen en van de schapen, en tienden van de heilige dingen, die aan JAHWEH, hun God, geheiligd waren, en maakten vele hopen. 7 In de derde maand begonnen zij de grond van die hopen te leggen, en in de zevende maand voltooiden zij. 8 Toen nu Jehizkia en de vorsten kwamen en die hopen zagen, zegenden zij JAHWEH en Zijn volk Israël. 9 En Jehizkia ondervraagde de priesters en de Levieten aangaande die hopen. 10 En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zei: Van dat men dit hefoffer begonnen heeft tot het huis van JAHWEH te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want JAHWEH heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is. 11 Toen zei Jehizkia, dat men kamers aan het huis van JAHWEH bereiden zou; en zij bereidden ze. 12 Daarin brachten zij die hefoffer, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonanja, de Leviet, overste, en Simeï, zijn broer, de tweede. 13 Maar Jehiël, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliël, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzichters, onder de hand van Chonanja en Simeï, zijn broer; door het bevel van de koning Jehizkia en van Azaria, de overste van het huis van God. 14 En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortwachter tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer van JAHWEH en het allerheiligste uit te delen. 15 En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden van de priesters, met getrouwigheid, om aan hun broers in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen: 16 (Naast die gesteld waren in het geslachtsregister van de mannen, drie jaar oud en daarboven) allen, die in het huis van JAHWEH gingen, tot het dagelijkse werk op elke dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen. 17 En met die gesteld waren in het geslachtsregister van de priesters naar het huis van hun vaders, ook de Levieten van twintig jaar oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen; 18 Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters, door de hele gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd. 19 Ook waren onder de kinderen van Aäron, de priesters, op de velden van de voorsteden van hun steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle mannen onder de priesters en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven. 20 En zo deed Jehizkia in geheel Juda; en hij deed dat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht van JAHWEH, van zijn God. 21 En in alle werk, dat hij begon in de dienst van het huis van God, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn hele hart, en had voorspoed. ### 2 Kronieken 32 1 Na deze geschiedenissen en de bevestiging daarvan, kwam Sanherib, de koning van Assyrië, en trok in Juda, en sloeg zijn kamp op tegen de versterkte steden, en dacht ze tot zich af te scheuren. 2 Jehizkia nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht was tot de oorlog tegen Jeruzalem; 3 Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem. 4 Want veel volk werd verzameld, dat al de fonteinen stopte, en ook de beek, die door het midden van het land henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrië komen, en veel water vinden? 5 Zo versterkte hij zich, en bouwde de hele muur op, die gebroken was, die hij optrok tot aan de torens, met een andere muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad van David; en hij maakte geweer en schilden in menigte. 6 En hij stelde oorlogsoversten over het volk, en hij verzamelde hen tot zich in de straat van de stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende: 7 Weest sterk, en hebt een goede moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht van de koning van Assyrië, noch voor het aangezicht van de hele menigte, die met hem is; want met ons is er meer, dan met hem. 8 Met hem is een vleselijke arm, maar met ons is JAHWEH, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, de koning van Juda. 9 Na deze zond Sanherib, de koning van Assyrië, zijn knechten naar Jeruzalem, (maar hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkia, de koning van Juda, en tot het hele Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende: 10 Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarom vertrouwt u, dat u te Jeruzalem blijft in de vesting? 11 Ruit u Jehizkia niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: JAHWEH, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië redden? 12 Heeft niet dezelfde Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult u zich nederbuigen, en daarop roken? 13 Weet u niet, wat ik gedaan heb, en mijn vaders aan alle volken van de landen? Hebben de goden van de natiën van die landen hun land enigszins kunnen redden uit mijn hand? 14 Wie is er onder alle goden van die natiën, die mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden? 15 Nu dan, dat Jehizkia u niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en uit de hand van mijn vaders kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden? 16 Daartoe spraken zijn knechten nog meer tegen God, JAHWEH, en tegen Zijn knecht Jehizkia. 17 Ook schreef hij brieven, om JAHWEH de God van Israël, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Zoals de goden van de natiën van de landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, zo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijn hand niet redden. 18 En zij riepen met luide stem, in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op de muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen. 19 En zij spraken van de God van Jeruzalem, als van de goden van de volkeren van de aarde, een werk van mensenhanden. 20 Maar de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar de hemel. 21 En JAHWEH zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië vernietigde. Zo is hij met schaamte van het aangezicht in zijn land teruggekeerd; en als hij in het huis van zijn god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren. 22 Zo verloste JAHWEH Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit de hand van allen; en Hij geleidde hen rondom heen. 23 En velen brachten geschenken tot JAHWEH te Jeruzalem, en kostbaarheden tot Jehizkia, de koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd. 24 In die dagen werd Jehizkia ziek tot stervens toe, en hij bad tot JAHWEH, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken. 25 Maar Jehizkia deed geen vergelding, naar de weldaad aan hem gebeurd, omdat zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote boosheid. 26 Maar Jehizkia verootmoedigde zich om de verheffing van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote boosheid van JAHWEH over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia. 27 Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap; 28 Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en nieuwe wijn, en olie; en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden. 29 Daartoe had hij zich steden gemaakt, en ook bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote bezittingen. 30 Maar Jehizkia stopte ook de opperuitgang van de wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen van de stad van David; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk. 31 Maar het is zo, als de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land gebeurd was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was. 32 Het overige nu van de geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het visioen van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek van de koningen van Juda en Israël. 33 En Jehizkia ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven van de zonen van David; daartoe deden geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 33 1 Manasse was twaalf jaar oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem. 2 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar de gruwelijke dingen van de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten uit de bezitting verdreven had. 3 Want hij bouwde de hoogten weer op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte voor de Baäls altaren op, en maakte bossen, en boog zich neer voor al het leger van de hemel, en diende ze; 4 En bouwde altaren in het huis van JAHWEH, waarvan JAHWEH gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid. 5 Daartoe bouwde hij altaren voor al het leger van de hemel, in beide de voorhoven van het huis van JAHWEH. 6 En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal van de zoon van Hinnom, en pleegde bezwering, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen van JAHWEH, om Hem tot toorn te verwekken. 7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid. 8 En Ik zal de voet van Israël niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaders besteld heb; alleen zo zij waarnemen te doen, al wat Ik hun geboden heb, naar de hele wet, en voorschriften, en rechten, door de hand van Mozes. 9 Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die JAHWEH voor het aangezicht van de Israëlieten vernietigd had. 10 JAHWEH sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. 11 Daarom bracht JAHWEH over hen de oorlogsoversten, die de koning van Assyrië had, die Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. 12 En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht van JAHWEH, van zijn God, ernstig aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God van zijn vaders, 13 En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weer te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat God JAHWEH is. 14 En na deze bouwde hij de buitenmuur aan de stad van David, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot de ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief die zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle versterkte steden in Juda. 15 En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis van JAHWEH weg, en ook al de altaren, die hij gebouwd had op de berg van het huis van JAHWEH, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad. 16 En hij richtte het altaar van JAHWEH toe, en offerde daarop dankoffers en lofoffers, en zei tot Juda, dat zij JAHWEH, de God van Israël, dienen zouden. 17 Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan JAHWEH, hun God. 18 Het overige nu van de geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden van de zieners, die tot hem gesproken hebben in de Naam van JAHWEH, de God van Israël, ziet, die zijn in de geschiedenissen van de koningen van Israël; 19 En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, voordat hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden van de zieners. 20 En Manasse ontsliep met zijn vaders, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats. 21 Amon was twee en twintig jaar oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem. 22 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, zoals zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al de gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze. 23 Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht van JAHWEH, zoals Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld. 24 En zijn knechten maakten een samenzwering tegen hem, en doodden hem in zijn huis. 25 Maar het volk van het land sloeg hen allen, die de samenzwering tegen de koning Amon gemaakt hadden; en het volk van het land maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats. ### 2 Kronieken 34 1 Josia was acht jaar oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem. 2 En hij deed dat recht was in de ogen van JAHWEH, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand. 3 Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen. 4 En men brak voor zijn aangezicht af de altaren van de Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog daarboven waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven van degenen, die hun geofferd hadden. 5 En de beenderen van de priesters verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem. 6 Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom, 7 Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het hele land van Israël; daarna keerde hij weer naar Jeruzalem. 8 In het achttiende jaar nu van zijn regering, als hij het land en het huis gereinigd had, zond hij Safan, de zoon van Azalia, en Maaseja, de overste van de stad, en Joha, de zoon van Joahaz, de kanselier, om het huis van JAHWEH, van zijn God, te verbeteren. 9 En zij kwamen tot Hilkia, de hogepriester, en zij gaven het geld, dat in het huis van God gebracht was, dat de Levieten, die de dorpel bewaarden, verzameld hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het hele overblijfsel van Israël, en uit geheel Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren; 10 Zij nu gaven het in de hand van de verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis van JAHWEH, en deze gaven dat aan degenen, die het werk deden, die arbeidden aan het huis van JAHWEH, om het huis te vermaken en te verbeteren. 11 Want zij gaven het de werkmeesters en de bouwers, om gehouwen stenen te kopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen, die de koningen van Juda verdorven hadden. 12 En die mannen handelden trouw in dit werk; en de bestelden daarover waren Jahath en Obadja, Levieten van de kinderen van Merari, en ook Zacharia en Mesullam, van de kinderen van de Kahathieten, om het werk voort te drijven; en die Levieten waren allen verstandig op instrumenten van muziek. 13 Zij waren ook over de lastdragers, en de voortdrijvers van allen, die in enig werk arbeidden; want uit de Levieten waren schrijvers, en voormannen, en poortwachters. 14 En als zij het geld uitnamen, dat in het huis van JAHWEH gebracht was, vond de priester Hilkia het wetboek van JAHWEH, gegeven door de hand van Mozes. 15 En Hilkia antwoordde en zei tot Safan, de schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het huis van JAHWEH. En Hilkia gaf Safan dat boek. 16 En Safan droeg dat boek tot de koning; daarbenevens bracht hij nog de koning bescheid weer, zeggende: Al wat in de hand van uw knechten gegeven is, dat doen zij; 17 En zij hebben het geld samengestort, dat in het huis van JAHWEH gevonden is, en hebben het gegeven in de hand van de bestelden, en in de hand van degenen, die het werk maakten. 18 Verder gaf Safan, de schrijver, de koning te kennen, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning. 19 Het gebeurde nu, als de koning de woorden van de wet hoorde, dat hij zijn kleren scheurde. 20 En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, de knecht van de koning, zeggende: 21 Ga heen, vraagt JAHWEH voor mij, en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden van dit boek, dat gevonden is; want de woede van JAHWEH is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het woord van JAHWEH, om te doen naar al wat in dat boek geschreven is. 22 Toen ging Hilkia heen, en die van de koning waren, tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, de zoon van Tokhath, de zoon van Hasra, de klederbewaarder. Zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede deel; en zij spraken dat tot haar. 23 En zij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zeg de man, die u tot mij gezonden heeft: 24 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats en over haar inwoners brengen; al de vloeken, die geschreven zijn in het boek, dat men voor het aangezicht van de koning van Juda gelezen heeft. 25 Omdat zij Mij verlaten, en andere goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met alle werken van hun handen; zo zal Mijn woede uitgegoten worden tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden. 26 Maar tot de koning van Juda, die u gezonden heeft, om JAHWEH te vragen, tot hem zult u zo zeggen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Voor wat betreft de woorden, die u hebt gehoord; 27 Omdat uw hart week geworden is, en u zich voor het aangezicht van God vernederd hebt, als u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en hebt u vernederd voor Mijn aangezicht, en uw kleren gescheurd, en geweend voor Mijn aangezicht, zo heb Ik u ook verhoord, spreekt JAHWEH. 28 Zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaders, en u zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al dat kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten de koning dit antwoord weer. 29 Toen zond de koning heen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem. 30 En de koning ging op in het huis van JAHWEH, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en ook de priesters en de Levieten, en al het volk, van de grote tot de kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat in het huis van JAHWEH gevonden was. 31 En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor het aangezicht van JAHWEH, om JAHWEH na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn voorschriften, met zijn hele hart en met zijn hele ziel, te onderhouden, doende de woorden van het verbond, die in dat boek geschreven zijn. 32 En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun vaders. 33 Josia dan deed alle gruwelijke dingen weg uit alle landen, die van de Israëlieten waren, en maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen; te dienen JAHWEH, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van JAHWEH, de God van hun vaders, na te volgen. ### 2 Kronieken 35 1 Daarna hield Josia het pascha voor JAHWEH te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op de veertiende van de eerste maand. 2 En hij stelde de priesters op hun wachten; en hij sterkte hen tot de dienst van het huis van JAHWEH. 3 En hij zei tot de Levieten, die geheel Israël onderwezen, die voor JAHWEH heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; u hebt geen last op de schouders; dient nu JAHWEH, uw God, en Zijn volk Israël; 4 En bereidt u naar de huizen van uw vaders, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, de koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo; 5 En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding van de vaderlijke huizen, voor uw broers, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen van de Levieten; 6 En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broers, doende naar het woord van JAHWEH, door de hand van Mozes. 7 En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasoffers, naar al wat er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van de bezittingen van de koning. 8 Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesters, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiël, de oversten van het huis van God, gaven de priesters tot paasoffers, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen. 9 Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneël, zijn broers, en ook Hasabja, en Jeiël, en Jozabad, de oversten van de Levieten, gaven de Levieten tot paasoffers, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen. 10 Zo werd de dienst toebereid; en de priesters stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod van de koning. 11 Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af. 12 En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen van de vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om aan JAHWEH te offeren, zoals geschreven is in het boek van Mozes; en zo met de runderen. 13 En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastig onder al het volk. 14 Daarna bereidden zij ook voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren tot aan de nacht in het offeren van de brandoffers en van het vet; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf, en voor de priesters, de zonen van Aäron. 15 En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener van de koning, en ook de poortwachters aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, omdat hun broers, de Levieten, voor hen bereidden. 16 Zo werd de hele dienst van JAHWEH op deze dag beschikt, om pascha te houden, en brandoffers op het altaar van JAHWEH te offeren, naar het gebod van de koning Josia. 17 En de Israëlieten, die er gevonden werden, hielden het pascha in die tijd, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen. 18 Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, de profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, zoals dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en geheel Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem. 19 In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden. 20 Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, trok Necho, de koning van Egypte, op, om te strijden tegen Karchemis, aan de Frath; en Josia trok uit hem tegemoet. 21 Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? Wat u betreft, ik ben vandaag tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve. 22 Maar Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo. 23 En de schutters schoten de koning Josia. Toen zei de koning tot zijn knechten: Voer mij weg, want ik ben zeer gewond. 24 En zijn knechten namen hem weg van de wagen, en voerden hem op de tweede wagen, die hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven van zijn vaders; en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; evenzo alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op deze dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen. 26 Het overige nu van de geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet van JAHWEH; 27 Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek van de koningen van Israël en van Juda. ### 2 Kronieken 36 1 Toen nam het volk van het land Joahaz, de zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in de plaats van zijn vader, te Jeruzalem. 2 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. 3 Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud. 4 En de koning van Egypte maakte zijn broer Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broer Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte. 5 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, van zijn God. 6 Nebukadnezar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel. 7 Nebukadnezar bracht ook van de voorwerpen van het huis van JAHWEH naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel. 8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelijke dingen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek van de koningen van Israël en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 9 Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH. 10 En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnezar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke voorwerpen van het huis van JAHWEH; en hij maakte zijn broer Zedekia koning over Juda en Jeruzalem. 11 Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem. 12 En hij deed dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, van zijn God; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van de profeet Jeremia, sprekende uit de mond van JAHWEH. 13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnezar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot JAHWEH, de God van Israël. 14 Ook maakten alle oversten van de priesters, en het volk, van de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelijke dingen van de heidenen; en zij verontreinigden het huis van JAHWEH, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem. 15 En JAHWEH, de God van hun vaders, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij spaarde Zijn volk en Zijn woning. 16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten; totdat de woede van JAHWEH tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was. 17 Want Hij deed tegen hen opkomen de koning van de Chaldeeën, die hun jongemannen met het zwaard in het huis van hun heiligdom doodde, en hij spaarde de jongemannen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand. 18 En alle voorwerpen van het huis van God, de grote en de kleine, en de schatten van het huis van JAHWEH, en de schatten van de koning en van zijn vorsten, dit alles voerde hij naar Babel. 19 En zij verbrandden het huis van God, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke voorwerpen daarvan. 20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren van het koninkrijk van Perzië; 21 Opdat het woord van JAHWEH vervuld werd, door de mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren. 22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht werd het woord van JAHWEH, door de mond van Jeremia, verwekte JAHWEH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn hele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: JAHWEH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? JAHWEH, zijn God, zij met hem, en hij trekke op. ## Ezra ### Ezra 1 1 In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht werd het woord van JAHWEH, uit de mond van Jeremia, verwekte JAHWEH de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn hele koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende: 2 Zo zegt Kores, koning van Perzië: JAHWEH, de God van de hemel, heeft mij alle koninkrijken van de aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is. 3 Wie is onder u van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis van JAHWEH, van de God van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont. 4 En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen van zijn plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met bezittingen, en met beesten; naast een vrijwillige gave, voor het huis van God, Die te Jeruzalem woont. 5 Toen maakten zich op de familiehoofden van Juda en Benjamin, en de priesters en de Levieten, naast een ieder wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis van JAHWEH, die te Jeruzalem woont. 6 Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hun handen met zilveren voorwerpen, met goud, met bezittingen, en met beesten, en met kostbaarheden; naast alles, wat vrijwillig gegeven werd. 7 Ook bracht de koning Kores uit, de voorwerpen van het huis van JAHWEH, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis van zijn god. 8 En Kores, de koning van Perzië, bracht ze uit door de hand van Mithredath, de schatmeester, die ze aan Sesbazar, de vorst van Juda, toetelde. 9 En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen; 10 Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere voorwerpen, duizend. 11 Alle voorwerpen van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem. ### Ezra 2 1 Dit zijn de kinderen van dat gewest, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn teruggekeerd, ieder naar zijn stad; 2 Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël. 3 De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig. 4 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig. 5 De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig. 6 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf. 7 De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 8 De kinderen van Zatthu, negenhonderd vijf en zestig. 9 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig. 10 De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig. 11 De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig. 12 De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig. 13 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig. 14 De kinderen van Bigvai, twee duizend zes en vijftig. 15 De kinderen van Adin, vierhonderd vier en vijftig. 16 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig. 17 De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig. 18 De kinderen van Jora, honderd en twaalf. 19 De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig. 20 De kinderen van Gibbar, vijf en negentig. 21 De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig. 22 De mannen van Netofa, zes en vijftig. 23 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig. 24 De kinderen van Azmaveth, twee en veertig. 25 De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig. 26 De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig. 27 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig. 28 De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig. 29 De kinderen van Nebo, twee en vijftig. 30 De kinderen van Magbis, honderd zes en vijftig. 31 De kinderen van de andere Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig. 32 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig. 33 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig. 34 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig. 35 De kinderen van Senaä, drie duizend zeshonderd en dertig. 36 De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig. 37 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig. 38 De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig. 39 De kinderen van Harim, duizend en zeventien. 40 De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig. 41 De zangers. De kinderen van Asaf honderd acht en twintig. 42 De kinderen van de poortwachters. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig. 43 De tempelknechten. De kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 44 De kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon; 45 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub; 46 De kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan; 47 De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja; 48 De kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam; 49 De kinderen van Uza, de zonen van Paseah, de kinderen van Bezai; 50 De kinderen van Asna, de kinderen van de Mehunim, de kinderen van de Nefusim; 51 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 52 De kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 53 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 54 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa. 55 De kinderen van de knechten van Salomo. De kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Peruda; 56 De kinderen van Jaala, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 57 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami. 58 Al de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 59 Deze trokken ook op van Tel-Melah, Tel-Harsa, Cherub, Addan en Immer; maar zij konden van hun vaders huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren. 60 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig. 61 En van de kinderen van de priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was. 62 Deze zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 63 En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, voordat er een priester stond met urim en met thummim. 64 Deze hele gemeente samen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig. 65 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen. 66 Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 67 Hun kamelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezels, zes duizend zevenhonderd en twintig. 68 En sommigen van de familiehoofden, als zij kwamen in het huis van JAHWEH, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwillig in het huis van God, om dat te zetten op zijn vaste plaats. 69 Zij gaven naar hun vermogen tot de schat van het werk, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken. 70 En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortwachters, en de tempelknechten woonden in hun steden, en geheel Israël in zijn steden. ### Ezra 3 1 Toen nu de zevende maand aankwam, en de Israëlieten in de steden waren, verzamelde zich het volk, als één enig man, te Jeruzalem. 2 En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broers, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en zijn broers, en zij bouwden het altaar van de God van Israël, om daarop brandoffers te offeren, zoals geschreven is in de wet van Mozes, de man van God. 3 En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken van de landen; en zij offerden daarop brandoffers voor JAHWEH, brandoffers 's morgens en 's avonds. 4 En zij hielden het feest van de loofhutten, zoals geschreven is; en zij offerden brandoffers dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag. 5 Daarna ook het voortdurende brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle vastgestelde hoogtijden van JAHWEH, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offergave aan JAHWEH vrijwillig offerde. 6 Van de eerste dag af van de zevende maand begonnen zij JAHWEH brandoffers te offeren; maar de grond van de tempel van JAHWEH was niet gelegd. 7 Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook voedsel en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederhout van de Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzië, aan hen. 8 In het tweede jaar nu van hun aankomst in het huis van God te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hun broers, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaar oud en daarboven, om de wacht te houden over het werk van het huis van JAHWEH. 9 Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broers, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als één man, om de wacht te houden over degenen, die het werk deden aan het huis van God, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broers, de Levieten. 10 Als nu de bouwers de grond van de tempel van JAHWEH legden, zo stelden zij de priesters, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om JAHWEH te loven, naar de instelling van David, de koning van Israël. 11 En zij zongen bij beurten, met JAHWEH te loven en te danken, dat Hij goed is, dat Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid is over Israël. En al het volk juichte met groot gejuich, als men JAHWEH loofde over de grondlegging van het huis van JAHWEH. 12 Maar velen van de priesters, en de Levieten, en familiehoofden, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, huilden met luide stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde. 13 Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich van de vreugde, van de stem van het geween van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd. ### Ezra 4 1 Toen nu de tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen van de gevangenis JAHWEH, de God van Israël, de tempel bouwden; 2 Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de familiehoofden, en zeiden tot hen: Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, zoals u; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-haddon, de koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken. 3 Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige familiehoofden van Israël zeiden tot hen: Het past niet, dat u en wij onze God een huis bouwen; maar wij alleen zullen JAHWEH, de God van Israël, bouwen, zoals de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft. 4 Evenwel maakte het volk van het land de handen van het volk van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen; 5 En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. 6 En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin van zijn koninkrijk, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem. 7 En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de tekst van de brief was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd. 8 Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan de koning Arthahsasta, op deze manier: 9 Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten, 10 En de overige volkeren, die de grote en beroemde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde van de rivier, enzovoorts. 11 Dit is een afschrift van de brief, die zij aan hem, aan de koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde van de rivier, enzovoorts. 12 De koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltooien, en de fundamenten samenvoegen. 13 Zo zij nu de koning bekend, als die stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij de belasting, vanouds gevestigde accijns, en tol niet zullen geven, en u zult aan de inkomsten van de koningen schade aanbrengen. 14 Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet past de oneer van de koning te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit de koning bekend gemaakt; 15 Opdat men zoeke in het boek van de kronieken van uw vaders, zo zult u vinden in het boek van de kronieken, en weten, dat die stad een rebelle stad geweest is, en de koningen en gewesten schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is die stad verwoest. 16 Wij maken dan de koning bekend, dat, zo die stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, u daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde van de rivier. 17 De koning zond antwoord aan Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; en ook aan de overigen van deze zijde van de rivier zo: Vrede, enzovoorts. 18 De brief, die u aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen. 19 En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is. 20 Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan de overzijde van de rivier; en hun is belasting, vanouds gevestigde accijns en tol gegeven. 21 Geef dan nu bevel, om die mannen te beletten, dat die stad niet opgebouwd worde, voordat van mij bevel zal worden gegeven. 22 Wees gewaarschuwd, van fout in deze te begaan; waarom zou het verderf tot schade van de koningen aanwassen? 23 Toen, van dat het afschrift van de brief van de koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, de schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, trokken zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met geweld en macht. 24 Toen hield het werk op van het huis van God, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. ### Ezra 5 1 Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in de naam van God van Israël profeteerden zij tot hen. 2 Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten van God, die hen ondersteunden. 3 In die tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden zo tot hen: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltooien? 4 Toen zeiden wij zo tot hen, en welke de namen waren van de mannen, die dit gebouw bouwden. 5 Maar het oog van hun God was over de oudsten van de Joden, dat zij hun niet beletten, voordat de zaak aan Darius kwam, en zij dan daarover een brief wederbrachten. 6 Afschrift van de brief, die Thathnai, de landvoogd aan deze zijde van de rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaïeten, die aan deze zijde van de rivier waren, aan de koning Darius zond. 7 Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was zo geschreven: De koning Darius zij alle vrede. 8 De koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het gewest Juda, naar het huis van de grote God, dat gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt geleid in de wanden; en dat werk wordt haastig gedaan, en gaat voorspoedig door hun handen voort. 9 Toen hebben wij dezelfde oudsten gevraagd, en zo tot hen gezegd: Wie heeft u bevel gegeven dit huis te bouwen, en deze muur te voltooien? 10 Verder hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen van de mannen, die hoofden onder hen zijn. 11 En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van de God van de hemel en van de aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor deze is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken. 12 Maar nadat onze vaders de God van de hemel hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, de Chaldeer; die dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd. 13 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis van God te bouwen. 14 Ja, de voorwerpen van Gods huis, die van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelfde gebracht in de tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit de tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, die hij tot een landvoogd had gesteld. 15 En hij zei tot hem: Neem deze voorwerpen, ga ze afvoeren in de tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis van God gebouwd worden op zijn plaats. 16 Toen kwam dezelfde Sesbazar; hij legde de fundamenten van het huis van God, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, maar niet volbracht. 17 Zo het dan nu de koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis van de koning daar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van de koning Kores gegeven zij, om dit huis van God te Jeruzalem te bouwen; en dat men ons het goeddunken van de koning hierover toezende. ### Ezra 6 1 Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel. 2 En te Achmetha, in de burcht, die in het gewest Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was zo geschreven: GEDACHTENIS; 3 In het eerste jaar van de koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis van God te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offergaven offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen; 4 Met drie rijen van grote steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit het huis van de koning gegeven worden. 5 Daartoe zal men ook de gouden en zilveren voorwerpen van het huis van God, die Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar de tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren in het huis van God. 6 Nu, u Thathnai, landvoogd aan de overzijde van de rivier, u Sthar-Boznai, met uw gezelschap, u Afarsechaïeten, die aan de overzijde van de rivier bent, wees verre van daar! 7 Laat hen aan de arbeid van dit huis van God; dat de landvoogd van de Joden en de oudsten van de Joden dit huis van God bouwen aan zijn plaats. 8 Ook wordt van mij bevel gegeven, wat u doen zult aan de oudsten van deze Joden, om dit huis van God te bouwen; te weten, dat uit de goederen van de koning, van de belasting aan de overzijde van de rivier, de onkosten deze mannen spoedig gegeven worden, opdat men hen niet belette. 9 En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandoffers aan de God van de hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen van de priesters, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen fout zij; 10 Opdat zij offergaven van liefelijke reuk aan de God van de hemel offeren, en bidden voor het leven van de koning en van zijn kinderen. 11 Verder wordt bevel van mij gegeven, dat al degene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een mesthoop gemaakt worden. 12 De God nu, die Zijn Naam daar heeft doen wonen, werpe ter neer alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis van God, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoedig gedaan worde. 13 Toen deden Thathnai, de landvoogd aan de overzijde van de rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoedig zo, naar wat de koning Darius gezonden had. 14 En de oudsten van de Joden bouwden en gingen voorspoedig voort, door de profetie van de profeet Haggai en Zacharia, de zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van de God van Israël, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzië. 15 En dit huis werd volbracht op de derde dag van de maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk van de koning Darius. 16 En de Israëlieten, de priesters en Levieten, en de overige kinderen van de gevangenis deden de inwijding van dit huis van God met vreugde. 17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis van God, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, als zondoffer voor geheel Israël, naar het getal van de stammen van Israël. 18 En zij stelden de priesters in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot de dienst van God, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift van het boek van Mozes. 19 Ook hielden de kinderen van de gevangenis het pascha, op de veertienden van de eerste maand. 20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als één enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen van de gevangenis, en voor hun broers, de priesters, en voor zichzelf. 21 Zo aten de Israëlieten, die uit de gevangenis wedergekomen waren, en ook al wie zich van de onreinheid van de heidenen van het land tot hen afgezonderd had, om JAHWEH, de God van Israël, te zoeken. 22 En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want JAHWEH had hen verblijd, en het hart van de koning van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis van God, van de God van Israël. ### Ezra 7 1 Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Seraja, de zoon van Azarja, de zoon van Hilkia, 2 De zoon van Sallum, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitub, 3 De zoon van Amarja, de zoon van Azarja, de zoon van Merajoth, 4 De zoon van Zerahja, de zoon van Uzzi, de zoon van Bukki, 5 De zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de hoofdpriester. 6 Deze Ezra trok op uit Babel; en hij was een bekwaam schriftgeleerde in de wet van Mozes, die JAHWEH, de God van Israël, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand van JAHWEH, van zijn God, over hem, al zijn verzoek. 7 Ook sommigen van de Israëlieten, en van de priesters en de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en de tempelknechten, trokken op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van de koning Arthahsasta. 8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar van deze koning. 9 Want op de eerste van de eerste maand was het begin van de optocht uit Babel, en op de eerste van de vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand van zijn God over hem. 10 Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet van JAHWEH te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de voorschriften en de rechten. 11 Dit is nu het afschrift van de brief, die de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde; de schriftgeleerde van de woorden van de geboden van JAHWEH, en Zijn voorschriften over Israël: 12 Arthahsasta koning van de koningen, aan Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, volkomen vrede enzovoorts. 13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van zijn priesters en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga. 14 Omdat u van voor de koning en zijn zeven raadsheren gezonden bent, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet van uw God, die in uw hand is; 15 En om heen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwillig gegeven hebben aan de God van Israël, Wiens woning te Jeruzalem is; 16 En ook al het zilver en goud, dat u vinden zult in het hele gewest van Babel, met de vrijwillige gave van het volk en van de priesters, die vrijwillig geven, in het huis van hun God, dat te Jeruzalem is; 17 Opdat u spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun voedseloffers, en hun drankoffers, en die offert op het altaar van het huis van uw God, dat te Jeruzalem is. 18 Daartoe, wat u en uw broers goed dunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult u doen naar het welgevallen van uw God. 19 En geef de voorwerpen, die u gegeven zijn tot de dienst van het huis van uw God, weer voor de God van Jeruzalem. 20 Het overige nu, dat nodig zal zijn voor het huis van uw God, dat u voorvallen zal uit te geven, zult u geven uit het schathuis van de koning. 21 En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan de overzijde van de rivier bent, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde van de wet van de God van de hemel, van u zal begeren, spoedig gedaan worde; 22 Tot honderd talenten zilver toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift. 23 Al wat naar het bevel van de God van de hemel is, dat het vlijtig gedaan worde, voor het huis van de God van de hemel; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk van de koning en van zijn kinderen? 24 Ook laten wij u weten, aangaande alle priesters en Levieten, zangers, poortwachters, tempelknechten en dienaren van het huis van deze God, dat men de belasting, vanouds gevestigde accijns en tol hun niet zal vermogen op te leggen. 25 En u, Ezra, naar de wijsheid van uw God, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan de overzijde van de rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult u die bekend maken. 26 En al wie de wet van uw God en de wet van de koning niet zal doen, over die laat spoedig recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden. 27 Geloofd zij JAHWEH, de God van onze vaders, Die zoiets in het hart van de koning gegeven heeft, om te versieren het huis van JAHWEH, dat te Jeruzalem is. 28 En heeft tot mij goedertierenheid geneigd, voor het aangezicht van de koning en van zijn raadsheren, en aller geweldige vorsten van de koning! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand van JAHWEH, van mijn God, over mij, en de hoofden uit Israël verzameld, om met mij op te trekken. ### Ezra 8 1 Dit nu zijn de familiehoofden, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van de koning Arthahsasta. 2 Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus. 3 Van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Zacharja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan mannen, honderd en vijftig. 4 Van de kinderen van Pahath-moab, Eljehoenai, de zoon van Zerahja; en met hem tweehonderd mannen. 5 Van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahaziël; en met hem driehonderd mannen. 6 En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jonathan; en met hem vijftig mannen. 7 En van de kinderen van Elam, Jesaja, de zoon van Athalja; en met hem zeventig mannen. 8 En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig mannen. 9 En van de kinderen van Joab, Obadja, de zoon van Jehiël; en met hem tweehonderd en achttien mannen. 10 En van de kinderen van Selomith, de zoon van Josifja; en met hem honderd en zestig mannen. 11 En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig mannen. 12 En van de kinderen van Azgad, Johanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien mannen. 13 En van de laatste kinderen van Adonikam, van wie de namen deze waren: Elifelet, Jehiël, en Semaja; en met hen zestig mannen. 14 En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig mannen. 15 En ik verzamelde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons daar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesters, en vond daar geen van de kinderen van Levi. 16 Zo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars; 17 En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broer, en de tempelknechten, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaren voor het huis van onze God. 18 En zij brachten ons, naar de goede hand van onze God over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, de zoon van Levi, de zoon van Israël; namelijk Serebja, met zijn zonen en broers, achttien; 19 En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broers, en hun zonen, twintig; 20 En van tempelknechten, die David en de vorsten ten dienste van de Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig tempelknechten, die allen bij namen genoemd werden. 21 Toen riep ik daar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht van onze God, om van Hem te verzoeken een rechte weg, voor ons, en voor onze kinderen, en voor al onze bezittingen. 22 Want ik schaamde mij van de koning een leger en ruiters te begeren, om ons te helpen van de vijand, op de weg; omdat wij tot de koning hadden gesproken, zeggende: De hand van onze God is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten. 23 Zo vastten wij; en verzochten dat van onze God; en Hij liet zich van ons verbidden. 24 Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten van de priesters: Serebja, Hasabja, en tien van hun broers met hen. 25 En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de voorwerpen, zijnde de offering van het huis van onze God die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en geheel Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden; 26 Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilver, en honderd zilveren voorwerpen in talenten; aan goud, honderd talenten; 27 En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee voorwerpen van blinkend goed koper, begeerlijk als goud. 28 En ik zei tot hen: U bent heilig JAHWEH, en deze voorwerpen zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, JAHWEH, de God van uw vaders. 29 Waak en bewaart het, totdat u het opweegt, in aanwezigheid van de oversten van de priesters en Levieten, en van de vorsten van de vaders van Israël, te Jeruzalem, in de kamers van het huis van JAHWEH. 30 Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht van het zilver en van het goud, en van de voorwerpen, om te brengen te Jeruzalem, in het huis van onze God. 31 Zo verreisden wij van de rivier Ahava, op de twaalfden van de eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand van onze God was over ons, en redde ons van de hand van de vijand, en van degene, die ons hinderlagen legde op de weg. 32 En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven daar drie dagen. 33 Op de vierde dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de voorwerpen, in het huis van onze God, aan de hand van Meremoth, de zoon van Uria, de priester, en met hem Eleazar, de zoon van Pinehas; en met hem Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnui, de Levieten. 34 Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het hele gewicht werd in die tijd opgeschreven. 35 En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden de God van Israël brandoffers; twaalf stieren voor geheel Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken als zondoffer; alles als brandoffer voor JAHWEH. 36 Daarna gaven zij de wetten van de koning aan de stadhouders van de koning en landvoogden aan deze zijde van de rivier; en zij bevorderden het volk en het huis van God. ### Ezra 9 1 Als nu deze dingen voltooid waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken van deze landen, naar hun gruwelijke dingen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. 2 Want zij hebben van hun dochters genomen voor zichzelf en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken van deze landen; ja, de hand van de vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding. 3 Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar van mijn hoofd en van mijn baard uit, en zat verbaasd neer. 4 Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van de God van Israël beefden, om de overtreding van de weggevoerden; maar ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer. 5 En ongeveer het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot JAHWEH, mijn God; 6 En ik zei: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel. 7 Van de dagen van onze vaders af zijn wij in grote schuld tot op deze dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte van het aangezicht, zoals het is te deze dage. 8 En nu is er, als een klein ogenblik, een genade gebeurd van JAHWEH, onze God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid. 9 Want wij zijn knechten; maar in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft goedertierenheid tot ons geneigd voor het aangezicht van de koningen van Perzië, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis van onze God te verhogen, en de woestigheden van hetzelfde op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem. 10 En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na deze? Want wij hebben Uw geboden verlaten, 11 Die U geboden had door de dienst van Uw knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar u inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken van de landen, om hun gruwelijke dingen, waarmee zij dat vervuld hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinheid. 12 Zo zult u nu uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat u sterk wordt, en het goede van het land eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid. 13 En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat U, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is; 14 Zullen wij nu terugkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken van deze gruwelijke dingen? Zou U niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij? 15 O JAHWEH, God van Israël! U bent rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te deze dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om dat. ### Ezra 10 1 Als Ezra zo bad, en als hij deze belijdenis deed, huilend en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israël een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk huilde met groot geween. 2 Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiël, één van de zonen van Elam, en zei tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onze God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken van het land bij ons doen wonen; maar wat dit betreft, er is nu hoop voor Israël. 3 Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar de raad van JAHWEH, en van degenen, die beven voor het gebod van onze God; en laat er gedaan worden naar de wet. 4 Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het. 5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten van de priesters, de Levieten en geheel Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren. 6 En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Johanan, de zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding van de weggevoerden. 7 En zij lieten een stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen van de gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen. 8 En al wie niet kwam in drie dagen, naar de raad van de vorsten en van de oudsten, al zijn bezittingen zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente van de weggevoerden. 9 Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op de twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen. 10 Toen stond Ezra, de priester, op en zei tot hen: U hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen. 11 Nu dan, doet JAHWEH, uw vaders God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken van het land, en van de vreemde vrouwen. 12 En de hele gemeente antwoordde en zei met luide stem: Naar uw woorden, zo komt het ons toe te doen. 13 Maar van het volk is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee; want velen van onze hebben overtreden in deze zaak. 14 Laat toch onze vorsten van de hele gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op vastgestelde tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en van die rechters; totdat wij van ons afwenden de hitte van de toorn van onze God, vanwege deze zaken. 15 Alleen Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen. 16 En de kinderen van de gevangenis deden zo; en Ezra, de priester, met de mannen, de familiehoofden, naar het huis van hun vaders, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten op de eerste dag van de tiende maand, om deze zaak te onderzoeken. 17 En zij voltooiden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op de eerste dag van de eerste maand. 18 En er werden gevonden van de zonen van de priesters, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, de zoon van Jozadak, en zijn broers, Maäseja, en Eliëzer, en Jarib, en Gedalja. 19 En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld. 20 En van de kinderen van Immer: Hanani en Zebadja. 21 En van de kinderen van Harim: Maäseja, en Elia, en Semaja, en Jehiël, en Uzia, 22 En van de kinderen van Pashur: Eljoënai, Maäseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad en Elasa. 23 En van de Levieten: Jozabad, en Simeï, en Kelaja (deze is Kelita), Pethahja, Juda en Eliëzer. 24 En van de zangers: Eljasib; en van de poortwachters: Sallum, en Telem, en Uri. 25 En van Israël: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamin, en Eleazar, en Malchia, en Benaja. 26 En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zacharja, en Jehiël, en Abdi, en Jeremoth, en Elia. 27 En van de kinderen van Zatthu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza. 28 En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai. 29 En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch en Adaja, Jasub en Seal, Jeramoth. 30 En van de kinderen van Pahath-moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maäseja, Mattanja, Bezaleël, en Binnuï, en Manasse. 31 En van de kinderen van Harim: Eliëzer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon. 32 Benjamin, Malluch, Semarja. 33 Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Mattata, Zabad, Elifelet, Jeremai, Manasse, Simeï. 34 Van de kinderen van Bani: Maädai, Amram, en Uël, 35 Benaja, Bedeja, Cheluhu, 36 Vanja, Meremoth, Eljasib, 37 Mattanja, Mathnai, en Jaäsai, 38 En Bani, en Binnuï, Simeï, 39 En Selemja, en Nathan, en Adaja, 40 Machnadbai, Sasai, Saraï, 41 Azareël, Selemja, Semarja, 42 Sallum, Amarja, Jozef. 43 Van de kinderen van Nebo: Jeiël, Mattithja, Zabad, Zebina, Jaddai, en Joël, Benaja. 44 Alle deze hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden. ## Nehemia ### Nehemia 1 1 De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het gebeurde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was; 2 Zo kwam Hanani, één van mijn broers, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vroeg hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem. 3 En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis daar in het gewest zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand. 4 En het gebeurde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neer, en huilde, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van de God van de hemel. 5 En ik zei: Och, JAHWEH, God van de hemel, U, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden. 6 Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed van Uw knecht, dat ik vandaag voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de Israëlieten, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en het huis van mijn vader, wij hebben gezondigd. 7 Wij hebben het geheel tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de voorschriften, noch de rechten, die U Uw knecht Mozes geboden hebt. 8 Gedenk toch aan het woord, dat U Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: U zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien. 9 En u zult zich tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde van de hemel, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik gekozen heb, om Mijn Naam daar te doen wonen. 10 Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand. 11 Och, JAHWEH, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed van Uw knecht, en op het gebed van Uw knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht vandaag wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht van deze man. Ik nu was de schenker van de koning. ### Nehemia 2 1 Toen gebeurde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van de koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik de wijn opnam, en gaf hem de koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht. 2 Zo zei de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo u toch niet ziek bent? Dit is niet dan treurigheid van het hart. Toen vreesde ik geheel zeer. 3 En ik zei tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats van de begrafenissen van mijn vaders, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn? 4 En de koning zei tot mij: Wat verzoekt u nu? Toen bad ik tot God van de hemel. 5 En ik zei tot de koning: Zo het de koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat u mij zendt naar Juda, naar de stad van de begrafenissen van mijn vaders, dat ik ze bouwe. 6 Toen zei de koning tot mij, daar de koningin naast hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult u terugkomen? En het behaagde de koning, dat hij mij zond, als ik hem zekere tijd gesteld had. 7 Verder zei ik tot de koning: Zo het de koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan de overzijde van de rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn; 8 Ook een brief aan Asaf, de bewaarder van de lusthof, die de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand van mijn God over mij. 9 Toen kwam ik tot de landvoogden aan de overzijde van de rivier, en gaf hun de brieven van de koning. En de koning had oversten van het leger en ruiters met mij gezonden. 10 Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de Israëlieten. 11 En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen. 12 Daarna maakte ik mij in de nacht op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed. 13 En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, die verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd. 14 En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar de vijver van de koning; maar daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan. 15 Toen ging ik op, in de nacht, door de beek, en ik brak aan de muur; en ik keerde weer, en kwam in door de Dalpoort; zo keerde ik opnieuw. 16 En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe de Joden, en de priesters, en de edelen, en overheden, en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven. 17 Toen zei ik tot hen: U ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur verbrand zijn; kom, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen; opdat wij niet meer een versmaadheid zijn. 18 En ik gaf hun te kennen de hand van mijn God, Die goed over mij geweest was, als ook de woorden van de koning, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij sterkten hun handen ten goede. 19 Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat u doet? Wilt u tegen de koning rebelleren? 20 Toen gaf ik hun tot antwoord, en zei tot hen: God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar u hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch herinnering in Jeruzalem. ### Nehemia 3 1 En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broers, de priesters, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan de toren Mea, tot aan de toren Hananeël. 2 En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri. 3 De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaä; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. 4 En aan hun hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, de zoon van Mesezabeël; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baëna. 5 Verder aan hun hand verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot de dienst van hun Heere. 6 En de Oude poort verbeterden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. 7 En aan hun hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa; tot aan de stoel van de landvoogd aan deze zijde van de rivier. 8 Aan zijn hand verbeterde Uzziël, de zoon van Harhoja, één van de goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon van één van de apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan de brede muur. 9 En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste van het halve deel van Jeruzalem. 10 Verder aan hun hand verbeterde Jedaja, de zoon van Harumaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja. 11 De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-moab; daartoe de Bakoventoren. 12 En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochters. 13 De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendels; daartoe duizend ellen aan de muur, tot aan de Mistpoort. 14 De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendels. 15 En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendels; daartoe de muur van de vijver Schelah bij de hof van de koning, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad. 16 Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan de gemaakte vijver, en tot aan het huis van de helden. 17 Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand verbeterde Hasabja, de overste van het halve deel van Kehila, in zijn deel. 18 Na hem herstelden hun broers, Bavai, de zoon van Henadad, de overste van het andere halve deel van Kehila. 19 Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een andere maat; tegenover de opgang naar het wapenhuis, aan de hoek. 20 Na hem verbeterde zeer vurig Baruch, de zoon van Zabbai, een andere maat; van de hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, de hogepriester. 21 Na hem verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, de zoon van Koz, een andere maat; van de huisdeur van Eljasib af, tot aan het einde van Eljasibs huis. 22 En na hem verbeterden de priesters, wonende in de vlakke velden. 23 Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde Azaria, de zoon van Maaseja, de zoon van Hananja, bij zijn huis. 24 Na hem verbeterde Binnuï, de zoon van Henadad, een andere maat; van het huis van Azaria tot aan de hoek en tot aan de punt; 25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover de hoek, en de hoge toren over, die uit het huis van de koning uitsteekt, die bij de voorhof van de gevangenis is; na hem Pedaja, de zoon van Paros; 26 De tempelknechten nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en de uitstekende toren. 27 Daarna verbeterden de Thekoieten een andere maat; tegenover de grote uitstekende toren, en tot aan de muur van Ofel. 28 Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesters, ieder tegenover zijn huis. 29 Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort. 30 Na hem verbeterden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer. 31 Na hem verbeterde Malchia, de zoon van een goudsmid, tot aan het huis van de tempelknechten en van de kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt. 32 En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers. ### Nehemia 4 1 Maar het gebeurde, als Sanballat gehoord had, dat wij de muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer boos; en hij bespotte de Joden. 2 En sprak in de aanwezigheid van zijn broers en van het leger van Samaria, en zei: Wat doen deze zwakke Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in één dag voltooien? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn? 3 En Tobia, de Ammoniet, was bij hem, en zei: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren. 4 Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weer op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land van de gevangenis. 5 En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgewist van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwers. 6 Maar wij bouwden de muur, zodat de hele muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart van het volk was om te werken. 7 En het gebeurde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer; 8 En zij maakten allen samen een samenzwering, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken. 9 Maar wij baden tot onze God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, aangaande hen. 10 Toen zei Juda: De kracht van de dragers is afgenomen, en er is veel puin, zodat wij aan de muur niet zullen kunnen bouwen. 11 Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, voordat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; zo zullen wij het werk doen ophouden. 12 En het gebeurde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, waardoor u tot ons terugkeert. 13 Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter de muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun speren en hun bogen. 14 En ik zag toe, en maakte mij op, en zei tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige van het volk: Vrees niet voor hun aangezicht; denk aan die grote en vreselijke JAHWEH, en strijdt voor uw broers, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen. 15 Daarna gebeurde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weer tot de muur, ieder tot zijn werk. 16 En het gebeurde van die dag af, dat de helft van mijn jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de speren, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het hele huis van Juda. 17 Die aan de muur bouwden, en die de last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer. 18 En de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan zijn middel gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij. 19 En ik zei tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige van het volk: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op de muur afgezonderd, de één ver van de ander; 20 Ter plaatse, waar u het geluid van de bazuin zult horen, daarheen zult u zich tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden. 21 Zo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de speren, van het opgaan van de dageraad tot het voortkomen van de sterren toe. 22 Ook zei ik in die tijd tot het volk: Ieder overnachte met zijn jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons in de nacht ter wacht zijn, en overdag aan het werk. 23 Verder noch ik, noch mijn broers, noch mijn jongemannen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze kleren niet uit; ieder had zijn werpspies en water. ### Nehemia 5 1 Maar het geroep van het volk en van hun vrouwen was groot, tegen hun broers, de Joden. 2 Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochters, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. 3 Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in deze honger koren mogen opnemen. 4 Evenzo waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot de belasting van de koning, op onze akkers en onze wijngaarden. 5 Nu is toch ons vlees als het vlees van onze broers, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters tot dienaren; ja, er zijn enige van onze dochters onderworpen, dat zij in de macht van onze handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden. 6 Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer. 7 En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zei tot hen: U vordert een last, ieder van zijn broer. Verder belegde ik een grote vergadering tegen hen. 8 En ik zei tot hen: Wij hebben onze broers, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zou u ook uw broers verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord. 9 Verder zei ik: De zaak is niet goed, die u doet; zou u niet wandelen in de vrees van onze God, om de versmading van de heidenen, onze vijanden? 10 Ik, mijn broers, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch deze last nalaten. 11 Geef hun toch als heden weer hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, de nieuwe wijn en de olie, die u hun hebt afgevorderd. 12 Toen zeiden zij: Wij zullen het teruggeven, en van hen niets zoeken; wij zullen zo doen, als u zegt. En ik riep de priesters, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord. 13 Ook schudde ik mijn boezem uit, en zei: Zo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij zo uitgeschud en leeg. En de hele gemeente zei: Amen! En zij prezen JAHWEH. En het volk deed naar dit woord. 14 Ook van die dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van de koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broers, het brood van de landvoogd niet gegeten. 15 En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkels; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb zo niet gedaan, omwille van de vrees voor God. 16 Daartoe heb ik ook aan het werk aan deze muur verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn daar verzameld geweest tot het werk. 17 Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest. 18 En wat voor één dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogels bereid, en binnen tien dagen van alle wijn zeer veel; nog heb ik bij deze het brood van de landvoogd niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk. 19 Denk aan mij, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb. ### Nehemia 6 1 Verder is het gebeurd, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, de Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik de muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot deze tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten; 2 Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons samenkomen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen. 3 En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot u afkomen? 4 Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze. 5 Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, voor de vijfde keer, zijn jongen, met een open brief in zijn hand. 6 Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: U en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt u de muur, en u zult hun tot koning zijn; naar dat deze zaken zijn. 7 Dat u ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van de koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons samen raadslaan. 8 Maar ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als u zegt, niets gebeurd; maar u versiert ze uit uw hart. 9 Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen! 10 Als ik nu kwam in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zei hij: Laat ons samenkomen in het huis van God, in het midden van de tempel, en laat ons de deuren van de tempel toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden. 11 Maar ik zei: Zou een man, als ik, vluchten? En wie is er, zijnde als ik, die in de tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan. 12 Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden. 13 Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en zo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwade naam, opdat zij mij zouden honen. 14 Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. 15 De muur nu werd volbracht, op de vijf en twintigste van Elul, in twee en vijftig dagen. 16 En het gebeurde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onze God gedaan was. 17 Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen. 18 Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja, de zoon van Arah; en zijn zoon Johanan had genomen de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja. 19 Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij bang te maken. ### Nehemia 7 1 Verder gebeurde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortwachters, en de zangers, en de Levieten werden besteld. 2 En ik gaf bevel aan mijn broer Hanani, en aan Hananja, de overste van de burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen. 3 En ik zei tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, voordat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast u ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn wacht, en ieder tegenover zijn huis. 4 De stad nu was wijd van ruimte en groot; maar er was weinig volk daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd. 5 Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister van degenen, die in het eerst waren opgetrokken, en vond daarin geschreven zo: 6 Dit zijn de kinderen van dat gewest, die optrokken uit de gevangenis van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, ieder tot zijn stad; 7 Die kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raämja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het getal van de mannen van het volk van Israël. 8 De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig; 9 De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig; 10 De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig; 11 De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien; 12 De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 13 De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig; 14 De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig; 15 De kinderen van Binnuï, zeshonderd acht en veertig; 16 De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig; 17 De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig; 18 De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig; 19 De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig; 20 De kinderen van Adin, zeshonderd vijf en vijftig; 21 De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig; 22 De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig; 23 De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig; 24 De kinderen van Harif, honderd en twaalf; 25 De kinderen van Gibeon, vijf en negentig; 26 De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig; 27 De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig; 28 De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig; 29 De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig; 30 De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig; 31 De mannen van Michmas, honderd twee en twintig; 32 De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig; 33 De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig; 34 De kinderen van de andere Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig; 35 De kinderen van Harim, driehonderd en twintig; 36 De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig; 37 De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig; 38 De kinderen van Senaä, drie duizend, negenhonderd en dertig; 39 De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig; 40 De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig; 41 De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig; 42 De kinderen van Harim, duizend en zeventien; 43 De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiël, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig; 44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig; 45 De poortwachters: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd acht en dertig; 46 De tempelknechten: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth; 47 De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon; 48 De kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai; 49 De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar; 50 De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda; 51 De kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paseah; 52 De kinderen van Bezai, de kinderen van Meünim, de kinderen van Nefussim; 53 De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur; 54 De kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa; 55 De kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Thamah; 56 De kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa; 57 De kinderen van de knechten van Salomo; de kinderen van Sotai, de kinderen van Sofereth, de kinderen van Perida; 58 De kinderen van Jaëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel; 59 De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon; 60 Al de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig. 61 Ook trokken deze op van Thel-Melah, Thel-Harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden het huis van hun vaders, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israël waren; 62 De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig. 63 En van de priesters, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was. 64 Deze zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd. 65 En Hattirsatha zei tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, voordat er een priester stond met urim en thummim. 66 Deze hele gemeente samen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig; 67 Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen. 68 Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig; 69 Kamelen, vierhonderd vijf en dertig; ezels, zes duizend, zevenhonderd en twintig. 70 Een deel nu van de familiehoofden gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot de schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken. 71 En anderen van de familiehoofden gaven tot de schat van het werk, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden. 72 En wat de overigen van het volk gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijn, en zeven en zestig priesterrokken. 73 En de priesters, en de Levieten, en de poortwachters, en de zangers, en sommigen van het volk, en de tempelknechten, en geheel Israël, woonden in hun steden. ### Nehemia 8 1 Als nu de zevende maand aankwam, en de Israëlieten in hun steden waren, 2 Zo verzamelde zich al het volk als één enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, de schriftgeleerde, dat hij het boek van de wet van Mozes zou halen, die JAHWEH Israël geboden had. 3 En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, zowel mannen als vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op de eerste dag van de zevende maand. 4 En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op de middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren van het hele volk waren naar het wetboek. 5 En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hoge houten stoel, die zij tot die zaak gemaakt hadden, en naast hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maäseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam. 6 En Ezra opende het boek voor de ogen van het hele volk, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk. 7 En Ezra loofde JAHWEH, de grote God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing van hun handen, en neigden zich, en aanbaden JAHWEH, met de aangezichten ter aarde. 8 Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats. 9 En zij lazen in het boek, in de wet van God, duidelijk; en de zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen. 10 En Nehemia (deze is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is JAHWEH, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk huilde, als zij de woorden van de wet hoorden. 11 Verder zei hij tot hen: Ga, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen aan degenen, voor welke niets bereid is, want deze dag is onze Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap van JAHWEH, die is uw sterkte. 12 En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijg, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet. 13 Toen ging al het volk heen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt. 14 En op de andere dag verzamelden zich de familiehoofden van het hele volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, de schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden van de wet. 15 En zij vonden in de wet geschreven, dat JAHWEH door de hand van Mozes geboden had, dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand; 16 En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Ga uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is. 17 Zo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, ieder op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat van de Waterpoort, en op de straat van Efraïmspoort. 18 En de hele gemeente van degenen, die uit de gevangenis waren teruggekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de Israëlieten hadden zo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, de zoon van Nun, tot op deze dag toe; en er was zeer grote blijdschap. 19 En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van de eerste dag tot de laatste dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op de achtste dag de verbodsdag, naar het recht. ### Nehemia 9 1 Verder op de vier en twintigste dag van deze maand verzamelden zich de Israëlieten met vasten en met zakken, en aarde was op hen. 2 En het zaad van Israël scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en van de ongerechtigheden van hun vaders. 3 Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek van JAHWEH, van hun God, een vierde deel van de dag; en op een ander vierde deel deden zij belijdenis, en aanbaden JAHWEH, hun God. 4 Jesua nu, en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani, stonden op het hoge gestoelte van de Levieten, en riepen met luide stem tot JAHWEH, hun God; 5 En de Levieten, Jesua, en Kadmiël, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Sta op, looft JAHWEH, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love de Naam van Uw heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs! 6 U bent die JAHWEH alleen, U hebt gemaakt de hemel, de hemel van de hemelen, en al hun leger, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en U maakt die allen levend; en het leger van de hemelen aanbidt U. 7 U bent die JAHWEH, de God, Die Abram hebt gekozen, en hem uit Ur van de Chaldeeën uitgevoerd; en U hebt zijn naam gesteld Abraham. 8 En U hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat U zou geven het land van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Amorieten, en van de Ferezieten, en van de Jebusieten, en van de Girgasieten, dat U het aan zijn zaad zou geven; en U hebt Uw woorden bevestigd, omdat U rechtvaardig bent. 9 En U hebt aangezien de ellende van onze vaders in Egypte, en U hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee; 10 En U hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk van zijn land; want U wist, dat zij trots tegen hen handelden; en U hebt U een Naam gemaakt, zoals het op deze dag is. 11 En U hebt de zee voor hun aangezicht gespleten, dat zij in het midden van de zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt U in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren. 12 En U hebt ze overdag geleid met een wolkkolom, en in de nacht met een vuurkolom, om hen te lichten op de weg, waarin zij zouden wandelen. 13 En U bent neergedaald op de berg Sinaï, en hebt met hen gesproken uit de hemel; en U hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en getrouwe wetten, goede voorschriften en geboden. 14 En U hebt Uw heilige sabbat bekend gemaakt; en U hebt hun geboden, en voorschriften en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes. 15 En U hebt hun brood uit de hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en U hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover U Uw hand ophieft, dat U het hun zou geven. 16 Maar zij en onze vaders hebben trots gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden; 17 En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die U bij hen gedaan had, en hebben hun nek verhard, en in hun opstandigheid een hoofd gesteld, om weer te keren tot hun dienstbaarheid. Maar U, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, geduldig, en groot van goedertierenheid, hebt hen evenwel niet verlaten. 18 Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden; 19 Heb U hen toch door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen overdag, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom in de nacht, om hen te lichten, en dat, op de weg, waarin zij zouden wandelen. 20 En U hebt Uw goede Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt U niet geweerd van hun mond, en water hebt U hun gegeven voor hun dorst. 21 Zo hebt U hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun kleren zijn niet versleten, en hun voeten niet gezwollen. 22 Verder hebt U hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoeken. Zo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten, het land van de koning van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan. 23 U hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren van de hemel; en U hebt hen gebracht in het land, waarvan U tot hun vaders had gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten. 24 Zo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en U hebt de inwoners van het land, de Kanaänieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, en ook hun koningen en de volken van het land, om daarmee te doen naar hun welgevallen. 25 En zij hebben versterkte steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van voedsel, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn verzadigd en vet geworden, en hebben in hartstocht geleefd, door Uw grote goedheid. 26 Maar zij zijn opstandig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen terugkeren tot U; zo hebben zij grote lasteren gedaan. 27 Daarom hebt U hen gegeven in de hand van hun benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in de tijd van hun benauwdheid tot U riepen, hebt U van de hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand van hun benauwers verlosten. 28 Maar als zij rust hadden, keerden zij weer om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet U hen in de hand van hun vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt U hen van de hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt. 29 En U hebt tegen hen betuigd, om hen te doen terugkeren tot Uw wet; maar zij hebben trots gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, daartegen hebben zij gezondigd, waardoor een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetrokken, en hun nek verhard, en niet gehoord. 30 Maar U verdroeg het vele jaren over hen, en betuigde tegen hen door Uw Geest, door de dienst van Uw profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt U hen gegeven in de hand van de volken van de landen. 31 Maar door Uw grote barmhartigheden hebt U hen niet vernield, noch hen verlaten; want U bent een genadig en barmhartig God. 32 Nu dan, o onze God, U grote, U machtige, en U vreselijke God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesters; en onze profeten, en onze vaders, en Uw hele volk, van de dagen van de koningen van Assur af tot op deze dag. 33 Maar U bent rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want U hebt trouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld. 34 En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die U tegen hen betuigde. 35 Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw veelvuldig goed, dat U hun gaf, en in dat wijde en dat vette land, dat U voor hun aangezicht gegeven had; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken. 36 Zie, wij zijn vandaag knechten; ja, het land, dat U onze vaders gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten. 37 En het vermenigvuldigt zijn opbrengst voor de koningen, die U over ons gesteld hebt, vanwege onze zonden; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; zo zijn wij in grote benauwdheid. 38 En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesters zullen het verzegelen. ### Nehemia 10 1 Tot de verzegelingen nu waren: Nehemia Hattirsatha, zoon van Hachalja, en Zidkia, 2 Seraja, Azarja, Jeremia, 3 Pashur, Amarja, Malchia, 4 Hattus, Sebanja, Malluch, 5 Harim, Meremoth, Obadja, 6 Daniël, Ginnethon, Baruch, 7 Mesullam, Abia, Mijamin, 8 Maäzia, Bilgai, Semaja. Dit waren de priesters. 9 En de Levieten, namelijk: Jesua, zoon van Azanja, Binnui; van de zonen van Henadad, Kadmiel; 10 En hun broers: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan, 11 Micha, Rehob, Hasabja, 12 Zakkur, Serebja, Sebanja, 13 Hodia, Bani, Beninu; 14 De hoofden van het volk: Parhos, Pahath-moab, Elam, Zatthu, Bani, 15 Bunni, Azgad, Bebai, 16 Adonia, Bigvai, Adin, 17 Ater, Hizkia, Azzur, 18 Hodia, Hasum, Bezai, 19 Harif, Anathoth, Nebai, 20 Magpias, Mesullam, Hezir, 21 Mesezabeel, Zadok, Jaddua, 22 Pelatja, Hanan, Anaja, 23 Hosea, Hananja, Hassub, 24 Hallohes, Pilha, Sobek, 25 Rehum, Hasabna, Maaseja, 26 En Ahia, Hanan, Anan, 27 Malluch, Harim, Baäna. 28 En het overige van het volk, de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempelknechten, en al wie zich van de volken van de landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, al wie wetenschap en verstand had; 29 Die hielden zich aan hun broers, hun voortreffelijken, en kwamen in de vloek en in de eed, dat zij zouden wandelen in de wet van God, die gegeven is door de hand van de knecht van God, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden van JAHWEH, van onze Heere, en Zijn rechten en Zijn voorschriften; 30 En dat wij onze dochters niet zouden geven aan de volken van het land, noch hun dochters nemen voor onze zonen. 31 Ook als de volken van het land waren en alle koren op de sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op de sabbat, of op een andere heilige dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, en ook allerhande bezwaarnis. 32 Verder zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot de dienst van het huis van onze God; 33 Tot het brood van de toerichting, en het voortdurende voedseloffer, en tot het voortdurende brandoffer, van de sabbatten, van de nieuwe maanden, tot de vastgestelde hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondoffers, om verzoening te doen over Israël; en tot alle werk van het huis van onze God. 34 Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou in het huis van onze God, naar het huis van onze vaders, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar van JAHWEH, van onze God, zoals het in de wet geschreven is; 35 Dat wij ook de eerstelingen van ons land en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen in het huis van JAHWEH; 36 En de eerstgeborenen van onze zonen en van onze beesten, zoals het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen van onze runderen en van onze schapen zouden brengen in het huis van onze God, tot de priesters, die in het huis van onze God dienen. 37 En dat wij de eerstelingen van ons deeg, en onze hefoffers, en de vrucht aller bomen, nieuwe wijn en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis van onze God, en de tienden van ons land tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden van onze landbouwerij; 38 En dat er een priester, een zoon van Aäron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden zouden opbrengen in het huis van onze God, in de kamers van het schathuis. 39 Want de Israëlieten en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, nieuwe wijn en olie in die kamers brengen, omdat daar de voorwerpen van het heiligdom zijn, en de priesters, die dienen, en de poortwachters, en de zangers; dat wij zo het huis van onze God niet zouden verlaten. ### Nehemia 11 1 Verder woonden de oversten van het volk te Jeruzalem; maar het overige van het volk wierpen loten, om uit tien één uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden. 2 En het volk zegende al de mannen, die vrijwillig aanboden te Jeruzalem te wonen. 3 En dit zijn de hoofden van het gewest, die te Jeruzalem woonden; (maar in de steden van Juda woonden, ieder op zijn bezitting, in hun steden, Israël, de priesters, en de Levieten, en de tempelknechten, en de kinderen van de knechten van Salomo). 4 Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, de zoon van Zacharja, de zoon van Amarja, de zoon van Sefatja, de zoon van Mahalaleël, van de kinderen van Perez; 5 En Maäseja, de zoon van Baruch, de zoon van Kol-hose, de zoon van Hazaja, de zoon van Adaja, de zoon van Jojarib, de zoon van Zacharja, de zoon van Siloni. 6 Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd acht en zestig dappere mannen. 7 En dit zijn de kinderen van Benjamin: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Joëd, de zoon van Pedaja, de zoon van Kolaja, de zoon van Maaseja, de zoon van Ithiël, de zoon van Jesaja; 8 En na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd acht en twintig. 9 En Joël, de zoon van Zichri, was opzichter over hen; en Juda, de zoon van Senua, was de tweede over de stad. 10 Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin; 11 Seraja, de zoon van Hilkia, de zoon van Mesullam, de zoon van Zadok, de zoon van Merajoth, de zoon van Ahitub, was voorganger van Gods huis; 12 En hun broers, die het werk in het huis deden, waren achthonderd twee en twintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, de zoon van Pelalja, de zoon van Amzi, de zoon van Zacharja, de zoon van Pashur, de zoon van Malchia; 13 En zijn broers, familiehoofden, waren tweehonderd twee en veertig. En Amassai, de zoon van Azareël, de zoon van Achzai, de zoon van Mesillemoth, de zoon van Immer; 14 En hun broers, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opzichter over hen was Zabdiël, de zoon van Gedolim. 15 En van de Levieten: Semaja, de zoon van Hassub, de zoon van Azrikam, de zoon van Hasabja, de zoon van Buni. 16 En Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden van de Levieten, waren over het buitenwerk van het huis van God. 17 En Matthanja, de zoon van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed, en Bakbukja was de tweede van zijn broers; en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jeduthun. 18 Al de Levieten in de heilige stad waren tweehonderd vier en tachtig. 19 En de poortwachters: Akkub, Talmon, met hun broers, die wacht hielden in de poorten, waren honderd twee en zeventig. 20 Het overige nu van Israël, van de priesters en de Levieten, was in alle steden van Juda, ieder in zijn erfdeel. 21 En de tempelknechten woonden in Ofel; en Ziha en Gispa waren over de tempelknechten. 22 En de opzichter van de Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, de zoon van Hasabja, de zoon van Matthanja, de zoon van Micha; van de kinderen van Asaf waren de zangers tegenover het werk van Gods huis. 23 Want er was een gebod van de koning van hen, te weten, een zeker onderhoud voor de zangers, van elk dagelijks op zijn dag. 24 En Petahja, de zoon van Mesezabeel, van de kinderen van Zerah, de zoon van Juda, was aan de hand van de koning, in alle zaken tot het volk. 25 In de dorpen nu op hun akkers woonden sommigen van de kinderen van Juda, in Kirjath-arba en haar bijbehorende plaatsen, en in Dibon en haar bijbehorende plaatsen, en in Jekabzeel en haar dorpen; 26 En te Jesua, en te Molada, en te Beth-pelet, 27 En te Hazar-sual, en in Ber-seba, en haar bijbehorende plaatsen, 28 En te Ziklag, en in Mechona en haar bijbehorende plaatsen, 29 En te En-rimmon, en te Zora, en te Jarmuth, 30 Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar bijbehorende plaatsen; en zij sloegen hun kamp op van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom. 31 De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-el, en haar bijbehorende plaatsen, 32 Anathoth, Nob, Ananja, 33 Hazor, Rama, Gitthaim, 34 Hadid, Zeboim, Neballat, 35 Lod, en Ono, in het dal van de werkmeesters. 36 Van de Levieten nu, woonden sommigen in de verdelingen van Juda, en van Benjamin. ### Nehemia 12 1 Dit nu zijn de priesters en de Levieten, die met Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra, 2 Amarja, Malluch, Hattus, 3 Sechanja, Rehum, Meremoth, 4 Iddo, Ginnethoi, Abia, 5 Mijamin, Maädja, Bilga, 6 Semaja, en Jojarib, Jedaja, 7 Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja; dat waren de hoofden van de priesters, en hun broers, in de dagen van Jesua. 8 En de Levieten waren: Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda, Matthanja; hij en zijn broers waren over de dankzeggingen. 9 En Bakbukja, en Unni, hun broers, waren tegen hen over in de wachten. 10 Jesua nu verwekte Jojakim, en Jojakim verwekte Eljasib, en Eljasib verwekte Jojada, 11 En Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan verwekte Jaddua. 12 En in de dagen van Jojakim waren priesters, familiehoofden: van Seraja was Meraja; van Jeremia, Hananja; 13 Van Ezra, Mesullam; van Amarja, Johanan; 14 Van Melichu, Jonathan; van Sebanja, Jozef; 15 Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai; 16 Van Iddo, Zacharia; van Ginnethon, Mesullam; 17 Van Abia, Zichri; van Minjamin, van Moadja, Piltai; 18 Van Bilga, Sammua; van Semaja, Jonathan; 19 En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi; 20 Van Sallai, Kallai; van Amok, Heber; 21 Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneël. 22 Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de familiehoofden beschreven; en ook de priesters, tot het koninkrijk van Darius, de Perziaan. 23 De kinderen van Levi, de familiehoofden, werden beschreven in het boek van de kronieken, tot de dagen van Johanan, de zoon van Eljasib, toe. 24 De hoofden dan van de Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiël, en hun broers tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, de man van God, wacht tegen wacht. 25 Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortwachters, de wacht waarnemende bij de schatkamers van de poorten. 26 Deze waren in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van de priester Ezra, de schriftgeleerde. 27 In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen. 28 Zo werden de kinderen van de zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten; 29 En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem. 30 En de priesters en de Levieten reinigden zichzelf; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en de muur. 31 Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op de muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op de muur, naar de Mistpoort toe. 32 En achter hen ging Hosaja, en de helft van de vorsten van Juda. 33 En Azarja, Ezra, en Mesullam, 34 Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia; 35 En van de kinderen van de priesters met trompetten: Zacharja, de zoon van Jonathan, de zoon van Semaja, de zoon van Matthanja, de zoon van Michaja, de zoon van Zakkur, de zoon van Asaf; 36 En zijn broers, Semaja, en Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, de man van God; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen. 37 Verder naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door de opgang van de muur, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten. 38 Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik daarachter, met de helft van het volk, op de muur, van boven de Bakoventoren, tot aan de brede muur; 39 En van boven de poort van Efraïm, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en de toren Hananeël, en de toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort. 40 Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft van de overheden met mij. 41 En de priesters, Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja, Hananja, met trompetten; 42 Verder Maäseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malchia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizrahja, de opzichter. 43 En zij offerden op diezelfde dag grote slachtoffers, en waren vrolijk; want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk; zodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd. 44 Ook werden op diezelfde dag mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefoffers, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers van de steden te verzamelen de delen van de wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden. 45 En de wacht van hun God waarnamen, en de wacht van de reiniging, ook de zangers, en de poortwachters, naar het gebod van David en zijn zoon Salomo. 46 Want in de dagen van David en Asaf, van ouds, waren er hoofden van de zangers, en van het lofgezang, en van de dankzeggingen tot God. 47 Daarom gaf geheel Israël, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de delen van de zangers en van de poortwachters, van elk dagelijks op zijn dag; en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aäron. ### Nehemia 13 1 Op die dag werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren van het volk; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de gemeente van God, tot in eeuwigheid; 2 Omdat zij de Israëlieten niet waren tegengekomen met brood en met water, ja, Bileam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God de vloek omkeerde in een zegen. 3 Zo gebeurde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israël afscheidden. 4 Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis van onze God, was te voren nabestaande van Tobia geworden. 5 En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren wegbrachten het voedseloffer, de wierook en de voorwerpen, en de tienden van koren, van nieuwe wijn en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortwachters, en ook het hefoffer van de priesters. 6 Maar in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot de koning; maar na verloop van sommige dagen verkreeg ik weer verlof van de koning. 7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis. 8 En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer. 9 Verder gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weer in de voorwerpen van Gods huis, met het voedseloffer en de wierook. 10 Ook vernam ik, dat het deel van de Levieten hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het werk deden, gevlucht waren, ieder naar zijn akker. 11 En ik twistte met de overheden, en zei: Waarom is het huis van God verlaten? Maar ik verzamelde hen, en herstelde ze in hun stand. 12 Toen bracht geheel Juda de tienden van het koren, en van de nieuwe wijn, en van de olie, in de schatten. 13 En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selemja, de priester, en Zadok, de schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, de zoon van Zakkur, de zoon van Matthanja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broers uit te delen. 14 Denk aan mij, mijn God, in deze; en wis mijn goedertierenheden niet uit, die ik aan het huis van mijn God en aan Zijn wachten gedaan heb. 15 In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op de sabbat, en die graanschoven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, die zij te Jeruzalem inbrachten op de sabbatdag; en ik betuigde tegen hen op de dag als zij eetwaren verkochten. 16 Daar waren ook Tyriërs binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op de sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem. 17 Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zei tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat u doet, en ontheiligt de sabbatdag? 18 Deden niet uw vaders zo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En u maakt de hittige toorn nog meer over Israël, ontheiligende de sabbat. 19 Het gebeurde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor de sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na de sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op de sabbatdag. 20 Toen overnachtten de marskramers, en de verkopers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal. 21 Zo betuigde ik tegen hen, en zei tot hen: Waarom overnacht u tegenover de muur? Zo u het weer doet, zal ik de hand aan u slaan. Van die tijd af kwamen zij niet op de sabbat. 22 Verder zei ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om de sabbatdag te heiligen. Denk aan mij ook in deze, mijn God! en spaar mij naar de veelheid van Uw goedertierenheid. 23 Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen. 24 En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal van ieder volk. 25 Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Als u uw dochters hun zonen zult geven, en als u van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen! 26 Heeft niet Salomo, de koning van Israël, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, zoals hij, en hij zijn God lief was, en God hem tot koning over geheel Israël gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen. 27 Zouden wij dan naar u horen, dat u al dit grote kwaad zou doen, overtredende tegen onze God, doende vreemde vrouwen bij u wonen? 28 Ook was er één van de kinderen van Jojada, de zoon van Eljasib, de hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, de Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg. 29 Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben verontreinigd, ja, het verbond van het priesterdom en van de Levieten. 30 Zo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten van de priesters en van de Levieten, elk op zijn werk; 31 Ook tot het offer van het hout, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Denk aan mij, mijn God, ten goede. ## Esther ### Esther 1 1 Het gebeurde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahasveros, die regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig gewesten). 2 In die dagen, als de koning Ahasveros op de troon van zijn koninkrijk zat, die op de burg Susan was; 3 In het derde jaar van zijn regering maakte hij een maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten van de gewesten waren voor zijn aangezicht; 4 Als hij vertoonde de rijkdom van de heerlijkheid van zijn rijk, en de kostbaarheid van het sieraad van zijn grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen. 5 Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd voor al het volk, dat gevonden werd op de burg Susan, van de grootste tot de kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van het hof van het koninklijk paleis. 6 Er waren witte, groene en hemelsblauwe bekleding, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfiersteen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen. 7 En men gaf te drinken in bekers van goud, en de ene beker was anders dan de andere beker; en er was veel koninklijke wijn, naar het vermogen van de koning. 8 En het drinken gebeurde naar de wet, dat niemand dwong; want zo had de koning nadrukkelijk bevolen aan alle groten van zijn huis, dat zij doen zouden naar de wil van ieder. 9 De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk huis, dat de koning Ahasveros had. 10 Op de zevende dag, toen het hart van de koning vrolijk was van de wijn, zei hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van de koning Ahasveros, 11 Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht van de koning, met de koninklijke kroon, om de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was knap qua uiterlijk. 12 Maar de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord van de koning, dat door de dienst van de kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer toornig, en zijn woede ontstak in hem. 13 Toen zei de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want zo moest de zaak van de koning gebeuren, in de aanwezigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten; 14 De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten van de Perzen en van de Meden, die het aangezicht van de koning zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk), 15 Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van de koning Ahasveros, door de dienst van de kamerlingen? 16 Toen zei Memuchan voor het aangezicht van de koning en van de vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen de koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de gewesten van de koning Ahasveros zijn. 17 Want deze daad van de koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zei, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet. 18 Op deze zelfde dag zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook zo zeggen tot al de vorsten van de koning, als zij deze daad van de koningin zullen horen, en er zal verachting en toorn genoeg wezen. 19 Als het de koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, dat geschreven worde in de wetten van de Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van de koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij. 20 Als het bevel van de koning, dat hij doen zal in zijn hele koninkrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen eer geven, van de grootste tot de kleinste toe. 21 Dit woord nu was goed in de ogen van de koning en van de vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan. 22 En hij zond brieven aan al de gewesten van de koning, aan ieder gewest naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn taal, dat elk man heerser in zijn huis wezen zou, en spreken naar de taal van zijn volk. ### Esther 2 1 Na deze geschiedenissen, toen de woede van de koning Ahasveros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was. 2 Toen zeiden de jongemannen van de koning, die hem dienden: Men zoeke voor de koning meisjes, maagden, knap qua uiterlijk. 3 En de koning bestelle opzichters in al de gewesten van zijn koninkrijk, dat zij verzamelen alle meisjes, maagden, knap qua uiterlijk, tot de burg Susan, tot het huis van de vrouwen, onder de hand van Hegai, de kamerling van de koning, bewaarder van de vrouwen; en men geve haar haar versierselen. 4 En het meisje, dat in het oog van de koning schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen van de koning, en hij deed zo. 5 Er was een Joods man op de burg Susan, van wie de naam Mordechai was, een zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, een man van Jemini; 6 Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechonia, de koning van Juda, die Nebukadnezar, de koning van Babel, had weggevoerd. 7 En hij was het, die Hadassa opvoedde (deze is Esther, de dochter van zijn oom); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een meisje, mooi van gestalte, en knap qua uiterlijk; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mordechai ze zich tot een dochter aangenomen. 8 Het gebeurde nu, toen het woord van de koning en zijn wet bekend was, en toen vele meisjes samenvergaderd werden op de burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in het huis van de koning, onder de hand van Hegai, de bewaarder van de vrouwen. 9 En dat meisje was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke meisjes haar te geven uit het huis van de koning; en hij verplaatste haar en haar meisjes naar het beste van het huis van de vrouwen. 10 Esther had haar volk en haar familie niet te kennen gegeven; want Mordechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven. 11 Mordechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis van de vrouwen, om te vernemen naar de welstand van Esther, en wat met haar gebeuren zou. 12 Als nu de beurt van elk meisje naderde, om tot de koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet van de vrouwen gebeurd was; want zo werden vervuld de dagen van haar versieringen, zes maanden met mirreolie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen van de vrouwen; 13 Daarmee kwam dan het meisje tot de koning; al wat zij zei, werd haar gegeven, dat zij daarmee ging uit het huis van de vrouwen tot het huis van de koning. 14 's Avonds ging zij daarin, en 's morgens ging zij weer naar het tweede huis van de vrouwen, onder de hand van Saasgaz, de kamerling van de koning, bewaarder van de bijvrouwen, zij kwam niet weer tot de koning, tenzij de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd. 15 Als de beurt van Esther, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naderde, dat zij tot de koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, de kamerling van de koning, de bewaarder van de vrouwen, zei; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen. 16 Zo werd Esther genomen tot de koning Ahasveros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, die is de maand Tebeth, in het zevende jaar van zijn rijk. 17 En de koning hield van Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi. 18 Toen maakte de koning een grote maaltijd voor al zijn vorsten en zijn knechten, de maaltijd van Esther; en hij gaf de gewesten rust, en hij gaf geschenken naar het vermogen van de koning. 19 Toen voor de tweede keer maagden verzameld werden, zo zat Mordechai in de poort van de koning. 20 Esther nu had haar familie en haar volk niet te kennen gegeven, zoals Mordechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mordechai, zoals toen zij bij hem opgevoed werd. 21 In die dagen, als Mordechai in de poort van de koning zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen van de koning van de dorpelwachters, zeer boos, en zij zochten de hand te slaan aan de koning Ahasveros. 22 En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zei het de koning in Mordechai's naam. 23 Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het aangezicht van de koning. ### Esther 3 1 Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasveros Haman groot, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren. 2 En al de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, neigden en bogen zich neer voor Haman; want de koning had zo van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neer. 3 Toen zeiden de knechten van de koning, die in de poort van de koning waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt u het gebod van de koning? 4 Het gebeurde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was. 5 Toen Haman zag, dat Mordechai niet knielde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met woede. 6 Maar hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het hele koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te vernietigen. 7 In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar. 8 Want Haman had tot de koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de gewesten van uw koninkrijk; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten van alle volken; ook doen zij de wetten van de koning niet; daarom is het de koning niet raadzaam hen te laten blijven. 9 Als het de koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilver opwegen in de handen van degenen, die het werk doen, om in de schatten van de koning te brengen. 10 Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de tegenstander van de Joden. 11 En de koning zei tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmee te doen, naar dat het goed is in uw ogen. 12 Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in de eerste maand, op de dertiende dag daarvan, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders van de koning, en aan de landvoogden, die over elk gewest waren, en aan de vorsten van elk volk, elk gewest naar zijn schrift, en elk volk naar zijn taal; er werd geschreven in de naam van de koning Ahasveros, en het werd met de ring van de koning verzegeld. 13 De brieven nu werden gezonden door de hand van de lopers tot al de gewesten van de koning, dat men zou vernietigen, doden en verdoen al de Joden, van de jonge tot de oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op de dertiende van de twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven. 14 De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle gewesten, openbaar aan alle volken, dat zij tegen deze dag zouden gereed zijn. 15 De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord van de koning, en de wet werd uitgegeven in de burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, maar de stad Susan was verward. ### Esther 4 1 Als Mordechai wist al wat er gebeurd was, zo verscheurde Mordechai zijn kleren, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden van de stad, en hij riep met een groot en bitter geroep. 2 En hij kwam tot voor de poort van de koning; want niemand mocht in de poort van de koning inkomen, bekleed met een zak. 3 En in alle en een ieder gewest en plaats, waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en luid weeklagen; vele lagen in zakken en as. 4 Toen kwamen Esthers meisjes en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond kleren om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan. 5 Toen riep Esther Hatach, één van de kamerlingen van de koning, die hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mordechai, om te weten wat dit, en waarom dit was. 6 Als Hatach uitging tot Mordechai, op de straat van de stad, die voor de poort van de koning was, 7 Zo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem overkomen was, en de verklaring van het zilver, dat Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten van de koning, voor de Joden, om hen om te brengen. 8 En hij gaf hem het afschrift van de geschreven wet, die te Susan gegeven was, om hen te vernietigen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot de koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk. 9 Hatach nu kwam en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen. 10 Toen zei Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mordechai: 11 Alle knechten van de koning, en het volk, van de gewesten van de koning, weten wel dat al wie tot de koning ingaat in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning de gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot de koning in te komen. 12 En zij gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen. 13 Zo zei Mordechai, dat men Esther opnieuw zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat u zult ontkomen in het huis van de koning, meer dan al de andere Joden. 14 Want als u enigszins zwijgen zult in deze tijd, zo zal aan de Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar u en het huis van uw vader zult omkomen; en wie weet, of u niet om zulk een tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt bent. 15 Toen zei Esther, dat men Mordechai weer aanzeggen zou: 16 Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn meisjes zullen ook zo vasten, en zo zal ik tot de koning ingaan, dat niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om. 17 Toen ging Mordechai heen en hij deed naar alles wat Esther hem geboden had. ### Esther 5 1 Het gebeurde nu aan de derde dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van het huis van de koning, tegenover het huis van de koning; de koning nu zat op zijn koninklijke troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis. 2 En het gebeurde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning de gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits van de scepter aan. 3 Toen zei de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft van het koninkrijk. 4 Esther nu zei: Als het de koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman vandaag tot de maaltijd, die ik hem bereid heb. 5 Toen zei de koning: Doe Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot de maaltijd, die Esther bereid had, gekomen was, 6 Zo zei de koning tot Esther op de maaltijd van de wijn: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal gebeuren, ook tot de helft van het koninkrijk. 7 Toen antwoordde Esther, en zei: Mijn bede en verzoek is: 8 Als ik genade gevonden heb in de ogen van de koning, en als het de koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot de maaltijd, die ik hem bereiden zal; zo zal ik morgen doen naar het bevel van de koning. 9 Toen ging Haman op diezelfde dag uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort van de koning, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met woede op Mordechai. 10 Maar Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond heen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw. 11 En Haman vertelde hun de heerlijkheid van zijn rijkdom, en de veelheid van zijn zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten van de koning. 12 Verder zei Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met de koning doen komen tot de maaltijd, die zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met de koning genodigd. 13 Maar dit alles baat mij niet, zolang ik de Jood Mordechai zie zitten in de poort van de koning. 14 Toen zei zijn huisvrouw Zeres tot hem, en ook al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan de koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met de koning tot die maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken. ### Esther 6 1 In deze nacht was de slaap van de koning geweken, en hij zei, dat men het boek van de gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de aanwezigheid van de koning gelezen. 2 En men vond geschreven, dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigthana en Theres, twee kamerlingen van de koning, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan de koning Ahasveros. 3 Toen zei de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hierover gedaan? En de jongemannen van de koning, zijn dienaren, zeiden: Aan hem is niets gedaan. 4 Toen zei de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis van de koning, om de koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.) 5 En de jongemannen van de koning zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zei de koning: Dat hij inkome. 6 Als Haman ingekomen was, zo zei de koning tot hem: Wat zal men met die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft? Toen zei Haman in zijn hart: Tot wie heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij? 7 Daarom zei Haman tot de koning: De man, tot wie de koning een welbehagen heeft, 8 Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde. 9 En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van één uit de vorsten van de koning, van de grootste heren, en men zal het die man aantrekken, tot wie de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten van de stad, en men zal voor hem roepen: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft! 10 Toen zei de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, zoals u gesproken hebt, en doe zo aan Mordechai, de Jood, die aan de poort van de koning zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat u gesproken hebt. 11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten van de stad, en hij riep voor hem: Zo zal men die man doen, tot wie de koning een welbehagen heeft! 12 Daarna keerde Mordechai opnieuw tot de poort van de koning; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekt hoofd. 13 En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem overkomen was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Als Mordechai, voor wie u hebt begonnen te vallen, van het zaad van de Joden is, zo zult u tegen hem niets uitrichten; maar u zult zeker voor zijn aangezicht vallen. 14 Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen de kamerlingen van de koning nabij, en zij haastten Haman tot de maaltijd te brengen, die Esther bereid had. ### Esther 7 1 Toen de koning met Haman gekomen was, om te drinken met de koningin Esther; 2 Zo zei de koning tot Esther, ook op de tweede dag, op de maaltijd van de wijn: Wat is uw bede, koningin Esther! en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal gebeuren, ook tot de helft van het koninkrijk. 3 Toen antwoordde de koningin Esther, en zei: Als ik, o koning, genade in uw ogen gevonden heb, en als het de koning goeddunkt, men geve mij mijn leven, omwille van mijn bede, en mijn volk, omwille van mijn verzoek. 4 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons vernietige, dode en ombrenge. Als wij nog tot knechten en tot dienaressen waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, hoewel de onderdrukker de schade van de koning in geen geval zou kunnen vergoeden. 5 Toen sprak de koning Ahasveros, en zei tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is die, die zijn hart vervuld heeft, om zo te doen? 6 En Esther zei: De man, de onderdrukker en vijand, is deze slechte Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezicht van de koning en van de koningin. 7 En de koning stond op in zijn woede van de maaltijd van de wijn, en ging naar de hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande zijn leven verzoek te doen; want hij zag, dat het kwaad van de koning over hem ten volle besloten was. 8 Toen de koning wederkwam uit de hof van het paleis in het huis van de maaltijd van de wijn, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zei de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit de mond van de koning, en zij bedekten Hamans aangezicht. 9 En Charbona, één van de kamerlingen, voor het aangezicht van de koning staande, zei: Ook zie, de galg, die Haman gemaakt heeft voor Mordechai, die goed voor de koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zei de koning: Hang hem daaraan. 10 Zo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de woede van de koning werd gestild. ### Esther 8 1 Op dezelfde dag gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, de vijand van de Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht van de koning, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was. 2 En de koning trok zijn ring af, die hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman. 3 En Esther sprak verder voor het aangezicht van de koning, en zij viel voor zijn voeten, en zij huilde, en zij smeekte hem, dat hij de boosheid van Haman, de Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen. 4 De koning nu reikte de gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht van de koning. 5 En zij zei: Als het de koning goeddunkt, en als ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb, en deze zaak voor de koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, herroepen worden, die hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de gewesten van de koning zijn. 6 Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht? 7 Toen zei de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, de Jood: Zie, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had. 8 Schrijf u dan voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in de naam van de koning, en verzegelt het met de ring van de koning; want het schrift, dat in de naam van de koning geschreven, en met de ring van de koning verzegeld is, is niet te herroepen. 9 Toen werden de schrijvers van de koning geroepen, in die tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op de drie en twintigste daarvan, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten van de gewesten, die van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig gewesten, een ieder gewest naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn taal; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun taal. 10 En men schreef in de naam van de koning Ahasveros, en men verzegelde het met de ring van de koning; en men zond de brieven door de hand van de lopers te paard, rijdende op snelle kamelen, op muildieren, van merriën geteeld; 11 Dat de koning de Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te verzamelen, en voor hun leven te staan, om te vernietigen, om te doden en om om te brengen alle macht van het volk en van het gewest, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven; 12 Op één dag in al de gewesten van de koning Ahasveros, op de dertiende van de twaalfde maand; deze is de maand Adar. 13 De inhoud van dit geschrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle gewesten, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen die dag, om zich te wreken aan hun vijanden. 14 De lopers, die op snelle kamelen reden en op muildieren, trokken snel uit, aangedreven zijnde door het woord van de koning. Deze wet nu werd gegeven op de burg Susan. 15 En Mordechai ging uit van voor het aangezicht van de koning in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk. 16 Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer; 17 Ook in alle en een ieder gewest, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar het woord van de koning en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken van het land werden Joden, want de vrees voor de Joden was op hen gevallen. ### Esther 9 1 In de twaalfde maand nu (die is de maand Adar), op de dertiende dag daarvan, toen het woord van de koning en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, op de dag als de vijanden van de Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelf over hun vijanden. 2 Want de Joden verzamelden zich in hun steden, in al de gewesten van de koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hun schrik was op al die volken gevallen. 3 En al de oversten van de gewesten, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk van de koning deden, verhieven de Joden; want de vrees voor Mordechai was op hen gevallen. 4 Want Mordechai was groot in het huis van de koning, en zijn gerucht ging uit door alle gewesten; want die man, Mordechai, werd doorgaans groter. 5 De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met de slag van het zwaard, en van de doding, en van de verderving; en zij deden met hun vijanden naar hun welbehagen. 6 En in de burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen. 7 En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, 8 En Poratha, en Adalia, en Aridatha, 9 En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, 10 De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand van de Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan de roof. 11 Op diezelfde dag kwam voor de koning het getal van de gedoden op de burg Susan. 12 En de koning zei tot de koningin Esther: Te Susan op de burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere gewesten van de koning gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal gebeuren. 13 Toen zei Esther: Denkt het de koning goed, men late ook morgen de Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van vandaag; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg. 14 Toen zei de koning dat men zo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op. 15 En de Joden die te Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan de roof. 16 De overige Joden nu, die in de gewesten van de koning waren, verzamelden zich, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun vijanden vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan de roof. 17 Dit gebeurde op de dertiende dag van de maand Adar; en op de veertiende daarvan rustten zij, en zij maakten die tot een dag van de maaltijden en van de vreugde. 18 En de Joden, die te Susan waren, verzamelden zich op de dertiende daarvan, en op de veertiende daarvan; en zij rustten op de vijftiende daarvan, en zij maakten die tot een dag van de maaltijden en van de vreugde. 19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, de veertiende dag van de maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijke dag, en een dag van de zending van delen aan elkaar. 20 En Mordechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de gewesten van de koning Ahasveros waren, die, die nabij, en die, die verre waren, 21 Om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden de veertiende dag van de maand Adar, en de vijftiende dag daarvan, in alle en in ieder jaar; 22 Naar de dagen, in die de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijke dag; dat zij die dagen maken zouden tot dagen van de maaltijden, en van de vreugde, en van de zending van delen aan elkaar, en van de gaven aan de armen. 23 En de Joden namen aan te doen, wat zij begonnen hadden, en dat Mordechai aan hen geschreven had. 24 Omdat Haman, de zoon van Hammedatha, de Agagiet, de vijand van alle Joden, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is, het lot had geworpen, om hen te verslaan, en om hen om te brengen. 25 Maar als zij voor de koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou terugkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. 26 Daarom noemt men die dagen Purim, van de naam van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van die brief, en wat zij zelf daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was, 27 Bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet zou overtreden, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift ervan, en naar de bestemde tijd ervan, in alle en ieder jaar; 28 Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in alle en elk geslacht, elk huisgezin, elk gewest en elke stad; en dat deze dagen van Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de herinnering ervan geen einde nemen zou bij hun zaad. 29 Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abichaïl, en Mordechai, de Jood, met alle macht, om deze brief van Purim voor de tweede keer te bevestigen. 30 En hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig gewesten van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw; 31 Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, zoals Mordechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en zoals zij het bevestigd hadden voor zichzelf en voor hun zaad; de zaken van het vasten en hun geroep. 32 En het bevel van Esther bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven. ### Esther 10 1 Daarna legde de koning Ahasveros belasting op het land, en de eilanden van de zee. 2 Al de werken nu van zijn macht en van zijn geweld, en de verklaring van de grootheid van Mordechai, die de koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Medië en Perzië? 3 Want de Jood Mordechai was de tweede bij de koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broers, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor de welstand van zijn hele nageslacht. ## Job ### Job 1 1 Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad. 2 En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren. 3 Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten. 4 En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden heen, en nodigden hun drie zussen, om met hen te eten en te drinken. 5 Het gebeurde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job hen liet halen, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandoffers offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen. 6 Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor JAHWEH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam. 7 Toen zei JAHWEH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde JAHWEH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. 8 En JAHWEH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde zoals hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad. 9 Toen antwoordde de satan JAHWEH, en zei: Is het om niet, dat Job God vreest? 10 Hebt U niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk van zijn handen hebt U gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in het land. 11 Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen? 12 En JAHWEH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van JAHWEH. 13 Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochters aten, en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene. 14 Dat een bode tot Job kwam, en zei: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden. 15 Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 16 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 17 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 18 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uw zonen en uw dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hun broer, de eerstgeborene; 19 En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stootte aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongemannen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen. 20 Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neer; 21 En hij zei: Naakt ben ik uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. JAHWEH heeft gegeven, en JAHWEH heeft genomen; de Naam van JAHWEH zij geloofd! 22 In dit alles zondigde Job niet, en schreef aan God niets ongerijmds toe. ### Job 2 1 Opnieuw was er een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor JAHWEH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor JAHWEH te stellen. 2 Toen zei JAHWEH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde JAHWEH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen. 3 En JAHWEH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde zoals hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. 4 Toen antwoordde de satan JAHWEH, en zei: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven. 5 Maar strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen! 6 En JAHWEH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar spaar zijn leven. 7 Toen ging de satan uit van het aangezicht van JAHWEH, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe. 8 En hij nam zich een potscherf, om zich daarmee te schrabben, en hij zat neer in het midden van de as. 9 Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf. 10 Maar hij zei tot haar: U spreekt als één van de zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. 11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te troosten. 12 En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en huilden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel. 13 Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was. ### Job 3 1 Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag. 2 Want Job antwoordde en zei: 3 De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zei: Een jongetje is ontvangen; 4 Die dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne; 5 Dat de duisternis en de schaduw van de dood hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen van de dag! 6 Die nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen van het jaar; dat hij in het getal van de maanden niet kome! 7 Zie, die nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome; 8 Dat hem vervloeken de vervloekers van de dag, die bereid zijn hun rouw te verwekken; 9 Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden van de dageraad! 10 Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren van mijn buik, noch verborgen de moeite van mijn ogen. 11 Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb de geest gegeven, als ik uit de buik voortkwam? 12 Waarom zijn mij de knieën voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou? 13 Want nu zou ik neerliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen; 14 Met de koningen en raadsheren van de aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden; 15 Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden. 16 Of als een verborgen misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderen, die het licht niet gezien hebben. 17 Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht; 18 Daar zijn de gebondenen samen in rust; zij horen de stem van de drijver niet. 19 De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer. 20 Waarom geeft Hij de ellendigen het licht, en het leven de bitter bedroefden van gemoed? 21 Die verlangen naar de dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten; 22 Die blij zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden; 23 Aan de man, wiens weg verborgen is, en die God overdekt heeft? 24 Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water. 25 Want ik vreesde een vrees, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen. 26 Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen. ### Job 4 1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: 2 Zo wij een woord opnemen tegen u, zult u verdrietig zijn? Toch wie zal zich van woorden kunnen onthouden? 3 Zie, u hebt velen onderwezen, en u hebt slappe handen gesterkt; 4 Uw woorden hebben de struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt u vastgesteld; 5 Maar nu komt het aan u, en u bent verdrietig; het raakt tot u, en u wordt beroerd. 6 Was niet uw vrees voor God uw hoop, en de oprechtheid van uw wegen uw verwachting? 7 Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten vernietigd? 8 Maar zoals ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien die. 9 Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. 10 De brulling van de leeuw, en de stem van de felle leeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden verbroken. 11 De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongen van een oude leeuw worden verstrooid. 12 Verder is tot mij een woord in het geheim gebracht, en mijn oor heeft een klein beetje daarvan gevat; 13 Onder de gedachten van de visioenen in de nacht, als diepe slaap valt op de mensen; 14 Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid van mijn beenderen. 15 Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar van mijn vlees te berge rijzen. 16 Hij stond, maar ik kende zijn gedaante niet; een beeld was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende: 17 Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker? 18 Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft. 19 Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten. 20 Van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid. 21 Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid. ### Job 5 1 Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wie van de heiligen zult u zich keren? 2 Want de boosheid brengt de dwaze om, en de ijver doodt de slechte. 3 Ik heb gezien een dwaas wortelende; maar meteen vervloekte ik zijn woning. 4 Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser. 5 Wiens oogst de hongerige verteerde, die hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in. 6 Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde; 7 Maar de mens wordt tot moeite geboren; zoals de spranken van de vurige kolen zich verheffen tot vliegen. 8 Maar ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten; 9 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan; 10 Die de regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten; 11 Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden. 12 Hij maakt te niet de gedachten van de sluwen; dat hun handen niet één ding uitrichten. 13 Hij vangt de wijzen in hun sluwheid; dat de raad van de verdraaiden gestort wordt. 14 Overdag ontmoeten zij de duisternis, en zoals in de nacht tasten zij in de middag. 15 Maar Hij verlost de behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand van de sterken. 16 Zo is voor de arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe. 17 Zie, gelukzalig is de mens, die God straft; daarom verwerp de vergelding van de Almachtige niet. 18 Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen. 19 In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren. 20 In de honger zal Hij u verlossen van de dood, en in de oorlog van het geweld van het zwaard. 21 Tegen de gesel van de tong zult u verborgen wezen, en u zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt. 22 Tegen de verwoesting en tegen de honger zult u lachen, en voor het gedierte van de aarde zult u niet vrezen. 23 Want met de stenen van het veld zal uw verbond zijn, en het gedierte van het veld zal met u bevredigd zijn. 24 En u zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en u zult uw woning verzorgen, en zult niet falen. 25 Ook zult u bevinden, dat uw zaad veelvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid van de aarde. 26 U zult in ouderdom naar het graf komen, zoals de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt. 27 Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is zo; hoor het, en bemerk u het voor u. ### Job 6 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Och, of mijn verdriet recht gewogen werd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief! 3 Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand van de zeeën; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. 4 Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, waarvan het vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij. 5 Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voer? 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte van de dooier? 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe voedsel. 8 Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; 9 En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte! 10 Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij opfrissen in de smart, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen van de Heilige niet verborgen gehouden. 11 Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of wat is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou? 12 Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? 13 Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven? 14 Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend goedertierenheid gebeuren; of hij zou de vrees voor de Almachtige verlaten. 15 Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door; 16 Die verdonkerd zijn van het ijs, en waarin de sneeuw zich verbergt. 17 Ten tijde, als zij van hitte wegsmelten, worden zij uitgewist; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats. 18 De gangen van haar weg wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan. 19 De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. 20 Zij worden beschaamd, omdat elk vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood. 21 Werkelijk, zo bent u mij nu niets geworden; u hebt gezien de ontzetting, en u hebt gevreesd. 22 Heb ik gezegd: Breng mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? 23 Of bevrijdt mij van de hand van de verdrukker, en verlost mij van de hand van de tirannen? 24 Leer mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. 25 O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van u is? 26 Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen van de mismoedigen voor wind zijn? 27 Ook werpt u zich op een wees; en u graaft tegen uw vriend. 28 Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor uw aangezicht zijn, of ik liege. 29 Keer toch weer, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weer; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn. 30 Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven? ### Job 7 1 Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloner? 2 Zoals de dienaar hijgt naar de schaduw, en zoals de dagloner verwacht zijn werkloon; 3 Zo zijn mij maanden van de zinloosheid als erfenis geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid. 4 Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word verzadigd van woelingen tot aan de schemertijd. 5 Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis van het stof bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden. 6 Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting. 7 Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet terugkomen, om het goede te zien. 8 Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn. 9 Een wolk vergaat en vaart heen; zo die in het graf daalt, zal niet weer opkomen. 10 Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen. 11 Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid van mijn geest; ik zal klagen in bitterheid van mijn ziel. 12 Ben ik dan een zee, of walvis, dat U om mij wachten zet? 13 Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij troosten, mijn bed zal van mijn klacht wat wegnemen; 14 Dan ontzet U mij met dromen, en door visioenen verschrikt U mij; 15 Zodat mijn ziel de wurging kiest; de dood meer dan mijn beenderen. 16 Ik versmaad ze, ik zal toch in de eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn zinloosheid. 17 Wat is de mens, dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet? 18 En dat U hem bezoekt in elke morgenstond; dat U hem in elk ogenblik beproeft? 19 Hoe lang keert U Zich niet af van mij, en laat niet van mij af, voordat ik mijn speeksel doorslik? 20 Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een mikpunt gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij? 21 En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn. ### Job 8 1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: 2 Hoe lang zult u deze dingen spreken, en de redenen van uw mond een geweldige wind zijn? 3 Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien? 4 Als uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand van hun overtreding geworpen. 5 Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; 6 Zo u zuiver en recht bent, zeker zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning van uw gerechtigheid volmaken. 7 Uw begin zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden. 8 Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking van hun vaders. 9 Want wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde een schaduw zijn. 10 Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen? 11 Verhef zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water? 12 Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, toch verdort het voor alle gras. 13 Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan. 14 Van wie zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop. 15 Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven. 16 Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit. 17 Zijn wortels worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats. 18 Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem ontkennen, zeggende: Ik heb u niet gezien. 19 Zie, dat is de vreugde van zijn weg; en uit het stof zullen anderen voortspruiten. 20 Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand; 21 Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich. 22 Uw vijanden zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn. ### Job 9 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Werkelijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God? 3 Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij Hem beantwoorden. 4 Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad? 5 Die de bergen verzet, dat zij het niet bemerken, Die ze omkeert in Zijn toorn; 6 Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden; 7 Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren; 8 Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten van de zee; 9 Die de Wagen maakt, de Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden; 10 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan. 11 Zie, Hij zal voor mij heengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken. 12 Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet U? 13 God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hoogmoedige helpers. 14 Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem? 15 Die ik, zo ik rechtvaardig was, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden. 16 Als ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft. 17 Want Hij vermorzelt mij door een onweer, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. 18 Hij laat mij niet toe op adem te komen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden. 19 Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden? 20 Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren. 21 Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven. 22 Dat is één ding, daarom zeg ik: De oprechte en de goddeloze verdoet Hij. 23 Als de gesel haastig doodt, bespot Hij de verzoeking van de onschuldigen. 24 De aarde wordt gegeven in de hand van de goddelozen; Hij overdekt het aangezicht van haar rechters; zo niet, wie is Hij dan? 25 En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevlucht, zij hebben het goede niet gezien. 26 Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; zoals een adelaar naar het aas toevliegt. 27 Als mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij opfrissen; 28 Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat U mij niet onschuldig zult houden. 29 Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik zinloos arbeiden? 30 Als ik mij was met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep; 31 Dan zult U mij in de gracht induiken, en mijn kleren zullen van mij walgen. 32 Want Hij is niet een man, als ik, die ik antwoorden zou, zo wij samen in het gericht kwamen. 33 Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht. 34 Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make; 35 Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zo ben ik niet bij mij. ### Job 10 1 Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid van mijn ziel. 2 Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover U met mij twist. 3 Is het U goed, dat U verdrukt, dat U verwerpt de arbeid van Uw handen, en over de raad van de goddelozen schijnsel geeft? 4 Hebt U vleselijke ogen, ziet U, zoals een mens ziet? 5 Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen van een man? 6 Dat U onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt? 7 Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; toch is er niemand, die uit Uw hand verlosse. 8 Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, samen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij. 9 Gedenk toch, dat U mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen terugkeren. 10 Hebt U mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? 11 Met huid en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt U mij samengevlochten; 12 Naast het leven hebt U goedertierenheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard. 13 Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is. 14 Als ik zondig, zo zult U mij waarnemen, en van mijn misdaad zult U mij niet onschuldig houden. 15 Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben verzadigd van schande, maar aanzie mijn ellende. 16 Want zij verheft zich; zoals een felle leeuw jaagt U mij; U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij. 17 U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een leger, zijn tegen mij. 18 En waarom hebt U mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik de geest gegeven had, en geen oog mij gezien had! 19 Ik zou zijn, alsof ik niet geweest was; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest. 20 Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik wat op adem kom; 21 Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduw van de dood; 22 Een stikdonker land, als de duisternis zelf, de schaduw van de dood, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis. ### Job 11 1 Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei: 2 Zou de veelheid van de woorden niet beantwoord worden, en zou een praatzieke man recht hebben? 3 Zouden uw leugens de mensen doen zwijgen, en zou u spotten, en niemand u beschamen? 4 Want u hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen. 5 Maar zeker, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende; 6 En u bekend maakte de geheimen van de wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid. 7 Zult u de onderzoeking Gods vinden? Zult u tot de volmaaktheid toe de Almachtige vinden? 8 Zij is als de hoogten van de hemelen, wat kunt u doen? Dieper dan het dodenrijk, wat kunt u weten? 9 Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee. 10 Als Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren? 11 Want Hij kent de ijdele mensen, en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet beschouwen? 12 Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen van een woudezel geboren is. 13 Als u uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit. 14 Als er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen. 15 Want dan zult u uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen. 16 Want u zult de moeite vergeten, en haar gedenken als van de wateren, die voorbijgegaan zijn. 17 Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; u zult uitvliegen, als de morgenstond zult u zijn. 18 En u zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en u zult graven, gerust zult u slapen; 19 En u zult neerliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken. 20 Maar de ogen van de goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing van de ziel. ### Job 12 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Trouwens, omdat u het volk bent, zo zal de wijsheid met u sterven! 3 Ik heb ook een hart even als u, ik zwicht niet voor u; en bij wie zijn niet dergelijke dingen? 4 Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot. 5 Hij is een verachte fakkel, naar de mening van degene, die gerust is; hij is gereed met de voet te struikelen. 6 De tenten van de verwoesters hebben rust, en die God tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt. 7 En werkelijk, vraag toch de beesten, en elk van die zal het u leren; en het gevogelte van de hemel, dat zal het u te kennen geven. 8 Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen van de zee vertellen. 9 Wie weet niet uit alle deze, dat de hand van JAHWEH dit doet? 10 In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees van de mensen. 11 Zal niet het oor de woorden proeven, zoals het gehemelte voor zich het voedsel smaakt? 12 In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid van de dagen het verstand. 13 Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand. 14 Zie, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden. 15 Zie, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om. 16 Bij Hem is kracht en wijsheid; van Hem zijn de dwalende, en die doet dwalen. 17 Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters berooft Hij van verstand, 18 De band van de koningen maakt Hij los, en Hij bindt de gordel aan hun middel. 19 Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om. 20 Hij beneemt de getrouwen de spraak, en het oordeel van de ouden neemt Hij weg. 21 Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt de riem van de geweldigen. 22 Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en de schaduw van de dood brengt Hij voort in het licht. 23 Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze. 24 Hij neemt het hart van de hoofden van het volk van de aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is. 25 Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard. ### Job 13 1 Zie, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan. 2 Zoals u het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u. 3 Maar ik zal tot de Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. 4 Want zeker, u bent leugenstoffeerders; u allen bent nietige dokters. 5 Och, of u geheel stilzweegt! Dat zou u voor wijsheid wezen. 6 Hoor toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen van mijn lippen. 7 Zult u voor God onrecht spreken, en zult u voor Hem bedriegerij spreken? 8 Zult u Zijn aangezicht aannemen? Zult u voor God twisten? 9 Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult u met Hem spotten, zoals men met een mens spot? 10 Hij zal u zeker bestraffen, zo u in het verborgene het aangezicht aanneemt. 11 Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vrees over u vallen? 12 Uw gedachtenissen zijn als as, uw hoogten als hoogten van leem. 13 Houd stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. 14 Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen? 15 Zie, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. 16 Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. 17 Hoor ijverig mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren. 18 Zie nu, ik heb het recht ordelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden. 19 Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik de geest geven. 20 Alleen doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen. 21 Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. 22 Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord. 23 Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend. 24 Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? 25 Zult U een gedreven blad verbrijzelen, en zult U een droge stoppel vervolgen? 26 Want U schrijft tegen mij bittere dingen; en U doet mij erven de misdaden van mijn jeugd. 27 U legt ook mijn voeten in de stok, en neemt waar al mijn paden; U drukt U in de wortels van mijn voeten, 28 En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet. ### Job 14 1 De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en verzadigd van onrust. 2 Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet. 3 Nog doet U Uw ogen over zulk een open; en U betrekt mij in het gericht met U. 4 Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet één. 5 Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; 6 Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe. 7 Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden. 8 Als zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft; 9 Hij zal van de reuk van de wateren weer uitspruiten, en zal een tak maken, zoals een plant. 10 Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest, waar is hij dan? 11 De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort; 12 Zo ligt de mens neer, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. 13 Och, of U mij in het graf wegborg, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat U mij een bepaling stelde, en aan mij gedachtig was! 14 Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen van mijn strijd hopen, totdat mijn verandering komen zou. 15 Dat U zou roepen, en ik U zou antwoorden, dat U tot het werk van Uw handen zou begerig zijn. 16 Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet vanwege mijn zonden. 17 Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en U pakt mijn ongerechtigheid opeen. 18 En werkelijk, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats; 19 De wateren vermalen de stenen, het stof van de aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; zo verderft U de verwachting van de mensen. 20 U overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gezicht, zo zendt U hem weg. 21 Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen. 22 Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw. ### Job 15 1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: 2 Zal een wijs man holle wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? 3 Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, waarmee hij geen voordeel doet? 4 Ja, u vernietigt de vrees, en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg. 5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en u hebt de tong van de sluwen gekozen. 6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. 7 Bent u de eerste een mens geboren? Of bent u voor de heuvelen voortgebracht? 8 Hebt u de verborgen raad van God gehoord, en hebt u de wijsheid naar u getrokken? 9 Wat weet u, dat wij niet weten? Wat verstaat u, dat bij ons niet is? 10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u? 12 Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen? 13 Dat u uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan. 14 Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? 15 Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. 16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water? 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en wat ik gezien heb, dat zal ik vertellen; 18 Dat de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaders niet verborgen heeft; 19 Die alleen het land gegeven was, en door wier midden niemand vreemds doorging. 20 Te alle dage doet de goddeloze zichzelf smart aan; en weinig jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd. 21 Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren; in de vrede zelf komt de verwoester hem over. 22 Hij gelooft niet uit de duisternis weer te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. 23 Hij zwerft heen en weer om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag van de duisternis. 24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, zoals een koning, bereid ten strijde. 25 Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen de Almachtige stelt hij zich geweldig aan. 26 Hij loopt tegen Hem aan met de hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden; 27 Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen; 28 En heeft bewoond vernietigde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden. 29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. 30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas van zijn mond. 31 Hij betrouwe niet op zinloosheid, waardoor hij verleid wordt; want zinloosheid zal zijn vergelding wezen. 32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. 33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom. 34 Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken. 35 Zij ontvangen moeite, en baren zinloosheid, en hun buik richt bedrog aan. ### Job 16 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; u allen bent moeilijke vertroosters. 3 Zal er een einde zijn aan de holle woorden? Of wat drijft u, dat u zo antwoordt? 4 Zou ik ook, als u, spreken, als uw ziel was in de plaats van mijn ziel? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden? 5 Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging van mijn lippen zou zich inhouden. 6 Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? 7 Zeker, Hij heeft mij nu vermoeid; U hebt mijn hele vergadering verwoest. 8 Dat U mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. 9 Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn tegenstander scherpt zijn ogen tegen mij. 10 Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaad op mijn kaken; zij vervullen zich samen aan mij. 11 God heeft mij de verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen van de goddelozen. 12 Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. 13 Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. 14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige. 15 Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. 16 Mijn aangezicht is geheel bemodderd van huilen, en over mijn oogleden is de schaduw van de dood. 17 Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. 18 O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats. 19 Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten. 20 Mijn vrienden zijn mijn bespotters; maar mijn oog druipt tot God. 21 Och, mocht men rechten voor een man met God, zoals een kind van de mens voor zijn vriend. 22 Want weinig jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad heengaan, waardoor ik niet zal terugkeren. ### Job 17 1 Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij. 2 Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hun verbittering? 3 Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde. 4 Want hun hart hebt U van kloek verstand verborgen; daarom zult U hen niet verhogen. 5 Die met vleiing de vrienden wat aanzegt, ook de ogen van zijn kinderen zullen versmachten. 6 Maar Hij heeft mij tot een spreekwoord van de volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht. 7 Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn als een schaduw. 8 De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen de huichelaar opmaken; 9 En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen. 10 Maar toch u allen, keert weer, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze. 11 Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen van mijn hart. 12 De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij de ondergang vanwege de duisternis. 13 Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. 14 Tot de groeve roep ik: U bent mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zus! 15 Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? 16 Zij zullen ondervaren met de handbomen van het graf, als er rust samen in het stof wezen zal. ### Job 18 1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: 2 Hoe lang is het, dat u een einde van woorden zult maken? Merk op, en daarna zullen wij spreken. 3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in uw ogen? 4 O u, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats? 5 Ja, het licht van de goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk van zijn vuur zal niet glinsteren. 6 Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden. 7 De treden van zijn macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem neerwerpen. 8 Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen. 9 De strik zal hem bij de hiel vatten; de struikrover zal hem overweldigen. 10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten. 12 Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. 13 De eerstgeborene van de dood zal de grendels van zijn huid verteren, zijn grendels zal hij verteren. 14 Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; dat zal hem doen treden tot de koning van de verschrikkingen. 15 Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden. 16 Van onder zullen zijn wortels verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 Zijn herinnering zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. 18 Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn. 20 Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden. 21 Zeker, zo zijn de woningen van de verkeerden, en dit is de plaats van degene die God niet kent. ### Job 19 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Hoe lang zult u mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 U hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u verhardt u tegen mij. 4 Maar ook het zij werkelijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij overnachten. 5 Als u werkelijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft; 6 Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld. 7 Zie, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht. 8 Hij heeft mijn weg versperd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld. 9 Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon van mijn hoofd heeft Hij weggenomen. 10 Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik heenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt. 11 Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden. 12 Zijn benden zijn samen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent. 13 Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zeker, zij zijn van mij vervreemd. 14 Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij. 15 Mijn huisgenoten en mijn dienaressen achten mij voor een vreemde; een buitenlander ben ik in hun ogen. 16 Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem. 17 Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek omwille van de kinderen van mijn buik. 18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen. 19 Alle mensen van mijn vertrouwelijke raad hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd. 20 Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden. 21 Ontferm u over mij, ontfermt u over mij, o u, mijn vrienden! want de hand van God heeft mij aangeraakt. 22 Waarom vervolgt u mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees? 23 Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven werden. Och, of zij in een boek ook werden ingetekend! 24 Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen werden! 25 Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; 26 En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; 27 Die ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot. 28 Werkelijk, u zou zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Aangezien de wortel van de zaak in mij gevonden wordt. 29 Schroomt u vanwege het zwaard; want de woede is over de misdaden van het zwaard; opdat u weet, dat er een gericht zij. ### Job 20 1 Toen antwoordde Zofar, de Naämathiet, en zei: 2 Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en daarover is mijn verhaasten in mij. 3 Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden. 4 Weet u dit? Van altijd af, van dat God de mens op de wereld gezet heeft, 5 Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde van de huichelaar voor een ogenblik? 6 Wanneer zijn hoogheid tot de hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; 7 Zal hij, zoals zijn mest, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij? 8 Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een visioen in de nacht. 9 Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen. 10 Zijn kinderen zullen zoeken de armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weer uitkeren. 11 Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgen zonden zijn; waarvan elk met hem op het stof neerliggen zal. 12 Als het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong, 13 Hij dat spaart, en het niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt; 14 Zijn voedsel zal in zijn binnenste veranderd worden; gal van de adderen zal het in het binnenste van hem zijn. 15 Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven. 16 Het vergif van de adderen zal hij zuigen; de tong van de slang zal hem doden. 17 De stromen, rivieren, beken van honing en boter zal hij niet zien. 18 De arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen van zijn verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen. 19 Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had; 20 Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden. 21 Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed. 22 Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand van de ellendigen zal over hem komen. 23 Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte van Zijn toorn zenden, en over hem regenen op zijn voedsel. 24 Hij zij gevlucht van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten. 25 Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn. 26 Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet aangeblazen is, zal hem verteren; de overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan. 27 De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken. 28 De opbrengst van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in de dag van Zijn toorn. 29 Dit is het deel van de goddeloze mens van God, en de erfenis van zijn redenen van God. ### Job 21 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Hoor aandachtig mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen. 3 Verdraag mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan. 4 Is (wat mij betreft) mijn klacht tot de mens? Maar of het zo was, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn? 5 Zie mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond. 6 Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een huivering gevat. 7 Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? 8 Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen. 9 Hun huizen hebben vrede zonder vrees, en de roede Gods is op hen niet. 10 Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet. 11 Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen. 12 Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid van de orgel. 13 In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf. 14 Toch zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust. 15 Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden? 16 Maar zie, hun goed is niet in hun hand; de raad van de goddelozen is ver van mij. 17 Hoe dikwijls gebeurt het, dat de lamp van de goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn! 18 Dat zij als stro worden voor de wind, en als kaf, dat de wervelwind wegsteelt; 19 Dat God Zijn geweld weglegt voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het bemerkt; 20 Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de woede van de Almachtige! 21 Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal van zijn maanden afgesneden is? 22 Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt? 23 Deze sterft in de kracht van zijn volkomenheid, daar hij geheel stil en gerust was; 24 Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg van zijn benen was bevochtigd. 25 De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten. 26 Zij liggen samen neer in het stof, en het gewormte overdekt ze. 27 Zie, ik weet uw gedachten, en de boze verdichtselen, waarmee u tegen mij geweld doet. 28 Want u zult zeggen: Waar is het huis van de prins, en waar is de tent van de woningen van de goddelozen? 29 Hebt u niet gevraagd de voorbijgaanden op de weg, en kent u hun tekenen niet? 30 Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden. 31 Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden? 32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is steeds in de aardhoop. 33 De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en van degenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal. 34 Hoe vertroost u mij dan met zinloosheid, omdat in uw antwoorden overtreding overig is? ### Job 22 1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei: 2 Zal ook een man voor God voordelig zijn? Maar voor zichzelf zal de verstandige voordelig zijn. 3 Is het voor de Almachtige nut, dat u rechtvaardig bent; of winst, dat u uw wegen volmaakt? 4 Is het om uw vrees, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt? 5 Is niet uw boosheid groot, en van uw ongerechtigheden geen einde? 6 Want u hebt uw broers zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleren van de naakten hebt u uitgetogen. 7 De vermoeide hebt u geen water te drinken gegeven, en van de hongerige hebt u het brood onthouden. 8 Maar was er een man van geweld, voor die was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin. 9 De weduwen hebt u leeg weggezonden, en de armen van de wezen zijn verbrijzeld. 10 Daarom zijn strikken rondom u, en plotselinge schrik bevangt u. 11 Of u ziet de duisternis niet, en de overvloed van het water bedekt u. 12 Is niet God in de hoogte van de hemelen? Zie toch het bovenste van de sterren aan, dat zij verheven zijn. 13 Daarom zegt u: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen? 14 De wolken zijn Hem een plek om te schuilen, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt de omgang van de hemelen. 15 Hebt u het pad van de eeuw waargenomen, dat de ongerechtige mensen betreden hebben? 16 Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort; 17 Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan? 18 Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad van de goddelozen verre van mij. 19 De rechtvaardigen zagen het, en waren blij, en de onschuldige bespotte hen; 20 Omdat onze stand niet vernietigd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft. 21 Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22 Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. 23 Zo u zich bekeert tot de Almachtige, u zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten. 24 Dan zult u het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij de rotssteen van de beken; 25 Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn; 26 Want dan zult u zich over de Almachtige verheugen, en u zult tot God uw aangezicht opheffen. 27 U zult tot Hem ernstig bidden, en Hij zal u verhoren; en u zult uw geloften betalen. 28 Als u een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen. 29 Als men iemand vernederen zal, en u zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God de nederige van ogen behouden. 30 Ja, Hij zal die bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid van uw handen. ### Job 23 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Ook vandaag is mijn klacht opstandigheid; mijn plaag is zwaar boven mijn zuchten. 3 Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen; 4 Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen. 5 Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou. 6 Zou Hij naar de grootheid van Zijn macht met mij twisten? Nee; maar Hij zou acht op mij slaan. 7 Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken. 8 Zie, ga ik vooruit, zo is Hij er niet, of achteruit, zo verneem ik Hem niet. 9 Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet. 10 Maar Hij kent de weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen. 11 Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken. 12 Het gebod van Zijn lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen van Zijn mond heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd. 13 Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen. 14 Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem. 15 Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; beschouw het, en vrees voor Hem; 16 Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd; 17 Omdat ik niet uitgewist ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft. ### Job 24 1 Waarom zouden van de Almachtige de tijden niet verborgen zijn, omdat zij, die Hem kennen, Zijn dagen niet zien? 2 Zij tasten het gebied aan; de kudden roven zij, en weiden ze. 3 De ezel van de wezen drijven zij weg; de os van een weduwe nemen zij te pand. 4 Zij doen de armen wijken van de weg; samen versteken zich de ellendigen van het land. 5 Zie, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot voedsel, en voor de jongeren. 6 Op het veld maaien zij zijn voer, en de wijnberg van de goddelozen lezen zij af. 7 De naakten laten zij overnachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude. 8 Van de stroom van de bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen. 9 Zij rukken het weesje van de borst, en dat over de arme is, nemen zij te pand. 10 De naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig, die graanschoven dragen. 11 Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen, en zijn dorstig. 12 Uit de stad zuchten de mensen, en de ziel van de verwonden schreeuwt uit; toch beschikt God niets ongerijmds. 13 Zij zijn onder de wederstrevers van het licht; zij kennen Zijn wegen niet, en zij blijven niet op Zijn paden. 14 Met het licht staat de moordenaar op, doodt de arme en de behoeftige; en in de nacht is hij als een dief. 15 Ook neemt het oog van de overspeler de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht. 16 In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich overdag afgetekend hadden; zij kennen het licht niet. 17 Want de morgenstond is hun samen de schaduw van de dood; als men hen kent, zijn zij in de strikken van de schaduw van de dood. 18 Hij is licht op het vlakke van de wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot de weg van de wijngaarden. 19 De droogte en ook de hitte nemen de sneeuwwateren weg; zo het graf van degenen, die gezondigd hebben. 20 De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, aan hem wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout. 21 De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds. 22 Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men van het leven niet zeker. 23 Stel hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; toch zijn Zijn ogen op hun wegen. 24 Zij zijn een korte tijd verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden neergedrukt; zoals alle anderen worden zij besloten; en zoals de top van een aar worden zij afgesneden. 25 Als het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen? ### Job 25 1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: 2 Heerschappij en vrees zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten. 3 Is er een getal van Zijn benden? En over wie staat Zijn licht niet op? 4 Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is? 5 Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. 6 Hoeveel te min de mens, die een made is, en van de mensen kind, die een worm is! ### Job 26 1 Maar Job antwoordde en zei: 2 Hoe hebt u geholpen die, die zonder kracht is, en behouden de arm, die zonder sterkte is? 3 Hoe hebt u hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, zo zij is, ten volle bekend gemaakt? 4 Aan wie hebt u die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan? 5 De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners. 6 Het dodenrijk is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf. 7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet. 8 Hij bindt de wateren in Zijn wolken; toch scheurt de wolk daaronder niet. 9 Hij houdt het vlakke van Zijn troon vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover. 10 Hij heeft een gezet perk over het vlakke van de wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe van het licht met de duisternis. 11 De pilaren van de hemel sidderen, en ontzetten zich voor Zijn bestraffing. 12 Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing. 13 Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen. 14 Zie, dit zijn maar uiterste einden van Zijn wegen; en wat een klein stukje van de zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan de donder van Zijn mogendheden verstaan? ### Job 27 1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei: 2 Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan! 3 Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus; 4 Als mijn lippen onrecht zullen spreken, en als mijn tong bedrog zal uitspreken! 5 Het zij verre van mij, dat ik u rechtvaardigen zou; totdat ik de geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtheid van mij niet wegdoen. 6 Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen. 7 Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde. 8 Want wat is de verwachting van de huichelaar, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken? 9 Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? 10 Zal hij zich verheugen in de Almachtige? Zal hij God aanroepen altijd? 11 Ik zal u leren van de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verhelen. 12 Zie, u zelf allen hebt het gezien; en waarom wordt u dus door zinloosheid verijdeld? 13 Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en de erfenis van de tirannen, die zij van de Almachtige ontvangen zullen. 14 Als zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden. 15 Zijn overgeblevenen zullen in de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet huilen. 16 Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem; 17 Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen. 18 Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt. 19 Rijk ligt hij neer, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet. 20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; in de nacht zal hem een wervelwind wegstelen. 21 De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij heengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats. 22 En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snel vluchten. 23 Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats. ### Job 28 1 Zeker, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten. 2 Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten. 3 Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente van de donkerheid en van de schaduw van de dood. 4 Breek er een beek door, bij degene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van de voet, worden van de mens uitgeput, en gaan weg. 5 Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur was. 6 Haar stenen zijn de plaats van de saffier, en zij heeft stofjes van goud. 7 De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog van de kraai heeft het niet gezien. 8 De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan. 9 Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van de wortel om. 10 In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke. 11 Hij bindt de rivieren toe, dat niet één traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht. 12 Maar de wijsheid, vanwaar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats van het verstand? 13 De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land van de levenden. 14 De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij. 15 Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen. 16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen de kostelijke Schoham, en de Saffier. 17 Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud. 18 De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek van de wijsheid is meerder dan van de Robijnen. 19 Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden. 20 Die wijsheid dan, vanwaar komt zij, en waar is de plaats van het verstand? 21 Want zij is verborgen voor de ogen van alle levenden, en voor het gevogelte van de hemel is zij verborgen. 22 Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord. 23 God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats. 24 Want Hij schouwt tot aan de einden van de aarde, Hij ziet onder al de hemelen. 25 Als Hij de wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate; 26 Als Hij de regen een vastgestelde orde maakte, en een weg voor het weerlicht van de donderen; 27 Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij stelde ze op, en ook doorzocht Hij ze. 28 Maar tot de mens heeft Hij gezegd: Zie, de vrees voor JAHWEH is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand. ### Job 29 1 En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei: 2 Och, of ik was, zoals in de vorige maanden, zoals in de dagen, toen God mij bewaarde! 3 Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; 4 Zoals ik was in de dagen van mijn jeugd, toen Gods geheim over mijn tent was; 5 Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij; 6 Toen ik mijn gangen waste in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot; 7 Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden. 8 De jongens zagen mij, en verborgen zich, en de stokouden rezen op en stonden. 9 De oversten hielden de woorden in, en legden de hand op hun mond. 10 De stem van de vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. 11 Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij. 12 Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had. 13 De zegen van degene, die verloren ging, kwam op mij; en het hart van de weduwe deed ik vrolijk zingen. 14 Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. 15 De blinden was ik tot ogen, en de kreupelen was ik tot voeten. 16 Ik was de armen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik. 17 En ik verbrak de baktanden van de verkeerden, en wierp de roof uit zijn tanden. 18 En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. 19 Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw overnachtte op mijn tak. 20 Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand. 21 Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad. 22 Na mijn woord spraken zij niet weer, en mijn rede drupte op hen. 23 Want zij wachtten naar mij, zoals naar de regen, en sperden hun mond open, als naar de spade regen. 24 Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht van mijn aangezicht deden zij niet neervallen. 25 Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost. ### Job 30 1 Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, van wie de vaders ik versmaad zou hebben, om bij de honden van mijn kudde te stellen. 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten van hun handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. 3 Die door gebrek en honger eenzaam waren, vluchtende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste. 4 Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en waarvan het voedsel de wortel van de jeneveren was. 5 Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief), 6 Opdat zij wonen zouden in de kloven van de dalen, de holen van het stof en van de steenrotsen. 7 Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen verzamelden zij zich. 8 Zij waren kinderen van de dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit het land. 9 Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. 10 Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. 11 Want Hij heeft mijn koord losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij de breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. 12 Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen. 13 Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen. 14 Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan. 15 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan. 16 Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen van de druk grijpen mij aan. 17 In de nacht doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. 18 Door de veelheid van de kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag van mijn rok. 19 Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. 20 Ik schrei tot U, maar U antwoordt mij niet; ik sta, maar U acht niet op mij. 21 U bent veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte van Uw hand wederstaat U mij hatelijk. 22 U heft mij op in de wind; U doet mij daarop rijden, en U versmelt mij het wezen. 23 Want ik weet, dat U mij ter dood brengen zult, en tot het huis van de samenkomst alle levenden. 24 Maar Hij zal tot de aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij hen geschrei in zijn verdrukking? 25 Huilde ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet bedroefd over de arme? 26 Toch toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. 27 Mijn binnenste kookt, en is niet stil; de dagen van de verdrukking zijn mij voorgekomen. 28 Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. 29 Ik ben de draken een broer geworden, en een metgezel van de jonge struisvogels. 30 Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. 31 Hierom is mijn harp tot een klaagzang geworden, en mijn orgel tot een stem van de wenenden. ### Job 31 1 Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? 2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erfenis van de Almachtige uit de hoogten? 3 Is niet het verderf voor de verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers van de ongerechtigheid? 4 Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? 5 Zo ik met zinloosheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij; 6 Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten. 7 Zo mijn gang uit de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft; 8 Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden! 9 Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan de deur van mijn naaste geloerd heb; 10 Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen! 11 Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters. 12 Want dat is een vuur, dat tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben. 13 Zo ik versmaad heb het recht van mijn knecht, of van mijn dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij; 14 (Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden? 15 Heeft Hij niet, Die mij in de buik maakte, hem ook gemaakt en Één ons in de baarmoeder bereid?) 16 Zo ik de armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen van de weduwe laten versmachten; 17 En mijn brood alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft; 18 (Want van mijn jeugd af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijn moeders buik af heb ik haar geleid;) 19 Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de arme geen deksel had; 20 Zo zijn middel mij niet gezegend heeft, toen hij van de vellen van mijn lammeren verwarmd werd; 21 Zo ik mijn hand tegen de wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag; 22 Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af! 23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid. 24 Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen; 25 Zo ik blij ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had; 26 Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; 27 En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft; 28 Dat was ook een misdaad bij de rechter; want ik zou de God van boven verzaakt hebben. 29 Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking van mijn hater, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond; 30 (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren). 31 Zo de mensen van mijn tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden; 32 De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar de weg; 33 Zo ik, zoals Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende! 34 Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldig onderdrukt hebben; maar de verachtste van de huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gezwegen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn. 35 Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenstander een boek schrijve. 36 Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon. 37 Het getal van mijn treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen. 38 Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren samen huilen; 39 Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel van zijn akkerlieden heb doen hijgen; 40 Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde. ### Job 32 1 Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, omdat hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, toch Job verdoemden. 4 Maar Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij. 5 Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn. 6 Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei: Ik ben minder van dagen, maar u bent stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, u mijn gevoelen te vertonen. 7 Ik zei: Laat de dagen spreken, en de veelheid van de jaren wijsheid te kennen geven. 8 Zeker de geest, die in de mens is, en de inblazing van de Almachtige, maakt hen verstandig. 9 De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet. 10 Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen. 11 Zie, ik heb gewacht op uw woorden; ik heb het oor gewend tot uw beschouwingen, totdat u redenen uitgezocht had. 12 Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit u zijn redenen beantwoordde; 13 Opdat u niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem neergestoten, geen mens. 14 Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met uw woorden zal ik hem niet beantwoorden. 15 Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet. 16 Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer. 17 Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen. 18 Want ik ben van de woorden vol; de geest van mijn buik benauwt mij. 19 Zie, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; zoals nieuwe leren zakken zou hij barsten. 20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden. 21 Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot de mens geen bijnamen gebruike! 22 Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen. ### Job 33 1 En zeker, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. 2 Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. 3 Mijn redenen zullen de oprechtheid van mijn hart, en de wetenschap van mijn lippen, wat zuiver is, uitspreken. 4 De Geest van God heeft mij gemaakt, en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt. 5 Zo u kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u. 6 Zie, ik ben van God, zoals u; uit het leem ben ik ook afgesneden. 7 Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn. 8 Zeker, u hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem van de woorden gehoord; 9 Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad. 10 Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. 11 Hij legt mijn voeten in de stok; Hij neemt al mijn paden waar. 12 Zie, hierin bent u niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens. 13 Waarom hebt u tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden. 14 Maar God spreekt eens of tweemaal; maar men let niet daarop. 15 In de droom, door het visioen in de nacht, als een diepe slaap op de mensen valt, in de sluimering op het bed; 16 Dan openbaart Hij het voor het oor van de mensen, en Hij verzegelt hun vergelding; 17 Opdat Hij de mens afwende van zijn werk, en van de man de hoogmoed verberge; 18 Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn bed, en de sterke menigte van zijn beenderen; 20 Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel het begeerlijke voedsel; 21 Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken; 22 En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden. 23 Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, één uit duizend, om de mens zijn rechte plicht te verkondigen; 24 Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet neerdale, Ik heb verzoening gevonden. 25 Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen van zijn jeugd terugkeren. 26 Hij zal tot God ernstig bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal de mens zijn gerechtigheid wedergeven. 27 Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, dat mij niet heeft gebaat; 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. 29 Zie, dit alles werkt God twee- of drie keer met een man; 30 Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht wordt met het licht van de levenden. 31 Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. 33 Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren. ### Job 34 1 Verder antwoordde Elihu, en zei: 2 Hoor, u wijzen, mijn woorden, en u verstandigen, neigt de oren naar mij. 3 Want het oor proeft de woorden, zoals het gehemelte het voedsel smaakt. 4 Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is. 5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen. 6 Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is pijnlijk zonder overtreding. 7 Wat man is er, zoals Job? Hij drinkt de bespotting in als water; 8 En gaat over weg in gezelschap met de werkers van de ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze mensen. 9 Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God. 10 Daarom, u, mensen van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! 11 Want naar het werk van de mens vergeldt Hij hem, en naar de weg van een ieder doet Hij het hem vinden. 12 Ook werkelijk, God handelt niet goddeloos, en de Almachtige verkeert het recht niet. 13 Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de hele wereld geschikt? 14 Als Hij Zijn hart tegen hem zette, Zijn geest en Zijn adem zou Hij tot Zich verzamelen; 15 Alle vlees zou tegelijk de geest geven, en de mens zou tot stof terugkeren. 16 Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem van mijn woorden. 17 Zou Hij ook, Die het recht haat, de gewonde verbinden, en zou u de zeer Rechtvaardige verdoemen? 18 Zou men tot een koning zeggen: U Belial; tot de prinsen: U goddelozen! 19 Hoe dan tot Die, Die het aangezicht van de vorsten niet aanneemt, en de rijke voor de arme niet kent? Want zij zijn allen het werk van Zijn handen. 20 In een ogenblik sterven zij; zelfs om middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand. 21 Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden. 22 Er is geen duisternis, en er is geen schaduw van de dood, dat daar de werkers van de ongerechtigheid zich verbergen mochten. 23 Zeker, Hij legt de mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden. 24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats. 25 Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen in de nacht om, en zij worden verbrijzeld. 26 Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn; 27 Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen van Zijn wegen verstaan hebben; 28 Opdat Hij op hem het geroep van de armen brenge, en het geroep van de ellendigen verhore. 29 Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen? 30 Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken van het volk zijn. 31 Zeker heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven. 32 Behalve wat ik zie, leer U mij; heb ik onrecht gewerkt, ik zal het niet meer doen. 33 Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, omdat u Hem versmaadt? Zou u dan verkiezen, en niet ik? Wat weet u dan? Spreek. 34 De mensen van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen: 35 Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn. 36 Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, vanwege zijn antwoorden onder de ongerechtige mensen. 37 Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God. ### Job 35 1 Elihu antwoordde verder, en zei: 2 Houdt u dat voor recht, dat u gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan die van God? 3 Want u hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmee doen, dan met mijn zonde? 4 Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u. 5 Bemerk de hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan u. 6 Als u zondigt, wat bedrijft u tegen Hem? Als uw overtredingen veelvuldig zijn, wat doet u Hem? 7 Als u rechtvaardig bent, wat geeft u Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand? 8 Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, zoals u bent, en uw gerechtigheid voor het kind van een mens. 9 Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege de arm van de groten. 10 Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in de nacht? 11 Die ons geleerder maakt dan de beesten van de aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte van de hemel? 12 Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege de hoogmoed van de bozen. 13 Zeker zal God de zinloosheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen. 14 Dat u ook gezegd hebt: U zult Hem niet aanschouwen; er is toch gericht voor Zijn aangezicht, wacht u dan op Hem. 15 Maar nu, omdat het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft; 16 Zo heeft Job in zinloosheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd. ### Job 36 1 Elihu ging nog voort, en zei: 2 Wacht even op mij, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn. 3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen. 4 Want werkelijk, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u. 5 Zie, God is geweldig, toch versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht van het hart. 6 Hij laat de goddeloze niet leven, en het recht van de ellendigen beschikt Hij. 7 Hij onttrekt Zijn ogen niet van de rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in de troon; daar zet Hij hen voor altijd, en zij worden verheven. 8 En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden van de ellende; 9 Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben; 10 En Hij openbaart het voor hun oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden. 11 Als zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden. 12 Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven de geest zonder kennis. 13 En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft. 14 Hun ziel zal in de jeugd sterven, en hun leven onder de schandjongens. 15 Hij zal de ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hun oor openbaren. 16 Zo zou Hij ook u afgekeerd hebben van de mond van de angst tot de ruimte, waaronder geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht van uw tafel zou vol vettigheid geweest zijn. 17 Maar u hebt het gericht van de goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast. 18 Omdat er woede is, pas op dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een grote losprijs er niet zou afbrengen. 19 Zou Hij uw rijkdom achten, dat u niet in benauwdheid zou zijn; of enige versterkingen van kracht? 20 Haak niet naar die nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden. 21 Wees op uw hoede, wend u niet tot ongerechtigheid; omdat u ze in deze gekozen hebt, wegens de ellende. 22 Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, zoals Hij? 23 Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: U hebt onrecht gedaan? 24 Gedenk, dat u Zijn werk groot maakt, dat de mensen aanschouwen. 25 Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre. 26 Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal van Zijn jaren. 27 Want Hij trekt de druppelen van de wateren op, die de regen na zijn damp uitgieten; 28 Die de wolken uitgieten, en over de mens overvloedig afdruipen. 29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen van de wolken, en de krakingen van Zijn hutte? 30 Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortels van de zee bedekt Hij. 31 Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft voedsel ten overvloede. 32 Met handen bedekt Hij het licht, en doet daaraan verbod door degene, die tussen doorkomt. 33 Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van de opgaande damp. ### Job 37 1 Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats. 2 Hoor met aandacht de beweging van Zijn stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat! 3 Dat zendt Hij rechtuit onder de hele hemel, en Zijn licht over de einden van de aarde. 4 Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem van Zijn hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden. 5 God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet. 6 Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot de plasregen van de regen; dan is er de plasregen van Zijn sterke regenen. 7 Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de mensen van Zijn werk. 8 En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen. 9 Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude. 10 Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden. 11 Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk van Zijn licht. 12 Die keert zich dan naar Zijn wijze raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke van de wereld, op de aarde. 13 Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot goedertierenheid beschikt. 14 Neem dit, o Job, ter ore; sta, en beschouw de wonderen van God. 15 Weet u, wanneer God daarover orde stelt, en het licht van Zijn wolk laat schijnen? 16 Hebt u wetenschap van de opwegingen van de dikke wolken; de wonderen van Degene, Die volmaakt is in wetenschappen? 17 Hoe uw kleren warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden? 18 Hebt u met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel? 19 Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis. 20 Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denk iemand dat, zeker, hij zal verslonden worden. 21 En nu ziet men het licht niet als het helder is in de hemel, als de wind doorgaat, en die zuivert; 22 Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit! 23 De Almachtige, Die kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; maar door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet. 24 Daarom vrezen Hem de mensen; Hij ziet geen wijzen van hart aan. ### Job 38 1 Daarna antwoordde JAHWEH Job uit een onweer, en zei: 2 Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder wetenschap? 3 Gord nu, als een man, uw middel, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij. 4 Waar was u, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, als u kloek van verstand bent. 5 Wie heeft haar maten gezet, want u weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken? 6 Waarop zijn haar grondvesten neergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? 7 Toen de morgensterren samen vrolijk zongen, en al de kinderen van God juichten. 8 Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? 9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek; 10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; 11 En zei: Tot hiertoe zult u komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen de hoogmoed van uw golven. 12 Hebt u van uw dagen de morgenstond geboden? Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen; 13 Opdat hij de einden van de aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden? 14 Dat zij veranderd zou worden als zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed? 15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken? 16 Bent u gekomen tot aan de oorsprongen van de zee, en hebt u in het onderste van de afgrond gewandeld? 17 Zijn u de poorten van de dood ontdekt, en hebt u gezien de poorten van de schaduw van de dood? 18 Bent u met uw verstand gekomen tot aan de breedte van de aarde? Geef het te kennen, als u dit alles weet. 19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats? 20 Dat u dat brengen zou tot zijn grens, en dat u merken zou de paden van zijn huis? 21 U weet het, want u was toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal. 22 Bent u gekomen tot de schatkameren van de sneeuw, en hebt u de schatkameren van de hagel gezien? 23 Die Ik ophoude tot de tijd van de benauwdheid, tot de dag van de strijd en van de oorlog! 24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde? 25 Wie deelt voor de stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht van de donderen? 26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is; 27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel van de grasscheutjes te doen groeien. 28 Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen van de dauw? 29 Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart de rijm van de hemel? 30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke van de afgrond wordt omvat. 31 Kunt u de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen van de Orion losmaken? 32 Kunt u de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en de Wagen met zijn kinderen leiden? 33 Weet u de bepalingen van de hemel, of kunt u daarvan heerschappij op de aarde bestellen? 34 Kunt u uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke? 35 Kunt u de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij? 36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft de zin het verstand gegeven? 37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen van de hemel neerleggen? 38 Als het stof doorgoten is tot vastheid, en de kluiten samenkleven? ### Job 39 1 Zult u voor de oude leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen? 2 Als zij neerbuigen in de holen, en in de kuil zitten, ter loering? 3 Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is? 4 Weet u de tijd van het baren van de steengeiten? Hebt u waargenomen de arbeid van de hinden? 5 Zult u de maanden tellen, die zij vervullen, en weet u de tijd van haar baren? 6 (Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen? 7 Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weer daartoe. 8 Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost? 9 Die Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen. 10 Hij belacht het gewoel van de stad; het menigerlei getier van de drijver hoort hij niet. 11 Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na. 12 Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij overnachten aan uw kribbe? 13 Zult u de eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen? 14 Zult u op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult u uw arbeid op hem laten? 15 Zult u hem geloven, dat hij uw zaad zal teruggeven, en verzamelen tot uw dorsvloer? 16 Zijn van u de verheugelijke vleugels van de pauwen? Of de veren van de ooievaar, en van de struisvogel? 17 Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt. 18 En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren van het veld die vertrappen kunnen? 19 Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vrees is. 20 Want God heeft haar van wijsheid beroofd, en heeft haar van het verstand niet medegedeeld. 21 Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder. 22 Zult u het paard sterkte geven? Kunt u zijn hals met donder bekleden? 23 Zult u het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking. 24 Het graaft in de grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, de geharnaste tegemoet. 25 Het belacht de vrees, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw vanwege het zwaard. 26 Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer van de speer en van de lans. 27 Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid van de bazuin. 28 In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de oorlog van verre, de donder van de vorsten en het gejuich. 29 Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugels uit naar het zuiden? 30 Is het naar uw bevel, dat de adelaar zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? 31 Hij woont en overnacht in de steenrots, op de scherpte van de steenrots en van de vaste plaats. 32 Van daar speurt hij het voedsel op; zijn ogen zien van verre af. 33 Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. 34 En JAHWEH antwoordde Job, en zei: 35 Is het twisten met de Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. 36 Toen antwoordde Job JAHWEH, en zei: 37 Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. 38 Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ### Job 40 1 En JAHWEH antwoordde Job uit een onweer, en zei: 2 Gord nu als een man uw middel; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 3 Zult u ook Mijn oordeel te niet maken? Zult u Mij verdoemen, opdat u rechtvaardig bent? 4 Hebt u een arm zoals God? En kunt u, zoals Hij, met de stem donderen? 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid! 6 Strooi de uitbarstingen van uw toorn uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem! 7 Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats! 8 Verberg hen samen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen! 9 Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben. 10 Zie nu Behemoth, die Ik gemaakt heb naast u; hij eet hooi, zoals een rund. 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn middel, en zijn macht in de navel van zijn buik. 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen van zijn schaamte zijn doorvlochten. 13 Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. 14 Hij is een hoofdstuk van de wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht. 15 Omdat de bergen hem voer voortbrengen, daarom spelen al de dieren van het veld daar. 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neer, in een schuilplaats van het riet en van het slijk. 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elk met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken de neus doorboren kunnen? 20 Zult u de Leviathan met de angel trekken, of zijn tong met een koord, dat u laat neerzinken? 21 Zult u hem een bieze in de neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? 22 Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken? 23 Zal hij een verbond met u maken? Zult u hem aannemen tot een eeuwige slaaf? 24 Zult u met hem spelen zoals met een vogeltje, of zult u hem binden voor uw meisjes? 25 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? 26 Zult u zijn huis met haken vullen, of met een vissershaak zijn hoofd? 27 Leg uw hand op hem, gedenk aan de strijd, doe het niet meer. 28 Zie, zijn hoop zal falen; zal hij ook voor zijn gezicht neergeslagen worden? ### Job 41 1 Niemand is zo vermetel, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? 2 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder de hele hemel is, is het Mijne. 3 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal van zijn sterkte, noch de aantrekkingskracht van zijn gestalte. 4 Wie zou het bovenste van zijn kleed ontdekken? Wie zou met zijn dubbele breidel hem aankomen? 5 Wie zou de deuren van zijn aangezicht opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 6 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elk gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 7 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. 8 Zij kleven aan elkaar, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elk van zijn niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad. 10 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 11 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een kokende pot en ruime ketel. 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. 13 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs het verdriet van vreugde op. 14 De stukken van zijn vlees kleven samen; elk is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast als een steen; ja, vast als een deel van de onderste molensteen. 16 Van zijn verheffen schromen de sterken; omwille van zijn doorbrekingen ontzondigen zij zich. 17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, speer, schicht noch pantsier. 18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vluchten, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling van de lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk. 22 Hij doet de diepte koken zoals een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou de afgrond voor grijzigheid houden. 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 25 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren. ### Job 42 1 Toen antwoordde Job JAHWEH, en zei: 2 Ik weet, dat U alles kunt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt U, die de raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist. 4 Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht U mij. 5 Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. 6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as. 7 Het gebeurde nu, nadat JAHWEH die woorden tot Job gesproken had, dat JAHWEH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job. 8 Daarom neemt nu voor u zeven stieren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zeker, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job. 9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden, zoals JAHWEH tot hen gesproken had; en JAHWEH nam het aangezicht van Job aan. 10 En JAHWEH wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en JAHWEH vermeerderde al wat Job gehad had tot dubbel zoveel. 11 Ook kwamen tot hem al zijn broers, en al zijn zussen, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en troostten hem over al het kwaad, dat JAHWEH over hem gebracht had; en zij gaven hem ieder een geldstuk, ieder ook een gouden voorhoofdsiersel. 12 En JAHWEH zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. 13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochters. 14 En hij noemde de naam van de eerste Jemima, en de naam van de tweede Kezia, en de naam van de derde Keren-happuch. 15 En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het hele land, als de dochters van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broers. 16 En Job leefde na deze honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen van zijn kinderen, tot in vier geslachten. 17 En Job stierf, oud en van de dagen verzadigd. ## Psalmen ### Psalmen 1 1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad van de goddelozen, noch staat op de weg van de zondaren, noch zit in het gestoelte van de spotters; 2 Maar zijn lust is in de wet van JAHWEH, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. 3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en wiens blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. 4 Zo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind wegblaast. 5 Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering van de rechtvaardigen. 6 Want JAHWEH kent de weg van de rechtvaardigen, maar de weg van de goddelozen zal vergaan. ### Psalmen 2 1 Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken zinloosheid? 2 De koningen van de aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen samen tegen JAHWEH, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende: 3 Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen. 4 Die in de hemel woont, zal lachen; JAHWEH zal hen bespotten. 5 Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn woede zal Hij hen verschrikken. 6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Van mijn heiligheid. 7 Ik zal van het besluit verhalen: JAHWEH heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik U gegenereerd. 8 Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden van de aarde tot Uw bezitting. 9 U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; U zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat. 10 Nu dan, u koningen, handelt verstandig; laat u tuchtigen, u rechters van de aarde! 11 Dien JAHWEH met vrees, en verheugt u met beving. 12 Kus de Zoon, opdat Hij niet toorne, en u op de weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. ### Psalmen 3 1 Een psalm van David, als hij vluchtte voor het aangezicht van zijn zoon Absalom. 2 O JAHWEH! hoe zijn mijn tegenstanders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op. 3 Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela. 4 Maar U, JAHWEH! bent een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft. 5 Ik riep met mijn stem tot JAHWEH, en Hij verhoorde mij van de berg van Zijn heiligheid. Sela. 6 Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte, want JAHWEH ondersteunt mij. 7 Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van het volk, die zich rondom tegen mij zetten. 8 Sta op, JAHWEH, verlos mij, mijn God; want U hebt al mijn vijanden op de kaak geslagen; de tanden van de goddelozen hebt U verbroken. 9 Het heil is van JAHWEH; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ### Psalmen 4 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2 Als ik roep, verhoor mij, o God van mijn gerechtigheid! In benauwdheid hebt U mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed. 3 U, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult u van de zinloosheid houden, de leugen zoeken? Sela. 4 Weet toch, dat JAHWEH Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; JAHWEH zal horen, als ik tot Hem roep. 5 Wees beroerd, en zondigt niet; spreek in uw hart op uw bed, en wees stil. Sela. 6 Offer offergaven van de gerechtigheid, en vertrouwt op JAHWEH. 7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef U over ons het licht van Uw aangezicht, o JAHWEH! 8 U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun nieuwe wijn vermenigvuldigd zijn. 9 Ik zal in vrede samen neerliggen en slapen; want U, o JAHWEH! alleen zult mij doen zeker wonen. ### Psalmen 5 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Nechiloth. 2 O JAHWEH, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking. 3 Merk op de stem van mijn geroep, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden. 4 In de morgen, JAHWEH, zult U mijn stem horen; 's morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden. 5 Want U bent geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren. 6 De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; U haat alle werkers van de ongerechtigheid. 7 U zult de leugensprekers verdoen; van de man van het bloed en van de bedriegerij heeft JAHWEH een gruwel. 8 Maar ik zal door de grootheid van Uw goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis van Uw heiligheid, in Uw vrees. 9 JAHWEH! Leid mij in Uw gerechtigheid, vanwege mijn spionnen; richt Uw weg voor mijn aangezicht. 10 Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. 11 Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen heen om de veelheid van hun overtredingen, want zij zijn opstandig tegen U. 12 Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat U hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. 13 Want U, JAHWEH, zult de rechtvaardige zegenen; U zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een groot schild. ### Psalmen 6 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith. 2 O JAHWEH, straf mij niet in Uw toorn, en straf mij niet in Uw woede! 3 Wees mij genadig, JAHWEH, want ik ben verzwakt; genees mij, JAHWEH, want mijn beenderen zijn verschrikt. 4 Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en U, JAHWEH, hoe lange? 5 Keer weer, JAHWEH, red mijn ziel; verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid. 6 Want in de dood is van Uw geen herinnering; wie zal U loven in het graf? 7 Ik ben moe van mijn zuchten; ik doe mijn bed de hele nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen. 8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenstanders. 9 Wijk van mij, al u werkers van de ongerechtigheid; want JAHWEH heeft de stem van mijn geween gehoord. 10 JAHWEH heeft mijn smeking gehoord; JAHWEH zal mijn gebed aannemen. 11 Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ### Psalmen 7 1 Davids Schiggajon, dat hij JAHWEH gezongen heeft, over de woorden van Cusch, de zoon van Jemini. 2 JAHWEH, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij. 3 Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is. 4 JAHWEH, mijn God, als ik dat gedaan heb, als er onrecht in mijn handen is; 5 Als ik kwaad vergolden heb die, die vrede met mij had; (ja, ik heb die gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) 6 Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela. 7 Sta op, JAHWEH, in Uw toorn, verhef U om de uitbarstingen van toorn van mijn benauwers, en ontwaak tot mij; U hebt het gericht bevolen. 8 Zo zal de vergadering van de volken U omsingelen; keer dan boven haar weer in de hoogte. 9 JAHWEH zal de volken recht doen; richt mij, JAHWEH, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtheid, die bij mij is. 10 Laat toch de boosheid van de goddelozen een einde nemen, maar bevestig de rechtvaardige, U, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God! 11 Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt. 12 God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die altijd toornt. 13 Als hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en die bereid. 14 En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. 15 Zie, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren. 16 Hij heeft een kuil gedolven, en die uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft. 17 Zijn moeite zal op zijn hoofd terugkeren, en zijn geweld op zijn schedel neerdalen. 18 Ik zal JAHWEH loven naar Zijn gerechtigheid, en de Naam van JAHWEH, van de Allerhoogste, psalmzingen. ### Psalmen 8 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Gitthith. 2 O JAHWEH, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de hele aarde! U, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen. 3 Uit de mond van de kinderen en van de zuigelingen hebt U sterkte gegrondvest, vanwege Uw tegenstanders, om de vijand en wraakgierige te doen ophouden. 4 Als ik Uw hemel aanzie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U bereid hebt; 5 Wat is de mens, dat U hem gedenkt, en de mensenzoon, dat U hem bezoekt? 6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? 7 U doet hem heersen over de werken van Uw handen; U hebt alles onder zijn voeten gezet; 8 Schapen en ossen, alle die; ook mee de dieren van het veld. 9 Het gevogelte van de hemel, en de vissen van de zee; wat de paden van de zeeën doorwandelt. 10 O JAHWEH, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de hele aarde! ### Psalmen 9 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Muth-labben. 2 Ik zal JAHWEH loven met mijn hele hart; ik zal al Uw wonderen vertellen. 3 In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste! 4 Omdat mijn vijanden achteruit gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht. 5 Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; U hebt gezeten op de troon, o Rechter, van de gerechtigheid. 6 U hebt de heidenen gescholden, de goddeloze verdaan, hun naam uitgewist, tot in eeuwigheid en altijd. 7 O vijand! zijn de verwoestingen voltooid in eeuwigheid, en hebt u de steden uitgeroeid? Hun herinnering is met hen vergaan. 8 Maar JAHWEH zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte. 9 En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden. 10 En JAHWEH zal een Vesting zijn voor de verdrukte, een Vesting in tijden van benauwdheid. 11 En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U, JAHWEH, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken. 12 Psalmzing JAHWEH, Die te Sion woont; verkondig onder de volken Zijn daden. 13 Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij denkt daaraan; Hij vergeet het geroep van de ellendigen niet. 14 Wees mij genadig, JAHWEH, zie mijn ellende aan, van mijn poorten van de dood; 15 Opdat ik Uw hele lof in de poorten van de dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil. 16 De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hun voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden. 17 JAHWEH is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk van zijn handen! Higgajon, Sela. 18 De goddelozen zullen terugkeren, naar het dodenrijk toe, alle godvergetende heidenen. 19 Want de arme zal niet voor altijd vergeten worden, noch de verwachting van de ellendigen in eeuwigheid verloren zijn. 20 Sta op, JAHWEH, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. 21 O JAHWEH! jaag hun vrees aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ### Psalmen 10 1 O JAHWEH! waarom staat U van verre? waarom verbergt U Zich in tijden van benauwdheid? 2 De goddeloze vervolgt hevig in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. 3 Want de goddeloze roemt over de wens van zijn ziel; hij zegent de gierigaard, hij lastert JAHWEH. 4 De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. 5 Zijn wegen maken altijd smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenstanders, die blaast hij aan. 6 Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. 7 Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. 8 Hij zit in de achterlage van de hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. 9 Hij legt hinderlagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt hinderlagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. 10 Hij duikt neer, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten. 11 Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid. 12 Sta op, JAHWEH God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet. 13 Waarom lastert de goddeloze God? zeg in zijn hart: U zult het niet zoeken? 14 U ziet het immers; want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, U bent geweest een Helper van de wees. 15 Breek de arm van de goddelozen en bozen; zoek zijn goddeloosheid, totdat U haar niet vindt. 16 JAHWEH is Koning eeuwig en altijd; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land. 17 JAHWEH! U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord; U zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken; 18 Om de wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven. ### Psalmen 11 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. Ik betrouw op JAHWEH; hoe zegt u tot mijn ziel: Zwerft heen naar uw gebergte, als een vogel? 2 Want ziet, de goddelozen spannen de boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van hart. 3 Zeker, de fundamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven? 4 JAHWEH is in het paleis van Zijn heiligheid, de troon van JAHWEH is in de hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen. 5 JAHWEH proeft de rechtvaardige; maar de goddeloze, en die, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel. 6 Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel van hun beker zijn. 7 Want JAHWEH is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt de oprechte. ### Psalmen 12 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Scheminith. 2 Behoud, o JAHWEH; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. 3 Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart. 4 JAHWEH snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong; 5 Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons? 6 Om de verwoesting van de ellendigen, om het kermen van de armen, zal Ik nu opstaan, zegt JAHWEH; Ik zal in behoudenis zetten, die hij aanblaast. 7 De redenen van JAHWEH zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. 8 U, JAHWEH, zult hen bewaren; U zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. 9 De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van de mensenkinderen verhoogd worden. ### Psalmen 13 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Hoe lang, JAHWEH, zult U mij steeds vergeten? Hoe lang zult U Uw aangezicht voor mij verbergen? 3 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn? 4 Aanschouw, verhoor mij, JAHWEH, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape; 5 Opdat niet mijn vijand zeg: Ik heb hem overweldigd; mijn tegenstanders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen. 6 Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; 7 ik zal JAHWEH zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft. ### Psalmen 14 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. 2 JAHWEH heeft uit de hemel neergekeken op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht. 3 Zij zijn allen afgeweken, samen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet één. 4 Hebben dan alle werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen JAHWEH niet aan. 5 Daar werden zij door grote schrik bevangen; want God is bij het geslacht van de rechtvaardigen. 6 U beschaamt de raad van de ellendigen, omdat JAHWEH zijn Toevlucht is. 7 Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame! Als JAHWEH de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. ### Psalmen 15 1 Een psalm van David. JAHWEH, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? 2 Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt; 3 Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste; 4 In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eer degenen, die JAHWEH vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet; 5 Die zijn geld niet geeft op rente, en geen geschenk neemt tegen de onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid. ### Psalmen 16 1 Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U. 2 O mijn ziel! u hebt tot JAHWEH gezegd: U bent JAHWEH, mijn goedheid raakt niet tot U; 3 Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in die al mijn lust is. 4 De smarten van degenen, die een andere God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankoffers van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen. 5 JAHWEH is het deel van mijn erfenis, en van mijn beker; U onderhoudt mijn lot. 6 De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden. 7 Ik zal JAHWEH loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren. 8 Ik stel JAHWEH steeds voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. 9 Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen. 10 Want U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; U zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie. 11 U zult mij het pad van het leven bekend maken; verzadiging van de vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwig. ### Psalmen 17 1 Een gebed van David. JAHWEH! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. 2 Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de eerlijkheid aanschouwen. 3 U hebt mijn hart geproefd, in de nacht bezocht, U hebt mij getoetst. U vindt niets; wat ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. 4 Voor wat betreft de handelingen van de mensen, ik heb mij, naar het woord van Uw lippen, gewacht voor de paden van de inbreker; 5 Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen. 6 Ik roep U aan, omdat U mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. 7 Maak Uw goedertierenheden wonderbaar, U, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! 8 Bewaar mij als het zwart van de oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels, 9 Voor het aangezicht van de goddelozen, die mij verwoesten, van mijn doodsvijanden, die mij omringen. 10 Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hoogmoedig. 11 In onze gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde neerbuigend. 12 Hij is zoals een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen. 13 Sta op, JAHWEH, kom zijn aangezicht voor, huid hem neer; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze; 14 Met Uw hand van de mensen, o JAHWEH! van de mensen, die van de wereld zijn, van wie het deel in dit leven is, van wie de buik U vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot aan hun kinderen achter. 15 Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. ### Psalmen 18 1 Voor de koorleider. Van David, de dienaar van JAHWEH, die de woorden van dit lied tot JAHWEH sprak op de dag dat JAHWEH hem redde uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul. 2 Hij zei dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, JAHWEH, mijn Sterkte! 3 JAHWEH is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Wie ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn van mijn heil, mijn Vesting. 4 Ik riep JAHWEH aan, die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden. 5 Banden van de dood hadden mij omvangen, en beken van Belial verschrikten mij. 6 Banden van het dodenrijk omringden mij, strikken van de dood bejegenden mij. 7 Als mij bange was, riep ik JAHWEH aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren. 8 Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden van de bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. 9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. 10 En Hij boog de hemel, en daalde neer, en donkerheid was onder Zijn voeten. 11 En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snel op de vleugelen van de wind. 12 Duisternis zette Hij tot Zijn plek om te schuilen; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid van de wateren, wolken van de hemel. 13 Van de glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarheen, hagel en vurige kolen. 14 En JAHWEH donderde in de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. 15 En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze. 16 En de diepe kolken van de wateren werden gezien, en de gronden van de wereld werden ontdekt, van Uw bestraffing, o JAHWEH! van het geblaas van de wind van Uw neus. 17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren. 18 Hij verloste mij van mijn sterke vijand, en van mijn vijanden, omdat zij machtiger waren dan ik. 19 Zij hadden mij bejegend op de dag van mijn ongeluk; maar JAHWEH was mij tot een Steun. 20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij. 21 JAHWEH vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weer naar de reinheid van mijn handen. 22 Want ik heb de wegen van JAHWEH gehouden, en ben van mijn God niet goddeloos afgegaan. 23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn voorschriften deed ik niet van mij weg. 24 Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid. 25 Zo gaf mij JAHWEH weer naar mijn gerechtigheid, naar de reinheid van mijn handen, voor Zijn ogen. 26 Bij de goedertierene houdt U Zich goedertieren, bij de oprechten man houdt U Zich oprecht. 27 Bij de reine houdt U Zich rein, maar bij de verkeerde bewijst U Zich een Worstelaar. 28 Want U verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert U. 29 Want U doet mijn lamp lichten; JAHWEH, mijn God, doet mijn duisternis opklaren. 30 Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur. 31 Gods weg is volmaakt; de rede van JAHWEH is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. 32 Want wie is God, behalve JAHWEH? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God? 33 Het is God, die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt. 34 Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten. 35 Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is. 36 Ook hebt U mij het schild van Uw heil gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt. 37 U hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld. 38 Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weer, voordat ik hen verdaan had. 39 Ik doorstak hen, dat zij niet weer konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten. 40 Want U omgordde mij met kracht ten strijde; U deedt onder mij neerbuigen, die tegen mij opstonden. 41 En U gaf mij de nek van mijn vijanden, en mijn vijanden, die vernielde ik. 42 Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot JAHWEH, maar Hij antwoordde hun niet. 43 Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als slijk van de straten. 44 U hebt mij uitgeholpen van de twisten van het volk; U hebt mij gesteld tot een hoofd van de heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend. 45 Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinst onderworpen. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten. 47 JAHWEH leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God van mijn heil! 48 De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt; 49 Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, U verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; U redt mij van de man van het geweld. 50 Daarom zal ik U, o JAHWEH! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; 51 Die de verlossingen van Zijn koning groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ### Psalmen 19 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. 3 De dag aan de dag stort overvloedig spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap. 4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. 5 Hun richtsnoer gaat uit over de hele aarde, en hun redenen aan het einde van de wereld; Hij heeft daarin een tent gesteld voor de zon. 6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen. 7 Haar uitgang is van het einde van de hemel, en haar omloop tot aan de einden daarvan; en niets is verborgen voor haar hitte. 8 De wet van JAHWEH is volmaakt, die de ziel bekeert; de getuigenis van JAHWEH is zeker, die de eenvoudigen wijsheid geeft. 9 De bevelen van JAHWEH zijn recht, die het hart verblijdt; het gebod van JAHWEH is zuiver, die de ogen verlicht. 10 De vrees voor JAHWEH is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten van JAHWEH zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. 11 Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honing en honingzeem. 12 Ook wordt Uw knecht daardoor duidelijk vermaand; in het houden ervan is grote beloning. 13 Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen. 14 Houd Uw knecht ook terug van hoogmoed; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. 15 Laat de redenen van mijn mond, en de overdenking van mijn hart welbehaaglijk zijn voor Uw aangezicht, o JAHWEH, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ### Psalmen 20 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 JAHWEH verhore u in de dag van de benauwdheid; de Naam van de God van Jakob zette u in een vesting. 3 Hij zend uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion. 4 Hij gedenke al uw voedseloffers, en make uw brandoffer tot as. Sela. 5 Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad. 6 Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in de Naam van onze God. JAHWEH vervulle al uw begeerten. 7 Alsnu weet ik, dat JAHWEH Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit de hemel van Zijn heiligheid; het heil van Zijn rechterhand zal zijn met mogendheden. 8 Deze vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam van JAHWEH, van onze God. 9 Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. 10 O JAHWEH! behoud; die koning verhore ons op de dag van ons roepen. ### Psalmen 21 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 O JAHWEH! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil! 3 U hebt hem van zijn hart wens gegeven, en de uitspraak van zijn lippen hebt U niet geweerd. Sela. 4 Want U komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet U een kroon van fijn goud. 5 Het leven heeft hij van U begeerd. U hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwig en altijd. 6 Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt U hem toegevoegd. 7 Want U zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; U vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht. 8 Want de koning vertrouwt op JAHWEH, en door de goedertierenheid van de Allerhoogste zal hij niet wankelen. 9 Uw hand zal al Uw vijanden vinden; Uw rechterhand zal Uw vijanden vinden. 10 U zult hen zetten als een vurige oven ter tijd van Uw toornigen aangezichts; JAHWEH zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. 11 U zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen van de mensen. 12 Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, maar zullen niets uitrichten. 13 Want U zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult U het op hun aangezicht toeleggen. 14 Verhoog U, JAHWEH! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. ### Psalmen 22 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. 2 Mijn God, mijn God! waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden van mijn gebrul? 3 Mijn God! Ik roep overdag, maar U antwoordt niet; en in de nacht, en ik heb geen stilte. 4 Maar U bent heilig, wonende onder de lofzangen van Israël. 5 Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en U hebt hen uitgeholpen. 6 Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. 7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. 8 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende: 9 Hij heeft het op JAHWEH gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, omdat Hij lust aan hem heeft! 10 U bent het immers, die mij uit de buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan van mijn moeders borsten. 11 Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik van mijn moeder aan bent U mijn God. 12 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper. 13 Vele stieren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd. 14 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw. 15 Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden van mijn binnenste. 16 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en U legt mij in het stof van de dood. 17 Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. 18 Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. 19 Zij delen mijn kleren onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. 20 Maar U, JAHWEH! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp. 21 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld van de hond. 22 Verlos mij uit van de leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen van de eenhoornen. 23 Zo zal ik Uw Naam aan mijn broeders vertellen; in het midden van de gemeente zal ik U prijzen. 24 U, die JAHWEH vreest! prijst Hem; al u zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al u zaad van Israël! 25 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking van de verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep. 26 Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in aanwezigheid van degenen, die Hem vrezen. 27 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen JAHWEH prijzen, die Hem zoeken; uw hart zal in eeuwigheid leven. 28 Alle einden van de aarde zullen het gedenken, en zich tot JAHWEH bekeren; en alle geslachten van de heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. 29 Want het koninkrijk is van JAHWEH, en Hij heerst onder de heidenen. 30 Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof neerdalen, zullen voor Zijn aangezicht neerbuigen; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. 31 Het zaad zal Hem dienen; het zal JAHWEH aangeschreven worden tot in geslachten. 32 Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen de volk, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. ### Psalmen 23 1 Een psalm van David. JAHWEH is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. 2 Hij doet mij neerliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. 3 Hij verfrist mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam. 4 Al ging ik ook in een dal van de schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die troosten mij. 5 U richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; U maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. 6 Immers zullen mij het goede en de goedertierenheid volgen al de dagen van mijn leven; en ik zal in het huis van JAHWEH blijven in lengte van dagen. ### Psalmen 24 1 Een psalm van David. De aarde is van JAHWEH, en ook haar volheid, de wereld, en die daarin wonen. 2 Want Hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren. 3 Wie zal klimmen op de berg van JAHWEH, en wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid? 4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot zinloosheid, en die niet bedrieglijk zweert; 5 Die zal de zegen ontvangen van JAHWEH, en gerechtigheid van de God van zijn heil. 6 Dat is het geslacht van degenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela. 7 Hef uw hoofden op, u poorten, en verheft u, u eeuwige deuren, opdat de Koning van de ere inga! 8 Wie is de Koning van de ere? JAHWEH, sterk en geweldig, JAHWEH, geweldig in de strijd. 9 Hef uw hoofden op, u poorten, ja, heft op, u eeuwige deuren! opdat de Koning van de ere inga! 10 Wie is Hij, deze Koning van de ere? JAHWEH van de legermachten, Die is de Koning van de ere. Sela. ### Psalmen 25 1 Een psalm van David. Aleph. Tot U, o JAHWEH! hef ik mijn ziel op. 2 Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij. 3 Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouweloos handelen zonder oorzaak. 4 Daleth. JAHWEH! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. 5 He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want U bent de God van mijn heil; U verwacht ik de hele dag. 6 Zain. Gedenk, JAHWEH! Uw barmhartigheden en van Uw goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid. 7 Cheth. Gedenk niet van de zonden van mijn jeugd, noch van mijn overtredingen; gedenk aan mij naar Uw goedertierenheid, omwille van Uw goedheid, o JAHWEH! 8 Teth. JAHWEH is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in de weg. 9 Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren. 10 Caph. Alle paden van JAHWEH zijn goedertierenheid en waarheid, van hen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren. 11 Lamed. Vanwege uw Naam, JAHWEH! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot. 12 Mem. Wie is de man, die JAHWEH vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg, die hij zal hebben te verkiezen. 13 Nun. Zijn ziel zal overnachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven. 14 Samech. De geheim van JAHWEH is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken. 15 Ain. Mijn ogen zijn steeds op JAHWEH, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren. 16 Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig. 17 Tsade. De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden. 18 Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden. 19 Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een boosaardige haat. 20 Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U. 21 Thau. Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U. 22 O God! verlos Israël uit al zijn benauwdheden. ### Psalmen 26 1 Een psalm van David! Doe mij recht, JAHWEH! want ik wandel in mijn oprechtheid; en ik vertrouw op JAHWEH, ik zal niet wankelen. 2 Proef mij, JAHWEH, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart. 3 Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid. 4 Ik zit niet bij ijdele mensen, en met bedekte mensen ga ik niet om. 5 Ik haat de vergadering van de boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet. 6 Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o JAHWEH! 7 Om te doen horen de stem van de lof, en om te vertellen al Uw wonderen. 8 JAHWEH! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats van de tabernakel Uw eer. 9 Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen van het bloed; 10 In wier handen schandelijk bedrijf is, en wier rechterhand vol geschenken is. 11 Maar ik wandel in mijn oprechtheid, verlos mij dan en wees mij genadig. 12 Mijn voet staat op effen baan; ik zal JAHWEH loven in de vergaderingen. ### Psalmen 27 1 Een psalm van David. JAHWEH is mijn Licht en mijn Heil, voor wie zou ik vrezen? JAHWEH is van mijn leven kracht, voor wie zou ik bevreesd zijn? 2 Als de bozen, mijn tegenstanders, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stootten zij zelf aan, en vielen. 3 Hoewel mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; hoewel een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop. 4 Één ding heb ik van JAHWEH begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen van mijn leven mocht wonen in het huis van JAHWEH, om de liefelijkheid van JAHWEH te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel. 5 Want Hij versteekt mij in Zijn hut, op de dag van het kwaad; Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen. 6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offergaven van het geklank offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen JAHWEH. 7 Hoor, JAHWEH! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij. 8 Mijn hart zegt tot U: U zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o JAHWEH! 9 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; U bent mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God van mijn heil! 10 Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar JAHWEH zal mij aannemen. 11 JAHWEH! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, vanwege mijn spionnen. 12 Geef mij niet over in de begeerte van mijn tegenstanders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, en ook die wrevel uitblaast. 13 Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede van JAHWEH zou zien in het land van de levenden, ik was vergaan. 14 Wacht op JAHWEH, wees sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op JAHWEH. ### Psalmen 28 1 Een psalm van David. Tot U roep ik, JAHWEH! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo U Zich van mij stil houdt, vergeleken word met degenen, die in de kuil neerdalen. 2 Hoor de stem van mijn smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats van Uw heiligheid. 3 Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers van de ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. 4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid van hun handelingen; geef hun naar van hun handen werk; doe hun vergelding tot hen terugkeren. 5 Omdat zij niet letten op de daden van JAHWEH, noch op het werk van Zijn handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. 6 Geloofd zij JAHWEH, want Hij heeft de stem van mijn smekingen gehoord. 7 JAHWEH is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; daarom springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven. 8 JAHWEH is hun Sterkte, en Hij is de Sterkheid van de verlossingen Zijn Gezalfde. 9 Verlos Uw volk, en zegen Uw erfenis, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid. ### Psalmen 29 1 Een psalm van David. Geef JAHWEH, u kinderen van de machtigen! geef JAHWEH eer en sterkte. 2 Geef JAHWEH de eer van Zijn Naam, aanbid JAHWEH in de heerlijkheid van het heiligdom. 3 De stem van JAHWEH is op de wateren, de God van de ere dondert; JAHWEH is op de grote wateren. 4 De stem van JAHWEH is met kracht, de stem van JAHWEH is met heerlijkheid. 5 De stem van JAHWEH breekt de cederen; ja, JAHWEH verbreekt de cederen van Libanon. 6 En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jonge eenhoorn. 7 De stem van JAHWEH houwt er vlammen vuurs uit. 8 De stem van JAHWEH doet de woestijn beven; JAHWEH doet de woestijn Kades beven. 9 De stem van JAHWEH doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem ieder eer. 10 JAHWEH heeft gezeten over de watervloed; ja, JAHWEH zit, Koning in eeuwigheid. 11 JAHWEH zal Zijn volk sterkte geven; JAHWEH zal Zijn volk zegenen met vrede. ### Psalmen 30 1 Een psalm, een lied van de inwijding van Davids huis. 2 Ik zal U verhogen, JAHWEH, want U hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd. 3 JAHWEH, mijn God! ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. 4 JAHWEH! U hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; U hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil niet ben neergedaald. 5 Psalmzing JAHWEH, u Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter herinnering van Zijn heiligheid. 6 Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; 's avonds overnacht het geween, maar 's morgens is er gejuich. 7 Ik zei wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. 8 Want, JAHWEH! U had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen U Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt. 9 Tot U, JAHWEH! riep ik, en ik smeekte tot JAHWEH: 10 Wat winst is er in mijn bloed, in mijn neerdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? 11 Hoor, JAHWEH! en wees mij genadig; JAHWEH! wees mij een Helper. 12 U hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; U hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; 13 Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. JAHWEH, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ### Psalmen 31 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Op U, o JAHWEH! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid. 3 Neig Uw oor tot mij, red mij met spoed; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden. 4 Want U bent mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, omwille van Uw Naam. 5 Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want U bent mijn Sterkte. 6 In Uw hand beveel ik mijn geest; U hebt mij verlost, JAHWEH, U, God van de waarheid! 7 Ik haat degenen, die op valse zinloosheden acht nemen, en ik betrouw op JAHWEH. 8 Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat U mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend; 9 En mij niet hebt overgeleverd in de hand van de vijand; U hebt mijn voeten doen staan in de ruimte. 10 Wees mij genadig, JAHWEH! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik. 11 Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd. 12 Vanwege al mijn tegenstanders ben ik, ook mijn buren, enorm tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vluchten van mij weg. 13 Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven voorwerp. 14 Want ik hoorde de naspraak van velen; vrees is van rondom, omdat zij samen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen. 15 Maar ik vertrouw op U, o JAHWEH! Ik zeg: U bent mijn God. 16 Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand van mijn vijanden, en van mijn vervolgers. 17 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid. 18 JAHWEH! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf. 19 Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige, in hoogmoed en verachting. 20 O, hoe groot is Uw goed, dat U weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat U gewerkt hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de aanwezigheid van de mensenkinderen! 21 U verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor de hoogmoedigheden van de man; U versteekt hen in een hut voor de twist van de tongen. 22 Geloofd zij JAHWEH, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een versterkte stad. 23 Ik zei wel in mijn haast: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoorde U de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep. 24 Heb JAHWEH lief, u, al Zijn gunstgenoten! want JAHWEH behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloedig degene, die hoogmoed bedrijft. 25 Wees sterk, en Hij zal uw hart versterken, u allen, die op JAHWEH hoopt! ### Psalmen 32 1 Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2 Welgelukzalig is de mens, die JAHWEH de ongerechtigheid niet toerekent, en in wie de geest geen bedrog is. 3 Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen de hele dag. 4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn levensvocht werd veranderd in zomerdroogten. Sela. 5 Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor JAHWEH; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela. 6 Hierom zal U ieder heilige aanbidden in de tijd dat U Zich laat vinden; ja, in een overstroming van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. 7 U bent mij een plek om te schuilen; U behoedt mij voor benauwdheid; U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. 8 Ik zal u onderwijzen, en u leren van de weg, die u gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn. 9 Wees niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, dat geen verstand heeft, waarvan men de muil breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet zou naderen. 10 De goddeloze heeft veel smarten, maar die op JAHWEH vertrouwt, die zal de goedertierenheid omringen. 11 Verblijd u in JAHWEH, en verheugt u, u rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle u oprechten van hart! ### Psalmen 33 1 U rechtvaardigen! zing vrolijk in JAHWEH; lof past de oprechten. 2 Loof JAHWEH met de harp; psalmzing Hem met de luit, en het tiensnarig instrument. 3 Zing Hem een nieuw lied; speelt welluidend met vrolijk geschal. 4 Want het Woord van JAHWEH is recht, en al Zijn werk getrouw. 5 Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid van JAHWEH. 6 Door het Woord van JAHWEH zijn de hemelen gemaakt, en door de Geest van Zijn mond al hun leger. 7 Hij verzamelt de wateren van de zee als op één hoop; Hij stelt de afgronden schatkameren. 8 Laat de hele aarde voor JAHWEH vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken. 9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er. 10 JAHWEH vernietigt de raad van de heidenen; Hij breekt de gedachten van de volken. 11 Maar de raad van JAHWEH bestaat in eeuwigheid, de gedachten van Zijn hart van geslacht tot geslacht. 12 Welgelukzalig is het volk, wiens God JAHWEH is; het volk, dat Hij Zich als erfenis gekozen heeft. 13 JAHWEH schouwt uit de hemel, en ziet alle mensenkinderen. 14 Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners van de aarde. 15 Hij vormt hun aller hart; Hij let op al hun werken. 16 Een koning wordt niet behouden door een groot leger; een held wordt niet gered door grote kracht; 17 Het paard faalt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte. 18 Zie, het oog van JAHWEH is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 19 Om hun ziel van de dood te redden, en om hen bij het leven te houden in de honger. 20 Onze ziel verwacht JAHWEH: Hij is onze Hulp en ons Schild. 21 Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op de Naam van Zijn heiligheid vertrouwen. 22 Uw goedertierenheid, JAHWEH! zij over ons; gelijk als wij op U hopen. ### Psalmen 34 1 Een psalm van David, als hij zijn gezicht veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging. 2 Aleph. Ik zal JAHWEH loven altijd; Zijn lof zal steeds in mijn mond zijn. 3 Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in JAHWEH; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn. 4 Gimel. Maak JAHWEH met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen. 5 Daleth. Ik heb JAHWEH gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered. 6 He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun gezichten zijn niet schaamrood geworden. 7 Zain. Deze ellendige riep, en JAHWEH hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. 8 Cheth. De Engel van JAHWEH legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit. 9 Teth. Smaak en ziet, dat JAHWEH goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt. 10 Jod. Vrees JAHWEH, u Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek. 11 Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die JAHWEH zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed. 12 Lamed. Kom, u, kinderen! hoor naar mij! ik zal u van JAHWEH vrees leren. 13 Mem. Wie is de man, die lust heeft in het leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien? 14 Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken. 15 Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na. 16 Ain. De ogen van JAHWEH zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep. 17 Pe. Het aangezicht van JAHWEH is tegen degenen, die kwaad doen, om hun herinnering van de aarde uit te roeien. 18 Tsade. Zij roepen, en JAHWEH hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden. 19 Koph. JAHWEH is nabij de gebrokenen van hart, en Hij behoudt de verslagenen van geest. 20 Resch. Vele zijn de tegenslagen van de rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem JAHWEH. 21 Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet één van die wordt gebroken. 22 Thau. De boosheid zal de goddeloze doden; en die de rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. 23 JAHWEH verlost de ziel van Zijn knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. ### Psalmen 35 1 Een psalm van David. Twist, JAHWEH! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders. 2 Grijp het schild en het grote schild, en sta op tot mijn hulp. 3 En breng de speer voort, en sluit de weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. 4 Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achteruit gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. 5 Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel van JAHWEH drijve hen weg. 6 Hun weg zij duister en geheel spiegelglad; en de Engel van JAHWEH vervolge hen. 7 Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel. 8 De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelf; hij valle daarin met verwoesting. 9 Zo zal mijn ziel zich verheugen in JAHWEH; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil. 10 Al mijn beenderen zullen zeggen: JAHWEH, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en arme van zijn berover. 11 Valse getuigen staan er op; wat ik niet weet, eisen zij van mij. 12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving van mijn ziel. 13 Wat mij betreft daarentegen, als zij ziek waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weer in mijn boezem. 14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broer geweest was; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt. 15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun kleren, en zwegen niet stil. 16 Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden. 17 JAHWEH! hoe lang zult U toezien? Breng mijn ziel weer van hun verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen. 18 Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volk zal ik U prijzen. 19 Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten. 20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land. 21 En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! 22 JAHWEH! U hebt het gezien, zwijg niet; JAHWEH! wees niet verre van mij. 23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en JAHWEH! tot mijn rechtszaak. 24 Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, JAHWEH, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden. 25 Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! 26 Laat hen beschaamd en samen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. 27 Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen steeds zeggen: Groot gemaakt zij JAHWEH, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht! 28 Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof de hele dag. ### Psalmen 36 1 Een psalm van David, de knecht van JAHWEH, voor de opperzangmeester. 2 De overtreding van de goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vrees voor God voor zijn ogen. 3 Want hij vleit zichzelf in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid vindt, die te haten is. 4 De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. 5 Hij bedenkt onrecht op zijn bed; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet. 6 O JAHWEH! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. 7 Uw gerechtigheid is als de bergen van God, Uw oordelen zijn een grote afgrond; JAHWEH! U behoudt mensen en beesten. 8 Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Daarom de mensenkinderen onder de schaduw van Uw vleugelen toevlucht nemen. 9 Zij worden dronken van de overvloed van Uw huis; en U laat hen drinken uit de beek van Uw hartstochten. 10 Want bij U is de fontein van het leven; in Uw licht zien wij het licht. 11 Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart. 12 De voet van de hoogmoedigen kome niet over mij, en de hand van de goddelozen doe mij niet omzwerven. 13 Daar zijn de werkers van de ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergestoten, en kunnen niet meer opstaan. ### Psalmen 37 1 Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen. 2 Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. 3 Beth. Vertrouw op JAHWEH, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid. 4 En verlustig u in JAHWEH, zo zal Hij u geven de begeerten van uw hart. 5 Gimel. Wentel uw weg op JAHWEH, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken; 6 En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als de middag. 7 Daleth. Zwijg voor JAHWEH, en verbeid Hem; ontsteek u niet over degene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert. 8 He. Laat af van toorn, en verlaat de woede; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen. 9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die JAHWEH verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. 10 Vau. En nog een weinig tijd, en de goddeloze zal er niet zijn; en u zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. 11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verheugen over grote vrede. 12 Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden. 13 JAHWEH belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt. 14 Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en arme neer te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn. 15 Maar hun zwaard zal in hun hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden. 16 Teth. Het weinig, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed van vele goddelozen. 17 Want de armen van de goddelozen zullen verbroken worden; maar JAHWEH ondersteunt de rechtvaardigen. 18 Jod. JAHWEH kent de dagen van de oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven. 19 Zij zullen niet beschaamd worden in de kwade tijd, en in de dagen van de honger zullen zij verzadigd worden. 20 Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden van JAHWEH zullen verdwijnen, als het kostelijkste van de lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen. 21 Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weer; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft. 22 Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden. 23 Mem. De gangen dezelfde mans worden van JAHWEH bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg. 24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want JAHWEH ondersteunt zijn hand. 25 Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien de rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. 26 De hele dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening. 27 Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. 28 Want JAHWEH heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad van de goddelozen wordt uitgeroeid. 29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. 30 Pe. De mond van de rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht. 31 De wet van zijn God is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen. 32 Tsade. De goddeloze loert op de rechtvaardige, en zoekt hem te doden. 33 Maar JAHWEH laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt. 34 Koph. Wacht op JAHWEH, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; u zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid. 35 Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. 36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden. 37 Schin. Let op de vrome, en zie naar de oprechte; want het einde van die man zal vrede zijn. 38 Maar de overtreders worden samen vernietigd; het einde van de goddelozen wordt uitgeroeid. 39 Thau. Maar het heil van de rechtvaardigen is van JAHWEH; hun Sterkte in de tijd van benauwdheid. 40 En JAHWEH zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem. ### Psalmen 38 1 Een psalm van David, om te doen gedenken. 2 O JAHWEH! straf mij niet in Uw grote toorn, en straf mij niet in Uw woede. 3 Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij neergedaald. 4 Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw toorn; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde. 5 Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. 6 Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid. 7 Ik ben krom geworden, ik ben bovenmate zeer neergebogen; ik ga de hele dag in het zwart. 8 Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plaag, en er is niets geheels in mijn vlees. 9 Ik ben verzwakt, en bovenmate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis van mijn hart. 10 JAHWEH! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen. 11 Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht van mijn ogen, ook zij zelf zijn niet bij mij. 12 Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plaag, en mijn nabestaanden staan van verre. 13 En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken de hele dag listen. 14 Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet. 15 Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wie de mond geen tegenredenen zijn. 16 Want op U, JAHWEH! hoop ik; U zult verhoren, JAHWEH, mijn God! 17 Want ik zei: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken. 18 Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij. 19 Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bezorgd vanwege mijn zonde. 20 Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot. 21 En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede nastreef. 22 Verlaat mij niet, o JAHWEH, mijn God! wees niet verre van mij. 23 Haast U tot mijn hulp, JAHWEH, mijn Heil! ### Psalmen 39 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, voor Jeduthun. 2 Ik zei: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. 3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard. 4 Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong: 5 JAHWEH! maak mij bekend mijn einde, en wat de maat van mijn dagen is; dat ik wete, hoe vergankelijk ik ben. 6 Zie, U hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel zinloosheid. Sela. 7 Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij zinloos; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal. 8 En nu, wat verwacht ik, o JAHWEH! Mijn hoop, die is op U. 9 Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad van de dwazen. 10 Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want U hebt het gedaan. 11 Neem Uw plaag van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding van Uw hand. 12 Straft U iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet U zijn aantrekkingskracht smelten als een mot; immers is een ieder mens zinloosheid. Sela. 13 Hoor, JAHWEH! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. 14 Wend U van mij af, dat ik mij verkwik, voordat ik heenga, en ik niet meer zij. ### Psalmen 40 1 Davids psalm, voor de opperzangmeester. 2 Ik heb JAHWEH lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. 3 En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. 4 En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang voor onze God; velen zullen het zien, en vrezen, en op JAHWEH vertrouwen. 5 Welgelukzalig is de man, die JAHWEH tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hoogmoedigen, en die tot leugen afwijken. 6 U, o JAHWEH, mijn God! heb Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij veelvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen. 7 U hebt geen lust gehad aan slachtoffer en voedseloffer; U hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. 8 Toen zei ik: Zie, ik kom; in de rol van het boek is van mij geschreven. 9 Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van mijn binnenste. 10 Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; JAHWEH! U weet het. 11 Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden van mijn hart; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw goedertierenheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente. 12 U, o JAHWEH! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij steeds behoeden. 13 Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn veelvuldiger dan de haar van mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten. 14 Het behage U, JAHWEH! mij te verlossen; JAHWEH! haast U tot mijn hulp. 15 Laat hen samen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achteruit gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. 16 Laat hen verwoest worden tot loon van hun beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha! 17 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers van Uw heil steeds zeggen: JAHWEH zij groot gemaakt! 18 Ik ben wel ellendig en arm, maar JAHWEH denkt aan mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! wacht niet langer. ### Psalmen 41 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt tegenover een ellendige; JAHWEH zal hem bevrijden op de dag van het kwaad. 3 JAHWEH zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over aan de begeerte van zijn vijanden. 4 JAHWEH zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn ziekte verandert U zijn hele bed. 5 Ik zei: O JAHWEH! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd. 6 Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? 7 En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart verzamelt zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van. 8 Al mijn vijanden mompelen samen tegen mij; ze bedenken tegen mij, wat mij kwaad is, zeggende: 9 Een vervloekt iets kleeft hem aan; en hij, die neerligt, zal niet weer opstaan. 10 Zelfs de man van mijn vrede, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de hiel tegen mij enorm verheven. 11 Maar U, o JAHWEH! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden. 12 Hierbij weet ik, dat U lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen. 13 Want wat mij betreft, U onderhoudt mij in mijn oprechtheid, en U stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid. 14 Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ### Psalmen 42 1 Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! 3 Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? 4 Mijn tranen zijn mij tot voedsel dag en nacht; omdat zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 5 Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik was gewend heen te gaan onder de menigte, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. 6 Wat buigt u zich neer, o mijn ziel! en bent onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht. 7 O mijn God! mijn ziel buigt zich neer in mij, daarom gedenk ik aan U uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. 8 De afgrond roept tot de afgrond, bij het geluid van Uw watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan. 9 Maar JAHWEH zal overdag Zijn goedertierenheid gebieden, en in de nacht zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God van mijn leven. 10 Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet U mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? 11 Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn tegenstanders, als zij de hele dag tot mij zeggen: Waar is uw God? 12 Wat buigt u zich neer, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de veelvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God. ### Psalmen 43 1 Doe mij recht, o God! en twist U mijn rechtszaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man van het bedrog en van het onrecht. 2 Want U bent de God van mijn sterkte; waarom verstoot U mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege de onderdrukking van de vijand? 3 Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot de berg van Uw heiligheid, en tot Uw woningen; 4 En dat ik inga tot Gods altaar, tot de God van de blijdschap van mijn verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God! 5 Wat buigt u zich neer, o mijn ziel! en wat bent u onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de veelvuldige Verlossing van mijn aangezicht, en mijn God. ### Psalmen 44 1 Een onderwijzing, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: U hebt een werk gewerkt in hun dagen, in de dagen van ouds. 3 U hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar hen geplant; U hebt de volken geplaagd, hen daarentegen doen voortschieten. 4 Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht van Uw aangezicht, omdat U een welbehagen in hen had. 5 U Zelf bent mijn Koning, o God! gebied de verlossingen van Jakob. 6 Door U zullen wij onze tegenstanders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan. 7 Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen. 8 Maar U verlost ons van onze tegenstanders, en U maakt onze vijanden beschaamd. 9 In God roemen wij de hele dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela. 10 Maar nu hebt U ons verstoten en te schande gemaakt, omdat U met onze legers niet uittrekt. 11 U doet ons achteruit keren van de tegenstander; en onze vijanden beroven ons voor zich. 12 U geeft ons over als schapen ter voedsel, en U verstrooit ons onder de heidenen. 13 U verkoopt Uw volk voor geen prijs; en U verhoogt hun prijs niet. 14 U stelt ons onze buren tot smaad, tot spot en schimp van hen, die rondom ons zijn. 15 U stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. 16 Mijn schande is de hele dag voor mij, en de schaamte van mijn aangezicht bedekt mij; 17 Om de stem van de honer en van de lasteraar, vanwege de vijand en de wraakgierige. 18 Dit alles is ons overkomen, toch hebben wij U niet vergeten, noch vals gehandeld tegen Uw verbond. 19 Ons hart is niet achteruit gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad. 20 Hoewel U ons verpletterd hebt in een plaats van de draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt. 21 Zo wij de Naam van onze God hadden vergeten, en onze handen tot een vreemde God uitgebreid, 22 Zou God dat niet onderzoeken? Want Hij weet de geheimen van het hart. 23 Maar om Uwentwil worden wij de hele dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen. 24 Waak op, waarom zou U slapen, JAHWEH! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. 25 Waarom zou U Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten? 26 Want onze ziel is in het stof neergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. 27 Sta op, ons ter hulp, en verlos ons omwille van Uw goedertierenheid. ### Psalmen 45 1 Een onderwijzing, een lied van de liefde, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim. 2 Mijn hart geeft een goede rede op; ik zeg mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen van een vaardige schrijver. 3 U bent veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. 4 Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid. 5 En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het woord van de waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. 6 Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van de Koning vijanden. 7 Uw troon, o God! is eeuwig en altijd; de scepter van Uw Koninkrijk is een scepter van de oprechtheid. 8 U hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw metgezellen. 9 Al Uw kleren zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de ivoren paleizen, vanwaar zij U verblijden. 10 Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir. 11 Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en het huis van uw vader. 12 Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer. 13 En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken. 14 De dochter van de Koning is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel. 15 In gestikte kleren zal zij tot de Koning geleid worden; de meisjes, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden. 16 Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in het paleis van de Koning. 17 In plaats van Uw vaders zullen Uw zonen zijn; U zult hen tot vorsten zetten over de hele aarde. 18 Ik zal van Uw Naam doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwig en altijd. ### Psalmen 46 1 Een lied op Alamoth, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden. 3 Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën; 4 Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door van die verheffing! Sela. 5 De beekjes van de rivier zullen verblijden de stad van God, het heiligdom van de woningen van de Allerhoogste. 6 God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond. 7 De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt. 8 JAHWEH van de legermachten is met ons; de God van Jakob is ons een Vesting. Sela. 9 Kom, aanschouw de daden van JAHWEH, Die verwoestingen op aarde aanricht. 10 Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde van de aarde, de boog verbreekt, en de speer aan twee slaat, de wagens met vuur verbrandt. 11 Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. 12 JAHWEH van de legermachten is met ons; de God van Jakob is ons een Vesting. Sela. ### Psalmen 47 1 Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Alle volken, klapt in de hand; juich voor God met een stem van vreugdegezang. 3 Want JAHWEH, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de hele aarde. 4 Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten. 5 Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, die Hij heeft liefgehad. Sela. 6 God vaart op met gejuich, JAHWEH met geklank van de bazuin. 7 Psalmzing voor God, psalmzingt! Psalmzing onze Koning, psalmzingt! 8 Want God is een Koning van de hele aarde; psalmzing met een onderwijzing! 9 God regeert over de heidenen; God zit op de troon van Zijn heiligheid. 10 De edelen van de volken zijn verzameld tot het volk van de God van Abraham; want de schilden van de aarde zijn van God. Hij is zeer verheven! ### Psalmen 48 1 Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 JAHWEH is groot en zeer te prijzen, in de stad van onze God, op de berg van Zijn heiligheid. 3 Schoon van gelegenheid, een vreugde van de hele aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad van de grote Konings. 4 God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Vesting. 5 Want ziet, de koningen waren verzameld; zij waren samen doorgetogen. 6 Zoals zij het zagen, zo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg. 7 Beving greep hen daar aan, smart als van een barende vrouw. 8 Met een oostenwind verbreekt U de schepen van Tharsis. 9 Zoals wij gehoord hadden, zo hebben wij gezien in de stad van JAHWEH van de legermachten, in de stad van onze God; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela. 10 O God! wij gedenken van Uw goedertierenheid, in het midden van Uw tempel. 11 Zoals Uw Naam is, o God! zo is Uw roem tot aan de einden van de aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid. 12 Laat de berg Sion blij zijn; laat de dochters van Juda zich verheugen, vanwege Uw oordelen. 13 Ga rondom Sion, en omring haar; tel haar torens; 14 Zet uw hart op haar vesting; beschouw onderscheidenlijk haar paleizen, opdat u het aan het navolgende geslacht vertelt. 15 Want deze God is onze God eeuwig en altijd; Hij zal ons geleiden tot de dood toe. ### Psalmen 49 1 Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 Hoor dit, alle u volken! neem ter ore, alle inwoners van de wereld, 3 Zowel eenvoudigen als aanzienlijken, zowel rijk als arm! 4 Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking van mijn hart zal vol verstand zijn. 5 Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgen rede openen op de harp. 6 Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? 7 Inzake degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid van hun rijkdom roemen; 8 Niemand van hen zal zijn broer immermeer kunnen verlossen; hij zal voor God zijn losprijs niet kunnen geven; 9 (Want de verlossing van hun ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); 10 Dat hij ook voortaan steeds zou leven, en de verderving niet zien. 11 Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat samen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten. 12 Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. 13 De mens toch, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. 14 Deze hun weg is een dwaasheid van hen; toch hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela. 15 Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in die morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. 16 Maar God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela. 17 Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt; 18 Want hij zal in zijn sterven niet met al meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. 19 Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat u uzelf goed doet; 20 Zo zal zij toch komen tot het geslacht haar vaders; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. 21 De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ### Psalmen 50 1 Een psalm van Asaf. De God van de goden, JAHWEH spreekt, en roept de aarde, van de opgang van de zon tot aan haar ondergang. 2 Uit Sion, de volkomenheid van de schoonheid, verschijnt God blinkende. 3 Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 4 Hij zal roepen tot de hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten. 5 Verzamel Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offergave! 6 En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela. 7 Hoor, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israël! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God. 8 Om uw offergaven zal Ik u niet straffen, want uw brandoffers zijn steeds voor Mij. 9 Ik zal uit uw huis geen stier nemen, noch bokken uit uw kooien; 10 Want al het gedierte van het woud is van Mij, de beesten op duizend bergen. 11 Ik ken al het gevogelte van de bergen, en het wild van het veld is bij Mij. 12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en haar volheid. 13 Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken? 14 Offer voor God dank, en betaal de Allerhoogste uw geloften. 15 En roept Mij aan in de dag van de benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en u zult Mij eren. 16 Maar tot de goddeloze zegt God: Wat hebt u Mijn voorschriften te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond? 17 Omdat u de vergelding haat, en Mijn woorden achter u wegwerpt. 18 Als u een dief ziet, zo loopt u met hem; en uw deel is met de overspelers. 19 Uw mond slaat u in het kwade, en uw tong koppelt bedrog. 20 U zit, u spreekt tegen uw broer; tegen de zoon van uw moeder geeft u lastering uit. 21 Deze dingen doet u, en Ik zwijg; u denkt, dat Ik te enenmale ben, gelijk u; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen. 22 Versta dit toch, u godvergeters! opdat Ik niet verscheure en niemand redde. 23 Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien. ### Psalmen 51 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. 3 Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; wis mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden. 4 Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. 5 Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. 6 Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. 7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. 8 Zie, U hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt U mij wijsheid bekend. 9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 10 Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die U verbrijzeld hebt. 11 Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en wis uit al mijn ongerechtigheden. 12 Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. 13 Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heilige Geest niet van mij. 14 Geef mij weer de vreugde van Uw heil; en de vrijmoedige geest ondersteune mij. 15 Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren. 16 Verlos mij van bloedschulden, o God, U, God van mijn heil! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. 17 Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen. 18 Want U hebt geen lust tot offergave, anders zou ik ze geven; in brandoffers hebt U geen behagen. 19 De offergaven Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult U, o God! niet verachten. 20 Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. 21 Dan zult U lust hebben aan de offergaven van de gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat geheel verteerd wordt; dan zullen zij stieren offeren op Uw altaar. ### Psalmen 52 1 Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester. 2 Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen in het huis van Achimelech. 3 Wat beroemt u zich in het kwaad, o u geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch de hele dag. 4 Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog. 5 U hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela. 6 U hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong van het bedrog. 7 God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land van de levenden. Sela. 8 En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende: 9 Zie de man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid van zijn rijkdom; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. 10 Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwig en altijd. 11 Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat U het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ### Psalmen 53 1 Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op Machalath. 2 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet. 3 God heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig was, die God zocht. 4 Een ieder van hen is teruggekeerd, samen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet één. 5 Hebben dan de werkers van de ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan. 6 Daar werden zij door grote schrik bevangen, waar geen reden was om bevreesd te zijn; want God heeft de beenderen van degene, die u belegerde, verstrooid; u hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. 7 Och, dat Israëls verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen van Zijn volk zal doen terugkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn. ### Psalmen 54 1 Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth; 2 Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verberg zich David niet bij ons? 3 O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht. 4 O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen van mijn mond. 5 Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela. 6 Zie, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen. 7 Hij zal dit kwaad aan mijn spionnen vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. 8 Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o JAHWEH! loven, want Hij is goed. 9 Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. ### Psalmen 55 1 Een onderwijzing van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2 O God! neem mijn gebed ter ore, en verberg U niet voor mijn smeking. 3 Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf luid weeklagen in mijn klacht, en maak getier; 4 Om de roep van de vijand, vanwege de verdrukking van de goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5 Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen van de dood zijn op mij gevallen. 6 Vrees en beving komt mij aan, en huivering overdekt mij; 7 Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als van een duif zou geven! ik zou wegvliegen, waar ik blijven mocht. 8 Zie, ik zou ver wegzwerven, ik zou overnachten in de woestijn. Sela. 9 Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van de drijvende wind, van de storm. 10 Verslind hen, JAHWEH! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad. 11 Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. 12 Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. 13 Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14 Maar u bent het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! 15 Wij, die samen in zoetigheid in het geheim raadpleegden; wij wandelden in gezelschap in het huis van God. 16 Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend naar het dodenrijk neerdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen. 17 Wat mij betreft, ik zal tot God roepen, en JAHWEH zal mij verlossen. 18 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen. 19 Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van de strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest. 20 God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; omdat bij hen geheel geen verandering is, en zij God niet vrezen. 21 Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond. 22 Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelfde zijn blote zwaarden. 23 Werp uw zorg op JAHWEH, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige zou wankelen. 24 Maar U, o God! zult die doen neerdalen in de put van het verderf; de mannen van het bloed en bedrogs zullen hun dagen niet tot op de helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. ### Psalmen 56 1 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2 Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de hele dag dringt mij de bestrijder. 3 Mijn spionnen zoeken mij de hele dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste! 4 Op de dag als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen. 5 In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij vlees doen? 6 De hele dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. 7 Zij spannen samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten. 8 Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neer in toorn, o God! 9 U hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register? 10 Dan zullen mijn vijanden achteruit keren, op de dag als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is. 11 In God zal ik het woord prijzen; in JAHWEH zal ik het woord prijzen. 12 Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen? 13 O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; 14 Want U hebt mijn ziel gered van de dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht van de levenden? ### Psalmen 57 1 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth; als hij voor Sauls aangezicht vluchtte in de grot. 2 Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan. 3 Ik zal roepen tot God, de Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voltooien zal. 4 Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende degene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden. 5 Mijn ziel is in het midden van de leeuwen, ik lig onder opruiers, mensenkinderen, van wie de tanden speren en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard. 6 Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde. 7 Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was neergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden ingevallen. Sela. 8 Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen. 9 Waak op, mijn eer! waak op, u, luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken. 10 Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natiën. 11 Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. 12 Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de hele aarde. ### Psalmen 58 1 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth. 2 Spreekt u werkelijk gerechtigheid, u, vergadering? Oordeelt u eerlijk, u, mensenkinderen? 3 Ja, u werkt ongerechtigheden in het hart; u weegt het geweld van uw handen op de aarde. 4 De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan. 5 Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt; 6 Opdat zij niet hore naar de stem van de belezers, van degene, die ervaren is met bezweringen om te gaan. 7 O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden van de jonge leeuwen, o JAHWEH! 8 Laat hen smelten als water, laat hen daarheen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. 9 Laat hem heengaan, als een smeltende slak; laat hen, als de miskraam van een vrouw, de zon niet aanschouwen. 10 Voordat uw potten de doornstruik bemerken, zal Hij hem als levend, als in hete toorn wegstormen. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddelozen. 12 En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. ### Psalmen 59 1 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Al-tascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden. 2 Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een vesting voor degenen, die tegen mij opstaan. 3 Red mij van de werkers van de ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen van het bloed. 4 Want zie, zij leggen voor mijn ziel hinderlagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o JAHWEH! 5 Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie. 6 Ja, U JAHWEH, God van de legermachten, God van Israël! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouweloos ongerechtigheid bedrijven. Sela. 7 Tegen de avond keren zij weer, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. 8 Zie, zij storten overvloedig uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? 9 Maar U, JAHWEH! zult hen belachen; U zult alle heidenen bespotten. 10 Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Vesting. 11 De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn spionnen doen zien. 12 Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neer, o Heere, ons Schild! 13 Om de zonde van hun mond, om het woord van hun lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, die zij vertellen. 14 Verteer hen in woede; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God Heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden van de aarde. Sela. 15 Laat hen dan tegen de avond terugkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; 16 Laat hen zelfs omzwerven om voedsel; en laat hen overnachten, al zijn zij niet verzadigd. 17 Maar ik zal Uw sterkte zingen, en 's morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat U mij een Vesting bent geweest, en een Toevlucht op de dag als ik bang was. 18 Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Vesting, de God van mijn goedertierenheid. ### Psalmen 60 1 Een gouden kleinood van David tot onderwijzing, voor de opperzangmeester, op Schusan Eduth; 2 Als hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië, en met de Syriërs van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend. 3 O God! U had ons verstoten, U had ons gescheurd, U bent boos geweest; keer weer tot ons. 4 U hebt het land geschud, U hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt. 5 U hebt Uw volk een harde zaak doen zien; U hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn. 6 Maar nu hebt U van hen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela. 7 Opdat Uw geliefden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons. 8 God heeft gesproken in Zijn heiligdom; daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. 9 Gilead is van mij, en Manasse is van mij, en Efraïm is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn wetgever. 10 Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o u Palestina! 11 Wie zal mij voeren in een versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? 12 Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten had, en niet uittrokt, o God! met onze legermachten? 13 Geef U ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is zinloosheid. 14 In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze tegenstanders vertreden. ### Psalmen 61 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2 O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed. 3 Van het einde van het land roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. 4 Want U bent mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor de vijand. 5 Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene van Uw vleugelen. Sela. 6 Want U, o God! heb gehoord naar mijn geloften; U hebt mij gegeven de erfenis van degenen, die Uw Naam vrezen. 7 U zult dagen tot de dagen van de koning toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht; 8 Hij zal eeuwig voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. 9 Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ### Psalmen 62 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, over Jeduthun. 2 Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. 3 Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting, ik zal niet enorm wankelen. 4 Hoe lang zult u kwaad aanstichten tegen een man? U allen zult gedood worden; u zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur. 5 Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela. 6 Maar u, o mijn ziel! zwijg voor God; want van Hem is mijn verwachting. 7 Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Vesting; ik zal niet wankelen. 8 In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen van mijn sterkte, mijn Toevlucht is in God. 9 Vertrouw op Hem altijd, o u volk! Stort uw hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela. 10 Immers zijn de gemene mensen zinloosheid, de grote mensen zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de zinloosheid. 11 Vertrouw niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op. 12 God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte van God is. 13 En de goedertierenheid, o Heere! is van U; want U zult ieder vergelden naar zijn werk. ### Psalmen 63 1 Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. 2 O God! U bent mijn God! ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. 3 Werkelijk, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer; 4 Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen. 5 Zo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen. 6 Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen. 7 Als ik aan U gedenk op mijn slaapplaats, zo peins ik aan U in de nachtwaken. 8 Want U bent mij een hulp geweest; en in de schaduw van Uw vleugelen zal ik vrolijk zingen. 9 Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij. 10 Maar deze, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen van de aarde. 11 Men zal hen storten door het geweld van het zwaard; zij zullen de vossen ten deel worden. 12 Maar de koning zal zich in God verblijden; een ieder die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond van de leugensprekers zal gestopt worden. ### Psalmen 64 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor de schrik van de vijand. 3 Verberg mij voor de geheime raad van de boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers van de ongerechtigheid. 4 Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl; 5 Om in verborgen plaatsen de oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet. 6 Zij sterken zichzelf in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien? 7 Zij doorzoeken allerlei listigheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste van een man, en het diepe hart. 8 Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er. 9 En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelf; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken. 10 En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandig beschouwen. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden in JAHWEH, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen. ### Psalmen 65 1 Een psalm van David, een lied, voor de opperzangmeester. 2 De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. 3 U hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen. 4 Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent U. 5 Welgelukzalig is hij, die U verkiest, en doet naderen, dat hij woon in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis. 6 Vreselijke dingen zult U ons in gerechtigheid antwoorden, o God van ons heil! o Vertrouwen alle einden van de aarde, en van de verre gelegenen aan de zee! 7 Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht. 8 Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen haar golven, en het rumoer van de volken. 9 En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; U doet de uitgangen 's morgens en 's avonds juichen. 10 U bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt U het enorm; de rivier van God is vol van water; wanneer U het zo bereid hebt, maakt U hun koren gereed. 11 U maakt zijn opgeploegde aarde dronken; U doet ze dalen in zijn voren; U maakt het week door de druppelen; U zegent zijn uitspruitsel. 12 U kroont het jaar van Uw goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid. 13 Zij bedruipen de weiden van de woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. 14 De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij. ### Psalmen 66 1 Een lied, een psalm, voor de opperzangmeester. Juich voor God, u gehele aarde! 2 Psalmzing de eer van Zijn Naam; geef eer Zijn lof. 3 Zeg tot God: Hoe vreselijk bent U in Uw werken! Om de grootheid van Uw sterkte zullen zich Uw vijanden geveinst aan U onderwerpen. 4 De hele aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela. 5 Kom en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen. 6 Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd. 7 Hij heerst eeuwig met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela. 8 Loof, u volken! onze God; en laat horen de stem van Zijn roem. 9 Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele. 10 Want U hebt ons beproefd, o God! U hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; 11 U had ons in het net gebracht; U had een strakke band om onze middel gelegd; 12 U had de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar U hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing. 13 Ik zal met brandoffers in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, 14 Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was. 15 Brandofferen van vetgemeste dieren zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela. 16 Kom, hoor toe, o allen u, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. 17 Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong. 18 Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben. 19 Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem van mijn gebed. 20 Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij. ### Psalmen 67 1 Een psalm, een lied, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2 God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht aan ons lichten. Sela. 3 Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 4 De volken zullen U, o God! loven; de volken, allemaal, zullen U loven. 5 De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat U de volken zult richten in oprechtheid; en de natiën op de aarde die zult U leiden. Sela. 6 De volken zullen U, o God! loven; de volken, allemaal, zullen U loven. 7 De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. 8 God zal ons zegenen; en alle einden van de aarde zullen Hem vrezen. ### Psalmen 68 1 Een psalm, een lied van David, voor de opperzangmeester. 2 God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn vijanden zullen van Zijn aangezicht vluchten. 3 U zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht. 4 Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn. 5 Zing voor God, psalmzing Zijn Naam; hoog de wegen voor Die, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is JAHWEH; en spring op van vreugde voor Zijn aangezicht. 6 Hij is een Vader van de wezen, en een Rechter van de weduwen; God, in de woonstede van Zijn heiligheid. 7 Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre. 8 O God! toen U voor het aangezicht van Uw volk uittrokt, toen U daarheen tradt in de woestijn; Sela. 9 Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aangezicht; zelfs deze Sinaï, voor het aangezicht van God, van God van Israël. 10 U hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en U hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden. 11 Uw hoop woonde daarin; U bereidde ze door Uw goedheid voor de ellendige, o God! 12 JAHWEH gaf te spreken; van de boodschappers van goede tijdingen was een grote legermacht. 13 De koningen van de legermachten vluchtten weg, zij vluchtten weg; en zij, die te huis bleef, deelde de roof uit. 14 Al laagt u tussen twee rijen van stenen, zo zult u toch worden als vleugels van een duif, overdekt met zilver, en waarvan de veren zijn met uitgegraven geluwen goud. 15 Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon. 16 De berg Basan is een berg van God; de berg Basan is een bultige berg. 17 Waarom springt u op, u bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er JAHWEH wonen in eeuwigheid. 18 Gods wagens zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid! 19 U bent opgevaren in de hoogte; U hebt de gevangenis als gevangene gevoerd; U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de opstandigen om bij U te wonen, o JAHWEH God! 20 Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela. 21 Die God is ons een God van volkomen Zaligheid; en bij JAHWEH, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood. 22 Voorzeker zal God de kop van Zijn vijanden verslaan, de harigen schedel van degene, die in zijn schulden wandelt. 23 De Heere heeft gezegd: Ik zal teruggeven uit Basan; Ik zal teruggeven uit de diepten van de zee; 24 Opdat u uw voet, ja, de tong van uw honden, mag steken in het bloed van de vijanden, van ieder van hen. 25 O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen van mijn God, van mijn Koning, in het heiligdom. 26 De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden. 27 Loof God in de gemeenten, de Heere, u, die bent uit de springader van Israël! 28 Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali. 29 Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat U aan ons gewerkt hebt! 30 Vanwege Uw tempel te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen. 31 Bestraf het wild gedierte van het riet, de vergadering van de stieren met de kalveren van de volken; en die, die zich onderwerpt met stukken zilver; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen. 32 Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. 33 U koninkrijken van de aarde, zingt voor God; psalmzing de Heere! Sela. 34 Die, Die daar rijdt in de hemel van de hemelen, Die van ouds is; zie, Hij geeft Zijn stem, een stem van de sterkte. 35 Geef voor God sterkte! Zijn hoogheid is over Israël, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. 36 O God! U bent vreselijk uit Uw heiligdommen; de God van Israël, Die geeft de volk sterkte en krachten. Geloofd zij God! ### Psalmen 69 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Schoschannim. 2 Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel. 3 Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten van de wateren, en de vloed overstroomt mij. 4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. 5 Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haar van mijn hoofd; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik dan wedergeven. 6 O God! U weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen. 7 Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, JAHWEH van de legermachten, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God van Israël! 8 Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt. 9 Ik ben mijn broers vreemd geworden, en onbekend aan mijn moeders kinderen. 10 Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden van degenen, die U smaden, zijn op mij gevallen. 11 En ik heb geweend in het vasten van mijn ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad. 12 En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden. 13 Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel van degenen, die sterke drank drinken. 14 Maar wat mij betreft, mijn gebed is tot U, o JAHWEH; er is een tijd van het welbehagen, o God! door de grootheid van Uw goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid van Uw heil. 15 Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn vijanden, en uit de diepten van de wateren. 16 Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat de put zijn mond over mij niet toesluiten. 17 Verhoor mij, o JAHWEH, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid van Uw barmhartigheden. 18 En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij. 19 Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij vanwege mijn vijanden. 20 U weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U. 21 De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden. 22 Ja, zij hebben mij gal tot mijn voedsel gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij azijn te drinken gegeven. 23 Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik. 24 Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun middel steeds waggelen. 25 Stort over hen Uw toorn uit; en de hitte van Uw toorn grijpe hen aan. 26 Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner. 27 Want zij vervolgen, die U geslagen hebt; en maken een praat van de smart van Uw verwonden. 28 Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid. 29 Laat hen uitgewist worden uit het boek van het leven, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden. 30 Maar ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een vesting. 31 Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken. 32 En het zal JAHWEH aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde stier, die de klauwen verdeelt. 33 De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en u, die God zoekt, uw hart zal leven. 34 Want JAHWEH hoort de armen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet. 35 Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën, en al wat daarin wriemelt. 36 Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en daar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; 37 En het zaad van Zijn knechten zal haar beërven; en de liefhebbers van Zijn Naam zullen daarin wonen. ### Psalmen 70 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester, om te doen gedenken. 2 Haast U, o God, om mij te verlossen, o JAHWEH, tot mijn hulp. 3 Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achteruit gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. 4 Laat hen terugkeren tot loon van hun beschaming, die daar zeggen: Ha, ha! 5 Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers van Uw heil steeds zeggen: God zij groot gemaakt! 6 Maar ik ben ellendig en arm; o God, haast U tot mij; U bent mijn Hulp en mijn Bevrijder; JAHWEH, wacht niet langer! ### Psalmen 71 1 Op U, o JAHWEH! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid. 2 Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij. 3 Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om steeds daarin te gaan; U hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want U bent mijn Steenrots en mijn Burg. 4 Mijn God, bevrijd mij van de hand van de goddelozen, van de hand van degene, die verkeerd handelt, en van de hoogmoedigen. 5 Want U bent mijn Verwachting, Heere, JAHWEH! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan. 6 Op U heb ik gesteund van de buik aan; van mijn moeders binnenste aan bent U mijn Uithelper; mijn lof is steeds van U. 7 Ik ben velen als een wonder geweest; maar U bent mijn sterke Toevlucht. 8 Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, de hele dag met Uw heerlijkheid. 9 Verwerp mij niet in de tijd van de ouderdom; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat. 10 Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen samen, 11 Zeggende: God heeft hem verlaten; jaag na, en grijpt hem, want er is geen verlosser. 12 O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp. 13 Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken. 14 Maar ik zal steeds hopen, en zal al Uw lof nog groter maken. 15 Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, de hele dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet. 16 Ik zal heengaan in de mogendheden van de Heere JAHWEH; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de van U alleen. 17 O God! U hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen. 18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, voordat ik deze geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht. 19 Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; U, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk? 20 U, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weer levend maken, en zult mij weer ophalen uit de afgronden van de aarde. 21 U zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom troosten. 22 Ook zal ik U loven met het instrument van de luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige van Israël! 23 Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die U verlost hebt. 24 Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid de hele dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken. ### Psalmen 72 1 Voor Salomo. O God! geef de koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid de zoon van de koning. 2 Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht. 3 De bergen zullen de volk vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid. 4 Hij zal de ellendigen van het volk richten; hij zal de kinderen van de armen verlossen, en de verdrukker verbrijzelen. 5 Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht. 6 Hij zal neerdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen. 7 In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. 8 En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde. 9 De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof likken. 10 De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. 11 Ja, alle koningen zullen zich voor hem neerbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. 12 Want hij zal de arme redden, die daar roept, en ook de ellendige, en die geen helper heeft. 13 Hij zal de arme en behoeftige sparen, en de zielen van de armen verlossen. 14 Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen. 15 En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal steeds voor hem bidden; de hele dag zal men hem zegenen. 16 Is er een hand vol koren in het land op de hoogte van de bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid van de aarde. 17 Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen. 18 Geloofd zij God JAHWEH, de God van Israël, Die alleen wonderen doet. 19 En geloofd zij de Naam van Zijn heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de hele aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen. 20 De gebeden van David, de zoon van Isaï, hebben een einde. ### Psalmen 73 1 Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, van hen, die rein van hart zijn. 2 Maar wat mij betreft, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgegleden. 3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende op de goddelozen vrede. 4 Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris. 5 Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd. 6 Daarom omringt hen de hoogmoed als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad. 7 Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen van het hart te boven. 8 Zij mergelen de mensen uit, en spreken boos van verdrukking; zij spreken uit de hoogte. 9 Zij zetten hun mond tegen de hemel, en hun tong wandelt op de aarde. 10 Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun water van een volle beker worden uitgedrukt, 11 Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste? 12 Zie, deze zijn goddeloos; toch hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen. 13 Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen. 14 Omdat ik de hele dag geplaagd ben, en mijn straffing is er elke morgen. 15 Als ik zou zeggen: Ik zal ook zo spreken; zie, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht van Uw kinderen. 16 Toch heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen; 17 Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. 18 Immers zet U hen op gladde plaatsen; U doet hen vallen in verwoestingen. 19 Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen! 20 Als een droom na het ontwaken! Als U opwaakt, o Heere, dan zult U hun beeld verachten. 21 Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd, 22 Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U. 23 Ik zal dan steeds bij U zijn; U hebt mijn rechterhand gevat; 24 U zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen. 25 Wie heb ik naast U in de hemel? Naast U lust mij ook niets op de aarde! 26 Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen van mijn hart, en mijn Deel in eeuwigheid. 27 Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; U roeit uit, al wie van U afhoereert; 28 Maar wat mij betreft, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op Adonai JAHWEH, om al Uw werken te vertellen. ### Psalmen 74 1 Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot U in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen van Uw weide? 2 Gedenk aan Uw vergadering, die U van ouds verworven hebt; de roede van Uw erfenis, die U verlost hebt; de berg Sion, waarop U gewoond hebt. 3 Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven. 4 Uw tegenstanders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld. 5 Een ieder werd er bekend als één, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een geboomte. 6 Zo hebben zij nu van die graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen. 7 Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning van Uw Naam ontheiligd. 8 Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons samen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand. 9 Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang. 10 Hoe lang, o God! zal de tegenstander smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren? 11 Waarom trekt U Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde. 12 Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden van de aarde. 13 U hebt door Uw sterkte de zee gespleten; U hebt de koppen van de draken in de wateren verbroken. 14 U hebt de koppen van de Leviathan verpletterd; U hebt hem tot voedsel gegeven aan het volk in dorre plaatsen. 15 U hebt een fontein en beek gekliefd; U hebt sterke rivieren uitgedroogd. 16 De dag is van U, ook is de nacht van U; U hebt het licht en de zon bereid. 17 U hebt al de grenzen van de aarde gesteld; zomer en winter, die hebt U gevormd. 18 Gedenk hieraan; de vijand heeft JAHWEH gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd. 19 Geef aan het wild gedierte de ziel van Uw tortelduif niet over; vergeet de hoop van Uw ellendigen niet in eeuwigheid. 20 Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen van het land zijn vol woningen van geweld. 21 Laat de verdrukte niet beschaamd terugkeren; laat de ellendige en arme Uw Naam prijzen. 22 Sta op, o God! twist Uw rechtszaak; gedenk van de smaad, die U van de dwaze wedervaart de hele dag. 23 Vergeet niet het geroep Uw tegenstanders; het getier van degenen, die tegen U opstaan, klimt steeds op. ### Psalmen 75 1 Voor de opperzangmeester, Al-tascheth; een psalm, een lied, voor Asaf. 2 Wij loven U, o God! wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen. 3 Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik geheel recht richten. 4 Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela. 5 Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Wees niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoog de hoorn niet. 6 Verhoog uw hoorn niet omhoog; spreek niet met stijven hals. 7 Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 8 Maar God is Rechter; Hij vernedert deze, en verhoogt anderen. 9 Want in de hand van JAHWEH is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; maar alle goddelozen van de aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken. 10 En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal de God van Jakob psalmzingen. 11 En ik zal alle hoornen van de goddelozen afhouwen; de hoornen van de rechtvaardigen zullen verhoogd worden. ### Psalmen 76 1 Een psalm, een lied van Asaf, voor de opperzangmeester, op de Neginoth. 2 God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël. 3 En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion. 4 Daar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog, het schild, en het zwaard, en de oorlog. Sela. 5 U bent stralender en heerlijker dan de roofbergen. 6 De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. 7 Van Uw bestraffing, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. 8 U, vreselijk bent U; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van de tijd van Uw toorn af? 9 U deedt een oordeel horen uit de hemel; de aarde vreesde en werd stil, 10 Als God opstond tot het oordeel, om alle zachtmoedigen van de aarde te verlossen. Sela. 11 Want de woede van de mensen zal U prijzenswaardig maken; het overblijfsel van de grimmigheden zult U opbinden. 12 Doe geloften en betaal ze JAHWEH, uw God, u allen, die rondom Hem bent! Laat hen Die, Die te vrezen is, geschenken brengen; 13 Die de geest van de vorsten als druiven afsnijdt; Die de koningen van de aarde vreselijk is. ### Psalmen 77 1 Een psalm van Asaf, voor de opperzangmeester, over Jeduthun. 2 Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen. 3 Op de dag van mijn benauwdheid zocht ik JAHWEH; mijn hand was in de nacht uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. 4 Dacht ik aan God, zo maakte ik luid weeklagen; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela. 5 U hieldt mijn ogen wakend; ik was verslagen, en sprak niet. 6 Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren van de eeuwen. 7 Ik dacht aan mijn snarenspel; in de nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht: 8 Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn? 9 Houd Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht? 10 Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela. 11 Daarna zei ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand van de Allerhoogste verandert. 12 Ik zal de daden van JAHWEH gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her; 13 En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken. 14 O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God? 15 U bent die God, Die wonder doet; U hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken. 16 U hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela. 17 De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd. 18 De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarheen. 19 Het geluid van Uw donder was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde. 20 Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. 21 U leidde Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aäron. ### Psalmen 78 1 Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter ore; neig uw oor tot de redenen van mijn mond. 2 Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal geheimen overvloedig uitstorten, van ouds her; 3 Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben. 4 Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden van JAHWEH, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. 5 Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onze vaders geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; 6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen; 7 En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren; 8 En dat zij niet zouden worden zoals hun vaders, een koppig en opstandig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en waarvan de geest niet getrouw was met God. 9 (De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.) 10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet. 11 En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien. 12 Voor hun vaders had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan. 13 Hij kloof de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als één hoop. 14 En Hij leidde hen overdag met een wolk, en de hele nacht met een licht van het vuur. 15 Hij kloof de rotsstenen in de woestijn, en gaf hen overvloedig te drinken, als uit afgronden. 16 Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren. 17 Nog voeren zij verder voort tegen Hem te zondigen, verbitterende de Allerhoogste in de dorre wildernis. 18 En zij verzochten God in hun hart, begerende het voedsel naar hun lust. 19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? 20 Zie, Hij heeft de rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloedig uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk vlees toebereiden? 21 Daarom hoorde JAHWEH, en werd toornig; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël; 22 Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden. 23 Daar Hij de wolken van boven gebood, en de deuren van de hemel opende; 24 En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. 25 Ieder at het brood van de Machtigen; Hij zond hun proviant tot verzadiging. 26 Hij dreef de oostenwind voort in de hemel, en voerde de zuidenwind aan door Zijn sterkte; 27 En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand van de zeeën; 28 En deed het vallen in het midden van zijn leger, rondom zijn woningen. 29 Toen aten zij, en werden zeer verzadigd; zodat Hij hun hun lust toebracht. 30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun voedsel was nog in hun mond, 31 Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël velde neer. 32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen. 33 Daarom deed Hij hun dagen vergaan in zinloosheid, en hun jaren in verschrikking. 34 Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weer, en zochten God vroeg; 35 En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser. 36 En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong. 37 Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond. 38 Maar Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn hele woede niet op. 39 En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die heengaat en niet terugkeert. 40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! 41 Want zij kwamen opnieuw, en verzochten God, en stelden de Heilige van Israël een perk. 42 Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag, toen Hij hen van de tegenstander verloste; 43 Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderen in het veld van Zoan; 44 En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken. 45 Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en kikkers, die hen verdierven. 46 En Hij gaf hun gewas de kruidworm, en hun arbeid de sprinkhaan. 47 Hij doodde hun wijnstok door de hagel, en hun wilde vijgebomen door vurige hagelsteen. 48 Ook gaf Hij hun vee de hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen. 49 Hij zond onder hen de hitte van Zijn toorn, toorn, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending van de boden van veel kwaad. 50 Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van de dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pest over. 51 En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het begin van de krachten in de tenten van Cham. 52 En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn. 53 Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt. 54 En Hij bracht hen tot de grens van Zijn heiligheid, tot deze berg, die Zijn rechterhand verkregen heeft. 55 En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en gaf hen het land van de heidenen als erfdeel, en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen. 56 Maar zij verzochten en verbitterden God, de Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet. 57 En zij weken terug, en handelden trouweloos, zoals hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. 58 En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. 59 God hoorde het en werd toornig, en verstootte Israël zeer. 60 Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen. 61 En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand van de tegenstanders. 62 En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd toornig tegen Zijn erfenis. 63 Het vuur verteerde hun jongemannen, en hun meisjes werden niet geprezen. 64 Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen huilden niet. 65 Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van de wijn. 66 En Hij sloeg Zijn tegenstanders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaad aan. 67 Maar Hij verwierp de tent van Jozef, en de stam van Efraïm verkoos Hij niet. 68 Maar Hij verkoos de stam van Juda, de berg Sion, die Hij liefhad. 69 En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid. 70 En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien; 71 Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. 72 Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid van zijn hart, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid van zijn handen. ### Psalmen 79 1 Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel van Uw heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld. 2 Zij hebben de dode lichamen van Uw knechten aan het gevogelte van de hemel tot voedsel gegeven; het vlees van Uw gunstgenoten aan het gedierte van het land. 3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef. 4 Wij zijn onze buren een smaad geworden; een spot en schimp die, die rondom ons zijn. 5 Hoe lang, JAHWEH? Zult U eeuwig toornen? Zal Uw ijver als vuur branden? 6 Stort Uw woede uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen. 7 Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest. 8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. 9 Help ons, o God van ons heil! vanwege de eer van Uw Naam; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, omwille van uw Naam. 10 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak van de vergoten bloed van Uw knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden. 11 Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen; behoud overig de kinderen van de dood, naar de grootheid van Uw arm. 12 En geef onze buren zevenvoudig weer in hun schoot hun smaad, waarmee zij U, o Heere! gesmaad hebben. 13 Zo zullen wij, Uw volk en de schapen van Uw weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen. ### Psalmen 80 1 Voor de opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf. 2 O Herder van Israël! neem ter ore, Die Jozef als schapen leidde; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkend. 3 Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing. 4 O God! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. 5 O JAHWEH, God van de legermachten! hoe lang zult U roken tegen het gebed van Uw volk? 6 U spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling. 7 U hebt ons onze buren tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. 8 O God van de legermachten! breng ons weer, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden. 9 U hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt dezelfde geplant; 10 U hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortels doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft. 11 De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen van God. 12 Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier. 13 Waarom hebt U zijn muren doorgebroken, zodat allen, die de weg voorbijgaan, hem plukken? 14 Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild van het veld heeft hem afgeweid. 15 O God van de legermachten! keer toch weer; aanschouw uit de hemel, en zie, en bezoek deze wijnstok, 16 En de stam, die Uw rechterhand geplant heeft, en dat om de zoon, die U Zich gesterkt hebt! 17 Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van de bestraffing van Uw aangezicht. 18 Uw hand zij over de man van Uw rechterhand, over de mensenzoon, die U Zich gesterkt hebt. 19 Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. 20 O JAHWEH, God van de legermachten! breng ons weer; laat Uw aangezicht lichten, zo zullen wij verlost worden. ### Psalmen 81 1 Voor de opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf. 2 Zing vrolijk voor God, onze Sterkte; juich de God van Jakob. 3 Hef een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit. 4 Blaas de bazuin in de nieuwe maan, op de vastgestelde tijd, op onze feestdag. 5 Want dat is een inzetting in Israël, een recht van de God van Jakob. 6 Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond; 7 Ik heb zijn schouder van de last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen. 8 In de benauwdheid riept u, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats van de donder; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela. 9 Mijn volk, zei Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israël, of u naar Mij hoorde! 10 Er zal onder u geen uitlands god wezen, en u zult u voor geen vreemden god neerbuigen. 11 Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen. 12 Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Van mijn niet gewild. 13 Daarom heb Ik het overgegeven in het goeddunken van hun harten, dat zij wandelden in hun raadslagen. 14 Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had! 15 In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun tegenstanders. 16 Die JAHWEH haten, zouden zich Hem geveinst onderworpen hebben, maar hun tijd zou eeuwig geweest zijn. 17 En Hij zou het gespijsd hebben met het vette van de tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honing uit de rotsstenen. ### Psalmen 82 1 Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering van God; Hij oordeelt in het midden van de goden; 2 Hoe lang zult u onrecht oordelen, en het aangezicht van de goddelozen aannemen? Sela. 3 Doe recht de arme en de wees; rechtvaardig de verdrukte en de arme. 4 Verlos de arme en de behoeftige, ruk hem uit van de goddelozen hand. 5 Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; daarom wankelen alle fundamenten van de aarde. 6 Ik heb wel gezegd: U bent goden; en u bent alle kinderen van de Allerhoogste; 7 Toch zult u sterven als een mens; en als één van de vorsten zult u vallen. 8 Sta op, o God! oordeel het aarde, want U bezit alle natiën. ### Psalmen 83 1 Een lied, een psalm van Asaf. 2 O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en wees niet stil, o God! 3 Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw vijanden steken het hoofd op. 4 Zij maken listig een geheime aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen. 5 Zij hebben gezegd: Kom, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan de naam van Israël niet meer gedacht worde. 6 Want zij hebben in het hart samen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt; 7 De tenten van Edom en van de Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen; 8 Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. 9 Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn de kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela. 10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 11 Die vernietigd zijn te Endor; zij zijn geworden tot mest van de aarde. 12 Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna; 13 Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. 14 Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind. 15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt; 16 Vervolg hen zo met Uw onweer, en verschrik hen met Uw draaiwind. 17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o JAHWEH! Uw Naam zoeken. 18 Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; 19 Opdat zij weten, dat U alleen met Uw Naam bent JAHWEH, de Allerhoogste over de hele aarde. ### Psalmen 84 1 Voor de opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach. 2 Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o JAHWEH van de legermachten! 3 Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven van JAHWEH; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. 4 Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, JAHWEH van de legermachten, mijn Koning, en mijn God! 5 Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U voortdurend. Sela. 6 Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in van wie het hart de gebaande wegen zijn. 7 Als zij door het dal van de moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen geheel rijk overdekken. 8 Zij gaan van kracht tot kracht; ieder van hen zal verschijnen voor God in Sion. 9 JAHWEH, God van de legermachten! hoor mijn gebed; neem het ter ore, o God van Jakob! Sela. 10 O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde. 11 Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan de dorpel in het huis van mijn God te wezen, dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid. 12 Want God, JAHWEH, is een Zon en Schild; JAHWEH zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden van hen, die in oprechtheid wandelen. 13 JAHWEH van de legermachten! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ### Psalmen 85 1 Een psalm, voor de opperzangmeester, onder de kinderen van Korach. 2 U bent Uw land gunstig geweest, JAHWEH! de gevangenis van Jakob hebt U gewend. 3 De misdaad van Uw volk hebt U weggenomen; U hebt al hun zonden bedekt. Sela. 4 U hebt weggenomen al Uw toorn; U hebt U gewend van de hitte van Uw toorn. 5 Breng ons weer, o God van ons heil! en doe te niet Uw boosheid over ons. 6 Zult U eeuwig tegen ons toornen? Zult U Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht? 7 Zult U ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde? 8 Toon ons Uw goedertierenheid, o JAHWEH, en geef ons Uw heil. 9 Ik zal horen, wat God, JAHWEH, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weer tot dwaasheid keren. 10 Zeker, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer woon. 11 De goedertierenheid en waarheid zullen elkaar ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkaar kussen. 12 De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van de hemel neerzien. 13 Ook zal JAHWEH het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. 14 De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht heengaan, en Hij zal ze zetten op de weg van Zijn voetstappen. ### Psalmen 86 1 Een gebed van David. JAHWEH! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en arm. 2 Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o U, mijn God! verlos Uw knecht, die op U betrouwt. 3 Wees mij genadig, JAHWEH! want ik roep tot U de hele dag. 4 Verheug de ziel van Uw knecht; want tot U, JAHWEH! verhef ik mijn ziel. 5 Want U, JAHWEH! bent goed, en graag vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen, JAHWEH! 6 JAHWEH! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem van mijn smekingen. 7 In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij. 8 Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken. 9 Al de heidenen, Heere! die U gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen, en Uw Naam eren. 10 Want U bent groot, en doet wonderwerken; U alleen bent God. 11 Leer mij, JAHWEH! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vrees voor uw Naam. 12 Heere, mijn God! ik zal U met mijn hele hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid; 13 Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en U hebt mijn ziel uit het onderste van het graf uitgerukt. 14 O God! de hoogmoedigen staan tegen mij op, en de vergaderingen van de tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen. 15 Maar U, Heere! bent een barmhartig en genadig God, geduldig, en groot van goedertierenheid en waarheid. 16 Wend U tot mij, en wees mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos de zoon van Uw dienstmaagd. 17 Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn vijanden zien, en beschaamd worden, als U, JAHWEH! mij geholpen, en mij getroost zult hebben. ### Psalmen 87 1 Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen van de heiligheid. 2 JAHWEH houdt van de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob. 3 Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad van God! Sela. 4 Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; zie, de Filistijn, en de Tyriër, met de Moor, deze is daar geboren. 5 En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen. 6 JAHWEH zal hen rekenen in het opschrijven van de volken, zeggende: Deze is daar geboren. Sela. 7 En de zangers, zoals de speellieden, en ook al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn. ### Psalmen 88 1 Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet. 2 O JAHWEH, God van mijn heil! bij dag, bij nacht roep ik voor U. 3 Laat mijn gebed voor Uw aangezicht komen; neig Uw oor tot mijn geschrei. 4 Want mijn ziel is van de tegenheden verzadigd, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil neerdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; 6 Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die U niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. 7 U hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8 Uw woede ligt op mij; U hebt mij neergedrukt met al Uw baren. Sela. 9 Mijn bekenden hebt U verre van mij gedaan, U hebt mij hun tot een grote gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen. 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; JAHWEH! ik roep tot U de hele dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11 Zult U wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? 13 Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land van de vergetelheid? 14 Maar ik, JAHWEH! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. 15 JAHWEH! waarom verstoot U mijn ziel, en verbergt Uw aangezicht voor mij? 16 van de jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw angsten, ik ben twijfelmoedig. 17 Uw hittige toornvlagen gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. 18 De hele dag omringen zij mij als water; samen omgeven zij mij. 19 U hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ### Psalmen 89 1 Een onderwijzing van Ethan, de Ezrahiet. 2 Ik zal de goedertierenheid van JAHWEH eeuwig zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht. 3 Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwig gebouwd worden; in de hemelen zelf hebt U Uw waarheid bevestigd, zeggende: 4 Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen: 5 Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela. 6 Daarom loven de hemelen Uw wonderen, o JAHWEH! ook is Uw getrouwheid in de gemeente van de heiligen. 7 Want wie mag in de hemel tegen JAHWEH geschat worden? Wie is JAHWEH gelijk, onder de kinderen van de sterken? 8 God is enorm geducht in de raad van de heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn. 9 O JAHWEH, God van de legermachten! wie is als U, grootmachtig, o JAHWEH! en Uw getrouwheid is rondom U. 10 U heerst over de opgeblazenheid van de zee; wanneer haar golven zich verheffen, zo stilt U ze. 11 U hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; U hebt Uw vijanden verstrooid met de arm van Uw sterkte. 12 De hemel is van U, ook is de aarde van U; de wereld en haar volheid, die hebt U gegrond. 13 Het noorden en het zuiden, die hebt U geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam. 14 U hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog. 15 Gerechtigheid en gericht zijn de vastheid van Uw troon; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aangezicht heen. 16 Welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent; o JAHWEH! zij zullen in het licht van Uw aangezicht wandelen. 17 Zij zullen zich de hele dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden. 18 Want U bent de heerlijkheid van hun sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden. 19 Want ons schild is van JAHWEH, en onze koning is van de Heilige van Israël. 20 Toen hebt U in een visioen gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd. 21 Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd; 22 met wie Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken. 23 De vijand zal hem niet dringen, en de zoon van de ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. 24 Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen. 25 En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden. 26 En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren. 27 Hij zal Mij noemen: U bent mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen van mijn heil! 28 Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen van de aarde. 29 Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven. 30 En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen van de hemelen. 31 Als zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen; 32 Als zij Mijn voorschriften ontheiligen, en Mijn geboden niet houden; 33 Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen. 34 Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet falen. 35 Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en wat uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen. 36 Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! 37 Zijn zaad zal in de eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon. 38 Hij zal eeuwig bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in de hemel is getrouw. Sela. 39 Maar U hebt hem verstoten en verworpen; U bent toornig geworden tegen Uw gezalfde. 40 U hebt het verbond van Uw knecht te niet gedaan; U hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. 41 U hebt al zijn muren doorgebroken; U hebt zijn vestingen neergeworpen. 42 Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn buren is hij tot een smaad geweest. 43 U hebt de rechterhand zijn tegenstanders verhoogd; U hebt al zijn vijanden verblijd. 44 U hebt ook de scherpte van zijn zwaard omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in de strijd. 45 U hebt zijn schoonheid doen ophouden; en U hebt zijn troon ter aarde neergestoten. 46 U hebt de dagen van zijn jeugd verkort; U hebt hem met schaamte overdekt. Sela. 47 Hoe lang, o JAHWEH! zult U Zich steeds verbergen, zal Uw woede branden als een vuur? 48 Gedenk van welke eeuw ik ben; waarom zou U alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben? 49 Wat man leeft er, die de dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld van het graf? Sela. 50 JAHWEH! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die U David gezworen hebt bij Uw trouw? 51 Gedenk, JAHWEH! aan de smaad van Uw knechten, die ik in mijn boezem draag, van alle grote volken. 52 Waarmee, o JAHWEH! Uw vijanden smaden, waarmee zij de voetstappen van Uw gezalfde smaden. 53 Geloofd zij JAHWEH in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ### Psalmen 90 1 Een gebed van Mozes, de man van God. JAHWEH! U bent ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht. 2 Voordat de bergen geboren waren, en U de aarde en de wereld voortgebracht had, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God. 3 U doet de mens terugkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keer weer, u mensenkinderen! 4 Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak. 5 U overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in de morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert; 6 In de morgenstond bloeit het, en het verandert; 's avonds wordt het afgesneden, en het verdort. 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw woede worden wij verschrikt. 8 U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze geheime zonden in het licht van Uw aangezicht. 9 Want al onze dagen gaan heen door Uw toorn; wij brengen onze jaren door als een gedachte. 10 Voor wat betreft de dagen van onze jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snel afgesneden, en wij vliegen daarheen. 11 Wie kent de sterkte van Uw toorn, en Uw toorn, naardat U te vrezen bent? 12 Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. 13 Keer weer, JAHWEH! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten. 14 Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen. 15 Verblijd ons naar de dagen, in die U ons vernederd hebt, naar de jaren, in die wij het kwaad gezien hebben. 16 Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen. 17 En de liefelijkheid van JAHWEH, van onze God; zij over ons; en bevestig U het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat. ### Psalmen 91 1 Die in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, die zal overnachten in de schaduw van de Almachtigen. 2 Ik zal tot JAHWEH zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welke ik vertrouw! 3 Want Hij zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest. 4 Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult u betrouwen; Zijn waarheid is een groot schild en beukelaar. 5 U zult niet vrezen voor de schrik in de nacht, voor de pijl, die overdag vliegt; 6 Voor de pest, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op de middag verwoest. 7 Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet naderen. 8 Alleen zult u het met uw ogen aanschouwen; en u zult de vergelding van de goddelozen zien. 9 Want U, JAHWEH! bent mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt u gesteld tot uw Vertrek; 10 U zal geen kwaad overkomen, en geen plaag zal uw tent naderen. 11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen. 12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat u uw voet aan geen steen stoot. 13 Op de felle leeuw en de adder zult u treden, u zult de jonge leeuw en de draak vertreden. 14 Omdat hij veel van Mij houdt, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. 15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken. 16 Ik zal hem met langheid van de dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien. ### Psalmen 92 1 Een psalm, een lied, op de sabbatdag. 2 Het is goed, dat men JAHWEH love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste! 3 Dat men in de morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten; 4 Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp. 5 Want U hebt mij verblijd, JAHWEH! met Uw daden, ik zal juichen over de werken van Uw handen. 6 O JAHWEH! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten. 7 Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet; 8 Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers van de ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in de eeuwigheid vernietigd worden. 9 Maar U bent de Allerhoogste in eeuwigheid JAHWEH! 10 Want zie, Uw vijanden, o JAHWEH! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers van de ongerechtigheid zullen verstrooid worden. 11 Maar U zult mijn hoorn verhogen, gelijk van een eenhoorn; ik ben met verse olie overgoten. 12 En mijn oog zal mijn spionnen aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan. 13 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal groeien als een cederboom op Libanon. 14 Die in het huis van JAHWEH geplant zijn, die zal gegeven worden te groeien in de voorhoven van onze God. 15 In de grijze ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, 16 Om te verkondigen, dat JAHWEH recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ### Psalmen 93 1 JAHWEH regeert, Hij is met hoogheid bekleed; JAHWEH is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen. 2 Van toen af is Uw troon bevestigd, U bent van eeuwigheid af. 3 De rivieren verheffen, o JAHWEH! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting. 4 Maar JAHWEH in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige golven van de zee. 5 Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, JAHWEH! tot lange dagen. ### Psalmen 94 1 O God van wraak! o JAHWEH, God van wraak! verschijn blinkend. 2 U, Rechter van de aarde! verhef U; breng vergelding weer over de hoogmoedigen. 3 Hoe lang zullen de goddelozen, o JAHWEH! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? 4 Uitgieten? hard spreken? alle werkers van de ongerechtigheid zich beroemen? 5 O JAHWEH! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. 6 De weduwe en de vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. 7 En zeggen: JAHWEH ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. 8 Let op, u onvernuftigen onder het volk! en u dwazen! wanneer zult u verstandig worden? 9 Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog vormt, niet aanschouwen? 10 Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die de mens wetenschap leert? 11 JAHWEH weet de gedachten van de mensen, dat zij zinloosheid zijn. 12 Welgelukzalig is de man, o JAHWEH! die U tuchtigt, en die U leert uit Uw wet, 13 Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor de goddeloze gegraven wordt. 14 Want JAHWEH zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erfenis niet verlaten. 15 Want het oordeel zal terugkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelfde navolgen. 16 Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers van de ongerechtigheid? 17 Tenzij JAHWEH mij een Hulp geweest was, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. 18 Als ik zei: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o JAHWEH! ondersteunde mij. 19 Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verfrist. 20 Zou zich de stoel van de schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? 21 Zij rotten zich samen tegen de ziel van de rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22 Maar JAHWEH is mij geweest tot een Vesting, en mijn God tot een Steenrots van mijn toevlucht. 23 En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen terugkeren, en Hij zal hen in hun boosheid vernietigen; JAHWEH, onze God, zal hen vernietigen. ### Psalmen 95 1 Kom, laat ons JAHWEH vrolijk zingen; laat ons juichen voor de Rotssteen van ons heil. 2 Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons voor Hem juichen met psalmen. 3 Want JAHWEH is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden; 4 In Wiens hand de diepste plaatsen van de aarde zijn, en de hoogten van de bergen zijn van Hem; 5 Van Wie ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge gevormd. 6 Kom, laat ons aanbidden en neerbuigen; laat ons knielen voor JAHWEH, Die ons gemaakt heeft. 7 Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, en de schapen van Zijn hand. Vandaag, zo u Zijn stem hoort, 8 Verhard uw hart niet, zoals te Meriba, zoals op de dag van Massa in de woestijn; 9 Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen. 10 Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet. 11 Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan! ### Psalmen 96 1 Zing JAHWEH een nieuw lied; zing JAHWEH, u hele aarde! 2 Zing JAHWEH, loof Zijn Naam; boodschap Zijn heil van dag tot dag. 3 Vertel onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen. 4 Want JAHWEH is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden. 5 Want al de goden van de volken zijn afgoden; maar JAHWEH heeft de hemelen gemaakt. 6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom. 7 Geef JAHWEH, u geslachten van de volken! geef JAHWEH eer en sterkte. 8 Geef JAHWEH de eer van Zijn Naam; breng offer, en komt in Zijn voorhoven. 9 Aanbid JAHWEH in de heerlijkheid van het heiligdom; schrik voor Zijn aangezicht, u hele aarde. 10 Zeg onder de heidenen: JAHWEH regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle oprechtheid. 11 Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid. 12 Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen van de woud juichen. 13 Voor het aangezicht van JAHWEH; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid. ### Psalmen 97 1 JAHWEH regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden. 2 Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastheid van Zijn troon. 3 Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn tegenstanders rondom aan brand. 4 Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aarde ziet ze en het beeft. 5 De bergen smelten als was voor het aangezicht van JAHWEH, voor het aangezicht van JAHWEH van de hele aarde. 6 De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer. 7 Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neer voor Hem, alle u goden! 8 Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochters van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o JAHWEH! 9 Want U, JAHWEH! bent de Allerhoogste over de hele aarde; U bent zeer hoog verheven boven alle goden. 10 U liefhebbers van JAHWEH! haat het kwade; Hij bewaart de zielen van Zijn gunstgenoten; Hij redt hen uit van de goddelozen hand. 11 Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart. 12 U rechtvaardigen! verblijd u in JAHWEH, en spreekt lof ter herinnering van Zijn heiligheid. ### Psalmen 98 1 Een psalm. Zing JAHWEH een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm van Zijn heiligheid, heeft Hem heil gegeven. 2 JAHWEH heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen van de heidenen. 3 Hij is gedachtig geweest van Zijn goedertierenheid, en van Zijn waarheid aan het huis van Israël; en al de einden van de aarde hebben gezien het heil van onze God. 4 Juich JAHWEH, u hele aarde! roep uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt. 5 Psalmzing JAHWEH met de harp, met de harp en met de stem van het gezang, 6 Met trompetten en bazuinengeklank; juich voor het aangezicht van de Koning, van JAHWEH. 7 De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen. 8 Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven, 9 Voor het aangezicht van JAHWEH, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle oprechtheid. ### Psalmen 99 1 JAHWEH regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich. 2 JAHWEH is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken. 3 Dat zij Uw grote en vreselijken Naam loven, die heilig is; 4 En de sterkte van de Koning, die het recht lief heeft. U hebt eerlijkheid bevestigd, U hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob. 5 Verhef JAHWEH, onze God, en buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten; Hij is heilig! 6 Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers van Zijn Naam; zij riepen tot JAHWEH, en Hij verhoorde hen. 7 Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de voorschriften, die Hij hun gegeven had. 8 O JAHWEH, onze God! U hebt hen verhoord, U bent hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden. 9 Verhef JAHWEH, onze God, en buig u voor de berg van Zijn heiligheid; want JAHWEH, onze God, is heilig. ### Psalmen 100 1 Een lofzang. U hele aarde! juich JAHWEH. 2 Dien JAHWEH met blijdschap, komt voor Zijn aangezicht met vrolijk gezang. 3 Weet, dat JAHWEH is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen van Zijn weide. 4 Ga in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; loof Hem, prijst Zijn Naam. 5 Want JAHWEH is goed; Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht. ### Psalmen 101 1 Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o JAHWEH! 2 Ik zal verstandig handelen in de oprechten weg; wanneer zult U tot mij komen? Ik zal in het midden van mijn huis wandelen, in oprechtheid van mijn hart. 3 Ik zal geen vervloekt iets voor mijn ogen stellen; ik haat het doen van de afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; de boze zal ik niet kennen. 5 Die zijn naaste in het geheim achterklapt; die zal ik vernietigen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet verdragen. 6 Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in de oprechten weg wandelt, die zal mij dienen. 7 Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugens spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden. 8 Elke morgen zal ik alle goddelozen van het land vernietigen, om uit de stad van JAHWEH alle werkers van de ongerechtigheid uit te roeien. ### Psalmen 102 1 Een gebed van de verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht van JAHWEH. 2 O JAHWEH! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. 3 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij op de dag van mijn benauwdheid; op de dag als ik roep, verhoor mij haastig. 4 Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem van mijn gezucht. 7 Ik ben een roerdomp van de woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil van de wildernissen. 8 Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak. 9 Mijn vijanden smaden mij al de dag; die tegen mij razen, zweren bij mij. 10 Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen. 11 Vanwege Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want U hebt mij verheven, en mij weer neergeworpen. 12 Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras. 13 Maar U, JAHWEH! blijf in eeuwigheid, en Uw herinnering van geslacht tot geslacht. 14 U zult opstaan, U zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. 15 Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis. 16 Dan zullen de heidenen de Naam van JAHWEH vrezen, en alle koningen van de aarde Uw heerlijkheid. 17 Als JAHWEH Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn, 18 Zich gewend zal hebben tot het gebed van degene, die geheel berooid is, en niet versmaad hebben hun gebed; 19 Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal JAHWEH loven; 20 Omdat Hij uit de hoogte van Zijn heiligdom zal hebben naar beneden gezien; dat JAHWEH uit de hemel op de aarde geschouwd zal hebben; 21 Om het zuchten van de gevangenen te horen, om los te maken de kinderen van de dood; 22 Opdat men de Naam van JAHWEH vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem; 23 Wanneer de volken samen zullen verzameld worden, ook de koninkrijken, om JAHWEH te dienen. 24 Hij heeft mijn kracht op de weg ter neer gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort. 25 Ik zei: Mijn God! neem mij niet weg in het midden van mijn dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht. 26 U hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk van Uw handen; 27 Die zullen vergaan, maar U zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; U zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. 28 Maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden. 29 De kinderen van Uw knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. ### Psalmen 103 1 Een psalm van David. Loof JAHWEH, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam. 2 Loof JAHWEH, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; 3 Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw ziekten geneest; 4 Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; 5 Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als van een arend. 6 JAHWEH doet gerechtigheid en gerichten al van hen, die onderdrukt worden. 7 Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, de Israëlieten Zijn daden. 8 Barmhartig en genadig is JAHWEH, geduldig en groot van goedertierenheid. 9 Hij zal niet altijd twisten, noch eeuwig de toorn behouden. 10 Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. 11 Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen. 12 Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons. 13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich JAHWEH over degenen, die Hem vrezen. 14 Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn. 15 De dagen van de mensen zijn als het gras, gelijk een bloem van het veld, zo bloeit hij. 16 Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer. 17 Maar de goedertierenheid van JAHWEH is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kleinkinderen; 18 Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen. 19 JAHWEH heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles. 20 Loof JAHWEH, Zijn engelen! u krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord. 21 Loof JAHWEH, al Zijn legermachten! u Zijn dienaren, die Zijn welbehagen doet! 22 Loof JAHWEH, al Zijn werken! aan alle plaatsen van Zijn heerschappij. Loof JAHWEH, mijn ziel! ### Psalmen 104 1 Loof JAHWEH, mijn ziel! O JAHWEH, mijn God! U bent zeer groot, U bent bekleed met majesteit en heerlijkheid. 2 Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt de hemel uit als een gordijn. 3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugels van de wind wandelt. 4 Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaren tot een vlammend vuur. 5 Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwig wankelen. 6 U had ze met de afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. 7 Van Uw bestraffing vluchtten zij, zij haastten zich weg voor de stem van Uw donder. 8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die U voor hen gegrond had. 9 U hebt een paal gesteld, die zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weer bedekken. 10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten heen wandelen. 11 Zij drenken al het gedierte van het veld; de woudezels breken er hun dorst mee. 12 Daarbij woont het gevogelte van de hemel, een stem gevend van tussen de takken. 13 Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht van Uw werken. 14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst van de mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen. 15 En de wijn, die het hart van de mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart van de mensen sterkt. 16 De bomen van JAHWEH worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft; 17 Alwaar de vogeltjes nestelen; de dennenbomen zijn het huis van de ooievaar. 18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen. 19 Hij heeft de maan gemaakt tot de vastgestelde tijden, de zon weet haar ondergang. 20 U beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in die al het gedierte van de woud uittreedt: 21 De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun voedsel van God te zoeken. 22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neer in hun holen. 23 De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot de avond toe. 24 Hoe groot zijn Uw werken, o JAHWEH! U hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aarde is vol van Uw goederen. 25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote. 26 Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, die U gevormd hebt, om daarin te spelen. 27 Zij allen wachten op U, dat U hun hun voedsel geeft te zijner tijd. 28 Geef U ze hun, zij verzamelen ze; doe U Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. 29 Verberg U Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neem U hun adem weg, zij sterven, en zij keren weer tot hun stof. 30 Zend U Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en U vernieuwt het gezicht van het aarde. 31 De heerlijkheid van JAHWEH zij tot in de eeuwigheid; JAHWEH verblijde Zich in Zijn werken. 32 Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij. 33 Ik zal JAHWEH zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 34 Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in JAHWEH verblijden. 35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof JAHWEH, mijn ziel! Hallelujah! ### Psalmen 105 1 Loof JAHWEH, roep Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. 2 Zing Hem, psalmzingt Hem, spreek aandachtig van al Zijn wonderen. 3 Roem u in de Naam van Zijn heiligheid; het hart van degenen, die JAHWEH zoeken, verblijde zich. 4 Vraag naar JAHWEH en Zijn sterkte; zoek Zijn aangezicht steeds. 5 Gedenk van Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijn wondertekenen, en van de oordelen van Zijn mond. 6 U zaad van Abraham, Zijn knecht, u kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene! 7 Hij is JAHWEH, onze God; Zijn oordelen zijn over de hele aarde. 8 Hij gedenkt aan Zijn verbond tot in de eeuwigheid, van het woord, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten; 9 Aan het verbond, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izak; 10 Die Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond, 11 Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaän, het snoer van uw erfdeel. 12 Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin; 13 En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk; 14 Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: 15 Tas Mijn gezalfde niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad. 16 Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf van het brood. 17 Hij zond een man voor hun aangezicht heen; Jozef werd verkocht tot een slaaf. 18 Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers. 19 Tot de tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede van JAHWEH doorlouterd. 20 De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser van de volken liet hem los. 21 Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed; 22 Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen. 23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham. 24 En Hij deed Zijn volk zeer groeien, en maakte het machtiger dan Zijn tegenstanders. 25 Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listig handelden. 26 Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aäron, die Hij gekozen had. 27 Zij deden onder hen de bevelen van Zijn tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham. 28 Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet opstandig. 29 Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen. 30 Hun land bracht kikkers voort in overvloed, tot in de binnenste kamers van hun koningen. 31 Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun hele gebied. 32 Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land. 33 En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte van hun gebied. 34 Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal; 35 Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht van hun akker op. 36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al van hun krachten. 37 En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde. 38 Egypte was blij, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen. 39 Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om de nacht te verlichten. 40 Zij baden, en Hij deed kwartels komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood. 41 Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier. 42 Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht. 43 Zo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich. 44 En Hij gaf hun de landen van de heidenen, zodat zij in erfenis bezaten de arbeid van de volken; 45 Opdat zij Zijn voorschriften onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah! ### Psalmen 106 1 Hallelujah! Loof JAHWEH, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 2 Wie zal de mogendheden van JAHWEH uitspreken, al Zijn lof verkondigen? 3 Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die altijd gerechtigheid doet. 4 Gedenk aan mij, o JAHWEH! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil; 5 Opdat ik aanschouwe het goede van Uw uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap van Uw volk; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. 6 Wij hebben gezondigd, en ook onze vaders, wij hebben verkeerd gedaan; wij hebben goddeloos gehandeld. 7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn van de menigte van Uw goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren opstandig aan de zee, bij de Schelfzee. 8 Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte. 9 En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn. 10 En Hij verloste hen uit de hand van de hater, en Hij bevrijdde hen van de hand van de vijand. 11 En de wateren overdekten hun tegenstanders; niet één van hen bleef over. 12 Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof. 13 Maar zij vergaten haast Zijn werken, zij wachtten naar Zijn raad niet. 14 Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis. 15 Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid. 16 En zij benijdden Mozes in het leger, en Aäron, de heilige van JAHWEH. 17 De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram. 18 En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand. 19 Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld. 20 En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet. 21 Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte; 22 Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee. 23 Daarom Hij zei, dat Hij hen vernietigen zou, tenzij Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn woede af te keren, dat Hij hen niet verdierf. 24 Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet. 25 Maar zij morden in hun tenten; naar de stem van JAHWEH hoorden zij niet. 26 Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende, dat Hij hen neervellen zou in de woestijn; 27 En dat Hij hun zaad zou neervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen. 28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baäl-peor, en zij hebben de offergaven van de doden gegeten. 29 En zij hebben de Heere tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed. 30 Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden. 31 En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid. 32 Zij maakten Hem ook zeer boos aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil. 33 Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat ondoordacht voortbracht met zijn lippen. 34 Zij hebben die volken niet vernietigd, die JAHWEH hun gezegd had; 35 Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden van die werken. 36 En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik. 37 Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters aan de demonen geofferd. 38 En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed van hun zonen en van hun dochters, die zij de afgoden van Kanaän hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden. 39 En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden. 40 Daarom is de toorn van JAHWEH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel. 41 En Hij gaf hen in de hand van de heidenen, en hun vijanden heersten over hen. 42 En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand. 43 Hij heeft hen dikwijls gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid. 44 Toch zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. 45 En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid van Zijn goedertierenheden. 46 Daarom gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden. 47 Verlos ons, JAHWEH, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij de Naam van Uw heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof. 48 Geloofd zij JAHWEH, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zeg: Amen, Hallelujah! ### Psalmen 107 1 Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 2 Dat dat de bevrijden van JAHWEH zeggen, die Hij van de hand van de tegenstanders bevrijd heeft. 3 En Hij die uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee. 4 Die in de woestijn dwaalden, in een weg van de wildernis, die geen stad tot een woning vonden; 5 Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt. 6 Maar roepende tot JAHWEH in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten; 7 En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad tot een woning. 8 Laat hen voor JAHWEH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen; 9 Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld; 10 Die in duisternis en de schaduw van de dood zaten, gebonden met verdrukking en ijzer; 11 Omdat zij opstandig waren geweest tegen Gods geboden, en de raad van de Allerhoogste onwaardig verworpen hadden. 12 Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper. 13 Maar roepende tot JAHWEH in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten. 14 Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood, en Hij brak hun banden. 15 Laat hen voor JAHWEH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen; 16 Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen. 17 De zotten worden om de weg van hun overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd; 18 Hun ziel gruwelde van alle voedsel, en zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen. 19 Maar roepende tot JAHWEH in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten. 20 Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen. 21 Laat hen voor JAHWEH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen. 22 En dat zij lofoffers offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen. 23 Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren; 24 Die zien de werken van JAHWEH, en Zijn wonderwerken in de diepte. 25 Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft. 26 Zij rijzen op naar de hemel; zij dalen neer tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst. 27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden. 28 Maar roepende tot JAHWEH in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten. 29 Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen. 30 Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven van hun begeerte geleid heeft. 31 Laat hen voor JAHWEH Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen van de mensen; 32 En Hem verhogen in de gemeente van het volk, en in het gestoelte van de oudsten Hem roemen. 33 Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land. 34 Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid van degenen, die daarin wonen. 35 Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten. 36 En Hij doet de hongerigen daar wonen, en zij stichten een stad tot een woning; 37 En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen. 38 En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet. 39 Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis. 40 Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is. 41 Maar Hij brengt de arme uit de verdrukking in een vesting, en maakt de huisgezinnen als kudden. 42 De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond. 43 Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandig letten op de goedertierenheden van JAHWEH. ### Psalmen 108 1 Een lied, een psalm van David. 2 O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer. 3 Waak op, u luit en harp! ik zal in de dageraad opwaken. 4 Ik zal U loven onder de volken, o JAHWEH! en ik zal U psalmzingen onder de natiën. 5 Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. 6 Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de hele aarde. 7 Opdat Uw geliefden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons. 8 God heeft gesproken in Zijn heiligdom, daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten. 9 Gilead is van mij, Manasse is van mij, en Efraïm is de sterkte van mijn hoofd; Juda is mijn wetgever. 10 Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen. 11 Wie zal mij voeren in een versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom? 12 Zult U het niet zijn, o God! Die ons verstoten had, en Die niet uittrokt, o God! met onze legermachten? 13 Geef U ons hulp uit de benauwdheid; want heil van de mensen is zinloosheid. 14 In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze tegenstanders vertreden. ### Psalmen 109 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. O God van mijn lof! zwijg niet. 2 Want de mond van de goddelozen en de mond van het bedrog zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong. 3 En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. 4 Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed. 5 En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde. 6 Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. 7 Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8 Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt; 9 Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. 10 En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de behoefte uit hun verwoeste plaatsen zoeken. 11 Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. 12 Dat hij niemand hebbe, die goedertierenheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. 13 Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgewist in het andere geslacht. 14 De ongerechtigheid van zijn vaders worde gedacht bij JAHWEH, en de zonde van zijn moeder worde niet uitgewist. 15 Dat zij steeds voor JAHWEH zijn; en Hij roeie hun herinnering uit van de aarde. 16 Omdat hij niet gedacht heeft goedertierenheid te doen, maar heeft de ellendigen en de armen man vervolgd, en de verslagene van hart, om hem te doden. 17 Omdat hij de vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot de zegen, zo zij die verre van hem. 18 En hij zij bekleed met de vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen. 19 Die zij hem als een kleed, waarmee hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmee hij zich steeds omgordt. 20 Dit zij het werkloon van mijn tegenpartijen van JAHWEH, en van degenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel. 21 Maar U, o JAHWEH Heere! maak het met mij omwille van uw Naam; omdat Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. 22 Want ik ben ellendig en arm, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. 23 Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik word omgedreven als een sprinkhaan. 24 Mijn knieën struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is. 25 Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd. 26 Help mij, JAHWEH, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid. 27 Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat U het, JAHWEH! gedaan hebt. 28 Laat hen vloeken, maar zegen U; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; maar dat zich Uw knecht verblijde. 29 Laat mijn tegenpartijen met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. 30 Ik zal JAHWEH met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen. 31 Want Hij zal de arme ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen. ### Psalmen 110 1 Een psalm van David. JAHWEH heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank van Uw voeten. 2 JAHWEH zal de scepter van Uw sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden van Uw vijanden. 3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag van Uw legermacht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad zal U de dauw van Uw jeugd zijn. 4 JAHWEH heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. 5 JAHWEH is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan op de dag van Zijn toorn. 6 Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan degene, die het hoofd is over een groot land. 7 Hij zal op de weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen. ### Psalmen 111 1 Hallelujah! Aleph. Ik zal JAHWEH loven met heel mijn hart; Beth. In de raad en vergadering van de oprechten. 2 Gimel. De werken van JAHWEH zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben. 3 He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en Zijn gerechtigheid bestaat in de eeuwigheid. 4 Zain. Hij heeft Zijn wonderen een herinnering gemaakt; Cheth. JAHWEH is genadig en barmhartig. 5 Teth. Hij heeft van hen, die Hem vrezen, voedsel gegeven; Jod. Hij gedenkt in de eeuwigheid aan Zijn verbond. 6 Caph. Hij heeft de kracht van Zijn werken Zijn volk bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erfenis van de heidenen. 7 Mem. De werken van Zijn handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw. 8 Samech. Zij zijn ondersteund voor altijd en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtheid. 9 Pe. Hij heeft Zijn volk verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk. 10 Resch. De vrees voor JAHWEH is het begin van de wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in de eeuwigheid. ### Psalmen 112 1 Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die JAHWEH vreest; Beth. die grote lust heeft in Zijn geboden. 2 Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht van de oprechten zal gezegend worden. 3 He. In zijn huis zal bezittingen en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid. 4 Zain. De oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig. 5 Teth. Wel die man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht. 6 Caph. Zeker, hij zal in de eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige herinnering zijn. 7 Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op JAHWEH. 8 Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn tegenstanders zie. 9 Pe. Hij strooit uit, hij geeft de arme; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer. 10 Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens van de goddelozen zal vergaan. ### Psalmen 113 1 Hallelujah! Loof, u knechten van JAHWEH! loof de Naam van JAHWEH. 2 De Naam van JAHWEH zij geprezen, van nu aan tot in de eeuwigheid. 3 Van de opgang van de zon af tot haar neergang, zij de Naam van JAHWEH geloofd. 4 JAHWEH is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid. 5 Wie is gelijk JAHWEH, onze God? Die zeer hoog woont. 6 Die zeer laag ziet, in de hemel en op de aarde. 7 Die de geringe uit het stof opricht, en de arme uit de mest verhoogt; 8 Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen van Zijn volk. 9 Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blije moeder van kinderen. Hallelujah! ### Psalmen 114 1 Toen Israël uit Egypte trok, het huis van Jakob van een volk, dat een vreemde taal had; 2 Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomen heerschappij. 3 De zee zag het, en vluchtte; de Jordaan keerde achteruit. 4 De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren. 5 Wat was u, u zee! dat u vloodt? u Jordaan! dat u achteruit keerde? 6 U bergen, dat u opsprong als rammen? u heuvelen! als lammeren? 7 Beef, u aarde! voor het aangezicht van de Heere, voor het aangezicht van de God van Jakob; 8 Die de rotssteen veranderde in een watervloed, de keisteen in een waterfontein. ### Psalmen 115 1 Niet ons, o JAHWEH! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uw goedertierenheid, omwille van Uw waarheid. 2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God? 3 Onze God is toch in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt. 4 Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van de mensenhanden; 5 Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; 6 Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij ruiken niet; 7 Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel. 8 Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 9 Israël! vertrouw u op JAHWEH; Hij is hun Hulp en hun Schild. 10 U huis van Aäron! vertrouw op JAHWEH; Hij is hun Hulp en hun Schild. 11 U, die JAHWEH vreest! vertrouw op JAHWEH; Hij is hun Hulp en hun Schild. 12 JAHWEH is aan ons gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen. 13 Hij zal zegenen, die JAHWEH vrezen, de kleinen met de groten. 14 JAHWEH zal de zegen over u vermeerderen, over u en over uw kinderen. 15 U bent JAHWEH gezegend, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. 16 Voor wat betreft de hemel, de hemel is van JAHWEH; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven. 17 De doden zullen JAHWEH niet prijzen, noch die in de stilte neergedaald zijn. 18 Maar wij zullen JAHWEH loven van nu aan tot in de eeuwigheid. Hallelujah! ### Psalmen 116 1 Ik heb lief, want JAHWEH hoort mijn stem, mijn smekingen; 2 Want Hij neigt Zijn oor tot mij; daarom zal ik Hem in mijn dagen aanroepen. 3 De banden van de dood hadden mij omvangen, en de angsten van het dodenrijk hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. 4 Maar ik riep de Naam van JAHWEH aan, zeggende: Och JAHWEH! bevrijd mijn ziel. 5 JAHWEH is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende. 6 JAHWEH bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost. 7 Mijn ziel! keer weer tot uw rust, want JAHWEH heeft aan u welgedaan. 8 Want U, JAHWEH! heb mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot. 9 Ik zal wandelen voor het aangezicht van JAHWEH, in de landen van de levenden. 10 Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest. 11 Ik zei in mijn haast: Alle mensen zijn leugenaars. 12 Wat zal ik JAHWEH vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen? 13 Ik zal de beker van de verlossingen opnemen, en de Naam van JAHWEH aanroepen. 14 Mijn geloften zal ik JAHWEH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. 15 Kostelijk is in de ogen van JAHWEH de dood van Zijn gunstgenoten. 16 Och, JAHWEH! zeker ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon van Uw dienstmaagd; U hebt mijn banden losgemaakt. 17 Ik zal U offeren een offergave van dankzegging, en de Naam van JAHWEH aanroepen. 18 Ik zal mijn gelofte JAHWEH betalen, nu, in de aanwezigheid van al Zijn volk. 19 In de voorhoven van het huis van JAHWEH, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah! ### Psalmen 117 1 Loof JAHWEH, alle heidenen; prijst Hem, alle natiën! 2 Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid van JAHWEH is in de eeuwigheid! Hallelujah! ### Psalmen 118 1 Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 2 Dat Israël nu zegt, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. 3 Het huis van Aäron zegt nu, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. 4 Dat degenen, die JAHWEH vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in de eeuwigheid is. 5 Uit de benauwdheid heb ik JAHWEH aangeroepen; JAHWEH heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte. 6 JAHWEH is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen? 7 JAHWEH is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten. 8 Het is beter tot JAHWEH toevlucht te nemen, dan op de mens te vertrouwen. 9 Het is beter tot JAHWEH toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen. 10 Alle heidenen hadden mij omringd; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb. 11 Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb. 12 Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in de Naam van JAHWEH, dat ik ze verhouwen heb. 13 U had mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar JAHWEH heeft mij geholpen. 14 JAHWEH is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest. 15 In de tenten van de rechtvaardigen is een stem van het gejuich en van het heil; de rechterhand van JAHWEH doet krachtige daden. 16 De rechterhand van JAHWEH is verhoogd; de rechterhand van JAHWEH doet krachtige daden. 17 Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken van JAHWEH vertellen. 18 JAHWEH heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven. 19 Doe mij de poorten van de gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal JAHWEH loven. 20 Dit is de poort van JAHWEH, door die de rechtvaardigen zullen ingaan. 21 Ik zal U loven, omdat U mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest bent. 22 De steen, die de bouwers verworpen hadden, is tot een hoeksteen geworden. 23 Dit is van JAHWEH gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen. 24 Dit is de dag, die JAHWEH gemaakt heeft; laat ons daarop ons verheugen, en verblijd zijn. 25 Och JAHWEH! geef nu heil; och JAHWEH! geef nu voorspoed. 26 Gezegend zij hij, die daar komt in de Naam van JAHWEH! Wij zegenen u uit het huis van JAHWEH. 27 JAHWEH is God, Die ons licht gegeven heeft. Bind het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar. 28 U bent mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen. 29 Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. ### Psalmen 119 1 א Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet van JAHWEH gaan. 2 Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem met heel hun hart zoeken; 3 Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen. 4 JAHWEH! U hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal. 5 Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw voorschriften te bewaren! 6 Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden. 7 Ik zal U loven in oprechtheid van het hart, als ik de rechten van Uw gerechtigheid geleerd zal hebben. 8 Ik zal Uw voorschriften bewaren; verlaat mij niet al te zeer. 9 ב Beth. Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord. 10 Ik zoek U met mijn hele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen. 11 Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou. 12 JAHWEH! U bent gezegend; leer mij Uw voorschriften. 13 Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten van Uw mond. 14 Ik ben vrolijker in de weg van Uw getuigenissen, dan over alle rijkdom. 15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten. 16 Ik zal mijzelf vermaken in Uw voorschriften; Uw woord zal ik niet vergeten. 17 ג Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware. 18 Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet. 19 Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet. 20 Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen altijd. 21 U bestraft de vervloekte hoogmoedigen, die van Uw geboden afdwalen. 22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. 23 Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw voorschriften betracht. 24 Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden. 25 ד Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord. 26 Ik heb U mijn wegen verteld, en U hebt mij verhoord; leer mij Uw voorschriften. 27 Geef mij de weg van Uw bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte. 28 Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord. 29 Wend van mij de weg van de valsheid, en verleen mij genadig Uw wet. 30 Ik heb gekozen de weg van de waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld. 31 Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o JAHWEH! beschaam mij niet. 32 Ik zal de weg van Uw geboden lopen, als U mijn hart verwijd zult hebben. 33 ה He. JAHWEH! leer mij de weg Uw voorschriften, en ik zal hem houden ten einde toe. 34 Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met heel mijn hart. 35 Doe mij treden op het pad van Uw geboden, want daarin heb ik lust. 36 Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid. 37 Wend mijn ogen af, dat zij geen zinloosheid zien; maak mij levend door Uw wegen. 38 Bevestig Uw toezegging aan Uw knecht, die Uw vrees toegedaan is. 39 Wend mijn smaad af, die ik vrees, want Uw rechten zijn goed. 40 Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid. 41 ו Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o JAHWEH! Uw heil, naar Uw toezegging; 42 Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord. 43 En ruk het woord van de waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten. 44 Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwig en altijd. 45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb. 46 Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen. 47 En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb. 48 En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw voorschriften betrachten. 49 ז Zain. Gedenk van het woord, tot Uw knecht gesproken, op dat U mij hebt doen hopen. 50 Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt. 51 De hoogmoedigen hebben mij boven mate zeer bespot; toch ben ik van Uw wet niet geweken. 52 Ik heb gedacht, o JAHWEH! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost. 53 Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten. 54 Uw voorschriften zijn mij gezangen geweest, ter plaatse waar ik vreemdeling was. 55 JAHWEH! in de nacht ben ik van Uw Naam gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard. 56 Dat is mij gebeurd, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 57 ח Cheth. JAHWEH is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren. 58 Ik heb Uw aangezicht ernstig gebeden met heel mijn hart, wees mij genadig naar Uw toezegging. 59 Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen. 60 Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden. 61 De goddeloze hopen hebben mij beroofd; toch heb ik Uw wet niet vergeten. 62 Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten van Uw gerechtigheid. 63 Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden. 64 JAHWEH! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw voorschriften. 65 ט Teth. U hebt bij Uw knecht goed gedaan, JAHWEH, naar Uw woord. 66 Leer mij een goede zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd. 67 Voordat ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord. 68 U bent goed en goeddoende; leer mij Uw voorschriften. 69 De hoogmoedigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; maar ik bewaar Uw bevelen met heel mijn hart. 70 Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet. 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw voorschriften leerde. 72 De wet van Uw mond is mij beter, dan duizenden van goud of zilver. 73 י Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere. 74 Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb. 75 Ik weet, JAHWEH! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat U mij uit getrouwheid verdrukt hebt. 76 Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht. 77 Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking. 78 Laat de hoogmoedigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen neergestoten hebben; maar ik betracht Uw geboden. 79 Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen. 80 Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw voorschriften, opdat ik niet beschaamd word. 81 כ Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt. 82 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zei: Wanneer zult U mij troosten? 83 Want ik ben geworden als een leren zak in de rook; maar Uw voorschriften heb ik niet vergeten. 84 Hoe vele zullen de dagen van Uw knecht zijn? Wanneer zult U recht doen over mijn vervolgers? 85 De hoogmoedigen hebben mij putten gegraven, dat niet is naar Uw wet. 86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten. 88 Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis van Uw mond onderhouden. 89 ל Lamed. O JAHWEH! Uw woord bestaat in de eeuwigheid in de hemelen. 90 Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; U hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan; 91 Naar Uw bepalingen blijven zij nog vandaag staan, want zij allen zijn Uw knechten. 92 Als Uw wet niet was geweest al mijn vermaking, ik was in mijn druk al lang vergaan. 93 Ik zal Uw bevelen in de eeuwigheid niet vergeten, want daardoor hebt U mij levend gemaakt. 94 Ik ben van U, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht. 95 De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen. 96 In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd. 97 מ Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting de hele dag. 98 Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij. 99 Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn. 100 Ik ben voorzichtiger dan de ouderen, omdat ik Uw bevelen bewaard heb. 101 Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden. 102 Ik ben niet geweken van Uw rechten, want U hebt mij geleerd. 103 Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honing mijn mond! 104 Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden. 105 נ Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad. 106 Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten van Uw gerechtigheid. 107 Ik ben geheel zeer verdrukt, JAHWEH! maak mij levend naar Uw woord. 108 Laat U toch, o JAHWEH! welgevallen de vrijwillige offergaven van mijn mond, en leer mij Uw rechten. 109 Mijn ziel is steeds in mijn hand; toch vergeet ik Uw wet niet. 110 De goddelozen hebben mij een strik gelegd; toch ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen. 111 Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erfenis, want zij zijn voor mijn hart vrolijkheid. 112 Ik heb mijn hart geneigd, om Uw voorschriften eeuwig te doen, ten einde toe. 113 ס Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief. 114 U bent mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt. 115 Wijk van mij, u boosdoeners! dat ik de geboden van mijn God mag bewaren. 116 Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. 117 Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw voorschriften vermaken. 118 U vertreedt al degenen, die van Uw voorschriften afdwalen, want hun bedrog is leugen. 119 U doet alle goddelozen van de aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief. 120 Het haar van mijn vlees is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen. 121 ע Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers. 122 Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hoogmoedigen mij niet onderdrukken. 123 Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging van Uw rechtvaardigheid. 124 Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw voorschriften. 125 Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen. 126 Het is tijd voor JAHWEH, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken. 127 Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud. 128 Daarom heb ik al Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat. 129 פ Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel. 130 De opening van Uw woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende. 131 Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden. 132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die van Uw Naam houden. 133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. 134 Verlos mij van de mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden. 135 Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw voorschriften. 136 Waterbeken stromen af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden. 137 צ Tsade. JAHWEH! U bent rechtvaardig, en elk van Uw oordelen is recht. 138 U hebt de gerechtigheid van Uw getuigenissen, en de waarheid nadrukkelijk geboden. 139 Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn tegenstanders Uw woorden vergeten hebben. 140 Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief. 141 Ik ben klein en veracht, maar Uw bevelen vergeet ik niet. 142 Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid. 143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, maar Uw geboden zijn mijn vermakingen. 144 De gerechtigheid van Uw getuigenissen is in de eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven. 145 ק Koph. Ik heb met heel mijn hart geroepen: verhoor mij, o JAHWEH! ik zal Uw voorschriften bewaren. 146 Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden. 147 Ik ben de morgenschemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt. 148 Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten. 149 Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o JAHWEH! maak mij levend naar Uw recht. 150 Die kwade praktijken najagen, naderen mij, zij wijken verre van Uw wet. 151 Maar U, JAHWEH! bent nabij, en al Uw geboden zijn waarheid. 152 Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat U ze in eeuwigheid gegrond hebt. 153 ר Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. 154 Twist mijn rechtszaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging. 155 Het heil is ver van de goddelozen, want zij zoeken Uw voorschriften niet. 156 JAHWEH! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten. 157 Mijn vervolgers en mijn tegenstanders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet. 158 Ik heb gezien degenen, die trouweloos handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden. 159 Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o JAHWEH! maak mij levend naar Uw goedertierenheid. 160 Het begin van Uw woord is waarheid, en in de eeuwigheid is al het recht van Uw gerechtigheid. 161 ש Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord. 162 Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een grote buit vindt. 163 Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief. 164 Ik loof U zevenmaal overdag, over de rechten van Uw gerechtigheid. 165 Die van Uw wet houden, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot. 166 O JAHWEH! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden. 167 Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief. 168 Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U. 169 ת Thau. O JAHWEH! laat mijn geschrei voor Uw aangezicht naderen, maak mij verstandig naar Uw woord. 170 Laat mijn smeken voor Uw aangezicht komen, red mij naar Uw toezegging. 171 Mijn lippen zullen Uw lof overvloedig uitstorten, als U mij Uw voorschriften zult geleerd hebben. 172 Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid. 173 Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen gekozen. 174 O JAHWEH! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking. 175 Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen. 176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten. ### Psalmen 120 1 Een lied op Hammaäloth. Ik heb tot JAHWEH geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord. 2 O JAHWEH! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong. 3 Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen? 4 Scherpe pijlen van een machtige, en ook gloeiende jeneverkolen. 5 O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon. 6 Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten. 7 Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan de oorlog. ### Psalmen 121 1 Een lied Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. 2 Mijn hulp is van JAHWEH, die hemel en aarde gemaakt heeft. 3 Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw bewaarder zal niet sluimeren. 4 Zie, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren, noch slapen. 5 JAHWEH is uw Bewaarder, JAHWEH is uw Schaduw, aan uw rechterhand. 6 De zon zal u overdag niet steken, noch de maan in de nacht. 7 JAHWEH zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. 8 JAHWEH zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in de eeuwigheid. ### Psalmen 122 1 Een lied Hammaäloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis van JAHWEH gaan. 2 Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem! 3 Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is; 4 Waarheen de stammen opgaan, de stammen van JAHWEH, tot de getuigenis van Israël, om de Naam van JAHWEH te danken. 5 Want daar zijn de stoelen van het gericht gezet, de stoelen van het huis van David. 6 Bid om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die van u houden. 7 Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen. 8 Omwille van mijn broeders en mijn vrienden, zal ik nu spreken, vrede zij in u! 9 Omwille van het huis van JAHWEH, onze God, zal ik het goede voor u zoeken. ### Psalmen 123 1 Een lied op Hammaäloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. 2 Zie, gelijk de ogen van de knechten zijn op de hand van hun heren; gelijk de ogen van de dienstmaagd zijn op de hand haar vrouw; zo zijn onze ogen op JAHWEH, onze God, totdat Hij ons genadig zij. 3 Wees ons genadig, o JAHWEH! wees ons genadig, want wij zijn van de verachting veel te verzadigd. 4 Onze ziel is veel te verzadigd van de spot van de weelderigen, van de verachting van de hoogmoedigen. ### Psalmen 124 1 Een lied Hammaäloth, van David. Tenzij JAHWEH, Die bij ons geweest is, zeg nu Israël, 2 Tenzij JAHWEH, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden; 3 Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak. 4 Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. 5 Toen zouden de onstuimige wateren over onze ziel gegaan zijn. 6 JAHWEH zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof. 7 Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik van de vogelvanger; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. 8 Onze hulp is in de Naam van JAHWEH, Die hemel en aarde gemaakt heeft. ### Psalmen 125 1 Een lied Hammaäloth. Die op JAHWEH vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. 2 Rondom Jeruzalem zijn bergen; zo is JAHWEH rondom Zijn volk, van nu aan tot in de eeuwigheid. 3 Want de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het lot van de rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht. 4 JAHWEH! doe de goeden wel, en van hen, die oprecht zijn in hun harten. 5 Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal JAHWEH weg doen gaan met de werkers van de ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn! ### Psalmen 126 1 Een lied Hammaäloth. Als JAHWEH de gevangenen van Sion wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen. 2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zei men onder de heidenen: JAHWEH heeft grote dingen aan deze gedaan. 3 JAHWEH heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd. 4 O JAHWEH! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. 5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. 6 Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en huilend; maar voorzeker zal hij met gejuich terugkomen, dragende zijn schoven. ### Psalmen 127 1 Een lied Hammaäloth, van Salomo. Zo JAHWEH het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden daarvan bouwers daaraan; zo JAHWEH de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter. 2 Het is te vergeefs, dat u vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood van de smarten; het is zo, dat Hij het Zijn geliefden als in de slaap geeft. 3 Zie, de kinderen zijn een erfdeel van JAHWEH; de vrucht van de buik is een beloning. 4 Gelijk de pijlen zijn in de hand van een held, zo zijn de zonen van de jeugd. 5 Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort. ### Psalmen 128 1 Een lied Hammaäloth. Welgelukzalig is een ieder die JAHWEH vreest, die in Zijn wegen wandelt. 2 Want u zult eten de arbeid van uw handen; welgelukzalig zult u zijn, en het zal u welgaan. 3 Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel. 4 Zie, zo zal zeker die man gezegend worden, die JAHWEH vreest. 5 JAHWEH zal u zegenen uit Sion, en u zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen van uw leven; 6 En u zult uw kleinkinderen zien. Vrede over Israël! ### Psalmen 129 1 Een lied Hammaäloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zeg nu Israël; 2 Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overweldigd. 3 Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen. 4 JAHWEH, Die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehouwen. 5 Laat hen beschaamd en achteruit gedreven worden, allen, die Sion haten. 6 Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort, voordat men het uittrekt; 7 Waarmee de maaier zijn hand niet vult, noch de schovenbinder zijn arm; 8 En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen van JAHWEH zij bij u! Wij zegenen u in de Naam van JAHWEH. ### Psalmen 130 1 Een lied Hammaäloth. Uit de diepten roep ik tot U, o JAHWEH! 2 JAHWEH! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem van mijn smekingen. 3 Zo U, JAHWEH! de ongerechtigheden gadeslaat; JAHWEH! wie zal bestaan? 4 Maar bij U is vergeving, opdat U gevreesd wordt. 5 Ik verwacht JAHWEH; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. 6 Mijn ziel wacht op JAHWEH, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. 7 Israël hope op JAHWEH; want bij JAHWEH is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. 8 En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden. ### Psalmen 131 1 Een lied Hammaäloth, van David. O JAHWEH! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk. 2 Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij. 3 Israël hope op JAHWEH van nu aan tot in de eeuwigheid. ### Psalmen 132 1 Een lied Hammaäloth. O JAHWEH! gedenk aan David, aan al zijn lijden; 2 Dat hij JAHWEH gezworen heeft, aan de Machtige van Jakob een gelofte gedaan heeft, zeggende: 3 Zo ik in de tent van mijn huis inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme! 4 Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering; 5 Totdat ik voor JAHWEH een plaats gevonden zal hebben, woningen voor de Machtige van Jakob! 6 Zie, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaär. 7 Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons neerbuigen voor de voetbank van Zijn voeten. 8 Sta op, JAHWEH! tot Uw rust, U en de ark van Uw sterkte! 9 Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen. 10 Weer het aangezicht van Uw Gezalfde niet af, omwille van David, Uw knecht. 11 JAHWEH heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht van uw buik zal Ik op uw troon zetten. 12 Als uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten. 13 Want JAHWEH heeft Sion gekozen, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: 14 Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. 15 Ik zal haar voedsel rijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen. 16 En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen. 17 Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp gereedgemaakt. 18 Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien. ### Psalmen 133 1 Een lied Hammaäloth, van David. Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen! 2 Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, neerdalende op de baard, de baard van Aäron, die neerdaalt tot op de zoom zijn kleren. 3 Het is gelijk de dauw van Hermon, en die neerdaalt op de bergen van Sion, want JAHWEH gebiedt daar de zegen en het leven tot in de eeuwigheid. ### Psalmen 134 1 Een lied Hammaäloth. Zie, looft JAHWEH, alle u knechten van JAHWEH! u, die allen nacht in het huis van JAHWEH staat. 2 Hef uw handen op naar het heiligdom, en loof JAHWEH. 3 JAHWEH zegene u uit Sion, Hij, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft. ### Psalmen 135 1 Hallelujah! Prijs de Naam van JAHWEH, prijs Hem, u knechten van JAHWEH! 2 U, die staat in het huis van JAHWEH, in de voorhoven van het huis van onze God! 3 Loof JAHWEH, want JAHWEH is goed; psalmzing Zijn Naam, want Hij is liefelijk. 4 Want JAHWEH heeft Zich Jakob gekozen, Israël tot Zijn eigendom. 5 Want ik weet, dat JAHWEH groot is, en dat onze Heere boven alle goden is. 6 Al wat JAHWEH behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden. 7 Hij doet dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen; Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort. 8 Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van de mens af tot het vee toe. 9 Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten. 10 Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde; 11 Sihon, de koning van de Amorieten, en Og, de koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän, 12 En Hij gaf hun land als erfenis, als erfenis aan Zijn volk Israël. 13 O JAHWEH! Uw Naam is in eeuwigheid; JAHWEH! Uw herinnering is van geslacht tot geslacht. 14 Want JAHWEH zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten. 15 De afgoden van de heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden. 16 Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet; 17 Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond. 18 Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt. 19 U huis van Israël! loof JAHWEH; u huis van Aäron! loof JAHWEH. 20 U huis van Levi! loof JAHWEH; u die JAHWEH vreest! loof JAHWEH. 21 Geloofd zij JAHWEH uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah! ### Psalmen 136 1 Loof JAHWEH, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid; 2 Loof de God van de goden; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 3 Loof de Heere van de heren; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 4 Die, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 5 Die, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 6 Die, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 7 Die, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 8 De zon tot heerschappij op de dag; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 9 De maan en sterren tot heerschappij in de nacht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 10 Die, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 11 En heeft Israël uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 12 Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 13 Die, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 14 En voerde Israël door het midden daarvan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 15 Hij heeft Farao met zijn leger gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 16 Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 17 Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 18 En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 19 Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 20 En Og, de koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 21 En heeft hun land als erfenis gegeven; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 22 Als erfenis aan Zijn knecht Israël; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 23 Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 24 En Hij heeft ons onze tegenstanders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 25 Die aan alle vlees voedsel geeft; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. 26 Loof de God van de hemel; want Zijn goedertierenheid is in de eeuwigheid. ### Psalmen 137 1 Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook huilden wij, als wij gedachten aan Sion. 2 Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn. 3 Als zij, die ons daar gevangen hielden, de woorden van een lied van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zing ons één van de liederen Sions; 4 Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied van JAHWEH zingen in een vreemd land? 5 Als ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelf! 6 Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste van mijn blijdschap! 7 JAHWEH! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fundament toe! 8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die u aan ons misdaan hebt. 9 Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderen grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal. ### Psalmen 138 1 Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn hele hart; in de aanwezigheid van de goden zal ik U psalmzingen. 2 Ik zal mij neerbuigen naar het paleis van Uw heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want U hebt vanwege Uw hele Naam Uw woord groot gemaakt. 3 Op de dag als ik riep, zo hebt U mij verhoord; U hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel. 4 Alle koningen van de aarde zullen U, o JAHWEH! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen van Uw mond. 5 En zij zullen zingen van de wegen van JAHWEH, want de heerlijkheid van JAHWEH is groot. 6 Want JAHWEH is hoog, toch ziet Hij de nederige aan, en de verhevene kent Hij van verre. 7 Als ik wandel in het midden van de benauwdheid, maakt U mij levend; Uw hand strekt U uit tegen de toorn van mijn vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij. 8 JAHWEH zal het voor mij voltooien; Uw goedertierenheid, JAHWEH! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken van Uw handen. ### Psalmen 139 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. JAHWEH! U doorgrondt en kent mij. 2 U weet mijn zitten en mijn opstaan; U verstaat van verre mijn gedachten. 3 U omringt mijn gaan en mijn liggen; en U bent al mijn wegen gewend. 4 Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! U weet het alles. 5 U bezet mij van achteren en van voren, en U zet Uw hand op mij. 6 De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. 7 Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvluchten voor Uw aangezicht? 8 Zo ik opvoer ten hemel, U bent daar; of bedde ik mij in het dodenrijk, zie, U bent daar. 9 Nam ik vleugelen van de dageraad, woonde ik aan het uiterste van de zee; 10 Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. 11 Als ik zei: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. 12 Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht. 13 Want U bezit mijn nieren; U hebt mij in van mijn moeders buik bedekt. 14 Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel. 15 Mijn gebeente was voor U niet verborgen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewerkt ben, in de nederste delen van de aarde. 16 Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij gevormd zouden worden, toen nog geen van die was. 17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen! 18 Zou ik ze tellen? Haar is meer, dan van het zand; word ik wakker, zo ben ik nog bij U. 19 O God! dat U de goddeloze ombracht! en u, mannen van het bloed, wijkt van mij! 20 Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden zinloos verheffen. 21 Zou ik niet haten, JAHWEH! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? 22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij. 23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. 24 En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg. ### Psalmen 140 1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Red mij, JAHWEH! van de kwade mens; behoed mij voor de man van geweld; 3 Die veel kwaad in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen. 4 Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela. 5 Bewaar mij, JAHWEH! van de handen van de goddelozen; behoed mij van de man van geweld; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten. 6 De hoogmoedigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde van de weg; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela. 7 Ik heb tot JAHWEH gezegd: U bent mijn God; neem ter ore, o JAHWEH! de stem van mijn smekingen. 8 JAHWEH, Heere, Sterkte van mijn heil! U hebt mijn hoofd bedekt op de dag van de wapening. 9 Geef, JAHWEH! de begeerten van de goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela. 10 Voor wat betreft het hoofd van degenen, die mij omringen, de overlast van hun lippen overdekke hen. 11 Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weer opstaan. 12 Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man van het geweld, die zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is. 13 Ik weet, dat JAHWEH de rechtzaak van de ellendigen, en het recht van de armen zal uitvoeren. 14 Zeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven. ### Psalmen 141 1 Een psalm van David. JAHWEH! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep. 2 Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing van mijn handen als het avondoffer. 3 JAHWEH! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur van mijn lippen. 4 Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enige handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen. 5 De rechtvaardige sla mij, het zal goedertierenheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie van het hoofd zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenslagen. 6 Hun rechters zijn aan de zijde van de steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren. 7 Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond van het graf, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had. 8 Maar op U zijn mijn ogen, JAHWEH, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet. 9 Bewaar mij voor het geweld van de strik, die zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers van de ongerechtigheid. 10 Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, samen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan. ### Psalmen 142 1 Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de grot was. 2 Ik riep met mijn stem tot JAHWEH; ik smeekte tot JAHWEH met mijn stem. 3 Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. 4 Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt U mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou. 5 Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvluchten voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. 6 Tot U riep ik, o JAHWEH! ik zei: U bent mijn Toevlucht, mijn Deel in het land van de levenden. 7 Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 8 Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer U wel bij mij zult gedaan hebben. ### Psalmen 143 1 Een psalm van David. O JAHWEH! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid. 2 En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. 3 Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn. 4 Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij. 5 Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelf van de werken van Uw handen. 6 Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela. 7 Verhoor mij haastig, JAHWEH! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden van hen, die in de kuil dalen. 8 Doe mij Uw goedertierenheid in de morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op. 9 Red mij, JAHWEH! van mijn vijanden; bij U schuil ik. 10 Leer mij Uw welbehagen doen, want U bent mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land. 11 O JAHWEH! maak mij levend, omwille van uw Naam; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid. 12 En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel benauwen; want ik ben Uw knecht. ### Psalmen 144 1 Een psalm van David. Gezegend zij JAHWEH, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingers ten oorlog; 2 Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Vesting en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wie ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt! 3 O JAHWEH! wat is de mens, dat U hem kent, het kind van de mensen, dat U het acht? 4 De mens is van de zinloosheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. 5 Neig Uw hemelen, JAHWEH! en daal neer; raak de bergen aan, dat zij roken. 6 Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. 7 Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand van de vreemden; 8 Van wie de mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand van de valsheid. 9 O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen. 10 U, Die de koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard; 11 Ontzet mij en red mij van de hand van de vreemden, van wie de mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand van de valsheid; 12 Opdat onze zonen zijn als planten, die groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochters als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis. 13 Dat onze winkelen vol zijnde, de ene voorraad na de anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen. 14 Dat onze ossen welgeladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten. 15 Welgelukzalig is het volk, die het zo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God JAHWEH is. ### Psalmen 145 1 Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, U Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altijd. 2 Beth. Te alle dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altijd. 3 Gimel. JAHWEH is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk. 4 Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen. 5 He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid van de eer van Uw majesteit, en Uw wonderlijke daden. 6 Vau. En zij zullen vermelden de kracht van Uw vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen. 7 Zain. Zij zullen de herinnering van de grootheid van Uw goedheid overvloedig uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen. 8 Cheth. Genadig en barmhartig is JAHWEH, geduldig en groot van goedertierenheid. 9 Teth. JAHWEH is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken. 10 Jod. Al Uw werken, JAHWEH, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen. 11 Caph. Zij zullen de heerlijkheid van Uw Koninkrijk vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken. 12 Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer van de heerlijkheid van Zijn Koninkrijk. 13 Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht. 14 Samech. JAHWEH ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen. 15 Ain. Aller ogen wachten op U; en U geeft hun hun voedsel te zijner tijd. 16 Pe. U doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen. 17 Tsade. JAHWEH is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken. 18 Koph. JAHWEH is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in van de waarheid. 19 Resch. Hij doet het welbehagen van degenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen. 20 Schin. JAHWEH bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij vernietigt alle goddelozen. 21 Thau. Mijn mond zal de prijs van JAHWEH uitspreken, en alle vlees zal Zijn heilige Naam loven in de eeuwigheid en altijd. ### Psalmen 146 1 Hallelujah! O mijn ziel! prijs JAHWEH. 2 Ik zal JAHWEH prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben. 3 Vertrouw niet op prinsen, op het kind van de mens, bij dat geen heil is. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert opnieuw tot zijn aarde; op dezelfde dag vergaan zijn aanslagen. 5 Welgelukzalig is hij, die de God van Jakob tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op JAHWEH, zijn God is; 6 Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat daarin is; Die trouwe houdt in de eeuwigheid. 7 Die de verdrukte recht doet, Die de hongerige brood geeft; JAHWEH maakt de gevangenen los. 8 JAHWEH opent de ogen van de blinden; JAHWEH richt de gebogenen op; JAHWEH heeft de rechtvaardigen lief. 9 JAHWEH bewaart de vreemdelingen; Hij houdt de wees en de weduwe staande; maar de goddelozen weg keert Hij om. 10 JAHWEH zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah! ### Psalmen 147 1 Loof JAHWEH, want onze God te psalmzingen is goed, omdat Hij liefelijk is; de lof is passend. 2 JAHWEH bouwt Jeruzalem; Hij verzamelt Israëls verdrevenen. 3 Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten. 4 Hij telt het getal van de sterren; Hij noemt ze allen bij namen. 5 Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijn verstand is onmeetbaar. 6 JAHWEH houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe. 7 Zing JAHWEH bij beurte met dankzegging; psalmzing onze God op de harp. 8 Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten; 9 Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen. 10 Hij heeft geen lust aan de sterkte van het paard; Hij heeft geen welgevallen aan de benen van de man. 11 JAHWEH heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. 12 O Jeruzalem! roem JAHWEH; o Sion! loof uw God. 13 Want Hij maakt de grendelen van uw poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u. 14 Die uw gebied in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette van de tarwe. 15 Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel. 16 Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as. 17 Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude? 18 Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien heen. 19 Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn voorschriften en Zijn rechten. 20 Zo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah! ### Psalmen 148 1 Hallelujah! Loof JAHWEH uit de hemelen; loof Hem in de hoogste plaatsen! 2 Loof Hem, al Zijn engelen! Loof Hem, al Zijn legermachten! 3 Loof Hem, zon en maan! Loof Hem, alle u lichtende sterren! 4 Loof Hem, u hemelen van de hemelen! en u wateren, die boven de hemelen bent! 5 Dat zij de Naam van JAHWEH loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen. 6 En Hij heeft ze bevestigd voor altijd in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden. 7 Loof JAHWEH, van de aarde; u walvissen en alle afgronden! 8 Vuur en hagel, sneeuw en damp; u stormwind, die Zijn woord doet! 9 U bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen! 10 Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte! 11 U koningen van de aarde, en alle volken, u vorsten, en alle rechters van de aarde! 12 Jongemannen en ook maagden; u ouderen met de jongeren! 13 Dat zij de Naam van JAHWEH loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en de hemel. 14 En Hij heeft de hoorn van Zijn volk verhoogd, de roem al van Zijn gunstgenoten, van de Israëlieten, van het volk, dat nabij Hem is. Hallelujah! ### Psalmen 149 1 Hallelujah! Zing JAHWEH een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente van Zijn gunstgenoten. 2 Dat Israël zich verblijde in Degene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen van Sion zich verheugen over hun Koning. 3 Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp. 4 Want JAHWEH heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil. 5 Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers. 6 De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand; 7 Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken; 8 Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien; 9 Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah! ### Psalmen 150 1 Hallelujah! Loof God in Zijn heiligdom; loof Hem in het uitspansel van Zijn sterkte! 2 Loof Hem vanwege Zijn mogendheden; loof Hem naar de veelvuldigheid van Zijn grootheid! 3 Loof Hem met geklank van de bazuin; loof Hem met de luit en met de harp! 4 Loof Hem met de trommel en fluit; loof Hem met snarenspel en orgel! 5 Loof Hem met hel klinkende cimbalen; loof Hem met cimbalen van vreugdegeluid! 6 Alles, wat adem heeft, love JAHWEH! Hallelujah! ## Spreuken ### Spreuken 1 1 De spreuken van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, 2 Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen van het verstand; 3 Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en eerlijkheid; 4 Om de eenvoudigen verstandigheid te geven, de jongeling wetenschap en bedachtzaamheid. 5 Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen; 6 Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden van de wijzen en hun raadselen. 7 De vrees van JAHWEH is het begin van de wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht. 8 Mijn zoon! hoor de tucht van uw vader, en verlaat de leer van uw moeder niet; 9 Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals. 10 Mijn zoon! als de zondaars u aanlokken, bewillig niet; 11 Als zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen de onschuldige, zonder oorzaak; 12 Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, zoals die in de kuil neerdalen; 13 Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen. 14 U zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen één beurs hebben. 15 Mijn zoon! wandel niet met hen op de weg; weer uw voet van hun pad. 16 Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten. 17 Zeker, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte; 18 En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen. 19 Zo zijn de paden van een ieder die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen. 20 De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten; Zij verheft Haar stem op de straten. 21 Zij roept in het voorste van de woelingen; aan de deuren van de poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad; 22 U eenvoudigen! hoe lang zult u van de slechtigheid houden, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? 23 Keer u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. 24 Omdat Ik geroepen heb, en u geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; 25 En u al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; 26 Zo zal Ik ook in uw verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vrees komt. 27 Wanneer uw vrees komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; 28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden; 29 Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vrees voor JAHWEH niet hebben gekozen. 30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad; 31 Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen. 32 Want de afkering van de eenvoudigen zal hen doden, en de voorspoed van de zotten zal hen verderven. 33 Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vrees voor het kwaad. ### Spreuken 2 1 Mijn zoon! zo u mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt; 2 Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo u uw hart tot verstandigheid neigt; 3 Ja, zo u tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; 4 Zo u haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; 5 Dan zult u de vrees voor JAHWEH verstaan, en zult de kennis van God vinden. 6 Want JAHWEH geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. 7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild van hen, die oprecht wandelen; 8 Opdat zij de paden van het recht houden; en Hij zal de weg van Zijn gunstgenoten bewaren. 9 Dan zult u verstaan gerechtigheid, en recht, en eerlijkheid, en alle goed pad. 10 Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn; 11 Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden; 12 Om u te redden van de kwade weg, van de man, die verkeerdheden spreekt; 13 Van degenen, die de paden van de oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen van de duisternis; 14 Die blij zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden van de kwaden; 15 Van wie de paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen; 16 Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit; 17 Die de leidsman van haar jeugd verlaat, en het verbond van haar God vergeet; 18 Want haar huis helt naar de dood, en haar paden naar de overledenen. 19 Allen die tot haar ingaan, zullen niet terugkomen, en zullen de paden van het leven niet aantreffen; 20 Opdat u wandelt op de weg van de goeden, en houdt de paden van de rechtvaardigen. 21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven; 22 Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden. ### Spreuken 3 1 Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. 2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen. 3 Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart. 4 En vind gunst en goed verstand, in de ogen van God en van de mensen. 5 Vertrouw op JAHWEH met uw hele hart, en steun op uw verstand niet. 6 Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken. 7 Wees niet wijs in uw ogen; vrees JAHWEH, en wijk van het kwade. 8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen. 9 Vereer JAHWEH van uw goed, en van de eerstelingen van al uw inkomsten; 10 Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van nieuwe wijn overlopen. 11 Mijn zoon! verwerp de tucht van JAHWEH niet, en wees niet verdrietig over Zijn vergelding; 12 Want JAHWEH straft degene, die Hij liefheeft, ja, zoals een vader de zoon, in wie hij een welbehagen heeft. 13 Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt! 14 Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud. 15 Zij is kostelijker dan robijnen; en al wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. 16 Langheid van de dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer. 17 Haar wegen zijn wegen van de liefelijkheid, en al haar paden vrede. 18 Zij is een boom van het leven voor hen, die ze aangrijpen, en elk, die ze vast houdt, wordt gelukzalig. 19 JAHWEH heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid. 20 Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw. 21 Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid. 22 Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals. 23 Dan zult u uw weg zeker wandelen, en u zult uw voet niet stoten. 24 Zo u neerligt, zult u niet schrikken; maar u zult neerliggen en uw slaap zal zoet wezen. 25 Vrees niet voor haastige schrik, noch voor de verwoesting van de goddelozen, als zij komt. 26 Want JAHWEH zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden. 27 Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen van uw hand is te doen. 28 Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weer, en morgen zal ik geven, omdat het bij u is. 29 Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont. 30 Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft. 31 Wees niet nijdig over een man van het geweld, en verkies geen van zijn wegen. 32 Want de afwijker is JAHWEH een gruwel; maar Zijn geheim is met de oprechte. 33 De vloek van JAHWEH is in het huis van de goddelozen; maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen. 34 Zeker, de spotters zal Hij bespotten, maar de zachtmoedigen zal Hij genade geven. 35 De wijzen zullen eer beërven; maar elk van de zotten neemt schande op zich. ### Spreuken 4 1 Hoor, u kinderen! de tucht van de vader, en merkt op, om verstand te weten. 2 Omdat ik u goede leer geve, verlaat mijn wet niet. 3 Want ik was de zoon van mijn vader, teder, en een enige voor het aangezicht van mijn moeder. 4 Hij nu leerde mij, en zei tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef. 5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen van mijn mond. 6 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren. 7 De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting. 8 Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als u haar omhelzen zult. 9 Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren. 10 Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren van het leven zullen u vermenigvuldigd worden. 11 Ik onderwijs u in de weg van de wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen. 12 In uw gaan zal uw stap niet belemmerd worden, en als u loopt, zult u niet struikelen. 13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven. 14 Kom niet op het pad van de goddelozen, en treed niet op de weg van de bozen. 15 Verwerp die, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij. 16 Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen. 17 Want zij eten brood van de goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld. 18 Maar het pad van de rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe. 19 De weg van de goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen. 20 Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen. 21 Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden van uw hart. 22 Want zij zijn het leven van hen, die ze vinden, en een medicijn voor hun hele vlees. 23 Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen van het leven. 24 Doe de verkeerdheid van de mond van u weg, en doe de verdraaidheid van de lippen verre van u. 25 Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden. 26 Weeg de gang van uw voet, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. 27 Wijk niet ter rechterhand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade. ### Spreuken 5 1 Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand; 2 Opdat u alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren. 3 Want de lippen van de vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie. 4 Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. 5 Haar voeten dalen naar de dood, haar treden houden het dodenrijk vast. 6 Opdat u het pad van het leven niet zou wegen, zijn haar gangen onstandvastig, dat u het niet merkt. 7 Nu dan, u kinderen! hoor naar mij, en wijkt niet van de redenen van mijn mond. 8 Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis; 9 Opdat u anderen uw eer niet geeft, en uw jaren de wrede; 10 Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis van de onbekenden; 11 En u in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is; 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad! 13 En heb niet gehoord naar de stem van mijn onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars! 14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden van de gemeente en van de vergadering! 15 Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput; 16 Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten; 17 Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u. 18 Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw van uw jeugd; 19 Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten altijd dronken maken; dool steeds in haar liefde. 20 En waarom zou u, mijn zoon, in een vreemde dolen, en de schoot van de onbekende omvangen? 21 Want de wegen van een ieder zijn voor de ogen van JAHWEH, en Hij weegt al zijne gangen. 22 Zijn ongerechtigheden zullen de goddeloze vangen, en met de banden van zijn zonden zal hij vastgehouden worden. 23 Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid van zijn dwaasheid zal hij verdwalen. ### Spreuken 6 1 Mijn zoon! zo u voor uw naaste borg geworden bent, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt; 2 U bent verstrikt met de redenen van uw mond; u bent gevangen met de redenen van uw mond. 3 Doe nu dit, mijn zoon! en red u, omdat u in de hand van uw naaste gekomen bent; ga, onderwerp uzelf, en sterk uw naaste. 4 Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering; 5 Red u, als een ree uit de hand van de jager, en als een vogel uit de hand van de vogelvanger. 6 Ga tot de mier, u luiaard! zie haar wegen, en word wijs; 7 Die, geen overste, ambtman noch heerser hebbende, 8 Haar brood bereidt in de zomer, haar voedsel verzamelt in de oogst. 9 Hoe lang zult u, luiaard, neerliggen? Wanneer zult u van uw slaap opstaan? 10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al neerliggende; 11 Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man. 12 Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid van de mond om; 13 Wenk met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingers; 14 In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt altijd kwaad; hij werpt twisten in. 15 Daarom zal zijn verderf haastig komen; hij zal plotseling verbroken worden, dat er geen genezen aan zij. 16 Deze zes haat JAHWEH; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: 17 Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; 18 Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; 19 Een vals getuige, die leugens blaast; en die tussen broers twisten inwerpt. 20 Mijn zoon, bewaar het gebod van uw vader, en verlaat de wet van uw moeder niet. 21 Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals. 22 Als u wandelt, zal dat u geleiden; als u neerligt, zal het over u de wacht houden; als u wakker wordt, zal het met u spreken. 23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen van de tucht zijn de weg van het leven; 24 Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei van de vreemde tong. 25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden. 26 Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en de huisvrouw van een man jaagt de kostelijke ziel. 27 Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn kleren niet verbrand worden? 28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden? 29 Zo die tot de huisvrouw van zijn naaste ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden. 30 Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, omdat hij honger heeft; 31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis. 32 Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet; 33 Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden. 34 Want jaloërsheid is een woede van de man; en in de dag van de wraak zal hij niet sparen. 35 Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, hoewel u het geschenk vergroot. ### Spreuken 7 1 Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. 2 Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als de appel van uw ogen. 3 Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafels van uw hart. 4 Zeg tot de wijsheid: U bent mijn zus; en heet het verstand uw bloedvriend; 5 Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit. 6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit; 7 En ik zag onder de eenvoudigen; ik merkte onder de jongemannen een verstandeloze jongeling; 8 Voorbijgaande op de straat, naast haar hoek, en hij trad op de weg van haar huis. 9 In de schemering, in de avond van de dag, in de zwarte nacht en de donkerheid; 10 En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; 11 Deze was luidruchtig en opstandig, haar voeten bleven in haar huis niet; 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende; 13 En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zei tot hem: 14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb vandaag mijn geloften betaald; 15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht ijverig te zoeken, en ik heb u gevonden. 16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte; 17 Ik heb mijn bed met mirre, aloë en kaneel geurende gemaakt; 18 Kom, laat ons dronken worden van liefde tot de morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. 19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verre weg getogen; 20 Hij heeft een geldbuidel in zijn hand genomen; op de afgesproken dag zal hij naar zijn huis komen. 21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei van haar lippen. 22 Hij ging haar straks achterna, zoals een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging van de boeien. 23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar de strik, en niet weet, dat die tegen zijn leven is. 24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen van mijn mond. 25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden. 26 Want zij heeft veel gewonden neergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. 27 Haar huis zijn wegen van het graf, dalende naar de binnenkameren van de dood. ### Spreuken 8 1 Roep de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem? 2 Op de spits van de hoge plaatsen, aan de weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij; 3 Aan de zijde van de poorten, voor aan de stad, aan de ingang van de deuren roept Zij overluid: 4 Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen. 5 U eenvoudigen! versta verstandigheid, en u zotten! versta met het hart. 6 Hoor, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening van Mijn lippen zal enkel eerlijkheid zijn. 7 Want Mijn gehemelte zal de waarheid weloverwogen uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel. 8 Al de redenen van Mijn mond zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in. 9 Zij zijn alle recht voor degene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden. 10 Neem Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud. 11 Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken. 12 Ik, Wijsheid, woon bij de verstandigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid. 13 De vrees voor JAHWEH is, te haten het kwade, de trots, en de hoogmoed, en de kwade weg; Ik haat ook de mond van de verkeerdheden. 14 Raad en het wezen zijn van Mij; Ik ben het Verstand, van Mij is de Sterkte. 15 Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. 16 Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters van de aarde. 17 Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. 18 Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. 19 Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. 20 Ik doe wandelen op de weg van de gerechtigheid, in het midden van de paden van het recht; 21 Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen. 22 JAHWEH bezat Mij in het begin van Zijn weg, voor Zijn werken, van toen aan. 23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van de aanvang, van de oudheden van de aarde aan. 24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; 25 Voordat de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. 26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes van de wereld. 27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke van de afgrond beschreef; 28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen van de afgrond vastmaakte; 29 Toen Hij voor de zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten van de aarde stelde; 30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, altijd voor Zijn aangezicht spelende; 31 Spelende in de wereld van Zijn aarde, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen. 32 Nu dan, kinderen! hoor naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren. 33 Hoor de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet. 34 Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakend aan Mijn poorten, waarnemende de posten van Mijn deuren. 35 Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van JAHWEH. 36 Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben de dood lief. ### Spreuken 9 1 De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen. 2 Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel gereedgemaakt. 3 Zij heeft Haar dienaressen uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten van de stad: 4 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij: 5 Kom, eet van Mijn brood, en drink van de wijn, die Ik gemengd heb. 6 Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in de weg van het verstand. 7 Wie de spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die de goddeloze bestraft, zijn schandvlek. 8 Bestraf de spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf de wijze, en hij zal u liefhebben. 9 Leer de wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs de rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen. 10 De vrees voor JAHWEH is het begin van de wijsheid, en de wetenschap van de heiligen is verstand. 11 Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren van het leven zullen u toegedaan worden. 12 Als u wijs bent, u bent wijs voor uzelf; en bent u een spotter, u zult het alleen dragen. 13 Een zotte vrouw is luidruchtig, de slechtigheid zelf, en weet niet met al. 14 En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen van de stad; 15 Om te roepen degenen, die op de weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende: 16 Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot de verstandeloze zegt zij: 17 De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk. 18 Maar hij weet niet, dat daar doden zijn; haar genodigden zijn in de diepten van het dodenrijk. ### Spreuken 10 1 De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt de vader; maar een zot zoon is voor zijn moeder een verdriet. 2 Schatten van de goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van de dood. 3 JAHWEH laat de ziel van de rechtvaardigen niet hongeren; maar de bezittingen van de goddelozen stoot Hij weg. 4 Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand van de vlijtigen maakt rijk. 5 Die in de zomer verzamelt, is een verstandig zoon; maar die in de oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt. 6 Zegeningen zijn op het hoofd van de rechtvaardigen; maar het geweld bedekt de mond van de goddelozen. 7 De herinnering van de rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam van de goddelozen zal verrotten. 8 Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden. 9 Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden. 10 Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden. 11 De mond van de rechtvaardigen is een springader van het leven; maar het geweld bedekt de mond van de goddelozen. 12 Haat verwekt twisten; maar de liefde dekt alle overtredingen toe. 13 In de lippen van de verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op de rug van de verstandelozen de roede. 14 De wijzen leggen wetenschap weg; maar de mond van de dwazen is de verstoring nabij. 15 Het goed van de rijke is een stad van zijn sterkte; de armoede van de geringen is hun verstoring. 16 Het werk van de rechtvaardigen is ten leven; de inkomst van de goddelozen is ter zonde. 17 Het pad tot het leven is van degene die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen. 18 Die de haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot. 19 In de veelheid van de woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen weerhoudt, is kloek verstandig. 20 De tong van de rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart van de goddelozen is weinig waard. 21 De lippen van de rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand. 22 De zegen van JAHWEH, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij. 23 Het is voor de zot als spel schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen. 24 De vrees van de goddeloze, die zal hem overkomen; maar de begeerte van de rechtvaardigen zal God geven. 25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, zo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest. 26 Gelijk azijn voor de tanden, en gelijk rook voor de ogen is, zo is de luie voor hen, die hem uitzenden. 27 De vrees voor JAHWEH vermeerdert de dagen; maar de jaren van de goddelozen worden verkort. 28 De hoop van de rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting van de goddelozen zal vergaan. 29 De weg van JAHWEH is voor de oprechte sterkte; maar voor de werkers van de ongerechtigheid verstoring. 30 De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen. 31 De mond van de rechtvaardigen brengt overvloedig wijsheid voort; maar de tong van de verkeerdheden zal uitgeroeid worden. 32 De lippen van de rechtvaardigen weten wat welbehaaglijk is; maar de mond van de goddelozen enkel verkeerdheid. ### Spreuken 11 1 Een bedriegelijke weegschaal is JAHWEH een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen. 2 Als de trots komt, zal de schande ook komen; maar met de nederige is wijsheid. 3 De oprechtheid van de oprechten leidt hen; maar de verkeerdheden van de trouwelozen verstoort hen. 4 Goed doet geen nut op de dag van de toorn; maar de gerechtigheid redt van de dood. 5 De gerechtigheid van de oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid. 6 De gerechtigheid van de vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid. 7 Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan. 8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats. 9 De huichelaar verderft zijn naaste door de mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd. 10 Een stad springt op van vreugde over het welvaren van de rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich. 11 Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven; maar door de mond van de goddelozen wordt zij verbroken. 12 Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil. 13 Die als een roddelaar wandelt, openbaart het geheime; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak. 14 Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid van de raadslieden. 15 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zeker verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker. 16 Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, zoals de geweldigen de rijkdom vasthouden. 17 Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees. 18 De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon. 19 Zo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade nastreeft, naar zijn dood jaagt. 20 De verkeerden van hart zijn JAHWEH een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen. 21 Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad van de rechtvaardigen zal ontkomen. 22 Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit. 23 De begeerte van de rechtvaardigen is alleen het goede; maar de verwachting van de goddelozen is toorn. 24 Er is een, die uitstrooit, die nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek. 25 De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden. 26 Wie koren inhoudt, die vloekt het volk; maar zegening zal zijn over het hoofd van de verkoper. 27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, die zal het overkomen. 28 Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof. 29 Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn van degene, die wijs van hart is. 30 De vrucht van de rechtvaardigen is een boom van het leven; en wie zielen vangt, is wijs. 31 Zie, de rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer de goddeloze en zondaar! ### Spreuken 12 1 Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig. 2 De goede zal een welgevallen trekken van JAHWEH; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen. 3 De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel van de rechtvaardigen zal niet bewogen worden. 4 Een kloeke huisvrouw is een kroon van haar heer; maar die beschaamd maakt, is als verrotting in zijn beenderen. 5 De gedachten van de rechtvaardigen zijn recht; de raadslagen van de goddelozen zijn bedrog. 6 De woorden van de goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond van de oprechten zal ze redden. 7 De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis van de rechtvaardigen zal bestaan. 8 Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen. 9 Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelf eert, en van het brood gebrek heeft. 10 De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden van de goddelozen zijn wreed. 11 Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos. 12 De goddeloze begeert het net van de bozen; maar de wortel van de rechtvaardigen zal uitgeven. 13 In de overtreding van de lippen is de strik van de bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen. 14 Een ieder wordt van de vrucht van de mond met goed verzadigd; en de vergelding van de handen van de mens zal hij tot zich teruggeven. 15 De weg van de dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs. 16 De toorn van de dwazen wordt ten zelf dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande. 17 Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige van de valsheden, bedrog. 18 Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbezonnen uitspreekt; maar de tong van de wijzen is medicijn. 19 Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik. 20 Bedrog is in het hart van degenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap. 21 De rechtvaardige zal geen leed overkomen; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden. 22 Valse lippen zijn JAHWEH een gruwel; maar die trouw handelen, zijn Zijn welgevallen. 23 Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart van de zotten roept dwaasheid uit. 24 De hand van de vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder belasting wezen. 25 Bezorgdheid in het hart van de mensen buigt het neer; maar een goed woord verblijdt het. 26 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg van de goddelozen doet hen dwalen. 27 Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed van de mensen is van de vlijtigen. 28 In het pad van de gerechtigheid is het leven; en in de weg van haar voetpad is de dood niet. ### Spreuken 13 1 Een wijs zoon hoort de tucht van de vader; maar een spotter hoort de bestraffing niet. 2 Een ieder zal van de vrucht van de mond het goede eten; maar de ziel van de trouwelozen het geweld. 3 Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet. 4 De ziel van de luiaard is begerig, maar er is niets; maar de ziel van de vlijtigen zal vet gemaakt worden. 5 De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze brengt zich in kwade reuk, en doet zich schaamte aan. 6 De gerechtigheid bewaart de oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal de zondaar omkeren. 7 Er is een, die zichzelf rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelf arm maakt, en heeft veel goed. 8 De losprijs van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet. 9 Het licht van de rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. 10 Door trots maakt men niet dan ruzie; maar bij de beradenen is wijsheid. 11 Goed, van zinloosheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand verzamelt, zal het vermeerderen. 12 De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom van het leven. 13 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, die zal vergolden worden. 14 De leer van de wijze is een springader van het leven, om af te wijken van de strikken van de dood. 15 Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg van de trouwelozen is streng. 16 Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit. 17 Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn. 18 Armoede en schande is van degene, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geëerd worden. 19 De begeerte, die gebeurt, is zoet voor de ziel; maar het is de zotten een gruwel van het kwade af te wijken. 20 Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die metgezel van de zotten is, zal verbroken worden. 21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar de rechtvaardige zal men goed vergelden. 22 De goede zal de kinderen van zijn kinderen doen erven; maar het vermogen van de zondaar is voor de rechtvaardige weggelegd. 23 Het ploegen van de armen geeft veelheid van het voedsel; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel. 24 Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging. 25 De rechtvaardige eet tot verzadiging van zijn ziel toe; maar de buik van de goddelozen zal gebrek hebben. ### Spreuken 14 1 Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen. 2 Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest JAHWEH; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem. 3 In de mond van de dwazen is een roede van de hoogmoed; maar de lippen van de wijzen bewaren hen. 4 Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van de os zijn de inkomsten vele. 5 Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens. 6 De spotter zoekt wijsheid, en er is geen; maar de wetenschap is voor de verstandige licht. 7 Ga weg van de aanwezigheid van een zotte man; want u zou bij hem geen lippen van de wetenschap merken. 8 De wijsheid van de kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid van de zotten is bedriegerij. 9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid. 10 Het hart kent zijn eigen bittere verdriet; en een vreemde zal zich met zijn blijdschap niet vermengen. 11 Het huis van de goddelozen zal vernietigd worden; maar de tent van de oprechten zal bloeien. 12 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste daarvan zijn wegen van de dood. 13 Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is verdriet. 14 Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelf. 15 De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang. 16 De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende boos, en zorgeloos. 17 Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden. 18 De eenvoudigen erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen. 19 De kwaden buigen voor het aangezicht van de goeden neer, en de goddelozen voor de poorten van de rechtvaardigen. 20 De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers van de rijken zijn vele. 21 Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich over de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig. 22 Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar goedertierenheid en trouw is voor degenen, die goed stichten. 23 In alle smartelijke arbeid is overschot; maar het woord van de lippen strekt alleen tot gebrek. 24 De kroon van de wijzen is hun rijkdom; de dwaasheid van de zotten is dwaasheid. 25 Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger. 26 In de vrees voor JAHWEH is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen. 27 De vrees voor JAHWEH is een springader van het leven, om af te wijken van de strikken van de dood. 28 In de menigte van het volk is de heerlijkheid van de koning; maar in gebrek van volk is de verstoring van een vorst. 29 De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid. 30 Een gezond hart is het leven van het vlees; maar afgunst is verrotting van de beenderen. 31 Die de arme verdrukt, smaadt zijn Maker; maar die zich over de armen ontfermt, eert Hem. 32 De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood. 33 Wijsheid rust in het hart van de verstandigen; maar wat in het binnenste van de zotten is, wordt bekend. 34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek van de natiën. 35 Het welbehagen van de koning is over een verstandige knecht; maar zijn toorn zal zijn over degene, die beschaamd maakt. ### Spreuken 15 1 Een zacht antwoord keert de woede af; maar een smartend woord doet de toorn oprijzen. 2 De tong van de wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond van de zotten stort overvloedig dwaasheid uit. 3 De ogen van JAHWEH zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden. 4 De medicijn van de tong is een boom van het leven; maar de verkeerdheid daarin is een breuk in de geest. 5 Een dwaas zal de tucht van zijn vader versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinnig handelen. 6 In het huis van de rechtvaardigen is een grote schat; maar in de inkomst van de goddelozen is onrust. 7 De lippen van de wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart van de zotten niet zo. 8 Het offer van de goddelozen is JAHWEH een gruwel; maar het gebed van de oprechten is Zijn welgevallen. 9 De weg van de goddelozen is JAHWEH een gruwel; maar die, die de gerechtigheid nastreeft, zal Hij liefhebben. 10 De tucht is onaangenaam voor degene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven. 11 Het dodenrijk en het verderf zijn voor JAHWEH; hoeveel te meer de harten van de mensenkinderen? 12 De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen. 13 Een vrolijk hart zal het aangezicht blij maken; maar door de smart van het hart wordt de geest verslagen. 14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond van de zotten zal met dwaasheid gevoed worden. 15 Al de dagen van de bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een voortdurende maaltijd. 16 Beter is weinig met de vrees voor JAHWEH, dan een grote schat, en onrust daarbij. 17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij. 18 Een grimmig man zal ruzie verwekken; maar de lankmoedige zal de twist stillen. 19 De weg van de luiaard is als een doornheg; maar het pad van de oprechten is welgebaand. 20 Een wijs zoon zal de vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder. 21 De dwaasheid is blijdschap voor de verstandeloze; maar een man van verstand zal recht wandelen. 22 De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid van de raadslieden zal elk bestaan. 23 Een man heeft blijdschap in het antwoord van zijn mond; en hoe goed is een woord op zijn tijd! 24 De weg van het leven is voor de verstandige naar boven; opdat hij afwijke van het dodenrijk, beneden. 25 Het huis van de hoogmoedigen zal JAHWEH afrukken; maar de grens van de weduwe zal Hij vastzetten. 26 De gedachten van de boze zijn JAHWEH een gruwel; maar de woorden van de reinen zijn liefelijk. 27 Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven. 28 Het hart van de rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond van de goddelozen zal overvloedig kwade dingen uitstorten. 29 JAHWEH is ver van de goddelozen; maar het gebed van de rechtvaardigen zal Hij verhoren. 30 Het licht van de ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet. 31 Het oor, dat de bestraffing van het leven hoort, zal in het midden van de wijzen overnachten. 32 Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand. 33 De vrees voor JAHWEH is de tucht van de wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer. ### Spreuken 16 1 De mens heeft schikkingen van het hart; maar het antwoord van de tong is van JAHWEH. 2 Alle wegen van de man zijn zuiver in zijn ogen; maar JAHWEH weegt de geesten. 3 Wentel uw werken op JAHWEH, en uw gedachten zullen bevestigd worden. 4 JAHWEH heeft alles gewerkt voor Zichzelf; ja, ook de goddeloze tot de dag van het kwaad. 5 Al wie hoog is van hart, is JAHWEH een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn. 6 Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vrees voor JAHWEH wijkt men af van het kwade. 7 Als iemands wegen JAHWEH behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen. 8 Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid van de inkomsten zonder recht. 9 Het hart van de mensen overdenkt zijn weg; maar JAHWEH bestuurt zijn gang. 10 Waarzegging is op de lippen van de koning; zijn mond zal niet overtreden in het gericht. 11 Een rechte waag en weegschaal zijn van JAHWEH; alle weegstenen van de zak zijn Zijn werk. 12 Het is voor de koningen een gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd. 13 De lippen van de gerechtigheid zijn het welgevallen van de koningen; en elk van hen zal liefhebben die, die rechte dingen spreekt. 14 De woede van de koning is als de boden van de dood; maar een wijs man zal die verzoenen. 15 In het licht van het aangezicht van de koning is leven; en zijn welgevallen is als een wolk van de spade regen. 16 Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitmuntender, verstand te bekomen, dan zilver! 17 De baan van de oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart. 18 Trots is voor de verbreking, en hoogheid van de geest voor de val. 19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hoogmoedigen. 20 Die op het woord verstandig let, zal het goede vinden; en die op JAHWEH vertrouwt, is welgelukzalig. 21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid van de lippen zal de onderwijzing vermeerderen. 22 Het verstand van degenen, die het bezitten, is een springader van het leven; maar de tucht van de dwazen is dwaasheid. 23 Het hart van een wijze maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de onderwijzing vermeerderen. 24 Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente. 25 Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste daarvan zijn wegen van de dood. 26 De ziel van de arbeidzamen arbeidt voor zichzelf; want zijn mond buigt zich voor hem. 27 Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur. 28 Een verkeerd man zal twist inwerpen; en een oorblazer scheidt de voornaamste vriend. 29 Een man van het geweld verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is. 30 Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad. 31 De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op de weg van de gerechtigheid gevonden. 32 De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt. 33 Het lot wordt in de schoot geworpen; maar het hele beleid daarvan is van JAHWEH. ### Spreuken 17 1 Een droge korst, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist. 2 Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden van de broers zal hij erfenis delen. 3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar JAHWEH proeft de harten. 4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong. 5 Die de arme bespot, smaadt zijn Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn. 6 De kroon van de ouden zijn de kleinkinderen, en het sieraad van de kinderen zijn hun vaders. 7 Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip. 8 Het geschenk is in de ogen van zijn heren een aangenaam gesteente; waarheen het zich zal wenden, zal het wel strekken. 9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weer ophaalt, scheidt de voornaamste vriend. 10 De bestraffing gaat dieper in de verstandige, dan de zot honderdmaal te slaan. 11 Zeker, de opstandige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden. 12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet één zot in zijn dwaasheid. 13 Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken. 14 Het begin van de twist is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat de twist, voordat hij zich vermengt. 15 Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn JAHWEH een gruwel, ja, die beiden. 16 Waarom toch zou in de hand van de zot het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, omdat hij geen verstand heeft? 17 Een vriend heeft altijd lief; en een broer wordt in de benauwdheid geboren. 18 Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste. 19 Die de ruzie liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking. 20 Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen. 21 Wie een zot genereert, die zal hem tot verdriet zijn; en de vader van de dwazen zal zich niet verblijden. 22 Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen. 23 De goddeloze zal het geschenk uit de schoot nemen, om de paden van het recht te buigen. 24 In het aangezicht van de verstandigen is wijsheid; maar de ogen van de zot zijn in het einde van de aarde. 25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bitter verdriet voor degene, die hem gebaard heeft. 26 Het is niet goed, de rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om wat recht is. 27 Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest. 28 Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig. ### Spreuken 18 1 Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid. 2 De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt. 3 Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid. 4 De woorden van de mond van een man zijn diepe wateren; en de springader van de wijsheid is een uitstortende beek. 5 Het is niet goed, het aangezicht van de goddelozen aan te nemen, om de rechtvaardige in het gericht te buigen. 6 De lippen van de zot komen in twist, en zijn mond roept naar slagen. 7 De mond van de zot is hemzelf een verstoring, en zijn lippen een strik van zijn ziel. 8 De woorden van de oorblazer zijn als van degenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste van de buik. 9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broer van een doorbrenger. 10 De Naam van JAHWEH is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen, en in een Vesting gesteld worden. 11 Het goed van de rijke is de stad van zijn sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding. 12 Voor de verbreking zal het hart van de mens zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer. 13 Die antwoord geeft, voordat hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande. 14 De geest van een man zal zijn ziekte ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal die opheffen? 15 Het hart van de verstandigen bekomt wetenschap, en het oor van de wijzen zoekt wetenschap. 16 De gift van de mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht van de groten. 17 Die de eerste is in zijn rechtszaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem. 18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen. 19 Een broer is opstandiger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis. 20 Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst van zijn lippen. 21 Dood en leven zijn in het geweld van de tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten. 22 Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van JAHWEH. 23 De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen. 24 Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broer. ### Spreuken 19 1 De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is. 2 Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt. 3 De dwaasheid van de mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen JAHWEH vergrammen. 4 Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden. 5 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal niet ontkomen. 6 Velen smeken het aangezicht van de prinsen; en een ieder is een vriend van degene, die giften geeft. 7 Al de broers van de armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden, die niets zijn. 8 Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden. 9 Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugens blaast, zal vergaan. 10 De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten! 11 Het verstand van de mensen vertraagt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan. 12 De toorn van de koning is als het brullen van een jonge leeuw; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid. 13 Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen van een vrouw als een gestadig druipen. 14 Huis en goed is een erfenis van de vaders; maar een verstandige vrouw is van JAHWEH. 15 Luiheid doet in diepe slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren. 16 Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven. 17 Die zich over de armen ontfermt, leent aan JAHWEH, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden. 18 Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden. 19 Die groot is van woede, zal straf dragen; want zo u hem uitredt, zo zult u nog moeten voortvaren. 20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat u in uw laatste wijs bent. 21 In het hart van de man zijn veel gedachten; maar de raad van JAHWEH, die zal bestaan. 22 De wens van de mensen is zijn goedertierenheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man. 23 De vrees voor JAHWEH is ten leven; want men zal verzadigd zijnde overnachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden. 24 Een luiaard verbergt de hand in de boezem, en hij zal ze niet weer aan zijn mond brengen. 25 Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf de verstandige, hij zal wetenschap begrijpen. 26 Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet. 27 Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen van de wetenschap. 28 Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond van de goddelozen slokt de ongerechtigheid in. 29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor de rug van de zotten. ### Spreuken 20 1 De wijn is een spotter, de sterke drank is onstuimig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn. 2 De schrik van de koning is als het brullen van een jonge leeuw; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel. 3 Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen. 4 Om de winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in de oogst, maar er zal niet zijn. 5 De raad in het hart van een man is als diepe wateren; maar een man van verstand zal die uithalen. 6 Elk van de menigte van de mensen roept zijn goedertierenheid uit; maar wie zal een recht trouwe man vinden? 7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem. 8 Een koning, zittende op de troon van het gericht, verstrooit alle kwaad met zijn ogen. 9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? 10 Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is JAHWEH een gruwel, ja die beide. 11 Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen. 12 Een horend oor, en een ziend oog heeft JAHWEH gemaakt, ja, die beide. 13 Heb de slaap niet lief, opdat u niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood. 14 Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen. 15 Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen van de wetenschap zijn een kostelijk kleinood. 16 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden. 17 Het brood van de leugen is de mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden. 18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen. 19 Die als een roddelaar wandelt, openbaart het geheime; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt. 20 Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis. 21 Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden. 22 Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op JAHWEH, en Hij zal u verlossen. 23 Tweeërlei weegsteen is JAHWEH een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed. 24 De treden van de man zijn van JAHWEH; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan? 25 Het is een strik van de mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen. 26 Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen. 27 De ziel van de mensen is een lamp van JAHWEH, doorzoekende al de binnenkameren van de buik. 28 Weldadigheid en waarheid bewaren de koning; en door goedertierenheid ondersteunt hij zijn troon. 29 Het sieraad van de jongemannen is hun kracht, en de heerlijkheid van de ouden is de grijsheid. 30 Gezwellen van de wonde zijn in de boze een zuivering, en ook de slagen van het binnenste van de buik. ### Spreuken 21 1 Het hart van de koning is in de hand van JAHWEH als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil. 2 Alle weg van de mensen is recht in zijn ogen; maar JAHWEH weegt de harten. 3 Gerechtigheid en recht te doen is bij JAHWEH uitgelezener dan offer. 4 Hoogheid van de ogen, en trotsheid van het hart, en de ploeging van de goddelozen, zijn zonde. 5 De gedachten van de vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek. 6 Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene zinloosheid van degenen, die de dood zoeken. 7 De verwoesting van de goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen. 8 De weg van de mensen is geheel verkeerd en vreemd; maar het werk van de zuiveren is recht. 9 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. 10 De ziel van de goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen. 11 Als men de spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men de wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan. 12 De rechtvaardige let verstandig op het huis van de goddeloze, als God de goddelozen in het kwaad stort. 13 Die zijn oor stopt voor het geschrei van de armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden. 14 Een gift in het verborgene houdt de toorn onder, en een geschenk in de schoot de sterke woede. 15 Het is voor de rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers van de ongerechtigheid is het verschrikking. 16 Een mens, die van de weg van het verstand afdwaalt, zal in de gemeente van de doden rusten. 17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden. 18 De goddeloze is een losprijs voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten. 19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw. 20 In de woning van de wijze is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt dat. 21 Die rechtvaardigheid en goedertierenheid nastreeft, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden. 22 De wijze beklimt de stad van de geweldigen, en werpt de sterkte van hun vertrouwen neer. 23 Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden. 24 Die een hoogmoedig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hoogmoedige toorn te werk. 25 De begeerte van de luiaard zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken. 26 De hele dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden. 27 Het offer van de goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen! 28 Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning. 29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast. 30 Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen JAHWEH. 31 Het paard wordt bereid tegen de dag van de strijd; maar de overwinning is van JAHWEH. ### Spreuken 22 1 De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud. 2 Rijken en armen ontmoeten elkaar; JAHWEH heeft hen allen gemaakt. 3 Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de eenvoudigen gaan heen door, en worden gestraft. 4 Het loon van de nederigheid, met de vrees voor JAHWEH, is rijkdom, en eer, en leven. 5 Doornen en strikken zijn in de weg van de verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken. 6 Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis van zijn weg; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken. 7 De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is de knecht van de lener. 8 Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede van zijn toorn zal een einde nemen. 9 Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood de armen gegeven. 10 Drijf de spotter uit, en de ruzie zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden. 11 Die de reinheid van het hart liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning. 12 De ogen van JAHWEH bewaren de wetenschap; maar de zaken van de trouwelozen zal Hij omkeren. 13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden van de straten gedood worden! 14 De mond van de vreemde vrouwen is een diepe gracht; op wie JAHWEH vergramd is, zal daarin vallen. 15 De dwaasheid is in het hart van de jongen gebonden; de roede van de tucht zal ze verre van hem wegdoen. 16 Die de arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en de rijke geeft, komt zeker tot gebrek. 17 Neig uw oor, en hoor de woorden van de wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap; 18 Want het is liefelijk, als u die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden. 19 Opdat uw vertrouwen op JAHWEH zij, maak ik u die vandaag bekend; u ook maak ze bekend. 20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap? 21 Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen van de waarheid; opdat u de redenen van de waarheid antwoorden mag van hen, die u zenden. 22 Beroof de arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel de ellendige niet in de poort. 23 Want JAHWEH zal hun rechtszaak twisten, en Hij zal van hen, die hen beroven, de ziel roven. 24 Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man; 25 Opdat u zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt. 26 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn. 27 Zo u niet had om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen? 28 Zet de oude grenzen niet terug, die uw vaders gemaakt hebben. 29 Hebt u een man gezien, die bekwaam in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht van de koningen gesteld worden; voor het aangezicht van de ongeachte mensen zal hij niet gesteld worden. ### Spreuken 23 1 Als u aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult u scherp letten op degene, die voor uw aangezicht is. 2 En zet een mes aan uw keel, als u een gulzig mens bent; 3 Laat u niet gelusten van zijn smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood. 4 Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft. 5 Zult u uw ogen laten vliegen op wat niets is? Want het zal zich zeker vleugels maken gelijk een adelaar, die naar de hemel vliegt. 6 Eet het brood niet van degene, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen; 7 Want zoals hij bedacht heeft in zijn ziel, zo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u; 8 Uw hap, die u gegeten hebt, zou u uitspuwen; en u zou uw liefelijke woorden verderven. 9 Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand van uw woorden verachten. 10 Zet de oude grenzen niet terug; en kom op de akkers van de wezen niet; 11 Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun rechtszaak tegen u twisten. 12 Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen van de wetenschap. 13 Weer de tucht van de jongen niet; als u hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven. 14 U zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van het dodenrijk redden. 15 Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blij zijn, ja, ik. 16 En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen eerlijke dingen spreken zullen. 17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar wees altijd in de vrees voor JAHWEH. 18 Want zeker, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden. 19 Hoor u, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op de weg. 20 Wees niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters; 21 Want een dronkaard en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde kleren dragen. 22 Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is. 23 Koop de waarheid, en verkoop ze niet, en ook wijsheid, en tucht, en verstand. 24 De vader van de rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijze zoon gewint, zal zich over hem verblijden. 25 Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft. 26 Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren. 27 Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een nauwe put. 28 Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen. 29 Bij wie is wee? bij wie och arme? bij wie ruzie? bij wie het beklag? bij wie wonden zonder oorzaak? bij wie de roodheid van de ogen? 30 Bij degenen, die bij de wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken. 31 Zie de wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in de beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat; 32 In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder. 33 Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken. 34 En u zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het bovenste van de mast slaapt. 35 Men heeft mij geslagen, zult u zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken! ### Spreuken 24 1 Wees niet nijdig over de slechte mensen, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn. 2 Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite. 3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd; 4 En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed. 5 Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast. 6 Want door wijze raadslagen zult u voor u de oorlog voeren, en in de veelheid van de raadgevers is de overwinning. 7 Alle wijsheid is voor de dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen. 8 Die denkt om kwaad te doen, die zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen. 9 De gedachte van de dwaasheid is zonde; en een spotter is de mens een gruwel. 10 Vertoon u zich slap op de dag van de benauwdheid, uw kracht is nauw. 11 Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo u zich onthoudt. 12 Wanneer u zegt: Zie, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal de mens vergelden naar zijn werk. 13 Eet honing, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte. 14 Zo is de kennis van de wijsheid voor uw ziel; als u ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden. 15 Loer niet, o goddeloze! op de woning van de rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet. 16 Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad neerstruikelen. 17 Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij neerstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen; 18 Opdat JAHWEH niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere. 19 Ontsteek u niet over de boosdoeners; wees niet nijdig over de goddelozen. 20 Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp van de goddelozen zal uitgeblust worden. 21 Mijn zoon! vrees JAHWEH en de koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan; 22 Want hun verderf zal haastig ontstaan; en wie weet hun beider ondergang? 23 Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed. 24 Die tot de goddeloze zegt: U bent rechtvaardig; die zullen de volken vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn. 25 Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen van het goed zal op hen komen. 26 Men zal de lippen kussen van degene, die rechte woorden antwoordt. 27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op de akker, en bouw daarna uw huis. 28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zou u verleiden met uw lip? 29 Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk. 30 Ik ging voorbij de akker van een luiaard, en voorbij de wijngaard van een verstandeloos mens; 31 En ziet, hij was geheel opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken. 32 Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan; 33 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al neerliggende; 34 Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw allerlei gebrek als een gewapend man. ### Spreuken 25 1 Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, uitgeschreven hebben. 2 Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer van de koningen een zaak te doorgronden. 3 Aan de hoogte van de hemel, en aan de diepte van de aarde, en aan het hart van de koningen is geen doorgronding. 4 Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een voorwerp voor de smelter uitkomen; 5 Doe de goddelozen weg van het aangezicht van de koning, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden. 6 Praal niet voor het aangezicht van de koning, en sta niet in de plaats van de groten; 7 Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht van een prins, die uw ogen gezien hebben. 8 Vaar niet haastig voort om te twisten, opdat u misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben. 9 Twist uw rechtszaak met uw naaste; maar openbaar het geheime van een ander niet; 10 Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden. 11 Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud. 13 Een trouw gezant is voor hen, die hem zenden, als de koude van de sneeuw op de dag van de oogst; want hij verfrist de ziel van zijn heer. 14 Een man, die zichzelf beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is. 15 Een overste wordt door geduld overreed; en een zachte tong breekt het gebeente. 16 Heb u honing gevonden, eet dat u genoeg is; opdat u misschien daarvan niet verzadigd wordt, en die uitspuwt. 17 Spaar uw voet van het huis van uw naaste, opdat hij niet verzadigd van u wordt, en u hate. 18 Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl. 19 Het vertrouwen op een trouweloze, op de dag van de benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet. 20 Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt op de dag van de koude, en als azijn op salpeter. 21 Als degene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken; 22 Want u zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en JAHWEH zal het u vergelden. 23 De noordenwind verdrijft de regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong. 24 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap. 25 Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel. 26 De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht van de goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader. 27 Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer. 28 Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur. ### Spreuken 26 1 Zoals de sneeuw in de zomer, en gelijk de regen in de oogst, zo past de zot de eer niet. 2 Gelijk de mus is tot wegzweven, zoals een zwaluw tot vervliegen, zo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen. 3 Een zweep is voor het paard, een toom voor de ezel, en een roede voor de rug van de zotten. 4 Antwoord de zot naar zijn dwaasheid niet, opdat u ook hem niet gelijk wordt. 5 Antwoord de zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij. 6 Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot. 7 Hef de benen van de kreupele op; zo is een spreuk in de mond van de zotten. 8 Gelijk hij, die een edelgesteente in een slinger bindt, zo is hij, die de zot eer geeft. 9 Gelijk een doorn gaat in de hand van een dronkaard, zo is een spreuk in de mond van de zotten. 10 De groten doen ieder verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders. 11 Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel terugkeert, zo herneemt de zot zijn dwaasheid. 12 Hebt u een man gezien, die wijs in zijn ogen is? Van een zot is meer verwachting dan van hem. 13 De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op de weg, een leeuw is op de straten. 14 Een deur keert om op haar herre, zo de luiaard op zijn bed. 15 De luiaard verbergt zijn hand in de boezem, hij is te moe, om die weer tot zijn mond te brengen. 16 De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden. 17 De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet betreft, is gelijk die een hond bij de oren grijpt. 18 Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt; 19 Zo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mee? 20 Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt de ruzie gestild. 21 De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; zo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken. 22 De woorden van de oorblazer zijn als van degenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste van de buik. 23 Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen. 24 Die haat draagt, houdt zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan. 25 Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelijke dingen zijn in zijn hart. 26 Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden. 27 Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij terugkeren. 28 Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting. ### Spreuken 27 1 Beroem u niet over de dag van morgen; want u weet niet, wat de dag zal baren. 2 Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen. 3 Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de boosheid van de dwazen is zwaarder dan die beide. 4 Woede en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor afgunst bestaan? 5 Openbare bestraffing is beter dan verborgen liefde. 6 De wonden van de liefhebber zijn getrouw; maar de kussingen van de hater zijn af te bidden. 7 Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. 8 Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, zo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. 9 Olie en reukwerk verblijdt het hart; zo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege de raad van de ziel. 10 Verlaat uw vriend, noch de vriend van uw vader niet; en ga in het huis van uw broer niet op de dag van uw tegenslag. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broer, die verre is. 11 Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb. 12 De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de eenvoudigen gaan heen door, en worden gestraft. 13 Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw. 14 Die zijn vriend zegent met luide stem, zich 's morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden. 15 Een voortdurende druiping op de dag van de slagregen en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk. 16 Elk, die haar verbergt, zou de wind verbergen, en de olie van zijn rechterhand, die roept. 17 IJzer scherpt men met ijzer; zo scherpt een man het aangezicht van zijn naaste. 18 Die de vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geëerd worden. 19 Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, zo is het hart van de mens tegen de mens. 20 Het dodenrijk en het verderf worden niet verzadigd; zo worden de ogen van de mensen niet verzadigd. 21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; zo is een man naar zijn lof te proeven. 22 Al stootte u de dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken. 23 Wees ijverig, om het aangezicht van uw schapen te kennen; zet uw hart op de kudden. 24 Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? 25 Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden van de bergen verzameld worden. 26 De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs van het veld. 27 Daartoe zult u genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw voedsel, tot voedsel van uw huis, en leeftocht van uw maagden. ### Spreuken 28 1 De goddelozen vluchten, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw. 2 Om de overtreding van het land zijn de vorsten daarvan vele; maar om verstandige en wetende mensen zal ook verlenging wezen. 3 Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij. 4 Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen. 5 De kwade mensen verstaan het recht niet; maar die JAHWEH zoeken, verstaan alles. 6 De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk. 7 Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die metgezel van de vraten is, beschaamt zijn vader. 8 Die zijn goed vermeerdert met rente en met overwinst, verzamelt dat voor degene, die zich over de armen ontfermt. 9 Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn. 10 Die de oprechten doet dwalen op een kwade weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beërven. 11 Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem. 12 Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht. 13 Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen. 14 Welgelukzalig is de mens, die steeds vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen. 15 De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weer loopt. 16 Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen. 17 Een mens, gedrukt om het bloed van een ziel, zal naar de kuil toevlieden; men ondersteune hem niet! 18 Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerd gedraagt in twee wegen, zal in de ene vallen. 19 Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden. 20 Een geheel getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen. 21 De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden. 22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal. 23 Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit. 24 Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is een gezel van de verdervende man. 25 Die grootmoedig is, verwekt ruzie; maar die op JAHWEH vertrouwt, zal vet worden. 26 Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen. 27 Die de armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden. 28 Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen. ### Spreuken 29 1 Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal plotseling verbroken worden, zodat er geen genezen aan is. 2 Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk. 3 Een man, die van de wijsheid houdt, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel van de hoeren is, brengt het goed door. 4 Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort het. 5 Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor diens gangen. 6 In de overtreding van een slechte man is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blij. 7 De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak van de armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet. 8 Spotdrijvende mensen blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren de toorn af. 9 Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust. 10 Bloedgierige mensen haten de vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel. 11 Een zot laat zijn hele geest uit, maar de wijze wederhoudt die achteruit. 12 Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaren zijn goddeloos. 13 De arme en de bedrieger ontmoeten elkaar; JAHWEH verlicht hun beider ogen. 14 Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden. 15 De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder. 16 Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien. 17 Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven. 18 Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. 19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, toch zal hij niet antwoorden. 20 Hebt u een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem. 21 Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn. 22 Een boos man verwekt ruzie; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding. 23 De hoogmoed van de mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden. 24 Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen. 25 De siddering van de mensen legt een strik; maar die op JAHWEH vertrouwt, zal in een vesting gesteld worden. 26 Velen zoeken het aangezicht van de heerser; maar een ieders recht is van JAHWEH. 27 Een ongerechtig man is de rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is de goddeloze een gruwel. ### Spreuken 30 1 De woorden van Agur, de zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal. 2 Werkelijk, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand; 3 En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap van de heiligen gekend. 4 Wie is ten hemel opgeklommen, en neergedaald? Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden van de aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam van Zijn Zoon, zo u het weet? 5 Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild van hen, die op Hem betrouwen. 6 Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en u leugenachtig bevonden wordt. 7 Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, voordat ik sterf; 8 Zinloosheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood dat mij toekomt; 9 Opdat ik, verzadigd zijnde, U dan niet verloochene, en zeg: Wie is JAHWEH? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en de Naam van mijn God aantaste. 10 Achterklap niet van de knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en u schuldig wordt. 11 Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent; 12 Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn mest niet gewassen is; 13 Een geslacht, van wie de ogen hoog zijn, en van wie de oogleden verheven zijn; 14 Een geslacht, van wie de tanden zwaarden, en van wie de baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de armen van onder de mensen te verteren. 15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg! 16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg! 17 Het oog, dat de vader bespot, of de gehoorzaamheid van de moeder veracht, dat zullen de raven van de beek uitpikken, en de jongen van de arend zullen het eten. 18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet: 19 De weg van een arend in de hemel; de weg van een slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart van de zee; en de weg van een man bij een maagd. 20 Zo is de weg van een overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewerkt! 21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan: 22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is; 23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw. 24 Deze vier zijn van de kleinste van de aarde; maar zij zijn wijs, met wijsheid wel voorzien. 25 De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar voedsel. 26 De konijnen zijn een machteloos volk; toch stellen zij hun huis in de rotssteen. 27 De sprinkhanen hebben geen koning; toch gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen. 28 De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen van de koningen. 29 Deze drie maken een goede tred; ja, vier zijn er, die een goede gang maken; 30 De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal terugkeren; 31 Een windhond van goed middel, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is. 32 Zo u dwaas gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo u kwaad bedacht hebt, de hand op de mond! 33 Want de drukking van de melk brengt boter voort, en de drukking van de neus brengt bloed voort, en de drukking van de toorn brengt twist voort. ### Spreuken 31 1 De woorden van de koning Lemuël; de last, waarmee zijn moeder hem onderwees. 2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon van mijn buik? ja, wat, o zoon van mijn geloften? 3 Geef aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te vernietigen. 4 Het komt de koningen niet toe, o Lemuël! het komt de koningen niet toe wijn te drinken, en de prinsen, sterke drank te begeren; 5 Opdat hij niet drinke, en het vastgestelde vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere. 6 Geef sterke drank aan degene die verloren gaat, en wijn aan hen, die bitter bedroefd van ziel zijn; 7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en van zijn moeite niet meer gedenke. 8 Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden. 9 Open uw mond; oordeel rechtvaardig, en doe de verdrukte en arme recht. 10 א Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waarde is ver boven de robijnen. 11 ב Beth. Het hart van haar heer vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken. 12 ג Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen van haar leven. 13 ד Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust haar handen. 14 ה He. Zij is als de schepen van een koopman; zij doet haar brood van verre komen. 15 ו Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis voedsel, en haar dienaressen het bescheiden deel. 16 ז Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard. 17 ח Cheth. Zij gordt haar middel met kracht, en zij versterkt haar armen. 18 ט Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat in de nacht niet uit. 19 י Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten de spinrok. 20 כ Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot de ellendige; en zij steekt haar handen uit tot de arme. 21 ל Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar hele huis is met dubbele kleren gekleed. 22 מ Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper. 23 נ Nun. Haar man is bekend bij de poorten, als hij daar zit met de oudsten van het land. 24 ס Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert de koopman gordelen. 25 ע Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over de nakomende dag. 26 פ Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer van de goeddadigheid. 27 צ Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood van de luiheid eet zij niet. 28 ק Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende: 29 ר Resch. Vele dochters hebben deugdelijk gehandeld; maar u gaat die allen te boven. 30 ש Schin. De aantrekkingskracht is bedrog, en de schoonheid zinloosheid; maar een vrouw, die JAHWEH vreest, die zal geprezen worden. 31 ת Thau. Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten. ## Prediker ### Prediker 1 1 De woorden van de prediker, de zoon van David, de koning te Jeruzalem. 2 Zinloosheid van de zinloosheden, zegt de prediker; zinloosheid van de zinloosheden, het is al zinloosheid. 3 Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, die hij arbeidt onder de zon? 4 Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in de eeuwigheid. 5 Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees. 6 Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weer tot zijn omgangen. 7 Al de beken gaan in de zee, toch wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, daarheen gaande keren zij weer. 8 Al deze dingen worden zo moe, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen. 9 Wat er geweest is, hetzelfde zal er zijn, en wat er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon. 10 Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw? Het is al geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn. 11 Er is geen herinnering van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, daarvan zal ook geen herinnering zijn bij degenen, die later wezen zullen. 12 Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem. 13 En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er gebeurt onder de hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God de kinderen van de mensen gegeven, om zich daarmee bezig te houden. 14 Ik zag al de werken aan, die onder de zon gebeuren; en ziet, het was al zinloosheid en kwelling van de geest. 15 Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en wat ontbreekt, kan niet geteld worden. 16 Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien. 17 En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling van de geest is. 18 Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart. ### Prediker 2 1 Ik zei in mijn hart: Nu, nu dan, ik zal u beproeven door vreugde; daarom zie het goede aan; maar zie, ook dat was zinloosheid. 2 Tot het lachen zei ik: U bent onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze? 3 Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in de wijn, (toch leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat de kinderen van de mensen het best was, dat zij doen zouden onder de hemel, gedurende het getal van de dagen van hun leven. 4 Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden. 5 Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen daarin, van allerlei vrucht. 6 Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmee te bewateren het woud, dat met bomen groende. 7 Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen van het huis; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren. 8 Ik verzamelde mij ook zilver en goud, en kleinoden van de koningen en van de gewesten; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden van de mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel. 9 En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij. 10 En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik weerhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid. 11 Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot de arbeid, die ik werkende gewerkt had; zie, het was al zinloosheid en kwelling van de geest, en daarin was geen voordeel onder de zon. 12 Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die de koning nakomen zal, doen wat al gedaan is? 13 Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, zoals het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis. 14 De ogen van de wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat dezelfde geval hun allen bejegent. 15 Daarom zei ik in mijn hart: Zoals het de dwaze bejegent, zal het ook mijzelf bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelfde zinloosheid was. 16 Want er zal in eeuwigheid niet meer herinnering van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien wat nu is, in de toekomende dagen allemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met de zot? 17 Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon gebeurt; want het is al zinloosheid en kwelling van de geest. 18 Ik haatte ook al mijn arbeid, die ik bearbeid had onder de zon, dat ik die zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal. 19 Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, die ik bearbeid heb en die ik wijs beleid heb onder de zon. Dat is ook zinloosheid. 20 Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al de arbeid, die ik bearbeid heb onder de zon. 21 Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschiktheid is; toch zal hij die overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gewerkt heeft. Dit is ook zinloosheid en een groot kwaad. 22 Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen van zijn hart, die hij is bearbeidende onder de zon? 23 Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs in de nacht rust zijn hart niet. Dat is ook zinloosheid. 24 Is het dan niet goed voor de mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat dat van de hand van God is. 25 (Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?) 26 Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde de mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar de zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te verzamelen, opdat Hij het geve die, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook zinloosheid en kwelling van de geest. ### Prediker 3 1 Alles heeft een bestemde tijd, en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. 2 Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te rukken. 3 Een tijd om te doden en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen. 4 Een tijd om te huilen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen; 5 Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te verzamelen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen; 6 Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen; 7 Een tijd om te scheuren en een tijd om te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. 8 Een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten; een tijd van oorlog en een tijd van vrede. 9 Wat voordeel heeft hij, die werkt, van wat hij bearbeidt? 10 Ik heb gezien de bezigheid, die God de kinderen van de mensen gegeven heeft, om zichzelf daarmee bezig te houden. 11 Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe. 12 Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor hen is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven. 13 Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave van God. 14 Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in de eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht. 15 Wat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is al geweest; en God zoekt het weggedrevene; 16 Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse van het gericht, daar was goddeloosheid; en ter plaatse van de gerechtigheid, daar was goddeloosheid. 17 Ik zei in mijn hart: God zal de rechtvaardige en de goddeloze oordelen; want daar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk. 18 Ik zei in mijn hart van de gelegenheid van de mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelf. 19 Want wat de kinderen van de mensen overkomt, dat overkomt ook de beesten; en dezelfde overkomt hun beiden; gelijk die sterft, zo sterft deze, en zij allen hebben dezelfde adem, en de uitnemendheid van de mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij zinloosheid. 20 Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weer tot het stof. 21 Wie merkt, dat de adem van de kinderen van de mensen opvaart naar boven, en de adem van de beesten naar beneden vaart in de aarde? 22 Daarom heb ik gezien, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarheen brengen, dat hij ziet, wat na hem gebeuren zal? ### Prediker 4 1 Daarna wendde ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon gebeuren; en ziet, er waren de tranen van de verdrukten, en van degenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde van hun verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster. 2 Daarom prees ik de doden, die al gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon gebeurt. 4 Verder zag ik al de arbeid en alle geschikkelijkheid van het werk, dat het de mens afgunst van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest. 5 De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees. 6 Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling van de geest. 7 Ik wendde mij opnieuw, en ik zag een zinloosheid onder de zon; 8 Daar is er één, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broer; toch is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van de rijkdom, en zegt niet: Voor wie arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook zinloosheid, en het is een moeilijke bezigheid. 9 Twee zijn beter dan één; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid; 10 Want als zij vallen, de één richt zijn metgezel op; maar wee de ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen. 11 Ook, als twee samen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou één alleen warm worden? 12 En als iemand de één mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. 13 Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden. 14 Want één komt uit de gevangenis, om koning te zijn; daar ook één, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt. 15 Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met de jongeman, de tweede, die in diens plaats staan zal. 16 Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; zeker, dat is ook zinloosheid en kwelling van de geest. 17 Bewaar uw voet, als u tot het huis van God ingaat, en wees liever nabij om te horen, dan om van de zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. ### Prediker 5 1 Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet één woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in de hemel, en u bent op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn. 2 Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, zo de stem van de zot door de veelheid van de woorden. 3 Wanneer u een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet daaruit te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat u zult beloofd hebben, betaal het. 4 Het is beter, dat u niet belooft, dan dat u belooft en niet betaalt. 5 Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht van de engel, dat het een dwaling was; waarom zou God enorm toornen, omwille van uw stem, en verderven het werk van uw handen? 6 Want gelijk in de veelheid van de dromen zinloosheden zijn, zo in veel woorden; maar vrees u God! 7 Als u de onderdrukking van de armen, en de beroving van het gericht en van de gerechtigheid ziet in een gewest, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven hen. 8 Het voordeel van de aarde is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend. 9 Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet verzadigd; en wie de overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet verzadigd. Dit is ook zinloosheid. 10 Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nut hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht van hun ogen? 11 De slaap van de arbeider is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid van de rijken laat hem niet slapen. 12 Er is een kwaad, dat ziekte aanbrengt, dat ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad. 13 Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand. 14 Zoals hij voortgekomen is uit zijn moeders buik, zo zal hij naakt terugkeren, gaande zoals hij gekomen was; en hij zal niet meenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen. 15 Daarom is dit ook een kwaad, dat ziekte aanbrengt; dat hij in alle manier, zoals hij gekomen is, zo heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in de wind gewerkt heeft? 16 Dat hij ook al zijn dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriet gehad heeft, ook zijn ziekte en hevige toorn? 17 Zie, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal van de dagen van zijn leven, dat God hem geeft; want dat is zijn deel. 18 Ook ieder mens, aan wie God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, dat is een gave van God. 19 Want hij zal niet veel gedenken aan de dagen van zijn leven, omdat hem God verhoort in de blijdschap van zijn hart. ### Prediker 6 1 Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen: 2 Een man, die God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook zinloosheid en een kwade smart. 3 Als een man honderd kinderen verwekte, en vele jaren leefde, zodat de dagen van zijn jaren veel waren, maar zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij. 4 Want met zinloosheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt. 5 Ook heeft zij de zon niet gezien, noch bekend; zij heeft meer rust, dan hij. 6 Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar één plaats? 7 Al de arbeid van de mensen is voor zijn mond; en toch wordt de begeerlijkheid niet vervuld. 8 Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen? 9 Beter is het aanzien van de ogen, dan het wandelen van de begeerlijkheid. Dit is ook zinloosheid en kwelling van de geest. 10 Wat ook iemand zij, al is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechten met die, die sterker is dan hij. 11 Werkelijk, er zijn veel dingen, die de zinloosheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan? 12 Want wie weet, wat goed is voor de mens in dit leven, gedurende het getal van de dagen van het leven van zijn zinloosheid, die hij doorbrengt als een schaduw? Want wie kan de mens aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon? ### Prediker 7 1 Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag van de dood, dan de dag, dat iemand geboren wordt. 2 Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis van de maaltijd; want in hetzelfde is het einde van alle mensen, en de levende legt het in zijn hart. 3 Het treuren is beter dan het lachen; want door het verdriet van het aangezicht wordt het hart gebeterd. 4 Het hart van de wijzen is in het klaaghuis; maar het hart van de zotten in het huis van de vreugde. 5 Het is beter te horen het bestraffen van de wijzen, dan dat iemand hore het gezang van de dwazen. 6 Want gelijk het geluid van de doornen onder een pot is, zo is het lachen van een zot. Dit is ook zinloosheid. 7 Werkelijk, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart. 8 Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige. 9 Wees niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in de boezem van de dwazen. 10 Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want u zou naar dat niet uit wijsheid vragen. 11 De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan. 12 Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid van de wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft. 13 Beschouw het werk van God; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft? 14 Geniet het goede op de dag van de voorspoed, maar op de dag van de tegenspoed, zie toe; want God maakt ook de één tegenover de ander, omdat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn. 15 Dit alles heb ik gezien in de dagen van mijn zinloosheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt. 16 Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelf al te wijs; waarom zou u verwoesting over u brengen? 17 Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zou u sterven buiten uw tijd? 18 Het is goed, dat u daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, die ontgaat dat al. 19 De wijsheid versterkt de wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn. 20 Werkelijk, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. 21 Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat u niet hoort, dat uw knecht u vloekt. 22 Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat u ook anderen gevloekt hebt. 23 Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zei: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij. 24 Wat verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden? 25 Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid van de zotheid, en de dwaasheid van de onzinnigheden. 26 En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, van wie het hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden. 27 Zie, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden; 28 Die mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: één man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden. 29 Alleen zie, dit heb ik gevonden, dat God de mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben allerlei kwade plannen bedacht. ### Prediker 8 1 Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging van de dingen? De wijsheid van de mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid van zijn aangezicht wordt daardoor veranderd. 2 Ik zeg: Neem acht op het bevel van de koning, vanwege de eed aan God. 3 Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij. 4 Waar het woord van de koning is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet u? 5 Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads bemerken; en het hart van een wijze zal tijd en wijze weten. 6 Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, omdat het kwaad van de mensen veel is over hem. 7 Want hij weet niet, wat er gebeuren zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het gebeuren zal? 8 Er is geen mens, die heerschappij heeft over de geest, om de geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over de dag van de dood; ook geen geweer in deze strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen. 9 Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon gebeurt: er is een tijd, dat de ene mens over de andere mens heerst, hem ten kwade. 10 Zo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats van de Heilige gingen, die werden vergeten in die stad, waarin zij recht gedaan hadden. Dit is ook zinloosheid. 11 Omdat niet haastig het oordeel over de boze daad gebeurt, daarom is het hart van de kinderen van de mensen in hen vol om kwaad te doen. 12 Hoewel een zondaar honderd keer kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het die zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. 13 Maar de goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest. 14 Er is nog een zinloosheid, die op aarde gebeurt: dat er zijn rechtvaardigen, die het overkomt naar het werk van de goddelozen, en er zijn goddelozen, die het overkomt naar het werk van de rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook zinloosheid is. 15 Daarom prees ik de blijdschap, omdat de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blij te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen van zijn leven, die hem God geeft onder de zon. 16 Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde gebeurt, dat men ook, overdag of in de nacht, de slaap niet ziet met zijne ogen; 17 Toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon gebeurt, om dat een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, als ook een wijze zei, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden. ### Prediker 9 1 Zeker, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles duidelijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand van God zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al wat voor zijn aangezicht is. 2 Alle ding overkomt hun, gelijk aan alle anderen; dezelfde overkomt de rechtvaardige en de goddeloze, de goede en de reine, als de onreine; zo die, die offert, als die, die niet offert; zoals de goede, zo ook de zondaar, die, die zweert, gelijk die, die de eed vreest. 3 Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon gebeurt, dat dezelfde ding allen overkomt, en dat ook het hart van de mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe. 4 Want voor degene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond is beter dan een dode leeuw. 5 Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun herinnering is vergeten. 6 Ook is al hun liefde, ook hun haat, ook hun afgunst vergaan; en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon gebeurt. 7 Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn met een vrolijk hart; want God heeft al een behagen aan uw werken. 8 Laat uw kleren altijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken. 9 Geniet het leven met de vrouw, die u liefhebt, al de dagen van uw ijdele leven, die God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, die u arbeidt onder de zon. 10 Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar u heengaat. 11 Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden, noch ook het voedsel van de wijzen, noch ook de rijkdom van de verstandigen, noch ook de gunst van de welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle deze overkomt; 12 Ook weet de mens zijn tijd niet. Zoals de vissen die in een schadelijk net gevangen worden, en zoals de vogels die met de strik gevangen worden, zo worden de kinderen van de mensen in een kwade tijd verstrikt, wanneer die hen plotseling overvalt. 13 Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij; 14 Er was een kleine stad, en weinig mensen waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote belegeringswerken tegen haar. 15 En men vond daar een arme wijze man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht dezelfde arme man. 16 Toen zei ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid van de arme veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest. 17 De woorden van de wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep van degene, die over de zotten heerst. 18 De wijsheid is beter dan de oorlogswapenen, maar één enig zondaar verderft veel goede dingen. ### Prediker 10 1 Een dode vlieg doet de zalf van de apotheker stinken en opwellen; zo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer. 2 Het hart van de wijzen is tot zijn rechterhand, maar het hart van een zot is tot zijn linkerhand. 3 En ook wanneer de dwaas op de weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot ieder, dat hij dwaas is. 4 Als de geest van de heerser tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden. 5 Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht van de oversten voortkomt. 6 Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte. 7 Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde. 8 Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten. 9 Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn. 10 Als hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken. 11 Als de slang gebeten heeft, voordat de bezwering gebeurd is, dan is er geen nut voor de allerwelsprekendste bezweerder. 12 De woorden van een wijze mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelf. 13 Het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid, en het einde van zijn mond is boze dolligheid. 14 De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat gebeuren zal; en wat na hem gebeuren zal, wie zal het hem te kennen geven? 15 De arbeid van de zotten maakt ieder van hen moe; omdat zij niet weten naar de stad te gaan. 16 Wee u, land! waarvan de koning een kind is, en waarvan de vorsten 's morgens eten! 17 Welgelukzalig bent u, land! waarvan de koning een zoon van de edelen is, en waarvan de vorsten op de juiste tijd eten, om zich te versterken en niet om zich te bedrinken. 18 Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid van de handen wordt het huis lek. 19 Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles. 20 Vloek de koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek de rijke niet in het binnenste van uw slaapkamer; want het gevogelte van de hemel zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven. ### Prediker 11 1 Werp uw brood uit op het water, want u zult het vinden na vele dagen. 2 Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want u weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal. 3 Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen. 4 Wie op de wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. 5 Zoals u niet weet, welke de weg van de wind zij, of hoe de beenderen zijn in de buik van een zwangere vrouw, zo weet u het werk van God niet, Die het alles maakt. 6 Zaai uw zaad in de morgenstond, en trek uw hand 's avonds niet af; want u weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide samen goed zijn zullen. 7 Verder, het licht is zoet, en het is de ogen goed de zon te aanschouwen; 8 Maar als de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen van de duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat gekomen is, is zinloosheid. 9 Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen van uw jeugd, en wandel in de wegen van uw hart, en in de aanschouwingen van uw ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. 10 Zo doe dan de boosheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jeugd is zinloosheid. ### Prediker 12 1 En gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jeugd, voordat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, waarvan u zeggen zult: Ik heb geen lust daarin. 2 Voordat de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken terugkomen na de regen. 3 In de dag, wanneer de wachters van het huis zullen beven, en de sterke mannen zichzelf zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensters zien, verduisterd zullen worden; 4 En de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid van de maling, en hij opstaat op de stem van het vogeltje, en al de zangeressen neergebogen zullen worden. 5 Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op de weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelf een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan. 6 Voordat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan de waterput in stukken gestoten wordt; 7 En dat het stof opnieuw tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weer tot God keert, Die hem gegeven heeft. 8 Zinloosheid van de zinloosheden, zegt de prediker; het is al zinloosheid! 9 En verder, omdat de prediker wijs geweest is, zo leerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op, en onderzocht; hij stelde vele spreuken in orde. 10 De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden van de waarheid. 11 De woorden van de wijzen zijn als prikkels en als spijkers, diep ingeslagen door de meesters van de verzamelingen; zij zijn gegeven door de enige Herder. 12 En wat daarboven is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; aan het maken van veel boeken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing van het vlees. 13 Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit past allen mensen. 14 Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad. ## Hooglied ### Hooglied 1 1 Het Hooglied, dat van Salomo is. 2 Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. 3 Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. 4 Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn; de oprechten hebben U lief. 5 Ik ben zwart, maar liefelijk (u dochters van Jeruzalem!), zoals de tenten van Kedar, zoals de gordijnen van Salomo. 6 Zie mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen van mijn moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin van de wijngaarden. Mijn wijngaard, die ik heb, heb ik niet gehoed. 7 Zeg mij aan, U, Die mijn ziel liefheeft, waar U weidt, waar U de kudde legert in de middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen? 8 Als u het niet weet, o u schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen van de schapen, en weid uw geiten bij de woningen van de herders. 9 Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao. 10 Uw wangen zijn liefelijk tussen de kettinkjes, uw hals in de parelsnoeren. 11 Wij zullen u gouden kettinkjes maken, met zilveren stipjes. 12 Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk. 13 Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten overnacht. 14 Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi. 15 Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! Zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen. 16 Zie, u bent schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. 17 De balken van onze huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen. ### Hooglied 2 1 Ik ben een Roos van Saron, een Lelie van de dalen. 2 Gelijk een lelie onder de doornen, zo is Mijn vriendin onder de dochters. 3 Als een appelboom onder de bomen van het woud, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. 4 Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij. 5 Ondersteun u mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben ziek van liefde. 6 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. 7 Ik bezweer u, u, dochters van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden van het veld bent, dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar luste! 8 Dat is de stem van mijn Liefste, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! 9 Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp van de herten; zie, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de tralies. 10 Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom! 11 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; 12 De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd nadert, en de stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land. 13 De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! 14 Mijn duif, zijnde in de kloven van de steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk. 15 Vang u ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes. 16 Mijn Liefste is van mij, en ik ben van Hem, Die weidt onder de leliën, 17 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten; keer om, mijn Liefste! wordt U gelijk een ree, of een welp van de herten, op de bergen van Bether. ### Hooglied 3 1 Ik zocht in de nacht op mijn bed Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zei: 2 Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Die mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet. 3 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zei: Hebt u Die gezien, Die mijn ziel liefheeft? 4 Toen ik een klein eindje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Die mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, voordat ik Hem in het huis van mijn moeder gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. 5 Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! die bij de reeën of bij de hinden van het veld bent, dat u de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar luste! 6 Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder van de kruidenier? 7 Zie, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël; 8 Die allemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege de schrik in de nacht. 9 De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon. 10 De pilaren daarvan maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochters van Jeruzalem. 11 Ga uit, en aanschouwt, u, dochters van Sion! de koning Salomo, met de kroon, waarmee Hem Zijn moeder kroonde op de dag van Zijn bruiloft, en op de dag van de vreugde van Zijn hart. ### Hooglied 4 1 Zie, u bent schoon, Mijn vriendin! zie, u bent schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van de berg Gileads afscheren. 2 Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al samen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos. 3 Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap van uw hoofd is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. 4 Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend grote schilden aan hangen, allemaal zijnde schilden van de helden. 5 Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. 6 Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vluchten, zal Ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel. 7 Geheel bent u schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. 8 Bij Mij van de Libanon af, o bruid! kom bij Mij van de Libanon af; zie van de top van Amana, van de top van Senir en van Hermon, van de woningen van de leeuwinnen, van de bergen van de luipaarden. 9 U hebt Mij het hart genomen, Mijn zus, o bruid! u hebt Mij het hart genomen, met één van uw ogen, met één keten van uw hals. 10 Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zus, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk van uw oliën dan alle specerijen! 11 Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honing en melk is onder uw tong, en de reuk van uw kleren is als de reuk van Libanon. 12 Mijn zus, o bruid! u bent een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. 13 Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappels, met edele vruchten, cyprus met nardus; 14 Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, en ook alle voornaamste specerijen. 15 O fontein van de hoven, put van de levende wateren, die uit Libanon vloeien! 16 Ontwaak, noordenwind! en kom, U zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! ### Hooglied 5 1 Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zus, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honing gegeten; Ik heb Mijn wijn, en ook Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drink, en wordt dronken, o liefsten! 2 Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem van mijn Liefste, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zus, Mijn vriendin, Mijn duif, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. 3 Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weer aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weer bezoedelen? 4 Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat van de deur; en mijn binnenste werd ontroerd om Zijnentwil. 5 Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten van het slot. 6 Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, maar Hij antwoordde mij niet. 7 De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij. 8 Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! als u mijn Liefste vindt, wat zult u Hem aanzeggen? Dat ik ziek ben van liefde. 9 Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o u schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat u ons zo bezworen hebt! 10 Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend. 11 Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. 12 Zijn ogen zijn als van de duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes van de ringen. 13 Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als geurende torentjes; Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre. 14 Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren. 15 Zijn benen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen. 16 Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is geheel begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, u dochters van Jeruzalem! ### Hooglied 6 1 Waar is uw Liefste heengegaan, o u schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken? 2 Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. 3 Ik ben van mijn Liefste, en mijn Liefste is van mij, Die onder de leliën weidt. 4 U bent schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren. 5 Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren. 6 Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al samen tweelingen voortbrengen, en daaronder is geen jongeloos. 7 Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. 8 Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen, en maagden zonder getal. 9 Één enige is Mijn duif, Mijn volmaakte, de enige van haar moeder, zij is de zuivere van degene, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijvrouwen; en zij zullen haar prijzen. 10 Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, zoals de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren? 11 Ik ben tot de notenhof afgegaan om de groene vruchten van de vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten. 12 Voordat ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk. 13 Keer weer, keer weer, o Sulammith! Keer weer, keer weer, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet u de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee legers. ### Hooglied 7 1 Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, u prinsendochter! de omdraaiingen van uw heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen van een kunstenaar. 2 Uw navel is als een ronde beker, waaraan geen drank ontbreekt; uw buik is als één hoop tarwe, rondom bezet met leliën. 3 Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree. 4 Uw hals is als een ivoren toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damascus ziet. 5 Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband van uw hoofd als purper; de koning is als gebonden op de galerijen. 6 Hoe schoon bent u, en hoe liefelijk bent u, o liefde, in hartstochten! 7 Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druiftrossen. 8 Ik zei: Ik zal op de palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druiftrossen aan de wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen. 9 En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Geliefde gaat, doende de lippen van de slapenden spreken. 10 Ik ben van mijn Liefste, en Zijn genegenheid is tot mij. 11 Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons overnachten op de dorpen. 12 Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven. 13 De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd. ### Hooglied 8 1 Och, dat U mij als een Broeder was, zuigende de borsten van mijn moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten. 2 Ik zou U leiden, ik zou U brengen in het huis van mijn moeder, U zou mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappels. 3 Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. 4 Ik bezweer u, u dochters van Jeruzalem! dat u die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar lust! 5 Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder de appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft. 6 Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen van JAHWEH. 7 Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten. 8 Wij hebben een kleine zus, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zus doen in die dag, als men van haar spreken zal? 9 Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken. 10 Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt. 11 Salomo had een wijngaard, te Baäl-hamon; hij gaf deze wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor de vrucht daarvan duizend zilverlingen. 12 Mijn wijngaard, die ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht daarvan. 13 O u bewoonster van de hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen. 14 Kom haastig, mijn Liefste! en wees U gelijk een ree, of gelijk een welp van de herten op de bergen van de specerijen. ## Jesaja ### Jesaja 1 1 Het visioen van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda. 2 Hoor, u hemelen! en neem ter ore, u aarde! want JAHWEH spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. 3 Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib van zijn heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. 4 Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad van de boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben JAHWEH verlaten, zij hebben de Heilige van Israël gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achteruit. 5 Waartoe zou u meer geslagen worden? U zou de afval des te meer maken; het hele hoofd is ziek, en het hele hart is mat. 6 Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels eraan; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen daarvan is met olie verzacht. 7 Uw aarde is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw aanwezigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden. 8 En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad. 9 Zo niet JAHWEH van de legermachten ons nog een klein overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. 10 Hoor het woord van JAHWEH, u oversten van Sodom! neem ter ore de wet van onze God, u volk van Gomorra! 11 Waartoe zal Mij zijn de veelheid van uw slachtoffers? zegt JAHWEH; Ik ben verzadigd van de brandoffers van de rammen, en het smeer van de vette beesten, en heb geen lust aan het bloed van de stieren, noch van de lammeren, noch van de bokken. 12 Wanneer u voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft dat van uw hand geëist, dat u Mijn voorhoven betreden zou? 13 Breng niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen van de vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen. 14 Uw nieuwe maanden en uw vastgestelde hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moe geworden, die te dragen. 15 En als u uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed. 16 Was u, reinig u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. 17 Leer goed te doen, zoekt het recht, help de verdrukte, doe de wees recht, handel de rechtszaak van de weduwe. 18 Kom dan, en laat ons samen rechten, zegt JAHWEH; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. 19 Als u gewillig bent en hoort, zo zult u het goede van dit land eten; 20 Maar als u weigert, en opstandig bent, zo zult u van het zwaard gegeten worden; want de mond van JAHWEH heeft het gesproken. 21 Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu moordenaars. 22 Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water. 23 Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen van de dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de rechtszaak van de weduwen komt voor hen niet. 24 Daarom spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten, de Machtige van Israël: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn tegenstanders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden. 25 En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen. 26 En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in het begin; daarna zult u een stad van de gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden. 27 Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid. 28 Maar er zal verbreking zijn van de overtreders, en van de zondaars samen; en die JAHWEH verlaten, zullen omkomen. 29 Want zij zullen beschaamd worden vanwege de eiken, die u begeerd hebt, en u zult schaamrood worden, vanwege de hoven, die u gekozen hebt. 30 Want u zult zijn als een eik, waarvan de bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft. 31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden samen branden, en er zal geen uitblusser wezen. ### Jesaja 2 1 Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. 2 En het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat de berg van het huis van JAHWEH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en daartoe zullen alle heidenen toevloeien. 3 En vele volken zullen heengaan en zeggen: Kom, laat ons opgaan tot de berg van JAHWEH, tot het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van JAHWEH uit Jeruzalem. 4 En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun speren tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. 5 Kom, u huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht van JAHWEH. 6 Maar U hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn bezweerders gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen van de vreemden tonen zij hun behagen. 7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en van hun schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en van hun wagens is geen einde. 8 Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk van hun handen buigen zij zich neer, voor wat hun vingers gemaakt hebben. 9 Daar bukt zich de gewone man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult U het hun niet vergeven. 10 Ga in de rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege de schrik van JAHWEH, en om de heerlijkheid van Zijn majesteit. 11 De hoge ogen van de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid van de mannen zal neergebogen worden; en JAHWEH alleen zal in die dag verheven zijn. 12 Want de dag van JAHWEH van de legermachten zal zijn tegen allen hoogmoedige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd wordt; 13 En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; 14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen; 15 En tegen elke hoge toren, en tegen elke vaste muur; 16 En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen. 17 En de hoogheid van de mensen zal gebogen, en de hoogheid van de mannen zal vernederd worden; en JAHWEH alleen zal in die dag verheven zijn. 18 En elk van de afgoden zal geheel vergaan. 19 Dan zullen zij in de grotten van de rotsstenen gaan, en in de holen van de aarde, vanwege de schrik van JAHWEH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken. 20 In die dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, die zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neer te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vleermuizen; 21 Gaande in de scheuren van de rotsen, en in de kloven van de steenrotsen, vanwege de schrik van JAHWEH, en vanwege de heerlijkheid van Zijn majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldig te verschrikken. 22 Laat u dan af van de mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten? ### Jesaja 3 1 Want ziet, de Heere, JAHWEH van de legermachten, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen de stok en de staf, allen stok van het brood, en allen stok van het water; 2 De held en de soldaat, de rechter en de profeet, en de waarzegger, en de oude; 3 De overste van vijftig, en de aanzienlijke, en de raadsman, en de wijze onder de werkmeesters, en die, die kloek ter tale is. 4 En Ik zal jongemannen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen; 5 En het volk zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen de ander, en ieder tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen de oude, de verachte tegen de eerlijke. 6 Wanneer iemand zijn broer uit het huis van zijn vader zal aangrijpen, zeggende: U hebt een kleed, wees ons tot overste, laat toch deze aanstoot onder uw hand wezen; 7 Zo zal hij in die dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste van het volk. 8 Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, omdat hun tong en zijn handelingen tegen JAHWEH zijn, om de ogen van Zijn heerlijkheid te verbitteren. 9 Het gezicht van hun aangezicht getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, zoals Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hun ziel; want zij doen zichzelf kwaad. 10 Zeg de rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht van hun werken zullen eten. 11 Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding van zijn handen zal hem gebeuren. 12 De drijvers van Mijn volk zijn kinderen, en vrouwen heersen erover. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en de weg van uw paden slokken zij in. 13 JAHWEH stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten. 14 JAHWEH komt ten gerichte tegen de oudsten van Zijn volk en zijn vorsten, want u hebt deze wijngaard verteerd; de roof van de ellendigen is in uw huizen. 15 Wat is u, dat u Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten van de ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten. 16 Verder zegt JAHWEH: Daarom dat de dochters van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarheen treden, en alsof haar voeten gebonden waren. 17 Zo zal JAHWEH de schedel van de dochters van Sion schurftig maken, en JAHWEH zal haar schaamte ontbloten. 18 Op diezelfde dag zal JAHWEH wegnemen het sieraad van de kousebanden, en de netjes, en de maantjes, 19 De reukdoosjes, en de kleine kettinkjes, en de glinsterende kledingen, 20 De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen, 21 De ringen en de voorhoofdsierselen, 22 De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de beurzen, 23 De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers. 24 En het zal gebeuren, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording met een zak in plaats van een wijde rok, en verbranding in plaats van schoonheid. 25 Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in de strijd. 26 En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, leeg gemaakt zijnde, op de aarde zitten. ### Jesaja 4 1 En op die dag zullen zeven vrouwen één man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleren zullen wij bekleed zijn, laat ons alleen naar uw naam genoemd worden, neem onze smaad weg. 2 Te die dage zal de SPRUIT van JAHWEH zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht van de aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering van hen, die het ontkomen zullen in Israël. 3 En het zal gebeuren, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig genoemd worden, een ieder die geschreven is ten leven te Jeruzalem; 4 Als de Heere zal afgewassen hebben de mest van de dochters van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit haar midden, door de Geest van het oordeel, en door de Geest van de uitbranding. 5 En JAHWEH zal over alle woning van de berg van Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk overdag, en een rook, en de glans van een vlammend vuur in de nacht; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. 6 En daar zal een hut zijn tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een plek om te schuilen tegen de vloed en tegen de regen. ### Jesaja 5 1 Nu zal ik mijn Geliefde een lied van mijn Liefste zingen van Zijn wijngaard; Mijn Geliefde heeft een wijngaard op een vetten heuvel. 2 En Hij heeft die omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in het midden daarvan een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht. 3 Nu dan, u inwoners van Jeruzalem, en u mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard. 4 Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, dat Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? 5 Nu dan, Ik zal u nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding. 6 En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen. 7 Want de wijngaard van JAHWEH van de legermachten is het huis van Israël, en de mannen van Juda zijn een plant van zijn verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurft, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw. 8 Wee degenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat u alleen inwoners gemaakt wordt in het midden van het land! 9 Voor mijn oren heeft JAHWEH van de legermachten gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de voortreffelijke zonder inwoner! 10 Ja, tien bunderen wijngaards zullen één enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven. 11 Wee degenen, die, zich vroeg opmakende in de morgenstond, sterke drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit! 12 En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk van JAHWEH niet, en zij zien niet op het maaksel van Zijn handen. 13 Daarom zal mijn volk als gevangene weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en zijn heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst. 14 Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat neerdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar geluid, en die in haar van vreugde opspringt. 15 Dan zal de gewone man neergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen van de hoogmoedigen zullen vernederd worden. 16 Maar JAHWEH van de legermachten zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid. 17 En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen van de vetten eten. 18 Wee degenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden van de zinloosheid, en de zonde als met dikke wagenzelen! 19 Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen de raadslag van de Heilige van Israël, dat wij het vernemen! 20 Wee degenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid! 21 Wee degenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelf verstandig zijn! 22 Wee degenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterke drank te mengen! 23 Die de goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid van de rechtvaardigen van hen afwenden. 24 Daarom, gelijk de tong van het vuur de stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, zo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet van JAHWEH van de legermachten, en de rede van de Heilige van Israël versmaden. 25 Daarom is de toorn van JAHWEH ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft ertegen Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als mest in het midden van de straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. 26 Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde van de aarde; en zie, haastig, snel zullen zij aankomen. 27 Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel van zijn lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem van zijn schoenen afgescheurd worden. 28 Van wie de pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; de hoeven van hun paarden zullen als een rots geacht zijn, en hun wielen als een wervelwind. 29 Hun gebrul zal zijn als van een oude leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en de roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn. 30 En zij zullen ertegen op die dag bruisen, als het bruisen van de zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen. ### Jesaja 6 1 In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon, en Zijn zomen vervullende de tempel. 2 De serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 3 En de één riep tot de ander, en zei: Heilig, heilig, heilig is JAHWEH van de legermachten! De hele aarde is van Zijn heerlijkheid vol! 4 Zodat de posten van de dorpels zich bewogen van de stem van de roepende; en het huis werd vervuld met rook. 5 Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! omdat ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, JAHWEH van de legermachten gezien. 6 Maar één van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had. 7 En hij roerde mijn mond daarmee aan, en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; zo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend. 8 Daarna hoorde ik de stem van de Heere, die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons heengaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij heen. 9 Toen zei Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. 10 Maak het hart van dit volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze. 11 Toen zei ik: Hoe lang, Heere? En Hij zei: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid wordt. 12 Want JAHWEH zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste van het land. 13 Maar nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal terugkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, waarin na de afwerping van de bladeren nog steunsel is, zo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn. ### Jesaja 7 1 Het gebeurde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar. 2 Als men het huis van David boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart van zijn volk, gelijk de bomen van het woud bewogen worden van de wind. 3 En JAHWEH zei tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, u en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld van de bleker; 4 En zeg tot hem: Wees op uw hoede, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten van deze rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking van de toorn van Rezin en van de Syriërs, en van de zoon van Remalia; 5 Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende: 6 Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en de zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen. 7 Zo zegt Adonai JAHWEH: Het zal niet bestaan, en het zal niet gebeuren. 8 Maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. 9 Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Als u niet gelooft, zeker, u zult niet bevestigd worden. 10 En JAHWEH voer voort te spreken tot Achaz, zeggende: 11 Eis u een teken van JAHWEH, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte. 12 Maar Achaz zei: Ik zal het niet eisen, en ik zal JAHWEH niet verzoeken. 13 Toen zei hij: Hoor u nu, u, huis van David! is het u te weinig, dat u de mensen moe maakt, dat u ook mijn God moe maakt? 14 Daarom zal de Heere Zelf u een teken geven; zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUËL heten. 15 Boter en honing zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede. 16 Zeker, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover u verdrietig bent, verlaten zijn van zijn twee koningen. 17 Maar JAHWEH zal over u, en over uw volk, en over het huis van uw vader, dagen doen komen, zoals niet gekomen zijn van die dag af, dat Efraïm van Juda is afgeweken, door de koning van Assyrië. 18 Want het zal op die dag gebeuren, dat JAHWEH zal toesissen de vliegen, die aan het einde van de rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn. 19 En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven van de steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen. 20 Te die dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, dat aan de overzijde van de rivier is, door de koning van Assyrië, afscheren het hoofd, en het haar van de voeten; ja, het zal ook de baard geheel wegnemen. 21 En het zal gebeuren op die dag, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen; 22 En het zal gebeuren, dat hij vanwege de veelheid van de melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden van het land, die zal boter en honing eten. 23 Ook zal het op dezelfde dag gebeuren, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn; 24 Dat men met pijlen en met de boog daar zal moeten gaan; want het hele land zal doornen en distelen zijn. 25 Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees van de doornen en van de distelen; maar die zullen wezen tot inzending van de os, en tot vertreding van het kleinvee. ### Jesaja 8 1 Verder zei JAHWEH tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met de griffel van een mens: Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit! 2 Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, de priester, en Zacharia, de zoon van Jeberechja. 3 En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en JAHWEH zei tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZBAZ. 4 Want voordat het jongetje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men de rijkdom van Damascus, en de buit van Samaria dragen voor het aangezicht van de koning van Assur. 5 En JAHWEH sprak nog verder tot mij, zeggende: 6 Omdat dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en de zoon van Remalia; 7 Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren van de rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; 8 En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan de hals reiken; en de uitstrekkingen van zijn vleugels zullen vervullen de breedte van uw land, o Immanuël! 9 Vergezel u samen, u volken! maar wordt verbroken; en neemt ter ore, allen u, die in verre landen bent, omgord u, maar wordt verbroken; omgord u, maar wordt verbroken! 10 Beraadslaag een raad, maar hij zal vernietigd worden; spreek een woord, maar het zal niet bestaan; want God is met ons! 11 Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op de weg van dit volk, zeggende: 12 U zult niet zeggen: Een samenzwering, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een samenzwering; en vreest u hun vrees niet, en verschrikt niet. 13 JAHWEH van de legermachten, Die zult u heiligen, en Hij zij uw vrees, en Hij zij uw verschrikking. 14 Dan zal Hij u tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen van de aanstoot en tot een rotssteen van de struikeling voor de twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net voor de inwoners te Jeruzalem. 15 En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden. 16 Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. 17 Daarom zal ik de Heere verwachten, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten. 18 Zie, ik en de kinderen, die mij JAHWEH gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van JAHWEH van de legermachten, Die op de berg Sion woont. 19 Wanneer zij dan tot u zeggen zullen: Vraag waarzeggers en dodenbezweerders, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen? 20 Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. 21 En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal gebeuren, wanneer hem hongert, en hij zeer boos zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij omhoog zal zien; 22 Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. 23 Maar het land, dat benauwd was, zal niet geheel verduisterd worden; zoals Hij het in de eerste tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, zo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar de weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea van de heidenen. ### Jesaja 9 1 Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw van de dood, daarover zal een licht schijnen. 2 U hebt dit volk vermenigvuldigd, maar U hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen toch blij wezen voor Uw aangezicht, zoals men zich verblijdt in de oogst, zoals men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt. 3 Want het juk van hun last, en de stok van hun schouders, en de staf van degene, die hen dreef, hebt U verbroken, gelijk op de dag van de Midianieten; 4 Toen de hele strijd van degenen, die streden, met geluid gebeurde, en de kleren in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel van het vuur. 5 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de eeuwigheid, Vredevorst; 6 Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver van JAHWEH van de legermachten zal dat doen. 7 De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israël. 8 En al dit volk zal het bemerken, Efraïm en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid van het hart, zeggende: 9 De bakstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij opnieuw bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen; 10 Want JAHWEH zal Rezins tegenstanders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen: 11 De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. 12 Want dit volk keert zich niet tot degene die het slaat, en JAHWEH van de legermachten zoeken zij niet. 13 Daarom zal JAHWEH afhouwen uit Israël de kop en de staart, de tak en de bieze, op één dag. 14 (De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.) 15 Want de leiders van dit volk zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt. 16 Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongemannen, en van hun wezen en van hun weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen samen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. 17 Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken van het woud, die zich verheven hebben als de verheffing van de rook. 18 Vanwege de toorn van JAHWEH van de legermachten, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel van het vuur: de één zal de ander niet sparen. 19 Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; ieder zal het vlees van zijn arm eten; 20 Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen samen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. ### Jesaja 10 1 Wee degenen, die ongerechte voorschriften inzetten, en de schrijvers, die moeite voorschrijven; 2 Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht van de ellendigen van Mijn volk te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen! 3 Maar wat zult u doen op de dag van de bezoeking, en van de verwoesting, die van verre komen zal? Tot wie zult u vluchten om hulp, en waar zult u uw heerlijkheid laten? 4 Dat elk zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. 5 Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn woede is een stok in hun hand! 6 Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk van Mijn toorn; opdat hij de roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, zoals het slijk van de straten. 7 Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart zo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te vernietigen, en uit te roeien niet weinig volken. 8 Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al samen koningen? 9 Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damascus? 10 Zoals mijn hand gevonden heeft de koninkrijken van de afgoden, hoewel hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria; 11 Zoals ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik zo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden? 12 Want het zal gebeuren, als JAHWEH een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid van het hart van de koning van Assyrië, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen. 13 Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb het gebied van de volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen neerdalen; 14 En mijn hand heeft gevonden het vermogen van de volken, als een nest, en ik heb de hele aarde samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of de bek opendeed, of piepte. 15 Zal een bijl zich beroemen tegen die, die daarmee houwt? Zal een zaag pochen tegen die, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout? 16 Daarom zal Adonai JAHWEH van de legermachten onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als de brand van het vuur. 17 Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, die in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op één dag. 18 Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbare veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, zoals wanneer een vaandrager versmelt. 19 En de overgebleven bomen van zijn woud zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven. 20 En het zal gebeuren op die dag, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis van Jakob niet meer steunen zullen op die, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op JAHWEH, de Heilige van Israël, oprecht. 21 Het overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God! 22 Want hoewel uw volk, o Israël! is gelijk het zand van de zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan terugkeren; de vernietiging is vast besloten, overvloeiende met gerechtigheid. 23 Want een vernietiging, die vast besloten is, zal Adonai JAHWEH van de legermachten doen in het midden van dit hele land. 24 Daarom zegt Adonai JAHWEH van de legermachten zo: Vrees niet, u Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze van de Egyptenaren; 25 Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de toorn, en Mijn toorn tot hun vernieling. 26 Want JAHWEH van de legermachten zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, die Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren. 27 En het zal gebeuren op diezelfde dag, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, omwille van de Gezalfde. 28 Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af. 29 Zij trekken door de doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gibeä Sauls vlucht. 30 Roep luide met uw stem, u dochter van Gallim! laat ze horen tot Laïs toe, o ellendige Anathoth! 31 Madmena vlucht weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen. 32 Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal er zijn hand bewegen tegen de berg van de dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem. 33 Maar zie, Adonai JAHWEH van de legermachten zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen neergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden. 34 En Hij zal met ijzer de verwarde struiken van het woud omhouwen; en de Libanon zal vallen door de Heerlijke. ### Jesaja 11 1 Want er zal een Rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortels zal Vrucht voortbrengen. 2 En op Hem zal de Geest van JAHWEH rusten, de Geest van de wijsheid en van het verstand, de Geest van de raad en van de sterkte, de Geest van de kennis en van de vrees voor JAHWEH. 3 En Zijn ruiken zal zijn in de vrees voor JAHWEH; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. 4 Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met oprechtheid bestraffen; maar Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. 5 Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel van Zijn lendenen zijn. 6 En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij de geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee samen, en een kleine jongen zal ze drijven. 7 De koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen samen neerliggen, en de leeuw zal stro eten, zoals de os. 8 En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk. 9 Men zal nergens leed doen noch verderven op de hele berg van Mijn heiligheid; want de aarde zal vol van kennis van JAHWEH zijn, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. 10 Want het zal gebeuren ten zelfde dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier van de volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. 11 Want het zal gebeuren op die dag, dat de Heere voor de tweede keer Zijn hand aanleggen zal om weer te verwerven het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden van de zee. 12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda verzamelen, van de vier einden van de aarde. 13 En de afgunst van Efraïm zal wegwijken, en de tegenstanders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. 14 Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen samen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. 15 Ook zal JAHWEH de inham van de zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte van Zijn wind; en Hij zal die slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan. 16 En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assur, zoals Israël gebeurde op de dag toen het uit Egypteland optoog. ### Jesaja 12 1 En op dezelfde dag zult u zeggen: Ik dank U, JAHWEH! dat U boos op mij geweest bent, maar Uw toorn is afgekeerd, en U troost mij. 2 Zie, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want Adonai JAHWEH is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden. 3 En u zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen van het heil; 4 En zult op dezelfde dag zeggen: Dank JAHWEH, roep Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeld, dat Zijn Naam verhoogd is. 5 Psalmzing JAHWEH, want Hij heeft heerlijke dingen gedaan; dat zij bekend op de hele aardbodem. 6 Juich en zing vrolijk, u inwoners van Sion! want de Heilige van Israël is groot in het midden van u. ### Jesaja 13 1 De last van Babel, die Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft. 2 Hef op een banier, op een hoge berg; verhef een stem tot hen; beweeg de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren van de prinsen. 3 Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken van Mijn hoogheid. 4 Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk van een groot volk; een stem van geluid van de koninkrijken, van de verzamelde heidenen; JAHWEH van de legermachten monstert het leger. 5 Zij komen uit ver land, van het einde van de hemel; JAHWEH en de instrumenten van Zijn toorn, om dat hele land te verderven. 6 Huil u, want de dag van JAHWEH is nabij; hij komt als een verwoesting van de Almachtige. 7 Daarom zullen alle handen slap worden, en het hart van alle mensen zal versmelten; 8 En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; ieder zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn. 9 Zie, de dag van JAHWEH komt, gruwelijk, met toorn en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en zijn zondaars daaruit te vernietigen. 10 Want de sterren van de hemel en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. 11 Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal de hoogmoed van de stouten doen ophouden, en de hoogmoed van de tirannen zal Ik vernederen. 12 Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir. 13 Daarom zal Ik de hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de toorn van JAHWEH van de legermachten, en vanwege de dag van Zijn hittige toorn. 14 En ieder zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand verzamelt; ieder zal naar zijn volk omzien, en ieder zal naar zijn land vluchten. 15 Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen. 16 Ook zullen hun kinderen voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden. 17 Zie, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben. 18 Maar hun bogen zullen de jongemannen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht van de buik; hun oog zal de kinderen niet sparen. 19 Zo zal Babel, het sieraad van de koninkrijken, de heerlijkheid, de trots van de Chaldeeën, zijn zoals God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft. 20 Daar zal geen woonplaats zijn in de eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren. 21 Maar daar zullen neerliggen de wilde dieren van de woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisvogels wonen, en de demonen zullen er huppelen. 22 En wilde dieren van de eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkaar toeroepen, en ook de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden. ### Jesaja 14 1 Want JAHWEH zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. 2 En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis van Israël zal hen erfelijk bezitten in het land van JAHWEH tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers. 3 En het zal gebeuren op de dag wanneer u JAHWEH rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen; 4 Dan zult u deze spreuk opnemen tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op? 5 JAHWEH heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers. 6 Die de volken plaagde in toorn met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan. 7 De hele aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. 8 Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat u daar neerligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe. 9 Het dodenrijk van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als u kwam; het wekt om uwentwil de doden op, al de bokken van de aarde; het doet al de koningen van de heidenen van hun tronen opstaan. 10 Die allemaal zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook ziek geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. 11 Uw hoogmoed is in het dodenrijk neergestort, met het geklank van uw luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12 Hoe bent u uit de hemel gevallen, o morgenster, u zoon van de dageraad! hoe bent u ter aarde neergehouwen, u, die de heidenen krenkte! 13 En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren van God verhogen; en ik zal mij zetten op de berg van de samenkomst aan de zijden van het noorden. 14 Ik zal boven de hoogten van de wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. 15 Ja, in het dodenrijk zult u neergestoten worden, aan de zijden van de kuil! 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? 17 Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe? 18 Al de koningen van de heidenen, zij allen liggen neer met eer, ieder in zijn huis; 19 Maar u bent verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed van de gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die neerdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. 20 U zult daarbij niet gevoegd worden in de begrafenis; want u hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad van de boosdoeners zal in de eeuwigheid niet genoemd worden. 21 Maak de slachting voor zijn kinderen gereed, omwille van de ongerechtigheid van hun vaders; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden; 22 Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal van Babel uitroeien de naam en het overblijfsel, en de zoon en de zoonszoon, spreekt JAHWEH. 23 En Ik zal hen stellen tot een erfenis van de nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem van het verderf uitvagen, spreekt JAHWEH van de legermachten. 24 JAHWEH van de legermachten heeft gezworen, zeggende: Als niet, zoals Ik gedacht heb, het zo gebeure, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal! 25 Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke. 26 Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat hele land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken. 27 Want JAHWEH van de legermachten heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren? 28 In het jaar, toen de koning Achaz stierf, gebeurde deze last. 29 Verheug u niet, u geheel Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel van de slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn. 30 En de eerstgeborenen van de armen zullen weiden, en de armen zullen zeker neerliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door de honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen. 31 Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent gesmolten, u geheel Palestina! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten. 32 Wat zal men dan antwoorden de boden van het volk? Dat JAHWEH Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten van Zijn volk een toevlucht daarin hebben zouden. ### Jesaja 15 1 De last van Moab. Zeker, in de nacht is Ar-moabs verwoest, zij is uitgeroeid; zeker, in de nacht is Kir-moabs verwoest, zij is uitgeroeid! 2 Hij gaat op naar Baith en Dibon, en naar Bamoth, om te huilen; over Nebo en over Medeba zal Moab huilen; op al hun hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden. 3 Op hun wijken hebben zij zakken aangegord; op hun daken en op hun straten huilen zij allemaal, afgaande met geween. 4 Zo Hesbon als Eleale schreeuwt, hun stem wordt gehoord tot Jahaz toe; daarom maken de toegerusten van Moab een geschrei, de ziel van een ieder in hem is treurig. 5 Mijn hart schreeuwt over Moab, haar grendels zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar de opgang van Luhith, want op de weg naar Horonaim verwekken zij een jammergeschrei. 6 Want de wateren van Nimrim zullen enkel verwoesting wezen; want het gras is verdord, het tedere gras is vergaan, er is geen groente. 7 Daarom zullen zij de overvloed, die zij verzameld hebben, en wat zij weggelegd hebben, aan de beek van de wilgen voeren. 8 Want dat geschreeuw zal omgaan door de grens van Moab, haar gehuil tot Eglaim toe, ja, tot Beer-elim toe zal haar gehuil zijn. 9 Want de wateren van Dimon zijn vol bloed, want Ik zal Dimon nog meer toeschikken: te weten leeuwen over de ontkomenen van Moab, en ook over het overblijfsel van het land. ### Jesaja 16 1 Zend de lammeren van de heerser van het land van Sela af, naar de woestijn heen, tot de berg van de dochter van Sion. 2 Anders zal het gebeuren, dat de dochters van Moab aan de doorwaadbare plaatsen van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde. 3 Breng een raad aan, houd gericht, maakt uw schaduw op het midden van de middag, gelijk van de nacht; verberg de verdrevenen, en meld de omzwervende niet. 4 Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht van de verstoorder; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan. 5 Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en daarop zal bestendig één zitten in de tent van David, één, die oordeelt en het recht zoekt, en voortvarend is in gerechtigheid. 6 Wij hebben gehoord de hoogmoed van Moab, hij is zeer hoogmoedig; zijn hoogmoed, en zijn hoogmoed, en zijn toorn, zijn zo zijn grendels niet. 7 Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over de fundamenten van Kir-Hareseth zult u zuchten, zeker, zij zijn gebroken. 8 Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren van de heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee. 9 Daarom beween ik, in het gehuil over Jaëzer, de wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen; 10 Zo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden. 11 Daarom rommelt mijn binnenste over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-Heres. 12 En het zal gebeuren, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niets uitrichten. 13 Dit is het woord, dat JAHWEH tegen Moab gesproken heeft, van toen af. 14 Maar nu spreekt JAHWEH, zeggende: Binnen drie jaar (als de jaren van een huurling), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen. ### Jesaja 17 1 De last van Damascus. Zie, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn. 2 De steden van Aroër zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar neerliggen, en niemand zal ze verschrikken. 3 En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel van de Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid van de Israëlieten, spreekt JAHWEH van de legermachten. 4 En het zal gebeuren op die dag, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal. 5 Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refaim. 6 Maar een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding van een olijfboom, twee of drie bezien in de top van de bovenste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt JAHWEH, de God van Israël. 7 Te die dage zal de mens zien naar Die, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op de Heilige van Israël zien. 8 En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk van zijn handen, ook wat zijn vingers gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden. 9 Te die dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en bovenste tak, die zij verlaten hebben, vanwege de Israëlieten, hoewel daar verwoesting zal wezen. 10 Want u hebt de God van uw heil vergeten, en niet gedacht aan de Rotssteen van uw sterkte; daarom zult u wel liefelijke planten planten, en u zult hem met uitlandse ranken bezetten; 11 Op de dag als u ze zult geplant hebben, zult u die doen groeien, en in de morgenstond zult u uw zaad doen bloeien; maar het zal maar één hoop van het gemaaide zijn, in de dag van de ziekte en van de pijnlijke smart. 12 Wee de veelheid van de grote volken, die daar bruisen, zoals de zeeën bruisen; en wee het geruis van de natiën, die daar ruisen, zoals de geweldige wateren ruisen! 13 De natiën zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; maar Hij zal hem bestraffen, zo zal hij ver wegvluchten, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf van de bergen van de wind, en gelijk een kloot van de wervelwind. 14 Ten tijde van de avond, ziet, zo is er verschrikking, voordat het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel van degenen, die ons beroven, en het lot van degenen, die ons plunderen. ### Jesaja 18 1 Wee het land, dat schaduwachtig is aan de grenzen, dat aan de zijde van de rivieren van Morenland is; 2 Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Ga heen, u snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, waarvan de rivieren het land beroven. 3 Allen u ingezetenen van de wereld, en u inwoners van de aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult u het zien, en als de bazuin zal blazen, zult u het horen. 4 Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op de regen, als een wolk van de dauw in de hitte van de oogst; 5 Want voor de oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na de bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen en afkappen. 6 Zij zullen samen gelaten worden de roofvogelen van de bergen, en de dieren van de aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren van de aarde zullen daarop overwinteren. 7 Te die tijd zal aan JAHWEH van de legermachten een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, waarvan de rivieren het land beroven; tot de plaats van de Naam van JAHWEH van de legermachten, tot de berg Sion. ### Jesaja 19 1 De last van Egypte. Zie, JAHWEH rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen. 2 Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden ieder tegen zijn broer, en ieder tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk. 3 En de geest van de Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en de bezweerders, en de waarzeggers, en de dodenbezweerders. 4 En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt Adonai JAHWEH van de legermachten. 5 En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen. 6 Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken. 7 Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers van de stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn. 8 En de vissers zullen treuren, en allen, die de angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen. 9 En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof. 10 En zij zullen met hun fundamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken. 11 Zeker, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad van de wijzen, van de raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden; hoe kunt u dan zeggen tot Farao; Ik ben een zoon van de wijzen, een zoon van de oude koningen? 12 Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat JAHWEH van de legermachten beraadslaagd heeft tegen Egypte. 13 De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot de uitersten hoek van zijn stammen. 14 JAHWEH heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel. 15 En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, dat het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag. 16 Te die dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand van JAHWEH van de legermachten, die Hij tegen hen bewegen zal. 17 En het land van Juda zal de Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelf bevreesd wezen vanwege de raad van JAHWEH van de legermachten, die Hij tegen hen beraadslaagd heeft. 18 Te die dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak van Kanaän, en zwerende bij JAHWEH van de legermachten; één zal genoemd zijn een stad van de verstoring. 19 Te die dage zal JAHWEH een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar gebied voor JAHWEH. 20 En het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis voor JAHWEH van de legermachten in Egypteland, want zij zullen tot JAHWEH roepen vanwege de verdrukkers, en Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen. 21 En JAHWEH zal aan de Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen JAHWEH kennen op die dag; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en voedseloffer, en zij zullen JAHWEH een gelofte beloven en betalen. 22 En JAHWEH zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen; en zij zullen zich tot JAHWEH bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen. 23 Te die dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs de Heere dienen. 24 Te die dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. 25 Want JAHWEH van de legermachten zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk van Mijn handen, en Israël, Mijn erfdeel! ### Jesaja 20 1 In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrië gezonden had, toen hij strijd voerde tegen Asdod, en het innam; 2 Ter zelfder tijd sprak JAHWEH, door de dienst van Jesaja, de zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind de zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed zo, gaande naakt en barrevoets. 3 Toen zei JAHWEH: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaar, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland; 4 Zo zal de koning van Assyrië voortdrijven de gevangenen van de Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en oude, naakt en barrevoets, en met blote billen, de Egyptenaren tot schaamte. 5 En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op wie zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem. 6 En de inwoners van dit eiland zullen op die dag zeggen: Zie, zo is het gegaan met hen, op wie wij zagen, waarheen wij vluchtten om hulp, om gered te worden van het aangezicht van de koning van Assyrië; hoe zullen wij dan ontkomen? ### Jesaja 21 1 De last van de woestijn aan de zee. Zoals de wervelwinden in het zuiden heen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land. 2 Een hard visioen is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. 3 Daarom zijn mijn lendenen vol van grote ziekte, bange weeën hebben mij aangegrepen, zoals de bange weeën van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien. 4 Mijn hart dwaalt, huivering verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving. 5 Bereid de tafel, zie toe, u wachter! eet, drink; maak u op, u vorsten, bestrijkt het schild! 6 Want zo heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet. 7 En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kameels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking. 8 En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op de wachttoren steeds bij dag, en op mijn hoede zet ik mij hele nachten. 9 En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. 10 O mijn dorsing, en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, dat heb ik u aangezegd. 11 De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? 12 De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt u vragen, vraagt; keer weer, komt. 13 De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult u overnachten, o u reizende gezelschappen van Dedanieten! 14 Kom de dorstige tegemoet met water; de inwoners van het land van Thema zijn de vluchtende met zijn brood bejegend. 15 Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor de gespannen boog, en voor de zwarigheid van de oorlog. 16 Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, zoals de jaren van een dagloner zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten onder gaan. 17 En het overgebleven getal van de schutters, de helden van de Kedarenen, zullen minder worden, want JAHWEH, de God van Israël heeft het gesproken. ### Jesaja 22 1 De last van het dal van het visioen. Wat is u nu, dat u allemaal op de daken klimt? 2 U, die vol van groot geluid was, u woelige stad, u, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in de strijd. 3 Al uw oversten zijn samen weggevlucht; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij zijn van verre gevlucht. 4 Daarom zeg ik: Wend het gezicht van mij af; laat mij bitter huilen; dring niet aan, om mij te troosten over de verstoring van de dochters van mijn volk. 5 Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van de Heere, JAHWEH van de legermachten, in het dal van het visioen, een dag van ontmuring van de muur, en van geschreeuw naar het gebergte toe. 6 Want Elam heeft de pijlkoker genomen, de man is op de wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild. 7 En het zal gebeuren, dat uw uitgelezen dalen vol wagens zullen zijn, en dat de ruiters zich zeker zullen zetten ter poorten aan. 8 En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en op die dag zult u zien naar de wapens in het huis van het woud. 9 En u zult bekijken de scheuren van de stad van David, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van de onderste vijvers verzamelen. 10 U zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en u zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen. 11 Ook zult u een gracht maken tussen beide de muren, voor de wateren van de oude vijver; maar u zult niet omhoog zien op Die, Die dat gedaan heeft, noch beschouwen Die, Die dat van verre tijden gevormd heeft. 12 En op die dag zal de Heere, JAHWEH van de legermachten, roepen tot geween, en tot klaagzang, en tot kaalheid, en tot omgording van de zak. 13 Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. 14 Maar JAHWEH van de legermachten heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Als u deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat u sterft! zegt de Heere, JAHWEH van de legermachten. 15 Zo zegt de Heere, JAHWEH van de legermachten: Ga heen, ga in tot die schatmeester, tot Sebna, de hofmeester, en spreek: 16 Wat hebt u hier, of wie hebt u hier, dat u zich hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? 17 Zie, JAHWEH zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en Hij zal u geheel overdekken. 18 Hij zal u zeker voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; daar zult u sterven, en daar zullen uw heerlijke wagens zijn, o u schandvlek van het huis van uw heren! 19 En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren. 20 En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, de zoon van Hilkia, roepen zal. 21 En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal de inwoners te Jeruzalem en het huis van Juda tot een vader zijn. 22 En Ik zal de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. 23 En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel van de eer voor het huis van zijn vader. 24 En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis van zijn vader, van de uitspruitelingen en van de afkomelingen, ook alle kleine voorwerpen, van de voorwerpen van de bekers af, zelfs tot al de voorwerpen van de flessen. 25 Te die dage, spreekt JAHWEH van de legermachten, zal die nagel, die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want JAHWEH heeft het gesproken. ### Jesaja 23 1 De last van Tyrus. Huil, u schepen van Tarsis! want zij is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat; uit het land Chittim is het aan hen openbaar geworden. 2 Zwijg, u inwoners van het eiland! u, die de kooplieden van Sidon, over zee varende, vervulden, 3 En wiens inkomst was het zaad van Sichor over de grote wateren, de oogst van de rivier; en zij was de markt van de heidenen. 4 Word beschaamd, o Sidon! want de zee spreekt, ja, de sterkte van de zee, zeggende: Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongemannen groot gemaakt, en geen meisjes opgebracht. 5 Zoals geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in smart zijn, als men van Tyrus horen zal. 6 Vaar over naar Tarsis, huil, u inwoners van het eiland! 7 Is dit uw vrolijk huppelende stad? waarvan de oudheid wel van oude dagen af is; maar haar eigen voeten zullen haar verre wegdragen, om als vreemdeling te verkeren. 8 Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, waarvan de kooplieden vorsten zijn, waarvan de handelaars de heerlijkste in het land zijn? 9 JAHWEH van de legermachten heeft het beraadslaagd, opdat Hij ontheilige de hoogmoed van alle sieraad, om al de heerlijksten van de aarde verachtelijk te maken. 10 Ga door naar uw land, als een rivier, u dochter van Tarsis! er is geen gordel meer. 11 Hij heeft Zijn hand uitgestrekt over de zee, Hij heeft de koninkrijken beroerd; JAHWEH heeft bevel gegeven tegen Kanaän, om haar vestingen te vernietigen. 12 En Hij heeft gezegd: U zult niet meer vrolijk huppelen, o u verdrukte maagd, u dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult u daar geen rust hebben. 13 Zie, het land van de Chaldeeën; dit volk was er niet; Assur heeft het gefundeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun vestingen op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld. 14 Huil, u schepen van Tarsis! want uw vesting is verstoord. 15 En het zal gebeuren op die dag, dat Tyrus zal vergeten worden zeventig jaren, zoals de dagen van een koning; maar na verloop van zeventig jaren zal in Tyrus als een hoerenlied zijn: 16 Neem de harp, ga in de stad rondom, u vergeten hoer! speel wel, zing veel liederen, opdat aan u gedacht wordt! 17 Want het zal gebeuren na verloop van zeventig jaren, dat JAHWEH Tyrus zal bezoeken, en dat zij terugkeren zal tot haar hoerenloon, en zij zal hoererij bedrijven met alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. 18 En haar koophandel en haar hoerenloon zal voor JAHWEH heilig zijn, het zal niet ten schat verzameld noch opgesloten worden; maar haar koophandel zal wezen voor hen, die voor JAHWEH wonen, opdat zij eten tot verzadiging, en dat zij durig deksel hebben. ### Jesaja 24 1 Zie, JAHWEH maakt het land leeg, en Hij maakt het woest; en Hij keert zijn gestalte om, en Hij verstrooit zijn inwoners. 2 En gelijk het volk, zo zal de priester wezen; gelijk de knecht, zo zijn heer; zoals de dienstmaagd, zo haar vrouw; zoals de koper, zo de verkoper; zoals de lener, zo de ontlener; zoals de woekeraar, zo die, van wie hij rente ontvangt. 3 Dat land zal geheel leeg gemaakt worden, en het zal geheel beroofd worden; want JAHWEH heeft dit woord gesproken. 4 Het land treurt, het verwelkt; de aarde verwelkt, zij verwelkt; de hoogsten van het volk van het land verwelken. 5 Want het land is bevlekt vanwege zijn inwoners; want zij overtreden de wetten, zij veranderen de voorschriften, zij vernietigen het eeuwig verbond. 6 Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners van het land verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven. 7 De nieuwe wijn treurt, de wijnstok verwelkt, allen die blijhartig waren, zuchten. 8 De vreugde van de trommelen rust; het geluid van de vrolijk huppelenden houdt op, de vreugde van de harp rust. 9 Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn voor hen, die hem drinken. 10 De woeste stad is verbroken, al de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan. 11 Er is een klagelijk geroep op de straten, vanwege de wijn; alle blijdschap is verduisterd, de vreugde van het land is heengevaren. 12 Verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken. 13 Want in het binnenste van het land, in het midden van deze volken, zal het zo wezen, gelijk de afschudding van de olijfboom, gelijk de nalezingen, wanneer de wijnoogst geëindigd is. 14 Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid van JAHWEH zullen zij juichen van de zee af. 15 Daarom eer JAHWEH in de valleien, in de eilanden van de zee de Naam van JAHWEH, van de God van Israël. 16 Van het uiterste einde van de aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking van de Rechtvaardige. Maar nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouweloos, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouweloos. 17 De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners van het land! 18 En het zal gebeuren, zo wie voor de stem van de vrees vluchten zal, die zal in de kuil vallen; en die uit de kuil opklimt, die zal in de strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fundamenten van de aarde zullen beven. 19 De aarde zal geheel verbroken worden, de aarde zal geheel vaneen gescheurd worden, de aarde zal geheel bewogen worden. 20 De aarde zal geheel waggelen, zoals een dronkaard, en zij zal heen en weer bewogen worden, zoals een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weer opstaan. 21 En het zal gebeuren op die dag, dat JAHWEH bezoeking doen zal over de legermachten van de hogen in de hoogte, en over de koningen van de aardbodem op de aardbodem. 22 En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weer bezocht worden. 23 En de maan zal schaamrood worden, en de zon zal beschaamd worden, als JAHWEH van de legermachten regeren zal op de berg Sion en te Jeruzalem, en voor zijn oudsten zal heerlijkheid zijn. ### Jesaja 25 1 JAHWEH! U bent mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want U hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastheid. 2 Want U hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de versterkte stad tot een vervallen hoop; het paleis van de vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden. 3 Daarom zal U een machtig volk eren, de stad van de tirannische volken zal U vrezen. 4 Want U bent de arme een Sterkte geweest, een Sterkte voor de arme, als hem bange was; een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen van de tirannen is als een vloed tegen een wand. 5 Zoals de hitte in een dorre plaats, zult U de onstuimigheid van de vreemdelingen neerdrukken; gelijk de hitte door de schaduw van een dikke wolk, zal het gezang van de tirannen vernederd worden. 6 En JAHWEH van de legermachten zal op deze berg alle volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. 7 En Hij zal op deze berg verslinden het bewindsel van het aangezicht, waarmee alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmee alle natiën bedekt zijn. 8 Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en Adonai JAHWEH zal de tranen van alle gezichten afwissen; en Hij zal de smaad van Zijn volk van de hele aarde wegnemen; want JAHWEH heeft het gesproken. 9 En men zal op die dag zeggen: Zie, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is JAHWEH, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. 10 Want de hand van JAHWEH zal op deze berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest. 11 En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, zoals een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen met de lagen van hun handen. 12 En Hij zal de hoge vesten van uw muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken. ### Jesaja 26 1 Te die dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen. 2 Doe de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, dat de getrouwigheden bewaart. 3 Het is een bevestigd voornemen, U zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd. 4 Vertrouw op JAHWEH tot in de eeuwigheid; want in Adonai JAHWEH is een eeuwige rotssteen. 5 Want Hij buigt de hooggezetenen neer, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken. 6 De voet zal ze vertreden, de voeten van de ellendigen, de treden van de armen. 7 Het pad van de rechtvaardige is geheel effen, de gang van de rechtvaardige weegt U recht. 8 Wij hebben ook in de weg van Uw gerichten, U, o JAHWEH! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw herinnering is de begeerte van onze ziel. 9 Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners van de wereld gerechtigheid. 10 Wordt de goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een geheel richtig land, en hij ziet de hoogheid van JAHWEH niet aan. 11 JAHWEH! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege de ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw tegenstanders verteren. 12 JAHWEH! U zult ons vrede bestellen, want U hebt ons ook al onze zaken uitgericht. 13 JAHWEH, onze God! andere heren, behalve U, hebben over ons geheerst; maar door U alleen gedenken wij Uw Naam. 14 Dood zijnde zullen zij niet weer leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht, en hebt hen vernietigd, en U hebt al hun herinnering doen vergaan. 15 U, o JAHWEH! had dit volk vermeerderd, U had dit volk vermeerderd; U was verheerlijkt geworden; maar U hebt hen in al de einden van de aarde verre weggedaan. 16 JAHWEH! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was. 17 Gelijk een zwangere vrouw, als zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in haar weeën, zo zijn wij geweest, o JAHWEH! vanwege Uw aangezicht. 18 Wij waren zwanger, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners van de wereld vielen niet neer. 19 Uw doden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waak op en juich, u, die in het stof woont! want uw dauw zal zijn als een dauw van de moeskruiden, en het land zal de overledenen uitwerpen. 20 Ga heen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de toorn overga. 21 Want zie, JAHWEH zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners van de aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden. ### Jesaja 27 1 Te die dage zal JAHWEH met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de langwemelende slang, ja, de Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal de draak, die in de zee is, doden. 2 Te die dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zing daarvan bij beurte. 3 Ik, JAHWEH, behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. 4 Woede is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou? 5 Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken. 6 In het toekomende zal Jakob wortels schieten, Israël zal bloeien en groeien; en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen. 7 Heeft Hij hem geslagen, zoals Hij die geslagen heeft, die hem sloeg? Is hij gedood, gelijk zijn gedoden gedood zijn geworden? 8 Met mate hebt U met hem getwist, wanneer U hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in de dag van de oostenwind. 9 Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de hele vrucht, dat Hij zijn zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen van het altaar maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan. 10 Want de versterkte stad zal eenzaam, de woonstede zal verstoten en verlaten worden, zoals een woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij neerliggen, en zullen haar takken verslinden. 11 Als haar takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen, komende, zullen ze aansteken; want het is geen volk van enig verstand; daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft, Zich erover niet ontfermen, en Die het gevormd heeft, zal het geen genade bewijzen. 12 En het zal op die dag gebeuren, dat JAHWEH dorsen zal, van de stroom van de rivier af tot aan de rivier van Egypte; maar u zult opgelezen worden, één bij één, o u Israëlieten! 13 En het zal op die dag gebeuren, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen JAHWEH aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem. ### Jesaja 28 1 Wee de hoogmoedige kroon van de dronkenen van Efraïm, waarvan het heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd van de zeer vette vallei, van de geslagenen van de wijn. 2 Zie, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort van het verderf; zoals een vloed van de sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde neerwerpen met de hand. 3 De hoogmoedige kronen van de dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden. 4 En de afvallende bloem van zijn heerlijk sieraad, die op het hoofd van de zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor de zomer, die, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op. 5 Te die dage zal JAHWEH van de legermachten tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn voor de overgeblevenen van Zijn volk; 6 En tot een Geest van het oordeel voor hem, die tot het oordeel zit, en tot een sterkte voor hen, die de strijd afkeren tot de poort toe. 7 En ook dwalen deze van de wijn, en zij dolen van de sterke drank; de priester en de profeet dwalen van de sterke drank; zij zijn verslonden van de wijn, zij dolen van sterke drank; zij dwalen in het visioen; zij waggelen in het gericht. 8 Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van mest, zodat er geen plaats schoon is. 9 Wie zou Hij dan de kennis leren, en wie zou Hij het gehoorde te verstaan geven? De gespeenden van de melk, de afgetrokkenen van de borsten? 10 Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig. 11 Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken; 12 Tot wie Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft de moeden rust, en dit is de verkwikking; maar zij hebben niet willen horen. 13 Zo zal hun het woord van JAHWEH zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achteruit vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden. 14 Daarom, hoort het woord van JAHWEH, u bespotters, u heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is! 15 Omdat u zegt: Wij hebben een verbond met de dood gemaakt, en met het dodenrijk hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen. 16 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijke hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten. 17 En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht van de leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen. 18 En uw verbond met de dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met het dodenrijk zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult u daardoor vertreden worden. 19 Van de tijd af, als hij doortrekt, zal hij u wegnemen, want elke morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal gebeuren, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal. 20 Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt. 21 Want JAHWEH zal Zich opmaken, gelijk op de berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn! 22 Nu dan, drijft de spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van Adonai JAHWEH van de legermachten gehoord een vernietiging, ja, een, die vast besloten is over het hele land. 23 Neem ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede! 24 Ploeg de ploeger de hele dag om te zaaien? Open en egt hij zijn land de hele dag? 25 Is het niet zo? Wanneer hij het bovenste daarvan effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken, en spreidt komijn, of hij werpt er van de beste tarwe in, of uitgelezen gerst, of spelt, elk aan zijn plaats. 26 En zijn God onderricht hem van de wijze, Hij leert hem. 27 Want men dorst de wikken niet met de dorswagen, en men laat het wagenrad niet rondom over het komijn gaan; maar de wikken slaat men uit met een staf, en het komijn met een stok; 28 Het broodkoren moet verbrijzeld worden, maar hij dorst het niet steeds dorsende; noch hij breekt het met het wiel van zijn wagen, noch hij verbrijzelt het met zijn paarden. 29 Dat komt ook voort van JAHWEH van de legermachten; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad. ### Jesaja 29 1 Wee Ariël, Ariël! de stad, waarin David gelegerd heeft; doe jaar tot jaar; laat ze feestoffers slachten. 2 Evenwel zal Ik Ariël benauwen, en er zal treuring en verdriet wezen, en die stad zal Mij gelijk Ariël zijn. 3 Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen. 4 Dan zult u vernederd worden, u zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen. 5 En de menigte van uw vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte van de tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastig gebeuren. 6 U zult van JAHWEH van de legermachten bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweer, en de vlam van een verterend vuur. 7 En gelijk de droom van een nachtgezicht is, zo zal de veelheid van alle heidenen zijn, die tegen Ariël strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar benauwen zullen. 8 Het zal zo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel leeg; of, zoals wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; zo zal de menigte van alle heidenen zijn, die tegen de berg Sion krijgen. 9 Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, daarom roept u; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank. 10 Want JAHWEH heeft over u uitgegoten een geest van de diepe slaap, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind. 11 Daarom is u alle visioen geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld. 12 Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen. 13 Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, maar hun hart verre van Mij doen; en hun vrees, waarmee zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn; 14 Daarom, ziet, Ik zal verder wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid van zijn wijzen zal vergaan, en het verstand van zijn verstandigen zal zich verbergen. 15 Wee degenen, die zich diep versteken willen voor JAHWEH, hun raad verbergende; en van wie de werken in duisterheid gebeuren, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons? 16 Uw omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zei van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde voorwerp van zijn pottenbakker zei: Hij verstaat het niet. 17 Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden? 18 En op die dag zullen de doven horen de woorden van het Boek; en de ogen van de blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. 19 En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in JAHWEH; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige van Israël verheugen. 20 Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met de bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn; 21 Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen strikken voor hem, die hen bestraft in de poort; en die de rechtvaardige verdrijven in het woeste. 22 Daarom zegt JAHWEH, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob zo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden; 23 Want als hij zijn kinderen, het werk van Mijn handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen de Heilige van Jakob heiligen, en de God van Israël vrezen. 24 En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de onderwijzing aannemen. ### Jesaja 30 1 Wee de kinderen, die afvallen, spreekt JAHWEH, om een raadslag te maken, maar niet uit Mij, en om zich met een bedekking te bedekken, maar niet uit Mijn Geest, om zonde tot zonde te doen; 2 Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Farao, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte. 3 Want de sterkte van Farao zal u tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; 5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaad zijn zal. 6 De last van de beesten, van het zuiden, naar het land van de angst, en van de benauwdheid, vanwaar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op de rug van de veulens, en hun schatten op de bulten van de kamelen, tot het volk, dat hun geen nut zal doen. 7 Want Egypte zal zinloos en te vergeefs helpen; daarom heb Ik hierover geroepen; Stilzitten zal hun sterkte zijn. 8 Nu dan, ga heen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot de laatste dag, voor altijd, tot in eeuwigheid. 9 Want het is een opstandig volk; het zijn leugenachtige kinderen; kinderen, die de wet van JAHWEH niet horen willen. 10 Die daar zeggen tot de zieners: Zie niet; en tot de schouwers: Schouw ons niet, wat recht is; spreek tot ons zachte dingen, schouw ons bedriegerijen. 11 Wijk af van de weg, maakt u van de baan; laat de Heilige van Israël van ons ophouden! 12 Daarom, zo zegt de Heilige van Israël: Omdat u dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop: 13 Daarom zal u deze misdaad zijn gelijk een vallende scheur, uitwaarts gebogen in een hoge muur, waarvan de breuk haastig in een ogenblik komen zal. 14 Ja, Hij zal ze verbreken, gelijk een pottenbakkerskruik verbroken wordt; in het brijzelen zal Hij niet sparen; zo dat van haar verbrijzeling niet één scherf zal gevonden worden, om vuur uit de haard te nemen, of om water te scheppen uit een gracht. 15 Want zo zegt Adonai JAHWEH, de Heilige van Israël: Door wederkering en rust zou u behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; maar u hebt niet gewild. 16 En u zegt: Nee, maar op paarden zullen wij vluchten; daarom zult u vluchten! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn! 17 Een duizend van de bestraffing van enige, van de bestraffing van vijf zult u allen vluchten; totdat u overgelaten wordt, zoals een mast op de top van een berg, en als een banier op een heuvel. 18 En daarom zal JAHWEH wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over u ontferme, want JAHWEH is een God van het gericht; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten. 19 Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; u zult geheel niet huilen; zeker zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden. 20 De Heere zal u wel brood van de benauwdheid, en wateren van de verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugels wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien; 21 En uw oren zullen horen het woord van degene, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt daarin; als u zou afwijken ter rechterhand of ter linkerhand. 22 En u zult voor onrein houden het deksel van uw zilveren gesneden beelden, en het overtreksel van uw gouden gegoten beelden; u zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Heen uit! 23 Dan zal Hij uw zaad, waarmee u het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van het land inkomen, en dat zal vet en smoutig zijn; uw vee zal op die dag in een wijde akker weiden. 24 En de ossen, en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voer eten, dat verschud is met de werpschoffel en met de wan. 25 En er zullen op allen hoge berg, en op allen verhevenen heuvel beekjes en watervlieten zijn, in de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen zullen. 26 En het licht van de maan zal zijn als het licht van de zon, en het licht van de zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen; op de dag als JAHWEH de breuk van Zijn volk zal verbinden, en de wonde, waarmee het geslagen is, genezen. 27 Zie, de Naam van JAHWEH komt van verre, Zijn toorn brandt, en de last is zwaar; Zijn lippen zijn vol toorn, en Zijn tong, als een verterend vuur; 28 En Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan de hals toe raakt; om de heidenen te schudden met een schudding van de zinloosheid, en als een misleidende toom in de kinnebakkens van de volken. 29 Er zal een lofzang bij u zijn, gelijk in de nacht, wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap van het hart, gelijk van een, die met pijpen wandelt, om te komen tot de berg van JAHWEH, tot de Rotssteen van Israël. 30 En JAHWEH zal Zijn heerlijke stem doen horen, en de neerlating van Zijn arm doen zien, met woede van toorn, en een vlam van verterend vuur, stralen, en een vloed, en hagelstenen. 31 Want door de stem van JAHWEH zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg. 32 En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn (waarop JAHWEH die zal hebben doen rusten), daar zal men met trommelen en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal Hij tegen hen strijden. 33 Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor de koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem van JAHWEH zal hem aansteken als een zwavelstroom. ### Jesaja 31 1 Wee degenen, die in Egypte om hulp aftrekken, en steunen op paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en zien niet op de Heilige van Israël, en zoeken JAHWEH niet. 2 Toch is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis van de boosdoeners, en tegen de hulp van degenen, die ongerechtigheid werken. 3 Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en JAHWEH zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal neervallen, en zij zullen al samen te niet komen. 4 Want zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer ook een volle menigte van de herders samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; zo zal JAHWEH van de legermachten neerdalen, om te strijden voor de berg van Sion en voor haar heuvel. 5 Gelijk vliegende vogels, zo zal JAHWEH van de legermachten Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen. 6 Bekeer u tot Hem, van Wie de Israëlieten diep afgeweken zijn. 7 Want op die dag zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, die u uw handen tot zonde gemaakt hadden; 8 En Assur zal vallen door het zwaard, niet van een man, en het zwaard, niet van een mens, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vluchten, en zijn jongemannen zullen versmelten. 9 En hij zal van vrees doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt JAHWEH, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft. ### Jesaja 32 1 Zie, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht. 2 En die man zal zijn als een plek om te schuilen tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land. 3 En de ogen van degenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren van degenen, die horen, zullen opmerken. 4 En het hart van de onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong van de stamelenden zal vlot zijn, om bescheidenlijk te spreken. 5 De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden. 6 Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen JAHWEH, om de ziel van de hongerigen leeg te laten, en de dorstige drank te doen ontbreken. 7 En het hele gereedschap van een gierigaard is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt. 8 Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden. 9 Sta op, u geruste vrouwen, hoort mijn stem; u dochters, die zo zeker bent, neem mijn redenen ter ore. 10 Vele dagen over het jaar zult u beroerd zijn, u dochters, die zo zeker bent, want de wijnoogst zal uit zijn, er zal geen inzameling komen. 11 Beef, u geruste vrouwen; wees beroerd, dochters, die zo zeker bent; trek u uit, en ontbloot u, en gord zakken om uw lendenen. 12 Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenste akkers, over de vruchtbare wijnstokken. 13 Op het land van mijn volk zal de doorn en de distel opgaan; ja, op alle vreugdehuizen, in de vrolijk huppelende stad. 14 Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel van de stad zal ophouden; Ofel en de wachttorens zullen tot grotten zijn, tot in de eeuwigheid, een vreugde van de woudezelen, een weide van de kudden. 15 Totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de hoogte; dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal voor een woud geacht worden. 16 En het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven. 17 En het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid. 18 En mijn volk zal in een woonplaats van de vrede wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen. 19 Maar het zal hagelen, waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte. 20 Welgelukzalig bent u, die aan alle wateren zaait; u, die de voet van de os en van de ezel daarheen henenzendt! ### Jesaja 33 1 Wee u, u verwoester, die niet verwoest bent, en u, die trouweloos handelt, waar men niet trouweloos tegen u gehandeld heeft! Als u het verwoesten zult volbracht hebben, zult u verwoest worden; als u het trouweloos handelen zult voltooid hebben, zal men trouweloos tegen u handelen. 2 JAHWEH, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm elke morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde van de benauwdheid. 3 Van het geluid van het rumoer zullen de volken wegvluchten; van Uw verhoging zullen de heidenen verstrooid worden. 4 Dan zal uw buit verzameld worden, gelijk de kevers verzameld worden; men zal daarin ginds en weer huppelen, zoals de sprinkhanen ginds en weer huppelen. 5 JAHWEH is verheven, want Hij woont in de hoogte; Hij heeft Sion vervuld met gericht en gerechtigheid. 6 En het zal gebeuren, dat de vastheid van uw tijden, de sterkte van uw behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis; de vrees voor JAHWEH zal zijn schat zijn. 7 Zie, hun allersterksten roepen daar buiten; de boden van de vrede huilen bitter. 8 De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens. 9 Het land treurt, het verwelkt; de Libanon schaamt zich, hij verwelkt; Saron is geworden als een woestijn; zo Basan als Karmel zijn geschud. 10 Nu zal Ik opstaan, zegt JAHWEH, nu zal Ik verhoogd worden, nu zal Ik verheven worden. 11 U gaat met stro zwanger, u zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden. 12 En de volken zullen zijn als de verbrandingen van de kalk; als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden. 13 Hoor u, die verre bent, wat Ik gedaan heb; en u, die nabij bent, beken Mijn macht! 14 De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwige gloed wonen kan? 15 Die in gerechtigheden wandelt, en die eerlijke dingen spreekt; die de winst van de onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie; 16 Die zal in de hoogten wonen, de vestingen van de steenrotsen zullen zijn vesting zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn zeker. 17 Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien. 18 Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de betaalsheer? Waar is hij, die de torens telt? 19 U zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, dat men niet verstaan kan. 20 Schouw Sion aan, de stad van onze bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neer geworpen zal worden, waarvan de pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en waarvan geen van de touwen verscheurd worden. 21 Maar JAHWEH zal daar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen voortreffelijk schip zal daar overvaren. 22 Want JAHWEH is onze Rechter, JAHWEH is onze Wetgever, JAHWEH is onze Koning. Hij zal ons behouden. 23 Uw touwen zijn slap geworden, zij zullen hun mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen de roof roven. 24 En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. ### Jesaja 34 1 Nader, u heidenen, om te horen, en u volken! luister toe; de aarde hore, en haar volheid, de wereld en al wat daaruit voortkomt. 2 Want de toorn van JAHWEH is over al de heidenen, en woede over al hun leger; Hij heeft hen verbannen, Hij heeft ze ter slachting overgegeven. 3 En hun verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hun dode lichamen zal hun stank opgaan; en de bergen zullen smelten van hun bloed. 4 En al het leger van de hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden, zoals een boek, en al hun leger zal afvallen, zoals een blad van de wijnstok afvalt, en gelijk een vijg afvalt van de vijgeboom. 5 Want Mijn zwaard is dronken geworden in de hemel; zie, het zal tot het oordeel neerdalen op Edom, en op het volk, dat Ik verbannen heb. 6 Het zwaard van JAHWEH is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed van de lammeren en van de bokken, van het smeer van de nieren van de rammen; want JAHWEH heeft een slachtoffer te Bozra, en een grote slachting in het land van de Edomieten. 7 En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de stieren met de stieren; en hun land zal doordronken zijn van het bloed, en hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden. 8 Want het zal zijn de dag van de wraak van JAHWEH, een jaar van de vergeldingen, om Sions rechtszaak. 9 En hun beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden. 10 Het zal in de nacht of overdag niet uitgeblust worden, tot in de eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden zal niemand daar doorgaan. 11 Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de ransuil, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer van de woestigheid over hen trekken, en een richtlood van het nietsdoen. 12 Hun edelen (maar zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn. 13 En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning van de draken zijn, een zaal voor de jongen van de struisvogels. 14 En de wilde dieren van de woestijnen zullen de wilde dieren van de eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich daar neerzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden. 15 Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw verzamelen; ook zullen daar de gieren met elkaar verzameld worden. 16 Zoek in het boek van JAHWEH, en leest; niet één van deze zal er falen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen. 17 Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in de eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen. ### Jesaja 35 1 De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos. 2 Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraad van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid van JAHWEH, het sieraad van onze God. 3 Versterk de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. 4 Zeg de onbedachtzamen van hart: Wees sterk, en vreest niet; zie, uw God zal ter wrake komen met de vergelding van God. Hij zal komen en u verlossen. 5 Dan zullen de ogen van de blinden opengedaan worden, en de oren van de doven zullen geopend worden. 6 Dan zal de kreupele springen als een hert, en de tong van de stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis. 7 En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders van de wateren; in de woningen van de draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. 8 En daar zal een verheven baan, en een weg zijn, die de heilige weg zal genoemd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die deze weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. 9 Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch daar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. 10 En de vrijgekochten van JAHWEH zullen terugkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvluchten. ### Jesaja 36 1 En het gebeurde in het veertiende jaar van de koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle versterkte steden van Juda, en nam ze in. 2 En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot de koning Hizkia, met een zwaar leger; en hij stond aan de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld van de bleker. 3 Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier. 4 En Rabsake zei tot hen: Zeg nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmee u vertrouwt; 5 Ik mocht zeggen (maar het is een woord van de lippen): Er is raad en macht tot de oorlog; op wie vertrouwt u nu, dat u tegen mij rebelleert? 6 Zie, u vertrouwt op die gebrokenen rietstaf, op Egypte; waarop zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen, die op hem vertrouwen. 7 Maar zo u tot mij zegt: Wij vertrouwen op JAHWEH, onze God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en Die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult u zich neerbuigen? 8 Nu dan, wed toch met mijn heer, de koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo u voor u de ruiters daarop zult kunnen geven. 9 Hoe zou u dan het aangezicht van een enige vorst, van de geringste knechten van mijn heer, afkeren? Maar u vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiteren. 10 En nu ben ik zonder JAHWEH opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. JAHWEH heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het. 11 Toen zei Eljakim, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek niet met ons in het Joods, voor de oren van het volk, dat op de muur is. 12 Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op de muur zitten, dat zij met u hun mest eten, en hun water drinken zullen? 13 Zo stond Rabsake, en riep met luide stem in het Joods, en zei: Hoor de woorden van de grote koning, van de koning van Assyrië! 14 Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden. 15 Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op JAHWEH, zeggende: JAHWEH zal ons zeker redden; deze stad zal niet in de hand van de koning van Assyrië gegeven worden. 16 Hoor naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handel met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drink een ieder het water van zijn bornput; 17 Totdat ik kom en u haal in een land, als uw land is, een land van koren en nieuwe wijn, een land van brood en van wijngaarden. 18 Dat Hizkia u niet verleide, zeggende: JAHWEH zal ons redden; hebben de goden van de volken, een ieder zijn land, gered uit de hand van de koning van Assyrië? 19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered? 20 Welke zijn ze onder al de goden van deze landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat JAHWEH Jeruzalem uit mijn hand zou redden? 21 Maar zij zwegen stil, en antwoordden hem niet één woord; want het gebod van de koning was, zeggende: U zult hem niet antwoorden. 22 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde kleren; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen. ### Jesaja 37 1 En het gebeurde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn kleren, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis van JAHWEH. 2 Daarna zond hij Eljakim, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en de oudsten van de priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, de profeet, de zoon van Amoz; 3 En zij zeiden tot hem: Zo zegt Hizkia: Deze dag is een dag van de benauwdheid, en van de schelding, en van de lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren. 4 Misschien zal JAHWEH, uw God, horen de woorden van Rabsake, die zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft, om de levende God te honen, en te schelden met woorden, die JAHWEH, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt. 5 En de knechten van de koning Hizkia kwamen tot Jesaja. 6 En Jesaja zei tot hen: Zo zult u tot uw heer zeggen: Zo zegt JAHWEH: Vrees niet voor de woorden, die u gehoord hebt, waarmee Mij de dienaren van de koning van Assyrië gelasterd hebben. 7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weer in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen. 8 Zo kwam Rabsake weer, en hij vond de koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was. 9 Als hij nu hoorde van Tirhaka, de koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij dat hoorde, zo zond hij weer boden tot Hizkia, zeggende: 10 Zo zult u spreken tot Hizkia, de koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welke u vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand van de koning van Assyrië niet gegeven worden. 11 Zie, u hebt gehoord, wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zou u gered worden? 12 Hebben de goden van de volken die mijn vaders verdorven hebben, die gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren? 13 Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning van de stad Sefarvaim, Hena en Ivva? 14 Als nu Hizkia de brieven uit de hand van de boden ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis van JAHWEH; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht van JAHWEH. 15 En Hizkia bad tot JAHWEH, zeggende: 16 O JAHWEH van de legermachten, U, God van Israël, Die tussen de cherubim woont! U Zelf, U alleen bent de God van alle koninkrijken van de aarde; U hebt de hemel en de aarde gemaakt! 17 O JAHWEH! neig Uw oor en hoor, JAHWEH! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om de levende God te honen. 18 Werkelijk, JAHWEH! hebben de koningen van Assyrië al de landen, en ook hun landerijen verwoest; 19 En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven. 20 Nu dan, JAHWEH, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken van de aarde weten, dat U alleen JAHWEH bent. 21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Dat u tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, heb Ik gehoord. 22 Dit is het woord, dat JAHWEH over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. 23 Wie hebt u gehoond, en gelasterd, en tegen Wie hebt u de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige van Israël! 24 Door middel van uw dienaren hebt u JAHWEH gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte van mijn wagens beklommen de hoogte van de bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud van zijn schone veld. 25 Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd. 26 Hebt u niet gehoord, dat Ik dat lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af gevormd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat u zou zijn, om de versterkte steden te verstoren tot woeste hopen. 27 Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras van het veld en de groene grasscheutjes, als het hooi van de daken, en het brandkoren, voordat het overeind staat. 28 Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. 29 Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen terugkeren door die weg, waardoor u gekomen bent. 30 En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weer uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten. 31 Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal opnieuw naar beneden wortelen, en het zal omhoog vrucht dragen. 32 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van de berg Sion; de ijver van JAHWEH van de legermachten zal dit doen. 33 Daarom, zo zegt JAHWEH van de koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen. 34 Door de weg, die hij gekomen is, door die zal hij terugkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt JAHWEH. 35 Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en omwille van David, Mijn knecht. 36 Toen voer de engel van JAHWEH uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich 's morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. 37 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te Nineve. 38 Het gebeurde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich neerboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; maar zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. ### Jesaja 38 1 In die dagen werd Hizkia ziek tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zei tot hem: Zo zegt JAHWEH: Geef bevel aan uw huis; want u zult sterven, en niet leven. 2 Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar de wand, en hij bad tot JAHWEH. 3 En hij zei: Och JAHWEH, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia huilde geheel zeer. 4 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jesaja, zeggende: 5 Ga heen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt JAHWEH, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen; 6 En Ik zal u uit de hand van de koning van Assyrië verlossen, en ook deze stad; en Ik zal deze stad beschermen. 7 En dit zal u een teken zijn van JAHWEH, dat JAHWEH het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: 8 Zie, Ik zal de schaduw van de graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer naar beneden gegaan is, tien graden achteruit doen keren. Daarom is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij naar beneden gegaan was. 9 Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was. 10 Ik zei: Vanwege de afsnijding van mijn dagen, zal ik tot de poorten van het graf heengaan, ik word beroofd van het overige van mijn jaren. 11 Ik zei: Ik zal JAHWEH niet meer zien, JAHWEH, in het land van de levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners van de wereld. 12 Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk de hut van een herder; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van de drom; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben. 13 Ik stelde mij voor tot de morgenstond toe; zoals een leeuw, zo zal Hij al mijn beenderen breken; van de dag tot de nacht zult U mij ten einde gebracht hebben. 14 Zoals een kraanvogel of zwaluw, zo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o JAHWEH! ik word onderdrukt, wees U mijn Borg. 15 Wat zal ik spreken? Zoals Hij het mij heeft toegezegd, zo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid van mijn ziel. 16 Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want U hebt mij gezond gemaakt en mij genezen. 17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar U hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve van de vertering niet kwame; want U hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen. 18 Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in de kuil neerdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen. 19 De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik vandaag doe; de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken. 20 JAHWEH was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen van ons leven, in het huis van JAHWEH. 21 Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen. 22 En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik in het huis van JAHWEH zal opgaan? ### Jesaja 39 1 Te die tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij ziek geweest en weer sterk geworden was. 2 En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn hele wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn hele heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde. 3 Toen kwam de profeet Jesaja tot de koning Hizkia, en zei tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en vanwaar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zei: Zij zijn uit ver land tot mij gekomen, uit Babel. 4 En hij zei: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zei: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb. 5 Toen zei Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord van JAHWEH van de legermachten. 6 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op deze dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt JAHWEH. 7 Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die u winnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis van de koning van Babel. 8 Maar Hizkia zei tot Jesaja: Het woord van JAHWEH, dat u gesproken hebt, is goed. Ook zei hij: Maar het zij vrede en waarheid in mijn dagen! ### Jesaja 40 1 Troost, troost Mijn volk, zal uw God zeggen. 2 Spreek naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand van JAHWEH dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. 3 Een stem van de roepende in de woestijn: Bereid de weg van JAHWEH, maak recht in de wildernis een baan voor onze God! 4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. 5 En de heerlijkheid van JAHWEH zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond van JAHWEH gesproken heeft. 6 Een stem zegt: Roep! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem van het veld. 7 Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest van JAHWEH daarin blaast; werkelijk, het volk is gras. 8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord van onze God bestaat in de eeuwigheid. 9 O Sion, u verkondigster van goede boodschap, klim op een hoge berg; o Jeruzalem, u verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg de steden van Juda: Zie hier is uw God! 10 Zie, Adonai JAHWEH zal komen tegen de sterke, en Zijn arm zal heersen; zie, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. 11 Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen verzamelen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. 12 Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof van de aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal? 13 Wie heeft de Geest van JAHWEH bestuurd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? 14 Met wie heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad van het recht, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken de weg van het veelvoudige verstand? 15 Zie, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; zie, Hij werpt de eilanden heen als dun stof! 16 En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam als brandoffer. 17 Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en zinloosheid. 18 Bij wie dan zult u God vergelijken, of wat gelijkenis zult u op Hem toepassen? 19 De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe. 20 Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele. 21 Weet u niet? Hoort u niet? Is het u van de beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt u op de grondvesten van de aarde niet gelet? 22 Hij is het, Die daar zit boven de kloot van de aarde, waarvan de inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; 23 Die de vorsten te niet maakt; de richters van de aarde maakt Hij tot zinloosheid. 24 Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen. 25 Bij wie dan zult u Mij vergelijken, die Ik gelijk zij? zeg de Heilige. 26 Hef uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun leger voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid van Zijn krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist. 27 Waarom zegt u dan, o Jakob! en spreekt, o Israël! mijn weg is voor JAHWEH verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij? 28 Weet u het niet? Hebt u niet gehoord, dat de eeuwige God, JAHWEH, de Schepper van de einden van de aarde, noch moe noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. 29 Hij geeft de moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte voor hem, die geen krachten heeft. 30 De jongen zullen moe en mat worden, en de jongemannen zullen zeker vallen; 31 Maar die JAHWEH verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de adelaars; zij zullen lopen, en niet moe worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden. ### Jesaja 41 1 Zwijg voor Mij, u eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen. 2 Wie heeft van de opgang die rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel? 3 Dat hij ze nastreefde en doortrok met vrede, door een pad, dat hij met zijn voeten niet gegaan had? 4 Wie heeft dit gewerkt en gedaan, roepende de geslachten van de beginne? Ik, JAHWEH, Die de Eerste ben, en met de Laatste ben Ik Dezelfde. 5 De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden van de aarde beefden; zij naderden en kwamen toe; 6 De één hielp de ander, en zei tot zijn metgezel: Wees sterk! 7 En de werkmeester versterkte de goudsmid; die met de hamer glad maakt, die, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele. 8 Maar u, Israël, Mijn knecht! u Jakob, die Ik gekozen heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! 9 U, die Ik gegrepen heb van de einden van de aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zei tot u: U bent Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen. 10 Vrees niet, want Ik ben met u; wees niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand van Mijn gerechtigheid. 11 Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die mensen, die met u twisten, zullen vergaan. 12 U zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de mensen, die met u kijven, zullen worden als niet, en die mensen, die met u oorlogen, als een nietig ding. 13 Want Ik, JAHWEH, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u. 14 Vrees niet, u wormpje van Jakob, u volkje van Israël! Ik help u, spreekt JAHWEH, en uw Verlosser is de Heilige van Israël! 15 Zie, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; u zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult u stellen gelijk kaf. 16 U zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar u zult u verheugen in JAHWEH; in de Heilige van Israël zult u zich roemen. 17 De ellendigen en armen zoeken water, maar er is geen, hun tong versmacht van dorst; Ik, JAHWEH zal hen verhoren, Ik, de God van Israël, zal hen niet verlaten. 18 Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden van de valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten. 19 Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieachtigen boom zetten; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom, de beuk, en de busboom te gelijk; 20 Opdat zij zien, en bekennen, en overleggen, en te gelijk verstaan, dat de hand van JAHWEH dat gedaan, en dat de Heilige van Israël dat geschapen heeft. 21 Breng uw rechtszaak voor, zegt JAHWEH; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob. 22 Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondig de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen. 23 Verkondig dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat u goden bent; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en samen toezien. 24 Zie, u bent minder dan niet, en uw werk is erger dan een adder; hij is een gruwel, die u verkiest. 25 Ik verwek één van het noorden, en hij zal opkomen van de opgang van de zon; hij zal Mijn Naam aanroepen; en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottenbakker het slijk treedt. 26 Wie heeft wat verkondigd van de beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die uw woorden hoort. 27 Ik, de Eerste zeg tot Sion: Zie, zie ze daar! en tot Jeruzalem: Ik zal een blijden boodschapper geven. 28 Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder deze, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden. 29 Zie, zij zijn allemaal zinloosheid, hun werken zijn een nietig ding, hun gegoten beelden zijn wind, en een ijdel ding. ### Jesaja 42 1 Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht aan de heidenen voortbrengen. 2 Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten. 3 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen. 4 Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, voordat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten. 5 Zo zegt God, JAHWEH, Die de hemelen geschapen, en ze uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die het volk, dat daarop is, de adem geeft, en de geest aan hen, die daarop wandelen: 6 Ik, JAHWEH, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond van het volk, tot een Licht van de heidenen. 7 Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het huis van bewaring, die in duisternis zitten. 8 Ik ben JAHWEH, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen ander geven, noch Mijn lof de gesneden beelden. 9 Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; voordat zij uitspruiten, doe Ik u die horen. 10 Zing JAHWEH een nieuw lied, Zijn lof van het einde van de aarde; u, die ter zee vaart, en al wat daarin is, u eilanden en hun inwoners. 11 Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van de top van de bergen af schreeuwen. 12 Laat ze JAHWEH de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen. 13 JAHWEH zal uittrekken als een held; Hij zal de ijver opwekken als een soldaat; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen. 14 Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en samen opslokken. 15 Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen. 16 En Ik zal de blinden leiden door de weg, die zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten. 17 Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: U bent onze goden; die zullen achteruit keren, en met schaamte beschaamd worden. 18 Hoor, u doven! en schouwt aan, u blinden! om te zien. 19 Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, die Ik zend? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht van JAHWEH? 20 U ziet wel veel dingen, maar u bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet. 21 JAHWEH had lust aan hem, omwille van Zijn gerechtigheid; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk. 22 Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstopt in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geef ze weer. 23 Wie onder u neemt dat ter ore? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal? 24 Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israël aan de rovers? Is het niet JAHWEH, Hij, tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet. 25 Daarom heeft Hij over hen uitgestort de woede van Zijn toorn en de macht van de oorlog; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, maar zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, maar zij nemen het niet ter harte. ### Jesaja 43 1 Maar nu, zo zegt JAHWEH, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij. 2 Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. 3 Want Ik ben JAHWEH, uw God, de Heilige van Israël, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats. 4 Van toen af, dat u kostelijk bent geweest in Mijn ogen, bent u verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel. 5 Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van de opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van de ondergang. 6 Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde van de aarde; 7 Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en die Ik geschapen heb tot Mijn eer, die Ik gevormd heb, die Ik ook gemaakt heb. 8 Breng voort het blinde volk, dat ogen heeft, en de doven, die oren hebben. 9 Laat al de heidenen samen verzameld worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zeg: Het is de waarheid. 10 U bent Mijn getuigen, spreekt JAHWEH, en Mijn knecht, die Ik uitverkoren heb; opdat u het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelfde ben, dat voor Mij geen God gevormd is, en na Mij geen zijn zal. 11 Ik, Ik ben JAHWEH, en er is geen Heiland behalve Mij. 12 Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder u; en u bent Mijn getuigen, spreekt JAHWEH, dat Ik God ben. 13 Ook voordat de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren? 14 Zo zegt JAHWEH, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Om uwentwil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen neerdalen, te weten de Chaldeeën, in de schepen, waarop zij juichten. 15 Ik ben JAHWEH, uw Heilige; de Schepper van Israël, uw Koning. 16 Zo zegt JAHWEH, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte; 17 Die wagens en paarden, leger en macht voortbracht; samen zijn zij neergelegen, zij zullen niet weer opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan. 18 Gedenk de vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet. 19 Zie, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult u dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. 20 Het gedierte van het veld zal Mij eren, de draken en de jonge struisvogels; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven. 21 Dit volk heb Ik Mij gevormd, zij zullen Mijn lof vertellen. 22 Maar u hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als u zich tegen Mij vermoeid hebt, o Israël! 23 Mij hebt u niet gebracht het kleine vee van uw brandoffers, en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met voedseloffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook. 24 Mij hebt u geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette van uw slachtoffers hebt u Mij niet gedrenkt; maar u hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, u hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. 25 Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uw zonden niet. 26 Maak Mij indachtig, laat ons samen richten, vertel u uw redenen, opdat u mag gerechtvaardigd worden. 27 Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden. 28 Daarom zal Ik de oversten van het heiligdom ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen. ### Jesaja 44 1 Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israël, die Ik gekozen heb! 2 Zo zegt JAHWEH, uw Maker, en uw Formeerder van de buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en u, Jeschurun, die Ik uitverkoren heb! 3 Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen. 4 En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken. 5 Deze zal zeggen: Ik ben van JAHWEH; en die zal zich noemen met de naam van Jakob; en een ander zal met zijn hand schrijven: Ik ben van JAHWEH, en zich toenoemen met de naam van Israël. 6 Zo zegt JAHWEH, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, JAHWEH van de legermachten: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God. 7 En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sinds dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen. 8 Verschrik niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want u bent Mijn getuigen: is er ook een God behalve Mij? Immers, is er geen andere rotssteen: Ik ken er geen? 9 De formeerders van gesneden beelden zijn al samen zinloosheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelf zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden. 10 Wie vormt een god, en giet een beeld, dat geen nut doet? 11 Zie, al hun metgezellen zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich allemaal verzamelen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen samen beschaamd worden. 12 De ijzersmid maakt een bijl, en werkt in de gloed, en vormt het met hamers, en werkt het met zijn sterke arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, voordat hij amechtig wordt. 13 De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij tekent het af met de draad, hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met de passer, en maakt het naar het beeld van een man, naar de schoonheid van een mens, dat het in het huis blijve. 14 Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen van het woud; hij plant een olmboom, en de regen maakt die groot. 15 Dan is het voor de mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neer. 16 Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelf, en hij zegt: Ha! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien! 17 Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neer, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want u bent mijn god! 18 Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan. 19 En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik neerknielen voor wat van een boom gekomen is? 20 Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand? 21 Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want u bent Mijn knecht, Ik heb u gevormd; u bent Mijn knecht, Israël, u zult van Mij niet vergeten worden. 22 Ik wis uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weer tot Mij, want Ik heb u verlost. 23 Zing met vreugde, u hemelen! want JAHWEH heeft het gedaan; juich, u benedenste delen van de aarde! u bergen! maak een groot gedreun met vreugdegezang, u bossen, en alle geboomte daarin! Want JAHWEH heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israël. 24 Zo zegt JAHWEH, uw Verlosser, en Die u gevormd heeft van de buik af: Ik ben JAHWEH, Die alles doet, Die de hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelf; 25 Die de tekenen van de leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achteruit doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast; 26 Die het woord van Zijn knecht bevestigt, en de raad van Zijn boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: U zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: U zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten. 27 Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen. 28 Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot de tempel: Word gegrond. ### Jesaja 45 1 Zo zegt JAHWEH tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neer te werpen; en Ik zal de lendenen van de koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: 2 Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. 3 En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat u mag weten, dat Ik JAHWEH ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israël; 4 Omwille van Jakob, Mijn knecht, en Israël, Mijn uitverkorene; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel u Mij niet kende. 5 Ik ben JAHWEH, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel u Mij niet kent. 6 Opdat men wete, van de opgang van de zon en van de ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben JAHWEH, en niemand meer. 7 Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak de vrede en schep het kwaad, Ik, JAHWEH, doe al deze dingen. 8 Drup, u hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid samen uitspruiten; Ik, JAHWEH, heb ze geschapen. 9 Wee hem, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt u? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? 10 Wee hem, die tot de vader zegt: Wat genereert u? en tot de vrouw: Wat baart u? 11 Zo zegt JAHWEH, de Heilige van Israël, en zijn Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zou u Mij van het werk van Mijn handen bevel geven? 12 Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb de mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun leger bevel gegeven. 13 Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt JAHWEH van de legermachten. 14 Zo zegt JAHWEH: De arbeid van de Egyptenaren en de koophandel van de Moren en van de Sabeërs, van de mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Zeker, God is in u, en er is anders geen God meer. 15 Werkelijk, U bent een God, Die Zich verborgen houdt, de God van Israël, de Heiland. 16 Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; samen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken. 17 Maar Israël wordt verlost door JAHWEH, met een eeuwige verlossing; u zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden. 18 Want zo zegt JAHWEH, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde gevormd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze gevormd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben JAHWEH, en niemand meer. 19 Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats van de aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoek Mij te vergeefs; Ik ben JAHWEH, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt. 20 Verzamel u, en komt, treedt hier toe samen, u, die van de heidenen ontkomen bent! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan. 21 Verkondig en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, JAHWEH? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. 22 Wend u naar Mij toe, wordt behouden, alle u einden van de aarde! want Ik ben God, en niemand meer. 23 Ik heb gezworen bij Mijzelf, er is een woord van de gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet terugkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren. 24 Men zal van Mij zeggen: Zeker, in JAHWEH zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn. 25 Maar in JAHWEH zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het hele zaad van Israël. ### Jesaja 46 1 Bel is gekromd, Nebo wordt neergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten. 2 Samen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben de last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan. 3 Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het hele overblijfsel van het huis van Israël! u die van Mij gedragen bent van de buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. 4 En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik u dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden. 5 Bij wie zou u Mij nabeelden, en gelijkenis maken, en Mij vergelijken, dat wij elkaar gelijken zouden? 6 Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neer, ook buigen zij zich daarvoor. 7 Zij nemen hem op de schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid. 8 Gedenk hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weer in het hart, o u overtreders! 9 Gedenk de vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik; 10 Die van de beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet gebeurd zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. 11 Die een roofvogel roept van het oosten, een man van Mijn raad uit ver land; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het gevormd, Ik zal het ook doen. 12 Hoor naar Mij, u stijven van hart, u, die verre van de gerechtigheid bent! 13 Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet talmen; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid. ### Jesaja 47 1 Daal af, en zit in het stof, u jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige. 2 Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de benen, ga door de rivieren. 3 Uw schaamte zal ontbloot worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens. 4 De Naam van onze Verlosser is JAHWEH van de legermachten, de Heilige van Israël. 5 Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, u dochter van de Chaldeeën! want u zult niet meer genoemd worden koningin van de koninkrijken. 6 Ik was op Mijn volk zeer boos, Ik ontheiligde Mijn erfenis, en Ik gaf hen over in uw hand; maar u bewees hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over de oude maakte u uw juk zeer zwaar. 7 En u zei: Ik zal koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt u deze dingen niet in uw hart genomen, u hebt aan het einde daarvan niet gedacht. 8 Nu dan, hoor dit, u weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen. 9 Maar deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op één dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomen zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid van uw toverijen, vanwege de menigte van uw bezweringen. 10 Want u hebt op uw boosheid vertrouwd; u hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en u hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik. 11 Daarom zal er over u een kwaad komen, u zult de dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, dat u niet zult kunnen verzoenen; want er zal snel een onstuimige verwoesting over u komen, dat u het niet weten zult. 12 Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid van uw toverijen, waarin u gewerkt hebt van uw jeugd af; of u misschien voordeel kon doen, of u misschien u kon sterken. 13 U bent moe geworden in de veelheid van uw raadslagen; laat nu opstaan, die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen. 14 Zie, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelf niet kunnen rukken uit de macht van de vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neer te zitten. 15 Zo zullen zij u zijn, met die u gewerkt hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen. ### Jesaja 48 1 Hoor dit, u huis van Jakob, die genoemd wordt met de naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen bent! die daar zweert bij de Naam van JAHWEH, en vermeldt de God van Israël, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid. 2 Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op de God van Israël; JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam. 3 De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snel gedaan, en zij zijn gekomen; 4 Omdat Ik wist, dat u hard bent, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper; 5 Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, voordat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat u niet misschien zou zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen. 6 U hebt het gehoord, beschouw dat alles; zult u het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die u niet geweten hebt. 7 Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor deze dag hebt u ze ook niet gehoord; opdat u niet misschien zeggen zou: Zie, ik heb ze geweten. 8 Ook hebt u ze niet gehoord, ook hebt u ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat u geheel trouweloos handelen zou, en dat u van de buik af een overtreder genaamd bent. 9 Omwille van Mijn Naam zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en omwille van Mijn roem zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe. 10 Zie, Ik heb u gelouterd, maar niet als zilver, Ik heb u gekeurd in de smeltkroes van de ellende. 11 Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven. 12 Hoor naar Mij, o Jakob! en u Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste. 13 Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar samen. 14 Verzamel u, u allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? JAHWEH heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeeën zijn. 15 Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg. 16 Nader u tot Mij, hoort dit: Ik heb van de beginne niet in het verborgene gesproken, maar van die tijd af, dat het gebeurd is, ben Ik daar; en nu, Adonai JAHWEH, en Zijn Geest heeft Mij gezonden. 17 Zo zegt JAHWEH, uw Verlosser, de Heilige van Israël: Ik ben JAHWEH, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op de weg, die u gaan moet. 18 Och, dat u naar Mijn geboden geluisterd had! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven van de zee. 19 Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als de steentjes daarvan; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch vernietigd van voor Mijn aangezicht. 20 Ga uit van Babel, vlucht van de Chaldeeën, verkondigt met de stem van het gejuich, doe dat horen, brengt het uit tot aan het einde van de aarde, zegt: JAHWEH heeft Zijn knecht Jakob verlost! 21 En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit de rotssteen stromen; als Hij de rotssteen kloof, zo vloeiden de wateren daarheen. 22 Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt JAHWEH. ### Jesaja 49 1 Hoor naar Mij, u eilanden! en luister toe, u volken van verre! JAHWEH heeft Mij geroepen van de buik af, van Mijn moeders binnenste af heeft Hij Mijn Naam gemeld. 2 En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen. 3 En Hij heeft tot Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, door Wie Ik verheerlijkt zal worden. 4 Maar Ik zei: Ik heb te vergeefs gewerkt, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en zinloos toegebracht; zeker, Mijn recht is bij JAHWEH, en Mijn werkloon is bij Mijn God. 5 En nu zegt JAHWEH, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht gevormd heeft, dat Ik Jakob tot Hem teruggeven zou; maar Israël zal zich niet verzamelen laten; toch zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van JAHWEH, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn. 6 Verder zei Hij: Het is te gering, dat U Mij een Knecht zou zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weer te brengen de bewaarden in Israël; Ik heb U ook gegeven tot een Licht van de heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde van de aarde. 7 Zo zegt JAHWEH, de Verlosser van Israël, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Hem, aan Wie het volk een gruwel heeft, tot de Knecht van degenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; omwille van JAHWEH, Die getrouw is, om de Heilige van Israël, Die U gekozen heeft. 8 Zo zegt JAHWEH: In die tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond van het volk, om de aarde op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven; 9 Om te zeggen tot de gebondenen: Ga uit; tot hen, die in duisternis zijn: Kom te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen. 10 Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders van de wateren zachtjes leiden. 11 En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn. 12 Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim. 13 Juich, u hemelen! en verheug u, u aarde! en u bergen! maak gedreun met gejuich; want JAHWEH heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen. 14 Maar Sion zegt: JAHWEH heeft mij verlaten, en JAHWEH heeft mij vergeten. 15 Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon van haar buik? Hoewel deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. 16 Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij. 17 Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan. 18 Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze verzamelen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, zeker, u zult u met alle deze als met een sieraad bekleden, en u zult ze u aanbinden, gelijk een bruid. 19 Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, zeker, nu zult u benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken. 20 Nog zullen de kinderen, waarvan u beroofd was, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen mag. 21 En u zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij deze gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Zie, ik was alleen overgelaten, waar waren deze? 22 Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden. 23 En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof van uw voeten likken; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten. 24 Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen van een rechtvaardige ontkomen? 25 Maar zo zegt JAHWEH: Ja, de gevangenen van de machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst van de tiran zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen. 26 En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal bemerken, dat Ik, JAHWEH, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob. ### Jesaja 50 1 Zo zegt JAHWEH: Waar is de scheidbrief van uw moeder, waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden. 2 Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus geheel kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Zie, door Mijn bestraffing maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. 3 Ik bekleed de hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel. 4 Adonai JAHWEH heeft Mij een tong van de geleerden gegeven, opdat Ik wete met de moede een woord op de juiste tijd te spreken; Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden. 5 Adonai JAHWEH heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet opstandig, Ik wijk niet achteruit. 6 Ik geef Mijn rug aan hen, die Mij slaan, en Mijn wangen aan hen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel. 7 Want Adonai JAHWEH helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden. 8 Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons samen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij. 9 Zie, Adonai JAHWEH helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Zie, zij zullen allemaal als een kleed verouden, de mot zal hen eten. 10 Wie is er onder u, die JAHWEH vreest, die naar de stem van Zijn Knecht hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam van JAHWEH, en steune op zijn God. 11 Zie, u allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandel in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die u ontstoken hebt. Dat gebeurt u van Mijn hand, in smart zult u liggen. ### Jesaja 51 1 Hoor naar Mij, u, die de gerechtigheid nastreeft, u, die JAHWEH zoekt! aanschouw de rotssteen, waar u uit gehouwen bent, en de holligheid van de bornput, waar u uit gegraven bent. 2 Aanschouw Abraham, uw vader, en Sara, die u gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. 3 Want JAHWEH zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als de hof van JAHWEH; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem van het gezang. 4 Luister naar Mij, Mijn volk! en Mijn mensen, neigt naar Mij het oor! want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht van de volken. 5 Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen. 6 Hef uw ogen op naar de hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. 7 Hoor naar Mij, u, die de gerechtigheid kent, u volk, in wier hart Mijn wet is! vrees niet de smaad van de mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet. 8 Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. 9 Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, U arm van JAHWEH! ontwaak als in de vroegere dagen, als in de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? 10 Bent U het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt? Die de diepten van de zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen? 11 Zo zullen de vrijgekochten van JAHWEH terugkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvluchten. 12 Ik, Ik ben het, Die u troost; wie bent u, dat u vreest voor de mens, die sterven zal? en voor het kind van een mens, dat hooi worden zal? 13 En vergeet JAHWEH, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest steeds de hele dag, vanwege de woede van de benauwer, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de woede van de benauwer? 14 De omzwevende gevangene zal haastig los gelaten worden; en hij zal in de kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken. 15 Want Ik ben JAHWEH, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam. 16 En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw van Mijn hand; om de hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: U bent Mijn volk. 17 Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! u, die gedronken hebt van de hand van JAHWEH de beker van Zijn woede; de droesem van de beker van de bedwelming hebt u gedronken, ja, uitgezogen. 18 Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt. 19 Deze twee dingen zijn u overkomen, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wie zal Ik u troosten? 20 Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, zoals een wilde os in het net; zij zijn vol van de woede van JAHWEH, van de bestraffing van uw God. 21 Daarom hoort nu dit, u bedrukten! en u dronkenen, maar niet van wijn! 22 Zo zegt de Heere, JAHWEH en uw God, Die de zaak van Zijn volk twisten zal: Zie, Ik neem de beker van de bedwelming van uw hand, de droesem van de beker van mijn woede; u zult die voortaan niet meer drinken. 23 Maar Ik zal hem in de hand zetten van hen, die u bedroefd hebben, die tot uw ziel zeiden: Buig u neer, dat wij over u gaan; en u legde uw rug neer als aarde, en als een straat van degenen, die daarover gaan. ### Jesaja 52 1 Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke kleren aan, o Jeruzalem, u heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. 2 Schud u uit het stof, maak u op, zit neer, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, u gevangene dochter van Sion! 3 Want zo zegt JAHWEH; U bent om niet verkocht, u zult ook zonder geld gelost worden. 4 Want zo zegt Adonai JAHWEH: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling daar te verkeren; en Assur heeft het om niet onderdrukt. 5 En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt JAHWEH, omdat Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die erover heersen, het doen huilen, spreekt JAHWEH, en Mijn Naam steeds de hele dag gelasterd wordt; 6 Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in die dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; van degene, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; van degene, die tot Sion zegt: Uw God is Koning. 8 Er is een stem van uw wachters; zij verheffen de stem, zij juichen samen; want zij zullen oog aan oog zien, als JAHWEH Sion teruggeven zal. 9 Maak een geschal, juicht samen, u woeste plaatsen van Jeruzalem! want JAHWEH heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. 10 JAHWEH heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle heidenen; en al de einden van de aarde zullen zien het heil van onze God. 11 Vertrek, vertrek, gaat uit van daar, raak het onreine niet aan; ga uit het midden van hen, reinig u, u, die de voorwerpen van JAHWEH draagt! 12 Want u zult niet met haast uitgaan, noch met de vlucht heengaan; want JAHWEH zal voor uw aangezicht henentrekken, en de God van Israël zal uw achtertocht wezen. 13 Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden. 14 Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, zo verdorven was Zijn gezicht, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen; 15 Zo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want die het niet verkondigd was, die zullen het zien, en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. ### Jesaja 53 1 Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van JAHWEH geopenbaard? 2 Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. 3 Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in ziekte; en ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. 4 Werkelijk, Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; maar wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was. 5 Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. 6 Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn weg; maar JAHWEH heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. 7 Als Hij geëist werd, toen werd Hij verdrukt; maar Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. 8 Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden; om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest. 9 En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is. 10 Maar het behaagde JAHWEH Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem ziek gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen van JAHWEH zal door Zijn hand gelukkig voortgaan. 11 Om de arbeid van Zijn ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. 12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft. ### Jesaja 54 1 Zing vrolijk, u onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen van de eenzame zijn meer, dan de kinderen van de getrouwde, zegt JAHWEH. 2 Maak de plaats van uw tenten wijd, en dat men de gordijnen van uw woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in. 3 Want u zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen. 4 Vrees niet, want u zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want u zult niet te schande worden; maar u zult de schaamte van uw jeugd vergeten, en de smaad van uw weduwschap zult u niet meer gedenken. 5 Want uw Maker is uw Man, JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam; en de Heilige van Israël is uw Verlosser; Hij zal de God van de hele aardbodem genoemd worden. 6 Want JAHWEH heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; toch bent u de huisvrouw van de jeugd, hoewel u versmaad bent geweest, zegt uw God. 7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u verzamelen. 8 In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen, zegt JAHWEH, uw Verlosser. 9 Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u bestraffen zal. 10 Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt JAHWEH, uw Ontfermer. 11 U verdrukte, door onweer voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen geheel sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. 12 En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw hele gebied van aangename stenen. 13 En al uw kinderen zullen van JAHWEH geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn. 14 U zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want u zult niet vrezen; en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken. 15 Zie, zij zullen zich zeker verzamelen, maar niet uit Mij; wie zich tegen u verzamelen zal, die zal om uwentwil vallen. 16 Zie, Ik heb de smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik de verderver geschapen, om te vernielen. 17 Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult u verdoemen; dit is de erfenis van de knechten van JAHWEH, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt JAHWEH. ### Jesaja 55 1 O alle dorstigen! kom tot de wateren, en u, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! 2 Waarom weegt u geld uit voor wat geen brood is, en uw arbeid voor wat niet verzadigen kan? Hoor aandachtig naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verheugen. 3 Neig uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse goedertierenheden van David. 4 Zie, Ik heb hem tot een getuige van de volken gegeven, een vorst en gebieder van de volken. 5 Zie, u zult een volk roepen, dat u niet kende, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, omwille van JAHWEH, uw God, en omwille van de Heilige van Israël, want Hij heeft u verheerlijkt. 6 Zoek JAHWEH, terwijl Hij te vinden is; roep Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot JAHWEH, zo zal Hij Zich over hem ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldig. 8 Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt JAHWEH. 9 Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan uw gedachten. 10 Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel neerdaalt, en daarheen niet terugkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve aan de zaaier, en brood aan de eter; 11 Zo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet leeg tot Mij terugkeren; maar het zal doen, wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in wat, waartoe Ik het zend. 12 Want in blijdschap zult u uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen van het veld zullen de handen samenklappen. 13 Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal voor JAHWEH wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden. ### Jesaja 56 1 Zo zegt JAHWEH: Bewaar het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden. 2 Welgelukzalig is de mens, die dat doet, en het mensenkind, dat daaraan vasthoudt; die de sabbat houdt, zodat u die niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen. 3 En de vreemde, die zich tot JAHWEH gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: JAHWEH heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zeg niet: Zie, ik ben een dorre boom. 4 Want zo zegt JAHWEH van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen wat, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond; 5 Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan van de zonen en dan van de dochters; een eeuwige naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. 6 En de vreemden, die zich tot JAHWEH voegen, om Hem te dienen, en om de Naam van JAHWEH lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie de sabbat houdt, dat hij die niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden; 7 Die zal Ik ook brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. 8 De Adonai JAHWEH, Die de verdrevenen van Israël verzamelt, spreekt: Ik zal tot hem nog meer verzamelen, naast hen, die tot hem verzameld zijn. 9 Al u gedierten van het veld, komt om te eten, ja, al u gedierten in het woud! 10 Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neer, zij hebben het sluimeren lief. 11 En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elk naar zijn winst, elk uit zijn einde. 12 Kom herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterke drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel voortreffelijker. ### Jesaja 57 1 De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige mensen worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad. 2 Hij zal ingaan in de vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een ieder die in zijn oprechtheid gewandeld heeft. 3 Maar nadert u hier toe, u kinderen van de guichelares! u overspelig zaad, en u, die hoererij bedrijft! 4 Over wie maakt u zich lustig, over wie spert u de mond wijd open en steekt de tong lang uit? Bent u niet kinderen van de overtreding, een zaad van de valsheid? 5 Die hittig bent in de eikenbossen, onder alle groene boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken van de steenrotsen. 6 Aan de gladde stenen van de beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort u aan hen drankoffer uit, u offert hun voedseloffer; zou Ik Mij over deze dingen troosten laten? 7 U stelt uw leger op een hogen en verhevenen berg; ook klimt u daarheen op, om slachtoffer te offeren. 8 En achter de deur en posten zet u uw gedenkteken; want van Mij wijkende ontdekt u zich, en klimt op; u maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met enigen daaruit, u hebt hun leger lief in elke plaats, die u ziet. 9 En u trekt met olie tot de koning, en u vermenigvuldigt uw geurende zalven; en u zendt uw gezanten verre weg, en vernedert u tot het dodenrijk toe. 10 U bent vermoeid door uw grote reis, maar u zegt niet: Het is buiten hoop; u hebt het leven van uw hand gevonden, daarom wordt u niet ziek. 11 Maar voor wie hebt u geschroomd of gevreesd? Want u hebt gelogen, en bent aan Mij niet gedachtig geweest, u hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, omdat Ik zwijg, en dat van ouds af, en u vreest Mij niet? 12 Ik zal uw gerechtigheid bekend maken, en uw werken, dat zij u geen nut doen zullen. 13 Wanneer u roepen zult, zo laat die, die van u verzameld zijn, u redden; maar de wind zal hen allen wegvoeren, de zinloosheid zal hen wegnemen. Maar die op Mij betrouwt, die zal de aarde erven, en Mijn heilige berg erfelijk bezitten. 14 En men zal zeggen: Verhoog de baan, verhoogt de baan, bereid de weg, neem de aanstoot uit de weg van Mijn volk. 15 Want zo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij hem, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make de geest van de nederigen, en opdat Ik levend make het hart van de verbrijzelden. 16 Want Ik zal niet eeuwig twisten, en Ik zal niet steeds toornig zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb. 17 Ik was toornig over de ongerechtigheid van hun gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was toornig; evenwel gingen zij afkerig heen in de weg van hun harten. 18 Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen. 19 Ik schep de vrucht van de lippen, vrede, vrede van hen, die verre zijn, en van hen, die nabij zijn, zegt JAHWEH, en Ik zal hen genezen. 20 Maar de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op. 21 De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede. ### Jesaja 58 1 Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden. 2 Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis van Mijn wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht van zijn God niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten van de gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen; 3 Zeggende: Waarom vasten wij, en U ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en U weet het niet? Zie, op de dag wanneer u vast, zo vindt u uw lust, en u eist streng al uw arbeid. 4 Zie, tot twist en ruzie vast u, en om goddeloos met de vuist te slaan; vast niet gelijk vandaag, om uw stem te doen horen in de hoogte. 5 Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zou u dat een vasten heten, en een dag voor JAHWEH aangenaam? 6 Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat u losmaakt de knopen van de goddeloosheid, dat u ontdoet de banden van het juk, en dat u vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt? 7 Is het niet, dat u de hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als u een naakte ziet, dat u hem dekt, en dat u zich voor uw vlees niet verbergt? 8 Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snel uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid van JAHWEH zal uw achtertocht wezen. 9 Dan zult u roepen, en JAHWEH zal antwoorden; u zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Zie, hier ben Ik. Zo u uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken van de vinger, en het spreken van de ongerechtigheid; 10 En zo u uw ziel opent voor de hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag. 11 En JAHWEH zal u steeds leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen krachtig maken; en u zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader van de wateren, waarvan de wateren niet ontbreken. 12 En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult u oprichten; en u zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weer opmaakt, om te bewonen. 13 Als u uw voet van de sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heilige dag; en als u de sabbat noemt een verlustiging, opdat JAHWEH geheiligd wordt, Die te eren is; en als u die eert, dat u uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch één woord daarvan spreekt; 14 Dan zult u zich verheugen in JAHWEH, en Ik zal u doen rijden op de hoogten van de aarde, en Ik zal u spijzigen met de erfenis van uw vader Jakob; want de mond van JAHWEH heeft het gesproken. ### Jesaja 59 1 Zie, de hand van JAHWEH is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen. 2 Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen u en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van u, dat Hij niet hoort. 3 Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingers met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht. 4 Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op zinloosheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid. 5 Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er barst een adder uit. 6 Hun webben deugen niet tot kleren, en zij zullen zichzelf niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken van de ongerechtigheid, en een maaksel van de wrevel is in hun handen. 7 Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van de ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen. 8 De weg van de vrede kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelf, al wie daarop gaat, die kent de vrede niet. 9 Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een grote glans, maar wij wandelen in donkerheden. 10 Wij tasten naar de wand, zoals de blinden, en, zoals die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op de middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden. 11 Wij brommen allen zoals de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is ver van ons. 12 Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij; 13 Het overtreden en het liegen tegen JAHWEH, en het achteruit wijken van onze God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart. 14 Daarom is het recht achteruit geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet ingaan. 15 Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en JAHWEH zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was. 16 Omdat Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. 17 Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en de helm van het heil zette Hij op Zijn hoofd, en de kleren van de wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed de ijver aan als een mantel. 18 Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, woede aan Zijn tegenstanders, vergelding aan Zijn vijanden; de eilanden zal Hij het loon vergelden. 19 Dan zullen zij de Naam van JAHWEH vrezen van de neergang, en Zijn heerlijkheid van de opgang van de zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest van JAHWEH de banier tegen hen oprichten. 20 En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt JAHWEH. 21 Wat mij betreft, dit is Mijn Verbond met hen, zegt JAHWEH: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond van uw zaad, noch van de mond van het zaad van uw zaad, zegt JAHWEH, van nu aan tot in eeuwigheid toe. ### Jesaja 60 1 Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid van JAHWEH gaat over u op. 2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; maar over u zal JAHWEH opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. 3 En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan. 4 Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn verzameld, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden. 5 Dan zult u het zien en samenvloeien, en uw hart zal bevreesd zijn en verwijd worden; want de menigte van de zee zal tot u gekeerd worden, het leger van de heidenen zal tot u komen. 6 Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedigen lof van JAHWEH boodschappen. 7 Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken. 8 Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters? 9 Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis allereerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de Naam van JAHWEH, uw God, en tot de Heilige van Israël, omdat Hij u heerlijk gemaakt heeft. 10 En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. 11 En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen overdag of in de nacht niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het leger van de heidenen, en hun koningen tot u geleid worden. 12 Want het volk en het koninkrijk, die u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen geheel verwoest worden. 13 De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke boom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats van Mijn heiligdom, en Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken. 14 Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen van degenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich neerbuigen aan de planten van uw voeten; en zij zullen u noemen de stad van JAHWEH, het Sion van de Heilige van Israël. 15 In plaats dat u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen ging, zo zal Ik u stellen tot een eeuwige heerlijkheid, tot een vreugde van geslacht tot geslacht. 16 En u zult de melk van de heidenen zuigen, en u zult de borsten van de koningen zuigen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, uw Heiland, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob. 17 Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper, en voor stenen ijzer; en zal uw opzichters vreedzaam maken, en uw drijvers rechtvaardigen. 18 Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw gebied; maar uw muren zult u Heil heten, en uw poorten Lof. 19 De zon zal u niet meer wezen tot een licht overdag, en tot een glans zal u de maan niet lichten; maar JAHWEH zal u wezen tot een eeuwig Licht, en uw God tot uw Sierlijkheid. 20 Uw zon zal niet meer ondergaan, en uw maan zal haar licht niet intrekken; want JAHWEH zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen van uw treuring zullen een einde nemen. 21 En uw volk zullen allen samen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit van Mijn plantingen, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt word. 22 De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik, JAHWEH, zal dat te zijner tijd snel doen komen. ### Jesaja 61 1 De Geest van de Heere JAHWEH is op Mij, omdat JAHWEH Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen aan de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening van de gevangenis; 2 Om uit te roepen het jaar van het welbehagen van JAHWEH, en de dag van de wraak van onze God; om alle treurigen te troosten; 3 Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven wordt sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad van de lof voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting van JAHWEH, opdat Hij verheerlijkt worde. 4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weer oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht. 5 En buitenlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. 6 Maar u zult priesters van JAHWEH heten, men zal u dienaren van onze God noemen; u zult het vermogen van de heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult u zich roemen. 7 Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben. 8 Want Ik, JAHWEH, heb het recht lief, Ik haat de roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken. 9 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden van de volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat JAHWEH gezegend heeft. 10 Ik ben zeer vrolijk in JAHWEH, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleren van het heil, de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; zoals een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap. 11 Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, wat in hem gezaaid is, doet uitspruiten; zo zal Adonai JAHWEH gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken. ### Jesaja 62 1 Omwille van Sion zal ik niet zwijgen, en omwille van Jeruzalem zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt. 2 En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en u zult met een nieuwe naam genoemd worden, die de mond van JAHWEH uitdrukkelijk noemen zal. 3 En u zult een sierlijke kroon zijn in de hand van JAHWEH, en een kroon in de hand van uw God. 4 Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar u zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want JAHWEH heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. 5 Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, zo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, zo zal uw God over u vrolijk zijn. 6 O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die steeds al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. O u, die van JAHWEH doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen! 7 En zwijgt niet stil voor Hem, voordat Hij bevestige, en voordat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde. 8 JAHWEH heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij de arm van Zijn sterkte: als Ik uw koren meer zal geven tot voedsel voor uw vijanden, en als de vreemden zullen drinken van uw nieuwe wijn, waaraan u gewerkt hebt! 9 Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen JAHWEH prijzen; en die hem verzamelen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven van Mijn heiligdom. 10 Ga door, gaat door, door de poorten, bereid de weg van het volk; verhoog, verhoog een baan, ruim de stenen weg, steek een banier omhoog tot de volken! 11 Zie, JAHWEH heeft doen horen, tot aan het einde van de aarde: zeg tot de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. 12 En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten van JAHWEH; en u zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is. ### Jesaja 63 1 Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde kleren, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen. 2 Waarom bent U rood aan Uw gewaad, en Uw kleren als van een, die in de wijnpers treedt? 3 Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn woede; en hun kracht is gesprengd op Mijn kleren, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld. 4 Want de dag van de wraak was in Mijn hart, en het jaar van Mijn verlosten was gekomen. 5 En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn woede heeft Mij ondersteund, 6 En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn woede; en Ik heb hun kracht ter aarde doen neerdalen. 7 Ik zal de goedertierenheden van JAHWEH vermelden, de overvloedige lof van JAHWEH, naar alles, wat JAHWEH ons heeft bewezen, en de grote goedheid aan het huis van Israël, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid van Zijn goedertierenheden. 8 Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Zo is Hij hun geworden tot een Heiland. 9 In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel van Zijn aangezicht heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds. 10 Maar zij zijn opstandig geworden, en zij hebben Zijn Heilige Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden. 11 Toch dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders van Zijn kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heilige Geest in het midden van hen stelde? 12 Die de arm van Zijn heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hun aangezichten kloof opdat Hij Zich een eeuwige Naam maakte? 13 Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet. 14 Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest van JAHWEH rust gegeven. Zo hebt U Uw volk geleid, opdat U Zich een heerlijke Naam zou maken. 15 Zie van de hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel van Uw binnenste en van Uw barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in. 16 U bent toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israël kent ons niet; U, o JAHWEH! bent onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam. 17 JAHWEH! waarom doet U ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt U ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weer omwille van Uw knechten, de stammen van Uw erfdeel. 18 Uw heilig volk heeft het maar een korte tijd bezeten; onze tegenstanders hebben Uw heiligdom vertreden. 19 Wij zijn geworden als die, over wie U van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd. ### Jesaja 64 1 Och, dat U de hemelen scheurde, dat U neerkwam, dat de bergen van Uw aangezicht wegsmolten; 2 Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw tegenstanders bekend te maken! Laat zo de heidenen voor Uw aangezicht beven. 3 Toen U vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; U kwam neer, van Uw aangezicht smolten de bergen weg. 4 Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve U, o God! wat Hij doen zal voor hem, die op Hem wacht. 5 U ontmoet de vrolijke, en die gerechtigheid doet aan hen, die aan U gedenken op Uw wegen; zie, U was toornig, omdat wij gezondigd hebben; daarin is de eeuwigheid, opdat wij behouden werden. 6 Maar wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons heen weg als een wind. 7 En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want U verbergt Uw aangezicht voor ons, en U doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden. 8 Maar nu, JAHWEH! U bent onze Vader; wij zijn leem, en U bent onze pottenbakker, en wij allen zijn het werk van Uw handen. 9 JAHWEH! wees niet zo zeer toornig, en gedenk niet eeuwig de ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk. 10 Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting. 11 Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden. 12 JAHWEH! zou U Zich over deze dingen inhouden, zou U stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken? ### Jesaja 65 1 Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Zie, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. 2 Ik heb Mijn handen uitgebreid, de hele dag tot een opstandig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten. 3 Een volk, Mij steeds tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op bakstenen; 4 Zittende bij de graven, zo overnachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnenvlees, en er is sap van gruwelijke dingen in hun voorwerpen. 5 Die daar zeggen: Houd u tot uzelf, en nader niet tot mij, want ik ben heiliger dan u. Deze zijn een rook in Mijn neus, een vuur, de hele dag brandende. 6 Zie, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden; 7 Uw ongerechtigheden, en de ongerechtigheden van uw vaders tegelijk, zegt JAHWEH, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaad aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weer toemeten. 8 Zo zegt JAHWEH: Gelijk wanneer men nieuwe wijn in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; zo zal Ik het omwille van Mijn knechten doen, dat Ik hen niet allen verderve. 9 En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen daar wonen. 10 En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft. 11 Maar u verlaters van JAHWEH, u vergeters van de berg van Mijn heiligheid, u aanrichters van een tafel voor die bende, en u opvullers van de drank voor dat getal! 12 Ik zal u ook ten zwaarde tellen, dat u allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar u hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar u hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt gekozen wat, waaraan Ik geen lust heb. 13 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Zie, Mijn knechten zullen eten, maar u zult hongeren; zie, Mijn knechten zullen drinken, maar u zult dorsten; zie, Mijn knechten zullen blij zijn, maar u zult beschaamd zijn. 14 Zie, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar u zult schreeuwen van smart van het hart, en van verbreking van de geest zult u huilen. 15 En u zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en Adonai JAHWEH zal u doden, maar Zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen; 16 Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in de God van de waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij de God van de waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn. 17 Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. 18 Maar wees u vrolijk, en verheugt u tot in de eeuwigheid in wat Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. 19 En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem van het gehuil, noch de stem van het geschreeuw. 20 Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaar oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaar oud zijnde, zal vervloekt worden. 21 En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en van die vrucht eten. 22 Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen van Mijn volk zullen zijn als de dagen van een boom, en Mijn uitverkorenen zullen het werk van hun handen verslijten. 23 Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad van de gezegenden van JAHWEH, en hun nakomelingen met hen. 24 En het zal gebeuren, voordat zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen. 25 De wolf en het lam zullen samen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal het voedsel van de slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn hele heilige berg, zegt JAHWEH. ### Jesaja 66 1 Zo zegt JAHWEH: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank van Mijn voeten; waar zou dat huis zijn, dat u Mij zou bouwen, en waar is de plaats van Mijn rust? 2 Want Mijn hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen zijn geweest, spreekt JAHWEH; maar op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft. 3 Wie een os slacht, slaat een man; wie een lam offert, breekt een hond de hals; wie voedseloffer offert, is als die zwijnenbloed offert; wie wierook brandt als gedenkoffer, is als die een afgod zegent. Deze verkiezen ook hun wegen, en hun ziel heeft lust aan hun gruwelijke dingen. 4 Ik zal ook verkiezen het loon van hun handelingen, en hun vrees zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en gekozen wat, waartoe Ik geen lust had. 5 Hoor het woord van JAHWEH, u, die voor Zijn woord beeft! Uw broers, die u haten, die u verre afzonderen, omwille van Mijn Naam, zeggen: Dat JAHWEH heerlijk worde! Maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden. 6 Er zal een stem van een groot rumoer uit de stad zijn, een stem uit de tempel, de stem van JAHWEH, Die Zijn vijanden de verdiensten vergeldt. 7 Voordat zij barensnood had, heeft zij gebaard, eer haar smart overkwam, zo is zij van een jongetje verlost. 8 Wie heeft ooit dat gehoord? Wie heeft dergelijks gezien? Zou een land kunnen geboren worden op een enige dag? Zou een volk kunnen geboren worden op een enige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft haar zonen gebaard. 9 Zou Ik de baarmoeder openbreken, en niet genereren? zegt JAHWEH; zou Ik, Die genereer, voortaan toesluiten? zeg uw God. 10 Verblijd u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Wees vrolijk over haar met vreugde, u allen, die over haar bent treurig geweest! 11 Opdat u mag zuigen, en verzadigd worden van de borsten van haar vertroostingen; opdat u mag uitzuigen, en u verlusten met de glans van haar heerlijkheid. 12 Want zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal de vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid van de heidenen als een overlopende beek; dan zult u zuigen; u zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden. 13 Als een, die zijn moeder troost, zo zal Ik u troosten; ja, u zult te Jeruzalem getroost worden. 14 En u zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand van JAHWEH bekend worden aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden gram worden. 15 Want zie, JAHWEH zal met vuur komen, en Zijn wagens als een wervelwind; om met woede Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn bestraffing met vuurvlammen. 16 Want met vuur, en met Zijn zwaard zal JAHWEH in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen van JAHWEH zullen vermenigvuldigd zijn. 17 Die zichzelf heiligen, en zichzelf reinigen in de hoven, achter één in het midden daarvan, die zwijnenvlees eten, en gruwel, en muizen; samen zullen zij verteerd worden, spreekt JAHWEH. 18 Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik verzamelen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien. 19 En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. 20 En zij zullen al uw broers uit alle heidenen aan JAHWEH als voedseloffer brengen, op paarden, en op wagens, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt JAHWEH, zoals de Israëlieten het voedseloffer in een rein voorwerp brengen in het huis van JAHWEH. 21 En ook zal Ik daaruit enigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt JAHWEH. 22 Want zoals die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt JAHWEH, zo zal ook uw zaad en uw naam staan. 23 En het zal gebeuren, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt JAHWEH. 24 En zij zullen heen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen van de mensen zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen. ## Jeremia ### Jeremia 1 1 De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin; 2 Tot wie het woord van JAHWEH kwam, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering. 3 Ook gebeurde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voltooid werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem als gevangene werd weggevoerd in de vijfde maand. 4 Het woord van JAHWEH dan kwam tot mij, zeggende: 5 Voordat Ik u in moeders buik vormde, heb Ik u gekend, en voordat u uit de baarmoeder voortkwam, heb Ik u geheiligd; Ik heb u voor de volken tot een profeet gesteld. 6 Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. 7 Maar JAHWEH zei tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult u spreken. 8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt JAHWEH. 9 En JAHWEH stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en JAHWEH zei tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. 10 Zie, Ik stel u op deze dag over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten. 11 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Ik zie een amandelroede. 12 En JAHWEH zei tot mij: U hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen. 13 En het woord van JAHWEH kwam voor de tweede keer tot mij, zeggende: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een kokende pot, waarvan het voorste deel tegen het noorden is. 14 En JAHWEH zei tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners van het land. 15 Want zie, Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, spreekt JAHWEH; en zij zullen komen, en zetten ieder zijn troon voor de deur van de poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda. 16 En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en aan andere goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken van hun handen. 17 U dan, omgord uw middel, en maak u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla. 18 Want zie, Ik stel u vandaag tot een versterkte stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het hele land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesters, en tegen het volk van het land. 19 En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niets uitrichten; want Ik ben met u, spreekt JAHWEH, om u uit te helpen. ### Jeremia 2 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Ik gedenk aan de goedertierenheid van uw jeugd, aan de liefde van uw ondertrouw, toen u Mij nawandelde in de woestijn, in onbezaaid land. 3 Israël was JAHWEH een heiligheid, de eerstelingen van Zijn opbrengst; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt JAHWEH. 4 Hoort het woord van JAHWEH, u huis van Jakob, en alle geslachten van het huis van Israël! 5 Zo zegt JAHWEH: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij ver van Mij geweken zijn, en hebben de zinloosheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden? 6 En zeiden niet: Waar is JAHWEH, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde? 7 En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede er van te eten; maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land, en stelde Mijn erfenis tot een gruwel. 8 De priesters zeiden niet: Waar is JAHWEH? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baäl, en wandelden naar dingen, die geen nut doen. 9 Daarom zal Ik nog met u twisten, spreekt JAHWEH; ja, met uw kleinkinderen zal Ik twisten. 10 Want, gaat over in de eilanden van de Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of iets dergelijks gebeurd zij? 11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel die geen goden zijn? Toch heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in wat geen nut doet. 12 Ontzet u hierover, u hemelen, en wees verschrikt, wordt zeer woest, spreekt JAHWEH. 13 Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan; Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. 14 Is dan Israël een knecht, of is hij een ingeborene van het huis? Waarom is hij dan ten roof geworden? 15 De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont. 16 Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes de schedel afgeweid. 17 Doet u dit niet zelf, doordien u JAHWEH, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt? 18 En nu, wat hebt u te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt u te doen met de weg van Assur, om de wateren van de rivier te drinken? 19 Uw boosheid zal u straffen, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat u JAHWEH, uw God, verlaat, en Mijn vrees niet bij u is, spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten. 20 Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zei u: Ik zal niet dienen; maar op elke hoge heuvel en onder alle groene boom loopt u om, hoererende. 21 Ik had u toch geplant, een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe bent u Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok? 22 Want, al waste u zich met salpeter, en nam u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt Adonai JAHWEH. 23 Hoe zegt u: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat u gedaan hebt, u lichte, snelle kamelin, die haar wegen verdraait! 24 Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar de lust van haar ziel schept zij de wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moe worden, in haar maand zullen zij haar vinden. 25 Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar u zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen! 26 Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, zo zijn die van het huis van Israël beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten; 27 Die tot een hout zeggen: U bent mijn vader; en tot een steen: U hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij de nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde van hun kwaad zeggen zij: Sta op en verlos ons. 28 Waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde van uw kwaad zullen verlossen; want naar het getal van uw steden zijn uw goden, o Juda! 29 Waarom twist u tegen Mij? U hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt JAHWEH. 30 Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; uw zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdervende leeuw. 31 O geslacht, beschouwt u toch het woord van JAHWEH! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land van de uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen? 32 Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Toch heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal. 33 Wat maakt u uw weg goed, daar u wellust zoekt? Waarom u ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt. 34 Ja, het bloed van de zielen van de onschuldige armen is in uw zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die. 35 Nog zegt u: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Zie, Ik zal met u rechten, omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd. 36 Wat reist u veel uit, veranderende uw weg? U zult ook van Egypte beschaamd worden, zoals u van Assur beschaamd bent. 37 U zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want JAHWEH heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat u daarmee niet voorspoedig zult zijn. ### Jeremia 3 1 Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt van een andere man, zal hij ook tot haar nog terugkeren? Zou dat land niet enorm ontheiligd worden? U nu hebt met veel boeleerders gehoereerd, keer toch weer tot Mij, spreekt JAHWEH. 2 Hef uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar bent u niet beslapen? U hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in de woestijn; zo hebt u het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid. 3 Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en er is geen spade regen geweest. Maar u hebt een hoerenvoorhoofd, u weigert schaamrood te worden. 4 Zult u niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! U bent de leidsman van mijn jeugd! 5 Zal Hij in eeuwigheid de toorn behouden? Zal Hij die gestadig bewaren? Zie, u spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand. 6 Verder zei JAHWEH tot mij, in de dagen van de koning Josia: Hebt u gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging heen op elke hoge berg, en tot onder alle groene boom, en hoereerde daar. 7 En Ik zei, nadat zij dat alles gedaan had: Bekeer u tot Mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouweloze, haar zus Juda. 8 En Ik zag, als Ik vanwege alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zus Juda, niet vreesde, maar ging heen, en hoereerde zelf ook. 9 Ja, het gebeurde, vanwege het gerucht van haar hoererij, dat zij het land ontheiligde; want zij bedreef overspel met steen en met hout. 10 En zelfs in dit alles heeft zich haar trouweloze zus Juda tot Mij niet bekeerd met haar hele hart, maar vals, spreekt JAHWEH. 11 Daarom zei JAHWEH tot mij: De afgekeerde Israël heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda. 12 Ga heen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, u afgekeerde Israël! spreekt JAHWEH, zo zal Ik Mijn toorn op u niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt JAHWEH. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. 13 Alleen ken uw ongerechtigheid, dat u tegen JAHWEH, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder alle groene boom, maar u bent aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest, spreekt JAHWEH. 14 Bekeer u, u afkerige kinderen! spreekt JAHWEH, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion. 15 En Ik zal u herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand. 16 En het zal gebeuren, wanneer u vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt JAHWEH, zullen zij niet meer zeggen: De ark van het verbond van JAHWEH, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weer gemaakt worden. 17 In die tijd zullen zij Jeruzalem noemen, de troon van JAHWEH; en al de heidenen zullen tot haar verzameld worden, omwille van de Naam van JAHWEH, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart. 18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen samen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaders als erfenis gegeven heb. 19 Ik zei wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de legermachten van de heidenen? Maar Ik zei: U zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en u zult van achter Mij niet afkeren. 20 Werkelijk, zoals een vrouw trouweloos scheidt van haar vriend, zo hebt u trouweloos tegen Mij gehandeld, u huis van Israël! spreekt JAHWEH. 21 Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen van de Israëlieten, omdat zij hun weg verkeerd, en JAHWEH, hun God, vergeten hebben. 22 Keer weer, u afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent JAHWEH, onze God! 23 Werkelijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte van de bergen; werkelijk, in JAHWEH, onze God, is Israëls heil! 24 Want de schaamte heeft de arbeid van onze vaders opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochters. 25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen JAHWEH, onze God, gezondigd, wij en onze vaders, van onze jeugd aan tot op deze dag; en wij zijn aan de stem van JAHWEH, onze God, niet gehoorzaam geweest. ### Jeremia 4 1 Zo u zich bekeren zult, Israël! spreekt JAHWEH, bekeer u tot Mij; en zo u uw gruwelijke dingen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om. 2 Maar zweer: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen. 3 Want zo zegt JAHWEH tot de mannen van Juda, en tot Jeruzalem: Ploegt u een braakland, en zaait niet onder de doornen. 4 Besnijd u voor JAHWEH en doet weg de voorhuiden van uw harten, u mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem! opdat Mijn woede niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. 5 Verkondig in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roep met volle stem en zegt: Verzamel u, en laat ons ingaan in de versterkte steden! 6 Werp de banier op naar Sion, vlucht met hopen, blijft niet staan! want Ik breng een kwaad aan van het noorden, en een grote breuk. 7 De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver van de heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in woont. 8 Hierom, gordt zakken aan, bedrijft luid weeklagen en huilt; want de hitte van de toorn van JAHWEH is niet van ons afgekeerd. 9 En het zal in die tijd gebeuren, spreekt JAHWEH, dat het hart van de koning en het hart van de vorsten vergaan zal; en de priesters zullen zich ontzetten, en de profeten zich verwonderen. 10 Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! werkelijk, U hebt dit volk en Jeruzalem enorm bedrogen, zeggende: U zult vrede hebben; daar het zwaard tot aan de ziel raakt. 11 In die tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden: Een dorre wind van de hoge plaatsen in de woestijn, van de weg van de dochter van Mijn volk; niet om te wannen, noch om te zuiveren. 12 Er zal Mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal Ik ook oordelen tegen hen uitspreken. 13 Zie, hij komt op als wolken, en zijn wagens zijn als een wervelwind, zijn paarden zijn sneller dan adelaars; wee ons, want wij zijn verwoest! 14 Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat u behouden wordt; hoe lang zult u de gedachten van uw zinloosheid in het binnenste van u laten overnachten? 15 Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het gebergte van Efraïm. 16 Vermeldt het aan het volk, ziet, doet het horen tegen Jeruzalem; daar komen hoeders uit ver land; en zij verheffen hun stem tegen de steden van Juda. 17 Als de wachters van de velden zijn zij rondom tegen haar; omdat zij tegen Mij opstandig geweest is, spreekt JAHWEH. 18 Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt. 19 O mijn binnenste, mijn binnenste! ik heb barenswee, o wanden van mijn hart! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want u, mijn ziel! hoort het geluid van de bazuin en het oorlogsgeschreeuw. 20 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het hele land is verstoord; haastig zijn mijn tenten verstoord, mijn gordijnen in een ogenblik! 21 Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid van de bazuin horen? 22 Zeker, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet. 23 Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en leeg; ook naar de hemel, en zijn licht was er niet. 24 Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden. 25 Ik zag, en ziet, er was geen mens; en alle vogels van de hemel waren weggevlogen. 26 Ik zag, en ziet, het vruchtbare land was een woestijn, en al zijn steden waren afgebroken, vanwege JAHWEH, vanwege de hitte van Zijn toorn. 27 Want zo zegt JAHWEH: Dit hele land zal een woestijn zijn (maar Ik zal geen voleinding maken); 28 Hierom zal de aarde treuren, en de hemel daarboven zwart zijn; omdat Ik het heb gesproken, Ik heb het voorgenomen en het zal Mij niet rouwen, en Ik zal Mij daarvan niet afkeren. 29 Van het geroep van de ruiteren en boogschutters vluchten al de steden; zij gaan in de wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand daarin woont. 30 Wat zult u dan doen, u verwoeste? Al kleedde u zich met scharlaken, al versierde u zich met gouden sieraad, al scheurde u uw ogen met blanketsel, zo zou u zich toch tevergeefs oppronken; de minnaars versmaden u, zij zullen uw ziel zoeken. 31 Want ik hoor een stem als van een vrouw, die in arbeid is, een benauwdheid als van één, die in de nood van het eerste kind is, de stem van de dochter van Sion; zij hijgt, zij breidt haar handen uit, zeggende: O, wee mij nu, want mijn ziel is moe vanwege de moordenaars! ### Jeremia 5 1 Ga om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of u iemand vindt, of er één is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn. 2 En of zij al zeggen: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! zo zweren zij toch vals. 3 O JAHWEH! zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. 4 Maar ik zei: Zeker, deze zijn arm; zij handelen dwaas, omdat zij de weg van JAHWEH, het recht van hun God niet weten. 5 Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten de weg van JAHWEH, het recht van hun God; maar zij hadden samen het juk verbroken, en de banden verscheurd. 6 Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf van de wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie daaruit uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden. 7 Hoe zou Ik u dat vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis. 8 Als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op; zij hunkeren ieder naar de huisvrouw van zijn naaste. 9 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt JAHWEH. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? 10 Beklim haar muren, en verderft ze (maar maakt geen voleinding); doe haar spitsen weg, want zij zijn niet van JAHWEH. 11 Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben geheel trouweloos tegen Mij gehandeld, spreekt JAHWEH. 12 Zij verloochenen JAHWEH, en zeggen: Hij is het niet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien. 13 Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hun zelf zal het zo gebeuren. 14 Daarom zegt JAHWEH, de God van de legermachten, zo, omdat u dit woord spreekt: Zie, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. 15 Zie, Ik zal over u een volk van verre brengen, o huis van Israël! spreekt JAHWEH; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk, waarvan u de taal niet zult kennen, en niet horen, wat het spreken zal. 16 Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn allemaal helden. 17 En het zal uw oogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochters zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgeboom opeten; uw versterkte steden, waarop u vertrouwt, zal het arm maken, door het zwaard. 18 Toch zal Ik ook in die dagen, spreekt JAHWEH, geen voleinding met u maken. 19 En het zal gebeuren, wanneer u zult zeggen: Waarom heeft ons JAHWEH, onze God, al deze dingen gedaan? dat u tot hen zeggen zult: Zoals u Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, zo zult u de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is. 20 Verkondig dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende: 21 Hoor nu dit, u dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet. 22 Zult u Mij niet vrezen? spreekt JAHWEH; zult u voor Mijn aangezicht niet beven? Die voor de zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; hoewel haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niets uitrichten, hoewel zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan. 23 Maar dit volk heeft een afvallig en opstandig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan; 24 En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu JAHWEH, onze God, vrezen, Die de regen geeft, zo vroege regen als spade regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de vastgestelde tijden van de oogst, bewaart. 25 Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van u. 26 Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijke strik, zij vangen de mensen. 27 Gelijk een kouw vol is van gevogelte, zo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden. 28 Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden van de bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak van de wezen, toch zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht van de armen niet. 29 Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt JAHWEH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? 30 Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak gebeurt er in het land. 31 De profeten profeteren vals, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het graag zo; maar wat zult u aan het einde daarvan doen? ### Jeremia 6 1 Vlucht met hopen, u kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk. 2 Ik heb wel de dochter van Sion bij een schone en wellustige vrouw vergeleken; 3 Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen ieder zijn ruimte afweiden. 4 Heilig de oorlog tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich. 5 Maak u op, en laat ons optrekken in de nacht, en haar paleizen verderven! 6 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Houw bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking. 7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, zo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, smart en plaging is steeds voor Mijn aangezicht. 8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken wordt, opdat Ik u niet stelle tot een woestheid, tot een onbewoond land. 9 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtig nalezen, zoals een wijnstok; breng uw hand weer, zoals een wijnlezer, aan de manden. 10 Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Zie, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; zie, het woord van JAHWEH is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe. 11 Daarom ben ik vol van de woede van JAHWEH, ik ben moe geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderen op de straat, en over de vergadering van de jongemannen samen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met die, die vol is van dagen. 12 En hun huizen zullen omgewend worden tot anderen, met samen de akkers en vrouwen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van dit land, spreekt JAHWEH. 13 Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. 14 En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. 15 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt JAHWEH. 16 Zo zegt JAHWEH: Sta op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult u rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen. 17 Ik heb ook wachters over u gesteld, zeggende: Luister naar het geluid van de bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. 18 Daarom hoort, u heidenen! en verneem, o u vergadering! wat onder hen is. 19 Hoor toe, u aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht van hun gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij. 20 Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit ver land? Uw brandoffers zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtoffers zijn Mij niet zoet. 21 Daarom zegt JAHWEH zo: Zie, Ik zal voor dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten samen vaders en kinderen, de buurman en zijn metgezel, en zullen omkomen. 22 Zo zegt JAHWEH: Zie, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden van de aarde. 23 Boog en speer zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion! 24 Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, smart als van een barende vrouw. 25 Ga niet uit in het veld, noch wandelt op de weg; want het zwaard van de vijand is er, schrik van rondom! 26 O dochter van Mijn volk! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw als over een enige zoon, een zeer bitter luid weeklagen; want de verstoorder zal ons snel overkomen. 27 Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een wachttoren, tot een vesting; opdat u hun weg zou weten en proeven. 28 Zij zijn allen de afvalligsten van de afvalligen, wandelende in roddel; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers. 29 De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtig gesmolten, omdat de bozen niet afgetrokken zijn. 30 Men noemt ze een verworpen zilver; want JAHWEH heeft hen verworpen. ### Jeremia 7 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is, van JAHWEH, zeggende: 2 Sta in de poort van het huis van JAHWEH, en roep daar dit woord uit, en zeg: Hoort het woord van JAHWEH, o geheel Juda! u, die door deze poorten ingaat, om JAHWEH aan te bidden. 3 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Maak uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik u doen wonen in deze plaats. 4 Vertrouw niet op valse woorden, zeggende: De tempel van JAHWEH, de tempel van JAHWEH, de tempel van JAHWEH, zijn deze! 5 Maar als u uw wegen en uw handelingen werkelijk zult goed maken; als u werkelijk zult recht doen tussen de man en tussen zijn naaste; 6 De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen, u ten kwade; 7 Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaders gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw. 8 Zie, u vertrouwt op valse woorden, die geen nut doen. 9 Zult u stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en vals zweren, en Baäl roken, en andere goden nawandelen, die u niet kent? 10 En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelijke dingen te doen? 11 Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een grot van de moordenaren? Zie, Ik heb het ook gezien, spreekt JAHWEH. 12 Want gaat nu heen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israël. 13 En nu, omdat u al deze werken doet, spreekt JAHWEH, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar u niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar u niet geantwoord hebt; 14 Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop u vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaders gegeven heb, doen, zoals Ik aan Silo gedaan heb. 15 En Ik zal u van Mijn aangezicht wegwerpen, zoals Ik al uw broers, het hele zaad van Efraïm, weggeworpen heb. 16 U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen. 17 Ziet u niet, wat zij doen in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem? 18 De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth van de hemel, en aan andere goden drankoffers te offeren, om Mij verdriet aan te doen. 19 Doen zij Mij verdriet aan? spreekt JAHWEH. Doen zij het zichzelf niet aan, tot beschaming van hun aangezicht? 20 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Zie, Mijn toorn en Mijn woede zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte van het veld, en over de vrucht van de aarde; en zal branden, en niet uitgeblust worden. 21 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Doe uw brandoffers tot uw slachtoffers, en eet vlees. 22 Want Ik heb met uw vaders, op de dag als Ik hen uit Egypteland uitvoerde, niet gesproken, noch hun geboden van zaken van het brandoffer of slachtoffers. 23 Maar deze zaak heb Ik hun geboden, zeggende: Hoor naar Mijn stem, zo zal Ik u tot een God zijn, en u zult Mij tot een volk zijn; en wandelt in al de weg, die Ik u gebieden zal, opdat het u welga. 24 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken van hun boos hart; en zij zijn achteruit gekeerd, en niet vooruit. 25 Van die dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op deze dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende. 26 Maar zij hebben naar Mij niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hun vaders. 27 Ook zult u al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u niet horen; u zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden. 28 Daarom zeg tot hen: Dit is het volk, dat naar de stem van JAHWEH, zijn God, niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan, en uitgeroeid van hun mond. 29 Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem! en werp het weg, en verhef een weeklacht op de hoge plaatsen; want JAHWEH heeft het geslacht van Zijn toorn verworpen en verlaten. 30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan, dat kwaad is in Mijn ogen, spreekt JAHWEH; zij hebben hun gruwelijke dingen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. 31 En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal van de zoon van Hinnom is, om hun zonen en hun dochters met vuur te verbranden; dat Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. 32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal van de zoon van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn. 33 En de dode lichamen van dit volk zullen het gevogelte van de hemel, en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn, en niemand zal ze afschrikken. 34 En Ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid; want het land zal tot een verwoesting worden. ### Jeremia 8 1 Ter zelfder tijd, spreekt JAHWEH, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, en de beenderen van hun vorsten, en de beenderen van de priesters, en de beenderen van de profeten, en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem, uit hun graven uithalen. 2 En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het hele leger van de hemel, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en waarvoor zij zich neergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. 3 En de dood zal voor het leven gekozen worden, bij het hele overblijfsel van de overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen van de overgeblevenen, waar Ik hen heengedreven zal hebben, spreekt JAHWEH van de legermachten. 4 Zeg verder tot hen: Zo zegt JAHWEH: Zal men vallen, en niet weer opstaan? Zal men afkeren, en niet terugkeren? 5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weer te keren. 6 Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken wat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, zoals een onbesuisd paard in de strijd. 7 Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn vastgestelde tijden, en een tortelduif, en kraanvogel, en zwaluw, nemen de tijd van hun aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht van JAHWEH niet. 8 Hoe zegt u dan: Wij zijn wijs en de wet van JAHWEH is bij ons! Zie, werkelijk tevergeefs werkt de valse pen van de schriftgeleerden. 9 De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; zie, zij hebben het woord van JAHWEH verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben? 10 Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van de kleinste aan tot de grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van de profeet aan tot de priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. 11 En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! maar daar is geen vrede. 12 Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde van hun bezoeking zullen zij struikelen, zegt JAHWEH. 13 Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt JAHWEH; er zijn geen druiven aan de wijnstok, en geen vijgen aan de vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij. 14 Waarom blijven wij zitten? Verzamel u, en laat ons ingaan in de versterkte steden, en daar stilzwijgen; immers heeft ons JAHWEH, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen JAHWEH gezondigd hebben. 15 Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking. 16 Van Dan af wordt het gesnuif van zijn paarden gehoord; het hele land beeft van het geluid van de briesingen van zijn sterken; en zij komen daarheen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. 17 Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder u, tegen die geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt JAHWEH. 18 Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij. 19 Zie, de stem van het geschrei van de dochters van mijn volk is uit zeer ver land: Is dan JAHWEH niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met zinloosheden van de vreemden? 20 De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. 21 Ik ben gebroken vanwege de breuk van de dochter van mijn volk; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. 22 Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester daar? Want waarom is de gezondheid van de dochter van mijn volk niet gerezen? ### Jeremia 9 1 Och, dat mijn hoofd water was, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter van mijn volk. 2 Och, dat ik in de woestijn een herberg van de wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop. 3 En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, maar niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt JAHWEH. 4 Wees op uw hoede, ieder voor zijn vriend, en vertrouwt niet op enige broer; want elke broer doet niet dan bedriegen, en elke vriend wandelt in roddel. 5 En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moe met verkeerd te handelen. 6 Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt JAHWEH. 7 Daarom zegt JAHWEH van de legermachten zo: Zie, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien van de dochter van Mijn volk? 8 Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij zijn hinderlagen. 9 Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt JAHWEH; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is? 10 Ik zal een geween en een weeklage opheffen over de bergen, en een klaaglied over de herdershutten van de woestijn; want zij zijn afgebrand, dat er niemand doorgaat, en men hoort er geen stem van vee; van de vogels van de hemel aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! 11 En Ik zal Jeruzalem stellen tot steenhopen, tot een woning van de draken; en de steden van Juda zal Ik stellen tot een verwoesting, zonder inwoner. 12 Wie is de wijze man, die dit versta? En tot wie heeft de mond van JAHWEH gesproken, dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand zij als een woestijn, dat er niemand doorgaat? 13 En JAHWEH zei: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben; 14 Maar hebben gewandeld naar het goeddunken van hun harten, en naar de Baäls, dat hun vaders hun geleerd hadden. 15 Daarom zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zo: Zie, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; 16 En Ik zal hen verstrooien onder de heidenen, die zij niet gekend hebben, zij noch hun vaders; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben. 17 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Merk daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt heen naar de wijze vrouwen, dat zij komen. 18 En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen neerdalen, en onze oogleden van water stromen. 19 Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen. 20 Hoor dan het woord van JAHWEH, u vrouwen! en uw oor ontvange het woord van Zijn mond, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen. 21 Want de dood is geklommen in onze vensters, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderen uit te roeien van de wijken, de jongemannen van de straten. 22 Spreek: Zo spreekt JAHWEH: Ja, een dood lichaam van de mens zal liggen, als mest op het open veld, en als een graanschoof achter de maaier, die niemand opzamelt. 23 Zo zegt JAHWEH: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom; 24 Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik JAHWEH ben, doende goedertierenheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt JAHWEH. 25 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben; 26 Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het hele huis van Israël heeft de voorhuid van het hart. ### Jeremia 10 1 Hoort het woord, dat JAHWEH tot u spreekt, o huis van Israël! 2 Zo zegt JAHWEH: Leer de weg van de heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen van de hemel, omdat zich de heidenen daarvoor ontzetten. 3 Want de voorschriften van de volken zijn zinloosheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de handen van de werkmeester met de bijl. 4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele. 5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vrees niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen. 6 Omdat niemand U gelijk is, o JAHWEH! zo bent U groot, en groot is Uw Naam in mogendheid. 7 Wie zou U niet vrezen, U Koning van de heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen van de heidenen, en in hun hele koninkrijk, niemand U gelijk is. 8 In één ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs van de zinloosheden. 9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk van de werkmeester en van de handen van de goudsmid; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk van de wijzen zijn zij al samen. 10 Maar God JAHWEH is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn toorn beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn toorn niet verdragen. 11 (Zo zult u tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.) 12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand. 13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een geluid van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. 14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen. 15 Zinloosheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan. 16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam. 17 Raap uw kramerij weg uit het land, u inwoneres van de vesting! 18 Want zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal de inwoners van het land op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden. 19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plaag is pijnlijk; en ik had gezegd: Dit is immers een ziekte, die ik wel dragen zal! 20 Mijn tent is verstoord, en al mijn touwen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht. 21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben JAHWEH niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en hun hele weide is verstrooid. 22 Zie, er komt een stem van het gerucht, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning van de draken. 23 Ik weet, o JAHWEH! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte. 24 Straf mij, JAHWEH! maar met mate; niet in Uw toorn, opdat U mij niet te niet maakt. 25 Stort Uw woede uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest. ### Jeremia 11 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is, van JAHWEH, zeggende: 2 Hoor u de woorden van dit verbond, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; 3 Zeg dan tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden van dit verbond. 4 Dat Ik uw vaders geboden heb, op de dag als Ik hen uit Egypteland, uit de ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Weest aan Mijn stem gehoorzaam, en doet die, naar alles wat Ik u gebiede; zo zult u Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn; 5 Opdat Ik de eed bevestige, die Ik uw vaders gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honing, als het is op deze dag. Toen antwoordde ik en zei: Amen, o JAHWEH! 6 En JAHWEH zei tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoor de woorden van dit verbond, en doet die. 7 Want Ik heb uw vaders ernstig betuigd, op de dag als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op deze dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoor naar Mijn stem! 8 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, ieder naar het goeddunken van hun boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden van dit verbond, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben. 9 Verder zei JAHWEH tot mij: Er is een samenzwering bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem. 10 Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaders gemaakt heb. 11 Daarom zegt JAHWEH zo: Zie, Ik zal een kwaad over hen brengen, waaruit zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen. 12 Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem heengaan, en roepen tot de goden, die zij gerookt hebben; maar zij zullen hen geheel niet kunnen verlossen ten tijde van hun kwaad. 13 Want naar het getal van uw steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal van de straten van Jeruzalem hebt u altaren gesteld voor die schaamte, altaren om de Baäl te roken. 14 U dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen. 15 Wat heeft Mijn geliefde in Mijn huis te doen, omdat zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer u kwaad doet, dan springt u op van vreugde. 16 JAHWEH had uw naam genoemd een groene olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur daarom aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden. 17 Want JAHWEH van de legermachten, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; vanwege de boosheid van het huis van Israël en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende de Baäl. 18 JAHWEH nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt U mij hun handelingen doen zien. 19 En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons de boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land van de levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht wordt. 20 Maar, o JAHWEH van de legermachten, U rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn rechtszaak ontdekt. 21 Daarom, zo zegt JAHWEH van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in de Naam van JAHWEH, opdat u van onze handen niet sterft. 22 Daarom, zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, Ik zal bezoeking over hen doen: de jongemannen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en hun dochters zullen van honger sterven. 23 En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar van hun bezoeking. ### Jeremia 12 1 U zou rechtvaardig zijn, o JAHWEH! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal toch van Uw oordelen met U spreken; waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouweloos trouweloosheid bedrijven? 2 U hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; U bent wel nabij in hun mond, maar ver van hun nieren. 3 Maar U, o JAHWEH! ken mij, U ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot de dag van de doding. 4 Hoe lang zal het land treuren, en het kruid van het hele veld verdorren? Vanwege de boosheid van degenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; omdat zij zeggen: Hij ziet ons einde niet. 5 Als u loopt met de voetgangers, zo maken zij u moe; hoe zult u zich dan mengen met de paarden? Zo u alleen vertrouwt in een land van vrede, hoe zult u het dan maken in de verheffing van de Jordaan? 6 Want ook uw broers en het huis van uw vader, ook die handelen trouweloos tegen u; ook die roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken. 7 Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de geliefde van Mijn ziel in de hand van haar vijanden gegeven. 8 Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat. 9 Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogels zijn rondom tegen haar; kom aan, verzamelt, al u gedierte van het veld, komt om te eten! 10 Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewenste akker gesteld tot een woeste wildernis. 11 Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het hele land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt. 12 Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen; want het zwaard van JAHWEH verteert van het ene einde van het land tot aan het andere einde van het land; er is geen vrede voor enig vlees. 13 Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd; wordt zo beschaamd vanwege uw inkomsten, vanwege de hitte van de toorn van JAHWEH. 14 Zo zegt JAHWEH: Voor wat betreft al Mijn boze buren, die Mijn erfenis aanroeren, die Ik Mijn volk Israël erfelijk gegeven heb; zie, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hun midden uitrukken. 15 En het zal gebeuren, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik terugkeren, en Mij over hen ontfermen; en Ik zal hen teruggeven, ieder tot zijn erfenis, en ieder tot zijn land. 16 En het zal gebeuren, als zij de wegen van Mijn volk vlijtig zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als JAHWEH leeft! zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baäl, zo zullen zij in het midden van Mijn volk gebouwd worden. 17 Maar als zij niet zullen horen, zo zal Ik die natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt JAHWEH. ### Jeremia 13 1 Zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Ga heen, en koop u een linnen gordel, en doe die aan uw middel, maar breng hem niet in het water. 2 En ik kocht een gordel naar het woord van JAHWEH, en ik deed die aan mijn middel. 3 Toen kwam het woord van JAHWEH voor de tweede keer tot mij, zeggende: 4 Neem de gordel, die u gekocht hebt, die aan uw middel is, en maak u op, en ga heen naar de Frath, en versteek die daar in de klove van een steenrots. 5 Zo ging ik heen, en verstak die bij de Frath, zoals JAHWEH mij geboden had. 6 Het gebeurde nu na verloop van vele dagen, dat JAHWEH tot mij zei: Maak u op, ga heen naar de Frath, en neem de gordel van daar, die Ik u geboden heb daar te versteken. 7 Zo ging ik naar de Frath, en groef, en nam de gordel van de plaats, alwaar ik die verstopt had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe. 8 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 9 Zo zegt JAHWEH: Zo zal Ik verderven de hoogmoed van Juda, en die grote hoogmoed van Jeruzalem. 10 Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken van zijn hart wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neer te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt. 11 Want zoals een gordel kleeft aan de middel van een man, zo heb Ik het hele huis van Israël en het hele huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt JAHWEH, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord. 12 Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden? 13 Maar u zult tot hen zeggen: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal alle inwoners van dit land, zelfs de koningen, die op Davids troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap. 14 En Ik zal hen in stukken slaan, de één tegen de ander, zo de vaders als de kinderen samen, spreekt JAHWEH; Ik zal niet ontzien noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven. 15 Hoor en neemt ter ore, verheft u niet; want JAHWEH heeft het gesproken. 16 Geef eer aan JAHWEH, uw God, voordat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat u naar licht wacht, en Hij het tot een schaduw van de dood stelle, en tot een donkerheid zette. 17 Zult u dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgen plaatsen huilen vanwege de hoogmoed, en mijn oog zal bitter tranen, ja, van tranen neerdalen, omdat de kudde van JAHWEH als gevangene is weggevoerd. 18 Zeg tot de koning en tot de koningin: Verneder u, zet u neer; want uw hele hoofdsieraad, de kroon van uw heerlijkheid, is neergedaald. 19 De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het hele Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd. 20 Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen van uw heerlijkheid? 21 Wat zult u zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar u hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw? 22 Wanneer u dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid van uw ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden. 23 Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult u ook kunnen goed doen, die geleerd bent kwaad te doen. 24 Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind van de woestijn. 25 Dit zal uw lot, het deel van uw maten zijn van Mij, spreekt JAHWEH; u, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt. 26 Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden. 27 Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid van uw hoerdom, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw gruwelijke dingen gezien; wee u, Jeruzalem! zult u niet rein worden? Hoe lang nog na deze? ### Jeremia 14 1 Het woord van JAHWEH, dat tot Jeremia gebeurd is, over de zaken van de grote droogte. 2 Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op. 3 En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun kruiken leeg weer; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd. 4 Omdat de aarde gescheurd is, omdat er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd. 5 Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is. 6 En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen de wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is. 7 Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o JAHWEH! doe het omwille van Uw Naam; want onze afkeringen zijn veelvuldig, wij hebben tegen U gezondigd. 8 O Israëls Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zou U zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te overnachten? 9 Waarom zou U zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? U bent toch in het midden van ons, o JAHWEH! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet. 10 Zo zegt JAHWEH van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft JAHWEH geen welgevallen aan hen, nu zal Hij aan hun ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken. 11 Verder zei JAHWEH tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede. 12 Hoewel zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en hoewel zij brandoffer en voedseloffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door de honger, en door de pest zal Ik hen verteren. 13 Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH! zie, die profeten zeggen hun: U zult geen zwaard zien, en u zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewisse vrede geven in deze plaats. 14 En JAHWEH zei tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren u een vals visioen, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij van hun harten. 15 Daarom zegt JAHWEH zo: Voor wat betreft de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; die profeten zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden. 16 En het volk, tot wie zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege de honger en het zwaard; en er zal niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochters; zo zal Ik hun boosheid over hen uitstorten. 17 Daarom zult u dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen neerdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw van de dochter van Mijn volk is gebroken met een grote breuk, een plaag, die zeer pijnlijk is. 18 Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad kom, ziet daar de zieken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet. 19 Hebt U dan Juda geheel verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt U ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking. 20 JAHWEH! wij kennen onze goddeloosheid, en de ongerechtigheid van onze vaders, want wij hebben tegen U gezondigd. 21 Versmaad ons niet, omwille van Uw Naam; werp de troon van Uw heerlijkheid niet neer; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons. 22 Zijn er onder de zinloosheden van de heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Bent U die niet, o JAHWEH, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want U doet al die dingen. ### Jeremia 15 1 Maar JAHWEH zei tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan. 2 En het zal gebeuren, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat u tot hen zult zeggen: Zo zegt JAHWEH: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot de honger, ten honger; en wie voor gevangenschap bestemd is, naar de gevangenis! 3 Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt JAHWEH: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte van de hemel, en met het gedierte van de aarde, om op te eten en te verderven. 4 En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om wat hij te Jeruzalem gedaan heeft. 5 Want wie zou u sparen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen? 6 U hebt Mij verlaten, spreekt JAHWEH; u bent achteruit gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben het berouwen moe geworden. 7 En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten van het land; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd. 8 Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op de middag; Ik heb hem haastig hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen. 9 Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hun overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht van hun vijanden, spreekt JAHWEH. 10 Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van ruzie voor het hele land! Ik heb hun niet op rente gegeven, ook hebben zij mij niet op rente gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen. 11 JAHWEH zei: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! zo Ik niet, in de tijd van het kwaad en in tijd van de benauwdheid, bij de vijand voor u tussenkome! 12 Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken? 13 Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw gebied. 14 En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat u niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden. 15 O JAHWEH! U weet het, gedenk aan mij, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw geduld over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage. 16 Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap van mijn hart; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o JAHWEH, God van de legermachten! 17 Ik heb in de raad van de bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want U hebt mij met toorn vervuld. 18 Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plaag pijnlijk? Zij weigert geheeld te worden; zou U mij geheel zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn? 19 Daarom zegt JAHWEH zo: Zo u zult terugkeren, zo zal Ik u doen terugkeren; u zult voor Mijn aangezicht staan; en zo u het kostelijke van het snode uittrekt, zult u als Mijn mond zijn; laat hen tot u terugkeren, maar u zult tot hen niet terugkeren. 20 Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt JAHWEH. 21 Ja, Ik zal u rukken uit de hand van de bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm van de tirannen. ### Jeremia 16 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 U zult u geen vrouw nemen, en u zult geen zonen noch dochters hebben in deze plaats. 3 Want zo zegt JAHWEH van de zonen en van de dochters, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze winnen in dit land: 4 Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op de aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. 5 Want zo zegt JAHWEH: Ga niet in het huis van degene, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet heen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt JAHWEH) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden; 6 Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelf insnijden, noch kaal maken om hunnentwil. 7 Ook zal men hun niets uitdelen over de rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit de troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder. 8 Ga ook niet in een huis van de maaltijd, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken. 9 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal van deze plaats, voor uw ogen en in uw dagen, doen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid. 10 En het zal gebeuren, als u dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt JAHWEH al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen JAHWEH, onze God, gezondigd hebben? 11 Dat u tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt JAHWEH, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die neergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben; 12 En u erger gedaan hebt dan uw vaders; want zie, u wandelt, ieder naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen. 13 Daarom zal Ik u uit dit land werpen, in een land, dat u niet gekend hebt, u noch uw vaders; en daar zult u andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven. 14 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd! 15 Maar: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarheen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen teruggeven in hun land, dat Ik hun vaders gegeven heb. 16 Zie, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt JAHWEH, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op elke berg, en van op elke heuvel, ja, uit de kloven van de steenrotsen. 17 Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verborgen van voor Mijn ogen. 18 Daarom zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen van hun gruwelijke dingen vervuld. 19 O JAHWEH! U bent mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht op de dag van de benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden van de aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en zinloosheid, waarin toch niets was, dat nut deed. 20 Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden. 21 Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is JAHWEH. ### Jeremia 17 1 De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffel, met de punt van een diamant; gegraven in de tafel van hun hart, en aan de hoornen van uw altaren; 2 Zoals hun kinderen aan hun altaren gedenken, en aan hun bossen, bij het groen geboomte, op de hoge heuvelen. 3 Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, en ook uw hoogten, om de zonde in al uw gebied. 4 Zo zult u aflaten (en dat om u zelf) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat u niet kent; want u hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden. 5 Zo zegt JAHWEH: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van JAHWEH afwijkt! 6 Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. 7 Gezegend daarentegen is de man, die op JAHWEH vertrouwt, en wiens vertrouwen JAHWEH is! 8 Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortels uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen. 9 Sluw is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik, JAHWEH, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om ieder te geven naar zijn wegen, naar de vrucht van zijn handelingen. 11 Gelijk een veldhoen eieren verzamelt, maar broedt ze niet uit, zo is hij, die rijkdom verzamelt, maar niet met recht; in de helft van zijn dagen zal hij die moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn. 12 Een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats van ons heiligdom. 13 O JAHWEH, Israëls Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten JAHWEH, de Springader van het levende water. 14 Genees mij, JAHWEH! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want U bent mijn Lof. 15 Zie, zij zeggen tot mij: Waar is het woord van JAHWEH? Laat het nu komen! 16 Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik de dodelijke dag niet begeerd, U weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest. 17 Wees U mij niet tot een verschrikking; U bent mijn Toevlucht op de dag van het kwaad. 18 Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen de dag van het kwaad, en verbreek hen met een dubbele verbreking. 19 Zo heeft JAHWEH tot mij gezegd: Ga heen en sta in de poort van de kinderen van het volk, waardoor de koningen van Juda ingaan, en waardoor zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem; 20 En zeg tot hen: Hoort het woord van JAHWEH, u koningen van Juda, en geheel Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat! 21 Zo zegt JAHWEH: Weest op uw hoede voor uw zielen, en draagt geen last op de sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem. 22 Ook zult u geen last uitvoeren uit uw huizen op de sabbatdag, noch enig werk doen; maar u zult de sabbatdag heiligen, zoals Ik uw vaders geboden heb. 23 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen. 24 Het zal dan gebeuren, als u vlijtig naar Mij zult horen, spreekt JAHWEH, dat u geen last door de poorten van deze stad op de sabbatdag inbrengt, en u de sabbatdag heiligt, dat u geen werk daarop doet; 25 Zo zullen door de poorten van deze stad ingaan koningen en vorsten, zittende op de troon van David, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid. 26 En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en voedseloffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, in het huis van JAHWEH. 27 Maar als u naar Mij niet zult horen, om de sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als u op de sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust. ### Jeremia 18 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, zeggende: 2 Maak u op, en ga af in het huis van de pottenbakker, en daar zal Ik u Mijn woorden doen horen. 3 Zo ging ik af in het huis van de pottenbakker; en ziet, hij maakte een werk op de schijven. 4 En de pot, die hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand van de pottenbakker; toen maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het recht was in de ogen van de pottenbakker te maken. 5 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 6 Zal Ik u niet kunnen doen, zoals deze pottenbakker, o huis van Israël? spreekt JAHWEH; zie, gelijk leem in de hand van de pottenbakker, zo bent u in Mijn hand, o huis van Israël! 7 In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen; 8 Maar als dat volk, waarover Ik dat gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik het dacht te doen. 9 Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten; 10 Maar als het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede, waarmee Ik gezegd had het te zullen weldoen. 11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik formeer een kwaad tegen u, en denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu, ieder van zijn boze weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. 12 Maar zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, ieder het goeddunken van zijn boos hart. 13 Daarom, zo zegt JAHWEH: Vraag nu onder de heidenen; wie heeft zoiets gehoord? De jonkvrouw van Israël doet een zeer afschuwelijke zaak. 14 Zal men ook om een rotssteen van het veld verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, stromende wateren verlaten worden? 15 Toch heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken aan de zinloosheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is; 16 Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden. 17 Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht van de vijand; Ik zal hun de nek en niet het aangezicht laten zien, op de dag van hun verderf. 18 Toen zeiden zij: Kom aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van de priester, noch de raad van de wijze, noch het woord van de profeet; kom aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige van zijn woorden! 19 JAHWEH! luister naar mij, en hoor naar de stem van mijn twisters. 20 Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw woede van hen af te wenden. 21 Daarom, geef hun zonen de honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld van het zwaard, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door de dood omgebracht, en hun jongemannen met het zwaard geslagen worden in de strijd. 22 Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer U haastig een bende over hen zult brengen; omdat zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten. 23 Maar U, JAHWEH! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en wis hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen neergeveld worden voor Uw aangezicht; handel zo met hen, ten tijde van Uw toorn. ### Jeremia 19 1 Zo zegt JAHWEH: Ga heen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten van het volk, en van de oudsten van de priesters. 2 En ga uit naar het dal van de zoon van Hinnom, dat voor de deur van de Zonnepoort is, en roep daar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal; 3 En zeg: Hoort het woord van JAHWEH, u koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, waarvan een ieder, die het hoort, de oren klinken zullen; 4 Omdat zij Mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en aan andere goden daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaders, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met bloed van de onschuldigen. 5 Want zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baäl tot brandoffers; dat Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen? 6 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dal van de zoon van Hinnom, maar Moorddal. 7 Want Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht van hun vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand van degenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel geven. 8 En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen. 9 En Ik zal hun het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters doen eten, en zij zullen eten, ieder het vlees van zijn naaste, in de belegering en in de benauwing, waarmee hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen. 10 Dan zult u de kruik verbreken voor de ogen van de mannen, die met u gegaan zijn; 11 En u zult tot hen zeggen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, zoals men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weer geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven. 12 Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt JAHWEH, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth. 13 En de huizen van Jeruzalem en de huizen van de koningen van Juda zullen, zoals alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op wier daken zij aan al het leger van de hemel gerookt en aan vreemde goden drankoffers geofferd hebben. 14 Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarheen hem JAHWEH gezonden had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van het huis van JAHWEH, en zei tot al het volk: 15 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen. ### Jeremia 20 1 Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis van JAHWEH), Jeremia hoorde, die woorden profeterende, 2 Zo sloeg Pashur de profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, die is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis van JAHWEH is. 3 Maar het gebeurde op de andere dag, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zei Jeremia tot hem: JAHWEH noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib. 4 Want zo zegt JAHWEH: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelf en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard van hun vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal geheel Juda geven in de hand van de koning van Babel, die hen naar Babel als gevangene zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard. 5 Ook zal Ik geven al het vermogen van deze stad, en al haar arbeid, en al haar kostbaarheid, en alle schatten van de koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand van hun vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel. 6 En u, Pashur, en alle inwoners van uw huis! u zult gaan in de gevangenis; en u zult te Babel komen, en daar sterven, en daar begraven worden, u en al uw vrienden, die u vals geprofeteerd hebt. 7 JAHWEH! U hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; U bent mij te sterk geweest, en hebt overweldigd; ik ben de hele dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij. 8 Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij het woord van JAHWEH de hele dag tot smaad en tot schimp is. 9 Daarom zei ik: Ik zal aan Hem niet denken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet. 10 Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen. 11 Maar JAHWEH is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets uitrichten; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandig gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden. 12 U dan, o JAHWEH van de legermachten, Die de rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn rechtszaak ontdekt. 13 Zing voor JAHWEH, prijst JAHWEH; want Hij heeft de ziel van de armen uit de hand van de boosdoeners verlost. 14 Vervloekt zij de dag, op welke ik geboren ben; de dag, op welke mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend! 15 Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, die hem zeer verblijdde! 16 Ja, die man zij, als de steden, die JAHWEH heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in de morgenstond een geroep, en op de middagtijd een geschrei. 17 Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van één, die eeuwig zwanger is! 18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan? ### Jeremia 21 1 Het woord, dat van JAHWEH gebeurd is tot Jeremia, als koning Zedekia tot hem zond Pashur, de zoon van Malchia, en Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, zeggende: 2 Vraag toch JAHWEH voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons; misschien zal JAHWEH met ons doen naar al Zijn wonderen, dat hij van ons optrekke. 3 Toen zei Jeremia tot hen: Zo zult u tot Zedekia zeggen: 4 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zie, Ik zal de oorlogswapenen omwenden, die in uw hand zijn, waarmee u strijdt tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u belegeren, van buiten aan de muur; en Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad. 5 En Ik Zelf zal tegen u strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, en met woede, en met grote toorn. 6 En Ik zal de inwoners van deze stad slaan, zowel de mensen als de beesten; door een grote pest zullen zij sterven. 7 En daarna spreekt JAHWEH, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pest, van het zwaard en van de honger, geven in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte van het zwaard; hij zal ze niet sparen, noch ontzien, noch zich ontfermen. 8 En tot dit volk zult u zeggen: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik stel voor uw aangezicht de weg van het leven en de weg van de dood. 9 Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door de honger, of door de pest; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die u belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn. 10 Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt JAHWEH; zij zal gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. 11 En voor wat betreft het huis van de koning van Juda, hoort het woord van JAHWEH. 12 O huis van David! zo zegt JAHWEH: Richt 's morgens recht, en verlost de beroofde uit de hand van de verdrukker; opdat Mijn toorn niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid van uw handelingen. 13 Zie, Ik wil aan u, u inwoneres van het dal, u rots van het plein! spreekt JAHWEH; u, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen? 14 En Ik zal over u bezoeking doen naar de vrucht van uw handelingen, spreekt JAHWEH; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is. ### Jeremia 22 1 Zo zegt JAHWEH: Ga af in het huis van de koning van Juda, en spreek daar dit woord. 2 En zeg: Hoor het woord van JAHWEH, u koning van Juda, u, die zit op Davids troon, u, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan! 3 Zo zegt JAHWEH: Doe recht en gerechtigheid, en redt de beroofde uit de hand van de verdrukker; en onderdrukt de vreemdeling niet, de wees noch de weduwe; doe geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats. 4 Want als u deze zaak ernstig zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende voor David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk. 5 Als u daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt JAHWEH, dat dit huis tot een woestheid worden zal. 6 Want zo zegt JAHWEH van het huis van de koning van Juda: U bent Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden! 7 Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen. 8 Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft JAHWEH zo gedaan deze grote stad? 9 En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond van JAHWEH, van hun God, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden neergebogen, en die gediend. 10 Ween niet over de dode, en beklaagt hem niet; ween vrij over die, die weggegaan is, want hij zal nimmermeer terugkomen, dat hij het land van zijn geboorte zie. 11 Want zo zegt JAHWEH van Sallum, de zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer terugkomen. 12 Maar in de plaats, waarheen zij hem als gevangene hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien. 13 Wee die, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die de dienst van zijn naaste om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet! 14 Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en glorierijke opperzalen; en hij houwt zich vensters uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie. 15 Zou u regeren, omdat u zich mengt met de ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel? 16 Hij heeft de rechtzaak van de ellendigen en armen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt JAHWEH. 17 Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen. 18 Daarom zegt JAHWEH zo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broer! of, och zus! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit! 19 Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarheen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem. 20 Klim op de Libanon en roep, en verhef uw stem op de Basan; roep ook van de doorwaadbare plaatsen; maar al uw liefhebbers zijn verbroken. 21 Ik sprak u aan in uw grote voorspoed, maar u zei: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat u Mijn stem niet hebt gehoorzaamd. 22 De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult u zeker beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid. 23 O u, die nu op de Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult u zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als van een barende vrouw! 24 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH, hoewel Chonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring was aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken. 25 En Ik zal u geven in de hand van degenen, die uw ziel zoeken, en in de hand van degenen, voor wie u schrikt, namelijk in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en in de hand van de Chaldeeën. 26 En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin u niet geboren bent, en daar zult u sterven. 27 En in het land, waarnaar hun ziel verlangt om daar weer te komen, daarheen zullen zij niet terugkomen. 28 Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een voorwerp, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen? 29 O land, land, land! hoor het woord van JAHWEH! 30 Zo zegt JAHWEH: Schrijf deze zelfde man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op de troon van David, en heersende meer in Juda. ### Jeremia 23 1 Wee de herders, die de schapen van Mijn weide ombrengen en verstrooien! spreekt JAHWEH. 2 Daarom zegt JAHWEH, de God van Israël, zo van de herders, die Mijn volk weiden: U hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; zie, Ik zal over u bezoeken de boosheid van uw handelingen, spreekt JAHWEH. 3 En Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen Zelf verzamelen uit al de landen, waarheen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze teruggeven tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen. 4 En Ik zal herders over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt JAHWEH. 5 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. 6 In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmee men Hem zal noemen: JAHWEH: ONZE GERECHTIGHEID. 7 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die de Israëlieten uit Egypteland heeft opgevoerd. 8 Maar: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die het zaad van het huis van Israël heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land. 9 Voor wat betreft de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, wie de wijn te boven gaat; vanwege JAHWEH, en vanwege de woorden van Zijn heiligheid. 10 Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege de vloek, de weiden van de woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht. 11 Want zowel profeten als priesters zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt JAHWEH. 12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar van hun bezoeking, spreekt JAHWEH. 13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baäl profeteerden, en Mijn volk Israël verleidden. 14 Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen van de boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, ieder van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra. 15 Daarom zegt JAHWEH van de legermachten van deze profeten zo: Zie, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het hele land. 16 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Hoor niet naar de woorden van de profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het visioen van hun harten, niet uit de mond van JAHWEH. 17 Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: JAHWEH heeft het gesproken, u zult vrede hebben; en tot al wie naar het goeddunken van zijn hart wandelt, zeggen zij: U zal geen kwaad overkomen. 18 Want wie heeft in de raad van JAHWEH gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord? 19 Zie, een onweer van JAHWEH, een woede is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweer, het zal blijven op het hoofd van de goddelozen. 20 De toorn van JAHWEH zal zich niet afwenden, voordat Hij zal hebben gedaan, en voordat Hij zal hebben daargesteld de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u met verstand daarop letten. 21 Ik heb die profeten niet gezonden, toch hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, toch hebben zij geprofeteerd. 22 Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun boze weg, en van de boosheid van hun handelingen. 23 Ben Ik een God van nabij, spreekt JAHWEH, en niet een God van verre? 24 Zou zich iemand in verborgen plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt JAHWEH; vervul Ik niet de hemel en de aarde? spreekt JAHWEH. 25 Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd. 26 Hoe lang? Is er dan een droom in het hart van de profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van de bedriegerij van hun hart. 27 Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; zoals hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baäl. 28 De profeet, bij welke een droom is, die vertelle de droom; en bij welke Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtig; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt JAHWEH. 29 Is Mijn woord niet zo, als een vuur? spreekt JAHWEH, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat? 30 Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt JAHWEH, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste; 31 Zie, Ik wil aan de profeten, spreekt JAHWEH, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken; 32 Zie, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt JAHWEH, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugens en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk geheel geen nut doen, spreekt JAHWEH. 33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is de last van JAHWEH? Zo zult u tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik u verlaten zal, spreekt JAHWEH. 34 En voor wat betreft de profeet, of de priester, of het volk, dat zeggen zal: De last van JAHWEH; dat Ik bezoeking zal doen over die man en over zijn huis. 35 Zo zult u zeggen, ieder tot zijn naaste, en ieder tot zijn broer: Wat heeft JAHWEH geantwoord, en wat heeft JAHWEH gesproken? 36 Maar de last van JAHWEH zult u niet meer gedenken; want voor ieder zal zijn eigen woord een last zijn, omdat u verkeert de woorden van de levende God, JAHWEH van de legermachten, onze God. 37 Zo zult u zeggen tot de profeet: Wat heeft u JAHWEH geantwoord en wat heeft JAHWEH gesproken? 38 Maar omdat u zegt: De last van JAHWEH; daarom, zo zegt JAHWEH: Omdat u dit woord zegt: De last van JAHWEH, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: U zult niet zeggen: De last van JAHWEH; 39 Daarom, ziet, Ik zal u ook geheel vergeten, en u, en ook de stad, die Ik u en uw vaders gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen. 40 En Ik zal u eeuwige smaad aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten. ### Jeremia 24 1 JAHWEH deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenmanden, gezet voor de tempel van JAHWEH; nadat Nebukadnezar, koning van Babel, als gevangene had weggevoerd Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, en ook de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had. 2 In de ene mand waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in de andere mand waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden. 3 En JAHWEH zei tot mij: Wat ziet u, Jeremia? En ik zei: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 4 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 5 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Gelijk die goede vijgen, zo zal Ik kennen de als gevangene weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land van de Chaldeeën heb weggeschikt, ten goede. 6 En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen teruggeven in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken. 7 En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik JAHWEH ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun hele hart bekeren. 8 En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want zo zegt JAHWEH), zo zal Ik maken Zedekia, de koning van Juda, en ook zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen; 9 En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, aan alle koninkrijken van de aarde; tot smaad, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarheen Ik hen gedreven zal hebben; 10 En Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaders gegeven had. ### Jeremia 25 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is over het hele volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadnezar, koning van Babel); 2 Dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot het hele volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende: 3 Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord van JAHWEH tot mij gebeurd; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt niet gehoord. 4 Ook heeft JAHWEH tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar u hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen); 5 Zeggende: Bekeer u toch, ieder van zijn boze weg, en van de boosheid van uw handelingen, en woont in het land, dat JAHWEH u en uw vaders gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw; 6 En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neer te buigen; en vertoornt Mij niet door het werk van uw handen, opdat Ik u geen kwaad doe. 7 Maar u hebt naar Mij niet gehoord, spreekt JAHWEH; opdat u Mij vertoornde door het werk van uw handen, u zelf ten kwade. 8 Daarom, zo zegt JAHWEH van de legermachten: Omdat u Mijn woorden niet hebt gehoord; 9 Zie, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt JAHWEH; en tot Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden. 10 En Ik zal van hen doen vergaan de stem van de vrolijkheid en de stem van de vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid van de molens en het licht van de lamp. 11 En dit hele land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren. 12 Maar het zal gebeuren, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt JAHWEH, hun ongerechtigheid bezoeken, en ook over het land van de Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen. 13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken. 14 Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; zo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk van hun handen. 15 Want zo heeft JAHWEH, de God van Israël, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn van de woede van Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken, tot wie Ik u zend; 16 Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden. 17 En ik nam de beker uit de hand van JAHWEH, en ik gaf te drinken aan al de volken, tot wie JAHWEH mij gezonden had; 18 Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en haar koningen, en haar vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, zoals het is op deze dag; 19 Farao, de koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk; 20 En de hele gemengde hoop, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van de Filistijnen, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod; 21 Edom, en Moab, en de kinderen Ammons; 22 En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen van de eilanden, die aan de overzijde van de zee zijn. 23 Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn; 24 En alle koningen van Arabië; en alle koningen van de gemengde hoop, die in de woestijn wonen; 25 En alle koningen van Zimri, en alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië; 26 En alle koningen van het noorden, die nabij en die verre zijn, de één met de anderen; ja, alle koninkrijken van de aarde, die op de aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken. 27 U zult dan tot hen zeggen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Drink, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, dat u niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden. 28 En het zal gebeuren, wanneer zij weigeren zullen de beker van uw hand te nemen om te drinken, dat u tot hen zeggen zult: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: U zult zeker drinken! 29 Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zou u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners van de aarde, spreekt JAHWEH van de legermachten. 30 U zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en u zult tot hen zeggen: JAHWEH zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning van Zijn heiligheid; Hij zal verschrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners van de aarde. 31 Het geschal zal komen tot aan het einde van de aarde; want JAHWEH heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt JAHWEH. 32 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, een kwaad gaat er uit van volk tot volk, en een groot onweer zal er verwekt worden van de zijden van de aarde. 33 En de verslagenen van JAHWEH zullen op die dag liggen van het ene einde van de aarde tot aan het andere einde van de aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn. 34 Huil, u herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, u heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult u vervallen als een kostelijk voorwerp. 35 En de vlucht zal vergaan van de herder, en de ontkoming van de heerlijken van de kudde. 36 Er zal zijn een stem van het geroep van de herders, en een gehuil van de heerlijken van de kudde, omdat JAHWEH hun weide verstoort. 37 Want de akkers van de vrede zullen uitgeroeid worden, vanwege de hitte van de toorn van JAHWEH. 38 Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hutte verlaten; want hun land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hitte van de verdrukker, ja, vanwege de hitte van Zijn toorn. ### Jeremia 26 1 In het begin van het koninkrijk van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord van JAHWEH, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH: Sta in het voorhof van het huis van JAHWEH, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis van JAHWEH, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet één woord af. 3 Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, ieder van zijn boze weg; zo zou Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid van hun handelingen. 4 Zeg dan tot hen: Zo zegt JAHWEH: Zo u naar Mij niet zult horen, dat u wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; 5 Horende naar de woorden van Mijn knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende; maar u niet gehoord hebt; 6 Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek voor alle volken van de aarde. 7 En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis van JAHWEH. 8 Zo gebeurde het, als Jeremia geëindigd had te spreken alles, wat JAHWEH geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: U zult de dood sterven! 9 Waarom hebt u in de Naam van JAHWEH geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand woont? En het hele volk werd verzameld tegen Jeremia, in het huis van JAHWEH. 10 Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis van de koning naar het huis van JAHWEH; en zij zetten zich bij de deur van de nieuwe poort van JAHWEH. 11 Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan deze man is een oordeel van de dood, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met uw oren gehoord hebt. 12 Maar Jeremia sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: JAHWEH heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die u gehoord hebt; 13 Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem van JAHWEH, van uw God; zo zal het JAHWEH berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft. 14 Maar ik, ziet, ik ben in uw handen; doe mij, als het goed, en als het recht is in uw ogen; 15 Maar weet voorzeker, dat u, zo u mij doodt, zeker onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in waarheid, JAHWEH heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken. 16 Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesters en tot de profeten: Aan deze man is geen oordeel van de dood, want hij heeft tot ons gesproken in de Naam van JAHWEH, van onze God. 17 Ook stonden er mannen op, van de oudsten van het land, en spraken tot de hele gemeente van het volk, zeggende: 18 Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van het woud. 19 Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en geheel Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet JAHWEH, en smeekte het aangezicht van JAHWEH, zodat het JAHWEH berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen. 20 Er was ook een man, die in de Naam van JAHWEH profeteerde, Uria, de zoon van Semaja, van Kirjath-jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jeremia. 21 En als de koning Jojakim, en ook al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uria dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte; 22 Maar de koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, de zoon van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte; 23 Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot de koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen van het volk. 24 Maar de hand van Ahikam, de zoon van Safan, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand van het volk, om hem te doden. ### Jeremia 27 1 In het begin van het koninkrijk van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, kwam dit woord tot Jeremia, van JAHWEH, zeggende: 2 Zo zei JAHWEH tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals. 3 En zend ze tot de koning van Edom, en tot de koning van Moab, en tot de koning van de kinderen Ammons, en tot de koning van Tyrus, en tot de koning van Sidon; door de hand van de boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, de koning van Juda, komen. 4 En beveel hun aan hun heren te zeggen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zo zult u tot uw heren zeggen: 5 Ik heb gemaakt de aarde, de mens en het vee, die op de aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekte arm, en Ik geef ze aan wie het recht is in Mijn ogen. 6 En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte van het veld heb Ik hem gegeven, om hem te dienen. 7 En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en de zoon van zijn zoon dienen, totdat ook de tijd van zijn eigen land kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen. 8 En het zal gebeuren, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk van de koning van Babel; over dat volk zal Ik, spreekt JAHWEH, bezoeking doen door het zwaard, en door de honger, en door de pest, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand. 9 U dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw bezweerders, en naar uw tovenaars, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen. 10 Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en u omkomt. 11 Maar het volk, dat zijn hals zal brengen onder het juk van de koning van Babel, en hem dienen, dat zal Ik in zijn land laten, spreekt JAHWEH, en het zal dat bouwen en daarin wonen. 12 Daarna sprak ik tot Zedekia, de koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Breng uw halzen onder het juk van de koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult u leven. 13 Waarom zou u sterven, u en uw volk door het zwaard, door de honger en door de pest, zoals JAHWEH gesproken heeft van het volk, dat de koning van Babel niet zal dienen. 14 Hoor dan niet naar de woorden van de profeten, die tot u spreken, zeggende: U zult de koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u valsheid. 15 Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt JAHWEH, en zij profeteren vals in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en u omkomt, u en de profeten, die u profeteren. 16 Ook sprak ik tot de priesters, en tot dit hele volk, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Hoor niet naar de woorden van uw profeten, die u profeteren, zeggende: Zie, de voorwerpen van het huis van JAHWEH zullen nu haast uit Babel teruggebracht worden; want zij profeteren u valsheid. 17 Hoor niet naar hen, maar dient de koning van Babel, zo zult u leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden? 18 Maar zo zij profeten zijn, en zo het woord van JAHWEH bij hen is, laat hen nu bij JAHWEH van de legermachten voorbidden, opdat de voorwerpen, die in het huis van JAHWEH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen. 19 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige van de voorwerpen, die in deze stad zijn overgebleven. 20 Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel als gevangene wegvoerde, en ook al de edelen van Juda en Jeruzalem; 21 Ja, zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, van de voorwerpen, die in het huis van JAHWEH, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven: 22 Naar Babel zullen zij gebracht worden, en daar zullen zij zijn, tot de dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt JAHWEH; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze teruggeven tot deze plaats. ### Jeremia 28 1 Verder gebeurde het in hetzelfde jaar, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis van JAHWEH, voor de ogen van de priesters en van het hele volk, zeggende: 2 Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Ik heb het juk van de koning van Babel verbroken. 3 In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats teruggeven al de voorwerpen van het huis van JAHWEH, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en die naar Babel gebracht. 4 Ook zal Ik Jechonia, de zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die als gevangene weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats teruggeven, spreekt JAHWEH; want Ik zal het juk van de koning van Babel verbreken. 5 Toen sprak de profeet Jeremia tot de profeet Hananja, voor de ogen van de priesters, en voor de ogen van het hele volk, die in het huis van JAHWEH stonden; 6 En de profeet Jeremia zei: Amen, JAHWEH doe zo! JAHWEH bevestige uw woorden, die u geprofeteerd hebt, dat Hij de voorwerpen van het huis van JAHWEH, en allen, die als gevangene zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats! 7 Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren van het hele volk: 8 De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen veel landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd, van strijd, en van kwaad, en van pest. 9 De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van die profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem JAHWEH in waarheid gezonden heeft. 10 Toen nam de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia, en verbrak het. 11 En Hananja sprak voor de ogen van het hele volk, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Zo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, de koning van Babel, in nog twee volle jaren, van de hals van al de volken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs. 12 Maar het woord van JAHWEH kwam tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van de hals van de profeet Jeremia verbroken had), zeggende: 13 Ga heen en spreek tot Hananja, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Houten jukken hebt u verbroken, nu zult u in plaats van die, ijzeren jukken maken. 14 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan de hals van al deze volken, om Nebukadnezar, de koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte van het veld gegeven. 15 En de profeet Jeremia zei tot de profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! JAHWEH heeft u niet gezonden, maar u hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt. 16 Daarom, zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal u wegwerpen van de aardbodem; dit jaar zult u sterven, omdat u een afval gesproken hebt tegen JAHWEH. 17 Zo stierf de profeet Hananja in dat jaar, in de zevende maand. ### Jeremia 29 1 Verder zijn dit de woorden van de brief, die de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die als gevangene waren weggevoerd, en ook tot de priesters, en tot de profeten, en tot het hele volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem als gevangene had weggevoerd naar Babel. 2 (Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, en ook de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan); 3 Door de hand van Elasa, de zoon van Safan, en Gemarja, de zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, de koning van Babel, zeggende: 4 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, tot allen, die als gevangene zijn weggevoerd, die Ik als gevangene heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel: 5 Bouw huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan; 6 Neem vrouwen, en gewint zonen en dochters, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochters aan mannen, dat zij zonen en dochters baren; en wordt daar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd. 7 En zoekt de vrede van de stad, waarheen Ik u als gevangene heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot JAHWEH; want in haar vrede zult u vrede hebben. 8 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die u doet dromen. 9 Want zij profeteren u vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt JAHWEH. 10 Want zo zegt JAHWEH: Zeker, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik u bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats. 11 Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt JAHWEH, gedachten van de vrede, en niet van het kwaad, dat Ik u geve het einde en de verwachting. 12 Dan zult u Mij aanroepen, en heengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen. 13 En u zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met uw hele hart. 14 En Ik zal van u gevonden worden, spreekt JAHWEH, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u verzamelen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarheen Ik u gedreven heb, spreekt JAHWEH; en Ik zal u teruggeven tot de plaats, vanwaar Ik u als gevangene heb doen wegvoeren. 15 Omdat u zegt: JAHWEH heeft ons profeten naar Babel verwekt; 16 Daarom zegt JAHWEH zo van de koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broers, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis; 17 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, Ik zal het zwaard, de honger en de pest onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden. 18 En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met de honger en met de pest; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, aan alle koninkrijken van de aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaad, onder al de volken, waar Ik ze heengedreven zal hebben; 19 Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt JAHWEH, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar u hebt niet gehoord, spreekt JAHWEH. 20 U dan, hoort het woord van JAHWEH, u allen, die als gevangene bent weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden! 21 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die u in Mijn Naam vals profeteren: Zie, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan. 22 En van hen zal een vloek genomen worden bij al de als gevangene weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegt: JAHWEH stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde; 23 Omdat zij een dwaasheid deden in Israël, en overspel bedreven met de vrouwen van hun naasten, en spraken het woord vals in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt JAHWEH. 24 Tot Semaja nu, de Nechlamiet, zult u spreken, zeggende: 25 Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Omdat u brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, de zoon van Maaseja, de priester, en tot al de priesters, zeggende: 26 JAHWEH heeft u tot priester gesteld, in plaats van de priester Jojada, dat u opzichters zou zijn in het huis van JAHWEH over elke man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat u die stelt in de gevangenis en in de stok. 27 Nu dan, waarom hebt u Jeremia, de Anathothiet, niet gescholden, die zich bij u voor een profeet uitgeeft? 28 Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouw huizen, en woont daarin, en plant hoven, en eet de vrucht daarvan. 29 Zefanja nu, de priester, had deze brief gelezen voor de oren van de profeet Jeremia. 30 Daarom kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, zeggende: 31 Zend heen tot allen, die als gevangene weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt JAHWEH van Semaja, de Nechlamiet: Omdat Semaja u geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat u op leugen vertrouwt; 32 Daarom zegt JAHWEH zo: Zie, Ik zal bezoeking doen over Semaja, de Nechlamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden van dit volk woont, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volk doen zal, spreekt JAHWEH; want hij heeft een afval gesproken tegen JAHWEH. ### Jeremia 30 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, zeggende: 2 Zo spreekt JAHWEH, de God van Israël, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek. 3 Want zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt JAHWEH; en Ik zal hen teruggeven in het land, dat Ik hun vaders gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten. 4 En dit zijn de woorden, die JAHWEH gesproken heeft van Israël en van Juda. 5 Want zo zegt JAHWEH: Wij horen een stem van de verschrikking; er is vrees en geen vrede. 6 Vraag toch en ziet, of een man baart? Waarom zie Ik dan de handen van iedere man op zijn middel, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid? 7 O wee! want die dag is zo groot, dat zijn gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. 8 Want het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH van de legermachten, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen. 9 Maar zij zullen dienen JAHWEH, hun God, en hun koning David, die Ik hun verwekken zal. 10 U dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt JAHWEH, ontzet u niet, Israël! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal terugkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke. 11 Want Ik ben met u, spreekt JAHWEH, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarheen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u straffen met mate, en u niet geheel onschuldig houden. 12 Want zo zegt JAHWEH: Uw breuk is dodelijk, uw plaag is pijnlijk. 13 Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; u hebt geen heelpleisters. 14 Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met de plaag van een vijand, met de vergelding van een wrede; om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn. 15 Wat krijt u over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid van uw ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan. 16 Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw tegenstanders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. 17 Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt JAHWEH; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar. 18 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal de gevangenis van de tenten van Jakob wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze. 19 En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem van de spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden. 20 En zijn zonen zullen zijn als vroeger, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers. 21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te naderen? spreekt JAHWEH. 22 En u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. 23 Zie, een onweer van JAHWEH, een woede is uitgegaan, een aanhoudend onweer; het zal blijven op het hoofd van de goddelozen. 24 De hitte van de toorn van JAHWEH zal zich niet afwenden, voordat Hij gedaan, en voordat Hij daargesteld zal hebben de gedachten van Zijn hart; in het laatste van de dagen zult u daarop letten. ### Jeremia 31 1 Ter zelfder tijd, spreekt JAHWEH, zal Ik alle geslachten van Israël tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. 2 Zo zegt JAHWEH: Het volk van de overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israël, als Ik heenging om hem tot rust te brengen. 3 JAHWEH is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. 4 Ik zal u weer bouwen, en u zult gebouwd worden, o jonkvrouw van Israël! u zult weer versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met de rei van de spelenden. 5 U zult weer wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. 6 Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraïms gebergte zullen roepen: Maak u op, en laat ons opgaan naar Sion, tot JAHWEH, onze God! 7 Want zo zegt JAHWEH: Roep luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd van de heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O JAHWEH! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israël. 8 Zie, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen verzamelen van de zijden van de aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden samen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts terugkomen. 9 Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechte weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene. 10 Hoort het woord van JAHWEH, u heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weer verzamelen, en hem bewaren als een herder zijn kudde. 11 Want JAHWEH heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand van degene, die sterker was dan hij. 12 Daarom zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot het goed van JAHWEH, tot het koren, en tot de nieuwe wijn, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn. 13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in de rei, daartoe de jongemannen en ouden samen; want Ik zal hun rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. 14 En Ik zal de ziel van de priesters met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt JAHWEH. 15 Zo zegt JAHWEH: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn. 16 Zo zegt JAHWEH: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt JAHWEH; want zij zullen uit het land van de vijand terugkomen. 17 En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt JAHWEH; want uw kinderen zullen terugkomen tot hun gebied. 18 Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: U hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent JAHWEH, mijn God! 19 Zeker, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelf ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaad van mijn jeugd gedragen heb. 20 Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstig aan hem; daarom rommelt Mijn binnenste over hem; Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt JAHWEH. 21 Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op de weg, die u gewandeld hebt; keer weer, o jonkvrouw van Israël, keer weer tot deze uw steden! 22 Hoe lang zult u zich onttrekken, u afkerige dochter? Want JAHWEH heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal de man omvangen. 23 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: JAHWEH zegene u, u woning van de gerechtigheid, u berg van de heiligheid! 24 En Juda, en ook al zijn steden, zullen samen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen. 25 Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld. 26 (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.) 27 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten. 28 En het zal gebeuren, zoals Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; zo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt JAHWEH. 29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden. 30 Maar ieder zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden. 31 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; 32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt JAHWEH; 33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt JAHWEH: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34 En zij zullen niet meer, ieder zijn naaste, en ieder zijn broer, leren, zeggende: Ken JAHWEH! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt JAHWEH; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en van hun zonden niet meer gedenken. 35 Zo zegt JAHWEH, Die de zon ten lichte geeft overdag, de ordeningen van de maan en van de sterren ten lichte in de nacht, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam: 36 Als deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt JAHWEH, zo zal ook het zaad van Israël ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. 37 Zo zegt JAHWEH: Als de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten van de aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het hele zaad van Israël verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt JAHWEH. 38 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat deze stad voor JAHWEH zal herbouwd worden, van de toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort. 39 En het meetsnoer zal verder daarnaast uitgaan tot aan de heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden. 40 En het hele dal van de dode lichamen en van de as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan de hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal JAHWEH een heiligheid zijn; er zal niets weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. ### Jeremia 32 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar. 2 (Het leger nu van de koning van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof van de bewaring, dat in het huis van de koning van Juda is. 3 Want Zedekia, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert u, zeggende: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze innemen; 4 En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand van de Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zeker gegeven worden in de hand van de koning van Babel, en zijn mond zal tot diens mond spreken, en zijn ogen zullen diens ogen zien; 5 En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en daar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt JAHWEH; hoewel u tegen de Chaldeeën strijdt, u zult toch geen geluk hebben.) 6 Jeremia dan zei: Het woord van JAHWEH is tot mij gebeurd, zeggende: 7 Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want u hebt het recht van losprijs, om te kopen. 8 Zo kwam Hanameel, de zoon van mijn oom, naar het woord van JAHWEH, tot mij, in het voorhof van de bewaring, en zei tot mij: Koop toch mijn veld, dat is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want u hebt het erfrecht, en u hebt de losprijs, koop het voor u. Toen merkte ik, dat dit het woord van JAHWEH was. 9 Daarom kocht ik van Hanameel, de zoon van mijn oom, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkels. 10 En ik onderschreef de brief en verzegelde die, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had. 11 En ik nam de koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de voorschriften, en de open brief; 12 En ik gaf de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, de zoon van mijn oom, en voor de ogen van de getuigen die de koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof van de bewaring zaten. 13 En ik beval Baruch voor hun ogen, zeggende: 14 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief, zo de verzegelden als deze open brief, en doe ze in een aarden pot, opdat zij vele dagen mogen bestaan. 15 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Er zullen nog huizen, en velden, en wijngaarden in dit land gekocht worden. 16 Verder, nadat ik de koopbrief aan Baruch, de zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot JAHWEH, zeggende: 17 Ach, Adonai JAHWEH! Zie, U hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm; geen ding is U te wonderlijk. 18 U, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid van de vaders vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen; U grote, U geweldige God, Wiens Naam is JAHWEH van de legermachten! 19 Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen van de mensenkinderen, om ieder te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht van zijn handelingen. 20 U, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op deze dag, zo in Israël, als onder andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is op deze dag! 21 En hebt Uw volk Israël uit Egypteland uitgevoerd, door tekenen en door wonderen, en door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door grote verschrikking. 22 En hebt hun dit land gegeven, dat U hun vaders gezworen had hun te zullen geven, een land vloeiende van melk en honing; 23 Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben Uw stem niet gehoorzaamd, en in Uw wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles, wat U hun geboden had te doen; daarom hebt U hun al dit kwaad doen bejegenen. 24 Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand van de Chaldeeën, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en de honger en de pest; en wat U gesproken hebt, is gebeurd, en zie, U ziet het. 25 Evenwel hebt U tot mij gezegd, Adonai JAHWEH! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in de hand van de Chaldeeën gegeven is. 26 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, zeggende: 27 Zie, Ik ben JAHWEH, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn? 28 Daarom zegt JAHWEH zo: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de Chaldeeën, en in de hand van Nebukadnezar, de koning van Babel, en hij zal ze innemen. 29 En de Chaldeeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen, en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen, op wier daken zij aan Baäl gerookt, en aan andere goden drankoffers geofferd hebben, om Mij te vertoornen. 30 Want de Israëlieten en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd aan alleen gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen; want de Israëlieten hebben Mij door het werk van hun handen alleen vertoornd, spreekt JAHWEH. 31 Want tot Mijn toorn en tot Mijn woede is Mij deze stad geweest, van de dag af, dat zij haar gebouwd hebben, tot op deze dag toe; opdat Ik haar van Mijn aangezicht wegdeed; 32 Om al de boosheid van de Israëlieten en van de kinderen van Juda, die zij gedaan hebben om Mij te vertoornen, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters, en hun profeten, en de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem; 33 Die Mij de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet, om tucht aan te nemen; 34 Maar zij hebben hun gruwelijke dingen gesteld in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, om dat te verontreinigen. 35 En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd, die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters voor de Molech door het vuur te laten gaan; dat Ik hun niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen, dat zij deze gruwel zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen. 36 En nu, daarom zegt JAHWEH, de God van Israël, zo van deze stad, waar u van zegt: Zij is gegeven in de hand van de koning van Babel, door het zwaard, en door de honger, en door de pest; 37 Zie, Ik zal hen verzamelen uit al de landen, waarheen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn woede, en in grote toorn; en Ik zal hen tot deze plaats teruggeven, en zal hen zeker doen wonen. 38 Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. 39 En Ik zal hun dezelfde hart en dezelfde weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, en ook hun kinderen na hen. 40 En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. 41 En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen trouw in dat land planten, met Mijn hele hart en met Mijn hele ziel. 42 Want zo zegt JAHWEH: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, zo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke. 43 En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan u zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in de hand van de Chaldeeën gegeven. 44 Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt JAHWEH. ### Jeremia 33 1 Verder kwam het woord van JAHWEH voor de tweede keer tot Jeremia, als hij nog in het voorhof van de bewaring was opgesloten, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH, Die het doet, JAHWEH, Die dat vormt, opdat Hij het bevestige, JAHWEH is Zijn Naam; 3 Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die u niet weet. 4 Want zo zegt JAHWEH, de God van Israël, van de huizen van deze stad, en van de huizen van de koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken: 5 Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeeën, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn woede; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hun boosheid. 6 Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal hen genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid. 7 En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in het eerste. 8 En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waarmee zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, waarmee zij tegen Mij gezondigd en waarmee zij tegen Mij overtreden hebben. 9 En het zal Mij zijn tot een vrolijke naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen van de aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al de vrede, die Ik hun beschikke. 10 Zo zegt JAHWEH: In deze plaats (waarvan u zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal opnieuw gehoord worden, 11 De stem van de vrolijkheid en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, de stem van degenen, die zeggen: Loof JAHWEH van de legermachten, want JAHWEH is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem van degenen, die lof aanbrengen in het huis van JAHWEH; want Ik zal de gevangenis van het land wenden, als in het eerste, zegt JAHWEH. 12 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, en ook in al de steden daarvan, zullen opnieuw woningen zijn van herders, die de kudden doen legeren. 13 In de steden van het gebergte, in de steden van de laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden opnieuw onder de handen van de teller doorgaan, zegt JAHWEH. 14 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israël en over het huis van Juda gesproken heb. 15 In die dagen, en in die tijd zal Ik David een SPRUIT van de gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde. 16 In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: JAHWEH, onze GERECHTIGHEID. 17 Want zo zegt JAHWEH: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op de troon van het huis van Israël zitte. 18 Ook zal aan de Levietische priesters, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en voedseloffer aansteke, en slachtoffer bereide al de dagen. 19 En het woord van JAHWEH kwam tot Jeremia, zeggende: 20 Zo zegt JAHWEH: Als u Mijn verbond van de dag; en Mijn verbond van de nacht kunt vernietigen, zodat dag en nacht niet zijn op hun tijd; 21 Zo zal ook vernietigd kunnen worden Mijn verbond met Mijn knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regere, en met de Levieten, de priesters, Mijn dienaren. 22 Gelijk het leger van de hemel niet geteld, en het zand van de zee niet gemeten kan worden, zo zal Ik vermenigvuldigen het zaad van Mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23 Verder kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, zeggende: 24 Hebt u niet gezien, wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten, die JAHWEH gekozen had, die heeft Hij nu verworpen? Ja, zij versmaden Mijn volk, zodat het geen volk meer is voor hun aangezicht. 25 Zo zegt JAHWEH: Als Mijn verbond niet is van dag en nacht; als Ik de ordeningen van de hemel en van de aarde niet gesteld heb; 26 Zo zal Ik ook het zaad van Jakob en van Mijn knecht David verwerpen, dat Ik van zijn zaad niet neme, die daar heerse over het zaad van Abraham, Izak en Jakob; want Ik zal hun gevangenis wenden en Mij over hen ontfermen. ### Jeremia 34 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH (als Nebukadnezar, koning van Babel, en zijn hele leger, en alle koninkrijken van de aarde, die onder de heerschappij van zijn hand waren, en al de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen al haar steden), zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Zedekia, de koning van Juda, en zeg tot hem: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden. 3 En u zult van zijn hand niet ontkomen, maar zeker gegrepen, en in zijn hand gegeven worden; en uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en zijn mond zal tot uw mond spreken, en u zult te Babel komen. 4 Maar hoor het woord van JAHWEH, o Zedekia, koning van Juda! zo zegt JAHWEH van u: U zult door het zwaard niet sterven. 5 U zult sterven in vrede, en naar de vuren van uw vaders, de vorige koningen, die voor u geweest zijn, zo zullen zij over u branden, en u beklagen, zeggende: Och heer! want Ik heb het woord gesproken, spreekt JAHWEH. 6 En de profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, te Jeruzalem. 7 Als het leger van de koning van Babel streed tegen Jeruzalem, en tegen al de overgeblevene steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze, zijnde versterkte steden, waren overgebleven onder de steden van Juda. 8 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het hele volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen. 9 Dat ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd, zijnde een Hebreër of een Hebreïnne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broer, zou doen dienen. 10 Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan; 11 Maar zij keerden daarna opnieuw, en deden de knechten en maagden terugkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden. 12 Daarom kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, van JAHWEH, zeggende: 13 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaders, op de dag als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende: 14 Ten einde van zeven jaren zult u laten gaan, ieder zijn broer, een Hebreër, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; u zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet. 15 U nu was vandaag teruggekeerd, en had gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, ieder voor zijn naaste; en u had een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is. 16 Maar u bent weer omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen terugkomen, ieder zijn knecht, en ieder zijn maagd, die u had laten vrijgaan naar hun lust; en u hebt hen ten ondergebracht, om u te wezen tot knechten en tot maagden. 17 Daarom zegt JAHWEH zo: U hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, ieder voor zijn broer, en ieder voor zijn naaste; zie, zo roep Ik uit tegen u, spreekt JAHWEH, een vrijheid ten zwaarde, ter pest, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering aan alle koninkrijken van de aarde. 18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden van het verbond, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: 19 De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesters, en al het volk van het land, die door de stukken van het kalf zijn doorgegaan. 20 Ja, Ik zal hen overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte van de hemel en het gedierte van de aarde tot voedsel zijn. 21 Zelfs Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, en in de hand van degenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het leger van de koning van Babel, die van u nu zijn opgetogen. 22 Zie, Ik zal bevel geven, spreekt JAHWEH, en zal hen weer tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in woont. ### Jeremia 35 1 Het woord, dat tot Jeremia gebeurd is van JAHWEH, in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: 2 Ga heen tot het huis van de Rechabieten, en spreek met hen, en breng hen in het huis van JAHWEH, in één van de kamers, en geef hun wijn te drinken. 3 Toen nam ik Jaazanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja, en ook zijn broers, en al zijn zonen, en het hele huis van de Rechabieten; 4 En bracht hen in het huis van JAHWEH, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man van God; die is bij de kamer van de oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, de zoon van Sallum, de dorpelbewaarder. 5 En ik zette de kinderen van het huis van de Rechabieten koppen vol wijn en bekers voor; en ik zei tot hen: Drink wijn. 6 Maar zij zeiden: Wij zullen geen wijn drinken; want Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: U zult geen wijn drinken, u, noch uw kinderen, tot in eeuwigheid. 7 Ook zult u geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten, noch hebben; maar u zult in tenten wonen al uw dagen; opdat u veel dagen leeft in het land, alwaar u als vreemdeling verkeert. 8 Zo hebben wij de stem van Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochters; 9 En dat wij geen huizen bouwen tot onze woning; ook hebben wij geen wijngaard, noch veld, noch zaad; 10 En wij hebben in tenten gewoond; zo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jonadab geboden heeft. 11 Maar het is gebeurd, als Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeiden: Kom, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het leger van de Chaldeeën, en vanwege het leger van de Syriërs; zo zijn wij te Jeruzalem gebleven. 12 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, zeggende: 13 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Ga heen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult u geen tucht aannemen, dat u hoort naar Mijn woorden? spreekt JAHWEH. 14 De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben er geen gedronken tot op deze dag, maar het gebod van hun vader gehoord; en Ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar u hebt naar Mij niet gehoord. 15 En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeer u toch, ieder van zijn boze weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult u in het land blijven, dat Ik u en uw vaders gegeven heb; maar u hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord. 16 Omdat dan de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod van hun vader, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort; 17 Daarom zo zegt JAHWEH, de God van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord. 18 Tot het huis nu van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Omdat u het gebod van uw vader Jonadab bent gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij u geboden heeft; 19 Daarom zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Er zal Jonadab, de zoon van Rechab, niet worden afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht sta, al de dagen. ### Jeremia 36 1 Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, dat dit woord van JAHWEH tot Jeremia kwam, zeggende: 2 Neem u een rol van het boek, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van de dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op deze dag. 3 Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve. 4 Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija; en Baruch schreef uit de mond van Jeremia alle woorden van JAHWEH, die Hij tot hem gesproken had, op een rol van het boek. 5 En Jeremia gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in het huis van JAHWEH niet kunnen gaan. 6 Zo ga zelf heen, en lees in de rol, waarin u uit mijn mond geschreven hebt, de woorden van JAHWEH, voor de oren van het volk, in het huis van JAHWEH, op de vastendag; en u zult ze ook lezen voor de oren van geheel Juda, die uit hun steden komen. 7 Misschien zal hun smeking voor het aangezicht van JAHWEH neervallen, en zij zullen zich bekeren, ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de woede, die JAHWEH tegen dit volk heeft uitgesproken. 8 En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden van JAHWEH, in het huis van JAHWEH. 9 Want het gebeurde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor het aangezicht van JAHWEH uitriepen, al het volk te Jeruzalem, en ook al het volk, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen. 10 Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in het huis van JAHWEH, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur van de nieuwe poort van het huis van JAHWEH, voor de oren van het hele volk. 11 Als nu Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden van JAHWEH uit dat boek gehoord had; 12 Zo ging hij af in het huis van de koning in de kamer van de schrijver; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten. 13 En Michaja maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de oren van het volk. 14 Toen zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin u voor de oren van het volk gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Zo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen. 15 En zij zeiden tot hem: Zit toch neer, en lees ze voor onze oren; en Baruch las voor hun oren. 16 En het gebeurde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de één tegen de ander; en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden de koning bekend maken. 17 En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt u al deze woorden uit zijn mond geschreven? 18 En Baruch zei tot hen: Uit zijn mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek. 19 Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga heen, verberg u, u en Jeremia; en niemand wete, waar u bent. 20 Zij dan gingen in tot de koning in het voorhof; maar de rol legden zij weg in de kamer van Elisama, de schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de oren van de koning. 21 Toen zond de koning Jehudi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, de schrijver; en Jehudi las ze voor de oren van de koning, en voor de oren van al de vorsten, die rondom de koning stonden. 22 (De koning nu zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op de haard aangestoken.) 23 En het gebeurde, als Jehudi drie stukken, of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze in het vuur, dat op de haard was, totdat de hele rol verteerd was in het vuur, dat op de haard was. 24 En zij verschrikten niet, en scheurden hun kleren niet, de koning noch al zijn knechten, die al deze woorden gehoord hadden. 25 Hoewel ook Elnathan, en Delaja, en Gemarja bij de koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden; maar hij hoorde niet naar hen. 26 Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, de zoon van Hammelech, en Zeraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdeël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia te vangen. Maar JAHWEH had hen verborgen. 27 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia, nadat de koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit de mond van Jeremia, verbrand had, zeggende: 28 Neem u weer een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft. 29 En tot Jojakim, de koning van Juda, zult u zeggen: Zo zegt JAHWEH: U hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt u daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zeker komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden? 30 Daarom zegt JAHWEH zo van Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, overdag in de hitte, en in de nacht in de vorst. 31 En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn knechten hun ongerechtigheid bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord. 32 Jeremia dan nam een andere rol, en gaf ze aan de schrijver Baruch, de zoon van Nerija; die schreef daarop, uit de mond van Jeremia, al de woorden van het boek, dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en daartoe werden nog veel dergelijke woorden toegedaan. ### Jeremia 37 1 En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, die Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda. 2 Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk van het land, naar de woorden van JAHWEH, die Hij sprak door de dienst van de profeet Jeremia. 3 Toch zond de koning Zedekia Juchal, de zoon van Selemja, en Sefanja, de zoon van Maaseja, de priester, tot de profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot JAHWEH, onze God! 4 (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden van het volk, en zij hadden hem nog in de gevangenis niet gesteld. 5 En Farao's leger was uit Egypte vertrokken; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen). 6 Toen kwam het woord van JAHWEH tot de profeet Jeremia, zeggende: 7 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Zo zult u zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Zie, Farao's leger, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal terugkeren in zijn land, in Egypte; 8 En de Chaldeeën zullen terugkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden. 9 Zo zegt JAHWEH: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeeën zullen zeker van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken. 10 Want al sloegt u het hele leger van de Chaldeeën, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, ieder in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden. 11 Verder gebeurde het, als het leger van de Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's leger; 12 Dat Jeremia uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden van het volk. 13 Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, van wie de naam Jerija was, de zoon van Selemja, de zoon van Hananja; die greep de profeet Jeremia, zeggende: U wilt tot de Chaldeeën vallen! 14 En Jeremia zei: Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeeën vallen. Maar hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremia aan, en bracht hem tot de vorsten. 15 En de vorsten werden zeer boos op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in de gevangenis, in het huis van Jonathan, de schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenis gemaakt. 16 Als Jeremia in de plaats van de kuil, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia daar veel dagen gezeten had; 17 Zo zond de koning Zedekia heen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgene, en zei: Is er ook een woord van JAHWEH? En Jeremia zei: Er is; en hij zei: U zult in de hand van de koning van Babel gegeven worden. 18 Verder zei Jeremia tot de koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat u mij in de gevangenis gesteld hebt? 19 Waar zijn nu uw profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen u, noch tegen dit land komen. 20 Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht neervallen, en breng mij niet weer in het huis van Jonathan, de schrijver, opdat ik daar niet sterve. 21 Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof van de bewaring, en men gaf hem overdag een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Zo bleef Jeremia in het voorhof van de bewaring. ### Jeremia 38 1 Als Sefatja, de zoon van Matthan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia, de woorden hoorden, die Jeremia tot al het volk sprak, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven; maar wie tot de Chaldeeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven. 3 Zo zegt JAHWEH: Deze stad zal zeker gegeven worden in de hand van het leger van de koning van Babel, dat zal ze innemen; 4 Zo zeiden de vorsten tot de koning: Laat toch deze man gedood worden; want zo maakt hij de handen van de soldaten, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen van het hele volk slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt de vrede van dit volk niet, maar het kwaad. 5 En de koning Zedekia zei: Zie, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen. 6 Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de kuil van Malchia, de zoon van Hammelech, die in het voorhof van de bewaring was, en zij lieten Jeremia af met touwen; in de kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk. 7 Als nu Ebed-melech, de Moorman, één van de kamerlingen, die toen in het huis van de koning was, hoorde, dat zij Jeremia in de kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de poort van Benjamin); 8 Zo ging Ebed-melech uit het huis van de koning uit, en hij sprak tot de koning, zeggende: 9 Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan de profeet Jeremia, die zij in de kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege de honger, omdat geen brood meer in de stad is. 10 Toen gebood de koning de Moorman Ebed-melech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uw hand, en haal de profeet Jeremia op uit de kuil, voordat hij sterft. 11 Zo nam Ebed-melech de mannen onder zijn hand, en ging in het huis van de koning tot onder de schatkamer, en nam van daar enige oude verscheurde en oude versleten lompen; en hij liet ze met touwen af tot Jeremia in de kuil. 12 En Ebed-melech, de Moorman, zei tot Jeremia: Leg nu deze oude verscheurde en versleten lompen onder de oksels van uw armen, van onder aan de touwen. En Jeremia deed zo. 13 En zij trokken Jeremia bij de touwen, en haalden hem op uit de kuil; en Jeremia bleef in het voorhof van de bewaring. 14 Toen zond de koning Zedekia heen, en liet de profeet Jeremia tot zich halen, in de derde ingang, die aan het huis van JAHWEH was; en de koning zei tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij. 15 En Jeremia zei tot Zedekia: Als ik het u verklaren zal, zult u mij niet zeker doden? En als ik u raad zal geven, u zult toch naar mij niet horen. 16 Toen zwoer de koning Zedekia aan Jeremia in het verborgene, zeggende: Zo waarachtig als JAHWEH leeft, Die ons deze ziel gemaakt heeft: Als ik u zal doden, of als ik u zal overgeven in de hand van deze mannen, die uw ziel zoeken! 17 Jeremia dan zei tot Zedekia: Zo zegt JAHWEH, de God van de legermachten, de God van Israël: Als u gewillig tot de vorsten van de koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en u zult leven, u en uw huis. 18 Maar als u tot de vorsten van de koning van Babel niet zult uitgaan, zo zal deze stad gegeven worden in de hand van de Chaldeeën, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult u van hun hand niet ontkomen. 19 En de koning Zedekia zei tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden, die tot de Chaldeeën gevallen zijn, dat zij mij misschien in hun hand overgeven, en zij de spot met mij drijven. 20 En Jeremia zei: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem van JAHWEH, naar die ik tot u spreek; zo zal het u welgaan, en uw ziel zal leven. 21 Maar als u weigert uit te gaan, zo is dit het woord, dat JAHWEH mij heeft doen zien; 22 Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten van de koning van Babel; en die zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overweldigd; uw voeten zijn in de modder gezonken; zij zijn achteruit gekeerd! 23 Zij zullen dan al uw vrouwen en al uw zonen tot de Chaldeeën uitvoeren; ook zult u zelf van hun hand niet ontkomen; maar u zult door de hand van de koning van Babel gegrepen worden, en u zult deze stad met vuur verbranden. 24 Toen zei Zedekia tot Jeremia: Dat niemand wete van deze woorden, zo zult u niet sterven. 25 En als de vorsten zullen horen, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen, en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt u tot de koning gesproken? verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken? 26 Zo zult u tot hen zeggen: Ik wierp mijn smeking voor het aangezicht van de koning neer, dat hij mij niet zou weer laten brengen in Jonathans huis, om daar te sterven. 27 Als dan al de vorsten tot Jeremia kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord. 28 En Jeremia bleef in het voorhof van de bewaring tot op de dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij was er nog, als Jeruzalem was ingenomen. ### Jeremia 39 1 In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn leger, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. 2 In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad doorgebroken. 3 En alle vorsten van de koning van Babel trokken heen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-sarezer Samgar-nebu, Sarsechim Rab-saris, Nergal-sarezer Rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel. 4 En het gebeurde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de soldaten hen zagen, zo vluchtten zij, en trokken bij nacht uit de stad, door de weg van de hof van de koning, door de poort tussen de twee muren; en hij trok uit door de weg van het vlakke veld. 5 Maar het leger van de Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem omhoog tot Nebukadrezar, de koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit. 6 En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda. 7 En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren. 8 En de Chaldeeën verbrandden het huis van de koning en de huizen van het volk met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af. 9 Het overige nu van het volk, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige van het volk, die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene naar Babel. 10 Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, enige overig in het land van Juda; en hij gaf hun op die dag wijngaarden en akkers. 11 Maar van Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, zeggende: 12 Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar zoals hij tot u spreken zal, doe zo met hem. 13 Zo zond Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, en ook Nebuschazban Rab-saris en Nergal-sarezer Rab-mag, en al de oversten van de koning van Babel; 14 Zij zonden dan heen en namen Jeremia uit het voorhof van de bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dat hij hem heen uitbracht naar huis; zo bleef hij in het midden van het volk. 15 Het woord van JAHWEH was ook tot Jeremia gebeurd, als hij in het voorhof van de bewaring besloten was, zeggende: 16 Ga heen, en spreek tot Ebed-melech, de Moorman, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen op die dag voor uw aangezicht zijn. 17 Maar Ik zal u op die dag redden, spreekt JAHWEH; en u zult niet overgegeven worden in de hand van de mannen, voor wie u vreest. 18 Want Ik zal u zeker bevrijden, en u zult door het zwaard niet vallen; maar u zult uw ziel tot een buit hebben, omdat u op Mij vertrouwd hebt, spreekt JAHWEH. ### Jeremia 40 1 Het woord, dat van JAHWEH gebeurd is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden van alle gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel als gevangene werden weggevoerd. 2 Want de overste van de lijfwachten liet Jeremia halen, en zei tot hem: JAHWEH, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken. 3 En JAHWEH heeft het doen komen, en gedaan, zoals Hij gesproken had; want u hebt gezondigd tegen JAHWEH, en Zijn stem niet gehoorzaamd; daarom is u deze zaak gebeurd. 4 Nu dan, zie, ik heb u vandaag losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; als het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar als het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het hele land is voor uw aangezicht, waarheen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar. 5 En omdat hij nog niet zal terugkeren, zo keer u tot Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, die de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden van het volk; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er heen. En de overste van de lijfwachten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan. 6 Zo kwam Jeremia tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden van het volk, die in het land waren overgelaten. 7 Toen nu alle oversten van de legers, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, de zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en van de armsten van het land, van degenen, die niet naar Babel als gevangene waren weggevoerd; 8 Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, de Netofathiet, en Jezanja, de zoon van een Maachathiet, zij en hun mannen. 9 En Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vrees niet van de Chaldeeën te dienen; blijf in het land, en dient de koning van Babel, zo zal het u welgaan. 10 En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht van de Chaldeeën, die tot ons zullen komen; u dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw kruiken, en woont in uw steden, die u hebt ingenomen. 11 Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, over hen gesteld had; 12 Zo keerden al de Joden weer uit al de plaatsen, waarheen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijn en zomervruchten. 13 Maar Johanan, de zoon van Kareah, en alle oversten van de legers, die in het veld waren, kwamen tot Gedalia te Mizpa; 14 En zeiden tot hem: Weet u wel, dat Baälis, de koning van de kinderen Ammons, Ismaël, de zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet. 15 Johanan toch, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch heengaan, en Ismaël, de zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en geheel Juda, die tot u verzameld zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan? 16 Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, zei tot Johanan, de zoon van Kareah: Doe deze zaak niet, want u spreekt vals van Ismaël. ### Jeremia 41 1 Maar het gebeurde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, van koninklijk zaad, en de oversten van de koning, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedalia, de zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten daar brood samen, te Mizpa. 2 En Ismaël, de zoon van Nethanja, maakte zich op, en ook de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, met het zwaard; zo doodde hij hem, die de koning van Babel over het land gesteld had. 3 Ook sloeg Ismaël al de Joden, die met hem, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en de Chaldeeën, de soldaten, die daar gevonden werden. 4 Het gebeurde nu op de tweede dag, nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist; 5 Zo kwamen er mensen van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende de baard afgeschoren, en de kleren gescheurd, en zichzelf gesneden; en voedseloffer en wierook waren in hun hand, om in het huis van JAHWEH te brengen. 6 En Ismaël, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa hun tegemoet, al gaande en huilend; en het gebeurde, als hij hen aantrof dat hij zei: Kom tot Gedalia, de zoon van Ahikam! 7 Maar het gebeurde, als zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen keelde, en wierp hen in het midden van de kuil, hij en de mannen, die met hem waren. 8 Maar onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismaël zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honing. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het midden van hun broers. 9 De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen van de mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, die de koning Asa maakte vanwege Baësa, de koning van Israël; deze vulde Ismaël, de zoon van Nethanja, met de verslagenen. 10 En Ismaël voerde het hele overblijfsel van het volk, dat te Mizpa was, als gevangene, te weten de dochters van de koning, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, aan Gedalia, de zoon van Ahikam, bevolen had; Ismaël dan, de zoon van Nethanja, voerde ze als gevangene weg, en trok heen, om over te gaan tot de kinderen Ammons. 11 Toen nu Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, gedaan had; 12 Zo namen zij al de mannen, en trokken heen, om met Ismaël, de zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij Gibeon is. 13 En het gebeurde, als al het volk, dat met Ismaël was, Johanan zag, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, die met hem waren, zo werden zij verblijd. 14 En al het volk, dat Ismaël van Mizpa als gevangene had weggevoerd, wendde zich om; en zij keerden zich en gingen over tot Johanan, de zoon van Kareah. 15 Maar Ismaël, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht, met acht mannen, en hij trok tot de kinderen Ammons. 16 Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, en ook al de oversten van de legers, die met hem waren, het hele overblijfsel van het volk, dat hij teruggebracht had van Ismaël, de zoon van Nethanja, van Mizpa, (nadat hij Gedalia, de zoon van Ahikam, geslagen had) te weten de mannen, die soldaten waren, en de vrouwen, en kinderen, en kamerlingen, die hij van Gibeon had teruggebracht; 17 En zij trokken heen, en sloegen zich neer te Geruth-chimham, dat bij Bethlehem is, om voort te trekken, dat zij in Egypte kwamen. 18 Voor het aangezicht van de Chaldeeën; want zij vreesden voor hun aangezicht, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalia, de zoon van Ahikam, geslagen had, die de koning van Babel over het land gesteld had. ### Jeremia 42 1 Toen traden toe alle oversten van de legers, Johanan, de zoon van Kareah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, en al het volk, van de kleinste tot de grootste toe; 2 En zij zeiden tot de profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht neervallen, en bid voor ons tot JAHWEH, uw God, voor dit hele overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, zoals uw ogen ons zien; 3 Dat ons JAHWEH, uw God, bekend make de weg, die wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen. 4 En de profeet Jeremia zei tot hen: Ik heb het gehoord; zie, ik zal tot JAHWEH, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal gebeuren, het hele woord, dat JAHWEH u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet één woord onthouden. 5 Toen zeiden zij tot Jeremia: JAHWEH zij tussen ons tot een waarachtig en zeker Getuige: als wij niet naar alle woord, waarmee JAHWEH, uw God, u tot ons zal zenden, zo zullen doen! 6 Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen aan de stem van JAHWEH, onze God, tot Wie wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons welga, wanneer wij aan de stem van JAHWEH, onze God, zullen gehoorzaam zijn. 7 En het gebeurde na verloop van tien dagen, dat het woord van JAHWEH tot Jeremia kwam. 8 Toen riep hij Johanan, de zoon van Kareah, en alle oversten van de legers, die met hem waren, en al het volk, van de kleinste af tot de grootste toe; 9 En hij zei tot hen: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël, tot Wie u mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neer te werpen: 10 Als u in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb. 11 Vrees niet voor het aangezicht van de koning van Babel, voor wie u vreest; vrees niet voor hem, spreekt JAHWEH; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden. 12 En Ik zal u barmhartigheid geven, dat hij zich over u erbarme, en u weer in uw land brenge. 13 Maar zo u zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat u aan de stem van JAHWEH, uw God, niet gehoorzaam bent, 14 Zeggende: Nee, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen strijd zullen zien, noch het geluid van de bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven; 15 Nu dan, daarom hoort het woord van JAHWEH, u overblijfsel van Juda! Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Als u geheel uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult heen ingaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; 16 Zo zal het gebeuren, dat het zwaard, waar u voor vreest, u daar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar u voor zorgt, zal u daar in Egypte achter aankleven, en u zult daar sterven. 17 Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen. 18 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn woede is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn woede over u uitgestort worden, als u in Egypte zult gekomen zijn; en u zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaad, en zult deze plaats niet meer zien. 19 JAHWEH heeft tegen u gesproken, u overblijfsel van Juda! Ga niet in Egypte; weet zeker, dat ik vandaag tegen u betuigd heb. 20 Zeker, u hebt uw zielen verleid; want u hebt mij tot JAHWEH, uw God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot JAHWEH, onze God, en naar alles, wat JAHWEH, onze God, zal zeggen, zo maak het ons bekend, en wij zullen het doen. 21 Nu heb ik het u vandaag bekend gemaakt; maar u hebt niet gehoord naar de stem van JAHWEH, uw God, noch naar alles, waarmee Hij mij tot u gezonden heeft. 22 Zo weet nu zeker, dat u door het zwaard, door de honger en door de pest sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft heen te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren. ### Jeremia 43 1 En het gebeurde, als Jeremia geëindigd had tot het hele volk te spreken al de woorden van JAHWEH, hun God, waarmee JAHWEH, hun God, hem tot hen gezonden had, te weten al die woorden, 2 Zo sprak Azaria, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en al de trotse mannen, zeggende tot Jeremia: U spreekt leugen; JAHWEH, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: U zult niet gaan in Egypte, om daar als vreemdelingen te verkeren. 3 Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand van de Chaldeeën, dat zij ons doden en ons als gevangene naar Babel wegvoeren. 4 Zo gehoorzaamde Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers, en al het volk, de stem van JAHWEH niet, om in het land van Juda te blijven. 5 Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten van de legers namen het hele overblijfsel van Juda, die van al de heidenen, waar zij waren heengedreven, teruggekeerd waren, om in het land van Juda te wonen; 6 De mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en de dochters van de koning, en alle ziel, die Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, gelaten had, ook de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Nerija; 7 En zij trokken in Egypteland, want zij waren aan de stem van JAHWEH niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes. 8 Toen kwam het woord van JAHWEH tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende: 9 Neem grote stenen in uw hand, en verberg ze in de klei in de ticheloven, die bij de deur van Farao's huis te Tachpanhes is, voor de ogen van de Joodse mannen; 10 En zeg tot hen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal henenzenden, en Nebukadrezar, de koning van Babel, Mijn knecht, halen, en Ik zal zijn troon zetten boven op deze stenen, die Ik verborgen heb; en hij zal zijn schone tent daarover spannen. 11 En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie voor gevangenschap bestemd is, naar de gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde. 12 En Ik zal een vuur aansteken in de huizen van de goden van Egypte, en hij zal ze verbranden, en als gevangene wegvoeren; en hij zal Egypteland aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede. 13 En hij zal de opgerichte beelden van Beth-semes, dat in Egypteland is, verbreken; en hij zal de huizen van de goden van Egypte met vuur verbranden. ### Jeremia 44 1 Het woord, dat tot Jeremia kwam aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: U hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid op deze dag, en niemand woont daarin; 3 Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, u, noch uw vaders. 4 En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doe toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat. 5 Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij aan andere goden niet roken. 6 Daarom is Mijn woede en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, zoals het is op deze dag. 7 En nu, zo zegt JAHWEH, de God van de legermachten, de God van Israël: Waarom doet u zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat u zich de man en de vrouw, het kind en de zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat u zich geen overblijfsel overlaat? 8 Tergende Mij door de werken van uw handen, rokende aan andere goden in het land van Egypte, alwaar u gekomen bent, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat u uzelf uitroeit, en opdat u wordt tot een vloek, en tot een smaad onder alle volken van de aarde? 9 Hebt u vergeten de boosheden van uw vaders, en de boosheden van de koningen van Juda, en de boosheden van hun vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden van uw vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem? 10 Zij zijn tot op deze dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn voorschriften, die Ik voor uw aangezicht en voor het aangezicht van uw vaders gegeven heb. 11 Daarom, zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn aangezicht tegen u stellen ten kwade, en om geheel Juda uit te roeien. 12 En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om daar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door de honger zullen zij verteerd worden, van de kleinste tot de grootste toe; door het zwaard en door de honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaad. 13 Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door de honger en door de pest; 14 Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, niemand zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weer te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weer te keren, om daar te wonen; maar zij zullen er niet terugkeren, behalve die ontkomen zullen. 15 Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen aan andere goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, en ook al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende: 16 Voor wat betreft het woord, dat u tot ons in de Naam van JAHWEH gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen. 17 Maar wij zullen geheel doen al wat uit onze mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad. 18 Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth van de hemel te roken, en haar drankoffers te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door de honger verteerd. 19 Ook wanneer wij aan Melecheth van de hemel roken en haar drankoffers offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankoffers, zonder onze mannen? 20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem dat geantwoord hadden, zeggende: 21 Het roken, dat u in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, u en uw vaders, uw koningen en uw vorsten, en het volk van het land, heeft JAHWEH daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen? 22 Zodat JAHWEH niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid van uw handelingen, vanwege de gruwelijke dingen, die u deed; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, zoals het is op deze dag; 23 Vanwege dat u gerookt hebt, en dat u tegen JAHWEH gezondigd hebt, en aan de stem van JAHWEH niet gehoorzaam bent geweest, en in Zijn wet en in Zijn voorschriften, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad overkomen, zoals het is op deze dag. 24 Verder zei Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort het woord van JAHWEH, u geheel Juda, die in Egypteland bent! 25 Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zeggende: Voor wat betreft u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en u hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, geheel houden, rokende aan Melecheth van de hemel, en haar drankoffers offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomen bevestigd en uw geloften volkomen gehouden. 26 Daarom hoort het woord van JAHWEH, u geheel Juda, die in Egypteland woont! Zie, Ik zweer bij Mijn grote Naam, zegt JAHWEH, zo Mijn Naam met de mond van enig man van Juda in geheel Egypteland meer zal genoemd worden, die zegt: Zo waarachtig als Adonai JAHWEH leeft! 27 Zie, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door de honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. 28 Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland terugkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het hele overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om daar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne. 29 En dit zal u het teken zijn, spreekt JAHWEH, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat u weet, dat Mijn woorden zeker over u bestaan zullen ten kwade; 30 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal Farao Hofra, de koning van Egypte, geven in de hand van zijn vijanden, en in de hand van degenen, die zijn ziel zoeken, zoals Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht. ### Jeremia 45 1 Het woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Nerija, als hij die woorden uit de mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH, de God van Israël, van u, o Baruch! 3 U zegt: Wee nu mij, want JAHWEH heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moe van mijn zuchten, en vind geen rust! 4 Zo zult u tot hem zeggen: Zo zegt JAHWEH: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit hele land. 5 En zou u zich grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt JAHWEH; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar u zult henentrekken. ### Jeremia 46 1 Het woord van JAHWEH, dat tot de profeet Jeremia gebeurd is tegen de heidenen. 2 Tegen Egypte; tegen het leger van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda. 3 Rust het schild en het grote schild toe, en nadert tot de strijd! 4 Span de paarden aan, en klimt op, u ruiters! en stelt u met helmen; veegt de speren, trekt de pantsiers aan! 5 Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achteruit gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt JAHWEH. 6 De snelle ontvlucht niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan de oever van de rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen. 7 Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren? 8 Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven. 9 Trek op, u paarden! en raast, u wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteërs, die het schild handelen, en de Lydiërs, die de boog handelen en spannen. 10 Maar deze dag is van JAHWEH, van JAHWEH van de legermachten, een dag van de wraak, dat Hij zich wreke van Zijn tegenstanders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, JAHWEH van de legermachten, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath. 11 Ga heen op naar Gilead, en haal balsem, u jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt u de medicijnen, er is geen heling voor u. 12 De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw hulpgeroep; want zij hebben zich gestoten, held tegen held, zij zijn beiden samen gevallen. 13 Het woord, dat JAHWEH tot de profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, de koning van Babel, om Egypteland te slaan. 14 Verkondig in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zeg: Stel er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is. 15 Waarom zijn uw sterken weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen JAHWEH voortdreef. 16 Hij maakte van de struikelenden veel; ja, de één viel op de ander; zodat zij zeiden: Sta op en laat ons terugkeren tot ons volk, en tot het land van onze geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard. 17 Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een geluid; hij heeft de gezetten tijd laten voorbijgaan. 18 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is JAHWEH van de legermachten; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen! 19 Maak voor u gereedschap van de wegvoering, u inwoneres, u dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in woont. 20 Egypte is een zeer schone vaars; de slachter komt, hij komt van het noorden. 21 Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn samen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag van hun verderf is over hen gekomen, de tijd van hun bezoeking. 22 Haar stem zal gaan als van een slang; want zij zullen met krijgsmacht daarheen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers. 23 Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt JAHWEH, hoewel het niet is te onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan. 24 De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand van het volk van het noorden. 25 JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zegt: Zie, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen. 26 En Ik zal hen geven in de hand van degenen, die hun ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en in de hand van zijn knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt JAHWEH. 27 Maar u, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israël! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land van hun gevangenis; en Jakob zal terugkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken. 28 U dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt JAHWEH; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarheen Ik u gedreven zal hebben, maar met u zal Ik geen voleinding maken, maar u straffen met mate, en u niet geheel onschuldig houden. ### Jeremia 47 1 Het woord van JAHWEH, dat tot de profeet Jeremia kwam, tegen de Filistijnen; voordat Farao Gaza sloeg. 2 Zo zegt JAHWEH: Zie, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid daarvan, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners van het land zullen huilen; 3 Vanwege het geluid van het geklater van de hoeven van zijn sterke paarden, vanwege het geraas van zijn wagens, en het bulderen van zijn wielen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid van de handen; 4 Vanwege de dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon elke overgebleven helper af te snijden; want JAHWEH zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland van Kafthor, verstoren. 5 Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel van hun dal; hoe lang zult u uzelf insnijdingen maken? 6 O wee, u zwaard van JAHWEH! Hoe lang zult u niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil! 7 Hoe zou u stil houden? JAHWEH heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, daar heeft Hij het besteld. ### Jeremia 48 1 Tegen Moab zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël, zo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad van het hoge vertrek is beschaamd en verschrikt. 2 Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Kom, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook u, o Madmen! zult neergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan. 3 Er is een stem van het gekrijt van Horonaim; verstoring en een grote breuk! 4 Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een hulpgeroep laten horen. 5 Want in de opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in de afgang van Horonaim hebben Moabs tegenstanders een jammergeschrei gehoord. 6 Vlucht, redt uw ziel! en wordt als de heide in de woestijn; 7 Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult u ook ingenomen worden; en Kamos zal heen uitgaan in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten samen. 8 Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet één stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het effen veld vernietigd worden; want JAHWEH heeft het gezegd. 9 Geef Moab veren, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand daarin woont. 10 Vervloekt zij, die het werk van JAHWEH bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt! 11 Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van kruik in kruik niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd. 12 Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn kruiken legen, en hun flessen in stukken slaan. 13 En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, zoals het huis van Israël beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hun vertrouwen. 14 Hoe zult u zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde? 15 Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en het beste van zijn jongemannen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is JAHWEH van de legermachten. 16 Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer. 17 Beklaagt hem, u allen, die rondom hem bent, en allen, die zijn naam kent; zeg: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken? 18 Daal neer uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, u inwoneres, u dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven. 19 Sta aan de weg, en zie toe, u inwoneres van Aroër! Vraag de vluchtende man en de ontkomen vrouw; zeg: Wat is er gebeurd? 20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huil en krijt! verkondig te Arnon, dat Moab verstoord is. 21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath, 22 En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim, 23 En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon, 24 En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn. 25 Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt JAHWEH. 26 Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen JAHWEH; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn. 27 Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat u zich zo bewoogt, van de tijd af, dat uw woorden van hem waren? 28 Verlaat de steden, en woont in de steenrots, u inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van de mond van een hol nestelt. 29 Wij hebben Moabs hoogmoed gehoord (hij is zeer hoogmoedig), zijn trotsheid, en zijn hoogmoed, en zijn hoogmoed, en de hoogheid van zijn hart. 30 Ik ken zijn toorn, spreekt JAHWEH, maar niet zo; zijn grendels doen het zo niet. 31 Daarom zal Ik over Moab huilen, ja, om geheel Moab zal Ik krijten; over de mensen van Kir-Heres zal men zuchten. 32 Boven het geween van Jaëzer zal Ik u bewenen, u wijnstok van Sibma! uw wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee; maar de verstoorder is gevallen op uw zomervruchten en op uw wijnoogst; 33 Zodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want Ik heb de wijn doen ophouden uit de kuipen; men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei; het vreugdegeschrei zal geen vreugdegeschrei zijn. 34 Vanwege Hesbons hulpgeroep tot Eleale toe, tot Jahaz toe, hebben zij hun stem verheven, van Zoar tot aan Horonaim, die driejarige vaars; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden. 35 En Ik zal in Moab doen ophouden, spreekt JAHWEH, die, die op de hoogte offert, en die zijn goden rookt. 36 Daarom zal Mijn hart over Moab getier maken als de fluiten; ook zal Mijn hart over de mensen van Kir-Heres getier maken als de fluiten, omdat het overschot, dat hij gemaakt had, verloren is. 37 Want alle hoofden zijn kaal, en alle baarden afgekort; op alle handen zijn insnijdingen, en op de middel is een zak. 38 Op alle daken van Moab, en op al haar straten is overal luid weeklagen; want Ik heb Moab verbroken als een voorwerp, waar men geen lust aan heeft, spreekt JAHWEH. 39 Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab de nek met schaamte gewend! Zo zal Moab allen, die rondom hem zijn, tot belaching en tot een ontzetting worden. 40 Want zo zegt JAHWEH: Zie, hij zal snel vliegen als een adelaar, en hij zal zijn vleugels over Moab uitbreiden. 41 Elk één van de steden is gewonnen, en elk één van de vestingen is ingenomen; en het hart van Moabs helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is. 42 Want Moab zal vernietigd worden, dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen JAHWEH. 43 De vrees, en de kuil, en de strik, over u, u inwoner van Moab! spreekt JAHWEH. 44 Die van de vrees ontvlucht, zal in de kuil vallen, en die uit de kuil opkomt, zal in de strik gevangen worden; want Ik zal over haar, over Moab, het jaar van hun bezoeking brengen, spreekt JAHWEH. 45 Die voor de macht van de vijand vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en een vlam van tussen Sihon, en heeft de hoeken van Moab en de schedel van de kinderen van het krijgsrumoer verteerd. 46 Wee u, Moab! het volk van Kamos is verloren; want uw zonen zijn weggenomen in gevangenis; ook zijn uw dochters in gevangenis. 47 Maar in het laatste van de dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt JAHWEH. Tot hiertoe is Moabs oordeel. ### Jeremia 49 1 Tegen de kinderen Ammons zegt JAHWEH zo: Heeft dan Israël geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in diens steden? 2 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik over Rabba van de kinderen Ammons een oorlogsgeschreeuw zal doen horen, en zij zal tot een woeste hoop worden, en haar bijbehorende plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen, die hem geërfd hadden, zegt JAHWEH. 3 Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, u dochters van Rabba, gordt zakken aan, drijft luid weeklagen, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesters en zijn vorsten samen. 4 Wat roemt u op uw dalen? Uw dal is weggevloten, u afkerige dochter! die op haar schatten vertrouwt, zeggende: Wie zou tegen mij komen? 5 Zie, Ik zal vrees over u brengen, spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten, van allen, die rondom u zijn, en u zult, ieder voor zich heen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolende verzamelen. 6 Maar daarna zal Ik de gevangenis van de kinderen Ammons wenden, spreekt JAHWEH. 7 Tegen Edom zegt JAHWEH van de legermachten zo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hun wijsheid onnut geworden? 8 Vlucht, wendt u, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, de tijd, dat Ik hem bezocht heb. 9 Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg was? 10 Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgen plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broers, en zijn buren, en hij is er niet meer. 11 Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen. 12 Want zo zegt JAHWEH: Zie, degenen van wie het oordeel het niet is de beker te drinken, zullen geheel drinken; en zou u enigszins onschuldig gehouden worden? U zult niet onschuldig worden gehouden, maar u zult geheel drinken. 13 Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, spreekt JAHWEH, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaad, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. 14 Ik heb een gerucht gehoord van JAHWEH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Verzamelt u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde. 15 Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen. 16 Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid van uw hart, u, die woont in de kloven van de steenrotsen, die u houdt op de hoogte van de heuvelen! Al zou u uw nest zo hoog maken als de adelaar, zo zal Ik u van daar neerstoten, spreekt JAHWEH. 17 Zo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen. 18 Zoals de omkering van Sodom en Gomorra en haar buren, zal het zijn, zegt JAHWEH; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. 19 Zie, zoals een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? 20 Daarom hoort de raadslag van JAHWEH, die Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen neertrekken! Als hij hun woning niet boven hen zal verwoesten! 21 De aarde heeft gebeefd van het geluid van hun val, van het hulpgeroep, waarvan het geluid gehoord is bij de Schelfzee. 22 Zie, hij zal opkomen en snel vliegen, als een adelaar, en zijn vleugels over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal op die dag wezen, als het hart van een vrouw, die in nood is. 23 Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bezorgdheid, men kan er niet rusten. 24 Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen; 25 Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad van Mijn vrolijkheid! 26 Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar straten; en al haar soldaten zullen op die dag neergehouwen worden, spreekt JAHWEH van de legermachten. 27 En Ik zal een vuur aansteken in de muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren. 28 Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt JAHWEH zo: Maak u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten. 29 Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kamelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! 30 Vlucht, zwerft fluks heen weg, woont in diepe plaatsen, u inwoners van Hazor! spreekt JAHWEH; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen u beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht. 31 Maak u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt JAHWEH; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen. 32 En hun kamelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hun verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt JAHWEH. 33 En Hazor zal worden tot een drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. 34 Het woord van JAHWEH, dat tot de profeet Jeremia gebeurd is tegen Elam, in het begin van het koninkrijk van Zedekia, de koning van Juda, zeggende: 35 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hun geweld. 36 En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken van de hemel over Elam aanbrengen, en zal hen in al die winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarheen Elams verdrevenen niet zullen komen. 37 En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht van hun vijanden, en voor het aangezicht van degenen, die hun ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen, de hitte van Mijn toorn, spreekt JAHWEH; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben. 38 En Ik zal Mijn troon in Elam stellen; en zal de koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt JAHWEH; 39 Maar het zal gebeuren in het laatste van de dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt JAHWEH. ### Jeremia 50 1 Het woord, dat JAHWEH gesproken heeft tegen Babel, tegen het land van de Chaldeeën, door de dienst van de profeet Jeremia. 2 Verkondig onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zeg: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Merodach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar afgoden zijn verpletterd! 3 Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan! 4 In dezelfde dagen en ter zelver tijd, spreekt JAHWEH, zullen de kinderen van Israël komen, zij en de kinderen van Juda samen; wandelende en huilend zullen zij heengaan, en JAHWEH, hun God, zoeken. 5 Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en JAHWEH toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten. 6 Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering. 7 Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun tegenstanders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen JAHWEH, in de woning van de gerechtigheid, ja, tegen JAHWEH, de Verwachting van hun vaders. 8 Vlucht weg uit het midden van Babel, en gaat uit het land van de Chaldeeën; en wees als de bokken voor de kudde heen. 9 Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als die van een kloeke held, geen zal leeg terugkeren. 10 En Chaldea zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt JAHWEH. 11 Omdat u zich verblijd hebt, omdat u van vreugde hebt opgesprongen, u plunderaars van Mijn erfenis! omdat u geil geworden bent als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden; 12 Zo is uw moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; zie, zij is geworden de achterste van de heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis. 13 Vanwege de toorn van JAHWEH zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen. 14 Rust u tegen Babel rondom, u allen, die de boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen JAHWEH gezondigd. 15 Juich over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fundamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is de wraak van JAHWEH, wreekt u aan haar, doet haar, zoals zij gedaan heeft! 16 Roeit uit van Babel de zaaier, en die, die de sikkel handelt in de oogsttijd; laat hen vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, ieder tot zijn volk, en vluchten, ieder naar zijn land. 17 Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld. 18 Daarom, zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik zal bezoeking doen over de koning van Babel en over zijn land, zoals Ik bezoeking gedaan heb over de koning van Assur. 19 En Ik zal Israël weer tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op de Karmel en op de Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraïm en Gilead verzadigd worden. 20 In die dagen en in die tijd, spreekt JAHWEH, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze van hen vergeven, die Ik zal doen overblijven. 21 Tegen het land Merathaim, trek daartegen op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt JAHWEH, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb. 22 Er is een oorlogsgeschreeuw in het land, en een grote breuk. 23 Hoe is de hamer van de hele aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen. 24 Ik heb u een strik gesteld, daarom bent u ook gevangen, o Babel! dat u het niet wist; u bent gevonden, en ook gegrepen, omdat u zich tegen JAHWEH in strijd gemengd hebt. 25 JAHWEH heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten van Zijn toorn voortgebracht; want dat is een werk van de Heere, JAHWEH van de legermachten, in het land van de Chaldeeën. 26 Kom aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben. 27 Dood met het zwaard al haar stieren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd van hun bezoeking! 28 Er is een stem van de gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak van JAHWEH, onze God, de wraak van Zijn tempel. 29 Laat u horen tegen Babel, u schutters! u allen, die de boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeld haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trots gehandeld tegen JAHWEH, tegen de Heilige van Israël. 30 Daarom zullen haar jongemannen vallen op haar straten, en al haar soldaten op die dag uitgeroeid worden, spreekt JAHWEH. 31 Zie, Ik wil aan u, u trotse! spreekt de Heere, JAHWEH van de legermachten; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal. 32 Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren. 33 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: De Israëlieten en de kinderen van Juda zijn samen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten. 34 Maar hun Verlosser is sterk, JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam; Hij zal hun twist zeker twisten, opdat Hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere. 35 Het zwaard zal zijn over de Chaldeeën, spreekt JAHWEH; en over de inwoners van Babel, en over haar vorsten, en over haar wijzen. 36 Het zwaard zal zijn over de leugenaars, dat zij zot worden; het zwaard zal zijn over haar helden, dat zij versagen; 37 Het zwaard zal zijn over zijn paarden en over zijn wagens, en over de hele gemengde hoop, die in het midden van hen is, dat zij tot vrouwen worden; het zwaard zal zijn over haar schatten, dat zij geplunderd worden. 38 Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden. 39 Daarom zo zullen de wilde dieren van de woestijnen met de wilde dieren van de eilanden daarin wonen; ook zullen de jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen verblijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht. 40 Gelijk God Sodom en Gomorra en haar buren heeft omgekeerd, spreekt JAHWEH, zo zal niemand daar wonen, en geen mensenkind in haar verkeren. 41 Zie, daar komt een volk uit het noorden; en een grote natie, en geweldige koningen zullen van de zijden van de aarde opgewekt worden. 42 Boog en speer zullen zij voeren; wreed zijn zij, en zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel! 43 De koning van Babel heeft hun gerucht gehoord, en zijn handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, smart als van een barende vrouw. 44 Zie, gelijk een leeuw van de verheffing van de Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hen in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe gekozen is, die zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden? En wie is de herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? 45 Daarom hoort de raadslag van JAHWEH, die Hij over Babel heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over het land van de Chaldeeën: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen neertrekken! Zo hij de woning boven hen niet zal verwoesten! 46 De aarde is bevende geworden van het geluid van de inneming van Babel, en het hulpgeroep is gehoord onder de volken. ### Jeremia 51 1 Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal een verdervende wind opwekken tegen Babel, en tegen degenen, die daar wonen in het hart van degenen, die tegen Mij opstaan. 2 En Ik zal Babel wanners toeschikken, die haar wannen, en haar land uitledigen zullen; want zij zullen op de dag van het kwaad van rondom tegen haar zijn. 3 De schutter spanne zijn boog tegen die, die spant, en tegen die, die zich verheft in zijn pantsier; en ontziet haar jongemannen niet, verbant al haar leger; 4 Dat de verslagenen liggen in het land van de Chaldeeën, en de doorstokenen op haar straten. 5 Want Israël of Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijn God, van JAHWEH van de legermachten (hoewel hun land vol van schuld is), van de Heilige van Israël. 6 Vlucht uit het midden van Babel, en redt, ieder zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd van de wraak van JAHWEH, Die haar de verdienste betaalt. 7 Babel was een gouden beker in de hand van JAHWEH, die de hele aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden. 8 Plotseling is Babel gevallen en verbroken; huil over haar, neemt balsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. 9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat haar dan, en laat ons ieder in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan de hemel, en is verheven tot aan de bovenste wolken. 10 JAHWEH heeft onze gerechtigheden te voorschijn gebracht; kom en laat ons te Sion het werk van JAHWEH, van onze God, vertellen! 11 Zuiver de pijlen, rust de schilden volkomen toe; JAHWEH heeft de geest van de koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak van JAHWEH, de wraak van Zijn tempel. 12 Verhef de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de hinderlagen; want zoals JAHWEH heeft voorgenomen, zo heeft Hij gedaan, wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft. 13 U, die aan vele wateren woont, die machtig bent van schatten! uw einde is gekomen, de maat van uw gierigheid. 14 JAHWEH van de legermachten heeft gezworen bij Zijn ziel: Hoewel Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, toch zullen zij elkaar een vreugdegeschrei over u toeroepen! 15 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand; 16 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een geluid van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde van de aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkameren. 17 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft; een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen. 18 Zinloosheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan. 19 Jakobs deel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; JAHWEH van de legermachten is Zijn Naam. 20 U bent Mij een voorhamer, en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven. 21 En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan de wagen en zijn ruiter. 22 En door u zal Ik in stukken slaan de man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan de oude en de jonge; en door u zal Ik in stukken slaan de jongeling en de jonkvrouw. 23 En door u zal Ik in stukken slaan de herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan de akkerman en zijn jukossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden. 24 Maar Ik zal Babel en alle inwoners van Chaldea vergelden al hun boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion, voor uw ogen, spreekt JAHWEH. 25 Zie, Ik wil aan u, u verdervende berg! spreekt JAHWEH, u, die de hele aarde verderft, en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg van de brand. 26 En zij zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fundamenten; want u zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt JAHWEH. 27 Verhef de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden omhoog, als ruige kevers! 28 Heilig tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het hele land van haar heerschappij. 29 Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk één van de gedachten van JAHWEH staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij. 30 Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot vrouwen geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken. 31 De loper zal de loper tegemoet lopen, en de kondschapper de kondschapper tegemoet, om de koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen; 32 En dat de doorwaadbare plaatsen ingenomen, en de rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat de soldaten verbaasd zijn. 33 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd van de oogst overkomen. 34 Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een lege kruik, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven. 35 Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegt de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegt Jeruzalem. 36 Daarom, zo zegt JAHWEH: Zie, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen. 37 En Babel zal worden tot steenhopen, een woning van de draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij. 38 Zij zullen samen brullen als jonge leeuwen, briesen als leeuwenwelpen. 39 Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwige slaap slapen, en niet opwaken, spreekt JAHWEH. 40 Ik zal hen afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken. 41 Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem van de hele aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen! 42 Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid van haar golven is zij bedekt. 43 Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat. 44 En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen. 45 Ga uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt ieder zijn ziel, vanwege de hitte van de toorn van JAHWEH. 46 En opdat uw hart misschien niet week wordt, en u vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer. 47 Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar hele land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen. 48 En de hemel en de aarde, en ook al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt JAHWEH. 49 Gelijk Babel geweest is tot een val van de verslagenen van Israël, zo zullen te Babel de verslagenen van het hele land vallen. 50 U ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenk aan JAHWEH van verre, en laat Jeruzalem in uw hart opkomen. 51 U mag zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van het huis van JAHWEH gekomen zijn; 52 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat Ik bezoeking doen zal over haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal kermen in haar hele land. 53 Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte van haar vesting, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt JAHWEH. 54 Er is een stem van het gekrijt uit Babel, en een grote breuk uit het land van de Chaldeeën. 55 Want JAHWEH verstoort Babel, en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hun golven zullen bruisen als grote wateren; het geruis van hun geluid zal zich verheffen. 56 Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hun bogen zijn verbroken; want JAHWEH, de God van de vergelding, zal hun zeker betalen. 57 En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwige slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is JAHWEH van de legermachten. 58 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Die brede muur van Babel zal ten enemale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gewerkt hebben, dat zij mat worden. 59 Het woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, de zoon van Nerija, de zoon van Machseja, als hij van Zedekia, de koning van Juda, naar Babel trok, in het vierde jaar van zijn regering; en Seraja was een vreedzaam vorst. 60 Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn. 61 En Jeremia zei tot Seraja: Als u te Babel komt, zo zult u zien en lezen al deze woorden; 62 En u zult zeggen: O JAHWEH, U hebt over deze plaats gesproken, dat U ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van de mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden. 63 En het zal gebeuren, als u geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult u een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van de Frath; 64 En zult zeggen: Zo zal Babel zinken, en niet weer opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia. ### Jeremia 52 1 Zedekia was één en twintig jaar oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna. 2 En hij deed, dat kwaad was in de ogen van JAHWEH, naar alles, wat Jojakim gedaan had. 3 Want het gebeurde, om de toorn van JAHWEH tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen de koning van Babel. 4 En het gebeurde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn hele leger, en zij sloegen hun kamp op tegen haar, en zij bouwden tegen haar vestingen rondom. 5 Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekia. 6 In de vierde maand, op de negende van de maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk van het land geen brood had; 7 Toen werd de stad doorgebroken, en al de soldaten vluchtten, en trokken uit in de nacht, uit de stad, door de weg van de poort tussen de twee muren, die aan de hof van de koning waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en zij trokken door de weg van het vlakke veld. 8 Maar het leger van de Chaldeeën jaagde de koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn leger werd van bij hem verstrooid. 9 Zij dan grepen de koning, en voerden hem omhoog tot de koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem. 10 En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla. 11 En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; zo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in de gevangenis, tot de dag van zijn dood toe. 12 Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand (dit jaar was het negentiende jaar van de koning Nebukadrezar, de koning van Babel), als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, die voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was; 13 Zo verbrandde hij het huis van JAHWEH en het huis van de koning; en ook alle huizen van Jeruzalem en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur. 14 En het hele leger van de Chaldeeën, dat met de overste van de lijfwachten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af. 15 Van de armsten nu van het volk en het overige van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel gevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg. 16 Maar van de armsten van het land liet Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, enige over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden. 17 Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis van JAHWEH waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis van JAHWEH was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel. 18 Ook namen zij de potten en de scheppen, en de messen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en al de koperen voorwerpen, waar men de dienst mee deed. 19 En de overste van de lijfwachten nam weg de schalen, en de wierookvaten, en de sprengbekkens, en de potten, en de kandelaars, en de rookschalen, en de kroezen; wat geheel goud, en wat geheel zilver was. 20 De twee pilaren, de ene zee, en de twaalf koperen runderen, die in de plaats van de stellingen waren, die de koning Salomo voor het huis van JAHWEH gemaakt had; het koper daarvan, te weten van al deze voorwerpen, was zonder gewicht. 21 Voor wat betreft de pilaren, achttien ellen was de hoogte van een pilaar, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingers, en hij was hol. 22 En het kapiteel daarop was koper, en de hoogte van het ene kapiteel was vijf ellen, en een net, en granaatappels op het kapiteel rondom, alles koper; en deze gelijk had de andere pilaar, met granaatappels. 23 En de granaatappels waren zes en negentig, gezet naar de wind; alle granaatappels waren honderd, over het net rondom. 24 Ook nam de overste van de lijfwachten Seraja, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders. 25 En uit de stad nam hij een hoveling, die over de soldaten gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, en ook de overste schrijver van het leger, die het volk van het land ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk van het land, die in het midden van de stad gevonden werden. 26 Als Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, deze genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel naar Ribla. 27 En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Zo werd Juda uit zijn land als gevangene weggevoerd. 28 Dit is het volk, dat Nebukadrezar als gevangene heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden; 29 In het achttiende jaar van Nebukadrezar, voerde hij als gevangene weg achthonderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem; 30 In het drie en twintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de overste van de lijfwachten, als gevangene weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd. 31 Het gebeurde daarna, in het zeven en dertigste jaar van de wegvoering van Jojachin, de koning van Juda, in de twaalfde maand, op de vijf en twintigste van de maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het eerste jaar van zijn koninkrijk, het hoofd van Jojachin, de koning van Juda, verhief, en hem uit de gevangenis uitbracht. 32 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven de stoel van de koningen, die bij hem te Babel waren. 33 En hij veranderde de kleren van zijn gevangenis; en hij at voortdurend brood voor zijn aangezicht, al de dagen van zijn leven. 34 En voor wat betreft zijn tering, een voortdurende tering werd hem van de koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, tot op de dag van zijn dood, al de dagen van zijn leven. ## Klaagliederen ### Klaagliederen 1 1 א Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volk was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de gewesten, is schatplichtig geworden. 2 ב Beth. Zij weent steeds in de nacht, en haar tranen lopen over haar wangen; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden. 3 ג Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid van de dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten. 4 ד Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelf is in bitterheid. 5 ה He. Haar tegenstanders zijn tot hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar JAHWEH bedroefd heeft, vanwege de veelheid van haar overtredingen; haar kinderen gaan heen in de gevangenis voor het aangezicht van de tegenstanders. 6 ו Vau. En van de dochter van Sion is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos heen voor het aangezicht van de vervolger. 7 ז Zain. Jeruzalem is, in de dagen van haar ellende en van haar veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; omdat haar volk door de hand van de tegenstanders valt, en zij geen helper heeft; de tegenstanders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen. 8 ח Cheth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achteruit gekeerd. 9 ט Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. JAHWEH, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot. 10 י Jod. De tegenstander heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan U geboden had, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden. 11 כ Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor voedsel gegeven, om de ziel op te frissen. Zie, JAHWEH, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben. 12 ל Lamed. Gaat het u niet aan, u allen, die over weg gaat? Aanschouwt het en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee JAHWEH mij bedroefd heeft op de dag van de hitte van Zijn toorn. 13 מ Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achteruit doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt de hele dag. 14 נ Nun. Het juk van mijn overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; JAHWEH heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan. 15 ס Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongemannen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers van de jonkvrouw, van de dochter van Juda, aangetreden. 16 ע Ain. Om van deze dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog stroomt van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou opfrissen, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft. 17 פ Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; JAHWEH heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenstanders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen. 18 צ Tsade. JAHWEH is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond opstandig geweest; hoor toch, alle volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn in de gevangenis gegaan. 19 ק Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, als zij voedsel voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten opfrissen. 20 ר Resch. Aanzie, JAHWEH, want mij is bange; mijn binnenste is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer opstandig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood. 21 ש Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat U het gedaan hebt; als U de dag zult voortgebracht hebben, die U uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben. 22 ת Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, zoals U mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat. ### Klaagliederen 2 1 א Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter van Sion in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israël van de hemel op de aarde neergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht in de dag van Zijn toorn. 2 ב Beth. De Heere heeft al de woningen van Jakob verslonden, en heeft ze niet gespaard; Hij heeft de vestingen van de dochter van Juda afgebroken in Zijn toorn, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd. 3 ג Gimel. Hij heeft, in ontsteking van de toorn, de hele hoorn van Israël afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achteruit getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert. 4 ד Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenstander, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen van de ogen; Hij heeft Zijn woede in de tent van de dochter van Sion uitgestort als een vuur. 5 ה He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israël verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft haar vestingen verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd. 6 ו Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; JAHWEH heeft in Sion doen vergeten de hoogtijd en de sabbat, en Hij heeft in de toorn van Zijn toorn de koning en de priester smadelijk verworpen. 7 ז Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren van haar paleizen in de hand van de vijand overgegeven; zij hebben in het huis van JAHWEH een stem verheven als op de dag van een gezette hoogtijd. 8 ח Cheth. JAHWEH heeft gedacht te verderven de muur van de dochter van Sion; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft de voormuur en de muur samen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt. 9 ט Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendels verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen visioen van JAHWEH. 10 י Jod. De oudsten van de dochter van Sion zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de meisjes van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen. 11 כ Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn binnenste wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter van mijn volk; omdat het kind en de zuigeling op de straten van de stad in onmacht zinken; 12 ל Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten van de stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in de schoot van hun moeders. 13 מ Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, u dochter van Jeruzalem? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, u jonkvrouw, dochter van Sion, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen? 14 נ Nun. Uw profeten hebben u zinloosheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen. 15 ס Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter van Jeruzalem, zeggende: Is dit die stad, waar men van zei, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde van de hele aarde? 16 פ Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, die wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien. 17 ע Ain. JAHWEH heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft de vijand over u verblijd, Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd. 18 צ Tsade. Hun hart schreeuwde tot de Heere: O u muur van de dochter van Sion, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op! 19 ק Koph. Maak u op, maak geschrei in de nacht in het begin van de nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht van de Heere als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel van uw kinderen, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten. 20 ר Resch. Zie, JAHWEH, aanschouw toch, aan wie U zo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderen, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom van JAHWEH gedood worden? 21 ש Schin. De jongen en de oude liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongemannen zijn door het zwaard gevallen; U hebt ze in de dag van Uw toorn gedood, U hebt ze geslacht en niet gespaard. 22 ת Thau. U hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag van een gezette hoogtijd; en er is niemand aan de dag van de toorn van JAHWEH ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht. ### Klaagliederen 3 1 א Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede van Zijn toorn. 2 א Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. 3 א Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand de hele dag veranderd. 4 ב Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. 5 ב Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. 6 ב Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. 7 ג Gimel. Hij heeft mij ingemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. 8 ג Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. 9 ג Gimel. Hij heeft mijn wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. 10 ד Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen. 11 ד Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. 12 ד Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij de pijl als ten doel gesteld. 13 ה He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan. 14 ה He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel de hele dag. 15 ה He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt. 16 ו Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as neergedrukt. 17 ו Vau. En U hebt mijn ziel verre van de vrede verstoten, ik heb het goede vergeten. 18 ו Vau. Toen zei ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van JAHWEH. 19 ז Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan de alsem en galle. 20 ז Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neer in mij. 21 ז Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; 22 ח Cheth. Het zijn de goedertierenheden van JAHWEH, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; 23 ח Cheth. Zij zijn elke morgen nieuw, Uw trouw is groot. 24 ח Cheth. JAHWEH is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. 25 ט Teth. JAHWEH is goed voor hen, die Hem verwachten, voor de ziel, die Hem zoekt. 26 ט Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil van JAHWEH. 27 ט Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. 28 י Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft. 29 י Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting. 30 י Jod. Hij geve zijn wang aan degene, die hem slaat, hij worde verzadigd van smaad. 31 כ Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. 32 כ Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid van Zijn goedertierenheden. 33 כ Caph. Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte. 34 ל Lamed. Dat men al de gevangenen van de aarde onder Zijn voeten verbrijzelt; 35 ל Lamed. Dat men het recht van een man buigt voor het aangezicht van de Allerhoogste; 36 ל Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn rechtszaak; zou het de Heere niet zien? 37 מ Mem. Wie zegt wat, dat gebeurt, zo het de Heere niet beveelt? 38 מ Mem. Ga niet uit de mond van de Allerhoogste het kwade en het goede? 39 מ Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden. 40 נ Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons terugkeren tot JAHWEH. 41 נ Nun. Laat ons onze harten opheffen, en ook de handen, tot God in de hemel, zeggende: 42 נ Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn opstandig geweest, daarom hebt U niet gespaard. 43 ס Samech. U hebt ons met toorn bedekt, en U hebt ons vervolgd; U hebt ons gedood. U hebt niet gespaard. 44 ס Samech. U hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. 45 ס Samech. U hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden van de volken. 46 פ Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd. 47 פ Pe. De vrees en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. 48 פ Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neer, vanwege de breuk van de dochter van mijn volk. 49 ע Ain. Mijn oog stroomt, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is; 50 ע Ain. Totdat JAHWEH van de hemel aanschouwe, en het zie. 51 ע Ain. Mijn oog doet mijn ziel moeite aan, vanwege al de dochters van mijn stad. 52 צ Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. 53 צ Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. 54 צ Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zei: Ik ben afgesneden! 55 ק Koph. JAHWEH! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit de onderste kuil. 56 ק Koph. U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. 57 ק Koph. U hebt U genaderd op de dag als ik U aanriep; U hebt gezegd: Vrees niet! 58 ר Resch. JAHWEH! U hebt de twistzaken van mijn ziel getwist, U hebt mijn leven verlost. 59 ר Resch. JAHWEH! U hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak. 60 ר Resch. U hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. 61 ש Schin. JAHWEH! U hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; 62 ש Schin. De lippen van degenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij de hele dag. 63 ש Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. 64 ת Thau. JAHWEH! geef hun weer die vergelding, naar het werk van hun handen. 65 ת Thau. Geef hun een deksel van het hart; Uw vloek zij over hen! 66 ת Thau. Vervolg ze met toorn, en vernietig ze van onder de hemel van JAHWEH. ### Klaagliederen 4 1 א Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen van het heiligdom vooraan op alle straten verworpen! 2 ב Beth. De kostelijke kinderen van Sion, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen van een pottenbakker! 3 ג Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neer, zij zogen hun welpen; maar de dochter van mijn volk is als een wrede geworden, zoals de struisvogels in de woestijn. 4 ד Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderen eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. 5 ה He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de mest. 6 ו Vau. En de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar. 7 ז Zain. Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier. 8 ח Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout. 9 ט Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van de honger; want die stromen daarheen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten van de velden zijn. 10 י Jod. De handen van de barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot voedsel geworden in de verbreking van de dochter van mijn volk. 11 כ Caph. JAHWEH heeft Zijn woede volbracht, Hij heeft de hitte van Zijn toorn uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, dat haar fundamenten verteerd heeft. 12 ל Lamed. De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners van de wereld, dat de tegenstander en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan. 13 מ Mem. Het is vanwege de zonden van haar profeten, en de misdaden van haar priesters, die in het midden van haar het bloed van de rechtvaardigen vergoten hebben. 14 נ Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men niet kon zien, of men raakte hun kleren aan. 15 ס Samech. Zij riepen tot hen: Wijk, hier is een onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan! Zeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen. 16 פ Pe. Het aangezicht van JAHWEH heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht van de priesters niet geëerd, zij hebben de ouden geen genade bewezen. 17 ע Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen. 18 צ Tsade. Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen. 19 ק Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de adelaars van de hemel; zij hebben ons op de bergen hevig vervolgd, in de woestijn hebben zij ons hinderlagen gelegd. 20 ר Resch. De adem van onze neuzen, de gezalfde van JAHWEH, is gevangen in hun groeven; van welke wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen! 21 ש Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, u dochter Edoms, die in het land Uz woont! maar de beker zal ook tot u komen, u zult dronken worden, en ontbloot worden. 22 ת Thau. Uw ongerechtigheid heeft een einde, o u dochter van Sion! Hij zal u niet meer als gevangene doen wegvoeren; maar uw ongerechtigheid, o u dochter Edoms! zal Hij bezoeken; Hij zal uw zonden ontdekken. ### Klaagliederen 5 1 Gedenk, JAHWEH, wat ons gebeurd is, aanschouw het, en zie onze smaad aan. 2 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de buitenlanders. 3 Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen. 4 Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan. 5 Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij moe, men laat ons geen rust. 6 Wij hebben de Egyptenaar de hand gegeven, en de Assyriër, om met brood verzadigd te worden. 7 Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden. 8 Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke. 9 Wij moeten ons brood met gevaar van ons leven halen, vanwege het zwaard van de woestijn. 10 Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege de geweldige storm van de honger. 11 Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de meisjes in de steden van Juda. 12 De vorsten zijn door hun hand opgehangen; de gezichten van de ouden zijn niet geëerd geweest. 13 Zij hebben de jongemannen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout. 14 De ouden houden op van de poort, de jongemannen van hun snarenspel. 15 De vreugde van ons hart houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd. 16 De kroon van ons hoofd is afgevallen; o wee nu over ons, dat wij zo gezondigd hebben! 17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden. 18 Omwille van de berg Sion, die verwoest is, waar de vossen op lopen. 19 U, o JAHWEH, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht. 20 Waarom zou U ons steeds vergeten? Waarom zou U ons zo lange tijd verlaten? 21 JAHWEH, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds. 22 Want zou U ons geheel verwerpen? Zou U zozeer tegen ons toornig zijn? ## Ezechiël ### Ezechiël 1 1 In het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde van die maand, als ik in het midden van de weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo gebeurde het, dat de hemelen werden geopend, en ik visioenen Gods zag. 2 Op de vijfde van die maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van de koning Jojachin), 3 Kwam het woord van JAHWEH uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en de hand van JAHWEH was daar op hem. 4 Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de kleur van glanzend metaal, uit het midden van het vuur. 5 En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens; 6 En elk had vier aangezichten; ook had elk van hen vier vleugels. 7 En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de kleur van glad koper. 8 En mensenhanden waren onder hun vleugels, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugels. 9 Hun vleugels waren samengevoegd, de één aan de ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elk recht uit voor zijn aangezicht heen. 10 De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw hadden zij vier aan de rechterzijde; en aan de linkerzijde hadden die vier het aangezicht van een os; ook hadden die vier het aangezicht van een adelaar. 11 Ook waren hun aangezichten en hun vleugels omhoog verdeeld; elk had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen. 12 En zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 13 Voor wat betreft de gelijkenis van de dieren, hun gedaante was als brandende kolen van het vuur, als de gedaante van de fakkelen; dat vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort. 14 De dieren nu liepen en keerden weer als de gedaante van een weerlicht. 15 Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten daarvan. 16 De gedaante van de wielen en hun maaksel was als de kleur van een turkoois; en die vier hadden dezelfde gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het was een rad in het midden van een rad. 17 Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 18 En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier wielen. 19 Als nu de dieren gingen, gingen de wielen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de wielen opgeheven. 20 Waarheen de geest was om te gaan, gingen zij, waarheen de geest was om te gaan; en de wielen werden tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de wielen. 21 Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de wielen tegenover hen opgeheven; want de geest van de dieren was in de wielen. 22 En over de hoofden van de dieren was de gelijkenis van een uitspansel, zoals de kleur van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid. 23 En onder dat uitspansel waren hun vleugels rechtop, de één aan de ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze daarheen bedekten. 24 En als zij gingen, hoorde ik een geruis van hun vleugels, als het geruis van vele wateren, als de stem van de Almachtige, als de stem van een geroep, als het gedreun van een legermacht; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugels neer. 25 En er kwam een stem van boven het uitspansel, dat boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugels neergelaten hadden. 26 En boven het uitspansel, dat was boven hun hoofden, was de gelijkenis van een troon, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis van de troon was de gelijkenis als de gedaante van een mens, daarboven op zijnde. 27 En ik zag als de kleur van glanzend metaal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante van Zijn middel en omhoog; en van de gedaante van Zijn middel en naar beneden, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom. 28 Gelijk de gedaante van de boog, die in de wolk is op de dag van de plasregen, zo was de gedaante van de glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis van de heerlijkheid van JAHWEH; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak. ### Ezechiël 2 1 En Hij zei tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken. 2 Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Die, Die tot mij sprak. 3 En Hij zei tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de Israëlieten, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaders hebben overtreden tegen Mij tot op deze zelfde huidige dag. 4 En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt Adonai JAHWEH! 5 En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een opstandig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is. 6 En u, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en u bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een opstandig huis. 7 Maar u zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn opstandig. 8 Maar u, mensenkind, hoor wat Ik tot u spreek; wees u niet opstandig, zoals dat opstandig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef. 9 Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol van een boek. 10 En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee. ### Ezechiël 3 1 Daarna zei Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat u vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis van Israël. 2 Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten. 3 En Hij zei tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honing, vanwege de zoetigheid. 4 En Hij zei tot mij: Mensenkind, ga heen, kom tot het huis van Israël, en spreek tot hen met Mijn woorden. 5 Want u bent niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis van Israël; 6 Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, van wie de woorden u niet kunt verstaan; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben? 7 Maar het huis van Israël wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het hele huis van Israël is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij. 8 Zie, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd. 9 Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een opstandig huis zijn. 10 Verder zei Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren. 11 En ga heen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen van uw volk, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen. 12 Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid van JAHWEH uit Zijn plaats! 13 En ik hoorde het geluid van de vleugels van de dieren, die de één de ander raakten, en het geluid van de wielen tegenover hen; en het geluid van een grote ruising. 14 Toen hief de Geest mij op, en nam mij weg, en ik ging heen, bitter bedroefd door de hitte van mijn geest; maar de hand van JAHWEH was sterk op mij. 15 En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen. 16 Het gebeurde nu na verloop van zeven dagen, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 17 Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. 18 Als Ik tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven, en u waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddeloze weg te waarschuwen, opdat u hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. 19 Maar als u de goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. 20 Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. 21 Maar als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is; en u hebt uw ziel bevrijd. 22 En de hand van JAHWEH was daar op mij, en Hij zei tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken. 23 En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH stond daar, zoals de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht. 24 Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij, en Hij zei tot mij: Ga, besluit u binnen in uw huis. 25 Want wat u betreft, mensenkind, ziet, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmee binden; daarom zult u niet uitgaan in het midden van hen. 26 En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat u stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffende man; want zij zijn een opstandig huis. 27 Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt Adonai JAHWEH, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een opstandig huis. ### Ezechiël 4 1 En u, mensenkind, neem u een baksteen, en leg die voor uw aangezicht, en bewerp daarop de stad Jeruzalem. 2 En maak een belegering tegen haar, en bouw tegen haar vestingen, en werp tegen haar een wal op, en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom. 3 Verder, neem u zich een ijzeren pan, en stel ze tot een ijzeren muur tussen u en tussen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat zij in belegering kome, en u zult ze belegeren. Dit zij voor het huis van Israël een teken. 4 Lig u ook neer op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis van Israël, naar het getal van de dagen, dat u daarop zult liggen, zult u hun ongerechtigheid dragen. 5 Want Ik heb u gegeven de jaren van hun ongerechtigheid, naar het getal van de dagen, driehonderd en negentig dagen, dat u de ongerechtigheid van het huis van Israël dragen zult. 6 Als u nu deze voltooien zult, lig voor de tweede keer neer op uw rechterzijde, en u zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elke dag voor elk jaar. 7 Daarom zult u uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en u zult tegen haar profeteren. 8 En ziet, Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat u zich niet omkeert van uw ene zijde tot uw andere zijde, voordat u de dagen van uw belegering voltooid hebt. 9 En neemt u voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en heerse, en spelt; en doe die in een pot, en maak die u tot brood; naar het getal van de dagen, die u op uw zijde neerliggen zult, driehonderd en negentig dagen, zult u dat eten. 10 Uw voedsel nu, dat u eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkels per dag; van tijd tot tijd zult u die eten. 11 U zult ook water naar zekere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult u het drinken. 12 En u zult een gerstekoek eten, en die zult u met mest van de afgang van de mens bakken voor hun ogen. 13 En JAHWEH zei: Zo zullen de Israëlieten hun brood onrein eten onder de heidenen, waarheen Ik hen verdrijven zal. 14 Toen zei ik: Ach, Adonai JAHWEH, zie, mijn ziel is niet verontreinigd geweest; want ik heb, van mijn jeugd af tot nu toe, geen kadaver, noch dat verscheurd is, gegeten, en geen verfoeilijk vlees is in mijn mond gekomen. 15 En Hij zei tot mij: Zie, Ik heb u rundermest gegeven voor mensenpoep, zo zult u uw brood daarmee bereiden. 16 Daarna zei Hij tot mij: U mensenkind, zie, Ik breek de staf van het brood in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken; 17 Opdat zij van het brood en van het water gebrek hebben, en de één met de ander verbaasd worden, en in hun ongerechtigheid uitteren. ### Ezechiël 5 1 En u, mensenkind, neem u een scherp mes, een scheermes van de kappers zult u zich nemen, dat u zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard; daarna zult u zich een weegschaal nemen, en die haren delen. 2 Een derde deel zult u in het midden van de stad met vuur verbranden, nadat de dagen van de belegering vervuld worden; dan zult u een derde deel nemen, slaande met een zwaard daaromheen, en een derde deel zult u in de wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 3 U zult ook weinig in getal daarvan nemen, en in uw slippen binden. 4 En nog zult u van die nemen, en die werpen in het midden van het vuur, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen het hele huis van Israël. 5 Zo zegt Adonai JAHWEH: Dit is Jeruzalem, welke Ik in het midden van de heidenen gezet heb, en landen rondom haar heen. 6 Maar zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid meer dan de heidenen, en Mijn voorschriften meer dan de landen, die rondom haar zijn; want zij hebben Mijn rechten verworpen, en in Mijn voorschriften hebben zij niet gewandeld. 7 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Omdat u daarom meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn voorschriften niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten van de heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt; 8 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Zie, Ik wil aan u, ja Ik, want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van die heidenen. 9 En Ik zal onder u doen, wat Ik niet gedaan heb, en evenzo Ik voortaan niet doen zal, omwille van al uw gruwelijke dingen. 10 Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaders eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien. 11 Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH (omdat u Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeilijke dingen, en met al uw gruwelijke dingen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet sparen zal, en Ik ook niet zal sparen! 12 Een derde deel van u zal van de pest sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 13 Zo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn woede op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, JAHWEH, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn woede tegen hen volbracht zal hebben. 14 Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaad zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van al degene, die voorbijgaat. 15 Zo zal de smaad en hoon een onderwijs en ontzetting voor de heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toorn, en in woede, en in grimmige straffen oefenen zal; Ik, JAHWEH, heb het gesproken! 16 Wanneer Ik de boze pijlen van de honger tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik de honger over u vermeerderen, en u de staf van het brood breken. 17 Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pest en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, JAHWEH, heb het gesproken! ### Ezechiël 6 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen van Israël, en profeteer daartegen; 3 En zeg: U bergen van Israël, hoort het woord van Adonai JAHWEH! Zo zegt Adonai JAHWEH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de beken en tot de dalen: Zie, Ik, Ik breng over u het zwaard, en Ik zal uw hoogten verderven. 4 Daartoe zullen uw altaren verwoest, en uw zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uw verslagenen neervellen voor het aangezicht van uw afgoden. 5 En Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten voor het aangezicht van hun afgoden leggen, en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren strooien. 6 In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw afgoden verbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgewist worden. 7 En de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat u weet, dat Ik JAHWEH ben. 8 Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als u enigen zult hebben, die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer u in de landen zult verstrooid worden. 9 Dan zullen uw ontkomenen Mij gedenken onder de heidenen, waar zij als gevangene zullen geworden zijn, omdat Ik verbroken ben door hun hoerachtig hart, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die hun afgoden nahoereren; en zij zullen een walging aan zichzelf hebben over de boosheden, die zij in al hun gruwelijke dingen gedaan hebben. 10 En zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben; Ik heb niet tevergeefs gesproken, van hun dit kwaad aan te doen. 11 Zo zegt Adonai JAHWEH: Sla met uw hand, en stamp met uw voet, en zeg: Ach, over alle gruwelijke dingen van de boosheden van het huis van Israël; want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen. 12 Die verre af is, zal door de pest sterven, en die nabij is, zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is, zal door honger sterven; zo zal Ik Mijn woede tegen hen volbrengen. 13 Dan zult u weten, dat Ik JAHWEH ben, als hun verslagenen in het midden van hun afgoden rondom hun altaren wezen zullen op alle hoge heuvelen, op alle toppen van de bergen, en onder alle groene boom, en onder alle dichte eiken, de plaats, alwaar zij aan al hun afgoden een liefelijke reuk maakten. 14 Daarom zal Ik Mijn hand over hen uitstrekken, en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath heen, in al hun woningen; en zij zullen bevinden, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 7 1 Daarna kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Verder, u mensenkind, zo zegt Adonai JAHWEH, van het land van Israël: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken van het land. 3 Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelijke dingen. 4 En Mijn oog zal u niet sparen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelijke dingen zullen in het midden van u zijn, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 5 Zo zegt Adonai JAHWEH: Één kwaad, één enig kwaad, ziet, is gekomen; 6 Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is opgewaakt tegen u; zie, het kwaad is gekomen! 7 De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner van het land, de tijd is gekomen, de dag van de onrust is nabij, en er is geen wederklank van de bergen. 8 Nu zal Ik in kort Mijn woede over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelijke dingen. 9 En Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelijke dingen zullen in het midden van u zijn; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, Die slaat. 10 Zie, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hoogmoed heeft gegroend. 11 Het geweld is opgerezen tot een roede van de goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun geluid, en geen klage zal over hen zijn. 12 De tijd is gekomen, de dag is genaderd; de koper zij niet blij, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de hele menigte van het land. 13 Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, hoewel hun leven nog onder de levenden was; omdat het visioen, aangaande de hele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken. 14 Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de hele menigte van het land. 15 Het zwaard is buiten, en de pest, en de honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, die zal de honger en de pest verteren. 16 En hun ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven van de dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid. 17 Alle handen zullen slap worden, en alle knieën zullen wegvloeien als water. 18 Ook zullen zij zakken aangorden, huivering zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid. 19 Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen op de dag van de toorn van JAHWEH; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot van hun ongerechtigheid zijn. 20 En Hij heeft de schoonheid van Zijn sieraad ter overtreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden van hun gruwelijke dingen en van hun verfoeilijke dingen gemaakt; daarom heb Ik dat hun tot onreinheid gesteld. 21 En Ik zal het in de hand van de vreemden overgeven ten roof, en de goddelozen van de aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen. 22 Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen. 23 Maak een keten; want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld. 24 Daarom zal Ik de kwaadste van de heidenen doen komen, die hun huizen erfelijk bezitten zullen, en zal de hoogmoed van de sterken doen ophouden, en die hen heiligen, zullen ontheiligd worden. 25 De ondergang komt; en zij zullen de vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn. 26 Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het visioen van een profeet zoeken; maar de wet zal vergaan van de priester, en de raad van de oudsten. 27 De koning zal rouw bedrijven, en de vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk van het land zullen beroerd zijn; Ik zal hun doen naar hun weg, en met hun rechten zal Ik ze richten; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 8 1 Het gebeurde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op de vijfde van de maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand van Adonai JAHWEH daar over mij viel. 2 Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante van Zijn middel en naar beneden was vuur; en van Zijn middel en omhoog, als de gedaante van een klaarheid, als de kleur van glanzend metaal. 3 En Hij stak de gelijkenis van een hand uit, en nam mij bij het haar van mijn hoofd; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen de hemel, en bracht mij in de visioenen Gods te Jeruzalem, tot de deur van de poort van het binnenste voorhof, die ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld van de ijvering, dat tot ijver verwekt. 4 En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël was daar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had. 5 En Hij zei tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op naar de weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar de weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden aan de poort van het altaar was dit beeld van de ijvering, in de ingang. 6 En Hij zei tot mij: Mensenkind, ziet u wel, wat zij doen, de grote gruwelijke dingen, die het huis van Israël hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Maar u zult nog opnieuw grote gruwelijke dingen zien. 7 Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in de wand. 8 En Hij zei tot mij: Mensenkind, graaf nu in die wand. En ik groef in die wand, en ziet, daar was een deur. 9 Toen zei Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelijke dingen, die zij hier doen. 10 Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeld van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle afgoden van het huis van Israël, geheel rondom aan de wand gemaald. 11 En zeventig mannen uit de oudsten van het huis van Israël, met Jaazanja, de zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk van het reukwerk ging op. 12 Toen zei Hij tot mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: JAHWEH ziet ons niet, JAHWEH heeft het land verlaten. 13 En Hij zei tot mij: U zult nog opnieuw grote gruwelijke dingen zien, die zij doen. 14 En Hij bracht mij tot de deur van de poort van het huis van JAHWEH, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende de Thammuz. 15 En Hij zei tot mij: Hebt u, mensenkind, dat gezien? U zult nog opnieuw grotere gruwelijke dingen zien dan deze. 16 En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis van JAHWEH; en ziet, aan de deur van de tempel van JAHWEH, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren ongeveer vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar de tempel van JAHWEH, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neer naar het oosten voor de zon. 17 Toen zei Hij tot mij: Hebt u, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelijke dingen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus. 18 Daarom zal Ik ook handelen in woede, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luide stem roepen, toch zal Ik hen niet horen. ### Ezechiël 9 1 Daarna riep Hij voor mijn oren met luide stem, zeggende: Doe de opzichters van de stad naderen, en elk met zijn verdervend wapen in zijn hand. 2 En ziet, zes mannen kwamen van de weg van de Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elk met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn middel; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar. 3 En de heerlijkheid van de God van Israël hief zich op van de cherub, waarop Hij was, tot de dorpel van het huis; en Hij riep tot de man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn middel had. 4 En JAHWEH zei tot hem: Ga door, door het midden van de stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden van de mensen, die zuchten en uitroepen over al die gruwelijke dingen, die in het midden daarvan gedaan worden. 5 Maar tot die anderen zei Hij voor mijn oren: Ga door, door de stad achter hem, en slaat, uw oog verschone niet, en spaart niet! 6 Dood ouden, jongemannen en maagden, en kinderen en vrouwen, tot verdervens toe; maar nadert aan niemand, op wie het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren. 7 En Hij zei tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; ga heen uit. En zij gingen heen uit, en zij sloegen in de stad. 8 Het gebeurde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zei: Ach, Adonai JAHWEH, zult U al het overblijfsel van Israël verderven, met Uw woede uit te gieten over Jeruzalem? 9 Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israël en van Juda is geheel zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: JAHWEH heeft het land verlaten, en JAHWEH ziet niet. 10 Daarom ook, wat Mij betreft, Mijn oog zal niet sparen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven. 11 En ziet, de man, die met linnen bekleed was, die de inktkoker aan zijn middel had, bracht bescheid weer, zeggende: Ik heb gedaan, zoals U mij geboden had. ### Ezechiël 10 1 Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, dat was over het hoofd van de cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis van een troon; en Hij verscheen daarop. 2 En Hij sprak tot de man, bekleed met linnen, en Hij zei: Ga in tot tussen de wielen, tot onder de cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen. 3 De cherubs nu stonden aan de rechterzijde van het huis, als die man inging; en een wolk vervulde het binnenste voorhof. 4 Toen hief zich de heerlijkheid van JAHWEH omhoog van boven de cherub, op de dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van de glans van de heerlijkheid van JAHWEH. 5 En het geruis van de vleugels van de cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem van de almachtige God, wanneer Hij spreekt. 6 Het gebeurde nu, als Hij de man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging en stond bij een rad. 7 Toen stak een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs tot het vuur, dat was tussen de cherubs, en nam daarvan, en gaf het in de vuisten van degene, die met linnen bekleed was; die nam het, en ging uit. 8 Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van de hand van een mens onder hun vleugels. 9 Toen zag ik, en ziet, vier wielen waren bij de cherubs; een rad was bij elke cherub; en de gedaante van de wielen was als de kleur van een turkoois-steen. 10 En voor wat betreft hun gedaanten, die vier hadden dezelfde gelijkenis, gelijk of het was geweest een rad in het midden van een rad. 11 Als die gingen, zo gingen deze op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen. 12 Hun hele lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugels, en ook de wielen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun wielen. 13 Voor wat betreft de wielen, elk daarvan werd voor mijn oren genoemd Galgal. 14 En elk had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht van een cherub, en het tweede aangezicht was het aangezicht van een mens, en het derde het aangezicht van een leeuw, en het vierde het aangezicht van een adelaar. 15 En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had. 16 En als de cherubs gingen, zo gingen die wielen naast die; en als de cherubs hun vleugels ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich die wielen ook niet om van bij hen. 17 Als die stonden, stonden deze, en als die opgeheven werden, hieven zich deze ook op; want de geest van de dieren was in hen. 18 Toen ging de heerlijkheid van JAHWEH van boven de dorpel van het huis weg, en stond boven de cherubs. 19 En de cherubs hieven hun vleugels op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de wielen waren tegenover hen; en elk stond aan de deur van de Oostpoort van het huis van JAHWEH; en de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen. 20 Dit is het dier, dat ik zag onder de God van Israël bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren. 21 Elk had vier aangezichten, en elk had vier vleugels; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugels. 22 En voor wat betreft de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelf; zij gingen ieder recht uit voor zijn aangezicht heen. ### Ezechiël 11 1 Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis van JAHWEH, die ziet naar het oosten; en ziet, aan de deur van de poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, vorsten van het volk. 2 En Hij zei tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwade raad raden in deze stad. 3 Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn. 4 Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind! 5 Zo viel dan de Geest van JAHWEH op mij, en Hij zei tot mij: Zeg: Zo zegt JAHWEH: Zo zegt u, o huis van Israël! want Ik weet elk van de dingen, die in uw geest opklimmen. 6 U hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en u hebt haar straten met de verslagenen vervuld. 7 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Uw verslagenen, die u in het midden daarvan neergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar u zal Ik uit het midden daarvan doen uitgaan. 8 U hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt Adonai JAHWEH. 9 Ook zal Ik u uit het midden daarvan doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand van de vreemden; en Ik zal recht onder u doen. 10 U zult door het zwaard vallen; in het gebied van Israël zal Ik u richten, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 11 Deze stad zal u niet tot een pot zijn, en u zult in het midden daarvan niet tot vlees zijn; in het gebied van Israël zal Ik u richten. 12 En u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, omdat u in Mijn voorschriften niet gewandeld, en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten van de heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt. 13 Het gebeurde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neer op mijn aangezicht, en riep met luide stem; en zei: Ach, Adonai JAHWEH! zult U geheel een voleinding maken met het overblijfsel van Israël? 14 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 15 Mensenkind, het zijn uw broers, uw broers, de mannen van uw familie, en het hele huis van Israël, ja, dat hele, tot wie de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maak u verre af van JAHWEH, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven. 16 Daarom zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, toch zal Ik hun een korte tijd tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn. 17 Daarom zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Ja, Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, en Ik zal u het land van Israël geven. 18 En zij zullen daarheen komen, en al de verfoeilijke dingen daarvan en al de gruwelijke dingen daarvan van daar wegdoen. 19 En Ik zal hun dezelfde hart geven, en zal een nieuwe geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven; 20 Opdat zij wandelen in Mijn voorschriften, en Mijn rechten bewaren, en die doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. 21 Maar van wie het hart het hart van hun verfoeilijke dingen en van hun gruwelijke dingen nawandelt, hun weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt Adonai JAHWEH. 22 Toen hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen tegenover hen; en de heerlijkheid van de God van Israël was over hen van boven. 23 En de heerlijkheid van JAHWEH rees op van het midden van de stad, en stond op de berg, die tegen het oosten van de stad is. 24 Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in visioen door de Geest van God in Chaldea tot de als gevangene weggevoerden; en het visioen, dat ik gezien had, voer van mij op. 25 En ik sprak tot de als gevangene weggevoerden al de woorden van JAHWEH, die Hij mij had doen zien. ### Ezechiël 12 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! u woont in het midden van een opstandig huis, die ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een opstandig huis. 3 Daarom u, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en u zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een opstandig huis zijn. 4 U zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna zult u in de avond uitgaan voor hun ogen, zoals zij uitgaan, die vertrekken. 5 Doorgraaf u de wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit. 6 Voor hun ogen zult u het op de schouders dragen, in donker zult u het uitbrengen; uw aangezicht zult u bedekken, dat u het land niet ziet; want Ik heb u aan het huis van Israël tot een wonderteken gegeven. 7 En ik deed zo, zoals mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap van degenen, die vertrekken; daarna in de avond doorgroef ik mij de wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op de schouder voor hun ogen. 8 En 's morgens kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 9 Mensenkind, heeft niet het huis van Israël, het opstandig huis, tot u gezegd: Wat doet u? 10 Zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Deze last is tegen de vorst te Jeruzalem, en het hele huis van Israël, dat in het midden van hen is. 11 Zeg: Ik ben uw wonderteken; zoals ik gedaan heb, zo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan. 12 En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op de schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door de wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie. 13 Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen wordt; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land van de Chaldeeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal. 14 En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken. 15 Zo zullen zij weten, dat Ik JAHWEH ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal. 16 Maar Ik zal van hen weinig mensen doen overblijven van het zwaard, van de honger en van de pest; opdat zij al hun gruwelijke dingen vertellen onder de heidenen, waarheen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 17 Daarna kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 18 Mensenkind, u zult uw brood eten met beven, en uw water zult u met onrust en met kommer drinken. 19 En u zult tot het volk van het land zeggen: Zo zegt Adonai JAHWEH, van de inwoners van Jeruzalem, in het land van Israël: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen; 20 En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 21 Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 22 Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat u hebt in het land van Israël, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het visioen zal vergaan? 23 Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder visioen. 24 Want geen ijdel visioen zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis van Israël. 25 Want Ik ben JAHWEH, Ik zal spreken; het woord, dat Ik zal spreken, zal gedaan worden, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o opstandig huis, zal Ik een woord spreken, en het doen, spreekt Adonai JAHWEH. 26 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 27 Mensenkind, zie, die van het huis van Israël zeggen: Het visioen dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn. 28 Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Geen van Mijn woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 13 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoor het woord van JAHWEH. 3 Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en wat zij niet gezien hebben! 4 Uw profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen. 5 U bent in de bressen niet opgetreden, noch hebt de muur dichtgemetseld voor het huis van Israël, om in de strijd te staan, op de dag van JAHWEH. 6 Zij zien zinloosheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: JAHWEH heeft gesproken, daar JAHWEH hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen. 7 Ziet u niet een ijdel visioen, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als u zegt: JAHWEH spreekt, daar Ik niet gesproken heb? 8 Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: omdat u zinloosheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt Adonai JAHWEH. 9 En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die zinloosheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering van Mijn volk niet zijn, en in het schrift van het huis van Israël niet geschreven worden, en in het land van Israël niet komen; en u zult weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben. 10 Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de één een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen pleisteren hem met loze kalk. 11 Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en u, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten. 12 Zie, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering, waarmee u gepleisterd hebt? 13 Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: Ja, Ik zal hem door een grote stormwind in Mijn woede splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn woede, om die te verdoen. 14 Zo zal Ik de wand afbreken, die u met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde neerwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; zo zal de stad vallen, en u zult in het midden van haar omkomen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 15 Zo zal Ik Mijn woede tegen de wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot u zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden, zijn er niet; 16 Te weten de profeten van Israël, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een visioen van de vrede zien, waar geen vrede is, spreekt Adonai JAHWEH. 17 En u, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters van uw volk, die profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar; 18 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen van de armen, en maken hoofddeksels voor hoofden van elke gestalte, om de zielen te jagen! Zult u de zielen van Mijn volk jagen, en zult u zich de zielen in het leven behouden? 19 En zult u Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken brood, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort? 20 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan uw kussens, waarmee u daar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die u jaagt naar de bloemhoven. 21 Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn tot een jacht; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 22 Omdat u het hart van de rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat u de handen van de goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn boze weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield; 23 Daarom zult u niet meer zinloosheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 14 1 Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neer voor mijn aangezicht. 2 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 3 Mensenkind, deze mannen hebben hun afgoden in hun hart opgezet, en hebben de aanstoot van hun ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstig van hen gevraagd? 4 Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Een ieder man uit het huis van Israël, die de afgoden in zijn hart opzet, en de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot de profeet, Ik, JAHWEH zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte van zijn afgoden; 5 Opdat Ik het huis van Israël in hun hart grijpe, omdat zij allen door hun afgoden van Mij vervreemd zijn. 6 Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai JAHWEH: Bekeer u, en keert u af van uw afgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelijke dingen. 7 Want ieder man uit het huis van Israël, en uit de vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn afgoden op in zijn hart, en stelt de aanstoot van zijn ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot de profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben JAHWEH, hem zal geantwoord worden door Mij; 8 En Ik zal Mijn aangezicht tegen die man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden van Mijn volk; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 9 Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, JAHWEH, heb die profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem vernietigen uit het midden van Mijn volk Israël. 10 En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; zoals de ongerechtigheid van de vrager zal zijn; zo zal zijn de ongerechtigheid van de profeten; 11 Opdat het huis van Israël niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; dan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt Adonai JAHWEH. 12 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 13 Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaar overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal daarvan de staf van het brood breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie; 14 Hoewel deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden daarvan waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt Adonai JAHWEH. 15 Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, dat dat van kinderen berove, zodat het woest wordt, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte; 16 Die drie mannen in het midden daarvan zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo zij zonen, en zo zij dochters bevrijden zouden, zij zelf alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden. 17 Of als Ik het zwaard brenge over dat land, en zeg: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten; 18 Hoewel die drie mannen in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zij zouden zonen noch dochters bevrijden, maar zij zelf alleen zouden bevrijd worden. 19 Of als Ik de pest in dat land zend, en Mijn woede daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien; 20 Hoewel Noach, Daniël en Job in het midden daarvan waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. 21 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en de honger, en het boze gedierte, en de pest gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien! 22 Maar zie, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochters; zie, zij zullen tot u uitkomen, en u zult hun weg zien, en hun handelingen; en u zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar. 23 Zo zullen zij u troosten, als u hun weg en hun handelingen zien zult; en u zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 15 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind, wat is het hout van de wijnstok meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan dat onder het hout van een woud is? 3 Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig voorwerp daaraan te hangen? 4 Zie, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd wordt; het vuur verteert beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen tot een stuk werk? 5 Zie, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werk gemaakt; hoeveel te min als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werk gemaakt worden? 6 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Gelijk als het hout van de wijnstok is onder het hout van het woud, dat Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd wordt, zo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven. 7 Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben. 8 En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaar overtreden hebben, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 16 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelijke dingen bekend, 3 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw afkomst zijn uit het land van de Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische. 4 En voor wat betreft uw geboorte: op de dag als u geboren was, werd uw navel niet afgesneden; en u was niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; u was ook in geen geval met zout gewreven, noch in windselen gewonden. 5 Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar u bent geworpen geweest op het vlakke van het veld, om de walgelijkheid van uw ziel, op de dag toen u geboren was. 6 Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zei tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zei tot u in uw bloed: Leef! 7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas van het veld, gemaakt; en u bent gegroeid, en groot geworden, en bent gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gegroeid, maar u was naakt en bloot. 8 Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd van de minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt Adonai JAHWEH en u werd de Mijne. 9 Daarna waste Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie. 10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde. 11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals. 12 Evenzo deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon van de heerlijkheid op uw hoofd. 13 Zo was u versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; u at meelbloem, en honing, en olie, en u was geheel zeer schoon, en was voorspoedig, dat u een koninkrijk werd. 14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt Adonai JAHWEH. 15 Maar u hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij. 16 En u hebt van uw kleren genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; dat is niet gekomen, en zal niet gebeuren. 17 Daartoe hebt u genomen de voorwerpen van uw sieraad van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en u hebt u mansbeelden gemaakt, en u hebt daarmee gehoereerd. 18 En u hebt uw gestikte kleren genomen, en hebt ze bedekt; en u hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld. 19 En Mijn brood, dat Ik u gaf, meelbloem en olie, en honing, waarmee Ik u spijsde, dat hebt u ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijke reuk; zo is het gebeurd, spreekt Adonai JAHWEH. 20 Verder hebt u uw zonen en uw dochters, die u Mij gebaard had, genomen, en hebt ze aan hen geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen, 21 Dat u Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als u ze voor hen door het vuur hebt doen gaan? 22 Ook hebt u bij al uw gruwelijke dingen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, als u naakt en bloot was, als u vertreden was in uw bloed. 23 Het is ook gebeurd na al uw boosheid, (wee, wee u, spreekt Adonai JAHWEH), 24 Dat u zich een gewelf gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat. 25 Aan elk hoofd van de weg hebt u uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uw benen geschreden voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd. 26 U hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw buren, die groot van vlees zijn; en u hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken. 27 Zie, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en Ik gaf u over in de lust van degenen, die u haten, van de dochters van de Filistijnen, die vanwege uw schandelijke weg beschaamd waren. 28 Verder hebt u gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat u onverzadigbaar was; ja, als u met hen gehoereerd hebt, bent u ook niet verzadigd geworden. 29 Maar u hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaän tot in Chaldea; en daarmee ook bent u niet verzadigd geworden. 30 Hoe zwak is uw hart (spreekt Adonai JAHWEH) als u al deze dingen doet, zijnde het werk van een heersende hoerachtige vrouw! 31 Als u uw gewelf bouwt aan het hoofd van iedere weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet bent geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende. 32 O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan. 33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar u geeft uw loon aan al uw minnaars, en u beschenkt ze, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen. 34 Zo gebeurt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, omdat men u niet naloopt, om ontucht te plegen; want als u hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo bent u tot een tegendeel geworden. 35 Daarom, o hoer, hoor het woord van JAHWEH. 36 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw minnaars ontbloot is, en met al de afgoden van uw gruwelijke dingen, en na het bloed van uw kinderen, dat u hun gegeven hebt; 37 Daarom, zie, Ik zal al uw minnaars verzamelen, met die u vermengd bent geweest, en allen, die u liefgehad hebt, met allen, die u gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom verzamelen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw hele naaktheid zien zullen. 38 Daartoe zal Ik u naar de rechten van de overspeelsters en van de bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de woede en van de ijver. 39 En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw gewelf afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw kleren u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten. 40 Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken. 41 Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en u zult ook niet meer hoerenloon geven. 42 Zo zal Ik Mijn woede op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer boos wezen. 43 Daarom dat u niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd, en Mij tot beroering geweest bent met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt Adonai JAHWEH; en u zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelijke dingen. 44 Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter. 45 U bent de dochter van uw moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en u bent de zus van uw zussen, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet. 46 Uw grote zus nu is Samaria, zij en haar dochters, die woont aan uw linkerhand; maar uw zus, die kleiner is dan u, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochters. 47 Maar u hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelijke dingen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar u hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen. 48 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, als Sodom, uw zus, zij met haar dochters, gedaan heeft, gelijk u gedaan hebt en uw dochters! 49 Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zus Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de armen en behoeftigen niet. 50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had. 51 Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden niet gezondigd; en u hebt uw gruwelijke dingen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zussen gerechtvaardigd door al uw gruwelijke dingen, die u gedaan hebt. 52 Draag u dan ook uw schande, u, die voor uw zussen geoordeeld hebt door uw zonden, die u gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan u; wees u dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat u uw zussen gerechtvaardigd hebt. 53 Als Ik haar gevangenen teruggeven zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochters, en de gevangenen van Samaria en haar dochters, dan zal Ik teruggeven de gevangenen van uw gevangenis in het midden van haar. 54 Opdat u uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al wat u gedaan hebt, als u haar troosten zult. 55 Als uw zussen, Sodom en haar dochters, zullen terugkeren tot haar vorige staat, en ook Samaria en haar dochters zullen terugkeren tot haar vorige staat, zult u ook en uw dochters terugkeren tot uw vorige staat. 56 Ja, uw zus Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, op de dag van uw grote hoogmoed, 57 Voordat uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was van de versmading van de dochters van Syrië, en van al degenen, die rondom waren, de dochters van de Filistijnen, die u verachten van rondom, 58 Heb u uw schandelijke daden en uw gruwelijke dingen gedragen, spreekt JAHWEH. 59 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal u ook doen, zoals u gedaan hebt, die de eed veracht hebt, brekende het verbond. 60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen van uw jeugd, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten. 61 Dan zult u uw wegen gedenken en beschaamd zijn, als u uw zussen, die groter zijn dan u, met degenen, die kleiner zijn dan u, aannemen zult; want Ik zal u die geven tot dochters, maar niet uit uw verbond. 62 Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben; 63 Opdat u het gedachtig bent, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al wat u gedaan hebt, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 17 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis van Israël, 3 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Een adelaar, die groot was, groot van vleugels, lang van vlerken, vol van veren, die verscheidene kleuren had, kwam op de Libanon, en nam de bovenste tak van een ceder. 4 Hij plukte de top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden. 5 Hij nam ook van het zaad van het land, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid. 6 En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, maar nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, omdat zijn wortels onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp. 7 Nog was er een grote adelaar, groot van vleugels en overvloedig van veren; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortels daarnaar toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden van zijn planting toe. 8 Hij was in een goede akker bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijke wijnstok worden mocht. 9 Zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zal hij strekken? Zal hij niet zijn wortels uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog wordt? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een grote arm, noch door veel volk, om die van zijn wortels weg te voeren. 10 Ja ziet, zal hij geplant zijnde strekken? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, geheel verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen. 11 Daarna kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 12 Zeg nu tot dat opstandig huis: Weet u niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Zie, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel. 13 Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmee een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen van het land heeft hij weggenomen; 14 Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht. 15 Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volk bestellen zou; zal hij strekken? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen? 16 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo hij niet in de plaats van de koning, die hem koning gemaakt heeft, van wie hij de eed veracht, en van wie hij het verbond gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven! 17 Ook zal Farao, door een groot leger en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men vestingen bouwen zal, om vele zielen uit te roeien. 18 Want hij heeft de eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; omdat hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen. 19 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, die hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, het niet op zijn hoofd geve! 20 En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft. 21 Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en u zult weten, dat Ik, JAHWEH, gesproken heb. 22 Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal ook van de bovenste tak van de hoge ceder nemen, dat Ik zetten zal; van het bovenste van zijn jonge takjes zal Ik een tedere afplukken, die Ik op een hoge en verheven berg planten zal; 23 Op de berg van de hoogte van Israël zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijke ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw van zijn takken zullen zij wonen. 24 Zo zullen alle bomen van het veld weten, dat Ik, JAHWEH, de hoge boom vernederd heb, de nederige boom verheven heb, de groene boom verdroogd, en de droge boom bloeiende gemaakt heb; Ik, JAHWEH, heb het gesproken, en zal het doen. ### Ezechiël 18 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Wat is u, dat u dit spreekwoord gebruikt van het land van Israël, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden? 3 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo het u meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken! 4 Zie, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel van de vader, zo ook de ziel van de zoon, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven. 5 Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid; 6 Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de afgoden van het huis van Israël; noch de huisvrouw van zijn naaste verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert; 7 En niemand verdrukt, de schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, de hongerige zijn brood geeft, en de naakte met kleding bedekt; 8 Niet geeft op rente, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen de één en de ander oefent; 9 In Mijn voorschriften wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouw te handelen; die rechtvaardige zal zeker leven, spreekt Adonai JAHWEH. 10 Heeft hij nu een zoon verwekt, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broer doet een van deze dingen; 11 En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw van zijn naaste; 12 Verdrukt de ellendige en de arme, rooft veel buit, geeft het pand niet weer, en heft zijn ogen op tot de afgoden, doet gruwel; 13 Geef op rente, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelijke dingen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn! 14 Zie nu, heeft hij een zoon verwekt, die al de zonden van zijn vader, die hij doet, aanziet, en toeziet, dat hij dergelijke niet doet; 15 Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de afgoden van het huis van Israël, de huisvrouw van zijn naaste niet verontreinigt; 16 En niemand verdrukt, het pand niet behoudt, en geen roof rooft, zijn brood de hongerige geeft, en de naakte met kleding bedekt; 17 Zijn hand van de ellendige afhoudt, geen rente noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn voorschriften wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal zeker leven. 18 Zijn vader, omdat hij met onderdrukking onderdrukt heeft, het goed van de broer geroofd heeft, en gedaan heeft, dat niet goed was in het midden van zijn volken; zie daar, hij zal sterven in zijn ongerechtigheid. 19 Maar u zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid van de vader? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn voorschriften onderhouden, en die gedaan heeft, zeker leven. 20 De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid van de vader, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid van de zoon; de gerechtigheid van de rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid van de goddelozen zal op hem zijn. 21 Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn voorschriften onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. 22 Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven. 23 Zou Ik enigszins lust hebben aan de dood van de goddelozen, spreekt Adonai JAHWEH; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? 24 Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelijke dingen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven. 25 Nog zegt u: De weg van JAHWEH is niet recht; hoor nu, o huis van Israël! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht? 26 Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft daarin, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven. 27 Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal zijn ziel in het leven behouden; 28 Omdat hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. 29 Evenwel zegt het huis van Israël: De weg van JAHWEH is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis van Israël, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht? 30 Daarom zal Ik u richten, o huis van Israël! een ieder naar zijn wegen, spreekt Adonai JAHWEH, keert weer, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden. 31 Werp van u weg al uw overtredingen, waardoor u overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwe geest; want waarom zou u sterven, o huis van Israël? 32 Want Ik heb geen lust aan de dood van de stervenden, spreekt Adonai JAHWEH; daarom bekeert u en leeft. ### Ezechiël 19 1 Verder, hef u een weeklage op over de vorsten van Israël, 2 En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen neerliggende; zij bracht haar welpen op in het midden van de jonge leeuwen. 3 Zij trok nu een van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op. 4 Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland. 5 Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, maar haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, dat zij tot een jonge leeuw stelde. 6 Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op. 7 Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem van zijn brulling. 8 Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de gewesten, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen. 9 En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot de koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord werde op de bergen van Israël. 10 Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren. 11 En hij had sterke roeden tot scepteren van de heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte van zijn takken. 12 Maar hij werd door woede uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd. 13 En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land. 14 Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede van zijn ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden. ### Ezechiël 20 1 En het gebeurde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om JAHWEH te vragen; en zij zaten neer voor mijn aangezicht. 2 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 3 Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Komt u, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt Adonai JAHWEH. 4 Zou u hun recht geven, zou u hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelijke dingen van hun vaders bekend; 5 En zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Op de dag als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis van Jakob, en maakte Mijzelf hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben JAHWEH, uw God. 6 Op diezelfde dag hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen. 7 En Ik zei tot hen: Een ieder werpe de gruwelijke dingen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte; Ik, JAHWEH, ben uw God. 8 Maar zij waren opstandig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de gruwelijke dingen van zijn ogen weg, noch verliet de afgoden van Egypte; daarom zei Ik, dat Ik Mijn woede over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland. 9 Maar Ik deed het omwille van Mijn Naam, opdat hij niet ontheiligd werde voor de ogen van de heidenen, te midden van wie zij waren; aan wie Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren. 10 En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn. 11 Daar gaf Ik hun Mijn voorschriften, en maakte hun Mijn rechten bekend, die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven. 12 Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik JAHWEH ben, Die hen heilige. 13 Maar het huis van Israël werd opstandig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn voorschriften niet, en verwierpen Mijn rechten; die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zei, Mijn woede te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen. 14 Maar Ik deed het omwille van Mijn Naam, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor de ogen van wie Ik hen uitvoerde. 15 Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen; 16 Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn voorschriften niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun afgoden na. 17 Maar Mijn oog spaarde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn. 18 Maar Ik zei tot hun kinderen in de woestijn: Wandel niet in de voorschriften van uw vaders, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun afgoden. 19 Ik ben JAHWEH, uw God, wandelt in Mijn voorschriften, en onderhoudt Mijn rechten, en doet die. 20 En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een teken zijn tussen Mij en tussen u, opdat u weet, dat Ik, JAHWEH, uw God ben. 21 Maar die kinderen waren ook opstandig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn voorschriften, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; die, zo ze een mens doet, zal hij daardoor leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat Ik zei, Mijn woede te zullen uitgieten over hen, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn. 22 Maar Ik keerde Mijn hand af, en deed het omwille van Mijn Naam, opdat hij voor de ogen van de heidenen niet zou ontheiligd worden, voor de ogen van wie Ik hen uitgevoerd had. 23 Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen; 24 Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn voorschriften verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de afgoden van hun vaders waren. 25 Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechten, waarbij zij niet leven zouden. 26 En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat Ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik JAHWEH ben. 27 Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Hiermee nog hebben Mij uw vaders gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben. 28 Als Ik hen in het land gebracht had, over dat Ik Mijn hand opgeheven had, om het hun te geven, zo zagen zij naar alle hoge heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en zij gaven daar hun tergende offergaven, en daar zetten zij hun liefelijke reuk, en daar offerden zij hun drankoffers. 29 En Ik zei tot hen: Wat is die hoogte, waarheen u gaat? Toch is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe. 30 Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai JAHWEH: Bent u verontreinigd geworden in de weg van uw vaders, en hoereert u achter hun gruwelijke dingen? 31 Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, bent u verontreinigd aan al uw afgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis van Israël? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo Ik van u gevraagd worde! 32 Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal in geen geval gebeuren, dat u zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten van de landen zijn, dienende hout en steen. 33 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH: Zo Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekte arm, en met een uitgegoten woede over u zal regeren! 34 Want Ik zal u uit de volken voeren, en u verzamelen uit de landen, waarin u verstrooid bent, door een sterke hand, en door een uitgestrekte arm, en door een uitgegoten woede. 35 Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn van de volken, en Ik zal met u daar rechten, aangezicht aan aangezicht; 36 Zoals Ik gerecht heb met uw vaders in de woestijn van Egypteland, zo zal Ik met u rechten, spreekt Adonai JAHWEH. 37 En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band van het verbond. 38 Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit u uitzuiveren; Ik zal hen uit het land waar zij vreemdeling waren uitvoeren, en zij zullen in het gewest van Israël niet terugkeren, en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 39 En u, o huis van Israël, zo zegt Adonai JAHWEH: Ga heen, dient een ieder zijn afgoden, ook hierna, omdat u naar Mij niet hoort; maar ontheiligt niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw afgoden. 40 Want op Mijn heilige berg, op de hoge berg van Israël, spreekt Adonai JAHWEH, daar zal Mij het hele huis van Israël in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefoffers eisen, en de eerstelingen van uw hefoffers met al uw geheiligde dingen. 41 Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u verzamelen zal uit de landen, waarin u zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen van de heidenen. 42 En u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik u in het gewest van Israël gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om het aan uw vaders te geven. 43 Daar zult u dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee u zich verontreinigd hebt, en u zult van u zelf een walging hebben over al uw boosheden, die u gedaan hebt. 44 Zo zult u weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik met u gedaan zal hebben, omwille van Mijn Naam, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis van Israël, spreekt Adonai JAHWEH. 45 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 46 Mensenkind, zet uw aangezicht naar de weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden. 47 En zeg tot het zuiderwoud: Hoor het woord van JAHWEH: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u alle groene boom en alle dorre boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe. 48 En alle vlees zal zien, dat Ik, JAHWEH, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden. 49 En ik zei: Ach, Adonai JAHWEH, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen? ### Ezechiël 21 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël; 3 En zeg tot het land van Israël: Zo zegt JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, en Ik zal Mijn zwaard uit zijn schede trekken; en Ik zal van u uitroeien de rechtvaardige en de goddeloze. 4 Omdat Ik dan van u uitroeien zal de rechtvaardige en de goddeloze, daarom zal Mijn zwaard uit zijn schede uitgaan tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden. 5 En alle vlees zal weten, dat Ik, JAHWEH, Mijn zwaard uit zijn schede getrokken heb; het zal niet meer terugkeren. 6 Maar u, mensenkind, zucht; zucht voor hun ogen met verbreking van de middel en met bitterheid. 7 En het zal gebeuren, als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht u, dat u zeggen zult: Om het gerucht, want het komt! en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen, en alle geest zal inkrimpen, en alle knieën als water wegvloeien; zie, het komt, en het zal gebeuren, spreekt Adonai JAHWEH. 8 Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 9 Mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt JAHWEH: Zeg: Het zwaard, het zwaard is gescherpt, en ook geveegd. 10 Het is gescherpt, opdat het een slachting slachte; het is geveegd, opdat het een glinster hebbe; of wij dan zullen vrolijk zijn? het is de roede van Mijn Zoon, die alle hout versmaadt. 11 En Hij heeft het te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zou; dat zwaard is gescherpt, en dat is geveegd, om het in de hand van de moordenaar te geven. 12 Schreeuw en huil, o mensenkind, want het zal zijn tegen Mijn volk, het zal zijn tegen al de vorsten van Israël; verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij Mijn volk zijn; daarom klop op de heup. 13 Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn, spreekt Adonai JAHWEH. 14 Daarom u, mensenkind, profeteer, en sla hand tegen hand; want het zwaard zal verdubbeld worden voor de derde keer, het is het zwaard van degenen, die verslagen zullen worden; het is het zwaard van de groten, die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kamers indringen zal. 15 Ik heb de punt van het zwaard gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten. 16 Houd u bijeen, o zwaard! keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarheen uw aangezicht gesteld is. 17 En Ik Zelf zal ook Mijn hand tegen Mijn hand slaan, en Mijn woede doen rusten; Ik, JAHWEH, heb het gesproken. 18 Opnieuw kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 19 U nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard van de koning van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van de weg van de stad. 20 U zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba van de kinderen van Ammon, of tegen Juda, tot de versterkte stad Jeruzalem. 21 Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bekijken. 22 De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om de mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om vestingen op te werpen, om bolwerken te bouwen. 23 Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beëdigd zijn onder hen; maar hij zal aan de ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden. 24 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Omdat u uw ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat aan u gedacht wordt, zult u met de hand gegrepen worden. 25 En u, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, van wie de dag komen zal, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; 26 Zo zegt Adonai JAHWEH: Doe die hoed weg, en hef die kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen die, die nederig is, en vernederen die, die hoog is. 27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, voordat hij kome, die daartoe recht heeft, en die Ik geven zal. 28 En u, mensenkind, profeteer en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH, van de kinderen van Ammon, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren; 29 Terwijl zij u zinloosheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen van degenen, die van de goddelozen verslagen zijn, van wie de dag gekomen was ten tijde van de uiterste ongerechtigheid. 30 Keer uw zwaard weer in zijn schede! In de plaats, waar u geschapen bent, in het land van uw woningen zal Ik u richten. 31 En Ik zal over u Mijn toorn uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur van Mijn toorn blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders van het verderf. 32 Voor het vuur zult u tot voedsel zijn, uw bloed zal zijn in het midden van het land; aan u zal niet gedacht worden; want Ik, JAHWEH, heb het gesproken. ### Ezechiël 22 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 U nu, mensenkind, zou u de bloedstad recht geven? Zou u ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelijke dingen. 3 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en afgoden tegen zichzelf maakt, om zich te verontreinigen! 4 Door uw bloed, dat u vergoten hebt, bent u schuldig geworden, en met uw afgoden, die u gemaakt hebt, hebt u zich verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en bent tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u aan de heidenen overgegeven tot een smaad, en aan alle landen tot een spot. 5 Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, u onreine van naam en vol van onrust! 6 Zie, de vorsten van Israël zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten. 7 Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met de vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u de wees en de weduwe verdrukt. 8 Mijn heilige dingen hebt u veracht, en Mijn sabbatten hebt u ontheiligd. 9 Roddelaars zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan. 10 Men heeft de schaamte van de vader in u ontbloot; die onrein was door afzondering, hebben zij in u verkracht. 11 Daartoe heeft de één gruwel gedaan met de huisvrouw van zijn naaste, en een ander heeft de vrouw van zijn zoon met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijn zus, de dochter van zijn vader, verkracht. 12 Zij hebben geschenken in u genomen, om bloed te vergieten; rente en overwinst hebt u genomen, en u hebt gierigheid gepleegd aan uw naaste door verdrukking; maar u hebt Mij vergeten, spreekt Adonai JAHWEH. 13 Zie dan, Ik heb Mijn hand geslagen, om uw gierigheid, die u bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn. 14 Zal uw hart bestaan? zullen uw handen sterk zijn, in de dagen, als Ik met u handelen zal? Ik, JAHWEH, heb het gesproken, en zal het doen. 15 En Ik zal u verstrooien onder de heidenen, en u verspreiden in de landen, en uw ontreinigheid uit u verteren. 16 Zo zult u in u ontheiligd zijn voor de ogen van de heidenen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 17 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 18 Mensenkind, die van het huis van Israël zijn Mij tot schuim geworden; zij zijn allen koper, of tin, of ijzer, of lood, in het midden van de oven; zilverschuim zijn zij geworden. 19 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u allen tot schuim geworden bent, daarom ziet, Ik zal u in het midden van Jeruzalem verzamelen. 20 Gelijk zilver, of koper, of ijzer, of lood, of tin in het midden van een oven verzameld wordt, om het vuur daarover op te blazen, opdat men het smelte; zo zal Ik u verzamelen in Mijn toorn, en in Mijn woede daar laten, en smelten. 21 Ja, Ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur van Mijn toorn, dat u in het midden van haar zult gesmolten worden. 22 Gelijk het zilver in het midden van de oven gesmolten wordt, zo zult u in het midden van haar gesmolten worden; en u zult weten, dat Ik, JAHWEH, Mijn woede over u uitgegoten heb. 23 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 24 Mensenkind, zeg tot haar; U bent een land, dat niet gereinigd is, dat zijn plasregen niet heeft gehad op de dag van de toorn. 25 De samenzwering van haar profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, de schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar. 26 Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd. 27 Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen. 28 Haar profeten nu pleisteren hen met loze kalk; ziende zinloosheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Zo zegt Adonai JAHWEH! en JAHWEH heeft niet gesproken. 29 Het volk van het land pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij de ellendige en arme, en de vreemdeling verdrukken zij zonder recht. 30 Ik zocht nu een man uit hen, die de muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand. 31 Daarom heb Ik Mijn toorn over hen uitgegoten; door het vuur van Mijn toorn heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 23 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! daar waren twee vrouwen, dochters van één moeder. 3 Deze hoereerden in Egypte; in haar jeugd hoereerden zij; daar werden haar borsten gedrukt, en daar werden de tepels van haar maagdom betast. 4 Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zus; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochters; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba. 5 Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij; en zij werd verliefd op haar minnaars, op de Assyriërs, die nabij waren; 6 Bekleed met hemelsblauw, vorsten en overheden, allemaal gewenste jongemannen, ruiteren, rijdende op paarden. 7 Zo dreef zij haar hoererijen daarmee, die allen de besten van de kinderen van Assur waren; en met allen, op wie zij verliefd was, met al hun afgoden, verontreinigde zij zich. 8 Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepels van haar maagdom betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort. 9 Daarom gaf Ik haar in de hand van haar minnaars over, in de hand van de kinderen van Assur, op wie zij verliefd was. 10 Deze ontdekten haar schaamte, haar zonen en haar dochters namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg een naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had. 11 Als haar zus, Oholiba, dit zag, zo verdierf zij haar minne nog meer dan zij, en haar hoererijen meer dan de hoererijen van haar zus. 12 Zij werd verliefd op de kinderen van Assur, de vorsten en overheden, die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiteren, rijdende op paarden, allemaal gewenste jongemannen. 13 Toen zag Ik, dat zij verontreinigd was; zij hadden beiden dezelfde weg. 14 Ja, zij deed tot haar hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan de wand zag, de beelden van de Chaldeeën, geschilderd met menie, 15 Gegord met een gordel aan hun middel, hebbende overvloedig geverfde hoeden op hun hoofden, die allen in het aanzien hoofdmannen waren, naar de gelijkenis van de kinderen van Babel, van Chaldea, het land van hun geboorte; 16 Zo werd zij daarop verliefd met het opzien van haar ogen, en zij zond boden tot hen, naar Chaldea. 17 De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het bed van de minne, en verontreinigden haar met hun hoererij; ook verontreinigde zij zich met hen; daarna werd haar ziel van hen afgetrokken. 18 Zo ontdekte zij haar hoererijen, en ontdekte haar schaamte; toen werd Mijn ziel van haar afgetrokken, zoals Mijn ziel was afgetrokken van haar zus. 19 Maar zij vermenigvuldigde haar hoererijen, gedenkende aan de dagen van haar jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte. 20 En zij werd verliefd meer dan hun bijvrouwen, van wie het vlees is als het vlees van de ezels, en van wie de vloed is als de vloed van de paarden. 21 Zo hebt u weer opgehaald de schandelijke daad van uw jeugd, als die van Egypte uw tepels betastten, vanwege de borsten van uw jeugd. 22 Daarom, o Oholiba! zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal uw minnaars, waarvan uw ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en Ik zal hen van rondom tegen u aanbrengen. 23 De kinderen van Babel en alle Chaldeeën, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongemannen, die alle vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en beroemde mensen, die allen te paard rijden. 24 Die zullen tegen u komen met karren, wagens en wielen, en met een vergadering van volken, grote schilden, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten. 25 En Ik zal Mijn ijver tegen u zetten, dat zij in woede met u zullen handelen; zij zullen uw neus en uw oren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochters wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden. 26 Zij zullen u ook uw kleren uittrekken, en uw sieraadtuig wegnemen. 27 Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, en ook uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en u zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken. 28 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal u overgeven in de hand van degenen, die u haat, in de hand van degenen, van wie uw ziel is afgetrokken. 29 Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, en ook uw schandelijkheid en uw hoererijen. 30 Deze dingen zal men u doen, omdat u de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat u zich met hun afgoden verontreinigd hebt. 31 In de weg van uw zus hebt u gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven. 32 Zo zegt Adonai JAHWEH: U zult de beker van uw zus drinken, die diep en wijd is; u zult tot belaching en spot worden; de beker houdt veel in. 33 Van dronkenschap en jammer zult u vol worden; de beker van uw zus Samaria is een beker van de verwoesting en van de eenzaamheid. 34 U zult hem drinken en uitzuigen, en zijn scherven zult u brijzelen, en uw borsten zult u afrukken; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH. 35 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u Mij vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt u ook uw schandelijkheid en uw hoererijen. 36 En JAHWEH zei tot mij: Mensenkind! zou u Ohola en Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar haar gruwelijke dingen. 37 Want zij hebben overspel gedaan, en er is bloed in haar handen; en zij hebben met haar afgoden overspel gedaan; daartoe hebben zij ook haar kinderen, die zij Mij gebaard hadden, voor hen door het vuur laten doorgaan, tot voedsel. 38 Nog hebben zij Mij dit gedaan; zij hebben Mijn heiligdom op diezelfde dag verontreinigd, en Mijn sabbatten ontheiligd. 39 Want als zij hun kinderen voor hun afgoden geslacht hadden, zo kwamen zij op die dag in Mijn heiligdom, om dat te ontheiligen; en zie, zo hebben zij gedaan in het midden van Mijn huis. 40 Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot wie als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor wie u zich waste, uw ogen blankette en u met sieraad versierde; 41 En u zat op een heerlijk bed, voor dat een tafel gereedgemaakt was, en op dat u Mijn reukwerk en Mijn olie gezet had. 42 Als nu het geruis van de menigte daarop stil was, zo zonden zij tot mannen uit de menigte van de mensen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn; die deden armringen aan haar handen, en een sierlijke kroon op haar hoofden. 43 Toen zei Ik van deze, die van overspelerijen verouderd was: Nu zullen zij de hoererijen van deze hoer plegen, en die ook. 44 En men ging tot haar in, zoals men ingaat tot een vrouw, die een hoer is; zo gingen zij in tot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen. 45 Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht van de overspeelsters, en naar het recht van de bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen. 46 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven. 47 En de vergadering zal ze met stenen stenigen, en ze met hun zwaarden neerhouwen; haar zonen en haar dochters zullen zij doden, en haar huizen met vuur verbranden. 48 Zo zal Ik de schandelijkheid uit het land doen ophouden; opdat alle vrouwen onderwezen worden, dat zij naar uw schandelijkheid niet doen. 49 Zo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en u zult de zonden van uw afgoden dragen; en u zult weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben. ### Ezechiël 24 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende van de maand, zeggende: 2 Mensenkind! schrijf u de naam van de dag op, juist van deze zelfde dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, juist op deze zelfde dag. 3 En gebruik een gelijkenis tot dat opstandig huis, en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin. 4 Doe zijn stukken samen daarin, alle goede stukken, de dij en de schouder, vul hem met het beste van de beenderen. 5 Neem het beste van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel doorkoken; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden. 6 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Wee de bloedstad, de pot, waarvan het schuim in hem is, en waarvan zijn schuim niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen. 7 Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om het met stof te bedekken. 8 Opdat Ik de woede doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik ook haar bloed op een gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt wordt. 9 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Wee de bloedstad! Ik zal ook de brandstapel groot maken! 10 Draag veel hout toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden. 11 Stel hem daarna leeg op zijn kolen, opdat hij heet wordt, en zijn roest verbrande, en zijn onreinheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd wordt. 12 Met zinloosheden heeft zij Mij moe gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur. 13 In uw onreinheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en u niet gereinigd bent, zo zult u van uw onreinheid niet meer gereinigd worden, voordat Ik Mijn woede op u zal hebben doen rusten. 14 Ik, JAHWEH, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet sparen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u richten, spreekt Adonai JAHWEH. 15 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 16 Mensenkind! zie, Ik zal de lust van uw ogen van u wegnemen door een plaag; toch zult u niet rouwklagen, noch huilen, en uw tranen zullen niet voortkomen. 17 Houd stil van kermen, u zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult u niet bewinden, en zult het brood van de mensen niet eten. 18 Dit sprak ik tot het volk in de morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in de avond; en ik deed in de morgenstond, zoals mij geboden was. 19 En het volk zei tot mij: Zult u ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat u zo doet? 20 En ik zei tot hen: Het woord van JAHWEH is tot mij gebeurd, zeggende: 21 Zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid van uw sterkte, de begeerte van uw ogen, en de verschoning van uw ziel; en uw zonen en uw dochters, die u verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen. 22 Dan zult u doen, zoals ik gedaan heb; de bovenste lip zult u niet bewinden, en het brood van de mensen zult u niet eten. 23 En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; u zult niet rouwklagen, noch huilen, maar u zult in uw ongerechtigheden versmachten, en ieder tegen zijn broer zuchten. 24 Zo zal u Ezechiël tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult u doen; als dit komt, dan zult u weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben. 25 En u, mensenkind! zal het niet zijn, op de dag als Ik van hen zal wegnemen hun sterkte, de vreugde van hun sieraad, de lust van hun ogen en het verlangen van hun zielen, hun zonen en hun dochters; 26 Dat op diezelfde dag een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen? 27 Op diezelfde dag zal uw mond bij die, die ontkomen is, opengedaan worden, en u zult spreken, en niet meer stom zijn; zo zult u hun tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 25 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen van Ammon, en profeteer daartegen; 3 En zeg tot de kinderen van Ammon: Hoort het woord van Adonai JAHWEH: Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land van Israël, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen; 4 Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken. 5 En Ik zal Rabba tot een kamelenstal maken, en de kinderen van Ammon tot een schaapskooi; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 6 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u met de hand geklapt, en met de voet gestampt hebt, en van harte verblijd bent geweest in al uw plundering, over het land van Israël; 7 Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u aan de heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u vernietigen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 8 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat Moab en Seïr zeggen: Zie, het huis van Juda is gelijk al de heidenen; 9 Daarom, ziet, Ik zal de zijde van Moab openen, van de steden af, van zijn steden, die van zijn grenzen af zijn, het sieraad van het land, Beth-jesimoth, Baäl-meon, en tot Kiriathaim toe; 10 Voor die van het oosten, met het land van de kinderen van Ammon, dat Ik ter bezitting zal overgeven; opdat aan de kinderen van Ammon onder de heidenen niet meer gedacht wordt. 11 Ik zal ook in Moab gerichten oefenen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 12 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: 13 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit haar uitroeien; en zal haar tot een woestheid stellen van Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen. 14 En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn woede handelen; zo zullen zij Mijn wraak bemerken, spreekt Adonai JAHWEH. 15 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben, en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door een eeuwige vijandschap; 16 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Cherethieten uitroeien, en het overblijfsel van de zeehaven verdoen. 17 En Ik zal grote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik Mijn wraak aan hen gedaan zal hebben. ### Ezechiël 26 1 En het gebeurde in het elfde jaar, op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 2 Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort van de volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest! 3 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen. 4 Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot een gladde steenrots maken. 5 Zij zal in het midden van de zee zijn tot uitspreiding van netten; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH; en zij zal de heidenen ten roof worden. 6 En haar dochters, die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 7 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, de koning van de koningen, van het noorden tegen Tyrus brengen, met paarden en met wagens, en met ruiteren, en krijgsvergaderingen, en veel volk. 8 Hij zal uw dochters op het veld met het zwaard doden, en hij zal vestingen tegen u maken, en een wal tegen u opwerpen, en grote schilden tegen u opheffen. 9 En hij zal muurbrekers tegen uw muren stellen, en uw torens met zijn zwaarden afbreken. 10 Vanwege de menigte van zijn paarden zal hun stof u bedekken; uw muren zullen beven vanwege het geluid van de ruiteren, en wielen, en wagens, als hij door uw poorten zal intrekken, gelijk door de ingangen van een doorgebrokene stad. 11 Hij zal met de hoeven van zijn paarden al uw straten vertreden; uw volk zal hij met het zwaard doden, en elk één van de kolommen van uw vestingen zal ter aarde neerstorten. 12 En zij zullen uw vermogen roven, en uw koopmanswaren plunderen, en uw muren afbreken, en uw kostelijke huizen omwerpen; en uw stenen, en uw hout, en uw stof zullen zij in het midden van de wateren werpen. 13 Zo zal Ik het gedeun van uw liederen doen ophouden, en het geklank van uw harpen zal niet meer gehoord worden. 14 Ja, Ik zal u maken tot een gladde steenrots; u zult zijn tot uitspreiding van de netten, u zult niet meer gebouwd worden; want Ik, JAHWEH, heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH. 15 Zo zegt Adonai JAHWEH tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid van uw val beven, als de dodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden? 16 En alle vorsten van de zee zullen afdalen van hun tronen, en hun mantels van zich doen, en hun gestikte kleren uittrekken; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij neerzitten, en telken ogenblik sidderen, en over u ontzet zijn; 17 En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe bent u uit de zeeën vergaan, u welbewoonde, u beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hun schrik gaven aan allen, die in haar woonden! 18 Nu zullen de eilanden sidderen op de dag van uw val; ja, de eilanden, die in de zee zijn, zullen beroerd worden vanwege uw uitgang. 19 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Als Ik u zal stellen tot een verwoeste stad, gelijk de steden, die niet bewoond worden; als Ik een afgrond over u zal doen opkomen, en de grote wateren u zullen overdekken. 20 Dan zal Ik u doen neerdalen met degenen die in de kuil neerdalen tot het oude volk, en zal u doen neerliggen in de onderste plaatsen van de aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in de kuil neerdalen, opdat u niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land van de levenden. 21 Maar u zal Ik tot een grote schrik stellen, en u zult er niet meer zijn; als u gezocht wordt, zo zult u niet meer gevonden worden in eeuwigheid, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 27 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 U dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus; 3 En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen van de zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt Adonai JAHWEH: O Tyrus! u zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid. 4 Uw gebied is in het hart van de zeeën; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt. 5 Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van de Libanon gehaald, om masten voor u te maken. 6 Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw planken hebben zij gemaakt van welbetreden elpenbeen, uit de eilanden van de Chittieten. 7 Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil was; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elisa, was uw deksel. 8 De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers. 9 De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen van de zee en haar zeelieden waren in u, om onderlinge handel met u te drijven. 10 Perzen, en Lydiërs, en Puteërs waren in uw leger, uw soldaten; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad. 11 De kinderen van Arvad en uw leger waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen. 12 Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin, en lood handelden zij op uw markten. 13 Javan, Tubal en Mesech waren uw kooplieden; met mensenzielen en koperen voorwerpen dreven zij onderlinge handel met u. 14 Uit het huis van Togarma leverden zij paarden, en ruiteren, en muilezels op uw markten. 15 De kinderen van Dedan waren uw kooplieden; vele eilanden waren de koophandel van uw hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weer tot een verering. 16 Syrië dreef koophandel met u, vanwege de veelheid van uw werken; met smaragden, purper, en gestikt werk, en zijde, en Ramoth, en Cadkod, handelden zij op uw markten. 17 Juda en het land van Israël waren uw kooplieden; met tarwe van Minnit en Pannag, en honing, en olie, en balsem, dreven zij onderlinge handel met u. 18 Damascus dreef koophandel met u, om de veelheid van uw werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol. 19 Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlinge koophandel. 20 Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens. 21 Arabië en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden van uw hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmee handelden zij met u. 22 De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten. 23 Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u. 24 Die waren uw kooplieden met volkomen sieradiën, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone kleren; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap. 25 De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege de onderlinge koophandel met u; en u was vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart van de zeeën. 26 Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart van de zeeën. 27 Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlinge handel met u drijven, en al uw soldaten, die in u zijn, zelfs met uw hele gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart van de zeeën, op de dag van uw val. 28 Van het geluid van het geschreeuw van uw schippers zullen de voorsteden beven. 29 En allen, die de riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen neerklimmen; op het land zullen zij staan blijven. 30 En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitter schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as. 31 En zij zullen zich over u geheel kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u huilen met bitterheid van de ziel, en bittere klaagzang. 32 En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden van de zee? 33 Als uw marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt u vele volken verzadigd; met de veelheid van uw goederen en uw onderlinge koophandel, hebt u de koningen van de aarde rijk gemaakt. 34 Ten tijde, dat u uit de zeeën verbroken bent in de diepte van de wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw hele gemeente in het midden van u gevallen. 35 Alle inwoners van de eilanden zijn over u ontzet, en hun koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht. 36 De handelaars onder de volken fluiten u aan; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. ### Ezechiël 28 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zeg tot de vorst van Tyrus: Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart van de zeeën! daar u een mens en geen God bent, stelt u toch uw hart, als Gods hart. 3 Zie, u bent wijzer dan Daniël; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen. 4 Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt u vermogen voor u verkregen; ja, u hebt goud en zilver verkregen in uw schatten. 5 Door de grootheid van uw wijsheid in uw koophandel hebt u uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen. 6 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Omdat u uw hart gesteld hebt als Gods hart; 7 Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste van de heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid van uw wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen. 8 Ter groeve zullen zij u doen neerdalen; en u zult sterven de dood van een verslagene in het hart van de zeeën. 9 Zult u dan enigszins, voor het aangezicht van uw moordenaar, zeggen: Ik ben God? daar u een mens bent en geen God, in de hand van degene, die u verslaat? 10 U zult de dood van de onbesnedenen sterven; door de hand van de vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH. 11 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 12 Mensenkind! hef een klaaglied op over de koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt Adonai JAHWEH: U verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid! 13 U was in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk van uw trommelen en van uw pijpen was bij u; op de dag als u geschapen werd, waren zij bereid. 14 U was een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u zo gezet; u was op Gods heilige berg; u wandelde in het midden van de vurige stenen. 15 U was volkomen in uw wegen, van de dag af, dat u geschapen bent, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is. 16 Door de veelheid van uw koophandel hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en u hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, u overdekkende cherub! verdoen uit het midden van de vurige stenen! 17 Uw hart verheft zich over uw schoonheid; u hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde heengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht van de koningen gesteld, om op u te zien. 18 Vanwege de veelheid van uw ongerechtigheden, door het onrecht van uw koophandel, hebt u uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien. 19 Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; u bent een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid. 20 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 21 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar, 22 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn. 23 Want Ik zal de pest in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 24 En het huis van Israël zal geen smartende doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die hen beroven; en zij zullen weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben. 25 Zo zegt Adonai JAHWEH: Als Ik het huis van Israël zal verzameld hebben uit de volken, waaronder zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen van de heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob gegeven heb. 26 En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die hen beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, JAHWEH, hun God ben. ### Ezechiël 29 1 In het tiende jaar, in de tiende maand, op de twaalfde van de maand, kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het hele Egypte. 3 Spreek en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! die grote zeedraak, die in het midden van zijn rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt. 4 Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en de vis van uw rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden van uw rivieren optrekken, en al de vis van uw rivieren zal aan uw schubben kleven. 5 En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al de vis van uw rivieren; op het open veld zult u vallen; u zult niet verzameld noch bijeengebracht worden; aan het gedierte van de aarde en aan het gevogelte van de hemel heb Ik u tot voedsel gegeven. 6 En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, omdat zij voor het huis van Israël een rietstaf geweest zijn. 7 Als zij u bij uw hand grepen, zo werd u gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werd u verbroken, en liet alle middel op zichzelf staan. 8 Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal het zwaard over u brengen, en Ik zal uit u mens en beest uitroeien. 9 En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben; omdat hij zegt: De rivier is van mij, en ik heb die gemaakt. 10 Daarom, zie, Ik wil aan u en aan uw rivier; en Ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van de toren van Syene af, tot aan de grens van Morenland. 11 Geen mensenvoet zal daar doorgaan, en geen beestenvoet zal daar doorgaan, en het zal veertig jaren onbewoond zijn. 12 Want Ik zal Egypteland stellen tot een verwoesting in het midden van de verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestheid zijn in het midden van de verwoeste steden, veertig jaren; en Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen. 13 Maar zo zegt Adonai JAHWEH: Ten einde van veertig jaren zal Ik de Egyptenaars verzamelen uit de volken, waarheen zij verstrooid zijn geworden. 14 En Ik zal de gevangenis van de Egyptenaren wenden, en hen teruggeven in het land van Pathros, in het land van hun koophandel; en daar zullen zij een nederig koninkrijk zijn. 15 En het zal nederiger zijn dan de andere koninkrijken, en zich niet meer verheffen boven de heidenen; want Ik zal hen verminderen, dat zij niet zullen heersen over de heidenen. 16 En het zal voor het huis van Israël niet meer zijn tot een vertrouwen, dat aan de ongerechtigheid doet gedenken, wanneer zij naar hen omzien; maar zij zullen weten, dat Ik Adonai JAHWEH ben. 17 Verder gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 18 Mensenkind! Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger een grote dienst doen dienen tegen Tyrus; alle hoofden zijn kaal geworden, en alle zijden zijn uitgeplukt; en noch hij, noch zijn leger heeft loon gehad vanwege Tyrus, voor de dienst, die hij tegen haar gediend heeft. 19 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal Nebukadrezar, de koning van Babel, Egypteland geven; en hij zal daarvan menigte wegvoeren, en daarvan buit buiten, en daarvan roof roven, en het zal het loon zijn voor zijn leger. 20 Tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb Ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor Mij gewerkt hebben, spreekt Adonai JAHWEH. 21 Te die dage zal Ik de hoorn van het huis van Israël doen uitspruiten, en u opening van de mond geven in het midden van hen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 30 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Huil: Ach die dag! 3 Want de dag is nabij, ja, de dag van JAHWEH is nabij, een wolkige dag, het zal van de heidenen tijd zijn. 4 En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen haar menigte wegnemen, en haar fundamenten zullen verbroken worden. 5 Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land van het verbond zullen met hen vallen door het zwaard. 6 Zo zegt JAHWEH: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hoogmoed van haar sterkte zal neerdalen; van de toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt Adonai JAHWEH. 7 En zij zullen verwoest worden in het midden van de verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden van de verwoeste steden. 8 En zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden. 9 Te die dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in de dag van Egypte; want ziet, het komt aan! 10 Zo zegt Adonai JAHWEH: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel. 11 Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste van de heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen. 12 En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand van de bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand van de vreemden: Ik, JAHWEH, heb het gesproken. 13 Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal ook de afgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vrees in Egypteland stellen. 14 En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No. 15 En Ik zal Mijn woede uitgieten over Sin, de vesting van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien. 16 En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn. 17 De jongemannen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis. 18 En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte daar zal verbreken, en de hoogmoed van haar sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis. 19 Zo zal Ik gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 20 Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op de zevende van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 21 Mensenkind! Ik heb de arm van Farao, de koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om die te verbinden, om die te sterken, dat hij het zwaard houde. 22 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo: Zie, Ik wil aan Farao, de koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, zowel de sterken als de verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen. 23 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen. 24 En Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Farao's armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt. 25 Ja, Ik zal de armen van de koning van Babel sterken, maar Farao's armen zullen daarheen vallen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik Mijn zwaard in de hand van de koning van Babel zal hebben gegeven, en hij het over Egypteland zal hebben uitgestrekt. 26 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; zo zullen zij weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 31 1 Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 2 Mensenkind! zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wie bent u gelijk in uw grootheid? 3 Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof, en hoog van stam, en zijn top was tussen dichte takken. 4 De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijn stromen rondom zijn planting, en zond zijn waterleidingen uit tot alle bomen van het veld. 5 Daarom werd zijn stam hoger dan alle bomen van het veld; en zijn takjes werden veelvuldig, en zijn scheuten lang, vanwege de grote wateren, als hij uitschoot. 6 Alle vogels van de hemel nestelden op zijn takjes, en alle dieren van het veld teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw. 7 Zo was hij schoon in zijn grootheid en in de lengte van zijn takken, omdat zijn wortel aan grote wateren was. 8 De cederen in Gods hof verduisterden hem niet, de dennebomen waren zijn takken niet gelijk, en de kastanjebomen waren niet gelijk zijn scheuten; geen boom in Gods hof was hem gelijk in zijn schoonheid. 9 Ik had hem zo schoon gemaakt door de veelheid van zijn takken, dat alle bomen van Eden, die in Gods hof waren, hem benijdden. 10 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat u zich verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden van de dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte; 11 Daarom gaf Ik hem in de hand van de machtigste van de heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid. 12 En vreemden, de tirannigste van de heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem; zijn takken vielen op de bergen en in alle valleien, en zijn scheuten werden verbroken bij alle stromen van het land; en alle volken van de aarde gingen af uit zijn schaduw, en verlieten hem. 13 Alle vogels van de hemel woonden op zijn omgevallen stam, en alle dieren van het veld waren op zijn scheuten; 14 Opdat zich geen waterrijke bomen verheffen over hun stam, en hun top niet opsteken boven het midden van de dichte takken, en geen bomen, die water drinken, op zichzelf staan vanwege hun hoogte; want zij zijn allen overgegeven ter dood, tot het onderste van de aarde, in het midden van de mensenkinderen, tot degenen, die in de kuil neerdalen. 15 Zo zegt Adonai JAHWEH: Op de dag als hij naar het dodenrijk neerdaalde, maakte Ik een treuren; Ik bedekte om zijnentwil de afgrond, en weerde de stromen van die, en de grote wateren werden geschut; en Ik maakte de Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte van het veld was om zijnentwil bewonden. 16 Van het geluid van zijn val deed Ik de heidenen beven, als Ik hem naar het dodenrijk deed neerdalen, met degenen, die in de kuil neerdalen; en alle bomen van Eden, het uitgelezene en het beste van Libanon, alle bomen, die water drinken, troostten zich in het onderste van de aarde. 17 Die daalden ook met hem neer naar het dodenrijk, tot de verslagenen van het zwaard; en die zijn arm geweest waren, die onder zijn schaduw in het midden van de heidenen gezeten hadden. 18 Wie bent u zo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, u zult neergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste van de aarde; in het midden van de onbesnedenen zult u liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Farao, en zijn hele menigte, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 32 1 Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op de eerste van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 2 Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, de koning van Egypte, en zeg tot hem: U was een jonge leeuw onder de heidenen gelijk; en u was als een zeedraak in de zeeën, en brak voort in uw rivieren, en beroerde het water met uw voeten, en vermodderde hun rivieren. 3 Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen. 4 Dan zal Ik u laten op het land, Ik zal u wegwerpen op het open veld; en Ik zal al het gevogelte van de hemel op u doen wonen, en het gedierte van de hele aarde van u verzadigen. 5 En Ik zal uw vlees heengeven op de bergen, en de dalen met uw hoogheid vervullen. 6 En Ik zal het land, waarin u zwemt, van uw bloed drenken tot aan de bergen; en de stromen zullen van u vervuld worden. 7 En als Ik u zal uitblussen, zal Ik de hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten. 8 Alle lichtende lichten aan de hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt Adonai JAHWEH. 9 Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die u niet gekend hebt. 10 En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, op de dag van uw val. 11 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Het zwaard van de koning van Babel zal u overkomen. 12 Ik zal uw menigte vellen door de zwaarden van de helden, die al samen de tirannigste van de heidenen zijn; die zullen de hoogmoed van Egypte verstoren, en haar hele menigte zal vernietigd worden. 13 En Ik zal haar beesten verdoen van bij de grote wateren; en geen mensenvoet zal ze meer beroeren, en geen beestenklauwen zullen ze beroeren. 14 Dan zal Ik hun wateren doen zinken, en Ik zal hun rivieren doen gaan als olie, spreekt Adonai JAHWEH: 15 Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; zo zullen zij weten, dat Ik JAHWEH ben. 16 Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochters van de heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar hele menigte, spreekt Adonai JAHWEH. 17 Verder gebeurde het in het twaalfde jaar, op de vijftiende van de maand, dat het woord van JAHWEH tot mij kwam, zeggende: 18 Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze neerdalen, (haar en de dochters van de prachtige heidenen) in de onderste plaatsen van de aarde, bij degenen, die in de kuil zijn neergedaald. 19 Boven wie bent u liefelijk! Daal neer, en leg u bij de onbesnedenen. 20 In het midden van de verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar heen met al haar menigte. 21 De machtigste van de helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden van het dodenrijk; zij zijn neergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard; 22 Daar is Assur met haar hele hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard; 23 Van wie de graven gesteld zijn in de zijden van de kuil, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land van de levenden. 24 Daar is Elam met haar hele menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn neergedaald tot de onderste plaatsen van de aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land van de levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. 25 In het midden van de verslagenen hebben zij haar een slaapplaats gesteld onder haar hele menigte, rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land van de levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald; hij is geleid in het midden van de verslagenen. 26 Daar is Mesech, en Tubal, met haar hele menigte; rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hun schrik gegeven hebben in het land van de levenden. 27 Maar zij liggen niet met de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die naar het dodenrijk zijn neergedaald met hun krijgswapenen, en van wie de zwaarden men gelegd heeft onder hun hoofden; van wie de ongerechtigheid toch op hun beenderen is, omdat van de helden schrik in het land van de levenden geweest is. 28 U ook zult verbroken worden in het midden van de onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard. 29 Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hun macht geleid zijn bij de verslagenen van het zwaard; die liggen met de onbesnedenen en met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. 30 Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniërs, die met de verslagenen zijn neergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik, die uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in de kuil zijn neergedaald. 31 Farao zal hen zien, en zich troosten over zijn hele menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn hele leger, spreekt Adonai JAHWEH. 32 Want Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land van de levenden; daarom zal hij geleid worden in het midden van de onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Farao en zijn hele menigte, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 33 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! spreek tot de kinderen van uw volk, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk van het land een man uit hun einden nemen, en die voor zich tot een wachter stellen; 3 En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; 4 En een, die het geluid van de bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd. 5 Hij hoorde het geluid van de bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. 6 Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van de hand van de wachter eisen. 7 U nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis van Israël; zo zult u het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. 8 Als Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, u zult de dood sterven! en u spreekt niet, om de goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. 9 Maar als u de goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van die bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar u hebt uw ziel bevrijd. 10 Daarom, u mensenkind! zeg tot het huis van Israël: U spreekt zo, zeggende: Omdat onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij daarin versmachten, hoe zouden wij dan leven? 11 Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo Ik lust heb in de dood van de goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeer u, bekeer u van uw boze wegen, want waarom zou u sterven, o huis van Israël? 12 U dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen van uw volk: De gerechtigheid van de rechtvaardigen zal hem niet redden op de dag van zijn overtreding; en voor wat betreft de goddeloosheid van de goddelozen, hij zal daarom niet vallen, op de dag als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door zijn gerechtigheid, op de dag als hij zondigt. 13 Als Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zeker leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. 14 Als Ik ook tot de goddeloze zeg: U zult de dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet; 15 Geef de goddeloze het pand weer, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de voorschriften van het leven, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. 16 Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zeker leven. 17 Nog zeggen de kinderen van uw volk: De weg van JAHWEH is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is. 18 Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven. 19 En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven. 20 Nog zegt u: De weg van JAHWEH is niet recht; Ik zal u richten, een ieder naar zijn wegen, o huis van Israël! 21 En het gebeurde in het twaalfde jaar van onze gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op de vijfde van de maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen. 22 Nu was de hand van JAHWEH op mij geweest 's avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij 's morgens tot mij kwam. Zo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom. 23 Toen kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 24 Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land van Israël spreken, zeggende: Abraham was één enig man, en bezat dit land erfelijk; maar wij zijn met velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting. 25 Daarom zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: U eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw afgoden, en vergiet bloed; en zou u het land erfelijk bezitten? 26 U staat op uw zwaard; u doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw van zijn naaste; en zou u het land erfelijk bezitten? 27 Zo zult u tot hen zeggen: Adonai JAHWEH zegt zo: Zo waarachtig als Ik leef, als niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet die, die in het open veld is, aan het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de grotten zijn, door de pest zullen sterven! 28 Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hoogmoed van zijn sterkte zal ophouden; en de bergen van Israël zullen woest zijn, dat er niemand overga. 29 Dan zullen zij weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben. 30 En u, o mensenkind! de kinderen van uw volk spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren van de huizen; en de één spreekt met de ander, ieder met zijn broer, zeggende: Kom toch en hoort, wat het woord zij, dat van JAHWEH voortkomt. 31 En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na. 32 En zie, u bent hun als een lied van de liefde, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet. 33 Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is. ### Ezechiël 34 1 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Zo zegt Adonai JAHWEH: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! zullen niet de herders de schapen weiden? 3 U eet het vette, en bekleedt u met de wol, u slacht het gemeste, maar de schapen weidt u niet. 4 De zwakke sterkt u niet, en het zieke heelt u niet, en het gebrokene verbindt u niet, en het weggedrevene brengt u niet weer, en het verlorene zoekt u niet; maar u heerst over hen met strengheid en met hardheid. 5 Zo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden, omdat zij verstrooid waren. 6 Mijn schapen dolen op alle bergen en op alle hoge heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op de hele aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt. 7 Daarom, u herders! hoort het woord van JAHWEH! 8 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen voor al het wild gedierte van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet; 9 Daarom, u herders! hoort het woord van JAHWEH! 10 Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelf niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot voedsel zullen zijn. 11 Want zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. 12 Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, op de dag als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, op de dag van de wolk en van de donkerheid. 13 En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze verzamelen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. 14 Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun kooi zijn; daar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen van Israël. 15 Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt Adonai JAHWEH. 16 Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik teruggeven, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik vernietigen, Ik zal ze weiden met oordeel. 17 Want u, o Mijn schapen! Adonai JAHWEH zegt zo: Zie, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken. 18 Is het u te weinig, dat u de goede weide afweidt? Zult u nog het overige van uw weide met uw voeten vertreden? En zult u de bezonken wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen? 19 Mijn schapen dan, zullen zij afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is? 20 Daarom zegt Adonai JAHWEH zo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee. 21 Omdat u al de zwakken met de zijde en met de schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat u ze naar buiten toe verstrooid hebt; 22 Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. 23 En Ik zal één enige Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn. 24 En Ik, JAHWEH, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, JAHWEH, heb het gesproken. 25 En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden. 26 Want Ik zal hen, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen neerdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. 27 En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik de disselbomen van hun juk zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand van degenen, die zich van hen deden dienen. 28 En zij zullen de heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte van de aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke. 29 En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en de smaad van de heidenen niet meer dragen. 30 Maar zij zullen weten, dat Ik, JAHWEH, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt Adonai JAHWEH. 31 U nu, o Mijn schapen, schapen van Mijn weide! u bent mensen; maar Ik ben uw God, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 35 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr, en profeteer daartegen, 3 En zeg daartoe: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o gebergte Seïr! en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en zal u stellen tot een verwoesting en een strik. 4 Ik zal uw steden stellen tot eenzaamheid, en u zult een verwoesting worden, en zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 5 Omdat u een eeuwige vijandschap hebt, en hebt de Israëlieten doen wegvloeien door het geweld van het zwaard, ten tijde van hun verderf, ten tijde van de uiterste ongerechtigheid; 6 Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH; Ik zal u voorzeker ten bloede bereiden, en het bloed zal u vervolgen; zo u het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen. 7 En Ik zal het gebergte Seïr tot de uiterste verwoesting stellen; en Ik zal daaruit uitroeien die, die er doorgaat, en die, die terugkeert. 8 En Ik zal zijn bergen met zijn verslagenen vervullen; uw heuvelen, en uw dalen, en al uw stromen, daarin zullen de verslagenen van het zwaard liggen. 9 Tot eeuwige verwoestingen zal Ik u stellen, en uw steden zullen niet bewoond worden; zo zult u weten, dat Ik JAHWEH ben. 10 Omdat u zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, hoewel JAHWEH daar was; 11 Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt Adonai JAHWEH: Ik zal ook handelen naar uw toorn en naar uw afgunst, die u uit uw haat tegen hen hebt te werk gesteld; en Ik zal bij hen bekend worden, wanneer Ik u zal gericht hebben. 12 En u zult weten, dat Ik, JAHWEH, al uw lasteringen gehoord heb, die u tegen de bergen van Israël gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons tot voedsel gegeven. 13 Zo hebt u zich met uw mond tegen Mij groot gemaakt, en uw woorden tegen Mij vermenigvuldigd; Ik heb het gehoord. 14 Zo zegt Adonai JAHWEH: Gelijk het hele land verblijd is, zo zal Ik u de verwoesting aandoen. 15 Gelijk u zich verblijd hebt over de erfenis van het huis van Israël, omdat zij verwoest is, zo zal Ik aan u doen; het gebergte van Seïr, en geheel Edom, zal geheel een verwoesting worden; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 36 1 En u, mensenkind! profeteer tot de bergen van Israël, en zeg: U bergen van Israël! hoort het woord van JAHWEH. 2 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons als erfenis geworden! 3 Daarom profeteer en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat u voor het overblijfsel van de heidenen als erfenis zou zijn, en u gebracht bent op de klapachtige lip en in opspraak van het volk; 4 Daarom, u bergen van Israël! hoort het woord van Adonai JAHWEH: Zo zegt Adonai JAHWEH tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel van de heidenen, die rondom zijn; 5 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Zo Ik niet in het vuur van Mijn ijver gesproken heb tegen het overblijfsel van de heidenen, en tegen het hele Edom; die Mijn land zichzelf als erfenis gegeven hebben met blijdschap van het hele hart, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten roof zou zijn! 6 Daarom profeteer van het land van Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn woede gesproken, omdat u de smaad van de heidenen gedragen hebt; 7 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen! 8 Maar u, o bergen van Israël! u zult weer uw takken geven, en uw vrucht voor Mijn volk Israël dragen, want zij naderen te komen. 9 Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en u zult gebouwd en bezaaid worden. 10 En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het hele huis van Israël, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden. 11 Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 12 En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël, die zullen u erfelijk bezitten, en u zult hun ter erfenis zijn, en u zult ze voortaan niet meer beroven. 13 Zo zegt Adonai JAHWEH: Omdat zij tot u zeggen: U bent een land, dat mensen opeet, en u bent een land, dat uw volken berooft; 14 Daarom zult u niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt Adonai JAHWEH. 15 En Ik zal maken, dat men de schimp van de heidenen niet meer over u hore, en u zult de smaad van de natiën niet meer dragen; en u zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt Adonai JAHWEH. 16 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 17 Mensenkind! het huis van Israël, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij het met hun weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw. 18 Daarom goot Ik Mijn woede over hen uit, vanwege het bloed, dat zij in het land vergoten hadden, en om hun afgoden, waarmee zij dat verontreinigd hadden. 19 En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen. 20 Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarheen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze zijn het volk van JAHWEH, en zijn uit Zijn land uitgegaan. 21 Maar Ik spaarde hen om Mijn heilige Naam, die het huis van Israël ontheiligde onder de heidenen, waarheen zij gekomen waren. 22 Daarom zeg tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai JAHWEH: Ik doe het niet om uwentwil, u huis van Israël! maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenen, waarheen u gekomen bent. 23 Want Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die u in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, spreekt Adonai JAHWEH, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn. 24 Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen verzamelen; en Ik zal u in uw land brengen. 25 Dan zal Ik rein water op u sprenkelen, en u zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen. 26 En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. 27 En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn voorschriften zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. 28 En u zult wonen in het land, dat Ik uw vaders gegeven heb, en u zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. 29 En Ik zal u verlossen van al uw onreinheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen. 30 En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst van het veld vermenigvuldigen; opdat u de smaad van de honger niet meer ontvangt onder de heidenen. 31 Dan zult u gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en u zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelijke dingen. 32 Ik doe het niet om uwentwil, spreekt Adonai JAHWEH, het zij u bekend! Schaam u en wordt schaamrood van uw wegen, u huis van Israël! 33 Zo zegt Adonai JAHWEH: Op de dag als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden. 34 En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging. 35 En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden; en de eenzame, en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond. 36 Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, JAHWEH, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, JAHWEH, heb het gesproken en zal het doen. 37 Zo zegt Adonai JAHWEH: Daarenboven zal Ik hierom van het huis van Israël verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen. 38 Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun vastgestelde hoogtijden, zo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 37 1 De hand van JAHWEH was op mij, en JAHWEH voerde mij uit in de geest, en zette mij neer in het midden van een vallei; die nu was vol beenderen. 2 En Hij deed mij daarbij voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op de grond van de vallei; en ziet, zij waren zeer dor. 3 En Hij zei tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zei: Adonai JAHWEH, U weet het! 4 Toen zei Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg daartoe: U dorre beenderen! hoort het woord van JAHWEH. 5 Zo zegt Adonai JAHWEH tot deze beenderen: Zie, Ik zal de geest in u brengen, en u zult levend worden. 6 En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en de geest in u geven, en u zult levend worden; en u zult weten, dat Ik JAHWEH ben. 7 Toen profeteerde ik, zoals mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been. 8 En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen daarop, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven daarover, maar er was geen geest in hen. 9 En Hij zei tot mij: Profeteer tot de geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot de geest: Zo zegt Adonai JAHWEH: U geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. 10 En ik profeteerde, zoals Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een geheel zeer groot leger. 11 Toen zei Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het hele huis van Israël; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden. 12 Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal uw graven openen, en zal u uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land van Israël. 13 En u zult weten, dat Ik JAHWEH ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk! 14 En Ik zal Mijn Geest in u geven, en u zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en u zult weten, dat Ik, JAHWEH, dit gesproken en gedaan heb, spreekt JAHWEH. 15 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 16 U nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het hele huis van Israël, zijn metgezellen. 17 Doe u ze dan naderen, het één tot het ander tot één enig hout; en zij zullen tot één worden in uw hand. 18 En wanneer de kinderen van uw volk tot u zullen spreken, zeggende: Zult u ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn? 19 Zo spreek tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal ze met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot één enig hout; en zij zullen één worden in Mijn hand. 20 De houten nu, waarop u zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hun ogen. 21 Spreek dan tot hen: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik zal de Israëlieten halen uit het midden van de heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze verzamelen van rondom, en brengen hen in hun land; 22 En Ik zal ze maken tot één enig volk in het land, op de bergen van Israël; en zij zullen allen samen één enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. 23 En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden, en met hun gruwelen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. 24 En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen samen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn voorschriften bewaren en die doen. 25 En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kleinkinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hun Vorst zijn tot in eeuwigheid. 26 En Ik zal een verbond van de vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. 27 En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 28 En de heidenen zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, Die Israël heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid. ### Ezechiël 38 1 Verder kwam het woord van JAHWEH tot mij, zeggende: 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem, 3 En zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal! 4 En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, en ook uw hele leger, paarden en ruiteren, die allemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met groot schild en schild, die allemaal zwaarden handelen; 5 Perzen, Moren en Puteers met hen, die allemaal schild en helm voeren; 6 Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u. 7 Wees bereid en maakt u gereed, u en uw hele vergadering, die tot u verzameld zijn; en wees u hun tot een wacht. 8 Na vele dagen zult u bezocht worden; in het laatste van de jaren zult u komen in het land, dat teruggebracht is van het zwaard, dat verzameld is uit vele volken, op de bergen van Israël, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als dat land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen. 9 Dan zult u optrekken, u zult aankomen als een onstuimige verwoesting, u zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; u en al uw benden, en vele volken met u. 10 Zo zegt Adonai JAHWEH: Te die dage zal het ook gebeuren, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken, 11 En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben. 12 Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en bezittingen verkregen heeft, wonende in het midden van het land. 13 Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt u, om buit te buiten? hebt u uw vergadering verzameld, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en bezittingen weg te nemen, om een grote buit te buiten? 14 Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zult u het, op die dag, als Mijn volk Israël zeker woont, niet bemerken? 15 U zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, u en vele volken met u; die allemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig leger; 16 En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste van de dagen zal het gebeuren; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden. 17 Zo zegt Adonai JAHWEH: Bent u die, waarvan Ik in verleden dagen gesproken heb, door de dienst van Mijn knechten, de profeten van Israël, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen? 18 Maar het zal gebeuren op die dag, op de dag als Gog tegen het land van Israël zal aankomen, spreekt Adonai JAHWEH, dat Mijn woede in Mijn neus zal opkomen. 19 Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur van Mijn toorn: Zo er niet, op die dag, een groot beven zal zijn in het land van Israël! 20 Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen van de zee, en het gevogelte van de hemel, en het gedierte van het veld, en al het kruipend gedierte, dat op het aarde kruipt, en alle mensen, die op de aardbodem zijn; en de bergen zullen neergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen neervallen, en alle muren zullen ter aarde neervallen. 21 Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt Adonai JAHWEH; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broer zijn. 22 En Ik zal met hem rechten, door pest en door bloed; en Ik zal een overstelpende plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn. 23 Zo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. ### Ezechiël 39 1 Verder, u mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt Adonai JAHWEH: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal! 2 En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen van Israël. 3 Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen. 4 Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van alle vleugel, en aan het gedierte van het veld tot voedsel gegeven. 5 Op het open veld zult u vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt Adonai JAHWEH. 6 En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik JAHWEH ben. 7 En Ik zal Mijn heilige Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik JAHWEH ben, de Heilige in Israël. 8 Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt Adonai JAHWEH; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb. 9 En de inwoners van de steden van Israël zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als grote schilden, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van speren; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; 10 Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt Adonai JAHWEH. 11 En het zal op die dag gebeuren, dat Ik aan Gog daar een grafstede in Israël zal geven, het dal van de doorgangers naar het oosten van de zee; en dat zal de doorgangers de neus stoppen; en daar zullen zij begraven Gog en zijn hele menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte. 12 Het huis van Israël nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang. 13 Ja, al het volk van het land zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, op de dag als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt Adonai JAHWEH. 14 Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op de aardbodem zijn overgelaten, om die te reinigen; na verloop van zeven maanden zullen zij onderzoek doen. 15 En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers het zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte. 16 Ook zo zal de naam van de stad Hamona zijn. Zo zullen zij het land reinigen. 17 U dan, mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Zeg tot het gevogelte van alle vleugel, en tot al het gedierte van het veld: Verzamel u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen van Israël, en eet vlees, en drinkt bloed. 18 Het vlees van de helden zult u eten, en het bloed van de vorsten van de aarde drinken; van de rammen, van de lammeren, en bokken, en stieren, die allemaal gemesten van Basan zijn. 19 En u zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb. 20 En u zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rijpaarden en wagenpaarden, van helden en alle soldaten, spreekt Adonai JAHWEH. 21 En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb. 22 En die van het huis van Israël zullen weten, dat Ik, JAHWEH, hun God ben, van die dag af en voortaan. 23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis van Israël als gevangene zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand van hun tegenstanders, zodat zij allemaal door het zwaard gevallen zijn; 24 Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen. 25 Daarom zo zegt Adonai JAHWEH: Nu zal Ik Jakobs gevangenen teruggeven, en zal Mij ontfermen over het hele huis van Israël, en Ik zal ijveren over Mijn heilige Naam; 26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte. 27 Als Ik hen zal hebben teruggebracht uit de volken, en hen verzameld zal hebben uit de landen van hun vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen; 28 Dan zullen zij weten, dat Ik, JAHWEH, hun God ben, omdat Ik ze als gevangene heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weer verzameld in hun land, en heb daar niemand van hen meer overgelaten. 29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël zal hebben uitgegoten, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 40 1 In het vijf en twintigste jaar van onze gevankelijke wegvoering, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op die dag, was de hand van JAHWEH op mij, en Hij bracht mij daarheen. 2 In de visioenen Gods bracht Hij mij in het land van Israël, en Hij zette mij op een zeer hoge berg; en daaraan was als een gebouw van een stad tegen het zuiden. 3 Als Hij mij daarheen gebracht had, ziet, zo was er een man, van wie de gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort. 4 En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, bent u herwaarts gebracht; verkondig daarna aan het huis van Israël alles, wat u ziet. 5 En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom heen, en in de hand van de man was een meetriet van zes ellen, elke el van één el en een handbreed, en hij meette de breedte van het gebouw een riet, en de hoogte een riet. 6 Toen kwam hij tot de poort, die zag de weg naar het oosten, en hij ging bij die trappen op, en meette de dorpel van de poort een riet de breedte, en de andere dorpel een riet de breedte. 7 En elk kamertje een riet de lengte, en een riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en de dorpel van de poort, bij het voorhuis van de poort van binnen, een riet. 8 Ook meette hij het voorhuis van de poort van binnen, een riet. 9 Toen meette hij het andere voorhuis van de poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis van de poort was van binnen. 10 En de kamertjes van de poort, de weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van de andere zijde; die drie hadden dezelfde maat; ook hadden de posten, van deze en van de andere zijde, dezelfde maat. 11 Verder meette hij de wijdte van de deur van de poort tien ellen; de lengte van de poort dertien ellen. 12 En er was een ruim voor aan de kamertjes, van een el van deze, en een ruim van een el van de andere zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van de andere zijde. 13 Toen meette hij de poort van het dak van het ene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur. 14 Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot de post van de voorhof, rondom de poort heen. 15 En van het voorste deel van de poort van de ingang, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen. 16 En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom heen; zo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom heen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen. 17 Verder bracht hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kamers, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom heen, dertig kamers waren er op het plaveisel. 18 Het plaveisel nu was aan de zijde van de poorten, tegenover de lengte van de poorten; dit was het benedenste plaveisel. 19 En hij meette de breedte, van het voorste deel van de benedenste poort af, voor aan het binnenste voorhof, van buiten, honderd ellen, naar het oosten en naar het noorden. 20 Voor wat betreft de poort nu, die de weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij meette haar lengte en haar breedte. 21 En haar kamertjes, drie van deze en drie van de andere zijde; en haar posten en haar voorhuizen waren naar de maat van de eerste poort; vijftig ellen haar lengte, en de breedte van vijf en twintig ellen. 22 En haar vensters, en haar voorhuizen, en haar palmbomen, waren naar de maat van de poort, die de weg naar het oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor daaraan. 23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het noorden en van het oosten; en hij meette van poort tot poort honderd ellen. 24 Daarna voerde hij mij de weg naar het zuiden; en ziet, er was een poort de weg naar het zuiden; en hij meette haar posten, en haar voorhuizen, naar deze maten. 25 En zij had vensters, ook aan haar voorhuizen, rondom heen, zoals deze vensters; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 26 En haar opgangen waren van zeven trappen, en haar voorhuizen waren voor daaraan; en zij had palmbomen, één van deze, en één van de andere zijde aan haar posten. 27 Ook was er een poort in het binnenste voorhof, de weg naar het zuiden; en hij meette van poort tot poort, de weg naar het zuiden, honderd ellen. 28 Verder bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoorhof; en hij meette de zuiderpoort naar deze maten. 29 En haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen waren naar deze maten; en zij had vensters, ook in haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 30 En er waren voorhuizen rondom heen; de lengte was vijf en twintig ellen, en de breedte vijf ellen. 31 En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmbomen aan haar posten, en haar opgangen waren van acht trappen. 32 Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, de weg naar het oosten; en hij meette de poort, naar deze maten; 33 Ook haar kamertjes, en haar posten, en haar voorhuizen naar deze maten; en zij had vensters ook aan haar voorhuizen, rondom heen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen. 34 En haar voorhuizen waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen. 35 Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij meette naar deze maten. 36 Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensters rondom heen; de lengte was vijftig ellen en de breedte vijf en twintig ellen. 37 En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van de andere zijde; en haar opgangen waren van acht trappen. 38 Haar kamers nu en haar deuren waren bij de posten van de poorten; daar waste men het brandoffer. 39 En in het voorhuis van de poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van de andere zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer. 40 Ook waren er aan de zijde van buiten van de opgang, aan de deur van de noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis van de poort was, twee tafelen. 41 Vier tafelen van deze, en vier tafelen van de andere zijde, aan de zijde van de poort, acht tafelen, waarop men slachtte. 42 Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; daarop nu legde men het gereedschap heen, waarmee men het brandoffer en slachtoffer slachtte. 43 De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom heen; en op de tafelen was het offervlees. 44 En van buiten de binnenste poort waren de kamers van de zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel daarvan was de weg naar het zuiden; één was er aan de zijde van de oostpoort, ziende de weg naar het noorden. 45 En hij sprak tot mij: Deze kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het zuiden is, is voor de priesters, die de taak van het huis waarnemen. 46 Maar de kamer, waarvan het voorste deel de weg naar het noorden is, is voor de priesters, die de taak van het altaar waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot JAHWEH naderen, om Hem te dienen. 47 En hij meette het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis. 48 Toen bracht hij mij tot het voorhuis van het huis, en hij meette elke post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van de andere zijde; en de breedte van de poort, drie ellen van deze, en drie ellen van de andere zijde. 49 De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, waarbij men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze, en één van de andere zijde. ### Ezechiël 41 1 Verder bracht hij mij tot de tempel; en hij meette de posten, zes ellen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van de andere zijde, de breedte van de tent. 2 En de breedte van de deur, tien ellen, en de zijden van de deur, vijf ellen van deze, en vijf ellen van de andere zijde; ook meette hij de lengte daarvan, veertig ellen, en de breedte twintig ellen. 3 Daarna ging hij in naar binnen, en meette de post van de deur, twee ellen; en de deur zes ellen, en de breedte van de deur zeven ellen. 4 Ook meette hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan de tempel; en hij zei tot mij: Dit is de heiligheid van de heiligheden. 5 En hij meette de wand van het huis zes ellen; en de breedte van elke zijkamer, vier ellen, rondom het huis heen rondom. 6 De zijkamers nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig keer, en zij kwamen in de wand, die aan het huis was, tot die zijkamers rondom heen, opdat zij vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in de wand van het huis. 7 En het was voor de zijkamers omhoog naar boven al wijder, en gaf zich rondom; want het huis was omsingeld omhoog naar boven, rondom het huis heen; daarom was de breedte van het huis naar boven; en zo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste. 8 En ik zag de hoogte van het huis rondom heen. De fundamenten van de zijkamers waren van een vol riet, zes ellen, de el tot de oksel toe genomen. 9 De breedte van de wand, die tot de zijkamers was naar buiten, was vijf ellen; en dat leeg gelaten was, was de plaats van de zijkamers, die aan het huis waren. 10 En tussen de kamers was een breedte van twintig ellen, rondom het huis, rondom heen. 11 De deuren nu van de zijkamers waren naar het leeg gelatene toe, de ene deur de weg naar het noorden, en de andere deur naar het zuiden; en de breedte van de leeg gelaten plaats was vijf ellen rondom heen. 12 Verder van het gebouw, dat voor aan de afgesneden plaats was in de hoek van de weg naar het westen, was de breedte zeventig ellen, en van de wand van het gebouw was de breedte vijf ellen rondom heen, en de lengte daarvan negentig ellen. 13 Verder meette hij het huis, de lengte honderd ellen; ook de afgesneden plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen. 14 En de breedte van het voorste deel van het huis, en van de afgesneden plaats tegen het oosten, honderd ellen. 15 Ook meette hij de lengte van het gebouw voor aan de afgesneden plaats dat daarachter was, en de galerijen daarvan van deze en van de andere zijde, honderd ellen; met de binnenste tempel, en de voorhuizen van de voorhof. 16 De dorpelen, en de gesloten vensters en de galerijen rondom die drie, tegenover de dorpel, waren beschoten met hout rondom heen, en van de aarde tot aan de vensters; de vensters waren bedekt; 17 Tot wat boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan de hele wand rondom heen in het binnenste en buitenste, al bij maten. 18 En het was gemaakt met cherubs en palmbomen; zodat er een palmboom was tussen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezichten; 19 Namelijk, het aangezicht van een mens tegen de palmboom van deze, en het aangezicht van een jonge leeuw tegen de palmboom van de andere zijde; gemaakt in het hele huis rondom heen. 20 Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan de wand van de tempel. 21 De posten van de tempel waren vierkant; en voor wat betreft het voorste deel van het heiligdom, de ene gedaante was als de andere gedaante. 22 De hoogte van het houten altaar was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor het aangezicht van JAHWEH zal zijn. 23 De tempel nu en het heiligdom hadden beide twee deuren. 24 En er waren twee bladen aan de deuren; te weten twee bladen, die men omdraaien kon; twee aan de ene deur, en twee bladen aan de andere. 25 En daaraan, namelijk aan de deuren van de tempel, waren cherubs en palmbomen gemaakt, zoals er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik. 26 En aan de gesloten vensters waren ook palmbomen van deze en van de andere zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkamers van het huis, en aan de dikke planken. ### Ezechiël 42 1 Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; de weg naar de weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kamers, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren: 2 Voor aan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het noorden; en de breedte was vijftig ellen. 3 Tegenover de twintig ellen, die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat het buitenste voorhof had, was galerij tegen galerij, in drie rijen. 4 En voor de kamers was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren daarvan waren tegen het noorden. 5 De bovenste kamers nu waren nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan deze), dan de onderste en dan de middelste van het gebouw. 6 Want zij waren wel van drie rijen, maar hadden geen pilaren zoals de pilaren van de voorhoven; daarom waren zij benauwder dan de onderste en dan de middelste van de aarde af. 7 De muur nu, die naar buiten tegenover de kamers was, de weg naar het buitenste voorhof, voor aan de kamers, de lengte van die was vijftig ellen. 8 Want de lengte van de kamers, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet, voor aan de tempel waren honderd ellen. 9 Van onder deze kamers nu was de ingang van het oosten, als iemand daartoe ingaat, uit het buitenste voorhof. 10 Aan de breedte van de muur van de voorhof, de weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kamers. 11 En de weg daarvoor heen was als de gedaante van de kamers, die de weg naar het noorden waren, naar de lengte daarvan, zo naar de breedte daarvan; en al haar uitgangen waren ook naar de wijzen daarvan en naar de deuren daarvan. 12 En zoals de deuren van de kamers, die de weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van de weg, de weg voor aan de rechte muur, de weg naar het oosten, als men daar ingaat. 13 Toen zei hij tot mij: De kamers van het noorden, en de kamers van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kamers, waarin de priesters, die tot JAHWEH naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; daar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het voedseloffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig. 14 Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weer uitgaan in het buitenste voorhof, maar daar hun kleren henenleggen, waarin zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere kleren aantrekken, en naderen tot wat voor het volk is. 15 Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zo bracht hij mij uit, de weg naar de poort, die de weg naar het oosten zag, en hij meette ze rondom heen. 16 Hij meette de oostzijde met het meetriet; vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. 17 Hij meette de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom. 18 De zuidzijde meette hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet. 19 Hij ging om naar de westzijde, en hij meette vijfhonderd rieten, met het meetriet. 20 Hij meette het aan de vier zijden; het had een muur rondom heen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige. ### Ezechiël 43 1 Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die de weg naar het oosten zag. 2 En ziet, de heerlijkheid van de God van Israël kwam van de weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid. 3 En zo was de gedaante van het visioen, dat ik zag, zoals het visioen, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren visioenen, als het visioen, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht. 4 En de heerlijkheid van JAHWEH kwam in het huis, door de weg van de poort, die de weg naar het oosten zag. 5 En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis vervuld. 6 En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij, staande. 7 En Hij zei tot mij: Mensenkind! dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de zolen van Mijn voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden van de Israëlieten, in eeuwigheid; en die van het huis van Israël zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen, op hun hoogten; 8 Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post naast Mijn post, dat er maar één wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heilige Naam met hun gruwelijke dingen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn. 9 Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid. 10 U mensenkind; wijs aan het huis van Israël dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten. 11 En als zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend de vorm van het huis, en zijn gestalte, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn instellingen, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn hele vorm en al zijn instellingen bewaren, en die doen. 12 Dit is de wet van het huis: op de hoogte van de berg zal zijn hele grens, rondom heen, een heiligheid van de heiligheden zijn; zie, dit is de wet van het huis. 13 En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; het voetstuk van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug van het altaar. 14 Van het voetstuk nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el. 15 En de Harel vier ellen; en van de Ariël verder omhoog, de vier hoornen. 16 De Ariël nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden. 17 En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand daaromheen, de helft van een el; en het voetstuk daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten. 18 En Hij zei tot mij: Mensenkind! zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zijn de instellingen van het altaar, op de dag als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprenkelen. 19 En u zult aan de Levietische priesters, die uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt Adonai JAHWEH), om Mij te dienen, geven een stier, een jong rund, als zondoffer. 20 En u zult van het bloed daarvan nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken van de afzetsels, en aan de rand rondom; zo zult u het ontzondigen, en het verzoenen. 21 Daarna zult u de stier van het zondoffer nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom. 22 En op de tweede dag zult u een volkomen geitenbok offeren als zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, zoals zij dat ontzondigd hebben met de stier. 23 Als u een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult u een stier, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde. 24 En u zult ze offeren voor het aangezicht van JAHWEH; en de priesters zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren als brandoffer voor JAHWEH. 25 Zeven dagen zult u dagelijks een bok van het zondoffer bereiden; ook zullen zij een stier, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden. 26 Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen. 27 Als zij nu deze dagen zullen voltooid hebben, dan zal het op de achtste dag en voortaan gebeuren, dat de priesters uw brandoffers en uw dankoffers op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan u hebben, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 44 1 Toen deed hij mij terugkeren de weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten. 2 En JAHWEH zei tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand daardoor ingaan, omdat JAHWEH, de God van Israël, daardoor is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn. 3 De vorst, de vorst, die zal daarin zitten, om brood te eten voor het aangezicht van JAHWEH; door de weg van het voorhuis van de poort zal hij ingaan, en door de weg daarvan zal hij uitgaan. 4 Daarna bracht hij mij de weg van de noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid van JAHWEH had het huis van JAHWEH vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht. 5 En JAHWEH zei tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle voorschriften van het huis van JAHWEH, en van al zijn wetten; en zet uw hart op de ingang van het huis, met alle uitgangen van het heiligdom. 6 En zeg tot die opstandigen, tot het huis van Israël: Zo zegt Adonai JAHWEH: Het is te veel voor u, vanwege al uw gruwelijke dingen, o huis van Israël. 7 Omdat u vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als u Mijn brood, het vette en het bloed offerde, en zij Mijn verbond verbraken, naast al uw gruwelijke dingen. 8 En u hebt de taak van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar u hebt uzelf enige tot wachters van Mijn wacht gesteld in Mijn heiligdom. 9 Zo zegt Adonai JAHWEH: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enige vreemde, die in het midden van de Israëlieten is. 10 Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun afgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen; 11 Toch zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen; 12 Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht van hun afgoden, en voor het huis van Israël tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt Adonai JAHWEH, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. 13 En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelijke dingen, die zij gedaan hebben. 14 Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de taak van het huis, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden. 15 Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de taak van Mijn heiligdom hebben waargenomen, als de Israëlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt Adonai JAHWEH; 16 Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen. 17 En het zal gebeuren, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen kleren zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts. 18 Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun middel zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet. 19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun kleren, waarin zij gediend hebben, uittrekken, en die henenleggen in de heilige kamers; en zullen andere kleren aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun kleren. 20 En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten groeien; behoorlijk zullen zij hun hoofden scheren. 21 Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan. 22 Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar meisjes van het zaad van het huis van Israël, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen. 23 En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine. 24 En over een rechtszaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn voorschriften op al Mijn vastgestelde hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen. 25 Ook zal geen van hen tot een dode mens ingaan, dat hij onrein wordt; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broer of om een zus, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen. 26 En na zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen. 27 En op de dag als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt Adonai JAHWEH. 28 Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult u hun geen bezitting geven in Israël; Ik ben hun Bezitting. 29 Het voedseloffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verbannene in Israël het hunne zijn. 30 En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen van de priesters zijn; ook zult u de eerstelingen van uw deeg de priester geven, om de zegen op uw huis te doen rusten. 31 Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten. ### Ezechiël 45 1 Als u nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult u een hefoffer voor JAHWEH offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn hele grenzen rondom heilig zijn. 2 Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom. 3 Zo zult u meten van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend en daarin zal het heiligdom zijn met het heilige van de heiligen. 4 Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesters, die het heiligdom bedienen, die naderen om JAHWEH te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom. 5 Verder zullen de Levieten, die dienaren van het huis, ook de lengte hebben van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend, hun tot een bezitting, voor twintig kamers. 6 En tot bezitting van de stad zult u geven de breedte van vijf duizend en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het heilig hefoffer; voor het hele huis van Israël zal het zijn. 7 De vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van de andere zijde van het heilige hefoffer en van de bezitting van de stad, voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting van de stad; van de westzijde naar het westen, en van de oostzijde naar het oosten; en de lengte zal zijn tegenover een van de delen, van de westergrens tot de oostergrens toe. 8 Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israël; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar aan het huis van Israël het land laten, naar hun stammen. 9 Zo zegt Adonai JAHWEH: Het is te veel voor u, u vorsten van Israël! doe geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neem uw uitstotingen op van Mijn volk, spreekt Adonai JAHWEH. 10 Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult u hebben. 11 Een efa en een bath zullen van dezelfde mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar de homer. 12 En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkels, vijf en twintig sikkels en vijftien sikkels, zal u een pond zijn. 13 Dit is het hefoffer, dat u offeren zult: het zesde deel van een efa van een homer tarwe; ook zult u het zesde deel van een efa geven van een homer gerst. 14 Voor wat betreft de inzetting van olie, van een bath olie; u zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, dat is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer. 15 Verder een lam uit de kudde, uit de tweehonderd, uit het waterrijke land van Israël, tot voedseloffer, en tot brandoffer, en tot dankoffers om verzoening over hen te doen, spreekt Adonai JAHWEH. 16 Al het volk van het land zal in dit hefoffer zijn, voor de vorst in Israël. 17 En het zal de vorst opleggen te offeren de brandoffers, en het voedseloffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle vastgestelde hoogtijden van het huis van Israël; hij zal het zondoffer, en het voedseloffer, en het brandoffer, en de dankoffers doen, om verzoening te doen voor het huis van Israël. 18 Zo zegt Adonai JAHWEH: In de eerste maand, op de eerste van de maand, zult u een volkomen stier, een jong rund, nemen; en u zult het heiligdom ontzondigen. 19 En de priester zal van het bloed van het zondoffer nemen, en doen het aan de posten van het huis, en aan de vier hoeken van het afzetsel van het altaar, en aan de posten van de poorten van het binnenste voorhof. 20 Zo zult u ook doen op de zevende in die maand; vanwege de afdwalende, en vanwege de slechte; zo zult u het huis verzoenen. 21 In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, zal u het pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde broden zal men eten. 22 En de vorst zal op dezelfde dag voor zichzelf, en voor al het volk van het land, bereiden een stier van het zondoffer. 23 En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer voor JAHWEH bereiden, van zeven stieren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks. 24 Ook zal hij een voedseloffer bereiden, een efa tot een stier, en een efa tot een ram; en een hin olie tot een efa. 25 In de zevende maand, op de vijftiende dag van de maand zal hij op het feest evenzo doen, zeven dagen lang; zoals het zondoffer, zoals het brandoffer, en zoals het voedseloffer, en zoals de olie. ### Ezechiël 46 1 Zo zegt Adonai JAHWEH: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op de sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op de dag van de nieuwe maan. 2 En de vorst zal ingaan door de weg van het voorhuis van die poort van buiten, en zal staan aan de post van de poort; en de priesters zullen zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden, en hij zal aanbidden aan de dorpel van de poort, en daarna uitgaan; maar de poort zal niet gesloten worden tot op de avond. 3 Ook zal het volk van het land aanbidden voor de deur van die poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht van JAHWEH. 4 Het brandoffer nu, dat de vorst aan JAHWEH zal offeren, zal op de sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram. 5 En het voedseloffer, een efa tot de ram, maar tot de lammeren zal het voedseloffer een gave van zijn hand zijn; en olie, een hin tot een efa. 6 Maar op de dag van de nieuwe maan, een stier, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn. 7 En als voedseloffer zal hij bereiden een efa tot de stier, en een efa tot de ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa. 8 En als de vorst ingaat, zal hij door de weg van het voorhuis van de poort ingaan, en door de weg daarvan weer uitgaan. 9 Maar als het volk van het land voor het aangezicht van JAHWEH komt, op de vastgestelde hoogtijden, die door de weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door de weg van de zuiderpoort weer uitgaan; en die door de weg van de zuiderpoort ingaat, zal door de weg van de noorderpoort weer uitgaan; hij zal niet terugkeren door de weg van de poort, waardoor hij is ingegaan, maar recht voor zich heen uitgaan. 10 De vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij samen uitgaan. 11 Verder op de feesten, en op de vastgestelde hoogtijden zal het voedseloffer zijn, een efa tot een stier, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave van zijn hand; en olie, een hin tot een efa. 12 En als de vorst een vrijwillig offer zal doen, een brandoffer of dankoffers tot een vrijwillig offer voor JAHWEH, zo zal men hem de poort openen, die naar het oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijn dankoffers doen, zoals hij zal gedaan hebben op de sabbatdag; en als hij weer uitgaat, zal men de poort sluiten, nadat hij uitgegaan zal zijn. 13 Verder zult u een volkomen eenjarig lam dagelijks bereiden als brandoffer voor JAHWEH; elke morgen zult u dat bereiden. 14 En u zult als voedseloffer daarop doen, elke morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een voedseloffer voor JAHWEH, tot eeuwige voorschriften, steeds. 15 Zij zullen dan het lam, en het voedseloffer, en de olie elke morgen bereiden tot een voortdurend brandoffer. 16 Zo zegt Adonai JAHWEH: Wanneer de vorst aan iemand van zijn zonen een geschenk zal geven van zijn erfenis, dat zullen zijn zonen hebben; het zal hun bezitting zijn in erfenis. 17 Maar wanneer hij van zijn erfenis een geschenk zal geven aan een van zijn knechten, die zal dat hebben tot het vrijjaar toe; dan zal het tot de vorst terugkeren; het is immers zijn erfenis, zijn zonen zullen het hebben. 18 En de vorst zal niets nemen van de erfenis van het volk, om hen van hun bezitting te beroven; van zijn bezitting zal hij zijn zonen erf nalaten; opdat niet Mijn volk, ieder uit zijn erfenis, verstrooid wordt. 19 Daarna bracht hij mij door de ingang, die aan de zijde van de poort was, tot de heilige kamers, de priesters toebehorende, die naar het noorden zagen, en zie, daar was een plaats aan beide zijden, naar het westen. 20 En hij zei tot mij: Dit is de plaats, alwaar de priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken; en waar zij het voedseloffer zullen bakken, opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen. 21 Toen bracht hij mij in het buitenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken van de voorhof; en ziet, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje. 22 In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met schoorstenen, van veertig ellen de lengte, en dertig de breedte; deze vier hoekhofjes hadden dezelfde maat. 23 En er was rondom daarin een ringmuur, rondom deze vier; en er waren keukens gemaakt beneden aan de ringmuren rondom. 24 En hij zei tot mij: Dit zijn de keukens, alwaar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk zullen koken. ### Ezechiël 47 1 Daarna bracht hij mij weer tot de deur van het huis, en ziet, er stroomden wateren uit, van onder de dorpel van het huis naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde van het huis, van het zuiden van het altaar. 2 En hij bracht mij uit door de weg van de noorderpoort, en voerde mij om door de weg van buiten, tot de buitenpoort, de weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde. 3 Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij meette duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen. 4 Toen meette hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij meette nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de middel. 5 Verder meette hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan. 6 En hij zei tot mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weer tot aan de oever van de beek. 7 Als ik keerde terug, ziet, zo was er aan de oever van de beek zeer veel geboomte, van deze en van de andere zijde. 8 Toen zei hij tot mij: Deze wateren stromen uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond. 9 Ja, het zal gebeuren, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarheen een van de twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarheen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarheen deze beek zal komen. 10 Ook zal het gebeuren, dat er vissers daaraan zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding van de netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer veelvuldig. 11 Maar haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven. 12 Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van de andere zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, waarvan het blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren stromen uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot voedsel, en zijn blad tot heling. 13 Zo zegt Adonai JAHWEH: Dit zal de grens zijn, waarnaar u het land als erfenis zult nemen, naar de twaalf stammen van Israël: Jozef twee snoeren. 14 En u zult dat erven, de één zowel als de ander; over dat Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaders zou geven; en ditzelve land zal u in erfenis vallen. 15 Dit nu zal de grens van het land zijn: aan de noordzijde, van de grote zee af, de weg van Hethlon, waar men komt te Zedad. 16 Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de grens van Damascus en tussen de grens van Hamath is; Hazar Hattichon, dat aan de grens van Havran is. 17 Zo zal de grens van de zee af zijn, Hazar-enon, de grens van Damascus, en het noorden naar het noorden, en de grens van Hamath; en dat zal de noordzijde zijn. 18 De oostzijde nu zult u meten van tussen Havran, en van tussen Damascus, en van tussen Gilead, en van tussen het land van Israël aan de Jordaan, van de grens af tot de Oostzee toe; en dat zal de oostzijde zijn. 19 En de zuidzijde naar het zuiden van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuidzijde naar het zuiden zijn. 20 En de westzijde, de grote zee, van de grens af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westzijde zijn. 21 Ditzelve land nu zult u zich uitdelen naar de stammen van Israël. 22 Maar het zal gebeuren, dat u het zult doen vallen in erfenis voor u, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen u zijn, als een ingezetene onder de Israëlieten; zij zullen met u in erfenis vallen, in het midden van de stammen van Israël. 23 Ook zal het gebeuren, in de stam, bij welke de vreemdeling verkeert, daar zult u hem zijn erfenis geven, spreekt Adonai JAHWEH. ### Ezechiël 48 1 Dit nu zijn de namen van de stammen. Van het einde naar het noorden, aan de zijde van de weg van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-enan, de grens van Damascus, naar het noorden aan de zijde van Hamath (ook zal hij de ooster hoek en westzijde hebben), zal Dan een snoer hebben. 2 En aan de grens van Dan, van de oostzijde tot de westzijde toe, Aser één. 3 En aan de grens van Aser, van de oostzijde af tot de westzijde toe, Nafthali één. 4 En aan de grens van Nafthali, van de oostzijde tot de westzijde toe, Manasse één. 5 En aan de grens van Manasse, van de oostzijde tot de westzijde toe, Efraïm één. 6 En aan de grens van Efraïm, van de oostzijde tot de westzijde toe, Ruben één. 7 En aan de grens van Ruben, van de oostzijde tot de westzijde toe, Juda één. 8 Aan de grens nu van Juda, van de oostzijde tot de westzijde toe, zal het hefoffer zijn, dat u zult offeren, vijf en twintig duizend meetrieten in breedte, en de lengte, als van een van de andere delen, van de oostzijde tot de westzijde toe; en het heiligdom zal in het midden daarvan zijn. 9 Het hefoffer, dat u aan JAHWEH zult offeren, zal wezen de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend. 10 En daarin zal het heilig hefoffer zijn voor de priesters, naar het noorden de lengte van vijf en twintig duizend, en naar het westen de breedte van tien duizend, en naar het oosten de breedte van tien duizend, en naar het zuiden de lengte van vijf en twintig duizend; en het heiligdom van JAHWEH zal in het midden daarvan zijn. 11 Het zal zijn voor de priesters, die geheiligd zijn uit de kinderen van Zadok, die Mijn wacht hebben waargenomen; die niet gedwaald hebben, als de Israëlieten dwaalden; zoals de andere Levieten gedwaald hebben. 12 En het geofferde van het hefoffer van het land zal hun een heiligheid van de heiligheden zijn, aan de grens van de Levieten. 13 Verder zullen de Levieten tegenover de grens van de priesters hebben de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; de hele lengte zal zijn vijf en twintig duizend, en de breedte tien duizend. 14 En zij zullen daarvan niet verkopen, noch de eerstelingen van het land verwisselen, noch overdragen; want het is een heiligheid voor JAHWEH. 15 Maar de vijf duizend, dat is wat overgelaten is in de breedte, voor aan de vijf en twintig duizend, dat zal onheilig zijn, voor de stad, tot bewoning en tot voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan zijn. 16 En dit zullen haar maten zijn: de noordzijde, vier duizend en vijfhonderd meetrieten; en de zuidzijde vier duizend en vijfhonderd en van de oostzijde vier duizend en vijfhonderd; en de westzijde vier duizend en vijfhonderd. 17 De voorsteden nu van de stad zullen zijn, naar het noorden tweehonderd en vijftig, en naar het zuiden tweehonderd en vijftig, en naar het oosten tweehonderd en vijftig, en naar het westen tweehonderd en vijftig. 18 En het overgelatene in de lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tien duizend naar het oosten, en tien duizend naar het westen; en het zal tegenover het heilig hefoffer zijn; en de inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen, die de stad dienen. 19 En die de stad dienen, zullen haar dienen uit alle stammen van Israël. 20 Het hele hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend meetrieten, met vijf en twintig duizend; vierkant zult u het heilig hefoffer offeren, met de bezitting van de stad. 21 En het overgelatene zal voor de vorst zijn, van deze en van de andere zijde van het heilige hefoffer, en van de bezitting van de stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten van het hefoffer, tot aan de ooster grens en westerlandpale, voor aan de vijf en twintig duizend aan de westerlandpale, tegenover de andere delen, dat zal voor de vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom van het huis, zal in het midden daarvan zijn. 22 Van de bezitting nu van de Levieten, en van de bezitting van de stad af, zijnde in het midden van wat van de vorsten zal zijn; wat tussen de grens van Juda, en tussen de grens van Benjamin is, zal van de vorsten zijn. 23 Voor wat betreft het overige van de stammen; van de oostzijde tot de westzijde toe, Benjamin een snoer. 24 En aan de grens van Benjamin, van de oostzijde tot de westzijde toe, Simeon één. 25 En aan de grens van Simeon, van de oostzijde tot de westzijde toe, Issaschar één. 26 En aan de grens van Issaschar, van de oostzijde tot aan de westzijde toe, Zebulon één. 27 En aan de grens van Zebulon, van de oostzijde tot de westzijde toe, Gad één. 28 Aan de grens nu van Gad, aan de zuidzijde naar het zuiden, daar zal de grens zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, verder naar de beek heen, tot aan de grote zee. 29 Dit is het land, dat u zult doen vallen in erfenis, voor de stammen van Israël, en dit zullen hun delen zijn, spreekt Adonai JAHWEH. 30 Verder zullen dit de uitgangen van de stad zijn: van de noordzijde, vier duizend en vijfhonderd maten. 31 En de poorten van de stad zullen zijn naar de namen van de stammen van Israël; drie poorten naar het noorden; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi. 32 En aan de oostzijde, vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk, een poort van Jozef, een poort van Benjamin, een poort van Dan. 33 De zuidzijde ook vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar, een poort van Zebulon. 34 De westzijde, vier duizend en vijfhonderd; haar poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali. 35 Rondom achttien duizend; en de naam van de stad zal van die dag af zijn: JAHWEH IS DAAR. ## Daniël ### Daniël 1 1 In het derde jaar van het koninkrijk van Jojakim, de koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar. 2 En JAHWEH gaf Jojakim, de koning van Juda, in zijn hand, en een deel van de voorwerpen van het huis van God; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis van zijn god; en de voorwerpen bracht hij in het schathuis van zijn god. 3 En de koning zei tot Aspenaz, de overste van zijn kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enige uit de Israëlieten, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen; 4 Jongemannen, aan die geen gebrek was, maar knap qua uiterlijk, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in die bekwaamheid was, om te staan in het paleis van de koning; en dat men hen onderwees in de boeken en taal van de Chaldeeën. 5 En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken van het voedsel van de koning, en van de wijn van zijn drank, en dat men hen drie jaar zo grootbracht, en dat zij ten einde daarvan zouden staan voor het aangezicht van de koning. 6 Daaronder nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misael en Azarja. 7 En de overste van de kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego. 8 Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van het voedsel van de koning, noch met de wijn van zijn drank; daarom verzocht hij van de overste van de kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen. 9 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van de overste van de kamerlingen. 10 Want de overste van de kamerlingen zei tot Daniël: Ik vrees mijn heer, de koning, die uw voedsel, en uw drank verordend heeft; want waarom zou hij uw gezichten droeviger zien, dan van de jongemannen, die in gelijkheid met u zijn? Zo zou u mijn hoofd bij de koning schuldig maken. 11 Toen zei Daniël tot Melzar, die de overste van de kamerlingen gesteld had over Daniël, Hananja, Misael en Azarja: 12 Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken. 13 En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante van de jongemannen, die de stukken van het voedsel van de koning eten; en doe met uw knechten, naar dat u zien zult. 14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen. 15 Ten einde nu van de tien dagen, zag men, dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongemannen, die de stukken van het voedsel van de koning aten. 16 Toen gebeurde het, dat Melzar de stukken van hun voedsel wegnam, en ook de wijn van hun drank, en hij gaf hun van het gezaaide. 17 Aan deze vier jongemannen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei visioenen en dromen. 18 Ten einde nu van de dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste van de kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar, 19 En de koning sprak met hen; maar er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniël, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht van de koning. 20 En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrekijkers, die in zijn hele koninkrijk waren. 21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van de koning Kores toe. ### Daniël 2 1 In het tweede jaar nu van het koninkrijk van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken. 2 Toen zei de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de bezweerders, en de Chaldeeën, om de koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht van de koning. 3 En de koning zei tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om die droom te weten. 4 Toen spraken de Chaldeeën, tot de koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten de droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven. 5 De koning antwoordde en zei tot de Chaldeeën: De zaak is mij ontgaan; als u mij de droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, u zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een mesthoop gemaakt worden. 6 Maar als u de droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult u geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij de droom en zijn uitlegging te kennen. 7 Zij antwoordden voor de tweede keer, en zeiden: De koning zegge zijn knechten de droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven. 8 De koning antwoordde en zei: Ik weet zeker, dat u de tijd uitkoopt, omdat u ziet, dat de zaak mij ontgaan is. 9 Als u mij die droom niet te kennen geeft, uw vonnis is dezelfde; daarom hebt u een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij de droom, dan zal ik weten, dat u mij de uitlegging daarvan zult te kennen geven. 10 De Chaldeeën antwoordden voor de koning, en zeiden: Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enige tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer. 11 Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dat voor de koning te kennen kan geven, dan de goden, van wie de woning bij het vlees niet is. 12 Daarom werd de koning boos en zeer toornig, en zei, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen. 13 Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijn metgezellen, om gedood te worden. 14 Toen bracht Daniël een raad en oordeel in, aan Arioch, de overste van de lijfwachten van de koning, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden. 15 Hij antwoordde en zei tot Arioch, de bevelhebber van de koning: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniël de zaak te kennen. 16 En Daniël ging in, en verzocht van de koning, dat hij hem een bestemde tijd wilde geven, dat hij de koning de uitlegging te kennen gave. 17 Toen ging Daniël naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen; 18 Opdat zij van de God van de hemel barmhartigheden verzochten over dit geheim, dat Daniël en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen. 19 Toen werd aan Daniël in een nachtgezicht het geheim geopenbaard; toen loofde Daniël de God van de hemel. 20 Daniël antwoordde en zei: De Naam van God zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht. 21 Want Hij verandert de tijden en tijdstippen; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft de wijzen wijsheid, en wetenschap aan hen, die verstand hebben; 22 Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem. 23 Ik dank en ik loof U, o God van mijn vaders! omdat U mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want U hebt ons de zaak van de koning bekend gemaakt. 24 Daarom ging Daniël in tot Arioch, die de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging heen en zei zo tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor de koning, en ik zal de koning de uitlegging te kennen geven. 25 Toen bracht Arioch met haast Daniël voor de koning, en hij sprak zo tot hem: Ik heb een man van de als gevangene weggevoerden van Juda gevonden, die de koning de uitlegging zal bekend maken. 26 De koning antwoordde en zei tot Daniël, wiens naam Beltsazar was: Bent u machtig mij bekend te maken de droom, die ik gezien heb, en zijn uitlegging? 27 Daniël antwoordde voor de koning, en zei: Het geheim, dat de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers de koning niet te kennen geven; 28 Maar er is een God in de hemel, Die geheimen openbaart, Die heeft de koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er gebeuren zal in het laatste van de dagen; uw droom, en de visioenen van uw hoofd op uw leger, zijn deze: 29 U, o koning! op uw bed zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna gebeuren zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er gebeuren zal. 30 Mij nu, mij is het geheim geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom opdat men de koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat u de gedachten van uw hart zou weten. 31 U, o koning! zag, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was voortreffelijk, en de glans daarvan was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk. 32 Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper; 33 Zijn benen van ijzer; zijn voeten deels van ijzer, en deels van leem. 34 Dit zag u, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. 35 Toen werden samen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren van de zomer, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats daarvoor gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een grote berg, zo dat hij de hele aarde vervulde. 36 Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen. 37 U, o koning! bent een koning van de koningen; want de God van de hemel heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven; 38 En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten van het veld en de vogels van de hemel in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over die allen; u bent dat gouden hoofd. 39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, dat heersen zal over de hele aarde. 40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat dat alles verbreekt, zo zal het vermalen en verbreken. 41 En dat u gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, maar daar zal van de vastheid van het ijzer in zijn, in welk opzicht u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem; 42 En de tenen van de voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos. 43 En dat u gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan de ander niet hechten, zoals zich ijzer met leem niet vermengt. 44 Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een Koninkrijk verwekken, dat in de eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. 45 Daarom hebt u gezien, dat uit de berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna gebeuren zal; de droom nu is zeker, en zijn uitlegging is zeker. 46 Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniël; en hij zei, dat men hem met voedseloffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou. 47 De koning antwoordde Daniël en zei: Het is de waarheid, dat uw God een God van de goden is, en een Heere van de koningen, en Die de geheimen openbaart, omdat u dit geheim hebt kunnen openbaren. 48 Toen maakte de koning Daniël groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het hele gewest van Babel, en een overste van de overheden over al de wijzen van Babel. 49 Toen verzocht Daniël van de koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het gewest van Babel; maar Daniël bleef aan de poort van de koning. ### Daniël 3 1 De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, waarvan de hoogte zestig ellen was, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het gewest van Babel. 2 En de koning Nebukadnezar zond heen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de voormannen, en al de heerschappers van de gewesten, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht. 3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de voormannen, en al de heerschappers van de gewesten, tot inwijding van het beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht. 4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, u volken, u natiën, en tongen! 5 Ten tijde als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, zo zult u neervallen, en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht; 6 En wie niet neervalt en aanbidt, die zal op dat moment in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden. 7 Daarom in die tijd, als al die volken hoorden het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en allerlei soorten van de muziek, alle volken, natiën, en tongen neervallende, aanbaden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar had opgericht. 8 Daarom naderden even in die tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden; 9 Zij antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: O koning! leef in de eeuwigheid! 10 U, o koning! heb een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soorten van muziek, neervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden; 11 En wie niet neerviel, en aanbad, die zou in het midden van de oven van het brandende vuur geworpen worden. 12 Er zijn Joodse mannen, die u over de bediening van het gewest van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, dat u opgericht hebt. 13 Toen zei Nebukadnezar in toorn en woede, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor de koning gebracht. 14 Nebukadnezar antwoordde en zei tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat u mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt? 15 Nu dan, zo u gereed bent, dat u ten tijde, als u horen zult het geluid van de hoorn, van de pijp, van de citer, van de vedel, van de psalteren, en van het akkoordgezang, en allerlei soort van de muziek, neervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo u het niet aanbidt; op dat moment zult u geworpen worden in het midden van de oven van het brandende vuur; en wie is de God, Die u uit mijn handen verlossen zou? 16 Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. 17 Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven van het brandende vuur, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. 18 Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat u hebt opgericht, zullen aanbidden. 19 Toen werd Nebukadnezar vol woede, en de gedaante van zijn aangezicht veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zei, dat men de oven zevenmaal meer heet zou maken dan men die pleegt heet te maken. 20 En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn leger waren, zei hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in de oven van het brandende vuur. 21 Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere kleren, en zij wierpen hen in het midden van de oven van het brandende vuur. 22 Daarom dan, omdat het woord van de koning aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken van het vuur die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood. 23 Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van de oven van het brandende vuur, gebonden zijnde, gevallen waren, 24 Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op met haast, antwoordde en zei tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden van het vuur, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot de koning: Het is zeker, o koning! 25 Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden van het vuur, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is gelijk een zoon van de goden. 26 Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van de oven van het brandende vuur, antwoordde en sprak: U Sadrach, Mesach en Abed-nego, u knechten van de allerhoogste God! ga uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden van het vuur. 27 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren van de koning, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar van hun hoofd niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk van het vuur daardoor niet gegaan was. 28 Nebukadnezar antwoordde en zei: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God. 29 Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een mesthoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die zo verlossen kan. 30 Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het gewest van Babel. ### Daniël 4 1 De koning Nebukadnezar aan alle volken, natiën en tongen, die op de hele aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd! 2 Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft. 3 Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht. 4 Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en welvarend in mijn paleis, 5 Zag een droom, die mij bevreesd maakte, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de visioenen van mijn hoofd beroerden mij. 6 Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van die droom zouden bekend maken. 7 Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers; en ik zei de droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend; 8 Totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar de naam van mijn god, in wie ook de geest van de heilige goden is; en ik vertelde de droom voor hem, zeggende: 9 Beltsazar, u overste van de tovenaars! omdat ik weet, dat de geest van de heilige goden in u is, en geen geheim u zwaar is, zo zeg de visioenen van mijn droom, die ik gezien heb, te weten zijn uitlegging. 10 De visioenen nu van mijn hoofd op mijn bed waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden van de aarde, en zijn hoogte was groot. 11 De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan de hemel, en hij werd gezien tot aan het einde van de hele aarde; 12 Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was voedsel daaraan voor allen; onder hem vond het gedierte van het veld schaduw, en de vogels van de hemel woonden in zijn takken, en alle vlees werd daarvan gevoed. 13 Ik zag verder in de visioenen van mijn hoofd, op mijn bed; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van de hemel, 14 Roepende met kracht, en zo zeggende: Houw die boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegvluchten, en de vogels van zijn takken; 15 Maar laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras van het veld; en laat hem in de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid van de aarde. 16 Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde het hart van een beest gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. 17 Deze zaak is in het besluit van de wachters, en deze begeerte is in het woord van de heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze aan wie Hij wil, ja, zet daarover de laagste onder de mensen. 18 Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; u nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van die, omdat al de wijzen van mijn koninkrijk mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar u kunt wel, omdat de geest van de heilige goden in u is. 19 Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zei: Beltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer! de droom wedervare uw vijanden, en zijn uitlegging uw tegenstanders! 20 De boom, die u gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan de hemel reikte, en die over de hele aarde gezien werd; 21 En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar voedsel aan was voor allen, onder wie het gedierte van het veld woonde, en in wiens takken de vogels van de hemel nestelden; 22 Dat bent u, o koning! die groot en sterk bent geworden; want uw grootheid is zo gegroeid, dat zij reikt aan de hemel, en uw heerschappij aan het einde van het aardrijk. 23 Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van de hemel afkomende, die zei: Houw deze boom af, en verderft hem; maar laat de stam met zijn wortels in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras van het veld, en in de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte van het veld, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan; 24 Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit van de Allerhoogste, dat over mijn heer, de koning, komen zal: 25 Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte van het veld zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als de ossen, te smaken geven; en u zult van de dauw van de hemel nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken van de mensen, en geeft ze, aan wie Hij wil. 26 Dat er ook gezegd is, dat men de stam met de wortels van die boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat u zult bekend hebben, dat de Hemel heerst. 27 Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen. 28 Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar. 29 Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde, 30 Sprak de koning, en zei: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis van het koninkrijk, door de sterkte van mijn macht, en ter ere van mijn heerlijkheid! 31 Dit woord nog zijnde in de mond van de koning, viel er een stem uit de hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan. 32 En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten van het veld zijn; men zal u gras te smaken geven, als de ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat u bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken van de mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wie Hij wil. 33 Op dat moment werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat zijn haar wies als de veren van de adelaars, en zijn nagelen als van de vogels. 34 Ten einde van deze dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde de Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte de Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; 35 En al de inwoners van de aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het leger van de hemel en de inwoners van de aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet U? 36 Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weer in mij; ook kwam de heerlijkheid van mijn koninkrijk, mijn majesteit en mijn glans weer op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd. 37 Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning van de hemel, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen. ### Daniël 5 1 De koning Belsazar maakte een grote maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend. 2 Als Belsazar de wijn geproefd had, zei hij, dat men de gouden en zilveren voorwerpen voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijvrouwen daaruit dronken. 3 Toen bracht men voor de gouden voorwerpen, die men uit de tempel van het huis van God, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijvrouwen dronken daaruit. 4 Zij dronken de wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden. 5 Op dat moment kwamen er vingers van de hand van een mens voort, die schreven tegenover de kandelaar, op de kalk van de wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel van de hand, die daar schreef. 6 Toen veranderde zich de gelaatskleur van de koning, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden van zijn lendenen werden los, en zijn knieën stootten tegen elkaar aan. 7 Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeeën en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zei tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en de uitlegging daarvan mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. 8 Toen kwamen al de wijzen van de koning in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch de koning de uitlegging daarvan bekend maken. 9 Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn gelaatskleur werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd. 10 Om deze woorden van de koning en van zijn geweldigen, ging de koningin in het huis van de maaltijd. De koningin sprak en zei: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw gelaatskleur niet veranderd worden. 11 Er is een man in uw koninkrijk, in wie de geest van de heilige goden is, want in de dagen van uw vader is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid van de goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste van de tovenaars, van de sterrekijkers, van de Chaldeeën, en van de waarzeggers, uw vader, o koning! 12 Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van één, die dromen uitlegt, en van de aanwijzing van raadselen, en van één, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, die de koning de naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven. 13 Toen werd Daniël voor de koning ingebracht. De koning antwoordde en zei tot Daniël: Bent u die Daniël, één uit de als gevangene weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft? 14 Ik heb toch van u gehoord, dat de geest van de goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt. 15 Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en de uitlegging daarvan mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging van deze woorden niet te kennen geven. 16 Maar van u heb ik gehoord, dat u uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, als u dit schrift zult kunnen lezen, en de uitlegging daarvan mij bekend maken, u zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en u zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn. 17 Toen antwoordde Daniël, en zei voor de koning: Heb uw gaven voor uzelf, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal toch het schrift voor de koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken. 18 Wat u betreft, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven; 19 En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natiën en tongen voor hem; die hij wilde, doodde hij, en die hij wilde, behield hij in het leven, en die hij wilde, verhoogde hij, en die hij wilde, vernederde hij. 20 Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd tot hoogmoed, werd hij van de troon van zijn koninkrijk afgestoten, en men nam de eer van hem weg. 21 En hij werd van de kinderen van de mensen verstoten, en zijn hart werd de beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk de ossen; en zijn lichaam werd van de dauw van de hemel nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken van de mensen, en daarover stelt, wie Hij wil. 22 En u, Belsazar, zijn zoon! heb uw hart niet vernederd, alhoewel u dit alles wel geweten hebt. 23 Maar u hebt u verheven tegen de Heere van de hemel, en men heeft de voorwerpen van Zijn huis voor u gebracht, en u, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijvrouwen hebben wijn daaruit gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt u geprezen; maar die God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wie al uw paden zijn, hebt u niet verheerlijkt. 24 Toen is dat deel van de hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden. 25 Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN. 26 Dit is de uitlegging van deze woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voltooid. 27 TEKEL; u bent in weegschalen gewogen; en u bent te licht gevonden. 28 PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is de Meden en de Perzen gegeven. 29 Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniël met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was. 30 In die nacht, werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood. ### Daniël 6 1 Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, ongeveer twee en zestig jaar oud zijnde. 2 En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het hele koninkrijk zijn zouden; 3 En daarover drie vorsten, van wie Daniël de eerste zou zijn, aan wie die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed. 4 Toen overtrof deze Daniël die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het hele koninkrijk. 5 Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, omdat hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. 6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet van zijn God. 7 Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot de koning, en zeiden zo tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid! 8 Al de vorsten van het rijk, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enige god of mens, behalve van u, o koning! die zal in de kuil van de leeuwen geworpen worden. 9 Nu, o koning! u zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet van de Meden en van de Perzen, die niet mag wederroepen worden. 10 Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod. 11 Toen nu Daniël verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie keer per dag op zijn knieën, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, geheel zoals hij voorheen gedaan had. 12 Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniël biddende en smekende voor zijn God. 13 Toen kwamen zij nader, en spraken voor de koning van het gebod van de koning: Heb u niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enige god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in de kuil van de leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zei: Het is een vaste rede, naar de wet van de Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden. 14 Toen antwoordden zij, en zeiden voor de koning: Daniël, één van de als gevangene weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat u getekend hebt; maar hij bidt drie keer per dag zijn gebed. 15 Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelf, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen; ja, tot de ondergang van de zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden. 16 Toen kwamen die mannen met hopen tot de koning, en zij zeiden tot de koning: Weet, o koning! dat van de Meden en van de Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden. 17 Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in de kuil van de leeuwen; en de koning antwoordde en zei tot Daniël: Uw God, Die u steeds eert, Die verlosse u! 18 En er werd een steen gebracht, en op de mond van de kuil gelegd: en de koning verzegelde die met zijn ring, en met de ring van zijn geweldigen, opdat de wil aangaande Daniël niet zou veranderd worden. 19 Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchter, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem. 20 Toen stond de koning in de vroege morgenstond met het licht op, en hij ging met haast heen tot de kuil van de leeuwen. 21 Als hij nu tot de kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met een droeve stem; de koning antwoordde en zei tot Daniël: O Daniël, u knecht van de levende God! heeft ook uw God, Die u steeds eert, u van de leeuwen kunnen verlossen? 22 Toen sprak Daniël tot de koning: O koning, leef in eeuwigheid! 23 Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft de muil van de leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan. 24 Toen werd de koning bij zichzelf zeer vrolijk, en zei, dat men Daniël uit de kuil trekken zou. Toen Daniël uit de kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, omdat hij in zijn God geloofd had. 25 Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in de kuil van de leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op de grond van de kuil, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen. 26 Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natiën en tongen, die op de hele aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd! 27 Van mij is een bevel gegeven, dat men in de hele heerschappij van mijn koninkrijk beve en siddere voor het aangezicht van de God van Daniël; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe. 28 Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde; Die heeft Daniël uit het geweld van de leeuwen verlost. 29 Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, de Perziaan. ### Daniël 7 1 In het eerste jaar van Belsazar, de koning van Babel, zag Daniël een droom, en visioenen van zijn hoofd, op zijn bed; toen schreef hij die droom, en hij zei de hoofdsom van de zaken. 2 Daniël antwoordde en zei: Ik zag in mijn visioen bij nacht, en ziet, de vier winden van de hemel braken voort op de grote zee. 3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden. 4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugels uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en daaraan werd het hart van een mens gegeven. 5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zei zo tot dit dier: Sta op, eet veel vlees. 6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels van een vogel op zijn rug; ook had dit dier vier hoofden, en daaraan werd de heerschappij gegeven. 7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor dit dier geweest waren; en het had tien hoornen. 8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op daartussen, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt daarvoor; en ziet, in die hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. 9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, de wielen daarvan een brandend vuur. 10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend. 11 Toen zag ik toe vanwege de stem van de grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden. 12 Voor wat betreft de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en tijdstip toe. 13 Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Één met de wolken van de hemel, als de zoon van een mens, en Hij kwam tot de Oude van dagen, en zij deden Hem daarvoor naderen. 14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. 15 Mij Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de visioenen van mijn hoofd verschrikten mij. 16 Ik naderde tot één van degenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zei ze mij, en gaf mij de uitlegging van deze zaken te kennen. 17 Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen. 18 Maar de heiligen van de hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in de eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid van de eeuwigheden. 19 Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, dat verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, waarvan de tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten. 20 En voor wat betreft de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en de andere, die opkwam, en waarvoor drie afgevallen waren, namelijk die hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen. 21 Ik had gezien, dat die hoorn strijd voerde tegen de heiligen, en dat hij die overweldigde, 22 Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen van de hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten. 23 Hij zei zo: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de hele aarde opeten, en het zal die vertreden, en het zal ze verbrijzelen. 24 Wat betreft nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen. 25 En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en het zal de heiligen van de hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd. 26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem vernietigende en verdoende, tot het einde toe. 27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid van de koninkrijken onder de hele hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen van de hoge plaatsen, wiens Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen. 28 Tot hiertoe is het einde van deze rede. Wat mij Daniël betreft, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn gelaatskleur veranderde aan mij; maar ik bewaarde dat woord in mijn hart. ### Daniël 8 1 In het derde jaar van het koninkrijk van de koning Belsazar, verscheen mij een visioen, mij Daniël, na wat mij in het eerste verschenen was. 2 En ik zag een visioen, (het gebeurde nu, toen ik het zag, dat ik in de burg Susan was, die in het gewest Elam is) ik zag dan in een visioen, dat ik aan de vloed Ulai was. 3 En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor die vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de één was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op. 4 Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stootte, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot. 5 Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over de hele aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijke hoorn tussen zijn ogen. 6 En hij kwam tot de ram, die de twee hoornen had, die ik had zien staan voor de vloed; en hij liep op hem aan in de woede van zijn kracht. 7 En ik zag hem, nakende aan de ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stootte de ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in de ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die de ram uit zijn hand verloste. 8 En de geitenbok maakte zich bovenmate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan zijn plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden van de hemel. 9 En uit één van die kwam voort een kleine hoorn, die uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land. 10 En hij werd groot tot aan het leger van de hemel; en hij wierp er sommigen van dat leger, namelijk van de sterren, ter aarde neer, en hij vertrad ze. 11 Ja, hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger, en van Hem werd weggenomen het voortdurende offer, en de woning van Zijn heiligdom werd neergeworpen. 12 En het leger werd in de afval overgegeven tegen het voortdurende offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel. 13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zei tot de onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat visioen van het voortdurende offer en van de verwoestende afval zijn, dat zo het heiligdom als het leger ter vertreding zal overgegeven worden? 14 En hij zei tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden. 15 En het gebeurde, toen ik dat visioen zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand daarvan, en ziet, er stond voor mij als de gedaante van een man. 16 En ik hoorde tussen Ulai de stem van een mens, die riep en zei: Gabriël! geef deze het visioen te verstaan. 17 En hij kwam naast waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zei hij tot mij: Versta, u mensenkind! want dit visioen zal zijn tot de tijd van het einde. 18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats. 19 En hij zei: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er gebeuren zal ten einde van deze toorn; want op de vastgestelde tijd zal het einde zijn. 20 De ram met de twee hoornen, die u gezien hebt, zijn de koningen van de Meden en van de Perzen. 21 Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning. 22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, maar niet met zijn kracht. 23 Maar op het laatste van hun koninkrijk, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande; 24 En zijn kracht zal sterk worden, maar niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, en ook het heilige volk verderven; 25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen strekken in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen de Vorst van de vorsten, maar hij zal zonder hand verbroken worden. 26 Het visioen nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en u, sluit dit visioen toe, want er zijn nog vele dagen toe. 27 Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen ziek; daarna stond ik op, en deed het werk van de koning; en ik was ontzet over dit visioen; maar niemand merkte het. ### Daniël 9 1 In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het zaad van de Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk van de Chaldeeën; 2 In het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal van de jaren, waarvan het woord van JAHWEH tot de profeet Jeremia gebeurd was, in het vervullen van de verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was. 3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, de Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as. 4 Ik bad dan tot JAHWEH, mijn God, en deed belijdenis, en zei: Och Heere! U grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt aan degenen, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden. 5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten. 6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienaren, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk van het land. 7 Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid van de aangezichten, zoals het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar U ze heengedreven hebt, om hun overtreding, waarmee zij tegen U overtreden hebben. 8 O JAHWEH! bij ons is de beschaamdheid van de aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben. 9 Bij de Heere, onze God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben. 10 En wij hebben de stem van JAHWEH, van onze God, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten. 11 Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij van Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, de knecht van God, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben. 12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, en brachten over ons een groot kwaad, dat niet gebeurd is onder de hele hemel, gelijk aan Jeruzalem gebeurd is. 13 Zoals in de wet van Mozes geschreven is, zo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht van JAHWEH, van onze God, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandig acht gevende op Uw waarheid. 14 Daarom heeft JAHWEH over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want JAHWEH, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, omdat wij van Zijn stem niet gehoorzaamden. 15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, zoals hij is te deze dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest. 16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw woede afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg; want vanwege onze zonden en vanwege de ongerechtigheden van onze vaders, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn. 17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; omwille van de Heere. 18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neer op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn. 19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Vanwege Uzelf, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd. 20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde van mijn volk van Israël, en mijn smeking neerwierp voor het aangezicht van JAHWEH, van mijn God, omwille van de heilige berg van mijn God; 21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin in een visioen gezien had, snel gevlogen, mij aanrakende, ongeveer de tijd van het avondoffer. 22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zei: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u de zin te doen verstaan. 23 In het begin van uw smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want u bent een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit visioen. 24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het visioen, en de profeet te verzegelen, en om de heiligheid van de heiligheden te zalven. 25 Weet dan, en versta: van de uitgang van het woord, om te doen terugkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, de Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen opnieuw gebouwd worden, maar in benauwdheid van de tijden. 26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelf zijn; en een volk van de vorst, dat komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er strijd zijn, en vast besloten verwoestingen. 27 En hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft van de week zal hij het slachtoffer en het voedseloffer doen ophouden, en over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vast besloten zijnde, zal uitgestort worden over de verwoeste. ### Daniël 10 1 In het derde jaar van Kores, de koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, maar in een gezette grote tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het visioen. 2 In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken van de dagen. 3 Begeerlijk voedsel at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij geheel niet, voordat die drie weken van de dagen vervuld waren. 4 En op de vier en twintigste dag van de eerste maand, zo was ik aan de oever van de grote rivier, die is Hiddekel. 5 En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn middel was omgord met fijn goud van Ufaz. 6 En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante van de bliksem, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de kleur van gepolijst koper; en de stem van Zijn woorden was gelijk de stem van een menigte. 7 En ik, Daniël, alleen zag dat visioen, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat visioen niet; maar een grote verschrikking viel op hen, en zij vluchtten, om zich te versteken. 8 Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote visioen, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield. 9 En ik hoorde de stem van Zijn woorden; en toen ik de stem van Zijn woorden hoorde, zo viel ik in een diepe slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde. 10 En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieën, en de palmen van mijn handen. 11 En Hij zei tot mij: Daniël, u zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende. 12 Toen zei Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van de eerste dag aan, dat u uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelf te verootmoedigen, voor het aangezicht van uw God, zijn uw woorden gehoord, en omwille van uw woorden ben Ik gekomen. 13 Maar de vorst van het koninkrijk van Perzië stond tegenover Mij één en twintig dagen; en ziet, Michaël, één van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd daar gelaten bij de koningen van Perzië. 14 Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, wat uw volk bejegenen zal in het vervolg van de dagen, want het visioen is nog voor vele dagen. 15 En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom. 16 En zie, Één, de mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zei tot Die, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! vanwege het visioen keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude. 17 En hoe kan de knecht van deze mijn Heere spreken met die mijn Heere? Want wat mij betreft, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven. 18 Toen raakte mij opnieuw aan Één, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij. 19 En Hij zei: Vrees niet, u zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zei: Mijn Heere spreke, want U hebt mij versterkt. 20 Toen zei Hij: Weet u, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Maar nu zal Ik terugkeren om te strijden tegen de vorst van de Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen. 21 Maar Ik zal u te kennen geven, wat getekend is in het geschrift van de waarheid; en er is niet één, die zich met Mij versterkt tegen deze, dan uw vorst Michaël. ### Daniël 11 1 Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, de Meder, om hem te versterken en te stijven. 2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; zie, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. 3 Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen. 4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden van de hemel verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmee hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze. 5 En de koning van het Zuiden, die één van zijn vorsten is, zal sterk worden; maar een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn. 6 Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkaar bevrienden, en de dochter van de koning van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om redelijke voorwaarden te maken; maar zij zal de macht van de arm niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden. 7 Maar uit de spruit van haar wortels zal er een opstaan in zijn staat, die zal met legermacht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen van de koning van het Noorden, en hij zal daartegen doen, en hij zal ze bemachtigen. 8 Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste voorwerpen van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven de koning van het Noorden. 9 Zo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal opnieuw in zijn land trekken. 10 Maar zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote legers verzamelen; en één van hen zal snel komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal opnieuw komen, en zich in de strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe. 11 En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen de koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, maar die menigte zal in zijn hand gegeven worden. 12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden neervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden. 13 Want de koning van het Noorden zal terugkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden van de jaren, zal hij snel komen met een grote legermacht, en met groot goed. 14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen de koning van het Zuiden; en de scheurmakers van uw volk zullen verheven worden, om het visioen te bevestigen, maar zij zullen vallen. 15 En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en versterkte steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan. 16 Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land van het sieraad, en de verderving zal in zijn hand wezen. 17 En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht van zijn hele rijk te komen, en hij zal redelijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter van de vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn. 18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; maar een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen terugkeren. 19 En hij zal zijn aangezicht keren naar de vestingen van zijn land, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden. 20 En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, toch niet door toornvlagen, noch door oorlog. 21 Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, die men de koninklijke waardigheid niet zal geven; maar hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen. 22 En de armen van de overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst van het verbond. 23 En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volk gesterkt worden. 24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen van het gewest komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders van zijn vaders, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vestingen zijn gedachten denken, maar tot een zekere tijd toe. 25 En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote legermacht; en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige legermacht; maar hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. 26 En die de stukken van zijn voedsel zullen eten, zullen hem breken, en de legermacht daarvan zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen. 27 En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan één tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben op de vastgestelde tijd. 28 En hij zal in zijn land terugkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en terugkeren in zijn land. 29 Ter bestemder tijd zal hij terugkeren, en tegen het Zuiden komen, maar het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize. 30 Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal terugkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters van het heilige verbond. 31 En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de vesting, en zij zullen het voortdurende offer wegnemen, en een verwoestende gruwel stellen. 32 En die goddeloos handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen. 33 En de leraars van het volk zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen. 34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; maar velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen. 35 En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot de tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemde tijd. 36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelf verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen de God van de goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de toorn voltooid zij, want het is vast besloten, het zal gebeuren. 37 En op de goden van zijn vaders zal hij geen acht geven, noch op de begeerte van de vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. 38 En hij zal de god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk de god, welke zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen. 39 En hij zal de bolwerken van de vestingen maken met de vreemde god; aan hen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs. 40 En op de tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagens, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken. 41 En hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen neergeworpen worden; maar deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen van de kinderen Ammons. 42 En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. 43 En hij zal heersen over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen. 44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote woede om velen te vernietigen en te verbannen. 45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg van het heilige sieraad; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben. ### Daniël 12 1 En in die tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen van uw volk staat, als het zulk een tijd van de benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. 2 En velen van die, die in het stof van de aarde slapen, zullen ontwaken, deze ten eeuwigen leven, en anderen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. 3 De leraars nu zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, zoals de sterren, altijd en eeuwig. 4 En u, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot de tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. 5 En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de één aan deze zijde van de oever van de rivier, en de ander aan de overzijde van de oever van de rivier. 6 En hij zei tot de Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen? 7 En ik hoorde die Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar de hemel, en zwoer bij Die, Die eeuwig leeft, dat na een bestemde tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voltooid hebben te verstrooien de hand van het heilige volk, al deze dingen voltooid zullen worden. 8 Dit hoorde ik, maar ik verstond het niet; en ik zei: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen? 9 En Hij zei: Ga heen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde. 10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan. 11 En van die tijd af, dat het voortdurende offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. 12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen. 13 Maar u, ga heen tot het einde, want u zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde van de dagen. ## Hosea ### Hosea 1 1 Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Hosea, de zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël. 2 Het begin van het woord van JAHWEH door Hosea. JAHWEH dan zei tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw van de hoererijen, en kinderen van de hoererijen; want het land hoereert geheel van achter JAHWEH. 3 Zo ging hij heen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon. 4 En JAHWEH zei tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een korte tijd, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden. 5 En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël. 6 En zij ontving opnieuw, en baarde een dochter; en Hij zei tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal ze zeker wegvoeren. 7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door JAHWEH, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door strijd, door paarden noch door ruiteren. 8 Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. 9 En Hij zei: Noem zijn naam Lo-ammi; want u bent Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. 10 Toch zal het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal gebeuren dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: U bent Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: U bent kinderen van de levende God. 11 En de kinderen van Juda, en de Israëlieten zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn. 12 Zeg tot uw broers: Ammi, en tot uw zussen: Ruchama. ### Hosea 2 1 Twist tegen uw moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen. 2 Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als op de dag toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst; 3 (En Mij haar kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen van de hoererijen zijn. 4 Want hun moeder hoereert, die hen ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn minnaars nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven. 5 Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden. 6 En zij zal haar minnaars nalopen, maar hen niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en keren weer tot mijn vorige Man, want toen was mij beter dan nu. 7 Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en de nieuwe wijn, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot de Baäl gebruikt hebben. 8 Daarom zal Ik terugkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn nieuwe wijn op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken. 9 En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen haar minnaars; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen. 10 En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar vastgestelde hoogtijden. 11 En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn minnaars gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte van het veld zal ze vreten. 12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen van de Baäl, waarin zij die gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar minnaars nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt JAHWEH. 13 Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. 14 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur van de hoop; en daar zal zij zingen, als in de dagen haar jeugd, en als op de dag toen zij optoog uit Egypteland. 15 En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH, dat u Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl! 16 En Ik zal de namen van de Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden. 17 En Ik zal op die dag een verbond voor hen maken met het wild gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de oorlog van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen neerliggen. 18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. 19 (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en u zult JAHWEH kennen. 20 (En het zal op die dag gebeuren, dat Ik verhoren zal, spreekt JAHWEH; Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. 21 En de aarde zal het koren verhoren, en ook de nieuwe wijn en de olie; en die zullen Jizreël verhoren. 22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: U bent Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God! ### Hosea 3 1 En JAHWEH zei tot mij: Ga opnieuw heen, houd van een vrouw, die, geliefd zijnde door haar vriend, toch overspel doet; zoals JAHWEH van de Israëlieten houdt, maar zij zien om naar andere goden, en houden van de flessen van de druiven. 2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst. 3 En ik zei tot haar: U zult vele dagen na mij blijven zitten (u zult niet ontucht plegen, noch een andere man geworden), en ik ook na u. 4 Want de Israëlieten zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. 5 Daarna zullen zich de Israëlieten bekeren, en zoeken JAHWEH, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot JAHWEH en tot Zijn goedheid, in het laatste van de dagen. ### Hosea 4 1 Hoort het woord van JAHWEH, u Israëlieten! want JAHWEH heeft een twist met de inwoners van het land, omdat er geen trouw, en geen goedertierenheid, en geen kennis van God in het land is; 2 Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden. 3 Daarom zal het land treuren, en een ieder die daarin woont, verwelken, met het gedierte van het veld, en met het gevogelte van de hemel; ja, ook de vissen van de zee zullen weggeraapt worden. 4 Maar niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met de priester twisten. 5 Daarom zult u vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien. 6 Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; omdat u de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat u Mij het priesterambt niet zult bedienen; omdat u de wet van uw God vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten. 7 Gelijk zij meerder geworden zijn, zo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hun eer in schande veranderen. 8 Zij eten de zonde van Mijn volk, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid. 9 Daarom, gelijk het volk, zo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden. 10 En zij zullen eten, maar niet verzadigd worden, zullen ontucht plegen, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten JAHWEH in acht te nemen. 11 Hoererij, en wijn, en nieuwe wijn neemt het hart weg. 12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest van de hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren. 13 Op de hoogten van de bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat van die schaduw goed is; daarom ontucht plegen uw dochters, en uw bruiden bedrijven overspel. 14 Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen, omdat zij ontucht plegen, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelf scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft, zal omgekeerd worden. 15 Zo u, o Israël! wilt ontucht plegen, dat immers Juda niet schuldig wordt; kom toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-aven, en zweer niet: Zo waarachtig als JAHWEH leeft. 16 Want Israël is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen JAHWEH weiden, als een lam in de ruimte. 17 Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen. 18 Hun dronkenschap is afvallig; zij doen niet dan ontucht plegen; haar schilden (het is een schande!) houden van het woord: Geef. 19 Een wind heeft haar gebonden in zijn vleugels, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offergaven. ### Hosea 5 1 Hoor dit, u priesters! en merk op, u huis van Israël! en neem ter ore, u huis van de koning! want u gaat dit oordeel aan, omdat u een strik bent geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor. 2 En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn. 3 Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen; dat u, o Efraïm! nu hoereert, en Israël verontreinigd is. 4 Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest van de hoererijen is in het midden van hen, en JAHWEH kennen zij niet. 5 Daarom zal Israël hoogmoed in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen. 6 Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om JAHWEH te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken. 7 Zij hebben trouweloos gehandeld tegen JAHWEH; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen. 8 Blaas de bazuin te Gibeä, de trompet te Rama; roep luide te Beth-aven; achter u, Benjamin! 9 Efraïm zal tot verwoesting worden, op de dag van de straf; onder de stammen van Israël heb Ik bekend gemaakt, dat zeker is. 10 De vorsten van Juda zijn geworden, zoals die het gebied verrukken; Ik zal Mijn toorn, als water, over hen uitgieten. 11 Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod. 12 Daarom zal Ik Efraïm zijn als een mot, en de huize van Juda als een verrotting. 13 Als Efraïm zijn ziekte zag, en Juda zijn gezwel, zo trok Efraïm tot Assur, en hij zond tot de koning Jareb; maar die zal u niet kunnen genezen, en zal het gezwel van u niet helen. 14 Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en de huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn. 15 Ik zal heengaan en keren weer tot Mijn plaats, totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken. ### Hosea 6 1 Kom en laat ons terugkeren tot JAHWEH, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. 2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. 3 Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om JAHWEH te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen van het land. 4 Wat zal Ik u doen, o Efraïm! wat zal Ik u doen, o Juda! omdat uw goedertierenheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat. 5 Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen van Mijn mond; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht. 6 Want Ik heb lust tot goedertierenheid, en niet tot offer; en tot de kennis van God, meer dan tot brandoffers. 7 Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouweloos tegen Mij gehandeld. 8 Gilead is een stad van werkers van de ongerechtigheid; zij is betreden van bloed. 9 Gelijk de benden van de straatschenders op iemand wachten, zo is het gezelschap van de priesters; zij moorden op de weg naar Sichem, werkelijk, zij doen schandelijke daden. 10 Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis van Israël; daar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd. 11 Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen van Mijn volk wederbracht. ### Hosea 7 1 Terwijl Ik Israël genees, zo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, en ook de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende van de straatschenders stroopt daar buiten. 2 En zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al van hun boosheid gedachtig ben; nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor Mijn aangezicht. 3 Zij verblijden de koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugens. 4 Zij bedrijven al samen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van de bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij. 5 Het is de dag van onze koning; de vorsten maken hem ziek door verhitting van de wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters. 6 Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun hinderlagen; hun bakker slaapt de hele nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur. 7 Zij zijn allen samen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept. 8 Efraïm, die verwart zich met de volken; Efraïm is een koek, die niet is omgekeerd; 9 Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet. 10 Daarom zal de hoogmoed van Israël in zijn aangezicht getuigen; omdat zij zich niet bekeren tot JAHWEH, hun God, noch Hem zoeken in alle deze. 11 Want Efraïm is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan heen tot Assur. 12 Wanneer zij zullen heengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogels van de hemel doen neerdalen. Ik zal ze tuchtigen, zoals gehoord is in hun vergadering. 13 Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen Mij. 14 Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en nieuwe wijn verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij. 15 Ik heb hen wel getuchtigd, en hun armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij. 16 Zij keren zich, maar niet tot de Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de toorn hun tong; dit is hun bespotting in Egypteland. ### Hosea 8 1 De bazuin aan uw mond; hij komt als een adelaar tegen het huis van JAHWEH; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden. 2 Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israël, kennen U. 3 Israël heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen. 4 Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelf afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden. 5 Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen? 6 Want dat is ook uit Israël; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria. 7 Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden. 8 Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, zoals een voorwerp, waar men geen lust toe heeft. 9 Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelf is; die van Efraïm hebben minnaars om hoerenloon gehuurd. 10 Omdat zij dan onder de heidenen minnaars om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege de last van de koning van de vorsten. 11 Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen. 12 Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Van mijn wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds. 13 Voor wat betreft de offergaven Van mijn gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar JAHWEH heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij van hun ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weer in Egypte keren. 14 Want Israël heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft versterkte steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren. ### Hosea 9 1 Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, zoals de volken; want u hoereert van uw God af; u hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren van het koren. 2 De dors vloer en de wijnkuip zal hen niet voeden; en de nieuwe wijn zal hun liegen. 3 Zij zullen in het land van JAHWEH niet blijven; maar Efraïm zal weer tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten. 4 Zij zullen JAHWEH geen drankoffers doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offergaven zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in het huis van JAHWEH niet komen. 5 Wat zult u dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag van JAHWEH? 6 Want ziet, zij gaan daarheen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn. 7 De dagen van de bezoeking zijn gekomen, de dagen van de vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het bemerken; de profeet is een dwaas, de man van de geest is onzinnig; om de grootheid van uw ongerechtigheid is de haat ook groot. 8 De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis van zijn God. 9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibeä; Hij zal van hun ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken. 10 Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaders als de eerste vrucht aan de vijgeboom in haar begin; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden geheel verfoeilijk naar hun wellust. 11 Voor wat betreft Efraïm, hun heerlijkheid zal wegvluchten als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af. 12 Hoewel zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn! 13 Efraïm is, zoals Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot de moordenaar. 14 Geef hun, JAHWEH! Wat zult U geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten. 15 Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen. 16 Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, hoewel zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden. 17 Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen. ### Hosea 10 1 Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid van zijn vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid van zijn land, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt. 2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren. 3 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben JAHWEH niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen? 4 Zij hebben woorden gesproken, vals zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren van de velden. 5 De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal erover treuren, en ook zijn Chemarim (die zich erover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij ervan is weggevaren. 6 Ja, dat zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag. 7 De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water. 8 En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen vernietigd worden; doornen en distelen zullen op hun altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedek ons! en tot de heuvelen: Val op ons! 9 Sinds de dagen van Gibeä, hebt u gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibeä, tegen de kinderen van de verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen. 10 Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen hen verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren. 11 Omdat Efraïm een getemde jonge koe is, gewend graag te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. 12 Zaai u tot gerechtigheid, maait tot goedertierenheid; ploegt u een braakland; omdat het tijd is JAHWEH te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene. 13 U hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht van de leugen gegeten; want u hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid van uw helden. 14 Daarom zal er een groot geluid ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, zoals Salman Beth-arbel verstoorde op de dag van de oorlog; de moeder werd verpletterd met de zonen. 15 Zo heeft Beth-el u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid. ### Hosea 11 1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. 2 Maar zoals zij hen riepen, zo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesnedenen beelden. 3 Ik toch leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas. 4 Ik trok ze met menselijke touwen, met touwen van de liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kaken oplichten, en Ik reikte hem voer toe. 5 Hij zal in Egypteland niet terugkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren. 6 En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendels verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen. 7 Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet één verhoogt Hem. 8 Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is samen ontstoken. 9 Ik zal de hitte van Mijn toorn niet uitvoeren; Ik zal niet terugkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen. 10 Zij zullen JAHWEH achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. 11 Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt JAHWEH. ### Hosea 12 1 Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis van Israël met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw. 2 Efraïm weidt zich met wind, en jaagt de oostenwind na; de hele dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd. 3 Ook heeft JAHWEH een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden. 4 In moeders buik hield hij zijn broer bij de hiel; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God. 5 Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overweldigd Hem; hij huilde en smeekte Hem. Te Beth-el vond hij Hem, en daar sprak Hij met ons; 6 Namelijk, JAHWEH, de God van de legermachten; JAHWEH is Zijn gedenknaam. 7 U dan, bekeer u tot uw God, bewaar goedertierenheid en recht, en wacht steeds op uw God. 8 In de hand van de koopman is een bedriegelijke weegschaal, hij houdt ervan te verdrukken; 9 Nog zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen; in al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die zonde zij. 10 Maar Ik ben JAHWEH, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen van de samenkomst; 11 En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het visioen vermenigvuldigen; en door de dienst van de profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen. 12 Zeker is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel zinloosheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steenhopen op de voren van de velden. 13 Jakob vluchtte toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw. 14 Maar JAHWEH voerde Israël op uit Egypte door een profeet, en door een profeet werd hij gehoed. 15 Efraïm daarentegen heeft Hem zeer bitter vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijn smaad vergelden. ### Hosea 13 1 Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan de Baäl en is gestorven. 2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die allemaal smedenwerk zijn; waarvan zij toch zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen. 3 Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat; als kaf van de dorsvloer, en als rook uit de schoorsteen wordt weggestormd. 4 Ik ben toch JAHWEH, uw God, van Egypteland af; daarom zou u geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik. 5 Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land. 6 Daarna zijn zij, naardat hun weide was, verzadigd geworden; als zij verzadigd zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten. 7 Daarom werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op de weg. 8 Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot van hun harten; en Ik verslond ze daar als een oude leeuw; het wild gedierte van het veld verscheurde hen. 9 Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uw hulp. 10 Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar u van zei: Geef mij een koning en vorsten? 11 Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid. 12 Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd. 13 Smarten van een barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan. 14 Maar Ik zal hen van het geweld van het dodenrijk verlossen, Ik zal ze vrijmaken van de dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? dodenrijk! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn, 15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broers; maar er zal een oostenwind komen, een wind van JAHWEH, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, en zijn fontein zal verdrogen; die zal de schat van alle gewenste huisraad roven. ### Hosea 14 1 Samaria zal woest worden, want zij is opstandig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderen zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden. 2 Bekeer u, o Israël! tot JAHWEH, uw God, toe; want u bent gevallen om uw ongerechtigheid. 3 Neem deze woorden met u, en bekeer u tot JAHWEH; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de stieren van onze lippen. 4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk van onze handen niet meer zeggen: U bent onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden. 5 Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd. 6 Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortels uitslaan als de Libanon. 7 Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als van de olijfboom, en hij zal een reuk hebben als de Libanon. 8 Zij zullen terugkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn herinnering zal zijn als de wijn van Libanon. 9 Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. 10 Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want de wegen van JAHWEH zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ## Joël ### Joël 1 1 Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Joël, de zoon van Pethuël: 2 Hoor dit, u oudsten! en neem ter ore, alle inwoners van het land! Is dit gebeurd in uw dagen, of ook in de dagen van uw vaders? 3 Vertel uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en van die kinderen aan een ander geslacht. 4 Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten. 5 Waak op, u dronkenen! en weent, en huilt, alle u wijnzuipers! om de nieuwe wijn, omdat hij van uw mond is afgesneden. 6 Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft de baktanden van een oude leeuw. 7 Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem geheel ontbloot en neergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden. 8 Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege de man van haar jeugd. 9 Voedseloffer en drankoffer is van het huis van JAHWEH afgesneden; de priesters, het dienaren van JAHWEH, treuren. 10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de nieuwe wijn is verdroogd, de olie is flauw. 11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is vergaan. 12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen. 13 Omgord u, en rouwklaagt, u priesters! huil, u dienaren van het altaar! ga in, overnacht in zakken, u dienaren van mijn God! want voedseloffer en drankoffer is geweerd van het huis van uw God. 14 Heilig een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van JAHWEH, van uw God, en roept tot JAHWEH. 15 Ach, die dag! want de dag van JAHWEH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige. 16 Is niet het voedsel voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis van onze God? 17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord. 18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest. 19 Tot U, o JAHWEH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken. 20 Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd. ### Joël 2 1 Blaas de bazuin te Sion, en roept luid op de berg Van mijn heiligheid; laat alle inwoners van het land beroerd zijn, want de dag van JAHWEH komt, want hij is nabij. 2 Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, evenzo van ouds niet geweest is, en na hetzelfde niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten. 3 Voor hetzelfde verteert een vuur, en achter hetzelfde brandt een vlam; het land is voor hetzelfde als een lusthof, maar achter hetzelfde een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelfde. 4 De gedaante dezelfde is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen. 5 Zij zullen daarheen springen als een geluid van wagens, op de hoogten van de bergen; als het geluid van een vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is. 6 Van daarvan aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle gezichten zullen betrekken als een pot. 7 Als helden zullen zij lopen, als soldaten zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarheen trekken, ieder in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien. 8 Ook zullen zij de één de ander niet dringen; zij zullen daarheen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden. 9 Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensters inkomen als een dief. 10 De aarde is beroerd voor daarvan aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in. 11 En JAHWEH verheft Zijn stem voor Zijn leger heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag van JAHWEH is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen? 12 Nu dan ook, spreekt JAHWEH, bekeert u tot Mij met uw hele hart, en dat met vasten en met geween, en met klaagzang. 13 En scheurt uw hart en niet uw kleren, en bekeert u tot JAHWEH, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, geduldig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. 14 Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot voedseloffer en drankoffer voor JAHWEH, uw God. 15 Blaas de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. 16 Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, verzamelt de oudsten, verzamelt de kinderen, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer. 17 Laat de priesters, het dienaren van JAHWEH, huilen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o JAHWEH! en geef Uw erfenis niet over tot een smaad, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God? 18 Zo zal JAHWEH ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk sparen. 19 En JAHWEH zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Zie, Ik zend u het koren, en de nieuwe wijn, en de olie, dat u daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaad onder de heidenen. 20 En Ik zal die van het noorden verre van u doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan. 21 Vrees niet, o land! verheug u, en wees blij; want JAHWEH heeft grote dingen gedaan. 22 Vrees niet, u beesten van het veld! want de weiden van de woestijn zullen weer jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven. 23 En u, kinderen van Sion! verheug u en wees blij in JAHWEH, uw God; want Hij zal u geven die Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u de regen doen neerdalen, de vroege regen en de spade regen in de eerste maand. 24 En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van nieuwe wijn en olie overlopen. 25 Zo zal Ik u de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot leger, dat Ik onder u gezonden heb. 26 En u zult overvloedig en tot verzadiging eten, en prijzen de Naam van JAHWEH, uw God, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid. 27 En u zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik JAHWEH, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid. 28 En daarna zal het gebeuren, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw oude zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien; 29 Ja, ook over de dienaren, en over de dienaressen, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten. 30 En Ik zal wondertekenen geven in de hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren. 31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat die grote en vreselijke dag van JAHWEH komt. 32 En het zal gebeuren, al wie de Naam van JAHWEH zal aanroepen, zal behouden worden; want op de berg van Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals JAHWEH gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die JAHWEH zal roepen. ### Joël 3 1 Want ziet, in die dagen en in die tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; 2 Dan zal Ik alle heidenen verzamelen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld; 3 En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een jongetje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken. 4 En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zou u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, licht, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd teruggeven. 5 Omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht. 6 En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van de Grieken, opdat u hen verre van hun gebied mocht brengen. 7 Zie, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarheen u ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding teruggeven op uw hoofd. 8 En Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen in de hand van de kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want JAHWEH heeft het gesproken. 9 Roep dit uit onder de heidenen, heiligt een strijd; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle soldaten. 10 Sla uw spaden tot zwaarden, en uw sikkels tot speren; de zwakke zeg: Ik ben een held. 11 Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en verzamelt u! (O JAHWEH, doe Uw helden daarheen neerdalen!) 12 De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar daar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom. 13 Sla de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; kom aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is groot. 14 Menigten, menigten in het dal van de dorswagen; want de dag van JAHWEH is nabij, in het dal van de dorswagen. 15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken. 16 En JAHWEH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar JAHWEH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de Israëlieten zijn. 17 En u zult weten, dat Ik JAHWEH, uw God ben, wonende op Sion, de berg Van mijn heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan. 18 En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van JAHWEH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren. 19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben. 20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. 21 En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en JAHWEH zal wonen op Sion. ## Amos ### Amos 1 1 De woorden van Amos, die onder de veehouders was van Thekoa, die hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaar voor de aardbeving. 2 En hij zei: JAHWEH zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen van de herders zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren. 3 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Damascus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst. 4 Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazaël zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren. 5 En Ik zal de grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien de inwoner van Bikeat-aven, en die, die de scepter houdt, uit Beth-eden; en het volk van Syrië zal als gevangene weggevoerd worden naar Kir, zegt JAHWEH. 6 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk als gevangene hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren. 7 Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren. 8 En Ik zal de inwoner uitroeien uit Asdod, en die, die de scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel van de Filistijnen zal vergaan, zegt Adonai JAHWEH. 9 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond van de broers. 10 Daarom zal Ik een vuur zenden in de muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren. 11 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broers met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwig verscheurt, en hij zijn toorn altijd behoudt. 12 Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren. 13 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van de kinderen van Ammon, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun gebied te verruimen. 14 Daarom zal Ik een vuur aansteken in de muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich op de dag van de strijd, met een onweer op de dag van de wervelwind. 15 En hun koning zal gaan in de gevangenis, hij en zijn vorsten samen, zegt JAHWEH. ### Amos 2 1 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen van de koning van Edom tot kalk verbrand heeft. 2 Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot geluid, met gejuich, met geluid van de bazuin. 3 En Ik zal de rechter uit het midden van haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met hem doden, zegt JAHWEH. 4 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet van JAHWEH verworpen, en Zijn voorschriften niet bewaard hebben; en hun leugens hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld. 5 Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren. 6 Zo zegt JAHWEH: Om drie overtredingen van Israël, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de arme om een paar schoenen. 7 Die er naar hijgen, dat het stof van de aarde op het hoofd van de armen zij, en de weg van de zachtmoedigen verdraaien; en de man en zijn vader gaan tot een meisje om Mijn heilige Naam te ontheiligen. 8 En zij leggen zich neer bij elk altaar op de verpande kleren, en drinken de wijn van de geboeten in het huis van hun goden. 9 Ik daarentegen heb de Amoriet voor hun aangezicht vernietigd, wiens hoogte was als de hoogte van de cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortels van onderen vernietigd. 10 Ook heb Ik u uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat u het land van de Amoriet erfelijk bezat. 11 En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongemannen tot Nazireen; is dit niet zo, u Israëlieten? spreekt JAHWEH. 12 Maar u hebt aan de Nazireen wijn te drinken gegeven, en u hebt de profeten geboden, zeggende: U zult niet profeteren. 13 Zie, Ik zal uw plaatsen drukken, zoals een wagen drukt, die vol graanschoven is. 14 Zodat de snelle niet zal ontvluchten, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden. 15 En die de boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden. 16 En de moedigste onder de helden zal op die dag naakt heenvluchten, spreekt JAHWEH. ### Amos 3 1 Hoor dit woord, dat JAHWEH tegen u spreekt, u kinderen van Israël! namelijk tegen het hele geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende: 2 Uit alle geslachten van de aardbodem heb Ik u alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken. 3 Zullen twee samen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn? 4 Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe? 5 Zal een vogel in de strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men de strik van de aardbodem opnemen, als men geheel niet heeft gevangen? 6 Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat JAHWEH niet doet? 7 Zeker, Adonai JAHWEH zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn geheim aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe. 8 De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? Adonai JAHWEH heeft gesproken, wie zou niet profeteren? 9 Doet het horen in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamel u op de bergen van Samaria, en ziet de grote onlusten in het midden van haar, en de verdrukten binnen in haar. 10 Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt JAHWEH; die in hun paleizen schatten verzamelen door geweld en verstoring. 11 Daarom, zo zegt Adonai JAHWEH: De vijand! en dat rondom het land! die zal uw vesting van u neerstorten, en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden. 12 Zo zegt JAHWEH: Gelijk als een herder twee poten, of een stukje van een oor uit van de leeuwen muil redt, zo zullen de Israëlieten gered worden, die daar zitten te Samaria, in de hoek van het bed, en op de sponde van de koets. 13 Hoor en betuigt in het huis van Jakob, spreekt Adonai JAHWEH, de God van de legermachten; 14 Dat Ik, op de dag als Ik Israëls overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-el; en de hoornen van het altaar zullen worden afgehouwen, en ter aarde vallen. 15 En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de ivoren huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt JAHWEH. ### Amos 4 1 Hoor dit woord, u koeien van Basan! u, die op de berg van Samaria bent, die de armen verdrukt, die de armen verplettert; u, die tot hun heren zegt: Breng aan, opdat wij drinken. 2 Adonai JAHWEH heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over u zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen. 3 En u zult door de bressen uitgaan, een ieder voor zich heen; en u zult, wat in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt JAHWEH. 4 Kom te Beth-el, en overtreedt te Gilgal; maak de overtredingen talrijk, en brengt uw offers 's morgens, uw tienden om de drie dagen! 5 En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want zo hebt u het graag, u Israëlieten! spreekt Adonai JAHWEH. 6 Daarom heb Ik u ook reinheid van de tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt JAHWEH. 7 Daartoe heb Ik ook de regen van u geweerd, als er nog drie maanden waren tot de oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde. 8 En twee, drie steden trokken om tot één stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt JAHWEH. 9 Ik heb u geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid van uw tuinen, en van uw wijngaarden, en van uw vijgebomen, en van uw olijfbomen at de rups op; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt JAHWEH. 10 Ik heb de pest onder u gezonden, naar de wijze van Egypte; Ik heb uw jongemannen door het zwaard gedood, en uw paarden als gevangene laten wegvoeren; en Ik heb de stank van uw legers zelfs in uw neus doen opgaan; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt JAHWEH. 11 Ik heb sommigen onder u omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die was als een vuurbrand, dat uit de brand gered is; toch hebt u zich niet bekeerd tot Mij, spreekt JAHWEH. 12 Daarom zal Ik u zo doen, o Israël! omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israël! om uw God te ontmoeten. 13 Want zie, Die de bergen vormt, en de wind schept, en de mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die de dageraad duisternis maakt, en op de hoogten van de aarde treedt, JAHWEH, God van de legermachten, is Zijn Naam. ### Amos 5 1 Hoor dit woord, dat Ik over u ophef, een klaaglied, o huis van Israël! 2 De jonkvrouw van Israël is gevallen, zij zal niet weer opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht. 3 Want zo zegt Adonai JAHWEH: De stad, die uitgaat met duizend, zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd, zal tien overhouden, in het huis van Israël. 4 Want zo zegt JAHWEH tot het huis van Israël: Zoek Mij, en leeft. 5 Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker als gevangene worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet. 6 Zoek JAHWEH, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El; 7 Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen. 8 Die het Zevengesternte en de Orion maakt, en de doodsschaduw in de morgenstond verandert, en de dag als de nacht verduistert; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem, JAHWEH is Zijn Naam. 9 Die Zich verfrist door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting. 10 Zij haten in de poort degene, die bestraft, en hebben een gruwel van die, die oprecht spreekt. 11 Daarom, omdat u de arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt u wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar u zult daarin niet wonen; u hebt gewenste wijngaarden geplant, maar u zult van die wijn niet drinken. 12 Want Ik weet, dat uw overtredingen veelvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen de rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de armen in de poort. 13 Daarom zal de verstandige in die tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn. 14 Zoekt het goede, en niet het boze, opdat u leeft; en zo zal JAHWEH, de God van de legermachten, met u zijn, zoals u zegt. 15 Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal JAHWEH, de God van de legermachten, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn. 16 Daarom, zo zegt JAHWEH, de God van de legermachten, de Heere: Op alle straten zal klaagzang zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen de akkerman roepen tot treuren, en klaagzang zal zijn bij degenen, die verstand van kermen hebben. 17 Ja, in alle wijngaarden zal klaagzang zijn; want Ik zal door het midden van u doorgaan; zegt JAHWEH. 18 Wee die, die de dag van JAHWEH begeren! Waartoe toch zal u de dag van JAHWEH zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht. 19 Als wanneer iemand vluchtte voor het aangezicht van een leeuw, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan de wand, en hem beet een slang. 20 Zal dan niet de dag van JAHWEH duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij? 21 Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet ruiken. 22 Want hoewel u Mij brandoffers offert, en ook uw voedseloffers, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. 23 Doe het getier van uw liederen van Mij weg; ook mag Ik van uw luitenspel niet horen. 24 Maar laat het oordeel zich daarheen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek. 25 Hebt u Mij veertig jaren in de woestijn slachtoffers en voedseloffer toegebracht, o huis van Israël? 26 Ja, u droegt de tent van uw Melech, en de Kijun, uw beelden, de ster van uw god, die u uzelf had gemaakt. 27 Daarom zal Ik u als gevangene wegvoeren, ver boven Damascus heen, zegt JAHWEH, Wiens Naam is God van de legermachten. ### Amos 6 1 Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen van de volken, en tot die die van het huis van Israël komen. 2 Ga over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath van de Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun gebied groter dan uw gebied? 3 U, die de boze dag verre stelt, en de stoel van het geweld nabij brengt. 4 Die daar liggen op ivoren bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van de meststal. 5 Die op het geklank van de luit kwinkeleren, en bedenken zichzelf instrumenten van de muziek, zoals David; 6 Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar geven niets om de verbreking van Jozef. 7 Daarom zullen zij nu als gevangene heengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket van degenen, die weelderig zijn, zal wegwijken. 8 De Adonai JAHWEH heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt JAHWEH, de God van de legermachten): Ik heb een gruwel van Jakobs hoogmoed, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren. 9 En het zal gebeuren, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen. 10 En de naaste vriend zal ieder van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot die, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om van JAHWEH Naam te vermelden. 11 Want zie, JAHWEH geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten. 12 Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want u hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht van de gerechtigheid in alsem. 13 U, die blij bent over een nietig ding; u, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen? 14 Want ziet, Ik zal over u, o huis van Israël! een volk verwekken, spreekt JAHWEH, de God van de legermachten; die zullen u drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek van de wildernis. ### Amos 7 1 Adonai JAHWEH deed mij zo zien; en ziet, Hij vormde sprinkhanen, in het begin van het opkomen van het nagras; en ziet, het was het nagras, na de afmaaiingen van de koning. 2 En het gebeurde, als zij het kruid van het land geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zei: Adonai JAHWEH! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! 3 Toen berouwde dat JAHWEH; het zal niet gebeuren, zei JAHWEH. 4 Verder deed mij Adonai JAHWEH zo zien; en ziet, Adonai JAHWEH riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een grote afgrond, ook verteerde het een stuk lands. 5 Toen zei ik: Adonai JAHWEH! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! 6 Toen berouwde dat JAHWEH. Ook dit zal niet gebeuren, zei Adonai JAHWEH. 7 Nog deed Hij mij zo zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand. 8 En JAHWEH zei tot mij: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een paslood. Toen zei JAHWEH: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. 9 Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israëls eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard. 10 Toen zond Amazia, de priester te Beth-el, tot Jerobeam, de koning van Israël, zeggende: Amos heeft een samenzwering tegen u gemaakt, in het midden van het huis van Israël; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen. 11 Want zo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd. 12 Daarna zei Amazia tot Amos: U ziener! ga weg, vlucht in het land van Juda, en eet daar brood, en profeteer daar. 13 Maar te Beth-el zult u voortaan niet meer profeteren; want dat is het heiligdom van de koning, en dat is het huis van het koninkrijk. 14 Toen antwoordde Amos, en zei tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. 15 Maar JAHWEH nam mij van achter de kudde; en JAHWEH zei tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël. 16 Nu dan, hoor het woord van JAHWEH: U zegt: U zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak. 17 Daarom zegt JAHWEH zo: Uw vrouw zal in de stad ontucht plegen, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en u zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land als gevangene worden weggevoerd. ### Amos 8 1 Adonai JAHWEH deed mij zo zien; en ziet, een mand met zomervruchten. 2 En Hij zei: Wat ziet u, Amos? En ik zei: Een mand met zomervruchten. Toen zei JAHWEH tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan. 3 Maar de gezangen van de tempel zullen op die dag huilen, spreekt Adonai JAHWEH; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen. 4 Hoor dit, u, die de arme opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen van het land; 5 Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en de sikkel vergrotende, en verkeerd handelende met bedrieglijke weegschalen; 6 Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en de arme om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren verkopen. 7 JAHWEH heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten! 8 Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als een rivier, en het zal heen en weer gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte. 9 En het zal op die dag gebeuren, spreekt Adonai JAHWEH, dat Ik de zon op de middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren. 10 En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle middel een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon, en daarvan einde als een bitteren dag. 11 Zie, de dagen komen, spreekt Adonai JAHWEH, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden van JAHWEH. 12 En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord van JAHWEH te zoeken, maar zullen het niet vinden. 13 Te die dage zullen de schone jonkvrouwen en de jongemannen van dorst versmachten; 14 Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weer opstaan. ### Amos 9 1 Ik zag de Heere staan op het altaar, en Hij zei: Sla die knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vluchtende zal onder hen niet ontvluchten, noch de ontkomende onder hen behouden worden. 2 Al groeven zij tot in het dodenrijk, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen neerdalen. 3 En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. 4 En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht van hun vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede. 5 Want Adonai JAHWEH van de legermachten is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte. 6 Die Zijn opperzalen in de hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefundeerd; Die de wateren van de zee roept, en giet ze uit op de aardbodem; JAHWEH is Zijn Naam. 7 Bent u Mij niet als de kinderen van de Moren, o Israëlieten? spreekt JAHWEH. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir? 8 Zie, de ogen van de Heere JAHWEH zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van de aardbodem vernietige; behalve dat Ik het huis van Jakob niet geheel zal vernietigen, spreekt JAHWEH. 9 Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, zoals zaad geschud wordt in een zeef; en niet één steentje zal er ter aarde vallen. 10 Alle zondaars van Mijn volk zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet naderen, noch ons voorkomen. 11 Op die dag zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten, en Ik zal haar scheuren vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weer oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds; 12 Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt JAHWEH, Die dit doet. 13 Zie, de dagen komen, spreekt JAHWEH, dat de ploeger de maaier, en de druiventreder de zaadzaaier naderen zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten. 14 En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israël wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en van die wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en van die vrucht eten. 15 En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hun gegeven heb, zegt JAHWEH, uw God. ## Obadja ### Obadja 1 1 Het visioen van Obadja. Zo zegt Adonai JAHWEH van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van JAHWEH, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Sta op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde. 2 Zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, u bent zeer veracht. 3 De trotsheid van uw hart heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven van de steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde neerstoten? 4 Al verhieft u zich gelijk de adelaar, en al stelde u uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar neerstoten, spreekt JAHWEH. 5 Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe bent u uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg was? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? 6 Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht! 7 Al uw bondgenoten hebben u tot aan de grens uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overweldigd; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem. 8 Zal het niet op die dag zijn, spreekt JAHWEH, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan? 9 Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door de moord wordt uitgeroeid. 10 Om het geweld, begaan aan uw broer Jakob, zal schaamte u bedekken; en u zult uitgeroeid worden in eeuwigheid. 11 Op de dag als u tegenover stondt, op de dag als de buitenlanders zijn leger gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, was u ook als één van hen. 12 Toen zou u niet gezien hebben op de dag van uw broer, de dag van zijn vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, op de dag van hun ondergang; noch uw mond groot gemaakt hebben, op de dag van de benauwdheid; 13 Noch ter poorte van Mijn volk ingegaan zijn, op de dag van hun verderf; noch gezien hebben, ook u, op zijn kwaad, op de dag van zijn verderf; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn leger, op de dag van zijn verderf; 14 Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, op de dag van de benauwdheid. 15 Want de dag van JAHWEH is nabij, over al de heidenen; zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd terugkeren. 16 Want zoals u gedronken hebt op de berg Van mijn heiligheid, zo zullen al de heidenen steeds drinken; ja, zij zullen drinken en opslokken, en zullen zijn als of zij er niet geweest waren. 17 Maar op de berg van Sion zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis van Jakob zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten. 18 En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want JAHWEH heeft het gesproken. 19 En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraïm en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead. 20 En de als gevangene weggevoerden van dit leger van de Israëlieten, wat van de Kanaänieten was, tot Zarfath toe; en de als gevangene weggevoerden van Jeruzalem, wat in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten. 21 En er zullen verlossers op de berg van Sion opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal van JAHWEH zijn. ## Jona ### Jona 1 1 En het woord van JAHWEH kwam tot Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de grote stad Nineve, en predik tegen haar; want hun boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht van JAHWEH; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neer in hetzelfde, om met hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht van JAHWEH. 4 Maar JAHWEH wierp een grote wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken. 5 Toen vreesden de zeelieden, en riepen ieder tot zijn god, en wierpen de voorwerpen, die in het schip waren, in de zee, om het daarvan te verlichten; maar Jona was neergegaan aan de zijden van het schip, en lag neer, en was met een diepe slaap bevangen. 6 En de opperschipper naderde tot hem, en zei tot hem: Wat is u, u hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan. 7 Verder zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Kom, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Zo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona. 8 Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wie de wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en vanwaar komt u? Welk is uw land en van welk volk bent u? 9 En hij zei tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vrees JAHWEH, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft. 10 Toen vreesden die mannen met grote vrees, en zeiden tot hem: Wat hebt u dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van het aangezicht van JAHWEH vluchtte; want hij had het hun te kennen gegeven. 11 Verder zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil wordt van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. 12 En hij zei tot hen: Neem mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van u; want ik weet, dat deze grote storm u om mijnentwil over komt. 13 Maar de mannen roeiden, om het schip weer te brengen aan het droge, maar zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. 14 Toen riepen zij tot JAHWEH, en zeiden: Och JAHWEH! laat ons toch niet vergaan om van deze man ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want U, JAHWEH! heb gedaan, zoals het U heeft behaagd. 15 En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar toorn. 16 Daarom vreesden de mannen JAHWEH met grote vrees; en zij slachtten JAHWEH slachtoffer, en beloofden geloften. 17 JAHWEH nu beschikte een grote vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het binnenste van de vis, drie dagen en drie nachten. ### Jona 2 1 En Jona bad tot JAHWEH, zijn God, uit het binnenste van de vis. 2 En hij zei: Ik riep uit mijn benauwdheid tot JAHWEH, en Hij antwoordde mij; uit de buik van het graf schreide ik, en U hoorde mijn stem. 3 Want U had mij geworpen in de diepte, in het hart van de zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij heen. 4 En ik zei: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; toch zal ik de tempel van Uw heiligheid weer aanschouwen. 5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden. 6 Ik was neergedaald tot de gronden van de bergen; de grendels van de aarde waren om mij heen in eeuwigheid; maar U hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o JAHWEH, mijn God! 7 Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan JAHWEH, en mijn gebed kwam tot U, in de tempel van Uw heiligheid. 8 Die de valse zinloosheden onderhouden, verlaten hun goedertierenheid. 9 Maar ik zal U offeren met de stem van de dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is van JAHWEH. 10 JAHWEH nu sprak tot de vis; en hij spuwde Jona uit op het droge. ### Jona 3 1 En het woord van JAHWEH kwam voor de tweede keer tot Jona, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek. 3 Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord van JAHWEH. Nineve nu was een grote stad van God, van drie dagreizen. 4 En Jona begon in de stad te gaan, één dagreis; en hij predikte, en zei: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd. 5 En de mensen van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe. 6 Want dit woord geraakte tot de koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neer in de as. 7 En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel van de koning en van zijn groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken. 8 Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, ieder van zijn boze weg, en van het geweld, dat in hun handen is. 9 Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hitte van Zijn toorn, dat wij niet vergingen! 10 En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet. ### Jona 4 1 Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak. 2 En hij bad tot JAHWEH, en zei: Och JAHWEH! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat U een genadig en barmhartig God bent, geduldig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad. 3 Nu dan, JAHWEH! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven. 4 En JAHWEH zei: Is uw toorn terecht ontstoken? 5 Jona nu ging ter stad uit, en zette zich tegen het oosten van de stad; en hij maakte zich daar een afdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat van de stad zou worden. 6 En God, JAHWEH, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over de wonderboom met grote blijdschap. 7 Maar God beschikte een worm op de andere dag in het opgaan van de dageraad; die stak de wonderboom, dat hij verdorde. 8 En het gebeurde, als de zon oprees, dat God een stille oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste van zijn ziel te mogen sterven, en zei: Het is mij beter te sterven dan te leven. 9 Toen zei God tot Jona: Is uw toorn terecht ontstoken over de wonderboom? En hij zei: Terecht is mijn toorn ontstoken ter dood toe. 10 En JAHWEH zei: U ontziet de wonderboom, aan welke u niet hebt gewerkt, noch die groot gemaakt; die in een nacht werd, en in een nacht verging; 11 En Ik zou die grote stad Nineve niet sparen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee? ## Micha ### Micha 1 1 Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem. 2 Hoor, u volken allemaal! merk op, u aarde, en ook van die volheid! Adonai JAHWEH nu zal tot een getuige zijn tegen u, de Heere uit de tempel van Zijn heiligheid. 3 Want zie, JAHWEH gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal neerdalen en treden op de hoogten van de aarde. 4 En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte. 5 Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis van Israël; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem? 6 Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop van het veld, tot plantingen van een wijngaard; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken. 7 En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon verzameld, en zij zullen tot hoerenloon terugkeren. 8 Hierom zal ik luid weeklagen bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal luid weeklagen maken als de draken, en treuren als de jonge struisvogels. 9 Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort van mijn volk, tot aan Jeruzalem. 10 Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra. 11 Ga door, u inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; klaagzang is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van u nemen. 12 Want de inwoneres van Maroth is ziek vanwege de goeds; want een kwaad is van JAHWEH afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem. 13 Span de snelle dieren aan de wagen, u inwoners van Lachis! (deze is van de dochter van Sion het begin van de zonde) want in u zijn Israëls overtredingen gevonden. 14 Daarom geef geschenken aan Morescheth-gaths; de huizen van Achzib zullen de koningen van Israël tot een leugen zijn. 15 Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, u inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid van Israël. 16 Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de adelaar, omdat zij als gevangene van u zijn weggevoerd. ### Micha 2 1 Wee die, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun bedden; in het licht van de morgenstond doen zij het, omdat het in de macht van hun hand is. 2 En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; zo doen zij geweld aan de man en zijn huis, ja, aan ieder en zijn erfenis. 3 Daarom, zo zegt JAHWEH: Zie, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit u uw halzen niet zult uittrekken, en zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn. 4 Te die dage zal men een spreekwoord over u opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt van mijn volk deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers. 5 Daarom zult u niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente van JAHWEH. 6 Profeteer u niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden. 7 O u, die Jakobs huis geheten bent! Is dan de Geest van JAHWEH verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij die, die recht wandelt? 8 Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; u stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, terugkomende van de strijd. 9 De vrouwen van Mijn volk verdrijft u, elk één uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderen neemt u Mijn sieraad in eeuwigheid. 10 Maak u dan op, en ga heen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving. 11 Zo er iemand is, die met wind omgaat, en vals liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterke drank! dat is een profeet van dit volk. 12 Voorzeker zal Ik u, o Jakob! geheel verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel verzamelen; Ik zal het samen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen. 13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en daardoor uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht heengaan; en JAHWEH in hun spits. ### Micha 3 1 Verder zei ik: Hoor nu, u hoofden van Jakob, en u oversten van het huis van Israël! Past het u niet het recht te weten? 2 Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen. 3 Ja, zij zijn het, die het vlees van mijn volk eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, zoals in een pot, en als vlees in het midden van een ketel. 4 Dan zullen zij roepen tot JAHWEH, maar Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht in die tijd voor hen verbergen, zoals zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben. 5 Zo zegt JAHWEH, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen die zo heiligen zij een strijd. 6 Daarom zal het nacht voor u worden vanwege het visioen, en u zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden. 7 En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al samen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord van God zijn. 8 Maar werkelijk, ik ben vol kracht van de Geest van JAHWEH; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde. 9 Hoor nu dit, u hoofden van het huis van Jakob, en u oversten van het huis van Israël! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert; 10 Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht. 11 Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op JAHWEH, zeggende: Is JAHWEH niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. 12 Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg van dit huis tot hoogten van een woud. ### Micha 4 1 Maar in het laatste van de dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van JAHWEH zal vastgesteld zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. 2 En vele heidenen zullen heengaan, en zeggen: Kom en laat ons opgaan tot de berg van JAHWEH, en in het huis van de God van Jakob, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en het woord van JAHWEH uit Jeruzalem. 3 En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun speren tot sikkels; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 4 Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond van JAHWEH van de legermachten heeft het gesproken. 5 Want alle volken zullen wandelen, elk in de naam van zijn god; maar wij zullen wandelen in de Naam van JAHWEH, van onze God, eeuwig en altijd. 6 Op die dag, spreekt JAHWEH, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, verzamelen, en die Ik geplaagd had. 7 En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtig volk; en JAHWEH zal Koning over hen zijn op de berg van Sion, van nu aan tot in eeuwigheid. 8 En u Schaapstoren, u Ofel van de dochter van Sion! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk van de dochters van Jeruzalem. 9 Nu, waarom zou u zo groot geschrei maken? Is er geen koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen? 10 Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter van Sion! als een barende vrouw; want nu zult u wel uit de stad heen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar daar zult u gered worden; daar zal u JAHWEH verlossen uit de hand van uw vijanden. 11 Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion. 12 Maar zij weten de gedachten van JAHWEH niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen verzameld heeft als graanschoven tot de dorsvloer. 13 Maak u op en dors, o dochter van Sion! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en u zult vele volken verpletteren; en Ik zal hun winst JAHWEH verbannen, en hun vermogen de Heere van de hele aarde. 14 Nu, rot u met benden, u dochter van de bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen de rechter van Israël met de roede op de wang slaan. ### Micha 5 1 En u, Bethlehem Efratha! bent u klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen van de eeuwigheid. 2 Daarom zal Hij hen overgeven, tot de tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijn broers zich bekeren met de Israëlieten. 3 En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht van JAHWEH, in de hoogheid van de Naam van JAHWEH, zijn God, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden van de aarde. 4 En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. 5 Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in daarvan ingangen. Zo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelfde in ons land zal komen, en wanneer hij in onze gebied zal treden. 6 En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van JAHWEH, als druppels op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verwacht. 7 Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten van de woud, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; die, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. 8 Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. 9 En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen. 10 En Ik zal de steden van uw land uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken. 11 En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en u zult geen bezweerders hebben. 12 En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen. 13 Verder zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden vernietigen. 14 En Ik zal in toorn en in woede wrake doen aan de heidenen, die niet horen. ### Micha 6 1 Hoor nu, wat JAHWEH zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. 2 Hoor, u bergen! de twist van JAHWEH, en ook u sterke fundamenten van de aarde! want JAHWEH heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven. 3 O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij. 4 Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht heen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam. 5 Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat gebeurd is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat u de gerechtigheden van JAHWEH kent. 6 Waarmee zal ik JAHWEH tegenkomen, en mij bukken voor de hoge God? Zal ik Hem tegenkomen met brandoffers, met eenjarige kalveren? 7 Zou JAHWEH een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn buik voor de zonde van mijn ziel? 8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist JAHWEH van u, dan recht te doen, en goedertierenheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God? 9 De stem van JAHWEH roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoor de roede, en wie ze besteld heeft! 10 Zijn er niet nog, in het huis van iedere goddeloze, schatten van de goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verafschuwen is? 11 Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen? 12 Omdat haar rijke mensen vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond; 13 Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden. 14 U zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw neerdrukking zal in het midden van u zijn; en u zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat u zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven. 15 U zult zaaien, maar niet maaien; u zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en nieuwe wijn, maar geen wijn drinken. 16 Want de voorschriften van Omri worden onderhouden, en het hele werk van het huis van Achab; en u wandelt in van die raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; zo zult u de smaad van Mijn volk dragen. ### Micha 7 1 Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in de wijnoogst gebeurd zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht. 2 De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen, ieder zijn broer, met een jachtgaren. 3 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving van zijn ziel, en zij draaien ze dicht ineen. 4 De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag van uw wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hun verwarring wezen. 5 Geloof een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamste vriend; bewaar de deuren van uw mond voor haar, die in uw schoot ligt. 6 Want de zoon veracht de vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; van een man vijanden zijn zijn huisgenoten. 7 Maar ik zal uitzien naar JAHWEH, ik zal wachten op de God van mijn heil; mijn God zal mij horen. 8 Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal JAHWEH mij een licht zijn. 9 Ik zal de toorn van JAHWEH dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid. 10 En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is JAHWEH, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk van de straten. 11 Op de dag als Hij uw muren zal herbouwen, op die dag zal het besluit verre heengaan. 12 Te die dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de versterkte steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte. 13 Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijn inwoners halve, vanwege de vrucht van hun handelingen. 14 U dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. 15 Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen u uit Egypteland uittrokt. 16 De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op de mond leggen; hun oren zullen doof worden. 17 Zij zullen het stof likken, als de slang; als kruipende dieren van de aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen sidderend komen tot JAHWEH, onze God, en zullen voor U vrezen. 18 Wie is een God gelijk U, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid. 19 Hij zal Zich onzer weer ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, U zult al hun zonden in de diepten van de zee werpen. 20 U zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die U onze vaders van oude dagen af gezworen hebt. ## Nahum ### Nahum 1 1 De last van Nineve. Het boek van het visioen van Nahum, de Elkosiet. 2 Een jaloers God en een wreker is JAHWEH, een wreker is JAHWEH, en zeer grimmig; een wreker is JAHWEH aan Zijn tegenstanders, en Hij behoudt de toorn Zijn vijanden. 3 JAHWEH is geduldig, maar van grote kracht, en Hij houdt de schuldige in geen geval onschuldig. De weg van JAHWEH is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof van Zijn voeten. 4 Hij bestraft de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel verwelken, ook verwelkt de bloem van Libanon. 5 De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen. 6 Wie zal voor Zijn toorn staan, en wie zal voor de hitte van Zijn toorn bestaan? Zijn woede is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld. 7 JAHWEH is goed, Hij is ter sterkte in de dag van de benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen. 8 En met een doorgaande vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. 9 Wat denkt u tegen JAHWEH? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen. 10 Omdat zij in elkaar gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, zoals zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel. 11 Van u is één uitgegaan, die kwaad denkt tegen JAHWEH, een Belialsraadsman. 12 Zo zegt JAHWEH: Zijn zij voorspoedig, en zo velen, zo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel vernederd, maar Ik zal u niet meer drukken. 13 Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren. 14 Maar tegen u heeft JAHWEH bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis van uw god zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als u zult veracht zijn geworden. 15 Zie op de bergen de voeten van degene, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is geheel uitgeroeid. ### Nahum 2 1 De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig de weg; sterk de middel, versterk de kracht zeer. 2 Want JAHWEH heeft de hoogmoed van Jakob afgewend, zoals de hoogmoed van Israël; want de plunderaars hebben ze leeg gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven. 3 De schilden van zijn helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenvervig; de wagens zijn in het vuur van de fakkelen, op de dag als hij zich bereidt; en de speren worden geschud. 4 De wagens razen door de wijken, zij lopen ginds en weer op de straten; hun gedaanten zijn als van de fakkelen, zij lopen door elkaar heen als de bliksemen. 5 Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, maar zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel gereed zal wezen. 6 De poorten van de rivieren zullen geopend worden, en het paleis zal versmelten. 7 En Huzab zal als gevangene weggevoerd worden, men zal haar heten voortgaan; en haar maagden zullen haar geleiden, als met een stem van de duiven, trommelende op haar harten. 8 Nineve is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, maar zij zullen vluchten. Sta, sta! zal men roepen, maar niemand zal omzien. 9 Roof zilver, rooft goud, want er is geen einde van de voorraad, van de heerlijkheid van allerlei gewenste voorwerpen. 10 Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieën schudden, en in al de middel is smart, en hun aller gezichten betrekken, als een pot. 11 Waar is nu de woning van de leeuwen, en die weide van de jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte. 12 De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde. 13 Zie, Ik wil aan u, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal haar wagens in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem van uw gezanten zal niet meer gehoord worden. ### Nahum 3 1 Wee van de bloedstad, die geheel vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op. 2 Er is het geklap van de zweep, en het geluid van het bulderen van de wielen; en de paarden stampen, en de wagens springen op. 3 De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende speer, en er zal veelheid van de verslagenen zijn, en een zware menigte van de dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn van de lichamen, men zal over hun lichamen struikelen; 4 Vanwege de grote hoererijen van de zeer bevallige hoer, van de meesteres van de toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen. 5 Zie, Ik wil aan u, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal de heidenen uw naaktheid, en de koninkrijken uw schande wijzen. 6 En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen. 7 En het zal gebeuren, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Vanwaar zal ik u troosters zoeken? 8 Bent u beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom heen water heeft, waarvan de voormuur de zee is, haar muur is van zee. 9 Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp. 10 Nog is zij als gevangene gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geëerden hebben zij het lot geworpen, en al haar grote zijn in boeien gebonden geworden. 11 Ook zult u dronken worden, u zult u verbergen; ook zult u een vesting zoeken vanwege de vijand. 12 Al uw vestingen zijn vijgebomen met de eerste vruchten; als zij geschud worden, zo vallen zij die op de mond, die ze eten wil. 13 Zie, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten van uw land zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendels verteren. 14 Schep u water ter belegering; versterk uw vestingen; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter de ticheloven. 15 Het vuur zal u daar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen. 16 U hebt meer handelaars, dan er sterren aan de hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen. 17 Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude van de dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, zo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn. 18 Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen. 19 Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plaag is pijnlijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wie is uw boosheid niet steeds gegaan? ## Habakuk ### Habakuk 1 1 De last, die Habakuk, de profeet, gezien heeft. 2 JAHWEH! hoe lang schreeuw ik, en U hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en U verlost niet! 3 Waarom laat U mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en er ontstaat ruzie. 4 Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt de rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor. 5 Zie onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in uw dagen, dat u niet geloven zult, als het verteld zal worden. 6 Want ziet, Ik verwek de Chaldeeën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten van de aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn. 7 Schrikkelijk en vreselijk is het; zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelf uit. 8 Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een adelaar, zich spoedende om te eten. 9 Het zal geheel tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand. 10 En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof verzamelen, en hij zal ze innemen. 11 Dan zal hij de geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God. 12 Bent U niet van ouds af JAHWEH, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o JAHWEH! tot een oordeel hebt U hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt U hem gegrondvest. 13 U bent te rein van ogen, dan dat U het kwade zou zien, en de kwelling kunt U niet aanschouwen; waarom zou U aanschouwen die trouweloos handelen? Waarom zou U zwijgen, als de goddeloze die verslindt, die rechtvaardiger is dan hij? 14 En waarom zou U de mensen maken, als de vissen van de zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft? 15 Hij trekt ze allen met de angel op, hij verzamelt ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich. 16 Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want daardoor is zijn deel vet geworden, en zijn voedsel smoutig. 17 Zal hij dan daarom altijd zijn garen leeg maken, en zal hij niet sparen, met altijd de volken te doden? ### Habakuk 2 1 Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de vesting, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. 2 Toen antwoordde mij JAHWEH, en zei: Schrijf het visioen, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt. 3 Want het visioen zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij wacht, verwacht Hem, want Hij zal zeker komen, Hij zal niet achterblijven. 4 Zie, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. 5 En ook omdat hij trouweloos handelt bij de wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet verzadigd wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en verzamelt tot zich alle volken. 6 Zouden dan niet zij allen van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging van de raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee die, die vermeerdert wat het zijne niet is (hoe lange!), en die, die op zich laadt dik slijk. 7 Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult u hun niet tot plundering worden? 8 Omdat u vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed van de mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners daarvan. 9 Wee die, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand van het kwaad. 10 U hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt u gezondigd tegen uw ziel. 11 Want de steen uit de muur roept, en de balk uit het hout antwoordt die. 12 Wee die, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt! 13 Zie, is het niet van JAHWEH van de legermachten, dat de volken arbeiden ten vure, en de mensen zich vermoeien tevergeefs? 14 Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid van JAHWEH bekennen, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. 15 Wee die, die zijn naaste te drinken geeft, u, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat u hun naaktheden aanschouwt. 16 U zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drink u ook, en ontbloot de voorhuid; de beker van de rechterhand van JAHWEH zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn. 17 Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting van de beesten zal ze verschrikken, vanwege het bloed van de mensen, en van het geweld in het land, de stad en aan alle inwoners daarvan. 18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, dat een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft? 19 Wee die, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot de zwijgenden steen. Zou het leren? Zie, het is met goud en zilver overtrokken, en er is geheel geen geest in het midden daarvan. 20 Maar JAHWEH is in Zijn heilige tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, u hele aarde! ### Habakuk 3 1 Een gebed van Habakuk, de profeet, op Sjigjonoth. 2 JAHWEH! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o JAHWEH! behoud dat in het leven in het midden van de jaren, maak het bekend in het midden van de jaren; in de toorn gedenk de ontferming. 3 God kwam van Theman, en de Heilige van de berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof. 4 En er was een glans als van het licht, Hij had hoornen aan Zijn hand, en daar was Zijn sterkte verborgen. 5 Voor Zijn aangezicht ging de pest, en de vurige kool ging voor Zijn voeten heen. 6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de aloude bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen van de eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen van de eeuw zijn van Hem. 7 Ik zag de tenten van Kusan onder de zinloosheid; de gordijnen van het land van Midian schudden. 8 Was JAHWEH ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw toorn tegen de zee, toen U op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil. 9 De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. U hebt de rivieren van de aarde gekloofd. 10 De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte. 11 De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarheen, met glans Uw bliksemende speer. 12 Met toorn tradt U door het land, met toorn dorstet U de heidenen. 13 U toogt uit tot verlossing van Uw volk, tot verlossing met Uw Gezalfde; U doorwondde het hoofd van het huis van de goddelozen, ontblotende de grond tot de hals toe. Sela. 14 U doorboorde met zijn staven het hoofd van zijn dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij de ellendigen in het verborgen zouden opeten. 15 U betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden één hoop. 16 Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zeker, ik zal rusten op de dag van de benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle. 17 Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal, dat het werk van de olijfboom liegen zal, en de velden geen voedsel voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; 18 Zo zal ik toch in JAHWEH van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God van mijn heil. 19 De Adonai JAHWEH is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als van de hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor de opperzangmeester op mijn Neginoth. ## Zefanja ### Zefanja 1 1 Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Zefanja, de zoon van Cuschi, de zoon van Gedalja, de zoon van Amarja, de zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda. 2 Ik zal geheel alles wegrapen uit dit land, spreekt JAHWEH. 3 Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogels van de hemel, en de vissen van de zee, en de struikelblokken met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt JAHWEH. 4 En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, en de naam van de Chemarim met de priesters; 5 En die zich neerbuigen op de daken voor het leger van de hemel, en die zich neerbuigende zweren bij JAHWEH, en zweren bij Malcham; 6 En die terugkeren van achter JAHWEH; en die JAHWEH niet zoeken, en vragen naar Hem niet. 7 Zwijg voor het aangezicht van de Heere JAHWEH; want de dag van JAHWEH is nabij; want JAHWEH heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. 8 En het zal gebeuren in de dag van het slachtoffer van JAHWEH, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen van de koning, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding. 9 Ook zal Ik op diezelfde dag bezoeking doen over al wie over de dorpel springt; die het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog. 10 En er zal op die dag, spreekt JAHWEH, een stem van het gekrijt zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af. 11 Huil, u inwoners van de laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid. 12 En het zal gebeuren te die tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: JAHWEH doet geen goed, en Hij doet geen kwaad. 13 Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen van die wijn niet drinken. 14 De grote dag van JAHWEH is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van de dag van JAHWEH; de held zal daar bitter schreeuwen. 15 Die dag zal een dag van de toorn zijn; een dag van de benauwdheid en van de angst, een dag van de woestheid en verwoesting, een dag van de duisternis en van de donkerheid, een dag van de wolk en van de dikke donkerheid; 16 Een dag van de bazuin en van het geklank tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoeken. 17 En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen JAHWEH gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als mest. 18 Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de toorn van JAHWEH; maar door het vuur van Zijn ijver zal dit hele land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, zeker, een haastige, met al de inwoners van dit land. ### Zefanja 2 1 Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw, u volk, dat met geen lust bevangen wordt! 2 Voordat het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hitte van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt; terwijl de dag van de toorn van JAHWEH over u nog niet komt. 3 Zoek JAHWEH, alle u zachtmoedigen van het land, die Zijn recht werken! Zoek gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult u verborgen worden in de dag van de toorn van JAHWEH. 4 Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in de middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden. 5 Wee de inwoners van de landstreek van de zee, de volken van de Cheretim! Het woord van JAHWEH zal tegen u zijn, u Kanaän, van de Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn. 6 En de landstreek van de zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten van de herder, en betuiningen van de kudden. 7 En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; 's avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als JAHWEH, hun God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben. 8 Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden van de kinderen Ammons, waarmee zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen zijn gebied. 9 Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt JAHWEH van de legermachten, de God van Israël: Moab zal zeker zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen van Mijn volk zullen ze beroven, en het overige van Mijn volk zal ze erfelijk bezitten. 10 Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van JAHWEH van de legermachten. 11 Vreselijk zal JAHWEH tegen hen wezen, want Hij zal al de goden van de aarde doen uitteren; en ieder uit zijn plaats zal Hem aanbidden, al de eilanden van de heidenen. 12 Ook u, Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn. 13 Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn. 14 En in het midden van haar zullen de kudden legeren, al het gedierte van de volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappels overnachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in de dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben. 15 Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen. ### Zefanja 3 1 Wee van de ijselijke, en van de bevlekte, van de verdrukkende stad! 2 Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op JAHWEH; tot haar God nadert zij niet. 3 Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan de morgen. 4 Haar profeten zijn lichtvaardig, geheel trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen van de wet geweld aan. 5 De rechtvaardige JAHWEH is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; elke morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; maar de verkeerde weet van geen schaamte. 6 Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is. 7 Ik zei: Immers zult u Mij vrezen, u zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, werkelijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven. 8 Daarom verwacht Mij, spreekt JAHWEH, op de dag als Ik Mij opmake tot de roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te verzamelen, om over hen Mijn toorn, de hele hitte van Mijn toorn uit te storten, want dit hele land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden. 9 Zeker, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen de Naam van JAHWEH aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparige schouder. 10 Van de zijden van de rivieren van de Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter van mijn verstrooiden, Mijn offergaven brengen. 11 Te die dage zult u niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmee u tegen Mij overtreden hebt; want dan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hoogmoed, en u zult u voortaan niet meer verheffen omwille van Mijn heilige berg. 12 Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam van JAHWEH betrouwen. 13 De overgeblevenen van Israël zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en neerliggen, en niemand zal hen verschrikken. 14 Zing vrolijk, u dochter van Sion, juich, Israël; wees blij, en spring op van vreugde met heel uw hart, u dochter van Jeruzalem! 15 JAHWEH heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning van Israël, JAHWEH, is in het midden van u, u zult geen kwaad meer zien. 16 Te die dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden. 17 JAHWEH, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich. 18 De bedroefden, vanwege de bijeenkomst, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar. 19 Zie, Ik zal te die tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het hele land, waar zij beschaamd zijn geweest. 20 In die tijd zal Ik u herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zeker Ik zal u zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken van de aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt JAHWEH. ## Haggaï ### Haggaï 1 1 In het tweede jaar van de koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand, kwam het woord van JAHWEH, door de dienst van Haggai, de profeet, tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, zeggende: 2 Zo spreekt JAHWEH van de legermachten zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd, dat het huis van JAHWEH gebouwd wordt. 3 En het woord van JAHWEH kwam door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: 4 Is het voor u wel de tijd, dat u woont in uw gewelfde huizen, en zal dit huis woest zijn? 5 Nu dan, zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen. 6 U zaait veel, en u brengt weinig in; u eet, maar niet tot verzadiging; u drinkt, maar niet tot dronken worden toe; u kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorde beurs. 7 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Stel uw hart op uw wegen. 8 Klim op het gebergte, en brengt hout aan, en bouwt dit huis, en Ik zal een welgevallen daaraan hebben, en verheerlijkt worden, zegt JAHWEH. 9 U ziet om naar veel, maar ziet, u bekomt weinig; en als u het in huis gebracht hebt, zo blaas Ik daarin. Waarom dat? spreekt JAHWEH van de legermachten; vanwege Mijn huis, dat woest is, en dat u loopt elk voor zijn eigen huis. 10 Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijn vruchten. 11 Want Ik heb een droogte geroepen over het land, en over de bergen, en over het koren, en over de nieuwe wijn, en over de olie, en over wat de aardbodem zou voortbrengen; ook over de mensen, en over de beesten, en over alle arbeid van de handen. 12 Toen hoorde Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en al het overblijfsel van het volk, naar de stem van JAHWEH, hun God, en naar de woorden van de profeet Haggai, zoals hem JAHWEH, hun God, gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht van JAHWEH. 13 Toen sprak Haggai, de bode van JAHWEH, in de boodschap van JAHWEH, tot het volk, zeggende: Ik ben met u, spreekt JAHWEH. 14 En JAHWEH verwekte de geest van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en de geest van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en de geest van het hele overblijfsel van het volk; en zij kwamen en maakten het werk in het huis van JAHWEH van de legermachten, hun God. ### Haggaï 2 1 Op de vier en twintigste dag van de maand, in de zesde maand, in het tweede jaar van de koning Darius. 2 In de zevende maand, op de één en twintigste van de maand, kwam het woord van JAHWEH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: 3 Spreek nu tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de vorst van Juda, en tot Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester, en tot het overblijfsel van het volk, zeggende: 4 Wie is onder u overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoe ziet u het nu? Is dit niet als niets in uw ogen? 5 Maar nu, wees sterk, u Zerubbabel! spreekt JAHWEH; en wees sterk, u Josua, zoon van Jozadak, hogepriester! en wees sterk, al u volk van het land! spreekt JAHWEH; en werkt, want Ik ben met u, spreekt JAHWEH van de legermachten; 6 Met het woord, in dat Ik met u een verbond gemaakt heb, als u uit Egypte uittrokt, en Mijn Geest, staande in het midden van u; vrees niet! 7 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Nog eens, een korte tijd zal het zijn; en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven. 8 Ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot de Wens van alle heidenen, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt JAHWEH van de legermachten. 9 Van Mij is het zilver, en van Mij is het goud, spreekt JAHWEH van de legermachten. 10 De heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden, dan van het eerste, zegt JAHWEH van de legermachten; en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt JAHWEH van de legermachten. 11 Op de vier en twintigste dag van de negende maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JAHWEH door de dienst van de profeet Haggai, zeggende: 12 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Vraag nu de priesters de wet, zeggende: 13 Zie, iemand draagt heilig vlees in de slip van zijn kleed, en hij raakt met zijn slip aan het brood, of aan het moes, of aan de wijn, of aan de olie, of aan enige voedsel, zal het heilig worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Nee. 14 En Haggai zei: Als iemand, die onrein is van een dood lichaam, iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden. 15 Toen antwoordde Haggai, en zei: Zo is dit volk, en zo is deze natie voor Mijn aangezicht, spreekt JAHWEH, en zo is al het werk van hun handen; en wat zij daar offeren, dat is onrein. 16 En nu, stelt er toch uw hart op, van deze dag af en omhoog, eer er steen op steen gelegd werd aan de tempel van JAHWEH; 17 Eer die dingen gebeurden, kwam iemand tot de korenhoop van twintig maten, zo waren er maar tien; komende tot de wijnbak, om vijftig maten van de pers te scheppen, zo waren er maar twintig. 18 Ik sloeg u met brandkoren, met honigdauw en met hagel, al het werk van uw handen; en u keerde u niet tot Mij, spreekt JAHWEH. 19 Stel er toch uw hart op, van deze dag af en omhoog; van de vier en twintigste dag van de negende maand af, van de dag af, als het fundament aan de tempel van JAHWEH is gelegd geworden, stelt er uw hart op. 20 Is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot de wijnstok, en de vijgeboom, en de granaatappelboom, en de olijfboom, die niet gedragen heeft, die zal Ik van deze dag af zegenen. 21 Het woord van JAHWEH nu kwam voor de tweede keer tot Haggai, op de vier en twintigste van de maand, zeggende: 22 Spreek tot Zerubbabel, de vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen. 23 En Ik zal de troon van de koninkrijken omkeren, en vernietigen de vastheid van de koninkrijken van de heidenen; en Ik zal de wagen omkeren, en die daarop rijden; en de paarden, en die daarop rijden, zullen neerstorten, ieder in het zwaard van de ander. 24 Te die dage, spreekt JAHWEH van de legermachten, zal Ik u nemen, o Zerubbabel, u zoon van Sealthiël, Mijn knecht! spreekt JAHWEH, en Ik zal u stellen, als een zegelring; want u heb Ik gekozen, spreekt de Heere van de legermachten. ## Zacharia ### Zacharia 1 1 In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: 2 JAHWEH is zeer vertoornd geweest tegen uw vaders. 3 Daarom zeg tot hen: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Keer weer tot Mij, spreekt JAHWEH van de legermachten, zo zal Ik weer tot u keren, zegt JAHWEH van de legermachten. 4 Wees niet als uw vaders, tot wie de vorige profeten riepen, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Bekeer u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt JAHWEH. 5 Uw vaders, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven? 6 Toch Mijn woorden en Mijn voorschriften, die Ik Mijn knechten, de profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: Zoals JAHWEH van de legermachten gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, zo heeft Hij met ons gedaan. 7 Op de vier en twintigste dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van JAHWEH tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, zeggende: 8 Ik zag in de nacht, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden. 9 En Ik zei: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zei tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn. 10 Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zei: Deze zijn het, die JAHWEH uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen. 11 En zij antwoordden de Engel van JAHWEH, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het hele land zit en het is stil. 12 Toen antwoordde de Engel van JAHWEH, en zei: JAHWEH van de legermachten! hoe lang zult U Zich niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke U gram geweest bent, deze zeventig jaren? 13 En JAHWEH antwoordde de Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden. 14 En de Engel, Die met mij sprak, zei tot mij: Roep uit, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver. 15 En Ik ben met een zeer grote toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig boos, maar zij hebben ten kwade geholpen. 16 Daarom zegt JAHWEH zo: Ik ben tot Jeruzalem teruggekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt JAHWEH van de legermachten, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. 17 Roep nog, zeggende: Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want JAHWEH zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 18 En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen. 19 En ik zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zei tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben. 20 En JAHWEH toonde mij vier smeden. 21 Toen zei ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen van de heidenen neer te werpen, welke de hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien. ### Zacharia 2 1 Opnieuw hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer. 2 En ik zei: Waar gaat u heen? En hij zei tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal. 3 En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet. 4 En hij zei tot hem: Loop, spreek deze jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van de mensen en van de beesten, die in het midden daarvan wezen zal. 5 En Ik zal haar wezen, spreekt JAHWEH, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. 6 O, o, vlucht toch uit het Noorderland, spreekt JAHWEH; want Ik heb u uitgebreid naar de vier winden van de hemel, spreekt JAHWEH. 7 O, Sion! ontkomt u, die woont bij de dochter van Babel! 8 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die u beroofd hebben; want die u aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. 9 Want ziet, Ik zal Mijn hand over hen bewegen, en zij zullen hun knechten een roof wezen. Zo zult u weten, dat JAHWEH van de legermachten mij gezonden heeft. 10 Juich en verblijd u, u dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt JAHWEH. 11 En vele heidenen zullen op die dag JAHWEH toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en u zult weten, dat JAHWEH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. 12 Dan zal JAHWEH Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. 13 Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht van JAHWEH! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning. ### Zacharia 3 1 Daarna toonde Hij mij Josua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel van JAHWEH; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te weerstaan. 2 Maar JAHWEH zei tot de satan: JAHWEH bestraffe u, u satan! ja, JAHWEH bestraffe u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt? 3 Josua nu was bekleed met vuile kleren, als hij voor het aangezicht van de Engel stond. 4 Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doe deze vuile kleren van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen. 5 Daarom zeg Ik: Laat ze een reine hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd, en zij trokken hem kleren aan; en de Engel van JAHWEH stond daarbij. 6 Toen betuigde de Engel van JAHWEH Josua, zeggende: 7 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Als u in Mijn wegen zult wandelen, en als u Mijn wacht zult waarnemen, zo zult u ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder deze, die hier staan. 8 Hoor nu toe, Josua, u hogepriester! u en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen. 9 Want zie, voor wat betreft die steen, welke Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op die ene steen zullen zeven ogen wezen; zie, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt JAHWEH van de legermachten, en Ik zal de ongerechtigheid van dit land op één dag wegnemen. 10 Te die dage, spreekt JAHWEH van de legermachten, zult u ieder zijn naaste nodigen tot onder de wijnstok en tot onder de vijgeboom. ### Zacharia 4 1 En de Engel, Die met mij sprak, kwam weer; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt. 2 En Hij zei tot mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven het hoofd daarvan, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, die boven zijn hoofd waren; 3 En twee olijfbomen daarnevens, één aan de rechterzijde van het oliekruikje, en één aan de linkerzijde daarvan. 4 En ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen? 5 Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zei tot mij: Weet u niet, wat deze dingen zijn? En ik zei: Nee, mijn Heere! 6 Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord van JAHWEH tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het gebeuren, zegt JAHWEH van de legermachten. 7 Wie bent u, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult u worden tot een vlak veld; want hij zal de hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij hem! 8 Het woord van JAHWEH kwam verder tot mij, zeggende: 9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien; opdat u weet, dat JAHWEH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. 10 Want wie veracht de dag van de kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen van JAHWEH, die het hele land doortrekken. 11 Verder antwoordde ik, en zei tot Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, aan de rechterzijde van de kandelaar, en aan zijn linkerzijde? 12 En andermaal antwoordende, zo zei ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes van de olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten? 13 En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet u niet, wat deze zijn? En ik zei: Nee, mijn Heere! 14 Toen zei Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor de Heere van de hele aarde staan. ### Zacharia 5 1 En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet, een vliegende rol. 2 En Hij zei tot mij: Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een vliegende rol, waarvan de lengte twintig ellen is, en haar breedte tien ellen. 3 Toen zei Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het hele land; want een ieder die steelt, zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden; evenzo een ieder die vals zweert, zal van hier, volgens die vloek, uitgeroeid worden. 4 Ik breng deze vloek voort, spreekt JAHWEH van de legermachten, dat hij kome in het huis van de dief, en in het huis van degene, die bij Mijn Naam vals zweert; en hij zal in het midden van zijn huis overnachten, en hij zal het verteren, met zijn houten en zijn stenen. 5 En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zei tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat er voortkomt. 6 En ik zei: Wat is dat? En Hij zei: Dit is een efa, die voortkomt. Verder zei Hij: Dit is het oog over hen in het hele land. 7 En ziet, een plaat van lood werd opgeheven, en er was een vrouw, zittende in het midden van de efa. 8 En Hij zei: Deze is de goddeloosheid; en Hij wierp ze in het midden van de efa; en Hij wierp het loden gewicht op de mond daarvan. 9 En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in haar vleugels, en zij hadden vleugels, als de vleugels van een ooievaar; en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen de hemel. 10 Toen zei ik tot de Engel, Die met mij sprak: Waarheen brengen zij deze efa? 11 En Hij zei tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Sinear; dat zij daar gevestigd en gesteld wordt op haar grondvesting. ### Zacharia 6 1 En ik hief mijn ogen weer op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper. 2 Aan de eerste wagen waren rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden. 3 En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren. 4 En ik antwoordde, en zei tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere? 5 En de Engel antwoordde, en zei tot mij: Deze zijn de vier winden van de hemel, uitgaande van daar zij stonden voor de Heere van de hele aarde. 6 Aan welke wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, die achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland. 7 En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Ga heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land. 8 En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland. 9 En het woord van JAHWEH kwam tot mij, zeggende: 10 Neem van de als gevangene weggevoerden van Cheldai, van Tobia, en van Jedaja, en kom u op die dag, en ga in in het huis van Josia, de zoon van Zefanja, die uit Babel gekomen zijn; 11 Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Josua, de zoon van Jozadak, de hogepriester. 12 En spreek tot hem, zeggende: Zo spreekt JAHWEH van de legermachten, zeggende: Zie, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen. 13 Ja, Hij zal de tempel van JAHWEH bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en de raad van de vrede zal tussen die Beiden wezen. 14 En die kronen zullen wezen voor Chelem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Chen, de zoon van Zefanja, tot een herinnering in de tempel van JAHWEH. 15 En die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen in de tempel van JAHWEH, en u zult weten, dat JAHWEH van de legermachten mij tot u gezonden heeft. Dit zal gebeuren, als u vlijtig zult horen naar de stem van JAHWEH, van uw God. ### Zacharia 7 1 Het gebeurde nu in het vierde jaar van de koning Darius, dat het woord van JAHWEH kwam tot Zacharia, op de vierde van de negende maand, namelijk in Chisleu. 2 Toen men naar het huis van God gezonden had Sarezer, en Regem-melech, en zijn mannen, om het aangezicht van JAHWEH te smeken; 3 Zeggende tot de priesters, die in het huis van JAHWEH van de legermachten waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik huilen in de vijfde maand, mij afzonderende, zoals ik gedaan heb nu zo vele jaren? 4 Toen kwam het woord van JAHWEH van de legermachten tot mij, zeggende: 5 Spreek tot het hele volk van dit land, en tot de priesters, zeggende: Toen u vastte en rouwklaagde, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt u Mij, Mij enigszins gevast? 6 Of als u at, en als u dronkt, was u het niet, die daar at, en u, die daar dronkt? 7 Zijn het niet de woorden, welke JAHWEH uitriep door de dienst van de vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en haar steden rondom haar; en het zuiden en de laagte bewoond was? 8 Verder kwam het woord van JAHWEH tot Zacharia, zeggende: 9 Zo sprak JAHWEH van de legermachten, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de één aan de ander; 10 En verdrukt de weduwe noch de wees, de vreemdeling noch de ellendige; en denkt niet in uw hart de één van de ander kwaad. 11 Maar zij weigerden op te merken, en trokken hun schouder terug, en zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden. 12 En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die JAHWEH van de legermachten zond in Zijn Geest, door de dienst van de vorige profeten, waaruit ontstaan is een grote toorn van JAHWEH van de legermachten. 13 Daarom is het gebeurd, zoals Hij geroepen had, maar zij niet gehoord hebben, zo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt JAHWEH van de legermachten; 14 Maar Ik heb hen weggestormd onder alle heidenen, welke zij niet kenden; en het land werd achter hen verwoest, zodat er niemand doorging, noch keerde terug; want zij stelden het gewenste land tot een verwoesting. ### Zacharia 8 1 Daarna kwam het woord van JAHWEH van de legermachten tot mij, zeggende: 2 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Ik heb geijverd over Sion met een grote ijver; ja, met grote woede heb Ik over haar geijverd. 3 Zo zegt JAHWEH: Ik ben teruggekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad van de waarheid, en de berg van JAHWEH van de legermachten, een berg van de heiligheid. 4 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid van de dagen. 5 En de straten van die stad zullen vervuld worden met jongetjes en meisjes, spelende op haar straten. 6 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel van dit volk in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt JAHWEH van de legermachten. 7 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zie, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land van de opgang, en uit het land van de ondergang van de zon. 8 En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid. 9 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Laat uw handen sterk zijn, u, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit de mond van de profeten, die geweest zijn op de dag als de grond van het huis van JAHWEH van de legermachten gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden. 10 Want voor die dagen kwam het loon van de mensen te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede vanwege de vijand, want Ik zond alle mensen, ieder tegen zijn naaste. 11 Maar nu zal Ik aan het overblijfsel van dit volk niet wezen, zoals in de vorige dagen, spreekt JAHWEH van de legermachten. 12 Want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel van dit volk dit alles doen erven. 13 En het zal gebeuren, zoals u, o huis van Juda! en u, o huis van Israël! geweest bent een vloek onder de heidenen, zo zal Ik u behoeden, en u zult een zegening wezen; vrees niet, laat uw handen sterk zijn. 14 Want zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zoals Ik gedacht heb u kwaad te doen, toen Mij uw vaders enorm vertoornden, zegt JAHWEH van de legermachten, en het heeft Mij niet berouwd. 15 Zo denk Ik opnieuw in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vrees niet! 16 Dit zijn de dingen, die u doen zult: spreek de waarheid, ieder met zijn naaste; oordeel de waarheid en een oordeel van de vrede in uw poorten. 17 En denkt niet de één van de ander kwaad in uw hart; en hebt een valse eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt JAHWEH. 18 Opnieuw kwam het woord van JAHWEH van de legermachten tot mij, zeggende: 19 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Het vasten van de vierde, en het vasten van de vijfde, en het vasten van de zevende, en het vasten van de tiende maand, zal het huis van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; heb dan de waarheid en de vrede lief. 20 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Nog zal het gebeuren, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen; 21 En de inwoners van de ene stad zullen gaan tot de inwoners van de andere, zeggende: Laat ons vlijtig heengaan, om te smeken het aangezicht van JAHWEH, en om JAHWEH van de legermachten te zoeken; ik zal ook heengaan. 22 Zo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om JAHWEH van de legermachten te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht van JAHWEH te smeken. 23 Zo zegt JAHWEH van de legermachten: Het zal in die dagen gebeuren, dat tien mannen, uit allerlei tongen van de heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodse man, zeggende: Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is. ### Zacharia 9 1 De last van het woord van JAHWEH over het land Chadrach en Damascus, zijn rust; want JAHWEH heeft een oog over de mens, gelijk over al de stammen van Israël. 2 En ook zal Hij Hamath daarmee bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is; 3 En Tyrus zich vestingen gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk van de straten; 4 Zie, JAHWEH zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden. 5 Askelon zal het zien, en zal vrezen; evenzo Gaza, en zal grote smart hebben, en ook Ekron, omdat wat, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden. 6 En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal de hoogmoed van de Filistijnen uitroeien. 7 En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn gruwelijke dingen van tussen zijn tanden; zo zal hij ook onze God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet. 8 En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het leger, vanwege de doorgaande, en vanwege de wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien. 9 Verheug u zeer, u dochter van Sion! juich, u dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong van de ezelinnen. 10 En Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal de heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde. 11 U ook aangaande, o Sion! door het bloed van uw verbond, heb Ik uw gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uitgelaten. 12 Keer u weer tot de vesting, u gebondenen, die daar hoopt! ook vandaag verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven; 13 Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraïm de boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held. 14 En JAHWEH zal over hen verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en Adonai JAHWEH zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden. 15 JAHWEH van de legermachten zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een geluid maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, zoals het bekken, zoals de hoeken van het altaar. 16 En JAHWEH, hun God, zal ze op die dag behouden, als zijnde de kudde van Zijn volk; want gekroonde stenen zullen in Zijn land, als een banier, opgericht worden. 17 Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongemannen, en de nieuwe wijn zal de jonkvrouwen sprekende maken. ### Zacharia 10 1 Begeer van JAHWEH regen, ten tijde van de spade regen; JAHWEH maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld. 2 Want de terafim spreken zinloosheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met zinloosheid; daarom zijn zij heengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder. 3 Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar JAHWEH van de legermachten zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard van Zijn majesteit in de strijd. 4 Daaruit zal de hoeksteen, daaruit zal de nagel, daaruit zal de strijdboog, samen zullen daaruit alle drijvers voortkomen. 5 En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk van de straten treden in de strijd, en zij zullen strijden; want JAHWEH zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. 6 En Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik behouden, en Ik zal hen weer inzetten; want Ik heb Mij over hen ontfermd, en zij zullen wezen, alsof Ik hen niet verstoten had; want Ik ben JAHWEH, hun God, en Ik zal ze verhoren. 7 En zij zullen zijn als een held van Efraïm, en hun hart zal zich verblijden, als van de wijn; en hun kinderen zullen het zien, en zich verblijden, hun hart zal zich verheugen in JAHWEH. 8 Ik zal hen toesissen, en zal ze verzamelen, want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, zoals zij te voren vermenigvuldigd waren. 9 En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen aan Mij gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hun kinderen, en terugkeren. 10 Want Ik zal ze teruggeven uit Egypteland, en Ik zal ze verzamelen uit Assyrië; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen. 11 En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten van de rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur neergeworpen worden, en de scepter van Egypte zal wegwijken. 12 En Ik zal hen sterken in JAHWEH, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt JAHWEH. ### Zacharia 11 1 Doe uw deuren open, o Libanon! opdat het vuur uw cederen vertere. 2 Huil, u dennen! omdat de cederen gevallen zijn, omdat die heerlijke bomen verwoest zijn; huil, u eiken van Basan! omdat het sterke woud neergevallen is. 3 Er is een stem van het gehuil van de herders, omdat hun heerlijkheid verwoest is; een stem van het gebruil van de jonge leeuwen, omdat de hoogmoed van de Jordaan verwoest is. 4 Zo zegt JAHWEH, mijn God: Weid deze slachtschapen. 5 Waarvan de bezitters hen doden, en houden het voor geen schuld; en een ieder van degenen, die ze verkopen, zegt: Geloofd zij JAHWEH, dat ik rijk geworden ben! en niemand van degenen, die ze weiden, ontziet ze. 6 Zeker, Ik zal niet meer de inwoners van dit land sparen, spreekt JAHWEH; maar ziet, Ik zal de mensen overleveren, elk een in de hand van zijn naasten, en in de hand van zijn koning, en zij zullen dit land te morzel slaan, en Ik zal ze uit hun hand niet verlossen. 7 Daarom heb ik deze slachtschapen geweid, omdat zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, de één heb ik genoemd LIEFELIJKHEID, en de andere heb ik genoemd SAMENBINDERS; en ik heb die schapen geweid. 8 En ik heb drie herders in één maand afgesneden; want mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van mij. 9 En ik zei: ik zal u niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de één het vlees van de ander verslinden. 10 En ik nam mijn stok LIEFELIJKHEID, en ik verbrak die, te niet doende mijn verbond, dat ik met al deze volken gemaakt had. 11 Dus werd het op die dag vernietigd, en zo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat dit het woord van JAHWEH was. 12 Want ik had tot hen gezegd: Als het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen. 13 Maar JAHWEH zei tot mij: Werp ze heen voor de pottenbakker: een heerlijke prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis van JAHWEH, voor de pottenbakker. 14 Toen verbrak ik mijn tweede stok, SAMENBINDERS, te niet doende de broerschap tussen Juda en tussen Israël. 15 Verder zei JAHWEH tot mij: Neem u nog het gereedschap van een dwaze herder. 16 Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en hun klauwen zal hij verscheuren. 17 Wee de nietige herder, de verlater van de kudde! Het zwaard zal over zijn arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten enenmale verdorren, en zijn rechteroog zal ten enenmale donker worden. ### Zacharia 12 1 De last van het woord van JAHWEH over Israël. JAHWEH spreekt, Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en de geest van de mens in zijn binnenste vormt. 2 Zie, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal van de bedwelming voor alle volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem. 3 En het zal op die dag gebeuren, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastige steen voor alle volken; allen, die zich daarmee beladen, zullen zeker doorsneden worden; en al de volken van de aarde zullen zich tegen haar verzamelen. 4 Te die dage, spreekt JAHWEH, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden van de volken zal Ik met blindheid slaan. 5 Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in JAHWEH van de legermachten, hun God. 6 Te die dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen aan de rechterzijde en aan de linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem. 7 En JAHWEH zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis van David, en de heerlijkheid van de inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda. 8 Te die dage zal JAHWEH de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal op die dag zijn als David; en het huis van David zal zijn als goden; als de Engel van JAHWEH voor hun aangezicht. 9 En het zal op die dag gebeuren, dat Ik zal zoeken te vernietigen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen. 10 Maar over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest van de genade en van de gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de klaagzang over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitter kermen, gelijk men bitter kermt over een eerstgeborene. 11 Te die dage zal te Jeruzalem de klaagzang groot zijn, zoals die klaagzang van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon. 12 En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis van David bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; 13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; 14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hun vrouwen bijzonder. ### Zacharia 13 1 Te die dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis van David, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinheid. 2 En het zal op die dag gebeuren, spreekt JAHWEH van de legermachten, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen van de afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen. 3 En het zal gebeuren, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: U zult niet leven, omdat u valsheid gesproken hebt in de Naam van JAHWEH; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert. 4 En het zal gebeuren op die dag, dat die profeten beschaamd zullen worden, ieder vanwege zijn visioen, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen. 5 Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan. 6 En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmee ik geslagen ben, in het huis van mijn liefhebbers. 7 Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt JAHWEH van de legermachten; sla die Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden. 8 En het zal gebeuren in het hele land, spreekt JAHWEH, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en de geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven. 9 En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: JAHWEH is mijn God. ### Zacharia 14 1 Zie, de dag komt voor JAHWEH, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! 2 Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft van de stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige van het volk zal uit de stad niet uitgeroeid worden. 3 En JAHWEH zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, zoals op de dag als Hij gestreden heeft, op de dag van de strijd. 4 En Zijn voeten zullen op die dag staan op de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft van de berg zal wijken naar het noorden, en de andere helft daarvan naar het zuiden. 5 Dan zult u vluchten door de vallei van Mijn bergen (want deze vallei van de bergen zal reiken tot Azal), en u zult vluchten, zoals u vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda; dan zal JAHWEH, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o JAHWEH! 6 En het zal op die dag gebeuren, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis. 7 Maar het zal een enige dag zijn, die JAHWEH bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal gebeuren, ten tijde 's avonds, dat het licht zal wezen. 8 Ook zal het op die dag gebeuren, dat er levende wateren uit Jeruzalem stromen zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen in de zomer en in de winter zijn. 9 En JAHWEH zal tot Koning over de hele aarde zijn; op die dag zal JAHWEH één zijn, en Zijn Naam één. 10 Dit hele land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, naar het zuiden van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van de toren van Hananeel, tot aan de wijnbakken van de koning toe. 11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen. 12 En dit zal de plaag zijn, waarmee JAHWEH al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem strijd gevoerd zullen hebben: Hij zal ieders vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en ieders ogen zullen uitteren in hun holen; ieders tong zal in hun mond uitteren. 13 Ook zal het op die dag gebeuren, dat er een groot geluid van JAHWEH onder hen zal wezen, zodat zij ieder de hand van zijn naaste zullen aangrijpen, ieders hand zal tegen de hand van zijn naaste opgaan. 14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen van alle heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en kleren in grote menigte. 15 Zo zal ook de plaag van de paarden, van de muildieren, van de kamelen, en van de ezels, en aller beesten zijn, die in die legers geweest zullen zijn, gelijk hun plaag geweest is. 16 En het zal gebeuren, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden de Koning, JAHWEH van de legermachten, en om te vieren het feest van de loofhutten. 17 En het zal gebeuren, zo wie van de geslachten van de aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om de Koning, JAHWEH van de legermachten, te aanbidden, zo zal er over hen geen regen wezen. 18 En als het geslacht van de Egyptenaren, over wie de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plaag over hen zijn, waarmee JAHWEH die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten. 19 Dit zal de zonde van de Egyptenaren zijn, en ook de zonde van alle heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest van de loofhutten. 20 Te die dage zal op de bellen van de paarden staan: De HEILIGHEID VAN JAHWEH. En de potten in het huis van JAHWEH zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; 21 Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen JAHWEH van de legermachten heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en daarvan nemen, en daarin koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis van JAHWEH van de legermachten, op die dag. ## Maleachi ### Maleachi 1 1 De last van het woord van JAHWEH tot Israël, door de dienst van Maleachi. 2 Ik heb u liefgehad, zegt JAHWEH; maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broer? spreekt JAHWEH; toch heb Ik Jakob liefgehad. 3 En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erfenis voor de draken van de woestijn. 4 Hoewel Edom zei: Wij zijn verarmd, maar wij zullen de woeste plaatsen weer bouwen; zo zegt JAHWEH van de legermachten: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale van de goddeloosheid, en een volk, op dat JAHWEH vergramd is tot in eeuwigheid. 5 En uw ogen zullen het zien, en u zult zeggen: JAHWEH zij groot gemaakt, van de gebieden van Israël af! 6 Een zoon zal de vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik één Heere, waar is Mijn vrees? zegt JAHWEH van de legermachten tot u, o priesters, verachters van Mijn Naam! Maar u zegt: Waarmee verachten wij Uw Naam? 7 U brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmee verontreinigen wij U? Daarmee, dat u zegt: De tafel van JAHWEH is verachtelijk. 8 Want als u wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als u wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Breng dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt JAHWEH van de legermachten. 9 Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij; dat is van uw hand gebeurd, zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt JAHWEH van de legermachten? 10 Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit? En u steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt JAHWEH van de legermachten, en het voedseloffer is Mij van uw hand niet aangenaam. 11 Maar van de opgang van de zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein voedseloffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt JAHWEH van de legermachten. 12 Maar u ontheiligt die, als u zegt: De tafel van JAHWEH is ontreinigd, en haar inkomen, haar voedsel is verachtelijk. 13 Nog zegt u: Zie, wat een vermoeidheid! maar u zou het kunnen wegblazen, zegt JAHWEH van de legermachten; u brengt ook wat geroofd is, en dat kreupel en ziek is; u brengt ook voedseloffer; zou Mij dat aangenaam zijn van uw hand? zegt JAHWEH. 14 Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en de Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt JAHWEH van de legermachten, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen. ### Maleachi 2 1 En nu, u priesters! tot u wordt dit gebod gezonden; 2 Als u het niet zult horen, en als u het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt JAHWEH van de legermachten, zo zal Ik de vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook elk daarvan vervloekt, omdat u het niet ter harte neemt. 3 Zie, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal mest op uw gezichten strooien, de mest van uw feesten, zodat men u daarmee wegnemen zal. 4 Dan zult u weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt JAHWEH van de legermachten. 5 Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vrees; en hij vreesde Mij, en hij werd omwille van Mijn Naam verschrikt. 6 De wet van de waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in oprechtheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid. 7 Want de lippen van de priester zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van JAHWEH van de legermachten. 8 Maar u bent van de weg afgeweken, u hebt er velen doen struikelen in de wet, u hebt het verbond met Levi verdorven, zegt JAHWEH van de legermachten. 9 Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het hele volk, omdat u Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet. 10 Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos de één tegen de ander, ontheiligende het verbond van onze vaders? 11 Juda handelt trouweloos, en er wordt een gruwel gedaan in Israël, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid van JAHWEH, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochter van een vreemde god getrouwd. 12 JAHWEH zal de man, die dat doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, die, die waakt, en die, die antwoordt, en die JAHWEH van de legermachten voedseloffer brengt. 13 Dit tweede doet u ook, dat u het altaar van JAHWEH bedekt met tranen, met gehuil en met zuchting; zodat Hij niet meer het voedseloffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil. 14 U nu zegt: Waarom? Daarom dat JAHWEH een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw van uw jeugd, met die u trouweloos handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw van uw verbond is. 15 Heeft Hij niet maar één gemaakt, hoewel Hij van de geest overig had? En waarom maar die ene? Hij zocht een zaad van God. Daarom, wees op uw hoede met uw geest, en dat niemand trouweloos handele tegen de huisvrouw van zijn jeugd. 16 Want JAHWEH, de God van Israël, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij de wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt JAHWEH van de legermachten; daarom wees op uw hoede met uw geest, dat u niet trouweloos handelt. 17 U vermoeit JAHWEH met uw woorden; nog zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem? Daarmee, dat u zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen van JAHWEH, en Hij heeft lust aan zulke mensen; of, waar is de God van het oordeel? ### Maleachi 3 1 Zie, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en snel zal tot Zijn tempel komen die Heere, Die u zoekt, te weten de Engel van het verbond, aan Die u lust hebt; zie, Hij komt, zegt JAHWEH van de legermachten. 2 Maar wie zal de dag van Zijn toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep van de blekers. 3 En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij JAHWEH voedseloffer toebrengen in gerechtigheid. 4 Dan zal het voedseloffer van Juda en Jeruzalem JAHWEH zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren. 5 En Ik zal tot u tot het oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die vals zweren, en tegen degenen, die het loon van de dagloner met geweld inhouden, die de weduwe, en de wees, en de vreemdeling het recht verdraaien, en Mij niet vrezen, zegt JAHWEH van de legermachten. 6 Want Ik, JAHWEH, word niet veranderd; daarom bent u, o kinderen van Jakob! niet verteerd. 7 Van de dag van uw vaders af, bent u afgeweken van Mijn voorschriften, en hebt ze niet bewaard; keer weer tot Mij, en Ik zal tot u terugkeren, zegt JAHWEH van de legermachten; maar u zegt: Waarin zullen wij terugkeren? 8 Zal een mens God beroven? Maar u berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer. 9 Met een vloek bent u vervloekt, omdat u Mij berooft, zelfs het hele volk. 10 Breng al de tienden in het schathuis, opdat er voedsel zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt JAHWEH van de legermachten, of Ik u dan niet opendoen zal de vensters van de hemel, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen. 11 En Ik zal om uwentwil de opeter bestraffen, dat hij u de vrucht van het land niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt JAHWEH van de legermachten. 12 En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want u zult een lustig land zijn, zegt JAHWEH van de legermachten. 13 Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt JAHWEH; maar u zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken? 14 U zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nut is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht van JAHWEH van de legermachten? 15 En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij JAHWEH, en ontkomen. 16 Dan spreken, die JAHWEH vrezen, een ieder tot zijn naaste: JAHWEH merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die JAHWEH vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken. 17 En zij zullen, zegt JAHWEH van de legermachten, op die dag, die Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen sparen, zoals een man zijn zoon ontziet, die hem dient. 18 Dan zult u opnieuw zien, het onderscheid tussen de rechtvaardige en de goddeloze, tussen die, die God dient, en die, die Hem niet dient. ### Maleachi 4 1 Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt JAHWEH van de legermachten, Die hun noch wortel, noch tak laten zal. 2 U daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon van de gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en u zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. 3 En u zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen van uw voeten, op die dag, die Ik maken zal, zegt JAHWEH van de legermachten. 4 Gedenk de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan geheel Israël, de voorschriften en rechten. 5 Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat die grote en die vreselijke dag van JAHWEH komen zal. 6 En hij zal het hart van de vaders tot de kinderen teruggeven, en het hart van de kinderen tot hun vaders; opdat Ik niet kome, en de aarde met de ban sla. # Nieuwe Testament ## Mattheüs ### Mattheüs 1 1 Het boek van het geslacht van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van David, de zoon van Abraham. 2 Abraham verwekte Izak, en Izak verwekte Jakob, en Jakob verwekte Juda, en zijn broers; 3 En Juda verwekte Fares en Zara bij Thamar; en Fares verwekte Esrom, en Esrom verwekte Aram; 4 En Aram verwekte Aminadab, en Aminadab verwekte Nahasson, en Nahasson verwekte Salmon; 5 En Salmon verwekte Booz bij Rachab, en Booz verwekte Obed bij Ruth, en Obed verwekte Jessai; 6 En Jessai verwekte David, de koning; en David, de koning, verwekte Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest; 7 En Salomon verwekte Roboam, en Roboam verwekte Abia, en Abia verwekte Asa; 8 En Asa verwekte Josafat, en Josafat verwekte Joram, en Joram verwekte Ozias; 9 En Ozias verwekte Joatham, en Joatham verwekte Achaz, en Achaz verwekte Ezekias; 10 En Ezekias verwekte Manasse, en Manasse verwekte Amon, en Amon verwekte Josias; 11 En Josias verwekte Jechonias, en zijn broers, ongeveer de Babylonische overvoering. 12 En na de Babylonische overvoering verwekte Jechonias Salathiël, en Salathiël verwekte Zorobabel; 13 En Zorobabel verwekte Abiud, en Abiud verwekte Eljakim, en Eljakim verwekte Azor; 14 En Azor verwekte Sadok, en Sadok verwekte Achim, en Achim verwekte Elihud; 15 En Elihud verwekte Eleazar, en Eleazar verwekte Matthan, en Matthan verwekte Jakob; 16 En Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie geboren is JEZUS, gezegd Christus. 17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten. 18 De geboorte van Jezus Christus was nu zo; want als Maria, zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, voordat zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit de Heilige Geest. 19 Jozef nu, haar man, zo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openlijk te schande maken, was van wil haar in het geheim te verlaten. 20 En zo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel van de Heere verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, u zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want wat in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest; 21 En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. 22 En dit alles is gebeurd, opdat vervuld zou worden, wat van de Heere gesproken is, door de profeet, zeggende: 23 Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en u zult Zijn naam heten Emmanuël; dat is, overgezet zijnde, God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, deed, zoals de engel van de Heere hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen; 25 En had geen gemeenschap met haar, voordat zij deze haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS. ### Mattheüs 2 1 Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van de koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen. 2 Zeggende: Waar is de geboren Koning van de Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. 3 De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. 4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden van het volk, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want zo is geschreven door de profeet: 6 En u Bethlehem, u land Juda! bent in geen geval de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de wijzen in het geheim geroepen, en vernam ijverig van hen de tijd, wanneer de ster verschenen was; 8 En hen naar Bethlehem zendende, zei: Reist heen, en onderzoekt ijverig naar dat Kind, en als u Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Het aanbidde. 9 En zij, de koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kind was. 10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde. 11 En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kind met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelfde aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre. 12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in de droom, dat zij niet zouden terugkeren tot Herodes, vertrokken zij door een andere weg weer naar hun land. 13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel van de Heere verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kind en Zijn moeder, en vlucht in Egypte, en wees daar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kind zoeken, om Hetzelfde te doden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kind en Zijn moeder tot zich in de nacht, en vertrok naar Egypte; 15 En was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden wat van de Heere gesproken is door de profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. 16 Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer boos, en enige afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al zijn gebied waren, van twee jaar oud en daaronder, naar de tijd, die hij van de wijzen ijverig onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: 18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn! 19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel van de Heere verschijnt Jozef in de droom, in Egypte. 20 Zeggende: Sta op, neem het Kind en Zijn moeder tot u, en trek in het land van Israël; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kind zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kind en Zijn moeder, en is gekomen in het land van Israël. 22 Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in de droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea. 23 En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genoemd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden. ### Mattheüs 3 1 En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea, 2 En zeggende: Bekeer u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. 3 Want deze is het, van die gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden recht! 4 En dezelfde Johannes had zijn kleding van kameelhaar, en een leren gordel om zijn middel; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing. 5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het hele land rondom de Jordaan; 6 En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden. 7 Hij dan, ziende velen van de Farizeën en Sadduceën tot zijn doop komen, sprak tot hen: U adderengebroed! wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? 8 Breng dan vruchten voort, van de bekering waard. 9 En denk niet bij u zelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. 10 En ook is al de bijl aan de wortel van de bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 11 Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waard ben Hem na te dragen; Die zal u met de Heilige Geest en met vuur dopen. 12 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden. 13 Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. 14 Maar Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt U tot mij? 15 Maar Jezus, antwoordende, zei tot hem: Laat nu af; want zo past ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af. 16 En Jezus, gedoopt zijnde, is meteen opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag de Geest van God nederdalen, zoals een duif, en op Hem komen. 17 En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb! ### Mattheüs 4 1 Toen werd Jezus van de Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van de duivel. 2 En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste. 3 En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zei: Als U Gods Zoon bent, zeg, dat deze stenen broden worden. 4 Maar Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond van God uitgaat. 5 Toen nam Hem de duivel mee naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne van de tempel; 6 En zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf naar beneden; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat U niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot. 7 Jezus zei tot hem: Er is opnieuw geschreven: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken. 8 Opnieuw nam Hem de duivel mee op een zeer hoge berg, en toonde Hem al de koninkrijken van de wereld, en hun heerlijkheid; 9 En zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U, nedervallende, mij zult aanbidden. 10 Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult u aanbidden, en Hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem. 12 Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij teruggekeerd naar Galilea; 13 En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaüm, gelegen aan de zee, in het gebied van Zebulon en Nafthali; 14 Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: 15 Het land Zebulon en het land Nafthali aan de weg van de zee over de Jordaan, Galilea van de volken; 16 Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en degenen, die zaten in het land en de schaduwe van de dood, dezelfde is een licht opgegaan. 17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeer u; want het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. 18 En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broers, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer, het net in de zee werpende (want zij waren vissers); 19 En Hij zei tot hen: Volg Mij na, en Ik zal u vissers van de mensen maken. 20 Zij dan, meteen de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd. 21 En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen. 22 Zij dan, meteen verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd. 23 En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. 24 En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van de duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas hen. 25 En vele menigten volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan. ### Mattheüs 5 1 En Jezus, de menigte ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem. 2 En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende: 3 Zalig zijn de armen van geest; want van hun is het Koninkrijk van de hemelen. 4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden. 5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aarde beërven. 6 Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. 7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid bewezen worden. 8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. 9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genoemd worden. 10 Zalig zijn die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid; want van hun is het Koninkrijk van de hemelen. 11 Zalig bent u, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. 12 Verblijd en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want zo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn. 13 U bent het zout van de aarde; als nu het zout smakeloos wordt, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden. 14 U bent het licht van de wereld; een stad boven op een berg liggend, kan niet verborgen zijn. 15 Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn; 16 Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken. 17 Denk niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen. 18 Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn gebeurd. 19 Zo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen zo zal geleerd hebben, die zal de minste genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen; maar zo wie dezelfde zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk van de hemelen. 20 Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan van de Schriftgeleerden en van de Farizeën, dat u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval zult ingaan. 21 U hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht. 22 Maar Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder boos is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door de grote raad; maar wie zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur. 23 Zo u dan uw gave zult op het altaar offeren, en daar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft; 24 Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave. 25 Wees haastig welgezind tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem op de weg bent; opdat de tegenpartij niet misschien u de rechter overlevere, en de rechter u de dienaar overlevere, en u in de gevangenis geworpen wordt. 26 Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar in geen geval uitkomen, voordat u de laatste penning zult betaald hebben. 27 U hebt gehoord, dat van de oude gezegd is: U zult geen overspel doen. 28 Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, daarom te begeren, die heeft al overspel in zijn hart met haar gedaan. 29 Als dan uw rechteroog u doet struikelen, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat één van uw leden verga, en niet uw hele lichaam in de hel geworpen wordt. 30 En als uw rechterhand u doet struikelen, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat één van uw leden verga, en niet uw hele lichaam in de hel geworpen wordt. 31 Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief. 32 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan wegens hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel. 33 Opnieuw hebt u gehoord, dat van de oude gezegd is: U zult de eed niet breken, maar u zult de Heere uw eden houden. 34 Maar Ik zeg u: Zweer geheel niet, noch bij de hemel, omdat hij is de troon van God; 35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank van Zijn voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad van de grote Koning; 36 Noch bij uw hoofd zult u zweren, omdat u niet één haar kunt wit of zwart maken; 37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit de boze. 38 U hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand. 39 Maar Ik zeg u, dat u de boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe; 40 En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook de mantel; 41 En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen. 42 Geef degene, die iets van u bidt, en keert u niet af van degene, die van u lenen wil. 43 U hebt gehoord, dat er gezegd is: U zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult u haten. 44 Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen ze, die u vervloeken; doe wel van hen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; 45 Opdat u mag kinderen zijn van uw Vader, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. 46 Want als u liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt u? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde? 47 En als u uw broeders alleen groet, wat doet u boven anderen? Doen ook niet de tollenaars zo? 48 Wees dan u volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is. ### Mattheüs 6 1 Heb acht, dat u uw liefdegave niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt u geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is. 2 Wanneer u dan een liefdegave doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de huichelaars in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg. 3 Maar als u een liefdegave doet, zo laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet; 4 Opdat uw liefdegave in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden. 5 En wanneer u bidt, zo zult u niet zijn gelijk de huichelaars; want die plegen graag, in de synagogen en op de hoeken van de straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar u, wanneer u bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 7 En als u bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat u nodig hebt, voordat u Hem bidt. 9 U dan bidt zo: Onze Vader, Die in de hemelen bent! Uw Naam worde geheiligd. 10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, gelijk in de hemel zo ook op de aarde. 11 Geef ons vandaag ons dagelijks brood. 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, amen. 14 Want als u de mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven. 15 Maar als u de mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven. 16 En wanneer u vast, toont geen droevig gezicht, zoals de huichelaars; want zij mismaken hun gezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 17 Maar u, als u vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht; 18 Opdat het van de mensen niet gezien wordt, als u vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden. 19 Verzamelt u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; 20 Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; 21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 22 De kaars van het lichaam is het oog; als dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw hele lichaam verlicht wezen; 23 Maar als uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Als dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelf zijn! 24 Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten en de anderen liefhebben, of hij zal de één aanhangen en de anderen verachten; u kunt niet God dienen en de mammon. 25 Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd voor uw leven, wat u eten, en wat u drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmee u zich kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? 26 Aanziet de vogels des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt toch dezelfde; gaat u dezelfde niet zeer veel te boven? 27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? 28 En wat bent u bezorgd voor de kleding? Let op de leliën van het veld, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; 29 En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk één van deze. 30 Als nu God het gras van het veld, dat vandaag is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, u kleingelovigen? 31 Daarom wees niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? 32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat u al deze dingen nodig hebt. 33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 34 Wees dan niet bezorgd tegen de morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. ### Mattheüs 7 1 Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt. 2 Want met welk oordeel u oordeelt, zult u geoordeeld worden; en met welke mate u meet, zal u wedergemeten worden. 3 En wat ziet u de splinter, die in het oog van uw broeder is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet? 4 Of, hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik de splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog? 5 U geveinsde! werp eerst de balk uit uw oog, en dan zult u bekijken, om de splinter uit het oog van uw broeder uit te doen. 6 Geeft het heilige de honden niet, noch werpt uw parels voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelfde met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren. 7 Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden. 9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven? 10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven? 11 Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven van hen, die ze van Hem bidden! 12 Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook zo; want dat is de wet en de profeten. 13 Ga in door de nauwe poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; 14 Want de poort is nauw, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelfde vinden. 15 Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. 16 Aan hun vruchten zult u hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? 17 Zo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten. 18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen. 19 Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 20 Zo zult u dan dezelfde aan hun vruchten kennen. 21 Niet een ieder die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk van de hemelen, maar die daar doet de wil van Mijn Vader, Die in de hemelen is. 22 Velen zullen op die dag tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? 23 En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u, die de ongerechtigheid werkt! 24 Ieder dan, die deze Mijn woorden hoort en die doet, die zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 25 En er is slagregen neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26 En een ieder die deze Mijn woorden hoort en dezelfde niet doet, die zal bij een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 En de slagregen is neergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot. 28 En het is gebeurd, als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de menigten zich ontzetten over Zijn leer; 29 Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden. ### Mattheüs 8 1 Toen Hij nu van de berg afgeklommen was, zijn Hem vele menigten gevolgd. 2 En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! als U wilt, U kunt mij reinigen. 3 En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En meteen werd hij van zijn melaatsheid gereinigd. 4 En Jezus zei tot hem: Zie, dat u dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelf aan de priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem, 6 En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. 7 En Jezus zei tot hem: Ik zal komen en hem genezen. 8 En de hoofdman over honderd, antwoordende, zei: Heere! ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 9 Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij soldaten; en ik zeg tot deze: Ga! en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het. 10 Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zei tot degenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden. 11 Maar Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk van de hemelen; 12 En de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn, en knersing van de tanden. 13 En Jezus zei tot de hoofdman over honderd: Ga heen, en u gebeure, zoals u geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden op dat moment. 14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts. 15 En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende hen. 16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van de duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met de woorde, en Hij genas allen, die er slecht aan toe waren; 17 Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, de profeet, zeggende: Hij heeft onze ziekten op Zich genomen, en onze ziekten gedragen. 18 En Jezus, vele menigten ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen. 19 En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zei tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar U ook heengaat. 20 En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge. 21 En een ander uit Zijn discipelen zei tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave. 22 Maar Jezus zei tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven. 23 En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd. 24 En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, zo dat het schip van de golven bedekt werd; maar Hij sliep. 25 En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan! 26 En Hij zei tot hen: Wat bent u vreesachtig, u kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte. 27 En de mensen verwonderden zich, zeggende: Wat voor Een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn! 28 En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land van de Gergesenen, zijn Hem twee, van de duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, zo dat niemand door die weg kon voorbij gaan. 29 En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, U Zoon van God! wat hebben wij met U te doen? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen voor de tijd? 30 En verre van hen was een kudde met veel zwijnen, weidende. 31 En de demonen baden Hem, zeggende: Als U ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen. 32 En Hij zei tot hen: Ga heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de hele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water. 33 En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat de bezetenen gebeurd was. 34 En ziet, de hele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun gebied wilde vertrekken. ### Mattheüs 9 1 En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende. 2 En Jezus, hun geloof ziende, zei tot de geraakte: Zoon! heb goede moed; uw zonden zijn u vergeven. 3 En ziet, sommigen van de Schriftgeleerden zeiden in zichzelf: Deze lastert God. 4 En Jezus, ziende hun gedachten, zei: Waarom overdenkt u kwaad in uw harten? 5 Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel? 6 Maar opdat u mag weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zei Hij tot de geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. 7 En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis. 8 De menigten nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zulke macht de mensen gegeven had. 9 En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genoemd Mattheüs; en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. 10 En het gebeurde, als Hij in het huis van Mattheüs aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mee aan, met Jezus en Zijn discipelen. 11 En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren? 12 Maar Jezus, dat horende, zei tot hen: Die gezond zijn hebben de dokter niet nodig, maar die ziek zijn. 13 Maar gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offergave; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. 14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeën veel, en Uw discipelen vasten niet? 15 En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten. 16 Ook zet niemand een lap niet gekrompen laken op een oud kleed; want zijn aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur. 17 Noch doet men nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders zo barsten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven, maar men doet nieuwe wijn in nieuwe lederen zakken, en beide samen worden behouden. 18 Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu meteen gestorven, maar kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven. 19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen. 20 (En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte de zoom van Zijn kleed aan; 21 Want zij zei in zichzelf: Als ik alleen Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden. 22 En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zei: Heb goede moed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond vanaf dat moment.) 23 En als Jezus in het huis van de oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende menigte, 24 Zei Hij tot hen: Vertrek; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem. 25 Als nu de menigte uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op. 26 En dit gerucht ging uit door dat hele land. 27 En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: U Zoon van David, ontferm U over ons! 28 En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zei tot hen: Gelooft u, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! 29 Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U gebeure naar uw geloof. 30 En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer streng verboden, zeggende: Zie, dat niemand het wete. 31 Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem bekend gemaakt door dat hele land. 32 Als deze nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van de duivel bezeten was. 33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de menigten verwonderden zich, zeggende: Er is nooit zoiets in Israël gezien! 34 Maar de Farizeën zeiden: Hij werpt de demonen uit door de overste van de demonen. 35 En Jezus omging al de steden en plaatsen, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie van het Koninkrijk, en genezende alle ziekte en alle kwalen onder het volk. 36 En Hij, de menigten ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. 37 Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinig; 38 Bid dan de Heere van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. ### Mattheüs 10 1 En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om hen uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwalen te genezen. 2 De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer; 3 Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, toegenaamd Thaddeüs; 4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: U zult niet heengaan op de weg van de heidenen, en u zult niet ingaan in enige stad van de Samaritanen. 6 Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis van Israël. 7 En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. 8 Genees de zieken; reinig de melaatsen; wekt de doden op; werp de demonen uit. U hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet. 9 Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels; 10 Noch reiszak tot de weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waard. 11 En in wat stad of plaats u zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waard is; en blijft daar, totdat u daar uitgaat. 12 En als u in het huis gaat, zo groet hetzelfde. 13 En als dat huis waard is, zo kome uw vrede over hetzelfde, maar als het niet waard is, zo kere uw vrede weer tot u. 14 En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of daaruit stad, schudt het stof van uw voeten af. 15 Voorwaar zeg Ik u: Het zal de lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan die stad. 16 Zie, Ik zend u als schapen in het midden van de wolven; wees dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven. 17 Maar wees op uw hoede voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen. 18 En u zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en de heidenen tot getuigenis. 19 Maar wanneer zij u overleveren, zo zult u niet bezorgd zijn, hoe of wat u spreken zult; want het zal u op dat moment gegeven worden, wat u spreken zult. 20 Want u bent het niet, die spreekt, maar het is de Geest van uw Vader, Die in u spreekt. 21 En de ene broer zal de andere broer overleveren tot de dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden. 22 En u zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. 23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vlucht in de andere; want werkelijk zeg ik u: U zult uw reis door de steden van Israël niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn. 24 De discipel is niet boven de meester, noch de dienaar boven zijn heer. 25 Het zij de discipel genoeg, dat hij wordt zoals zijn meester, en de dienaar zoals zijn heer. Als zij de Heere van het huis Beëlzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten! 26 Vrees dan hen niet; want er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. 27 Wat Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en wat u hoort in het oor, predikt dat op de daken. 28 En vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. 29 Worden niet twee musjes om een penninkje verkocht? En niet één van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader. 30 En ook uw haar van het hoofd zijn alle geteld. 31 Vrees dan niet; u gaat vele musjes te boven. 32 Ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. 33 Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is. 34 Denk niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 35 Want Ik ben gekomen, om de mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. 36 En zij zullen van de mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn. 37 Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard. 38 En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mij niet waard. 39 Die zijn ziel vindt, zal dezelfde verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelfde vinden. 40 Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. 41 Die een profeet ontvangt in de naam van de profeten, zal het loon van de profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in de naam van de rechtvaardigen, zal het loon van de rechtvaardigen ontvangen. 42 En zo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water, in de naam van een discipel, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. ### Mattheüs 11 1 En het is gebeurd, toen Jezus geëindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hun steden. 2 En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen; 3 En zei tot hem: Bent U Degene, Die komen zou, of verwachten wij een andere? 4 En Jezus antwoordde en zei tot hen: Ga heen en boodschapt Johannes weer, wat u hoort en ziet: 5 De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. 6 En zalig is hij, die aan Mij niet zal struikelen. 7 Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de menigten begonnen te zeggen van Johannes: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt? 8 Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een mens, met zachte kleren bekleed? Zie, die zachte kleren dragen, zijn in de huizen van de koningen. 9 Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. 10 Want deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen. 11 Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; maar die de minste is in het Koninkrijk van de hemelen, is meerder dan hij. 12 En van de dagen van Johannes de Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk van de hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelfde met geweld. 13 Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd. 14 En zo u het wilt aannemen, hij is Elia, die komen zou. 15 Wie oren heeft om te horen, die hore. 16 Maar waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderen, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen. 17 En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en u hebt niet geweend. 18 Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft de duivel. 19 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Zie daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen. 20 Toen begon Hij de steden, in die Zijn krachten meest gebeurd waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden. 21 Wee u, Chorazin! wee u Bethsaïda! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren gebeurd, die in u gebeurd zijn, zij zouden zich vroeger in zak en as bekeerd hebben. 22 Maar Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in de dag van het oordeel, dan u. 23 En u, Kapernaüm! die tot de hemel toe bent verhoogd, u zult tot de hel toe neergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren gebeurd, die in u gebeurd zijn, zij zouden tot op de huidige dag gebleven zijn. 24 Maar Ik zeg u, dat het de lande van Sodom verdragelijker zal zijn in de dag van het oordeel, dan u. 25 In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde! dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard. 26 Ja, Vader! Want zo is geweest het welbehagen voor U. 27 Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren. 28 Kom herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven. 29 Neem Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. 30 Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht. ### Mattheüs 12 1 In die tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten. 2 En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat. 3 Maar Hij zei tot hen: Hebt u niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? 4 Hoe hij gegaan is in het huis van God, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar de priesters alleen. 5 Of hebt u niet gelezen in de wet, dat de priesters de sabbat ontheiligen in de tempel, op de sabbatdagen, en toch onschuldig zijn? 6 En Ik zeg u, dat Eén, meerder dan de tempel, hier is. 7 Maar zo u geweten had, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offergave, u zou de onschuldigen niet veroordeeld hebben. 8 Want de Zoon des mensen is een Heere ook van de sabbat. 9 En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge. 10 En ziet, er was een mens, die een verschrompelde hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen). 11 En Hij zei tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo dat op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelfde niet zal aangrijpen en uitheffen? 12 Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen. 13 Toen zei Hij tot die mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond zoals de andere. 14 En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten. 15 Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele menigten volgden Hem, en Hij genas ze allen. 16 En Hij gebood hun scherp, dat zij Hem niet openbaar maken zouden; 17 Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door Jesaja, de profeet, zeggende: 18 Zie, Mijn Knecht, die Ik gekozen heb, Mijn Geliefde, in Welke Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel de heidenen verkondigen. 19 Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen. 20 Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning. 21 En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen. 22 Toen werd tot Hem gebracht één van de duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, zo dat de blinde en stomme zowel sprak als zag. 23 En al de menigten ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? 24 Maar de Farizeën, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de demonen niet uit, dan door Beëlzebul, de overste van de demonen. 25 Maar Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. 26 En als de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En als Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. 28 Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. 29 Of hoe kan iemand in het huis van een sterke inkomen, en zijn huisraad ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden hebbe? en dan zal hij zijn huis beroven. 30 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet verzamelt, die verstrooit. 31 Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. 32 En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende. 33 Of maakt de boom goed en zijn vrucht goed; of maakt de boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend. 34 U adderengebroed! hoe kunt u goede dingen spreken, daar u boos bent? want uit de overvloed van het hart spreekt de mond. 35 De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart, en de slechte mens brengt boze dingen voort uit de boze schat. 36 Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, dat de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelfde zullen rekenschap geven in de dag van het oordeel. 37 Want uit uw woorden zult u gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult u veroordeeld worden. 38 Toen antwoordden sommigen van de Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien. 39 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. 40 Want zoals Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart van de aarde. 41 De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! 42 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelfde veroordelen; want zij is gekomen van het einde van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier! 43 En wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. 44 Dan zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, vanwaar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het leeg, met bezemen gekeerd en versierd. 45 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste daarvan mens wordt erger dan het eerste. Zo zal het ook met dit boos geslacht zijn. 46 En als Hij nog tot de menigten sprak, ziet, Zijn moeder en broers stonden buiten, zoekende Hem te spreken. 47 En iemand zei tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, zoekende U te spreken. 48 Maar Hij, antwoordende, zei tot degene die Hem dat zei: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders? 49 En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders. 50 Want zo wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, dezelfde is Mijn broeder, en zuster, en moeder. ### Mattheüs 13 1 En op die dag Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee. 2 En tot Hem verzamelden vele menigten, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de menigte stond op de oever. 3 En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogels kwamen en aten het op. 5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had. 6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord. 7 En een ander deel viel in de doornen; en de doornen groeiden op, en verstikten hetzelfde. 8 En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het één honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. 9 Wie oren heeft om te horen, die hore. 10 En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen? 11 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Omdat het u gegeven is, de geheimen van het Koninkrijk van de hemelen te weten, maar die is het niet gegeven. 12 Want wie heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. 13 Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan. 14 En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. 15 Want het hart van dit volk is dik geworden, en zij hebben met de oren moeizaam gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze. 16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. 17 Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die u ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die u hoort, en hebben ze niet gehoord. 18 U dan, hoort de gelijkenis van de zaaier. 19 Als iemand dat Woord van het Koninkrijk hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, wat in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij de weg bezaaid is. 20 Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat meteen met vreugde ontvangt; 21 Maar hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, omwille van het Woord, zo wordt hij meteen ten val komt. 22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar. 23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoud. 24 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker. 25 En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg. 26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. 27 En de dienaren van de heer van het huis gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid? 28 En hij zei tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienaren zeiden tot hem: Wilt u dan, dat wij heengaan en het verzamelen? 29 Maar hij zei: Nee, opdat u, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelfde de tarwe niet uittrekt. 30 Laat ze beiden samen opgroeien tot de oogst, en in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst dat onkruid, en bindt het in bossen, om hetzelfde te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur. 31 Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, dat een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid; 32 Dat wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgegroeid is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, zo dat de vogels des hemels komen en nestelen in zijn takken. 33 Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een zuurdesem, die een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 34 Al deze dingen heeft Jezus tot de menigten gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet. 35 Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door de profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging van de wereld. 36 Toen nu Jezus de menigten van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid van de akker. 37 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; 38 En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk; en het onkruid zijn de kinderen van de bozen; 39 En de vijand, die hetzelfde gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding van de wereld; en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals dan het onkruid verzameld, en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn in de voleinding van deze wereld. 41 De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen al de struikelblokken, en degenen, die de ongerechtigheid doen; 42 En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken, zoals de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Die oren heeft om te horen, die hore. 44 Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap daarover, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker. 45 Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een koopman, die schone parels zoekt; 46 Die, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelfde. 47 Opnieuw is het Koninkrijk van de hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; 48 Dat, wanneer het vol geworden is, de vissers aan de oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun manden, maar het kwade werpen zij weg. 49 Zo zal het in de voleinding van de eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden; 50 En zullen dezelfde in de vurige oven werpen; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. 51 En Jezus zei tot hen: Hebt u dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! 52 En Hij zei tot hen: Daarom, ieder Schriftgeleerde, in het Koninkrijk van de hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer van het huis, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt. 53 En het is gebeurd, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar. 54 En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Vanwaar komt Deze die wijsheid en die krachten? 55 Is Deze niet de Zoon van de timmerman? en is Zijn moeder niet genoemd Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas? 56 En Zijn zussen, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar komt dan Deze dit alles? 57 En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis. 58 En Hij heeft daar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof. ### Mattheüs 14 1 In die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus; 2 En zei tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem. 3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in de kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broer. 4 Want Johannes zei tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben. 5 En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet. 6 Maar als de dag van de geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes. 7 Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook zou eisen. 8 En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zei: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes de Doper. 9 En de koning werd bedroefd; maar om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden; 10 En zond heen, en onthoofdde Johannes in de kerker. 11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder. 12 En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelfde; en gingen en boodschapten het Jezus. 13 En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de menigten, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden. 14 En Jezus uitgaande, zag een grote menigte, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun zieken. 15 En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de menigten van U, opdat zij heengaan in de plaatsen en zichzelf voedsel kopen. 16 Maar Jezus zei tot hen: Het is hun niet nodig heen te gaan, geeft u hun te eten. 17 Maar zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen. 18 En Hij zei: Breng Mij dezelfde hier. 19 En Hij beval de menigten neer te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en omhoog ziende naar de hemel, zegende dezelfde; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden de discipelen, en de discipelen aan de menigten. 20 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de stukken brood, twaalf volle manden. 21 Die nu gegeten hadden, waren ongeveer vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 22 En meteen dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de menigten van Zich zou laten. 23 En als Hij nu de menigten van Zich gelaten had, klom Hij op de berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen. 24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de golven; want de wind was hun tegen. 25 Maar ter vierde wake in de nacht kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee. 26 En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees. 27 Maar meteen sprak hen Jezus aan, zeggende: Heb goede moed, Ik ben het, vreest niet. 28 En Petrus antwoordde Hem, en zei: Heere! als U het bent, zo gebied mij tot U te komen op het water. 29 En Hij zei: Kom. En Petrus klom neer van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen. 30 Maar ziende de sterke wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neer te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij! 31 En Jezus, meteen de hand uitstekende, greep hem aan, en zei tot hem: U kleingelovige! waarom hebt u gewankeld? 32 En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind. 33 Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Werkelijk, U bent Gods Zoon! 34 En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret. 35 En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat hele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren; 36 En baden Hem, dat zij alleen de zoom van Zijn kleed zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond. ### Mattheüs 15 1 Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeën, die van Jeruzalem waren, zeggende: 2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting van de ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten. 3 Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God, door uw inzetting? 4 Want God heeft geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. 5 Maar u zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder in geen geval zal eren, die voldoet. 6 En u hebt zo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. 7 U huichelaars! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: 8 Dit volk nadert Mij met hun mond, en eer Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; 9 Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende onderwijzingen, die geboden van mensen zijn. 10 En als Hij de menigte tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoor en verstaat. 11 Wat in de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar wat in de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens. 12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet U wel, dat de Farizeën deze rede horende, aanstoot hebben genomen? 13 Maar Hij, antwoordende zei: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden van de blinden. Als nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen. 15 En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis. 16 Maar Jezus zei: Bent ook u alsnog onwetend? 17 Verstaat u nog niet, dat al wat in de mond ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen? 18 Maar die dingen, die in de mond uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelfde ontreinigen de mens. 19 Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. 20 Deze dingen zijn het, die de mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt de mens niet. 21 En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon. 22 En ziet, een Kananese vrouw, uit die gebied komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! U Zoon van David, ontferm U mijn! mijn dochter is ernstig van de duivel bezeten. 23 Maar Hij antwoordde haar niet één woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na. 24 Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. 25 En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! 26 Maar Hij antwoordde en zei: Het is niet passend het brood van de kinderen te nemen, en de hondjes voor te werpen. 27 En zij zei: Ja, Heere! maar de hondjes eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. 28 Toen antwoordde Jezus, en zei tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u gebeure, zoals u wilt. En haar dochter werd gezond vanaf dat moment. 29 En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op de berg, en zat daar neer. 30 En vele menigten zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelfde. 31 Zo dat de menigten zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten de God van Israël. 32 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchter van Mij laten, opdat zij op de weg niet bezwijken. 33 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Vanwaar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote menigte zouden verzadigen? 34 En Jezus zei tot hen: Hoevele broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en weinig visjes. 35 En Hij gebood de menigten neer te zitten op de aarde. 36 En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de menigte. 37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot van de stukken brood, zeven volle manden. 38 En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen. 39 En de menigten van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in het gebied van Magdala. ### Mattheüs 16 1 En de Farizeën en Sadduceën tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. 2 Maar Hij antwoordde, en zei tot hen: Als het avond geworden is, zegt u: Schoon weer; want de hemel is rood; 3 En van de morgen: Vandaag onweer; want de hemel is droevig rood. U huichelaars! het aangezicht van de hemel weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden? 4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. En hen verlatende, ging Hij weg. 5 En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mee te nemen. 6 En Jezus zei tot hen: Zie toe, en wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. 7 En zij overlegden bij zichzelf, zeggende: Het is omdat wij geen broden mee genomen hebben. 8 En Jezus, dat wetende, zei tot hen: Wat overlegt u bij uzelf, u kleingelovigen! dat u geen broden mee genomen hebt? 9 Verstaat u nog niet? en gedenkt u niet aan de vijf broden van de vijf duizend mannen; en hoevele manden u opnam? 10 Noch aan de zeven broden van de vier duizend mannen, en hoevele manden u opnam? 11 Hoe verstaat u niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zei, dat u zich wachten zou van het zuurdesem van de Farizeën en Sadduceën. 12 Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van het zuurdesem van het brood, maar van de leer van de Farizeën en Sadduceën? 13 Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? 14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of één van de profeten. 15 Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u, dat Ik ben? 16 En Simon Petrus, antwoordende, zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God. 17 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Zalig bent u, Simon, Bar-jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is. 18 En Ik zeg u ook, dat u bent Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen dezelfde niet overweldigen. 19 En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk van de hemelen; en zo wat u zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat u ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn. 20 Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus. 21 Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesteren, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden. 22 En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U in geen geval gebeuren. 23 Maar Hij, Zich omkerende, zei tot Petrus: Ga weg achter Mij, satan! u bent Mij een aanstoot, want u verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die van de mensen zijn. 24 Toen zei Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij. 25 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelfde verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelfde vinden. 26 Want wat baat het een mens, zo hij de hele wereld gewint, en lijdt schade van zijn ziel? Of wat zal een mens geven, tot losprijs van zijn ziel? 27 Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen, en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn doen. 28 Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, die de dood niet smaken zullen, voordat zij de Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk. ### Mattheüs 17 1 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broer, en bracht hen op een hoge berg alleen. 2 En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn kleren werden wit gelijk het licht. 3 En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elia, met Hem samensprekende. 4 En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo U wilt, laat ons hier drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en één voor Elia. 5 Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Die Ik Mijn welbehagen heb; hoor Hem! 6 En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd. 7 En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zei: Sta op en vreest niet. 8 En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen. 9 En als zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zeg niemand dit visioen, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden. 10 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elia eerst moet komen? 11 Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weer oprichten. 12 Maar Ik zeg u, dat Elia nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; maar zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; zo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden. 13 Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had. 14 En als zij bij de menigte gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieën, en zeggende: 15 Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water. 16 En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. 17 En Jezus, antwoordende, zei: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van dat uur af. 19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 20 En Jezus zei tot hen: Vanwege uw ongeloof; want voorwaar zeg Ik u: Zo u een geloof had als een mosterdzaad, u zou tot deze berg zeggen: Ga heen van hier daarheen, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn. 21 Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten. 22 En als zij in Galilea verbleven, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen; 23 En zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd. 24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet? 25 Hij zei: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat denkt u, Simon! de koningen van de aarde, van wie nemen zij tollen of belasting, van hun zonen, of van de vreemden? 26 Petrus zei tot Hem: Van de vreemden. Jezus zei tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij. 27 Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp de vishaak uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult u een stater vinden; neem die, en geef hem aan hen voor Mij en u. ### Mattheüs 18 1 Op dat moment kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk van de hemelen? 2 En Jezus een kind tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; 3 En zei: Voorwaar zeg Ik u: Als u zich niet verandert, en wordt zoals de kinderen, zo zult u in het Koninkrijk van de hemelen in geen geval ingaan. 4 Zo wie dan zichzelf zal vernederen, zoals dit kind, deze is de meeste in het Koninkrijk van de hemelen. 5 En zo wie zulk een kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. 6 Maar zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ten val brengt, het was hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken was in de diepte van de zee. 7 Wee de wereld vanwege de struikelblokken, want het is noodzakelijk, dat de struikelblokken komen; maar wee die mens, door welke het struikelblok komt! 8 Als dan uw hand of uw voet u doet struikelen, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden. 9 En als uw oog u doet struikelen, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar één oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden. 10 Zie toe, dat u niet één van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is. 11 Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was. 12 Wat denkt u, als enig mens honderd schapen had, en een daaruit afgedwaald was, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken? 13 En als het gebeurt, dat hij hetzelfde vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelfde, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest. 14 Zo is de wil niet van uw Vader, Die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga. 15 Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; als hij u hoort, zo hebt u uw broeder gewonnen. 16 Maar als hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En als hij dezelfde geen gehoor geeft; zo zeg het van de gemeente; en als hij ook van de gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 18 Voorwaar zeg Ik u: Al wat u op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat u op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen. 19 Opnieuw zeg Ik u: Als er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal gebeuren van Mijn Vader, Die in de hemelen is. 20 Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. 21 Toen kwam Petrus tot Hem, en zei: Heere! hoe dikwijls zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal? 22 Jezus zei tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal. 23 Daarom wordt het Koninkrijk van de hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienaren houden wilde. 24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht één, die hem schuldig was tien duizend talenten. 25 En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden. 26 De dienaar dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heere! wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen. 27 En de heer van deze dienaar, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden. 28 Maar dezelfde dienaar, uitgaande, heeft gevonden één van zijn mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat u schuldig bent. 29 Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees geduldig over mij, en ik zal u alles betalen. 30 Maar hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben. 31 Als nu zijn mededienstknechten zagen, wat gebeurd was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hun heer al wat er gebeurd was. 32 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zei tot hem: U slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u mij gebeden hebt; 33 Behoorde u ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, zoals ik ook mij over u ontfermd heb? 34 En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem de pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was. 35 Zo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, als u niet van harte vergeeft ieder zijn broeder zijn misdaden. ### Mattheüs 19 1 En het gebeurde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij vertrok van Galilea, en kwam over de Jordaan, in het gebied van Judea. 2 En vele menigten volgden Hem, en Hij genas ze daar. 3 En de Farizeën kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak? 4 Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt u niet gelezen, Die van de beginne de mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? 5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn; 6 Zo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. Wat dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. 7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? 8 Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het zo niet geweest. 9 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel. 10 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Als de zaak van de mensen met de vrouw zo staat, zo is het niet raadzaam te trouwen. 11 Maar Hij zei tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar die het gegeven is. 12 Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf zo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, om het Koninkrijk van de hemelen. Die dit vatten kan, vatte het. 13 Toen werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelfde. 14 Maar Jezus zei: Laat af van de kinderen, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want voor zulke mensen is het Koninkrijk van de hemelen. 15 En als Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar. 16 En ziet, er kwam een tot Hem, en zei tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe? 17 En Hij zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Één, namelijk God. Maar wilt u in het leven ingaan, onderhoud de geboden. 18 Hij zei tot Hem: Welke? En Jezus zei: Deze: U zult niet doden; u zult geen overspel doen; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; 19 Eer uw vader en moeder; en: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 20 De jongeling zei tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af; wat ontbreekt mij nog? 21 Jezus zei tot hem: Zo u wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus zei tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke moeilijk in het Koninkrijk van de hemelen zal ingaan. 24 En opnieuw zeg Ik u: Het is gemakkelijker, dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk van God. 25 Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden? 26 En Jezus, hen aanziende, zei tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk. 27 Toen antwoordde Petrus, en zei tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden? 28 En Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op de troon van Zijn heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten van Israël. 29 En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broers, of zussen, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, omwille van Mijn Naam, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. 30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten. ### Mattheüs 20 1 Want het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een heer van het huis, die met de morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard. 2 En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning overdag, zond hij hen heen in zijn wijngaard. 3 En uitgegaan zijnde ongeveer het derde uur, zag hij anderen, werkloos staande op de markt. 4 En hij zei daartoe: Ga ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen. 5 Opnieuw uitgegaan zijnde ongeveer het zesde en het negende uur, deed hij evenzo. 6 En uitgegaan zijnde ongeveer het elfde uur, vond hij anderen werkloos staande, en zei tot hen: Wat staat u hier de hele dag werkloos? 7 Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zei tot hen: Ga ook u heen in de wijngaard, en zo wat recht is, zult u ontvangen. 8 Als het nu avond geworden was, zei de heer van de wijngaard, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten. 9 En als zij kwamen, die op het elfde uur gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning. 10 En de eerste komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelf ontvingen ook elk een penning. 11 En die ontvangen hebbende, morden zij tegen de heer van het huis, 12 Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u hebt ze ons gelijk gemaakt, die de last overdag en de hitte gedragen hebben. 13 Maar hij, antwoordende, zei tot één van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; bent u niet met mij eens geworden voor een penning? 14 Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, zoals u. 15 Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? 16 Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 17 En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zei tot hen: 18 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen; 19 En zij zullen Hem de heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. 20 Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem. 21 En Hij zei tot haar: Wat wilt u? Zij zei tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de één tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk. 22 Maar Jezus antwoordde en zei: U weet niet wat u begeert; kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. 23 En Hij zei tot hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop, waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand, staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden die het bereid is van Mijn Vader. 24 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broers. 25 En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zei Hij: U weet, dat de oversten van de volken heerschappij voeren over hen, en de grote gebruiken macht over hen. 26 Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; 27 En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienaar. 28 Zoals de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen. 29 En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote menigte gevolgd. 30 En ziet, twee blinden, zittende aan de weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, U Zoon van David! ontferm U over ons. 31 En de menigte bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U over ons, Heere, U Zoon van David! 32 En Jezus, stil staande, riep hen en zei: Wat wilt u, dat Ik u doe? 33 Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden. 34 En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem. ### Mattheüs 21 1 En als zij nu Jeruzalem naderden, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: 2 Ga heen in de plaats, die tegen u over ligt, en u zult meteen een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbind ze, en brengt ze tot Mij. 3 En als u iemand iets zegt, zo zult u zeggen, dat de Heere deze nodig heeft, en hij zal ze meteen zenden. 4 Dit alles nu is gebeurd, opdat vervuld wordt, wat gesproken is door de profeet, zeggende: 5 Zeg van de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, het veulen van een lastdier. 6 En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, zoals Jezus hun bevolen had, 7 Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun kleren daarop, en zetten Hem daarop. 8 En de meeste menigte spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op de weg. 9 En de menigten, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna de Zoon van David! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen! 10 En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de hele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze? 11 En de menigten zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea. 12 En Jezus ging in de tempel van God, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in de tempel, en keerde om de tafelen van de bankiers, en de zitstoelen van degenen, die de duiven verkochten. 13 En Hij zei tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genoemd worden; maar u hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt. 14 En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in de tempel, en Hij genas dezelfde. 15 Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderen, die Hij deed, en de kinderen, roepende in de tempel, en zeggende: Hosanna de Zoon van David! namen zij dat zeer kwalijk; 16 En zeiden tot Hem: Hoort U wel, wat deze zeggen? En Jezus zei tot hen: Ja; hebt u nooit gelezen: Uit de mond van de jonge kinderen en van de zuigelingen hebt U Zich lof toebereid? 17 En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanië, en overnachtte daar. 18 En vroeg in de morgen, als Hij keerde terug naar de stad, hongerde Hem. 19 En ziende, een vijgeboom aan de weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets daaraan, dan alleen bladeren; en zei tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in de eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde meteen. 20 En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo meteen verdord? 21 Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Als u geloof had, en niet twijfelde, u zou niet alleen doen, wat de vijgeboom is gebeurd; maar als u ook tot deze berg zei: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou gebeuren. 22 En al wat u zult begeren in het gebed, gelovende, zult u ontvangen. 23 En als Hij in de tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen van het volk, zeggende: Door wat macht doet U deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven? 24 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, dat als u Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe. 25 De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelf en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? 26 En als wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de menigte; want zij houden allen Johannes voor een profeet. 27 En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe. 28 Maar wat denkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot de eerste, zei: Zoon! ga heen, werk vandaag in mijn wijngaard. 29 Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. 30 En gaande tot de tweede, zei evenzo, en deze antwoordde en zei: Ik ga, heer! en hij ging niet. 31 Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God. 32 Want Johannes is tot u gekomen in de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; maar u, dat ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven. 33 Hoor een andere gelijkenis. Er was een heer van het huis, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde die de landbouwers, en reisde buiten 's lands. 34 Toen nu de tijd van de vruchten naderde, zond hij zijn dienaren tot de landbouwers, om zijn vruchten te ontvangen. 35 En de landbouwers, nemende zijn dienaren, hebben de één geslagen, en de anderen gedood, en de derden gestenigd. 36 Opnieuw zond hij andere dienaren, meer in getal dan de eerste, en zij deden hun evenzo. 37 En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien. 38 Maar de landbouwers, de zoon ziende, zeiden onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden. 39 En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem. 40 Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij die landbouwers doen? 41 Zij zeiden tot hem: Hij zal de kwaden een kwaden dood aandoen, en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven. 42 Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; van de Heere is dit gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen? 43 Daarom zeg Ik u, dat het Koninkrijk van God van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt. 44 En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. 45 En als de overpriesters en Farizeën deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. 46 En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de menigten, omdat deze Hem hielden voor een profeet. ### Mattheüs 22 1 En Jezus, antwoordende, sprak tot hen opnieuw door gelijkenissen, zeggende: 2 Het Koninkrijk van de hemelen is gelijk aan een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had; 3 En zond zijn dienaren uit, om de genodigden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen. 4 Opnieuw zond hij andere dienaren uit, zeggende: Zeg de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; kom tot de bruiloft. 5 Maar zij, dat niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap. 6 En de anderen grepen zijn dienaren, deden hun smaad aan, en doodden hen. 7 Als nu de koning dat hoorde, werd hij boos, en zijn legers zendende, heeft die moordenaars vernield, en hun stad in brand gestoken. 8 Toen zei hij tot zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard. 9 Daarom gaat op de uitgangen van de wegen, en zovelen als u er zult vinden, roept ze tot de bruiloft. 10 En dezelfde dienaren, uitgaande op de wegen, verzamelden allen, die zij vonden, zowel kwaden als goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. 11 En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij daar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed; 12 En zei tot hem: Vriend! hoe bent u hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde. 13 Toen zei de koning tot de dienaren: Bind zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden. 14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. 15 Toen gingen de Farizeën heen, en hielden samen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede. 16 En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en de weg van God in van de waarheid leert, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan; 17 Zeg ons dan: wat denkt U? Is het geoorloofd, de keizer belasting te geven of niet? 18 Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zei: 19 U huichelaars, wat verzoekt u Mij? Toon Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning. 20 En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en het opschrift? 21 Zij zeiden tot Hem: van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat van God is. 22 En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan. 23 Op dezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem. 24 Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Als iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broer zijn vrouw trouwen, en zijn broer zaad verwekken. 25 Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en omdat hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broer. 26 Evenzo ook de tweede, en de derde, tot de zevende toe. 27 Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven. 28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad? 29 Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht van God. 30 Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen van God in de hemel. 31 En wat betreft de opstanding van de doden, hebt u niet gelezen, wat van God tot u gesproken is, Die daar zegt: 32 Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob! God is niet een God van de doden, maar van de levenden. 33 En de menigten, dit horende, werden verslagen over Zijn leer. 34 En de Farizeën, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceën de mond gestopt had, zijn samen bijeenvergaderd. 35 En één uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende: 36 Meester! welk is het grote gebod in de wet? 37 En Jezus zei tot hem: U zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het grote gebod. 39 En het tweede aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40 Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten. 41 Als nu de Farizeën samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus, 42 En zei: Wat denkt u van de Christus? Van wie is Hij de Zoon? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. 43 Hij zei tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heere? zeggende: 44 De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. 45 Als Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon? 46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van die dag aan iets meer vragen. ### Mattheüs 23 1 Toen sprak Jezus tot de menigten en tot Zijn discipelen, 2 Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeën zijn gezeten op de stoel van Mozes; 3 Daarom, al wat zij u zeggen, dat u houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. 4 Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. 5 En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed, en maken de zomen van hun kleren groot. 6 En zij houden van de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; 7 Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genoemd te worden: Rabbi, Rabbi! 8 Maar u zult niet Rabbi genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. 9 En u zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. 10 Noch zult u meesters genoemd worden; want Eén is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zichzelf verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, die zal verhoogd worden. 13 Maar wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars! want u sluit het Koninkrijk van de hemelen voor de mensen, omdat u daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. 14 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en dat onder de schijn van lang te bidden; daarom zult u te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt u hem een kind van de hel, tweemaal meer dan u bent. 16 Wee u, u blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij de tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud van de tempel, die is schuldig. 17 U dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? 18 En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. 19 U dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? 20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelfde, en bij al wat daarop is. 21 En wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij, en bij Die, Die daarin woont. 22 En wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God, en bij Die, Die daarop zit. 23 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u vertient de munte, en de dille, en de komijn, en u laat na het zwaarste van de wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. 24 U blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en de kameel doorzwelgt. 25 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u reinigt het buitenste van de drinkbeker, en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. 26 U blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in de drinkbeker en de schotel is, opdat ook het buitenste daarvan rein wordt. 27 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent de witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid. 28 Zo ook schijnt u wel de mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen bent u vol huichelarij en ongerechtigheid. 29 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten op, en versiert de graftekenen van de rechtvaardigen; 30 En zegt: Als wij in de tijden van onze vaders waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed van de profeten. 31 Zo getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van degenen, die de profeten gedood hebben. 32 U dan ook, vervult de mate van uw vaders! 33 U slangen, u adderengebroed! hoe zou u de helse verdoemenis ontvluchten? 34 Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en daaruit zult u sommigen doden en kruisigen, en sommigen daaruit zult u geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad; 35 Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed van de rechtvaardige Abel af, tot op het bloed van Zacharia, de zoon van Barachia, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. 36 Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht. 37 Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, zoals een hen haar kuikens bijeenvergadert onder de vleugels; en u hebt niet gewild. 38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. 39 Want Ik zeg u: U zult Mij van nu aan niet zien, totdat u zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! ### Mattheüs 24 1 En Jezus ging uit en vertrok van de tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen van de tempel te tonen. 2 En Jezus zei tot hen: Ziet u niet al deze dingen? Werkelijk zeg Ik: Hier zal niet één steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als Hij op de Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding van de wereld? 4 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Zie toe, dat u niemand verleide. 5 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden. 6 En u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; zie toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten gebeuren, maar nog is het einde niet. 7 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen. 8 Maar al die dingen zijn maar een begin van de smarten. 9 Dan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en u zult gehaat worden van alle volken, omwille van Mijn Naam. 10 En dan zullen er velen ten val komen, en zullen elkaar overleveren, en elkaar haten. 11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden. 12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden. 13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. 14 En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis alle volken; en dan zal het einde komen. 15 Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) 16 Dat dan, die in Judea zijn, vluchten op de bergen; 17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; 18 En die op de akker is, kere niet weer terug, om zijn kleren weg te nemen. 19 Maar wee de zwangeren, en de zogenden vrouwen in die dagen! 20 Maar bidt, dat uw vlucht niet gebeurt in de winter, noch op een sabbat. 21 Want dan zal grote verdrukking wezen, zoals niet is geweest van het begin van de wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal. 22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar omwille van de uitverkorenen zullen die dagen verkort worden. 23 Dan, zo iemand tot u zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. 24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderen doen, zo dat zij (als het mogelijk was) ook de uitverkorenen zouden verleiden. 25 Zie, Ik heb het u voorzegd! 26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Zie, hij is in de woestijn; ga niet uit; Zie, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet. 27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, zo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen. 28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de adelaars verzameld worden. 29 En meteen na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. 30 En dan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten van de aarde huilen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken van de hemel, met grote kracht en heerlijkheid. 31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste daarvan. 32 En leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. 33 Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur. 34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal in geen geval voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen gebeurd zijn. 35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. 36 Maar van die dag en dat uur weet niemand, ook niet de engelen van de hemelen, dan Mijn Vader alleen. 37 En zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. 38 Want zoals zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag toe, waarin Noach in de ark ging; 39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; zo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen. 40 Dan zullen er twee op de akker zijn, de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 41 Er zullen twee vrouwen malen in de molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 42 Waak dan; want u weet niet, op welk uur uw Heere komen zal. 43 Maar weet dit, dat zo de heer van het huis geweten had, waarin nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 44 Daarom, wees ook u bereid; want op welk uur u het niet denkt, zal de Zoon des mensen komen. 45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienaar, die zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hun hun voedsel te geven op de juiste tijd? 46 Zalig is die dienaar, die zijn heer, komende, zal vinden zo doende. 47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen. 48 Maar zo die kwade dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer wacht te komen; 49 En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards; 50 Zo zal de heer van deze dienaar komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, die hij niet weet; 51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. ### Mattheüs 25 1 Dan zal het Koninkrijk van de hemelen gelijk zijn aan tien maagden, die haar lampen namen, en gingen uit, de bruidegom tegemoet. 2 En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen. 3 Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich. 4 Maar de wijzen namen olie in haar kruiken, met haar lampen. 5 Als nu de bruidegom bleef, werden zij allen slaperig, en vielen in slaap. 6 En om middernacht gebeurde een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet! 7 Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen. 8 En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geef ons van uw olie; want onze lampen gaan uit. 9 Maar de wijzen antwoordden, zeggende: In geen geval, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelf. 10 Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. 11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, heer, doe ons open! 12 En hij, antwoordende, zei: Werkelijk zeg ik u: Ik ken u niet. 13 Zo waakt dan; want u weet de dag niet, noch het uur, in die de Zoon des mensen komen zal. 14 Want het is gelijk aan een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienaren riep, en gaf hun zijn goederen over. 15 En de ene gaf hij vijf talenten, en de ander twee, en de derden één, ieder naar zijn vermogen, en verreisde meteen. 16 Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmee, en won andere vijf talenten. 17 Evenzo ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee. 18 Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld van zijn heren. 19 En na een langen tijd kwam de heer daarvan dienaren, en hield rekening met hen. 20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heere, vijf talenten hebt u mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik daarboven gewonnen. 21 En zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar! over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw heeren. 22 En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zei: Heere, twee talenten hebt u mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik daarboven gewonnen. 23 Zijn heer zei tot hem: Wel, u goede en getrouwe dienaar, over weinig bent u getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw heeren. 24 Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heere! ik kende u, dat u een hard mens bent, maaiende, waar u niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar u niet gestrooid hebt; 25 En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, u hebt het uwe. 26 Maar zijn heer, antwoordende, zei tot hem: U slechte en luie dienaar! u wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb. 27 Zo moest u dan mijn geld de bankiers gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met rente. 28 Neem dan van hem het talent weg, en geeft het degene, die de tien talenten heeft. 29 Want een ieder die heeft, die zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. 30 En werpt de onnutte dienaar uit in de buitenste duisternis; daar zal gehuil zijn en knersing van de tanden. 31 En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid. 32 En voor Hem zullen al de volken verzameld worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden, zoals de herder de schapen van de bokken scheidt. 33 En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. 34 Dan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Kom, u gezegenden van Mijn Vader! beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld. 35 Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en u hebt Mij geherbergd. 36 Ik was naakt, en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest, en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en u bent tot Mij gekomen. 37 Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gevoed, of dorstig, en te drinken gegeven? 38 En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed? 39 En wanneer hebben wij U ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen? 40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt u dat Mij gedaan. 41 Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Ga weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. 42 Want Ik ben hongerig geweest, en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en u hebt Mij niet te drinken gegeven; 43 Ik was een vreemdeling; en u hebt Mij niet geherbergd; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek, en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht. 44 Dan zullen ook deze Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of ziek, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? 45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel u dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt u het Mij ook niet gedaan. 46 En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven. ### Mattheüs 26 1 En het is gebeurd, als Jezus al deze woorden geëindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zei: 2 U weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden. 3 Toen verzamelden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen van het volk, in de zaal van de hogepriester, die genoemd was Kajafas; 4 En zij beraadslaagden samen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden. 5 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer wordt onder het volk. 6 Als nu Jezus te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, 7 Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat. 8 En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies? 9 Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen de armen gegeven worden. 10 Maar Jezus, dat verstaande, zei tot hen: Waarom doet u deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewerkt. 11 Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd. 12 Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis. 13 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar herinnering gesproken worden van wat zij gedaan heeft. 14 Toen ging één van de twaalven, genoemd Judas Iskariot, tot de overpriesters, 15 En zei: Wat wilt u mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen. 16 En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht. 17 En op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt U, dat wij U bereiden het pascha te eten? 18 En Hij zei: Ga heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen. 19 En de discipelen deden, zoals Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha. 20 En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven. 21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, Mij zal verraden. 22 En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon ieder van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere? 23 En Hij, antwoordende, zei: Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden. 24 De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt; het was hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. 25 En Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: U hebt het gezegd. 26 En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het de discipelen, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam. 27 En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die, zeggende: Drink allen daaruit; 28 Want dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving van de zonden. 29 En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op die dag, wanneer Ik met u dezelfde nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader. 30 En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. 31 Toen zei Jezus tot hen: U zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden. 32 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 33 Maar Petrus, antwoordende, zei tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden. 34 Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat u in deze zelfde nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij drie keer zult verloochenen. 35 Petrus zei tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U in geen geval verloochenen! Evenzo zeiden ook al de discipelen. 36 Toen ging Jezus met hen in een plaats genoemd Gethsemane, en zei tot de discipelen: Zit hier neer, totdat Ik heenga, en daar zal gebeden hebben. 37 En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeüs, begon Hij droevig en zeer angstig te worden. 38 Toen zei Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijf hier en waakt met Mij. 39 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan! maar niet, zoals Ik wil, maar zoals U wilt. 40 En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Kunt u dan niet één uur met Mij waken? 41 Waak en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 42 Opnieuw voor de tweede keer heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Als deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil gebeure! 43 En komende bij hen, vond Hij hen opnieuw slapende; want hun ogen waren bezwaard. 44 En hen latende, ging Hij opnieuw heen, en bad voor de derde keer, zeggende dezelfde woorden. 45 Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zei tot hen: Slaap nu voort, en rust; zie, het uur is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaren. 46 Sta op, laat ons gaan; zie, hij is nabij, die Mij verraadt. 47 En als Hij nog sprak, ziet, Judas, één van de twaalven, kwam, en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen van het volk. 48 En die Hem verraadde, had hun een teken gegeven, zeggende: Die ik zal kussen, Dezelfde is het, grijpt Hem. 49 En meteen komende tot Jezus, zei hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem. 50 Maar Jezus zei tot hem: Vriend! waartoe bent u hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. 51 En zie, één van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande de dienaar van de hogepriester, hieuw zijn oor af. 52 Toen zei Jezus tot hem: Keer uw zwaard weer in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. 53 Of denkt u, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten? 54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het zo gebeuren moet? 55 Op dat moment sprak Jezus tot de menigten: U bent uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in de tempel, en u hebt Mij niet gegrepen; 56 Maar dit alles is gebeurd, opdat de Schriften van de profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende. 57 Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, de hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen verzameld waren. 58 En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal van de hogepriester, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien. 59 En de overpriesters, en de ouderlingen, en de hele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet. 60 En hoewel er vele valse getuigen gekomen waren, zo vonden zij toch niet. 61 Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken, en in drie dagen dezelfde opbouwen. 62 En de hogepriester, opstaande, zei tot Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U? 63 Maar Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt, of U bent de Christus, de Zoon van God? 64 Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand van de kracht van God, en komende op de wolken van de hemel. 65 Toen verscheurde de hogepriester zijn kleren, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord. 66 Wat denkt u? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is de dood schuldig. 67 Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. 68 En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft? 69 En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: U was ook met Jezus, de Galileër. 70 Maar hij ontkende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat u zegt. 71 En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zei tot degenen, die daar waren: Deze was ook met Jezus de Nazarener. 72 En hij ontkende het opnieuw met een eed, zeggende: Ik ken de Mens niet. 73 En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Werkelijk, u bent ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar. 74 Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken de Mens niet. 75 En meteen kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En naar buiten gaande, huilde hij bitter. ### Mattheüs 27 1 Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen van het volk samen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden. 2 En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder. 3 Toen heeft Judas, die Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen de overpriesters en de ouderlingen teruggebracht, 4 Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U mag toezien. 5 En als hij de zilveren penningen in de tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verhing zichzelf. 6 En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelfde in de offerkist te leggen, omdat het een prijs van het bloed is. 7 En samen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmee de akker van de pottenbakker, tot een begrafenis voor de vreemdelingen. 8 Daarom is die akker genoemd de akker van het bloed, tot op de huidige dag. 9 Toen is vervuld geworden, wat gesproken is door de profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde van de Gewaardeerden van de Israëlieten, Die zij gewaardeerd hebben; 10 En hebben dezelfde gegeven voor de akker van de pottenbakker; volgens wat mij de Heere bevolen heeft. 11 En Jezus stond voor de stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Bent U de Koning van de Joden? En Jezus zei tot hem: U zegt het. 12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets. 13 Toen zei Pilatus tot Hem: Hoort U niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen? 14 Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, zo dat de stadhouder zich zeer verwonderde. 15 En op het feest was de stadhouder gewoon de volk een gevangene los te laten, die zij wilden. 16 En zij hadden toen een welbekenden gevangene, genoemd Bar-abbas. 17 Als zij dan verzameld waren, zei Pilatus tot hen: Welke wilt u, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genoemd wordt Christus? 18 Want hij wist, dat zij Hem door afgunst overgeleverd hadden. 19 En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb vandaag veel geleden in de droom om Zijnentwil. 20 Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de menigten aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden. 21 En de stadhouder, antwoordende, zei tot hen: Welken van deze twee wilt u, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas. 22 Pilatus zei tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genoemd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden. 23 Maar de stadhouder zei: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden! 24 Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en waste de handen voor de menigte, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardigen; u mag toezien. 25 En al het volk, antwoordende, zei: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen. 26 Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. 27 Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich in het rechthuis, en verzamelden over Hem de hele bende. 28 En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; 29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, U Koning van de Joden! 30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd. 31 En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de mantel af, en deden Hem Zijn kleren aan, en leidden Hem heen om te kruisigen. 32 En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met de naam Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg. 33 En gekomen zijnde tot de plaats, genoemd Golgotha, die is gezegd Hoofdschedelplaats, 34 Gaven zij Hem te drinken azijn met gal gemengd; en als Hij die gesmaakt had, wilde Hij niet drinken. 35 Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, wat gezegd is door de profeet: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen. 36 En zij, nederzittende, bewaarden Hem daar. 37 En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN. 38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter-, en één aan de linkerzijde. 39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden. 40 En zeggende: U, Die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, zo kom af van het kruis. 41 En evenzo ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeën, Hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelf niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. 43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, als Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren. 45 En van het zesde uur aan werd er duisternis over de hele aarde, tot het negende uur toe. 46 En ongeveer het negende uur riep Jezus met een luide stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten! 47 En sommigen van die daar stonden, dat horende, zeiden: Deze roept Elia. 48 En meteen één van hen toe lopende, nam een spons, en die met azijn gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken. 49 Maar de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elia komt, om Hem te verlossen. 50 En Jezus, opnieuw met een luide stem roepende, gaf de geest. 51 En ziet, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden. 52 En de graven werden geopend, en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt; 53 En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen. 54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die gebeurd waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Werkelijk, Deze was Gods Zoon! 55 En daar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen. 56 Onder die was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs. 57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met de naam Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was. 58 Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden. 59 En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelfde in een zuiver fijn lijnwaad. 60 En legde dat in zijn nieuw graf, dat hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur van het graf gewenteld hebbende, ging hij weg. 61 En daar was Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover het graf. 62 Op de andere dag nu, die is na de voorbereiding, verzamelden de overpriesters en de Farizeën tot Pilatus, 63 Zeggende: Heere, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan. 64 Beveel dan, dat het graf verzekerd wordt tot de derde dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste. 65 En Pilatus zei tot hen: U hebt een wacht; ga heen, verzekert het, zoals u het verstaat. 66 En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, de steen verzegeld hebbende. ### Mattheüs 28 1 En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bekijken. 2 En ziet, er gebeurde een grote aardbeving; want een engel van de Heere, nederdalende uit de hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat daarop. 3 En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw. 4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden. 5 Maar de engel, antwoordende, zei tot de vrouwen: Vrees u niet; want ik weet, dat u zoekt Jezus, Die gekruisigd was. 6 Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, zoals Hij gezegd heeft. Kom herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft. 7 En gaat haastig heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. 8 En haastig uitgaande van het graf, met vrees en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelfde Zijn discipelen te boodschappen. 9 En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Wees gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem. 10 Toen zei Jezus tot haar: Vrees niet; ga heen, boodschapt Mijn broeders, dat zij heengaan naar Galilea, en daar zullen zij Mij zien. 11 En als zij heengingen, ziet, enige van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de overpriesters al de dingen, die gebeurd waren. 12 En zij verzameld zijnde met de ouderlingen, en samen raad genomen hebbende, gaven zij de soldaten veel gelds, 13 En zeiden: Zeg: Zijn discipelen zijn in de nacht gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen. 14 En als dat komt gehoord te worden van de stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat u zonder zorg bent. 15 En zij, het geld genomen hebbende, deden, zoals zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag. 16 En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen ontboden had. 17 En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; maar sommigen twijfelden. 18 En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. 19 Ga dan heen, onderwijst al de volken, dezelfde dopende in de Naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. 20 En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen. ## Markus ### Markus 1 1 Het begin van het Evangelie van JEZUS CHRISTUS, de Zoon van God. 2 Zoals geschreven is in de profeten: Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. 3 De stem van de roepende in de woestijn: Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden recht. 4 Johannes doopte in de woestijn, en preekte de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. 5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden. 6 En Johannes was gekleed met kameelhaar, en met een leren gordel om zijn middel, en at sprinkhanen en wilde honing. 7 En hij preekte en zei: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben, al neerbuigend, de riem van Zijn schoenen te ontbinden. 8 Ik heb u wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de Heilige Geest. 9 En het gebeurde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan. 10 En meteen, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en de Geest, zoals een duif, op Hem nederdalen. 11 En er kwam een stem uit de hemelen: U bent Mijn geliefde Zoon, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb! 12 En meteen dreef Hem de Geest uit in de woestijn. 13 En Hij was daar in de woestijn veertig dagen, verzocht van de satan; en was bij de wilde dieren; en de engelen dienden Hem. 14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk van God. 15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk van God nabij gekomen; bekeer u, en gelooft het Evangelie. 16 En wandelend bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broer, werpende het net in de zee (want zij waren vissers); 17 En Jezus zei tot hen: Volg Mij na, en Ik zal maken, dat u vissers van de mensen zult worden. 18 En zij, meteen hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd. 19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, en deze in het schip hun netten vermakende. 20 En meteen riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeüs in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd. 21 En zij kwamen binnen Kapernaüm; en meteen op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. 22 En zij stonden versteld over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden. 23 En er was in hun synagoge een mens, met een onreine geest, en hij riep uit, 24 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener, bent U gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige Gods. 25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem. 26 En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een luide stem, ging uit van hem. 27 En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkaar vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook de onreine geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn! 28 En Zijn gerucht ging meteen uit, in het hele omliggende land van Galilea. 29 En van dat moment af uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. 30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en meteen zeiden zij Hem van haar. 31 En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte ze op; en meteen verliet haar de koorts, en zij diende hen. 32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van de duivel bezeten waren. 33 En de hele stad was bijeenvergaderd ongeveer de deur. 34 En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele demonen uit, en liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden. 35 En vroeg in de morgen, als het nog diep in de nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging heen in een woeste plaats, en bad daar. 36 En Simon, en die met hem waren, zijn Hem nagevolgd. 37 En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen. 38 En Hij zei tot hen: Laat ons in de bijliggende plaatsen gaan, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan. 39 En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de demonen uit. 40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Als U wilt, U kunt mij reinigen. 41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zei tot hem: Ik wil, word gereinigd! 42 En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid meteen van hem, en hij werd gereinigd. 43 En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem meteen van Zich gaan; 44 En zei tot hem: Zie, dat u niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelf de priester, en offer voor uw reiniging, wat Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, zo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten. ### Markus 2 1 En na sommige dagen is Hij opnieuw binnen Kapernaüm gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was. 2 En meteen verzamelden daar velen, zo dat ook zelfs de plaatsen ongeveer de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen. 3 En er kwamen sommigen tot Hem, en brachten een geraakte, die van vier gedragen werd. 4 En niet kunnende tot Hem naderen, vanwege de menigte, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het bed neer, daar de geraakte op lag. 5 En Jezus, hun geloof ziende, zei tot de geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten daar, en overdachten in hun harten: 7 Wat spreekt Deze zo godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God? 8 En Jezus, meteen in Zijn geest bekennende, dat zij zo in zichzelf overdachten, zei tot hen: Wat overdenkt u deze dingen in uw harten? 9 Wat is lichter, te zeggen tot de geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw bed op, en wandel? 10 Maar opdat u mag weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zei Hij tot de geraakte): 11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. 12 En meteen stond hij op, en het bed opgenomen hebbende, ging hij uit in aller aanwezigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit dat gezien! 13 En Hij ging opnieuw uit naar de zee; en de hele menigte kwam tot Hem, en Hij leerde hen. 14 En voorbijgaande zag Hij Levi, de zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem. 15 En het gebeurde, als Hij aanzat in zijn huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd. 16 En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? 17 En Jezus, dat horende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. 18 En de discipelen van Johannes en van de Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeën, en Uw discipelen vasten niet? 19 En Jezus zei tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten. 20 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten in deze dagen. 21 En niemand naait een lap niet gekrompen laken op een oud kleed; anders scheurt zijn nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur. 22 En niemand doet nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken barsten en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar nieuwe wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen. 23 En het gebeurde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken. 24 En de Farizeën zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbatdag, wat niet geoorloofd is? 25 En Hij zei tot hen: Hebt u nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en van hen, die met hem waren? 26 Hoe hij ingegaan is in het huis van God, ten tijde van Abjathar, de hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan de priesters, en ook gegeven heeft van hen, die met hem waren? 27 En Hij zei tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, niet de mens om de sabbat. 28 Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van de sabbat. ### Markus 3 1 En Hij ging opnieuw in de synagoge; en daar was een mens, hebbende een verschrompelde hand. 2 En zij namen Hem waar, of Hij op de sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten. 3 En Hij zei tot de mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden. 4 En Hij zei tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil. 5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere. 6 En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben meteen met de Herodeanen samen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden. 7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea, 8 en van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van ongeveer Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem. 9 En Hij zei tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds ongeveer Hem blijven zou, omwille van de menigte, opdat zij Hem niet zouden verdringen. 10 Want Hij had er velen genezen, zo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken. 11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neer en riepen, zeggende: U bent de Zoon van God! 12 En Hij gebood hun scherp dat zij Hem niet zouden openbaar maken. 13 En Hij klom op de berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem. 14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij deze zou uitzenden om te prediken; 15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de demonen uit te werpen. 16 En Simon gaf Hij de toe naam Petrus; 17 En Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, dat is, zonen van de donder; 18 En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites, 19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. 20 En zij kwamen in huis; en daar verzamelde opnieuw een menigte, zo dat zij ook zelfs niet konden brood eten. 21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen. 22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door de overste van de demonen werpt Hij de demonen uit. 23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zei Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitwerpen? 24 En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan. 25 En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan. 26 En als de satan tegen zichzelf opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde. 27 Er kan niemand in het huis van een sterke ingaan en zijn huisraad ontroven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven. 28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden de kinderen van de mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmee zij zullen gelasterd hebben; 29 Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in de eeuwigheid, maar hij is schuldig van de eeuwige oordeels. 30 Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest. 31 Zo kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem. 32 En de menigte zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers daar buiten zoeken U. 33 En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders? 34 En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders. 35 Want zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder. ### Markus 4 1 En Hij begon opnieuw te leren ongeveer de zee; en er verzamelde een grote menigte bij Hem, zo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de hele menigte was op het land aan de zee. 2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zei in Zijn onderwijzing tot hen: 3 Hoor toe: zie, een zaaier ging uit om te zaaien. 4 En het gebeurde in het zaaien, dat het ene deel van het zaad viel bij de weg; en de vogels des hemels kwamen, en aten het op. 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging meteen op, omdat het geen diepte van aarde had. 6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verschroeid geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord. 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen groeiden op, en verstikten het, en het gaf geen vrucht. 8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en groeide; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. 9 En Hij zei tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore. 10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die ongeveer Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis. 11 En Hij zei tot hen: Het is u gegeven te verstaan het geheim van het Koninkrijk van God; maar van hen, die buiten zijn, gebeuren al deze dingen door gelijkenissen; 12 Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden. 13 En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet, en hoe zult u al de gelijkenissen verstaan? 14 De zaaier is, die het Woord zaait. 15 En deze zijn, die bij de weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan meteen, en neemt het Woord weg, dat in hun harten gezaaid was. 16 En deze zijn evenzo, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; die, als zij het Woord gehoord hebben, meteen het met vreugde ontvangen. 17 En hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, zo worden zij meteen ten val komen. 18 En deze zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk degenen, die het Woord horen; 19 En de zorgen van deze wereld, en de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden ongeveer de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. 20 En deze zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, die het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoud. 21 En Hij zei tot hen: Kom ook de kaars, opdat zij onder de korenmaat of onder het bed gezet wordt? Is het niet, opdat zij op de kandelaar gezet wordt? 22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen. 23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore. 24 En Hij zei tot hen: Zie, wat u hoort. Met welke maat u meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden. 25 Want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en wie niet heeft, van die zal genomen worden, ook dat hij heeft. 26 En Hij zei: Zo is het Koninkrijk van God, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp; 27 En verder sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe. 28 Want de aarde brengt vanzelf vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar. 29 En als de vrucht zich voordoet, meteen zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is. 30 En Hij zei: Waarbij zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij het vergelijken? 31 Namelijk bij een mosterdzaad, dat, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn. 32 En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, zo dat de vogels des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen. 33 En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden. 34 En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder. 35 En op dezelfde dag, als het nu avond geworden was, zei Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde. 36 En zij, de menigte gelaten hebbende, namen Hem mee, zoals Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem. 37 En er werd een grote storm van wind, en de golven sloegen over in het schip, zo dat het nu vol werd. 38 En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, kan het U niet schelen, dat wij vergaan? 39 En Hij opgewekt zijnde, bestrafte de wind, en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte. 40 En Hij zei tot hen: Wat bent u zo vreesachtig? Hebt u geen geloof? 41 En zij vreesden met grote vrees, en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn? ### Markus 5 1 En zij kwamen over op de andere zijde van de zee, in het land van de Gadarenen. 2 En zo Hij uit het schip gegaan was, meteen ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreine geest; 3 Die zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen. 4 Want hij was dikwijls met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen. 5 En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelf met stenen. 6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem. 7 En met een luide stem roepende, zei hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, van de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, dat U mij niet pijnigt! 8 (Want Hij zei tot hem: U onreine geest, ga uit van de mens!) 9 En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen. 10 En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond. 11 En daar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende. 12 En al de demonen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in deze mogen varen. 13 En Jezus liet het hun meteen toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu ongeveer twee duizend), en versmoorden in de zee. 14 En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten dat in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er gebeurd was. 15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen de bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd. 16 En die het gezien hadden, vertelden hun, wat de bezetene gebeurd was, en ook van de zwijnen. 17 En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun gebied wegging. 18 En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn. 19 Maar Jezus liet hem dat niet toe, maar zei tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uw, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich over U ontfermd heeft. 20 En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen. 21 En als Jezus opnieuw in het schip overgevaren was aan de andere zijde, verzamelde een grote menigte bij Hem; en Hij was bij de zee. 22 En ziet, er kwam één van de oversten van de synagoge, met de naam Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten, 23 En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat U komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden wordt, en zij zal leven. 24 En Hij ging met hem; en een grote menigte volgde Hem, en zij verdrongen Hem. 25 En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed van het bloed gehad had, 26 En veel geleden had van vele dokters, en al het haar daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met wie het eerder erger geworden was; 27 Deze van Jezus horende, kwam onder de menigte van achteren, en raakte Zijn kleed aan; 28 Want zij zei: Als ik maar Zijn kleren mag aanraken, zal ik gezond worden. 29 En meteen is de fontein van haar bloed opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was. 30 En meteen Jezus, bekennende in Zichzelf de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de menigte, en zei: Wie heeft Mijn kleren aangeraakt? 31 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: U ziet, dat de menigte U verdringt, en zegt U: Wie heeft Mij aangeraakt? 32 En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had. 33 En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar gebeurd was, kwam en viel voor Hem neer, en zei Hem al de waarheid. 34 En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en wees genezen van deze uw kwaal. 35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen enige van het huis van de overste van de synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat bent u de Meester nog moeilijk? 36 En Jezus, meteen gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zei tot de overste van de synagoge: Vrees niet; geloof alleen. 37 En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, de broer van Jakobus; 38 En kwam in het huis van de overste van de synagoge; en zag de onrust en degenen, die zeer huilden en huilden. 39 En ingegaan zijnde, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar, en wat weent u? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. 40 En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich de vader en de moeder van het kind, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag. 41 En Hij vatte de hand van het kind, en zei tot haar: Talitha kumi! dat is, zijnde overgezet: U dochtertje (Ik zeg u), sta op. 42 En meteen stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaar oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting. 43 En Hij gebood hun zeer, dat niemand het zou weten; en zei, dat men haar zou te eten geven. ### Markus 6 1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem. 2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Vanwaar komen Deze deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren? 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broer van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zussen niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem. 4 En Jezus zei tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijn familieleden, en in zijn huis. 5 En Hij kon daar geen kracht doen; dan Hij legde weinig zieken de handen op, en genas hen. 6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de plaatsen daar rondom, lerende. 7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten. 8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot de weg, dan alleen een staf, geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel; 9 Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn. 10 En Hij zei tot hen: Zo waar u in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat u van daar uitgaat. 11 En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in de dag van het oordeel dan deze stad. 12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren. 13 En zij wierpen vele demonen uit, en zalfden vele zieken met olie, en maakten hen gezond. 14 En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zei: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem. 15 Anderen zeiden: Hij is Elia; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als één van de profeten. 16 Maar als het Herodes hoorde, zei hij: Deze is Johannes, die ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt. 17 Want deze Herodes, enige uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de huisvrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. 18 Want Johannes zei tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw van uw broer te hebben. 19 En Herodias legde op hem toe; en wilde hem doden, en konde niet; 20 Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem graag. 21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes, op de dag van zijn geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea; 22 En als de dochter van deze Herodias inkwam, en danste, en Herodes en van hen, die mee aanzaten, behaagde, zo zei de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat u ook wilt, en ik zal het u geven. 23 En hij zwoer haar: Zo wat u van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft van mijn koninkrijk! 24 En zij, uitgegaan zijnde, zei tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper. 25 En zij, meteen met haast ingaande tot de koning, heeft het geëist, zeggende: Ik wil, dat u mij nu meteen, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes de Doper. 26 En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, toch om de eden, en degenen, die mee aanzaten, wilde hij haar het niet afslaan. 27 En de koning zond meteen een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis; 28 En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelfde het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelfde haar moeder. 29 En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf. 30 En de apostelen kwamen weer tot Jezus, en boodschapten Hem alles, zowel wat zij gedaan hadden, als wat zij geleerd hadden. 31 En Hij zei tot hen: Kom u in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten. 32 En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen. 33 En de menigten zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden daarheen, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem. 34 En Jezus, uitgaande, zag een grote menigte, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren. 35 En als het nu laat op de dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op de dag; 36 Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en plaatsen, en broden voor zichzelf mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen. 37 Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Geef u hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven? 38 En Hij zei tot hen: Hoeveel broden hebt u? Ga heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen. 39 En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras. 40 En zij zaten neer in gedeelten bij honderd samen, en bij vijftig samen. 41 En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar de hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen. 42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden. 43 En zij namen op twaalf volle manden stukken brood, en van de vissen. 44 En die daar de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijf duizend mannen. 45 En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor heen te varen aan de andere zijde tegenover Bethsaïda, terwijl Hij de menigte van Zich zou laten. 46 En als Hij aan deze hun afscheid gegeven had, ging Hij op de berg om te bidden. 47 En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land. 48 En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omstreeks de vierde wake in de nacht, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan. 49 En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spook was, en schreeuwden zeer; 50 Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en meteen sprak Hij met hen, en zei tot hen: Wees welgemoed, Ik ben het; vrees niet. 51 En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelf, en waren verwonderd. 52 Want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden; want hun hart was verhard. 53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth, en havenden daar. 54 En als zij uit het schip gegaan waren, meteen werden zij Hem kennende. 55 En het hele omliggende land doorlopende, begonnen zij op bedden degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden, dat Hij was. 56 En zo waar Hij kwam, in plaatsen, of steden, of dorpen, daar leiden zij de zieken op de markten, en baden Hem, dat zij maar de zoom van Zijn kleed aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond. ### Markus 7 1 En tot Hem verzamelden de Farizeën, en sommigen van de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren; 2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen. 3 Want de Farizeën en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikwijls wassen, houdende de voorschriften van de oude. 4 En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen van de drinkbekers, en kannen, en koperen voorwerpen, en bedden. 5 Daarna vraagden Hem de Farizeën en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting van de ouden, maar eten het brood met ongewassen handen? 6 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven is: Dit volk eer Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. 7 Maar tevergeefs eren zij Mij, lerende onderwijzingen, die geboden zijn van de mensen; 8 Want, nalatende het gebod van God, houdt u de voorschriften van de mensen, als namelijk wassingen van de kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet u vele. 9 En Hij zei tot hen: U doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat u uw voorschriften zou onderhouden. 10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. 11 Maar u zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet. 12 En u laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen; 13 Makende zo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die u ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet u. 14 En tot Zich de hele menigte geroepen hebbende, zei Hij tot hen: Hoor Mij allen en verstaat. 15 Er is niets van buiten de mens in hem ingaande, dat hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, die de mens ontreinigen. 16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore. 17 En toen Hij van de menigte in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis. 18 En Hij zei tot hen: Bent ook u zo onwetend? Verstaat u niet, dat al wat van buiten in de mens ingaat, hem niet kan ontreinigen? 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen. 20 En Hij zei: Wat uitgaat uit de mens, dat ontreinigt de mens. 21 Want van binnen uit het hart van de mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen, 22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontucht, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand. 23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen de mens. 24 En van daar opstaande, ging Hij weg naar het gebied van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon toch niet verborgen zijn. 25 Want een vrouw, van wie de dochtertje een onreine geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neer aan Zijn voeten. 26 Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-fenicië; en zij bad Hem, dat Hij de duivel uitwierp uit haar dochter. 27 Maar Jezus zei tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet passend dat men het brood van de kinderen neme, en de hondjes voor werpe. 28 Maar zij antwoordde en zei tot Hem: Ja, Heere, maar ook de hondjes eten onder de tafel van de kruimkens van de kinderen. 29 En Hij zei tot haar: Vanwege deze woords ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren. 30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed. 31 En Hij opnieuw weggegaan zijnde van het gebied van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden van het gebied van Dekapolis. 32 En zij brachten tot Hem een dove, die moeizaam sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde. 33 En hem van de menigte alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan; 34 En omhoog ziende naar de hemel, zuchtte Hij, en zei tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend! 35 En meteen werden zijn oren geopend, en de band van zijn tong werd los, en hij sprak recht. 36 En Hij gebood hun, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het van de te meer. 37 En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken. ### Markus 8 1 In dezelfde dagen, als er een geheel grote menigte was, en zij niet hadden, wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zei tot hen: 2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de menigte; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. 3 En als Ik hen nuchter naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op de weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre. 4 En Zijn discipelen antwoordden Hem: Vanwaar zal iemand deze met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen? 5 En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven. 6 En Hij gebood de menigte neer te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze van de menigte voor. 7 En zij hadden weinig visjes; en als Hij gezegend had, zei Hij, dat zij ook die zouden voorleggen. 8 En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot van de stukken brood op, zeven manden. 9 Die nu gegeten hadden, waren ongeveer vier duizend; en Hij liet hen gaan. 10 En meteen in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha. 11 En de Farizeën gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van de hemel, Hem verzoekende. 12 En Hij, moeizaam zuchtende in Zijn geest, zei: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden! 13 En Hij verliet hen, en opnieuw in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde. 14 En Zijn discipelen hadden vergeten brood mee te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip. 15 En Hij gebood hun, zeggende: Zie toe, wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën, en van het zuurdesem van Herodes. 16 En zij overlegden onder elkaar, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben. 17 En Jezus, dat bekennende, zei tot hen: Wat overlegt u, dat u geen broden hebt? Bemerkt u nog niet, en verstaat u niet, hebt u nog uw verharde hart? 18 Ogen hebbende, ziet u niet? En oren hebbende, hoort u niet? 19 En gedenkt u niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opnam? Zij zeggen Hem: Twaalf. 20 En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opnam? En zij zeiden: Zeven. 21 En Hij zei tot hen: Hoe verstaat u niet? 22 En Hij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte. 23 En de hand van de blinde genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten de plaats, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag. 24 En hij, opziende, zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen. 25 Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar. 26 En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in de plaats, en zeg het niemand in de plaats. 27 En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de plaatsen van Cesarea Filippi. En op de weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? 28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Één van de profeten. 29 En Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zei tot Hem: U bent de Christus. 30 En Hij gebood hun scherp, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem. 31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen opnieuw opstaan. 32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen; 33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mij, satan, want u verzint niet de dingen, die van God zijn, maar die van de mensen zijn. 34 En tot Zich geroepen hebbende de menigte met Zijn discipelen, zei Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij. 35 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en omwille van het Evangelie, die zal het behouden. 36 Want wat zou het de mens baten zo hij de hele wereld won, en schade leed aan zijn ziel? 37 Of wat zal een mens geven, tot losprijs van zijn ziel? 38 Want zo wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, voor die zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen. ### Markus 9 1 En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, voordat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is. 2 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hoge berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. 3 En Zijn kleren werden blinkende, zeer wit als sneeuw, zoals geen bleker op aarde zo wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elia met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus, antwoordende, zei tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één. 6 Want hij wist niet, wat hij zei; want zij waren zeer bevreesd. 7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! 8 En haastig rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich. 9 En als zij van de berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, wat zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bij zichzelf, vragende onder elkaar, wat het was, uit de doden opstaan. 11 En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elia eerst komen moet? 12 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Elia zal wel eerst komen, en alles weer oprichten; en het zal gebeuren, zoals geschreven is van de Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar Ik zeg u, dat ook Elia gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, zoals van hem geschreven is. 14 En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote menigte rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen twistende. 15 En meteen de hele menigte Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem. 16 En Hij vraagde de Schriftgeleerden: Wat twist u met deze? 17 En één uit de menigte, antwoordende, zei: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stomme geest heeft. 18 En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. 19 En Hij antwoordden hem, en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem tot Mij. 20 En zij brachten die tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem meteen de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zei: Van zijn kindsheid af. 22 En dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo U iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons. 23 En Jezus zei tot hem: Zo u kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk degene, die gelooft. 24 En meteen de vader van het kind, roepende met tranen, zei: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende, dat de menigte gezamenlijk toeliep, bestrafte de onreine geest, zeggende tot hem: U stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem. 26 En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, zo dat velen zeiden, dat het gestorven was. 27 En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op. 28 En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 29 En Hij zei tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten. 30 En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist. 31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zei tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van de mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij op de derde dag wederopstaan. 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen. 33 En Hij kwam te Kapernaüm, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan had u woorden onder elkaar op de weg? 34 Maar zij zwegen; want zij waren onder elkaar in woorden geweest op de weg, wie de meeste zou zijn. 35 En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zei tot hen: Als iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en dienaar van allen. 36 En nemende een kind, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zei tot hen: 37 Zo wie één van zulke kinderen zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de demonen uitwierp in Uw Naam, die ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt. 39 Maar Jezus zei: Verbied hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastig van Mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. 41 Want zo wie u een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat u discipelen van Christus bent, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon in geen geval verliezen. 42 En zo wie één van deze kleinen, die in Mij geloven, ten val brengt, het was hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan was, en dat hij in de zee geworpen was. 43 En als uw hand u doet struikelen, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 44 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 45 En als uw voet u doet struikelen, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 47 En als uw oog u doet struikelen, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk van God in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden; 48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offergave zal met zout gezouten worden. 50 Het zout is goed; maar als het zout onzout wordt, waarmee zult u dat smakelijk maken? Heb zout in uzelf, en houdt vrede onder elkaar. ### Markus 10 1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar het gebied van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de menigten kwamen opnieuw samen bij Hem, en zoals Hij gewoon was, leerde Hij hen opnieuw. 2 En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende. 3 Maar Hij antwoordende, zei tot hen: Wat heeft u Mozes geboden? 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten. 5 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Vanwege de hardheid van uw harten heeft hij u dat gebod geschreven. 6 Maar van het begin van de schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt. 7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; 8 En die twee zullen tot één vlees zijn, zo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees. 9 Wat dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. 10 En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen opnieuw van het. 11 En Hij zei tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar. 12 En als een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel. 13 En zij brachten kinderen tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten. 14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zei tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert ze niet; want voor deze is het Koninkrijk van God. 15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk van God niet ontvangt, zoals een kind, die zal in het in geen geval ingaan. 16 En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij deze. 17 En als Hij uitging op de weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? 18 En Jezus zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed, dan Één, namelijk God. 19 U weet de geboden: U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; u zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder. 20 Maar hij, antwoordende, zei tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af. 21 En Jezus, hem aanziende, hield van hem, en zei tot hem: Één ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat u hebt, en geef het de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij. 22 Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen. 23 En Jezus rondom ziende, zei tot Zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God inkomen! 24 En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus opnieuw antwoordende, zei tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk van God ingaan! 25 Het is gemakkelijker, dat een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk van God inga. 26 En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkaar: Wie kan dan zalig worden? 27 Maar Jezus, hen aanziende, zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. 29 En Jezus, antwoordende, zei: Voorwaar zeg Ik u: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broers, of zussen, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en omwille van het Evangelie, 30 Of hij ontvangt honderdvoud, nu in deze tijd, huizen, en broers, en zussen, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten. 32 En zij waren op de weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven opnieuw tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden; 33 Zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal de overpriesteren, en de Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem de heidenen overleveren; 34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan. 35 En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat U ons deedt, zo wat wij begeren zullen. 36 En Hij zei tot hen: Wat wilt u, dat Ik u doe? 37 En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de één aan Uw rechter-, en de ander aan Uw linkerhand in Uw heerlijkheid. 38 Maar Jezus zei tot hen: U weet niet, wat u begeert. Kunt u de drinkbeker drinken, die Ik drink, en met de doop gedoopt worden, daar Ik mee gedoopt word? 39 En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Maar Jezus zei tot hen: De drinkbeker, die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doop gedoopt worden, daar Ik mee gedoopt word; 40 Maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden die het bereid is. 41 En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen. 42 Maar Jezus, hen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: U weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn van de volken, heerschappij voeren over hen, en hun grote gebruiken macht over hen. 43 Maar zo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn. 44 En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienaar zijn. 45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen. 46 En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote menigte van Jericho uitging, zat de zoon van Timeüs, Bar-timeüs, de blinde, aan de weg, bedelende. 47 En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, U Zoon van David! ontferm U mijn. 48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: U Zoon van David! ontferm U mijn. 49 En Jezus, stil staande, zei, dat men hem roepen zou; en zij riepen de blinde, zeggende tot hem: Heb goede moed; sta op; Hij roept u. 50 En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus. 51 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Wat wilt u, dat Ik u doen zal? En de blinde zei tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden. 52 En Jezus zei tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En meteen werd hij ziende, en volgde Jezus op de weg. ### Markus 11 1 En toen zij Jeruzalem naderden, te Beth-fage en Bethanië, aan de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit, 2 En zei tot hen: Ga heen in de plaats, die tegen u over is; en meteen als u daarin komt, zult u vinden een veulen gebonden, waarop geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het. 3 En als iemand tot u zegt: Waarom doet u dat? Zo zegt, dat de Heere het nodig heeft; en hij zal het meteen herwaarts zenden. 4 En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden het. 5 En sommigen van degenen, die daar stonden, zeiden tot hen: Wat doet u, dat u het veulen ontbindt? 6 Maar zij zeiden tot hen, zoals Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan. 7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun kleren daarop; en Hij zat op het. 8 En velen spreidden hun kleren op de weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op de weg. 9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna! gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! 10 Gezegend zij het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen! 11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in de tempel; en als Hij alles rondom bekeken had, en het nu avond was, ging Hij uit naar Bethanië met de twaalven. 12 En op de andere dag, als zij uit Bethanië gingen, hongerde Hem. 13 En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets daarop zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niet dan bladeren; want het was de tijd van de vijgen niet. 14 En Jezus, antwoordende, zei tot die: Niemand ete enige vrucht meer van u in de eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het. 15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in de tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in de tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen van de bankiers, en de zitstoelen van degenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om; 16 En liet niet toe, dat iemand enig voorwerp door de tempel droeg. 17 En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis van het gebed genoemd worden alle volken? Maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. 18 En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de hele menigte ontzet was over Zijn leer. 19 En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad. 20 En vroeg in de morgen voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortels af. 21 En Petrus, dat indachtig geworden zijnde, zei tot Hem: Rabbi! zie, de vijgeboom, die U vervloekt hebt, is verdord. 22 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Heb geloof op God. 23 Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven, dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt. 24 Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die u biddende begeert, gelooft, dat u ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden. 25 En wanneer u staat om te bidden, vergeeft, als u iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw misdaden vergeve. 26 Maar als u niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven. 27 En zij kwamen opnieuw te Jeruzalem. En als Hij in de tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. 28 En zeiden tot Hem: Door wat macht doet U deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat U deze dingen doen zou? 29 Maar Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoord Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe: 30 De doop van Johannes, was die uit de hemel, of uit de mensen? Antwoord Mij. 31 En zij overlegden onder zich, zeggende: Als wij zeggen: Uit de hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd? 32 Maar als wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij werkelijk een profeet was. 33 En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe. ### Markus 12 1 En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde die aan de landbouwers, en reisde buiten 's lands. 2 En als het de tijd was, zond hij een dienaar tot de landbouwers, opdat hij van de landbouwers ontving van de vrucht van de wijngaard. 3 Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem leeg heen. 4 En hij zond opnieuw een andere dienaar tot hen, en die stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem heen, schandelijk behandeld zijnde. 5 En opnieuw zond hij een anderen, en die doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden. 6 Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook die ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien. 7 Maar die landbouwers zeiden onder elkaar: Deze is de erfgenaam; kom, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn. 8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten de wijngaard. 9 Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal komen, en de landbouwers verderven, en de wijngaard aan anderen geven. 10 Heb u ook deze Schrift niet gelezen: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is geworden tot een hoeksteen; 11 Van de Heere is dit gebeurd, en het is wonderlijk in onze ogen? 12 En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de menigte; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg. 13 En zij zonden tot Hem enige van de Farizeën en van de Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden. 14 Deze nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester! wij weten, dat U waarachtig bent, en naar niemand vraagt; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U leert de weg van God in van de waarheid; is het geoorloofd, de keizer belasting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven? 15 En Hij, wetende hun huichelarij, zei tot hen: Wat verzoekt u Mij? Breng Mij een penning, dat Ik hem zie. 16 En zij brachten een. En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld, en het opschrift? en zij zeiden tot Hem: Van de keizer. 17 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem. 18 En de Sadduceën kwamen tot Hem, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende: 19 Meester! Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broer zijn vrouw nemen zal en zijn broer zaad verwekken. 20 Er waren nu zeven broers, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na. 21 De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde evenzo. 22 En al de zeven namen deze, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven. 23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van deze zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad. 24 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Dwaalt u niet, daarom, dat u de Schriften niet weet, noch de kracht van God? 25 Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn. 26 Maar voor wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob? 27 God is niet een God van de doden, maar een God van de levenden. U dwaalt dan zeer. 28 En één van de Schriftgeleerden horende, dat zij samen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle? 29 En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël! de Heere, onze God, is een enig Heere. 30 En u zult de Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod. 31 En het tweede aan dit gelijk, is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod, groter dan deze. 32 En de schriftgeleerde zei tot Hem: Meester, U hebt wel in van de waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij; 33 En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan al de brandoffers en de slachtoffers. 34 En Jezus ziende, dat hij verstandig geantwoord had, zei tot hem: U bent niet verre van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer vragen. 35 En Jezus antwoordde en zei, lerende in de tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is? 36 Want David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. 37 David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte van de menigte hoorde Hem graag. 38 En Hij zei tot hen in Zijn leer: Wees op uw hoede voor de Schriftgeleerden, die daar graag willen wandelen in lange kleren, en gegroet zijn op de markten; 39 En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; 40 Die de huizen van de weduwen opeten, en dat onder de schijn van lang te bidden. Deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. 41 En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de menigte geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. 42 En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, dat is een oort. 43 En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. 44 Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht. ### Markus 13 1 En als Hij uit de tempel ging, zei één van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, zoals stenen, en zoals gebouwen! 2 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ziet u deze grote gebouwen? Er zal niet één steen op de anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden. 3 En als Hij gezeten was op de Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen: 4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen allen voltooid zullen worden? 5 En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Zie toe, dat u niemand verleide. 6 Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden. 7 En wanneer u zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet gebeuren; maar nog is het einde niet. 8 Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en onlusten. Deze dingen zijn maar beginselen van de smarten. 9 Maar ziet u voor uzelf toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; u zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult u gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis. 10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken. 11 Maar wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo wees te voren niet bezorgd, wat u spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u op dat uur gegeven zal worden, spreekt dat; want u bent het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest. 12 En de ene broer zal de anderen overleveren tot de dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden. 13 En u zult gehaat worden van allen, omwille van Mijn Naam; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden. 14 Wanneer u dan zult zien de gruwel van de verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) dan, die in Judea zijn, dat zij vluchten op de bergen. 15 En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen. 16 En die op de akker is, kere niet weer terug, om zijn kleed te nemen. 17 Maar wee de zwangeren en de zogenden vrouwen in die dagen! 18 Maar bidt, dat uw vlucht niet gebeurt in de winter. 19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, waarvan de gelijke niet geweest is van het begin van de schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal. 20 En als de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar omwille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort. 21 En dan, zo iemand tot u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet. 22 Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, als het mogelijk was, ook de uitverkorenen. 23 Maar u ziet toe; zie, Ik heb u alles voorzegd! 24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven. 25 En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden. 26 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid. 27 En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste van de aarde, tot het uiterste van de hemel. 28 En leert van de vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet u, dat de zomer nabij is. 29 Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, zo weet, dat het nabij, voor de deur is. 30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, voordat al deze dingen zullen gebeurd zijn. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. 32 Maar van die dag en dat uur weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. 33 Zie toe, waakt en bidt; want u weet niet, wanneer de tijd is. 34 Gelijk een mens, buiten 's lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienaren macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken; 35 Zo waakt dan (want u weet niet, wanneer de heer van het huis komen zal, van de avond laat, of om middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond); 36 Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde. 37 En wat Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waak. ### Markus 14 1 En het pascha, en het feest van de ongezuurde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met list vangen en doden zouden. 2 Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk wordt. 3 En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, de melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalste nardus, van grote prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd. 4 En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelf, en zeiden: Waartoe is dit verlies van de zalf gebeurd? 5 Want deze had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die de armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar. 6 Maar Jezus zei: Laat af van haar; wat doet u haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewerkt. 7 Want de armen hebt u altijd met u, en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen; maar Mij hebt u niet altijd. 8 Zij heeft gedaan, wat zij konde; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis. 9 Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de hele wereld, daar zal ook tot haar herinnering gesproken worden, van wat zij gedaan heeft. 10 En Judas Iskariot, één van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren. 11 En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwaam overleveren zou. 12 En op de eerste dag van de ongezuurde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt U, dat wij heengaan, en bereiden, dat U het pascha eet? 13 En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zei tot hen: Ga heen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt die; 14 En zo waar hij ingaat, zegt tot de heer van het huis: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal? 15 En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons daar. 16 En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. 17 En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven. 18 En als zij aanzaten en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u, die met Mij eet, Mij zal verraden. 19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de één na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het? 20 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Het is één uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt. 21 De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals van Hem geschreven is; maar wee die mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt! Het was hem goed, zo die mens niet geboren was geweest. 22 En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam. 23 En Hij nam de drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun die; en zij dronken allen uit die. 24 En Hij zei tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed van het Nieuwe Testament, dat voor velen vergoten wordt. 25 Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok, tot op die dag, wanneer Ik deze nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God. 26 En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg. 27 En Jezus zei tot hen: U zult in deze nacht allen aan Mij ten val komen; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. 28 Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea. 29 En Petrus zei tot Hem: Of zij ook allen ten val kwamen, zo zal ik toch niet ten val komen. 30 En Jezus zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat vandaag in deze nacht, voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, u Mij drie keer zult verloochenen. 31 Maar hij zei nog van de te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U in geen geval verloochenen! En ook zeiden zij ook allen. 32 En zij kwamen in een plaats, waarvan de naam Gethsemane was, en Hij zei tot Zijn discipelen: Zit hier neer, totdat Ik gebeden zal hebben. 33 En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer angstig te worden; 34 En zei tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe; blijf hier, en waakt. 35 En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk was, dat dat uur van Hem voorbij zou gaan. 36 En Hij zei: Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem deze drinkbeker van Mij weg, maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt. 37 En Hij kwam, en vond hen slapende, en zei tot Petrus: Simon! slaapt u? Kunt u niet één uur waken? 38 Waak en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. 39 En opnieuw heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden. 40 En teruggekeerd zijnde, vond Hij hen opnieuw slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden. 41 En Hij kwam voor de derde keer, en zei tot hen: Slaap nu voort, en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaren. 42 Sta op, laat ons gaan; zie, die Mij verraadt, is nabij. 43 En meteen, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen. 44 En die Hem verraadde, had hun een afgesproken teken gegeven, zeggende: Die ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zeker heen. 45 En als hij gekomen was, ging hij meteen tot Hem, en zei: Rabbi, en kuste Hem. 46 En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem. 47 En één van degenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw hem zijn oor af. 48 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Bent u uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen? 49 Dagelijks was Ik bij u in de tempel, lerende, en u hebt Mij niet gegrepen; maar dit gebeurt, opdat de Schriften vervuld zouden worden. 50 En zij, Hem verlatende, zijn allen gevlucht. 51 En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongemannen grepen hem. 52 En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevlucht. 53 En zij leidden Jezus heen tot de hogepriester; en bij hem verzamelden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de Schriftgeleerden. 54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal van de hogepriester, en hij was mee zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur. 55 En de overpriesters, en de hele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet. 56 Want velen getuigden vals tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig. 57 En enige, opstaande, getuigden vals tegen Hem, zeggende: 58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen. 59 En ook zo was hun getuigenis niet eensgezind. 60 En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze tegen U; 61 Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Opnieuw vraagde Hem de hogepriester, en zei tot Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de gezegende van God? 62 En Jezus zei: Ik ben het. En u zult de Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand van de kracht van God, en komen met de wolken van de hemel. 63 En de hogepriester, verscheurende zijn kleren, zei: Wat hebben wij nog getuigen nodig? 64 U hebt de godslastering gehoord; wat denkt u? En zij allen veroordeelden Hem, van de dood schuldig te zijn. 65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaren gaven Hem slagen in het gezicht. 66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam één van de dienaressen van de hogepriester; 67 En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zei: Ook u was met Jezus de Nazarener. 68 Maar hij heeft het ontkend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide. 69 En de dienstmaagd, hem opnieuw ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is één van die. 70 Maar hij ontkende het opnieuw. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden opnieuw tot Petrus: Werkelijk, u bent één van die; want u bent ook een Galileër, en uw spraak vertoont overeenkomst. 71 En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet, Die u zegt. 72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, dat Jezus tot hem gezegd had: Voordat de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. En hij, zich van daar makende, huilde. ### Markus 15 1 En meteen, vroeg in de morgen, hielden de overpriesters samen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en de hele raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over. 2 En Pilatus vraagde Hem: Bent U de Koning van de Joden? En Hij antwoordende, zei tot hem: U zegt het. 3 En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets. 4 En Pilatus vraagde Hem opnieuw, zeggende: Antwoordt U niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen! 5 En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde. 6 En op het feest liet hij hun een gevangene los, wie zij ook begeerden. 7 En er was een, genoemd Barabbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had. 8 En de menigte riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, zoals hij hun altijd gedaan had. 9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt u, dat ik u de Koning van de Joden loslate? 10 (Want hij wist, dat de overpriesters Hem door afgunst overgeleverd hadden.) 11 Maar de overpriesters bewogen de menigte, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten. 12 En Pilatus, antwoordende, zei opnieuw tot hen: Wat wilt u dan, dat ik met Hem doen zal, Die u een Koning van de Joden noemt? 13 En zij riepen opnieuw: Kruis Hem. 14 Maar Pilatus zei tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem! 15 Pilatus nu, willende van de menigte genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden. 16 En de soldaten leidden Hem binnen in de zaal, die is het rechthuis, en riepen de hele bende samen; 17 En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op; 18 En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, U Koning van de Joden! 19 En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieën, aanbaden Hem. 20 En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem de purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen kleren aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen. 21 En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van de akker, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg. 22 En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, dat is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats. 23 En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam die niet. 24 En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren, werpende het lot over deze, wat ieder wegnemen zou. 25 En het was het derde uur, en zij kruisigden Hem. 26 En het opschrift van Zijn beschuldiging was boven Hem geschreven: DE KONING DER JODEN. 27 En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, één aan Zijn rechter-, en één aan Zijn linkerzijde. 28 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend. 29 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! U, die de tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, 30 Behoud Uzelf, en kom af van het kruis. 31 En ook ook de overpriesters, met de Schriftgeleerden, zeiden tot elkaar, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelf kan Hij niet verlossen. 32 De Christus, de Koning van Israël, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem. 33 En als het zesde uur gekomen was, werd er duisternis over de hele aarde, tot het negende uur toe. 34 En op het negende uur, riep Jezus met een luide stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, dat is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt U Mij verlaten? 35 En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Zie, Hij roept Elia. 36 En er liep een, en vulde een spons met azijn, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houd stil, laat ons zien, of Elia komt, om Hem af te nemen. 37 En Jezus, een luide stem van Zich gegeven hebbende, gaf de geest. 38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden. 39 En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij zo roepende de geest gegeven had, zei: Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon! 40 En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder wie ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, de kleine, en van Joses, en Salome; 41 Die ook, toen Hij in Galilea was, Hem waren gevolgd, en Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren. 42 En als het nu avond was geworden, omdat het de voorbereiding was, die is de voorsabbat; 43 Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk van God was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. 44 En Pilatus verwonderde zich, dat Hij al gestorven was; en de hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was. 45 En als hij het van de hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam. 46 En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, dat uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur van het graf. 47 En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd. ### Markus 16 1 En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden. 2 En zeer vroeg op de eerste dag van de week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging; 3 En zeiden tot elkaar: Wie zal ons de steen van de deur van het graf afwentelen? 4 (En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot. 5 En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende aan de rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd. 6 Maar hij zei tot haar: Wees niet verbaasd; u zoekt Jezus de Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. 7 Maar gaat heen, zegt Zijn discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult u Hem zien, zoals Hij u gezegd heeft. 8 En zij, haastig uitgegaan zijnde, vluchtten van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd. 9 En als Jezus opgestaan was, vroeg in de morgen, op de eerste dag van de week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgeworpen had. 10 Deze, heengaande, boodschapte het van hen, die met Hem geweest waren, die treurden en huilden. 11 En als deze hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 En na deze is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen. 13 Deze, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet. 14 Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardheid van het hart, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was. 15 En Hij zei tot hen: Ga heen in de hele wereld, predikt het Evangelie aan alle schepselen. 16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. 17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij demonen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken. 18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op zieken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. 19 De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel, en is gezeten aan de rechterhand van God. 20 En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere werkte mee, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen. ## Lukas ### Lukas 1 1 Aangezien velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; 2 Zoals ons overgeleverd hebben, die van de beginne zelf aanschouwers en dienaren van het Woord geweest zijn; 3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan ijverig onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! 4 Opdat u mag kennen de zekerheid van de dingen, waarvan u onderwezen bent. 5 In de dagen van Herodes, de koning van Judea, was een zeker priester, met de naam Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron, en haar naam Elizabet. 6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten van de Heere, onberispelijk. 7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren. 8 En het gebeurde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt van zijn dagorde. 9 Naar de gewoonte van de priesterlijke bediening, hem het lot was gevallen, dat hij zou ingaan in de tempel van de Heere om te reukoffers. 10 En al de menigte van het volk was buiten, biddende, op het uur van het reukoffer. 11 En van hem werd gezien een engel van de Heere, staande aan de rechterzijde van het altaar van het reukoffer. 12 En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vrees is op hem gevallen. 13 Maar de engel zei tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en u zult zijn naam heten Johannes. 14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. 15 Want hij zal groot zijn voor de Heere; noch wijn, noch sterke drank zal hij drinken, en hij zal met de Heilige Geest vervuld worden, ook van zijn moeders lijf aan. 16 En hij zal velen van de Israëlieten bekeren tot de Heere, hun God. 17 En hij zal voor Hem heengaan, in de geest en de kracht van Elia, om te bekeren de harten van de vaders tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid van de rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een toegerust volk. 18 En Zacharias zei tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen. 19 En de engel antwoordde en zei tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen. 20 En zie, u zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op de dag, dat deze dingen gebeurd zullen zijn; om daarom wil, dat u mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld zullen worden op hun tijd. 21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang bleef in de tempel. 22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een visioen in de tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom. 23 En het gebeurde, als de dagen van zijn bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging. 24 En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende: 25 Zo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, waarin Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen. 26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galilea, genoemd Nazareth; 27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, van wie de naam Jozef was, uit het huis van David; en de naam van de maagd was Maria. 28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zei: Wees gegroet, u begenadigde; de Heere is met u; u bent gezegend onder de vrouwen. 29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, wat voor groetenis dit mocht zijn. 30 En de engel zei tot haar: Vrees niet, Maria, want u hebt genade bij God gevonden. 31 En zie, u zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. 32 Deze zal groot zijn, en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. 33 En Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in de eeuwigheid, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde zijn. 34 En Maria zei tot de engel: Hoe zal dat wezen, omdat ik geen man bekenne? 35 En de engel, antwoordende, zei tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genoemd worden. 36 En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelf bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genoemd was, de zesde. 37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn. 38 En Maria zei: Zie, de dienstmaagd van de Heere; mij gebeure naar uw woord. En de engel ging weg van haar. 39 En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda; 40 En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet. 41 En het gebeurde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kind op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest; 42 En riep uit met een luide stem, en zei: Gezegend bent u onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw buik! 43 En vanwaar komt mij dit, dat de moeder van mijn Heere tot mij komt? 44 Want zie, als de stem van uw groetenis in mijn oren klonk, zo sprong het kind van vreugde op in mijn buik. 45 En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden. 46 En Maria zei: Mijn ziel maakt groot de Heere; 47 En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; 48 Omdat Hij de nederheid van Zijn dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. 49 Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. 50 En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen. 51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten van hun harten. 52 Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. 53 Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij leeg weggezonden. 54 Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig was van de barmhartigheid. 55 (Zoals Hij gesproken heeft tot onze vaders, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid. 56 En Maria bleef bij haar ongeveer drie maanden, en keerde weer tot haar huis. 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zou, en zij baarde een zoon. 58 En die daar rondom woonden, en haar familieleden hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid enorm aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. 59 En het gebeurde, dat zij op de achtste dag kwamen, om het kind te besnijden, en noemden het Zacharias, naar de naam van zijn vader. 60 En zijn moeder antwoordde en zei: Niet zo, maar hij zal Johannes heten. 61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw familie, die met die naam genoemd wordt. 62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genoemd zou worden. 63 En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En meteen werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende. 65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het hele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen. 66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kind wezen? En de hand van de Heere was met hem. 67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met de Heilige Geest, en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volk; 69 En heeft een hoorn van de zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; 70 Zoals Hij gesproken heeft door de mond van Zijn heilige profeten, die van het begin van de wereld geweest zijn; 71 Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al van degenen, die ons haten; 72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaders, en gedachtig was aan Zijn heilig verbond; 73 En aan de eed, die Hij Abraham, onze vader, gezworen heeft, om ons te geven. 74 Dat wij, verlost zijnde uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees. 75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven. 76 En u, kind, zult een profeet van de Allerhoogste genoemd worden; want u zult voor het aangezicht van de Heere heengaan, om Zijn wegen te bereiden; 77 Om Zijn volk kennis van de zaligheid te geven, in vergeving van hun zonden, 78 door de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; 79 Om te verschijnen van hen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood; om onze voeten te richten op de weg van de vrede. 80 En het kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen, tot de dag van zijn vertoning aan Israël. ### Lukas 2 1 En het gebeurde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van de Keizer Augustus, dat de hele wereld beschreven zou worden. 2 Deze eerste beschrijving gebeurde, als Cyrenius over Syrië stadhouder was. 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, ieder naar zijn eigen stad. 4 En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad van David, die Bethlehem genoemd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was); 5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, die bevrucht was. 6 En het gebeurde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou. 7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neer in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg. 8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. 9 En ziet, een engel van de Heere stond bij hen, en de heerlijkheid van de Heere omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees. 10 En de engel zei tot hen: Vrees niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al de volk wezen zal; 11 Namelijk dat u vandaag geboren is de Zaligmaker, die is Christus, de Heere, in de stad van David. 12 En dit zal u het teken zijn: u zult het Kind vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. 13 En ogenblikkelijk was er met de engel een menigte van de hemelse legers, prijzende God en zeggende: 14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. 15 En het gebeurde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er gebeurd is, dat de Heere ons heeft verkondigd. 16 En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kind liggende in de kribbe. 17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij overal bekend het woord, dat hun van dit Kind gezegd was. 18 En allen, die het hoorden, verwonderden zich over wat hun gezegd werd van de herder. 19 Maar Maria bewaarde deze woorden alle samen, overleggende die in haar hart. 20 En de herders keerde opnieuw, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, zoals tot hen gesproken was. 21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kind besnijden zou, zo werd Zijn Naam genoemd JEZUS, die genoemd was van de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was. 22 En als de dagen haar reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem de Heere voorstelden; 23 (Zoals geschreven is in de wet van de Heere: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal de Heere heilig genoemd worden.) 24 En opdat zij offergave gaven, naar wat in de wet van de Heere gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven. 25 En ziet, er was een mens te Jeruzalem, van wie de naam Simeon was; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de troost van Israël, en de Heilige Geest was op hem. 26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door de Heilige Geest, dat hij de dood niet zien zou, voordat hij de Christus van de Heere zou zien. 27 En hij kwam door de Geest in de tempel. En als de ouders het Kind Jezus inbrachten, om naar de gewoonte van de wet met Hem te doen; 28 Zo nam hij Hetzelfde in zijn armen, en loofde God, en zei: 29 Nu laat U, Heere! Uw dienaar gaan in vrede naar Uw woord; 30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, 31 Die U bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: 32 Een Licht tot verlichting van de heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël. 33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over wat van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende hen, en zei tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. 35 (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden. 36 En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; deze was tot grote ouderdom gekomen, die met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af. 37 En zij was een weduwe van ongeveer vier en tachtig jaren, die niet week uit de tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag. 38 En deze, op dat moment daarbij komende, heeft ook de Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten. 39 En als zij alles voltooid hadden, wat naar de wet van de Heere te doen was, keerden zij weer naar Galilea, tot hun stad Nazareth. 40 En het Kind wies op, en werd gesterkt in de geest, en vervuld met wijsheid; en de genade van God was over Hem. 41 En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha. 42 En toen Hij twaalf jaar oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van de feestdag; 43 En de dagen daar voltooid hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet. 44 Maar menende, dat Hij in het gezelschap op de weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de familieleden, en onder de bekenden. 45 En als zij Hem niet vonden, keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, Hem zoekende. 46 En het gebeurde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, zittende in het midden van de leraren, hen horende, en hen ondervragende. 47 En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden. 48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zei tot Hem: Kind! waarom hebt U ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht. 49 En Hij zei tot hen: Wat is het, dat u Mij gezocht hebt? Wist u niet, dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader? 50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak. 51 En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. 52 En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen. ### Lukas 3 1 En in het vijftiende jaar van de regering van de keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broer, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene; 2 Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, kwam het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn. 3 En hij kwam in al het omliggende land van de Jordaan, predikende de doop van de bekering tot vergeving van de zonden. 4 Zoals geschreven is in het boek van de woorden van Jesaja, de profeet, zeggende: De stem van de roependen in de woestijn: Bereid de weg van de Heere, maakt Zijn paden recht! 5 Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechte weg worden, en de oneffen tot effen wegen. 6 En alle vlees zal de zaligheid Gods zien. 7 Hij zei dan tot de menigten, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: U adderengebroed, wie heeft u aangewezen te vluchten van de komende toorn? 8 Breng dan vruchten voort van de bekering waard; en begint niet te zeggen bij uzelf: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. 9 En de bijl ligt ook al aan de wortel van de bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt, en in het vuur geworpen. 10 En de menigten vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen? 11 En hij, antwoordende, zei tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mee, die geen heeft; en die voedsel heeft, doe evenzo. 12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen? 13 En hij zei tot hen: Eis niet meer, dan wat u gezet is. 14 En hem vraagden ook de soldaten, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zei tot hen: Doe niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en wees tevreden met uw soldij. 15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overlegden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus was; 16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wie ik niet waard ben de riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur; 17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden. 18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde de volk het Evangelie. 19 Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broer, en over alle slechte dingen, die Herodes deed, 20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft. 21 En het gebeurde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd; 22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, zoals een duif; en dat er een stem kwam uit de hemel, zeggende: U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen! 23 En Hij, Jezus, begon ongeveer dertig jaar oud te wezen, zijnde (zo men meende) de zoon van Jozef, de zoon van Heli, 24 De zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef, 25 De zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naum, de zoon van Esli, de zoon van Naggai, 26 De zoon van Maath, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda, 27 De zoon van Johannes, de zoon van Rhesa, de zoon van Zorobabel, de zoon van Salathiël, de zoon van Neri, 28 De zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er, 29 De zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi, 30 De zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim, 31 De zoon van Meleas, de zoon van Mainan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David, 32 De zoon van Jesse, de zoon van Obed, de zoon van Booz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahasson, 33 De zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Fares, de zoon van Juda, 34 De zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van Thara, de zoon van Nachor, 35 De zoon van Saruch, de zoon van Ragau, de zoon van Falek, de zoon van Heber, de zoon van Sala, 36 De zoon van Kaïnan, de zoon van Arfaxad, de zoon van Sem, de zoon van Noe, de zoon van Lamech, 37 De zoon van Mathusala, de zoon van Henoch, de zoon van Jared, de zoon van Malaleel, de zoon van Kaïnan, 38 De zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam, de zoon van God. ### Lukas 4 1 En Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde opnieuw van de Jordaan, en werd door de Geest geleid in de woestijn; 2 En werd veertig dagen verzocht van de duivel; en at geheel niet in die dagen, en als dezelfde geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste. 3 En de duivel zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg tot deze steen, dat hij brood worde. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord van God. 5 En als Hem de duivel geleid had op een hoge berg, toonde hij Hem al de koninkrijken van de wereld, in een ogenblik tijds. 6 En de duivel zei tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid van die koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wie ik ook wil; 7 Als U dan mij zult aanbidden, zo zal alles van U zijn. 8 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: U zult de Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen. 9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne van de tempel, en zei tot Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf van hier naar beneden; 10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen; 11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat U Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot. 12 En Jezus, antwoordende, zei tot hem: Er is gezegd: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken. 13 En als de duivel alle verzoeking voltooid had, week hij van Hem voor een tijd. 14 En Jezus keerde opnieuw, door de kracht van de Geest, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het hele omliggende land. 15 En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen. 16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge; en stond op om te lezen. 17 En Hem werd gegeven het boek van de profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was: 18 De Geest van de Heere is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart; 19 Om de gevangenen te prediken loslating, en de blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar van de Heere. 20 En als Hij het boek toegedaan en de dienaar wedergegeven had, zat Hij neer; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen. 21 En Hij begon tot hen te zeggen: Vandaag is deze Schrift in uw oren vervuld. 22 En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef? 23 En Hij zei tot hen: U zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Dokter! genees Uzelf; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapernaüm gebeurd is, doe dat ook hier in Uw vaderland. 24 En Hij zei: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland. 25 Maar Ik zeg u in van de waarheid: Er waren vele weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het hele land. 26 En tot geen van haar werd Elia gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was. 27 En er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van de profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naäman, de Syriër. 28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden. 29 En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op de top van de berg, op die hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen. 30 Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg. 31 En Hij kwam af te Kapernaüm, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen. 32 En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht. 33 En in de synagoge was een mens, hebbende een geest van een onreine duivel; en hij riep uit met luide stem, 34 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus Nazarener? Bent U gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. 36 En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkaar, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt, en zij varen uit? 37 En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen van het omliggende land. 38 En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar. 39 En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij ogenblikkelijk opstaande, diende hen. 40 En als de zon onderging, brachten allen, die zieken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde ieder van hen de handen op, en genas hen. 41 En er voeren ook demonen uit van velen, roepende en zeggende: U bent de Christus, de Zoon van God! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was. 42 En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de menigten zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan. 43 Maar Hij zei tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden. 44 En Hij predikte in de synagogen van Galilea. ### Lukas 5 1 En het gebeurde, als de menigte op Hem aandrong, om het Woord van God te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth. 2 En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten. 3 En Hij ging in één van die schepen, dat van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de menigten uit het schip. 4 En als Hij afliet van spreken, zei Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen. 5 En Simon antwoordde en zei tot Hem: Meester, wij hebben de hele nacht over gewerkt, en niet gevangen; maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen. 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde. 7 En zij wenkten hun metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken. 8 En Simon Petrus, dat ziende, viel neer aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens. 9 Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst van de vissen, die zij gevangen hadden; 10 En evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult u mensen vangen. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem. 12 En het gebeurde, als Hij in een van die steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo U wilt, U kunt mij reinigen. 13 En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zei: Ik wil, word gereinigd! En meteen ging de melaatsheid van hem. 14 En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon uzelf de priester, en offer voor uw reiniging, zoals Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. 15 Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele menigten kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun ziekten. 16 Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad daar. 17 En het gebeurde in een van die dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeën en leraars van de wet, die van alle plaatsen van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht van de Heere was er om hen te genezen. 18 En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. 19 En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, omdat de menigte, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de bakstenen neer met het bed, in het midden, voor Jezus. 20 En Hij ziende hun geloof, zei tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven. 21 En de Schriftgeleerden en de Farizeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? 22 Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zei tot hen: Wat overdenkt u in uw harten? 23 Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? 24 Maar opdat u mag weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zei Hij tot de geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw bed op, en ga heen naar uw huis. 25 En hij, meteen voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende wat, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende. 26 En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben vandaag ongelofelijke dingen gezien. 27 En na deze ging Hij uit, en zag een tollenaar, met de naam Levi, zitten in het tolhuis, en zei tot hem: Volg Mij. 28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem. 29 En Levi richtte Hem een grote maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote menigte van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten. 30 En hun Schriftgeleerden en de Farizeën morden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt u met tollenaren en zondaren? 31 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Die gezond zijn, hebben de dokter niet nodig, maar die ziek zijn. 32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering. 33 En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls, en doen gebeden, evenzo ook de discipelen van de Farizeën, maar de van U eten en drinken? 34 Maar Hij zei tot hen: Kunt u de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten? 35 Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen. 36 En Hij zei ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen. 37 En niemand doet nieuwe wijn in oude lederen zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen barsten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven. 38 Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide samen behouden. 39 En niemand, die oude drinkt, begeert meteen nieuwe; want hij zegt: De oude is beter. ### Lukas 6 1 En het gebeurde op de tweede eerste sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen. 2 En sommigen van de Farizeën zeiden tot hen: Waarom doet u, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten? 3 En Jezus, hun antwoordende, zei: Hebt u ook dat niet gelezen, dat David deed, wanneer hem hongerde, en van hen, die met hem waren? 4 Hoe hij ingegaan is in het huis van God, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven van hen, die met hem waren, die niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen de priesters. 5 En Hij zei tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van de sabbat. 6 En het gebeurde ook op een andere sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. 7 En de Schriftgeleerden en de Farizeën namen Hem waar, of Hij op de sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. 8 Maar Hij kende hun gedachten, en zei tot de mens, die de verschrompelde hand had: Sta op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. 9 Zo zei dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? 10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zei Hij tot de mens: Strek uw hand uit. En hij deed zo; en zijn hand werd hersteld, gezond zoals de andere. 11 En zij werden vervuld met razernij, en spraken samen met elkaar, wat zij Jezus doen zouden. 12 En het gebeurde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God. 13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: 14 Namelijk Simon, die Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broer, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs; 15 Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon genoemd Zelotes; 16 Judas Jakobi, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is. 17 En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de menigte van Zijn discipelen, en een grote menigte van het volk van geheel Judea en Jeruzalem, en van de zeekant van Tyrus en Sidon; 18 Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen. 19 En al de menigte zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen. 20 En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zei: Zalig bent u, armen, want van uw is het Koninkrijk van God. 21 Zalig bent u, die nu hongert; want u zult verzadigd worden. Zalig bent u, die nu weent; want u zult lachen. 22 Zalig bent u, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, omwille van de Zoon des mensen. 23 Verblijd u in die dag, en wees vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in de hemel; want hun vaders deden evenzo de profeten. 24 Maar wee u, u rijken, want u hebt uw troost weg. 25 Wee u, die verzadigd bent, want u zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want u zult treuren en huilen. 26 Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden evenzo de valsen profeten. 27 Maar Ik zeg u, die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe wel van hen, die u haten. 28 Zegen degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen. 29 Degene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en degene, die u de mantel neemt, verhindert ook de rok niet te nemen. 30 Maar geeft een ieder die van u begeert; en van degene, die het uwe neemt, eist niet weer. 31 En zoals u wilt, dat u de mensen doen zullen, doet u hun ook evenzo. 32 En als u liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt u? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben. 33 En als u goed doet van hen, die u goed doen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars doen hetzelfde. 34 En als u leent van hen, van wie u hoopt weer te ontvangen, wat dank hebt u? Want ook de zondaars lenen de zondaren, opdat zij gelijkenis weer mogen ontvangen. 35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weer te hopen; en uw loon zal groot zijn, en u zult kinderen van de Allerhoogste zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen. 36 Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet, en u zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en u zult niet verdoemd worden; laat los, en u zult losgelaten worden. 38 Geef, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmee u meet, zal u wedergemeten worden. 39 En Hij zei tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op de weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen? 40 De discipel is niet boven zijn meester; maar ieder volmaakt discipel zal zijn zoals zijn meester. 41 En wat ziet u de splinter, die in het oog van uw broeder is, en de balk, die in uw eigen oog is, merkt u niet? 42 Of hoe kunt u tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik de splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar u zelf de balk, die in uw oog is, niet ziet? U geveinsde! doe eerst de balk uit uw oog, en dan zult u bekijken, om de splinter uit te doen, die in het oog van uw broeder is. 43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt; 44 Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen. 45 De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart; en de kwade mens brengt het kwade voort uit de kwade schat van zijn hart; want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond. 46 En wat noemt u Mij, Heere, Heere! en doet niet wat Ik zeg? 47 Een ieder die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en die doet, Ik zal u tonen, wie hij gelijk is. 48 Hij is gelijk aan een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en legde het fundament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond. 49 Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; tegen dat de waterstroom aansloeg, en het viel meteen, en de val van dat huis was groot. ### Lukas 7 1 Nadat Hij nu al Zijn woorden voltooid had, ten aanhore van het volk, ging Hij in te Kapernaüm. 2 En een dienaar van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, ziek zijnde, lag op zijn sterven. 3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen van de Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienaar gezond maken. 4 Deze nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstig, zeggende: Hij is waard, dat U hem dat doet; 5 Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. 6 En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zei tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waard, dat U onder mijn dak zou inkomen. 7 Daarom heb ik ook mijzelf niet waard geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. 8 Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende soldaten onder mij, en ik zeg tot deze: Ga, en hij gaat; en tot de anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het. 9 En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zei tot de menigte, die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. 10 En die gezonden waren, teruggekeerd zijnde in het huis, vonden de zieke dienaar gezond. 11 En het gebeurde op de volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genoemd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote menigte. 12 En als Hij de poort van de stad naderde, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe en een grote menigte van de stad was met haar. 13 En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: Ween niet. 14 En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg u, sta op! 15 En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. 16 En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. 17 En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land. 18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen. 19 En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Bent U Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? 20 En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden, zeggende: Bent U, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? 21 En op dat moment genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht. 22 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: Ga heen, en boodschapt Johannes weer de dingen, die u gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, de armen het Evangelie verkondigd wordt. 23 En zalig is hij, die aan Mij niet zal struikelen. 24 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de menigten van Johannes te zeggen: Wat bent u uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van de wind ginds en weer bewogen wordt? 25 Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een mens, met zachte kleren bekleed? Zie, die in heerlijke kleding en hartstocht zijn, die zijn in de koninklijke hoven. 26 Maar wat bent u uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet. 27 Deze is het, van welke geschreven is: Zie, Ik zend Mijn engel voor uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal. 28 Want Ik zeg u: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk van God is meerder dan hij. 29 En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God. 30 Maar de Farizeën en de wetgeleerden hebben de raad van God tegen zichzelf verworpen, van hem niet gedoopt zijnde. 31 En de Heere zei: Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wie zijn zij gelijk? 32 Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkaar toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en u hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en u hebt niet geweend. 33 Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en u zegt: Hij heeft de duivel. 34 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en u zegt: Zie daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. 35 Maar de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen. 36 En één van de Farizeën bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in van de Farizeër huis, zat Hij aan. 37 En ziet, een vrouw in de stad, die een zondares was, verstaande, dat Hij in van de Farizeër huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf. 38 En staande achter Zijn voeten, huilend, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf. 39 En de Farizeër, die Hem uitgenodigd had, dat ziende, sprak bij zichzelf, zeggende: Deze, als Hij een profeet was, zou wel weten, wat en zoals vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares. 40 En Jezus antwoordende, zei tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het. 41 Jezus zei: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig; 42 En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben? 43 En Simon, antwoordende, zei: Ik acht, dat hij het is, die hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zei tot hem: U hebt recht geoordeeld. 44 En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zei tot Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt u niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd. 45 U hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen. 46 Met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd. 47 Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief. 48 En Hij zei tot haar: Uw zonden zijn u vergeven. 49 En die mee aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelf: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft? 50 Maar Hij zei tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. ### Lukas 8 1 En het gebeurde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en plaats tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk van God; en de twaalven waren met Hem; 2 En sommige vrouwen, die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, genoemd Magdalena, van wie zeven demonen uitgegaan waren; 3 En Johanna, de huisvrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen. 4 Als nu een grote menigte bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zei Hij door gelijkenis: 5 Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij de weg, en werd vertreden, en de vogels des hemels aten dat op. 6 En het andere viel op een steenrots, en opgekomen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had. 7 En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mee opwassende, verstikten hetzelfde. 8 En het andere viel op de goede aarde, en opgekomen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore. 9 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen? 10 En Hij zei: U is het gegeven, de geheimen van het Koninkrijk van God te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan. 11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God. 12 En die bij de weg bezaaid worden, zijn deze, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden. 13 En die op de steenrots bezaaid worden, zijn deze, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in de tijd van de verzoeking wijken zij af. 14 En dat in de doornen valt, zijn deze, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en hartstochten van het leven, en voldragen geen vrucht. 15 En dat in de goede aarde valt, zijn deze, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelfde in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen. 16 En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelfde met een emmer, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. 17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch in het geheim, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen. 18 Zie dan, hoe u hoort; want zo wie heeft, die zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal van hem genomen worden. 19 En Zijn moeder en Zijn broers kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de menigte. 20 En Hem werd geboodschapt van enige, die zeiden: Uw moeder en Uw broers staan daar buiten, begerende U te zien. 21 Maar Hij antwoordde en zei tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders zijn deze, die Gods Woord horen, en het doen. 22 En het gebeurde in één van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zei tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af. 23 En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol water, en waren in nood. 24 En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte de wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte. 25 En Hij zei tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkaar: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam? 26 En zij voeren voort naar het land van de Gadarenen, dat is tegenover Galilea. 27 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met demonen was bezeten geweest; en was met geen kleren gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. 28 En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neer, en zei met een luide stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U Zoon van God, van de Allerhoogste, ik bid U, dat U mij niet pijnigt! 29 Want Hij had de onreine geest geboden, dat hij van de mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van de duivel gedreven in de woestijnen. 30 En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zei: Legio. Want vele demonen waren in hem gevaren. 31 En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in de afgrond heen te varen. 32 En daar was een kudde veler zwijnen, weidende op de berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten daarin te varen. En Hij liet het hun toe. 33 En de demonen, uitvarende van de mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. 34 En die ze weidden, ziende wat gebeurd was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. 35 En zij gingen uit, om te zien wat gebeurd was, en kwamen tot Jezus, en vonden de mens, van welke de demonen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. 36 En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. 37 En de hele menigte van het omliggende land van de Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vrees bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde opnieuw. 38 En de man, van welke de demonen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: 39 Keer weer naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de hele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had. 40 En het gebeurde, als Jezus keerde terug, dat Hem de menigte ontving; want zij waren allen Hem verwachtende. 41 En ziet, er kwam een man, van wie de naam Jaïrus was, en hij was een overste van de synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen. 42 Want hij had een enige dochter, van ongeveer twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de menigten. 43 En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed van het bloed gehad had, die al haar leeftocht aan dokters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, 44 Van achteren tot Hem komende, raakte de zoom van Zijn kleed aan; en meteen stelpte de vloed van haar bloed. 45 En Jezus zei: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen miszaakten, zei Petrus en die met hem waren: Meester, de menigten drukken en verdringen U, en zegt U: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? 46 En Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is. 47 De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij meteen genezen was. 48 En Hij zei tot haar: Dochter, heb goede moed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede. 49 Als Hij nog sprak, kwam er één van het huis van de oversten van de synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; wees de Meester niet moeilijk. 50 Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleen, en zij zal behouden worden. 51 En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en de vader en de moeder van het kind. 52 En zij schreiden allen, en maakten luid weeklagen over hetzelfde. En Hij zei: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt. 53 En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. 54 Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! 55 En haar geest keerde weer, en zij is meteen opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zou. 56 En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen wat gebeurd was. ### Lukas 9 1 En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de demonen, en om ziekten te genezen. 2 En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk van God, en de zieken gezond te maken. 3 En Hij zei tot hen: Neem niets mee tot de weg, noch staven, noch reiszak, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben. 4 En in wat huis u ook zult ingaan, blijft daar, en gaat van daar uit. 5 En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen. 6 En zij, uitgaande, doorgingen al de plaatsen, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal. 7 En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem gebeurden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan. 8 En van sommigen, dat Elia verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de oude was opgestaan. 9 En Herodes zei: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welke ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien. 10 En de apostelen, teruggekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mee en vertrok alleen in een woeste plaats van de stad, genoemd Bethsaïda. 11 En de menigten, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk van God; en die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond. 12 En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de menigte van U, opdat zij, heengaande in de omliggende plaatsen en in de dorpen, herberg nemen mogen, en voedsel vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats. 13 Maar Hij zei tot hen: Geef u hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en voedsel kopen voor al dit volk; 14 Want er waren ongeveer vijf duizend mannen. Maar Hij zei tot Zijn discipelen: Doe hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig. 15 En zij deden zo, en deden hen allen nederzitten. 16 En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar de hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze de discipelen, om van de menigte voor te leggen. 17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, wat hun van de stukken brood overgeschoten was, twaalf manden. 18 En het gebeurde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de menigten, dat Ik ben? 19 En zij, antwoordende, zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Dat enig profeet van de oude opgestaan is. 20 En Hij zei tot hen: Maar u, wie zegt u, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zei: De Christus van God. 21 En Hij gebood hun scherp en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden; 22 Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en op de derde dag opgewekt worden. 23 En Hij zei tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij. 24 Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden. 25 Want wat baat het een mens, die de hele wereld zou winnen, en zichzelf verliezen, of schade van zijn zelf lijden? 26 Want zo wie zich voor Mij en Mijn woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid van de Vader, en van de heilige engelen. 27 En Ik zeg u werkelijk: Er zijn sommigen van degenen, die hier staan, die de dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk van God zullen gezien hebben. 28 En het gebeurde, ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij meenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op de berg, om te bidden. 29 En als Hij bad, werd de gedaante van Zijn aangezicht veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende. 30 En ziet, twee mannen spraken met Hem, die waren Mozes en Elia. 31 Die, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem. 32 Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden. 33 En het gebeurde, als zij van Hem afscheidden, zo zei Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tenten maken, voor U één, en voor Mozes één, en voor Elia één; niet wetende, wat hij zei. 34 Als hij nu dit zei, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen. 35 En er kwam een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoor Hem! 36 En toen de stem geklonken had, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden. 37 En het gebeurde overdag daaraan, als zij van de berg afkwamen, dat Hem een grote menigte in het gemoet kwam. 38 En ziet, een man van de menigte riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene. 39 En zie, een geest neemt hem, en ogenblikkelijk roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem. 40 En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. 41 En Jezus, antwoordende, zei: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn, en u verdragen? Breng uw zoon hier. 42 En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte de onreine geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weer. 43 En zij werden allen verslagen over de grootheid van God. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zei Hij tot Zijn discipelen: 44 Leg u deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in van de mensen handen. 45 Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, zo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen. 46 En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste was. 47 Maar Jezus, ziende de overlegging van hun harten, nam een kind, en stelde dat bij Zich; 48 En zei tot hen: Zo wie dit kind ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn. 49 En Johannes antwoordde en zei: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de demonen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt. 50 En Jezus zei tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor ons. 51 En het gebeurde, als de dagen van Zijn opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen. 52 En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een plaats van de Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden. 53 En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem. 54 Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U, dat wij zeggen, dat vuur van de hemel nederdale, en deze verslinde, zoals ook Elia gedaan heeft? 55 Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zei: U weet niet van wat voor geest u bent. 56 Want de Zoon des mensen is niet gekomen om van de mensen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander plaats. 57 En het gebeurde op de weg, als zij reisden, dat een tot Hem zei: Heere, ik zal U volgen, waar U ook heengaat. 58 En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge. 59 En Hij zei tot een anderen: Volg Mij. Maar hij zei: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave. 60 Maar Jezus zei tot hem: Laat de doden hun doden begraven; maar u, ga heen en verkondig het Koninkrijk van God. 61 En ook een ander zei: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn. 62 En Jezus zei tot hem: Niemand, die zijn hand aan de ploeg slaat, en ziet naar wat achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk van God. ### Lukas 10 1 En na deze stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou. 2 Hij zei dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig; daarom, bidt de Heere van de oogst, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote. 3 Ga heen; zie, Ik zend u als lammeren in het midden van de wolven. 4 Draag geen beurs, noch reiszak, noch schoenen; en groet niemand op de weg. 5 En in wat huis u zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij deze huize! 6 En als daar een zoon van de vrede is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar als niet, zo zal uw vrede tot u terugkeren. 7 En blijft in dat huis, etende en drinkende, wat van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waard; ga niet over van het ene huis in het andere huis. 8 En in wat stad u zult ingaan, en zij u ontvangen, eet wat u voorgezet wordt. 9 En geneest de zieken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk van God is nabij u gekomen. 10 Maar in wat stad u zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt: 11 Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op u; toch zo weet dit, dat het Koninkrijk van God nabij u gekomen is. 12 En Ik zeg u, dat het die van Sodom verdragelijker wezen zal in die dag, dan die stad. 13 Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren, die in u gebeurd zijn, zij zouden vroeger, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben. 14 Maar het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan u. 15 En u, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden. 16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene, Die Mij gezonden heeft. 17 En de zeventigen zijn teruggekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de demonen zijn ons onderworpen, in Uw Naam. 18 En Hij zei tot hen: Ik zag de satan, als een bliksem, uit de hemel vallen. 19 Zie, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht van de vijand; en geen ding zal u enigszins beschadigen. 20 Maar verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen. 21 In dat uur verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde; dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelfde de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want zo is geweest het welbehagen voor U. 22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en die het de Zoon zal willen openbaren. 23 En Zich kerende naar de discipelen, zei Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, wat u ziet. 24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, wat u ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, wat u hoort, en hebben het niet gehoord. 25 En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? 26 En Hij zei tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest u? 27 En hij, antwoordende, zei: U zult de Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelf. 28 En Hij zei tot hem: U hebt recht geantwoord; doe dat, en u zult leven. 29 Maar hij, willende zichzelf rechtvaardigen, zei tot Jezus: En wie is mijn naaste? 30 En Jezus, antwoordende, zei: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, die, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen. 31 En bij geval kwam een zeker priester dezelfde weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. 32 En evenzo ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij. 33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam ongeveer hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen. 34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem. 35 En op de andere dag weggaande, haalde hij twee penningen tevoorschijn, en gaf ze de waard, en zei tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat u meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom. 36 Wie dan van deze drie denkt u de naaste geweest te zijn van degene, die onder de moordenaars gevallen was? 37 En hij zei: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zei dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe u evenzo. 38 En het gebeurde, als zij reisden, dat Hij kwam in een plaats; en een zekere vrouw, met de naam Martha, ontving Hem in haar huis. 39 En deze had een zus, genoemd Maria, die ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde. 40 Maar Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zei zij: Heere, trekt U Zich dat niet aan, dat mijn zus mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe. 41 En Jezus, antwoordende, zei tot haar: Martha, Martha, u maakt zich zorgen en ontrust u over vele dingen; 42 Maar een ding is nodig; maar Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden. ### Lukas 11 1 En het gebeurde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat één van Zijn discipelen tot Hem zei: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. 2 En Hij zei tot hen: Wanneer u bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen bent! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil gebeure, zoals in de hemel, zo ook op de aarde. 3 Geef ons elke dag ons dagelijks brood. 4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een ieder die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. 5 En Hij zei tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal om middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden; 6 Omdat mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette; 7 En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven. 8 Ik zeg u: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, toch vanwege zijn onbeschaamdheid, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft. 9 En Ik zeg u: Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 10 Want een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal opengedaan worden. 11 En wat vader onder u, die de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? 12 Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? 13 Als dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven van hen, die Hem bidden? 14 En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het gebeurde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de menigten verwonderden zich. 15 Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de demonen uit door Beëlzebul, de overste van de demonen. 16 En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit de hemel. 17 Maar Hij, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt. 18 Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Omdat u zegt, dat Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp. 19 En als Ik door Beëlzebul de demonen uitwerp, door wie werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen deze uw rechters zijn. 20 Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk van God tot u gekomen. 21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede. 22 Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn hele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit. 23 Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet verzamelt, die verstrooit. 24 Wanneer de onreine geest van de mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal terugkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben. 25 En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd. 26 Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij daar; en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. 27 En het gebeurde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de menigte, tot Hem zei: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die U hebt gezogen. 28 Maar Hij zei: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord van God horen, en hetzelfde bewaren. 29 En als de menigten dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelfde zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, de profeet. 30 Want zoals Jona de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen zijn deze geslachte. 31 De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden van de aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier. 32 De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelfde veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en ziet, meer dan Jona is hier! 33 En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen. 34 De kaars van het lichaam is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw hele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw hele lichaam duister. 35 Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, duisternis zij. 36 Als dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, zoals wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht. 37 Als Hij nu dit sprak, bad Hem een zeker Farizeër, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan. 38 En de Farizeër, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had. 39 En de Heere zei tot hem: Nu u Farizeën, u reinigt het buitenste van de drinkbeker en van de schotel; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid. 40 U onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt? 41 Maar geeft tot liefdegave, wat daarin is; en ziet, alles is u rein. 42 Maar wee u, Farizeën, want u vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en u gaat voorbij het oordeel en de liefde van God. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten. 43 Wee u, Farizeën, want u houdt van het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten. 44 Wee u, u Schriftgeleerden en Farizeën, u huichelaars, want u bent zoals de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet. 45 En één van de wetgeleerden, antwoordende, zei tot Hem: Meester! als U deze dingen zegt, zo doet U ook ons smaad aan. 46 Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden! want u belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet aan met één van uw vingers. 47 Wee u, want u bouwt de graven van de profeten, en uw vaders hebben dezelfde gedood. 48 Zo getuigt u dan, dat u mee behagen hebt aan de werken van uw vaders; want zij hebben ze gedood, en u bouwt hun graven. 49 Waarom ook de wijsheid van God zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen; 50 Opdat van dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging van de wereld af. 51 Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis van God; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht! 52 Wee u, u wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen; u bent niet ingegaan, en die ingingen, hebt u verhinderd. 53 En als Hij deze dingen tot hen zei, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeën hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken; 54 Hem hinderlagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten. ### Lukas 12 1 Intussen als vele duizenden van de menigte bijeenvergaderd waren, zodat zij elkaar vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Allereerst wees op uw hoede voor het zuurdesem van de Farizeën, dat is de huichelarij. 2 En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden. 3 Daarom, al wat u in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat u in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden. 4 En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vrees u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen. 5 Maar Ik zal u tonen, Wie u vrezen zult: vrees Die, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Die! 6 Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penninkjes? En niet één van die is voor God vergeten. 7 Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Vrees dan niet; u gaat vele musjes te boven. 8 En Ik zeg u: Een ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God. 9 Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God. 10 En een ieder die enig woord spreken zal tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, die zal het niet vergeven worden. 11 En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo wees niet bezorgd, hoe of wat u tot verantwoording zeggen, of wat u spreken zult; 12 Want de Heilige Geest zal u op dat moment leren, wat u spreken moet. 13 En één uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer, dat hij met mij de erfenis dele. 14 Maar Hij zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over u gesteld? 15 En Hij zei tot hen: Zie toe en wees op uw hoede voor de gierigheid; want het is niet in de overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen. 16 En Hij zei tot hen een gelijkenis, en sprak: Het land van een rijke man had wel gedragen; 17 En hij overlegde bij zichzelf, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen. 18 En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal daar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen; 19 En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! u hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk. 20 Maar God zei tot hem: U dwaas! in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en wat u bereid hebt, van wie zal het zijn? 21 Zo is het met die, die zichzelf schatten verzamelt, en niet rijk is in God. 22 En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd voor uw leven, wat u eten zult, noch voor het lichaam, waarmee u zich kleden zult. 23 Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. 24 Let op de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, die geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelfde; hoeveel gaat u de vogels te boven? 25 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? 26 Als u dan ook het minste niet kunt, wat bent u voor de andere dingen bezorgd? 27 Beschouw de leliën, hoe zij groeien; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als één van deze. 28 Als nu God het gras dat vandaag op het veld is, en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel meer u, u kleingelovigen! 29 En u, vraagt niet, wat u eten, of wat u drinken zult; en wees niet wankelmoedig. 30 Want al deze dingen zoeken de volken van de wereld; maar uw Vader weet, dat u deze dingen behoeft. 31 Maar zoekt het Koninkrijk van God, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. 32 Vrees niet, u klein kuddeken, want het is het welbehagen van de Vader, u het Koninkrijk te geven. 33 Verkoop wat u hebt, en geeft een liefdegave. Maak uzelf beurzen, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft. 34 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. 35 Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende. 36 En bent u de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem meteen mogen opendoen. 37 Zalig zijn die dienaren, die de heer, als hij komt, zal wakend vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen. 38 En zo hij komt in de tweede nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen zo, zalig zijn dezelfde dienaren. 39 Maar weet dit, dat, als de heer van het huis geweten had, op welk uur de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. 40 U dan, wees ook bereid; want op welk uur u het niet meent, zal de Zoon des mensen komen. 41 En Petrus zei tot Hem: Heere! zegt U deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen? 42 En de Heere zei: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, die de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun op de juiste tijd het bescheiden deel voedsel te geven? 43 Zalig is de dienaar, die zijn heer, als hij komt, zal vinden, zo doende. 44 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal. 45 Maar als dezelfde dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer wacht te komen; en zou beginnen de knechten en de dienaressen te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden; 46 Zo zal de heer dezelfde dienaars komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen. 47 En die dienaar, die geweten heeft de wil van zijn heer, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden. 48 Maar die dezelfde niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waard zijn, die zal met weinig slagen geslagen worden. En een ieder wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden; en wie men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen. 49 Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, als het al ontstoken is? 50 Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe word Ik beklemd, totdat het volbracht is! 51 Denkt u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar eerder verdeeldheid. 52 Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie. 53 De vader zal tegen de zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen de vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. 54 En Hij zei ook tot de menigten: Wanneer u een wolk ziet opgaan van het westen, meteen zegt u: Er komt regen; en het gebeurt zo. 55 En wanneer u de zuidenwind ziet waaien, zo zegt u: Er zal hitte zijn; en het gebeurt. 56 U huichelaars, het aangezicht van de aarde en van de hemel weet u te duiden; en hoe duidt u deze tijd niet? 57 En waarom oordeelt u ook van uzelf niet, wat recht is? 58 Want als u heengaat met uw tegenpartij voor de overheid, zo doet moeite op de weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor de rechter sleept, en de rechter u de gerechtsdienaar overlevert, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. 59 Ik zeg u: U zult van daar in geen geval uitgaan, voordat u ook het laatste penninkje betaald zult hebben. ### Lukas 13 1 En er waren op dat tijdstip enige aanwezig, die Hem boodschapten van de Galileërs, van wie Pilatus het bloed met hun offergaven gemengd had. 2 En Jezus antwoordde, en zei tot hen: Denkt u, dat deze Galileërs zondaars zijn geweest boven al de Galileërs, omdat zij dat geleden hebben? 3 Ik zeg u: Nee zij; maar als u zich niet bekeert, zo zult u allen evenzo vergaan. 4 Of die achttien, op wie de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent u, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen? 5 Ik zeg u: Nee zij; maar als u zich niet bekeert, zo zult u allen ook vergaan. 6 En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet. 7 En hij zei tot de wijngaardenier: Zie, ik kom nu drie jaar, zoekende vrucht op deze vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook nutteloos de aarde? 8 En hij, antwoordende, zei tot hem: Heere, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben; 9 En als hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar als niet, zo zult u hem later uithouwen. 10 En Hij leerde op de sabbat in één van de synagogen. 11 En ziet, er was een vrouw, die een geest van de ziekte achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich geheel niet oprichten. 12 En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zei tot haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte. 13 En Hij legde de handen op haar; en zij werd meteen weer recht, en verheerlijkte God. 14 En de overste van de synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de menigte: Er zijn zes dagen, waarin men moet werken; kom dan daarin, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat. 15 De Heere dan antwoordde hem en zei: U geveinsde, maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? 16 En deze, die een dochter van Abraham is, die de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van deze band, op de dag van de sabbat? 17 En als Hij dit zei, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de menigte verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem gebeurden. 18 En Hij zei: Waaraan is het Koninkrijk van God gelijk, en waarbij zal Ik hetzelfde vergelijken? 19 Het is gelijk aan een mostaardzaad, dat een mens genomen en in zijn tuin geworpen heeft; en het groeide op, en werd tot een grote boom, en de vogels des hemels nestelden in zijn takken. 20 En Hij zei opnieuw: Waarbij zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken? 21 Het is gelijk aan een zuurdesem, die een vrouw nam, en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was. 22 En Hij reisde van de ene stad en plaats tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem. 23 En er zei een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zei tot hen: 24 Strijd om in te gaan door de nauwe poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; 25 Namelijk nadat de Heere van het huis zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en u zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, vanwaar u bent. 26 Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw aanwezigheid gegeten en gedronken, en U hebt in onze straten geleerd. 27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, vanwaar u bent; wijk van Mij af, alle u werkers van de ongerechtigheid! 28 Daar zal zijn gehuil en knersing van de tanden, wanneer u zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk van God, maar u buiten uitgeworpen. 29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk van God. 30 En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn. 31 Op dezelfde dag kwamen er enige Farizeën, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden. 32 En Hij zei tot hen: Ga heen, en zegt die vos: Zie, Ik werp demonen uit, en maak gezond, vandaag en morgen, en op de derde dag worde Ik voltooid. 33 Maar Ik moet vandaag, en morgen, en de volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem. 34 Jeruzalem, Jeruzalem! u, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe vaak heb Ik uw kinderen willen bijeenbrengen, zoals een hen haar kuikens onder de vleugels verzamelt; en u hebt niet gewild? 35 Zie, uw huis wordt u woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat u Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als u zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere! ### Lukas 14 1 En het gebeurde, als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de Farizeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten. 2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem. 3 En Jezus, antwoordende, zei tot de wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op de sabbat gezond te maken? 4 Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan. 5 En Hij, hun antwoordende, zei: Wie van u zal, als zijn ezel of os in een put valt, hem er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat? 6 En zij konden Hem daarop niet weer antwoorden. 7 En Hij zei tot de genodigden een gelijkenis, beschouwende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen: 8 Wanneer u van iemand ter bruiloft uitgenodigd zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien één waardiger dan u van hem uitgenodigd zij; 9 En hij, komende, die u en hem uitgenodigd heeft, tot u zeg: Geef deze plaats; en u dan zou beginnen met schaamte de laatste plaats te houden. 10 Maar wanneer u uitgenodigd zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u uitgenodigd heeft, hij tot u zeg: Vriend, ga hoger op. Dan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten. 11 Want een ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. 12 En Hij zei ook tot degene die Hem uitgenodigd had: Wanneer u een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broers, noch uw familieleden, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelfde u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding gebeure. 13 Maar wanneer u een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden; 14 En u zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen. 15 En als één van degenen, die mee aanzaten, deze dingen hoorde, zei hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk van God. 16 Maar Hij zei tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij nodigde er velen. 17 En hij zond zijn dienaar uit op het moment van het avondmaal, om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed. 18 En zij begonnen allen zich eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 19 En een ander zei: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. 20 En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. 21 En dezelfde dienaar weer gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer van het huis boos, en zei tot zijn dienaar: Ga haastig uit in de straten en wijken van de stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in. 22 En de dienaar zei: Heere, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt, en nog is er plaats. 23 En de heer zei tot de dienaar: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; 24 Want ik zeg u, dat niemand van die mannen, die uitgenodigd waren, mijn avondmaal smaken zal. 25 En vele menigten gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zei tot hen: 26 Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broers, en zussen, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. 27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn. 28 Want wie van u, die een toren wil bouwen, zit niet eerst neer, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, wat tot voltooiing nodig is? 29 Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft, en niet kan voltooien, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten. 30 Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voltooien. 31 Of wat koning, gaande naar de oorlog, om tegen een andere koning te slaan, zit niet eerst neer, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten degene, die met twintig duizend tegen hem komt? 32 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, wat tot vrede dient. 33 Zo dan ieder van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn. 34 Het zout is goed; maar als het zout smakeloos geworden is, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden? 35 Het is noch tot het land, noch tot de mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore. ### Lukas 15 1 En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen. 2 En de Farizeën en de Schriftgeleerden morden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen. 3 En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende: 4 Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en één van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelfde vinde? 5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde. 6 En te huis komende, roept hij de vrienden en de buren samen, zeggende tot hen: Wees blij met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was. 7 Ik zeg u, dat er zo blijdschap zal zijn in de hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben. 8 Of wat vrouw, hebbende tien penningen, als zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt ijverig, totdat zij die vindt? 9 En als zij die gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de buurvrouwen samen, zeggende: Wees blij met mij; want ik heb de penning gevonden, die ik verloren had. 10 Zo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen van God over een zondaar, die zich bekeert. 11 En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen. 12 En de jongste van hen zei tot de vader: Vader, geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. 13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft daar zijn goed doorgebracht, levende overdadig. 14 En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. 15 En hij ging heen, en voegde zich bij één van de burgers van dat land; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden. 16 En hij begeerde zijn buik te vullen met het varkensvoer dat de zwijnen aten; en niemand gaf het hem. 17 En tot zichzelf gekomen zijnde, zei hij: Hoe vele dagloners van mijn vader hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! 18 Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u; 19 En ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden; maak mij als één van uw dagloners. 20 En opstaande ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem. 21 En de zoon zei tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel, en voor u, en ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden. 22 Maar de vader zei tot zijn dienaren: Breng hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; 23 En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. 24 Want deze mijn zoon was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn. 25 En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis naderde, hoorde hij het gezang en de reidans, 26 En tot zich geroepen hebbende één van de knechten, vroeg wat dat mocht zijn. 27 En deze zei tot hem: Uw broer is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weer ontvangen heeft. 28 Maar hij werd boos, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem. 29 Maar hij, antwoordende, zei tot de vader: Zie, ik die u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en u hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn. 30 Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt u hem het gemeste kalf geslacht. 31 En hij zei tot hem: Kind, u bent altijd bij mij, en al het mijne is van U. 32 Men behoorde dan vrolijk en blij te zijn; want deze uw broer was dood, en is weer levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden. ### Lukas 16 1 En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een rentmeester had; en deze werd bij hem aangeklaagd, als die zijn goederen doorbracht. 2 En hij riep hem, en zei tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want u zult niet meer kunnen rentmeester zijn. 3 En de rentmeester zei bij zichzelf: Wat zal ik doen, omdat mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij. 4 Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen. 5 En hij riep tot zich ieder van de schuldenaars van zijn heer, en zei tot de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig? 6 En hij zei: Honderd kruiken olie. En hij zei tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastig vijftig. 7 Daarna zei hij tot een anderen: En u, hoeveel bent u schuldig? En hij zei: Honderd mudden tarwe. En hij zei tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig. 8 En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij gewiekst gehandeld had; want de kinderen van deze wereld zijn gewiekster, dan de kinderen van het licht, in hun geslacht. 9 En Ik zeg u: Maak uzelf vrienden uit de onrechtvaardige mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tenten. 10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig. 11 Zo u dan in de onrechtvaardige mammon niet getrouw bent geweest, wie zal u het ware vertrouwen? 12 En zo u in van een ander goed niet getrouw bent geweest, wie zal u het uwe geven? 13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal de één haten, en de anderen liefhebben, of hij zal de één aanhangen, en de anderen verachten; u kunt God niet dienen en de mammon. 14 En al deze dingen hoorden ook de Farizeën, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem. 15 En Hij zei tot hen: U bent het, die uzelf rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God. 16 De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van die tijd af wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en ieder doet geweld op hetzelfde. 17 En het is gemakkelijker, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet wegvalt. 18 Een ieder die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een ieder die de verlatene van de man trouwt, die doet ook overspel. 19 En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig. 20 En er was een zeker bedelaar, met de naam Lazarus, die lag voor zijn poort vol zweren; 21 En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel van de rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren. 22 En het gebeurde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham. 23 En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot. 24 En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u mijn, en zend Lazarus, dat hij het uiterste van zijn vinger in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijde smarten in deze vlam. 25 Maar Abraham zei: Kind, gedenk, dat u uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus evenzo het kwade; en nu wordt hij vertroost, en u lijdt smarten. 26 En boven dit alles, tussen ons en u is een grote klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen. 27 En hij zei: Ik bid u dan, vader, dat u hem zendt tot het huis van mijn vader; 28 Want ik heb vijf broers; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats van de pijniging. 29 Abraham zei tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen. 30 En hij zei: Nee, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren. 31 Maar Abraham zei tot hem: Als zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al waren het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen. ### Lukas 17 1 En Hij zei tot de discipelen: Het kan niet wezen, dat er geen struikelblokken komen; maar wee hem, door wie zij komen; 2 Het zou hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan was, en hij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze kleinen ten val zou brengen. 3 Wees op uw hoede. En als uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en als het hem leed is, zo vergeef het hem. 4 En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt, en zevenmaal per dag tot u terugkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult u het hem vergeven. 5 En de apostelen zeiden tot de Heere: Vermeerder ons het geloof. 6 En de Heere zei: Zo u een geloof had als een mostaardzaad, u zou tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn. 7 En wie van u heeft een dienaar ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van de akker inkomt, meteen zal zeggen: Kom bij, en zit aan? 8 Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink u daarna? 9 Dankt hij ook dezelfde dienaar omdat hij gedaan heeft, wat hem bevolen was? Ik meen, neen. 10 Zo ook u, wanneer u zult gedaan hebben al wat u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienaren; want wij hebben maar gedaan, wat wij verplicht waren te doen. 11 En het gebeurde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging. 12 En als Hij in een zeker plaats kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die stonden van verre; 13 En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U over ons! 14 En als Hij hen zag, zei Hij tot hen: Ga heen en vertoont uzelf de priesters. En het gebeurde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden. 15 En één van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde opnieuw, met luide stem God verheerlijkende. 16 En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelfde was een Samaritaan; 17 En Jezus, antwoordende, zei: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen? 18 En zijn er geen gevonden, die terugkeren, om voor God eer te geven, dan deze vreemdeling? 19 En Hij zei tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden. 20 En gevraagd zijnde van de Farizeën, wanneer het Koninkrijk van God komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk van God komt niet met uiterlijk gezicht. 21 En men zal niet zeggen: Zie hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk van God is binnen u. 22 En Hij zei tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer u zult begeren één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien. 23 En zij zullen tot u zeggen: Zie hier, of ziet daar is Hij; ga niet heen, en volgt niet. 24 Want zoals de bliksem, die van het ene einde onder de hemel bliksemt, tot het andere onder de hemel schijnt, zo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag. 25 Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. 26 En zoals het gebeurd is in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen. 27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot de dag, op welke Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. 28 Evenzo ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden; 29 Maar op de dag, op welke Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van de hemel, en verdierf ze allen. 30 Even zo zal het zijn in de dag, op welke de Zoon des mensen geopenbaard zal worden. 31 In die dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelfde weg te nemen; en wie op de akker zijn zal, die kere evenzo niet naar wat, dat achter is. 32 Gedenk aan de vrouw van Lot. 33 Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelfde zal verliezen, die zal het in het leven behouden. 34 Ik zeg u: In die nacht zullen twee op één bed zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 35 Twee vrouwen zullen samen malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden. 36 Twee zullen op de akker zijn; de één zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden. 37 En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zei tot hen: Waar het lichaam is, daar zullen de adelaars verzameld worden. ### Lukas 18 1 En Hij zei ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen; 2 Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag. 3 En er was een zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn tegenpartij. 4 En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees, en geen mens ontzie; 5 Toch, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. 6 En de Heere zei: Hoor, wat de onrechtvaardige rechter zegt. 7 Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij geduldig is over hen? 8 Ik zeg u, dat Hij hun haastig recht doen zal. Maar de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? 9 En Hij zei ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden, de één was een Farizeër, en de ander een tollenaar. 11 De Farizeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God! ik dank U, dat ik niet ben zoals de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook zoals deze tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit. 13 En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! 14 Ik zeg u: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden. 15 En zij brachten ook de kinderen tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelfde. 16 Maar Jezus riep dezelfde kinderen tot Zich, en zei: Laat de kinderen tot Mij komen, en verhindert hen niet; want voor zulke mensen is het Koninkrijk van God. 17 Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk van God niet zal ontvangen als een kind, die zal in geen geval in hetzelfde komen. 18 En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? 19 En Jezus zei tot hem: Wat noemt u Mij goed? Niemand is goed, dan Één, namelijk God. 20 U weet de geboden: U zult geen overspel doen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder. 21 En hij zei: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd aan. 22 Maar Jezus, dit horende, zei tot hem: Nog een ding ontbreekt u; verkoop alles, wat u hebt, en deel het onder de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij. 23 Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk. 24 Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zei: Hoe moeilijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk van God ingaan! 25 Want het is gemakkelijker, dat een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk van God inga. 26 En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden? 27 En Hij zei: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God. 28 En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd. 29 En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broers, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk van God; 30 Die niet zal veelvoudig weer ontvangen in deze tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven. 31 En Hij nam de twaalven bij Zich, en zei tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan de Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten. 32 Want Hij zal de heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden. 33 En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en op de derde dag zal Hij wederopstaan. 34 En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, wat gezegd werd. 35 En het gebeurde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan de weg zat, bedelende. 36 En deze, horende de menigte voorbijgaan, vraagde, wat dat was. 37 En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. 38 En hij riep, zeggende: Jezus, U Zoon van David, ontferm U over mij! 39 En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zoon van David, ontferm U mijn! 40 En Jezus, stil staande, beval, dat men dezelfde tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem, 41 Zeggende: Wat wilt u, dat Ik u doen zal? En hij zei: Heere! dat ik ziende mag worden. 42 En Jezus zei tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden. 43 En meteen werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf voor God lof. ### Lukas 19 1 En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho. 2 En zie, er was een man, met name geheten Zacheüs; en deze was een overste van de tollenaren, en hij was rijk; 3 En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de menigte, omdat hij klein van persoon was. 4 En vooruitlopende, klom hij op een wilde vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door die weg voorbijgaan. 5 En als Jezus aan die plaats kwam, omhoog ziende, zag Hij hem, en zei tot hem: Zacheüs! haast u, en kom af; want Ik moet vandaag in uw huis blijven. 6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap. 7 En allen, die het zagen, morden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen. 8 En Zacheüs stond, en zei tot de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik de armen; en als ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weer. 9 En Jezus zei tot hem: Vandaag is deze huize zaligheid gebeurd, aangezien ook deze een zoon van Abraham is. 10 Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. 11 En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zei een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij dachten, dat het Koninkrijk van God meteen zou openbaar worden. 12 Hij zei dan: Een zekere man van hoge geboorte reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en dan terug te keren. 13 En geroepen hebbende zijn tien dienaren, gaf hij hun tien ponden, en zei tot hen: Doe zaken, totdat ik terugkom. 14 En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij. 15 En het gebeurde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zei, dat die dienaren tot hem zouden geroepen worden, wie hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat ieder met handelen gewonnen had. 16 En de eerste kwam, en zei: Heere, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. 17 En hij zei tot hem: Wel, u goede dienaar, omdat u in het minste getrouw bent geweest, zo wees machthebber over tien steden. 18 En de tweede kwam, en zei: Heere, uw pond heeft vijf ponden gewonnen. 19 En hij zei ook tot deze: En u, wees over vijf steden. 20 En een ander kwam, zeggende: Heere, zie hier uw pond, dat ik in een zweetdoek weggelegd had; 21 Want ik vreesde u, omdat u een streng mens bent; u neemt weg, wat u niet gelegd hebt, en u maait, wat u niet gezaaid hebt. 22 Maar hij zei tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, u slechte dienaar! U wist, dat ik een streng mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb. 23 Waarom hebt u dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelfde met rente mogen eisen? 24 En hij zei tot degenen, die bij hem stonden: Neem dat pond van hem weg, en geeft het die, die de tien ponden heeft. 25 En zij zeiden tot hem: Heere, hij heeft tien ponden. 26 Want ik zeg u, dat een ieder die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van die zal genomen worden ook wat hij heeft. 27 Maar deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood. 28 En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem. 29 En het gebeurde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanië gekomen was, aan de berg, genoemd de Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond, 30 Zeggende: Ga heen in dat plaats, dat tegenover is; in dat inkomende, zult u een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbind hetzelfde, en brengt het. 31 En als iemand u vraagt: Waarom ontbindt u dat, zo zult u zo tot hem zeggen: Omdat het de Heere nodig heeft. 32 En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, zoals Hij hun gezegd had. 33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelfde tot hen: Waarom ontbindt u het veulen? 34 En zij zeiden: De Heere heeft het nodig. 35 En zij brachten hetzelfde tot Jezus. En hun kleren op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop. 36 En als Hij voort reisde, spreidden zij hun kleren onder Hem op de weg. 37 En als Hij nu naderde aan de afgang van de Olijfberg, begon al de menigte van de discipelen zich te verblijden, en God te loven met luide stem, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden; 38 Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heere! Vrede zij in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen! 39 En sommigen van de Farizeën uit de menigte zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. 40 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zeg u, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen. 41 En als Hij nabij kwam, en de stad zag, huilde Hij over haar, 42 Zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, wat tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen. 43 Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; 44 En zullen u tot de grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u de één steen op de anderen steen niet laten; daarom dat u de tijd van uw bezoeking niet bekend hebt. 45 En gegaan zijnde in de tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten, 46 Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis van het gebed; maar u hebt dat tot een kuil van de moordenaren gemaakt. 47 En Hij leerde dagelijks in de tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten van het volk zochten Hem te doden. 48 En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem. ### Lukas 20 1 En het gebeurde in één van die dagen, als Hij in de tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen, 2 En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht U deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? 3 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij: 4 De doop van Johannes, was die uit de Hemel, of uit de mensen? 5 En zij overlegden onder zich, zeggende: Als wij zeggen: Uit de Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt u dan hem niet geloofd? 6 En als wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. 7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was. 8 En Jezus zei tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe. 9 En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde die aan landbouwers, en trok een langen tijd buiten 's lands. 10 En als het de tijd was, zond hij tot de landbouwers een dienaar, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard geven zouden; maar de landbouwers sloegen dezelfde, en zonden hem leeg heen. 11 En opnieuw zond hij nog een andere dienaar; maar ook die geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem leeg heen. 12 En opnieuw zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook deze, en wierpen hem uit. 13 En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien. 14 Maar als de landbouwers hem zagen, overlegden zij onder elkaar, en zeiden: Deze is de erfgenaam; kom, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. 15 En als zij hem buiten de wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard hun doen? 16 Hij zal komen en deze landbouwers verderven, en zal de wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Volstrekt niet! 17 Maar Hij zag hen aan, en zei: Wat is dan dit, dat geschreven staat: De steen, die de bouwers verworpen hebben, deze is tot een hoeksteen geworden? 18 Een ieder die op die steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. 19 En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten op dat moment de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had. 20 En zij namen Hem waar, en zonden spionnen uit, die zichzelf veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht van de stadhouder over te leveren. 21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat U recht spreekt en leert, en de persoon niet aanneemt, maar de weg van God leert in van de waarheid. 22 Is het ons geoorloofd de keizer schatting te geven, of niet? 23 En Hij, hun sluwheid bemerkte, zei tot hen: Wat verzoekt u Mij? 24 Toon Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Van de keizers. 25 En Hij zei tot hen: Geef dan de keizer, dat van de keizer is, en voor God, dat Gods is. 26 En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil. 27 En tot Hem kwamen sommigen van de Sadduceën, die tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, 28 Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broer sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broer de vrouw nemen zal, en zijn broer zaad verwekken. 29 Er waren nu zeven broers; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen. 30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen. 31 En de derde nam dezelfde vrouw; en evenzo ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. 32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw. 33 In de opstanding dan, wiens vrouw van deze zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelfde tot een vrouw gehad. 34 En Jezus, antwoordende, zei tot hen: De kinderen van deze eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; 35 Maar die waard zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; 36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn de engelen gelijk; en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn. 37 En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij de Heere noemt de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob. 38 God nu is niet een God van de doden, maar van de levenden; want zij leven Hem allen. 39 En sommigen van de Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! U hebt wel gezegd. 40 En zij durfden Hem niet meer iets vragen. 41 En Hij zei tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is? 42 En David zelf zegt in het boek van de psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, 43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. 44 David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon? 45 En daar al het volk het hoorde, zei Hij tot Zijn discipelen: 46 Wees op uw hoede voor de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange kleren, en houden van de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden; 47 Die van de weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; deze zullen zwaarder oordeel ontvangen. ### Lukas 21 1 En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen. 2 En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen. 3 En Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen. 4 Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al de leeftocht, die zij had, daarin geworpen. 5 En als sommigen zeiden van de tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zei Hij: 6 Wat deze dingen betreft, die u aanschouwt, er zullen dagen komen, waarin niet een steen op de anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken. 7 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen gebeuren? 8 En Hij zei: Zie, dat u niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na. 9 En wanneer u zult horen van oorlogen en onlusten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst gebeuren; maar nog is meteen het einde niet. 10 Toen zei Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk. 11 En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van de hemel gebeuren. 12 Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan u slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en u zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, omwille van Mijn Naam. 13 En dit zal u overkomen tot een getuigenis. 14 Neem dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe u zich verantwoorden zult; 15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, die niet zullen kunnen tegenspreken, noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten. 16 En u zult overgeleverd worden ook van ouders, en broers, en familieleden, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden. 17 En u zult van allen gehaat worden omwille van Mijn Naam. 18 Maar niet één haar uit uw hoofd zal verloren gaan. 19 Bezit uw zielen in uw volharding. 20 Maar wanneer u zien zult, dat Jeruzalem door legers omsingeld wordt, zo weet dan, dat haar verwoesting nabij gekomen is. 21 Dan die in Judea zijn, dat zij vluchten naar de bergen; en die in het midden daarvan zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij daarin niet komen. 22 Want deze zijn dagen van de wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is. 23 Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk. 24 En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard, en als gevangene weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn. 25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven; 26 En de mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen, die het aarde zullen overkomen; want de krachten van de hemelen zullen bewogen worden. 27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid. 28 Als nu deze dingen beginnen te gebeuren, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden omhoog, omdat uw verlossing nabij is. 29 En Hij zei tot hen een gelijkenis: Zie de vijgeboom, en al de bomen. 30 Wanneer zij nu uitspruiten, en u dat ziet, zo weet u uit uzelf, dat de zomer nu nabij is. 31 Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, zo weet, dat het Koninkrijk van God nabij is. 32 Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht in geen geval zal voorbijgaan, totdat alles zal gebeurd zijn. 33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen in geen geval voorbijgaan. 34 En pas op dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgen van het leven, en dat u die dag niet onvoorziens over kome. 35 Want zoals een strik zal hij komen over al degenen, die op de ganse aardbodem gezeten zijn. 36 Waak dan altijd, biddende, dat u mag waard geacht worden te ontvluchten al deze dingen, die gebeuren zullen, en te staan voor de Zoon des mensen. 37 Vanaf die dag was Hij lerende in de tempel; maar in de nacht ging Hij uit, en overnachtte op de berg, genoemd de Olijfberg. 38 En al het volk kwam vroeg in de morgen tot Hem in de tempel, om Hem te horen. ### Lukas 22 1 En het feest van de ongezuurde broden, genoemd pascha, was nabij. 2 En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk. 3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal van de twaalven. 4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden. 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer. 7 En de dag van de ongezuurde broden kwam, op die het pascha moest geslacht worden. 8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Ga heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen. 9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt U, dat wij het bereiden? 10 En Hij zei tot hen: Zie, als u in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik water; volg hem in het huis, daar hij ingaat. 11 En u zult zeggen tot de huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal? 12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het daar. 13 En zij, heengaande, vonden het, zoals Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha. 14 En als het uur gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem. 15 En Hij zei tot hen: Ik heb enorm begeerd, dit pascha met u te eten, voordat Ik lijde; 16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk van God. 17 En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zei Hij: Neem deze, en deelt hem onder u. 18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk van God zal gekomen zijn. 19 En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doe dat tot Mijn herinnering. 20 Evenzo ook de drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt. 21 Maar zie, de hand van degene, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel. 22 En de Zoon des mensen gaat wel heen, zoals besloten is; maar wee die mens, door welke Hij verraden wordt! 23 En zij begonnen onder elkaar te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou. 24 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn. 25 En Hij zei tot hen: De koningen van de volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldoeners genoemd. 26 Maar u niet zo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient. 27 Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als één die dient. 28 En u bent degenen, die met Mij steeds gebleven bent in Mijn verzoekingen. 29 En Ik beschik u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat Mij bestemd heeft; 30 Opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten van Israël. 31 En de Heere zei: Simon, Simon, ziet, de satan heeft u zeer begeerd om te ziften als de tarwe; 32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en u, als u eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders. 33 En hij zei tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan. 34 Maar Hij zei: Ik zeg u, Petrus, de haan zal vandaag niet kraaien, voordat u drie keer zult verloochend hebben, dat u Mij kent. 35 En Hij zei tot hen: Als Ik u uitzond, zonder beurs, en reiszak, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets. 36 Hij zei dan tot hen: Maar nu, wie een beurs heeft, die neme hem, evenzo ook een reiszak; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard. 37 Want Ik zeg u, dat nog dit, dat geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde. 38 En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zei tot hen: Het is genoeg. 39 En uitgaande, vertrok Hij, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen. 40 En als Hij aan die plaats gekomen was, zei Hij tot hen: Bid, dat u niet in verzoeking komt. 41 En Hij scheidde Zich van hen af, ongeveer een steenworp; en knielde neer en bad, 42 Zeggende: Vader, of U wilde deze drinkbeker van Mij wegnemen, maar niet Mijn wil, maar de van U gebeure. 43 En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte. 44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote druppels bloed, die op de aarde afliepen. 45 En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van verdriet. 46 En Hij zei tot hen: Wat slaapt u? Sta op en bidt, opdat u niet in verzoeking komt. 47 En als Hij nog sprak, ziet daar een menigte; en één van de twaalven, die genoemd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen. 48 En Jezus zei tot hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus? 49 En die bij Hem waren, ziende, wat er gebeuren zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan? 50 En één uit hen sloeg de dienaar van de hogepriester, en hieuw hem zijn rechteroor af. 51 En Jezus, antwoordende, zei: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem. 52 En Jezus zei tot de overpriesters, en de hoofdmannen van de tempel, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Bent u uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar? 53 Als Ik dagelijks met u was in de tempel, zo hebt u de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw uur, en de macht van de duisternis. 54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis van de hogepriester. En Petrus volgde van verre. 55 En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij samen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen. 56 En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zei: Ook deze was met Hem. 57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet. 58 En kort daarna een ander, hem ziende, zei: Ook u bent van die. Maar Petrus zei: Mens, ik ben niet. 59 En als het ongeveer een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In van de waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileër. 60 Maar Petrus zei: Mens, ik weet niet, wat u zegt. En meteen, als hij nog sprak, kraaide de haan. 61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord van de Heere, hoe Hij hem gezegd had: Voordat de haan zal gekraaid hebben, zult u Mij drie keer verloochenen. 62 En Petrus, naar buiten gaande, huilde bitter. 63 En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem. 64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft? 65 En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterend. 66 En als het dag geworden was, verzamelden de ouderlingen van het volk, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad, 67 Zeggende: Bent U de Christus, zeg het ons. En Hij zei tot hen: Als Ik het u zeg, u zult het niet geloven; 68 En als Ik ook vraag, u zult Mij niet antwoorden, of loslaten; 69 Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht van God. 70 En zij zeiden allen: Bent U dan de Zoon van God? En Hij zei tot hen: U zegt, dat Ik het ben. 71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis nodig? Want wij zelf hebben het uit Zijn mond gehoord. ### Lukas 23 1 En de hele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus. 2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk afvallig maakt, en verbiedt de keizer belasting te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is. 3 En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Bent U de Koning van de Joden? En Hij antwoordde hem en zei: U zegt het. 4 En Pilatus zei tot de overpriesters en de menigten: Ik vind geen schuld in deze Mens. 5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe. 6 Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileër was? 7 En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was. 8 En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden. 9 En hij vraagde Hem met vele woorden; maar Hij antwoordde hem niets. 10 En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftig. 11 En Herodes met zijn soldaten Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weer tot Pilatus. 12 En op deze dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkaar; want zij waren te voren in vijandschap tegen de anderen. 13 En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zei hij tot hen: 14 U hebt deze Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw aanwezigheid ondervraagd, en heb in deze Mens geen schuld gevonden, van wat daar u Hem mee beschuldigt; 15 Ja, ook Herodes niet; want ik heb u tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat van de dood waard is. 16 Zo zal ik Hem dan straffen en loslaten. 17 En hij moest hun op het feest een loslaten. 18 Maar al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Deze, en laat ons Bar-abbas los. 19 Die was om zeker oproer, dat in de stad gebeurd was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen. 20 Pilatus dan riep hun opnieuw toe, willende Jezus loslaten. 21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! 22 En hij zei voor de derde keer tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld van de dood in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan straffen en loslaten. 23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger. 24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis gebeuren zou. 25 En hij liet hun los degene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, die zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil. 26 En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van de akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. 27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, die ook huilden en Hem beklaagden. 28 En Jezus, Zich tot haar kerende, zei: U dochters van Jeruzalem! ween niet over Mij, maar weent over uzelf, en over uw kinderen. 29 Want ziet, er komen dagen, waarin men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben. 30 Dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Val op ons; en tot de heuvelen: Bedek ons. 31 Want als zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre gebeuren? 32 En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden. 33 En toen zij kwamen op de plaats, genoemd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem daar, en de kwaaddoeners, de één aan de rechterzijde en de ander aan de linkerzijde. 34 En Jezus zei: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn kleren, wierpen zij het lot. 35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelf verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene van God. 36 En ook de soldaten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem azijn; 37 En zeiden: Als u de Koning van de Joden bent, zo verlos Uzelf. 38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING VAN DE JODEN. 39 En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Als U de Christus bent, verlos Uzelf en ons. 40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest u ook God niet, daar u in hetzelfde oordeel bent? 41 En wij toch rechtvaardig; want wij ontvangen straf, waard wat wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. 42 En hij zei tot Jezus: Heere, gedenk mijn, als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. 43 En Jezus zei tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Vandaag zult u met Mij in het Paradijs zijn. 44 En het was ongeveer het zesde uur, en er werd duisternis over de hele aarde, tot het negende uur toe. 45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel van de tempel scheurde midden door. 46 En Jezus, roepende met luide stem, zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. 47 Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God, en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig. 48 En al de menigten, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die gebeurd waren, keerden opnieuw, slaande op hun borsten. 49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem samen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan. 50 En zie, een man, met de naam Jozef, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man, 51 (Deze had niet mee bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad van de Joden, en die ook zelf het Koninkrijk van God verwachtte; 52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. 53 En als hij hetzelfde afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was. 54 En het was de dag van de voorbereiding, en de sabbat kwam aan. 55 En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. 56 En teruggekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op de sabbat rustten zij naar het gebod. ### Lukas 24 1 En op de eerste dag van de week, zeer vroeg in het morgenuur, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. 2 En zij vonden de steen afgewenteld van het graf. 3 En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van de Heere Jezus niet. 4 En het gebeurde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleren. 5 En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt u de Levende bij de doden? 6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenk, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was, 7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen van de zondige mensen, en gekruisigd worden, en op de derde dag wederopstaan. 8 En zij werden indachtig van Zijn woorden. 9 En teruggekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen. 10 En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden. 11 En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet. 12 Maar Petrus opstaande, liep tot het graf, en neerbuigend, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelf van wat gebeurd was. 13 En zie, twee van hen gingen op deze dag naar een plaats, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, waarvan de naam Emmaüs was; 14 En zij spraken samen onder elkaar van al deze dingen, die er gebeurd waren. 15 En het gebeurde, terwijl zij samen spraken, en elkaar ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. 16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden. 17 En Hij zei tot hen: Wat redenen zijn dit, die u, wandelende, onder elkaar verhandelt, en waarom ziet u droevig? 18 En de één, van wie de naam Kleopas was, antwoordende, zei tot Hem: Bent U alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin gebeurd zijn? 19 En Hij zei tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus de Nazarener, die een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. 20 En hoe onze overpriesters en oversten Dezelfde overgeleverd hebben tot het oordeel van de dood, en Hem gekruisigd hebben. 21 En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Maar ook, naast dit alles, is het vandaag de derde dag, van dat deze dingen gebeurd zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in de morgenstond aan het graf geweest zijn; 23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een visioen van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. 24 En sommigen van degenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het zo, zoals ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet. 25 En Hij zei tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten gesproken hebben! 26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en zo in Zijn heerlijkheid ingaan? 27 En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, wat van Hem geschreven was. 28 En zij kwamen nabij de plaats, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. 29 En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. 30 En het gebeurde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. 31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht. 32 En zij zeiden tot elkaar: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op de weg, en als Hij ons de Schriften opende? 33 En zij, opstaande op dat moment, keerden weer naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren; 34 Die zeiden: De Heere is werkelijk opgestaan, en is van Simon gezien. 35 En zij vertelden, wat op de weg gebeurd was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken van het brood. 36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zei tot hen: Vrede zij u! 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen. 38 En Hij zei tot hen: Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten? 39 Zie Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tas Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, zoals u ziet, dat Ik heb. 40 En als Hij dit zei, toonde Hij hun de handen en de voeten. 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tot hen: Hebt u hier iets om te eten? 42 En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten. 43 En Hij nam het, en at het voor hun ogen. 44 En Hij zei tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen. 45 Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden. 46 En zei tot hen: Zo is er geschreven, en zo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan op de derde dag. 47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving van de zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem. 48 En u bent getuigen van deze dingen. 49 En ziet, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft u in de stad Jeruzalem, totdat u zult bekleed zijn met kracht uit de hoogte. 50 En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. 51 En het gebeurde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel. 52 En zij aanbaden Hem, en keerden weer naar Jeruzalem met grote blijdschap. 53 En zij waren alle tijd in de tempel, lovende en dankende God. Amen. ## Johannes ### Johannes 1 1 In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. 2 Dit was in het begin bij God. 3 Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is. 4 In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht van de mensen. 5 En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. 6 Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. 7 Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden. 8 Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou. 9 Dit was het waarachtige Licht, Dat verlicht elk mens, komende in de wereld. 10 Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. 11 Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. 12 Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; 13 Die niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn. 14 En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid. 15 Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Wie ik zei: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik. 16 En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. 17 Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. 18 Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard. 19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie bent u? 20 En hij beleed en ontkende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet. 21 En zij vraagden hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben die niet. Bent u de profeet? En hij antwoordde: Nee. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven mogen degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt u van uzelf? 23 Hij zei: Ik ben de stem van de roepende in de woestijn: Maak de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft. 24 En de afgezondenen waren uit de Farizeeën; 25 En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt u dan, zo u de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet? 26 Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent; 27 Deze is het, Die na mij komt, die voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden. 28 Deze dingen zijn gebeurd in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende. 29 Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt! 30 Deze is het, van Wie ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik. 31 En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water. 32 En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem. 33 En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt. 34 En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is. 35 Op de andere dag opnieuw stond Johannes, en twee uit zijn discipelen. 36 En ziende op Jezus, daar wandelende, zei hij: Zie, het Lam van God! 37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus. 38 En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zei tot hen: 39 Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (dat is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont U? 40 Hij zei tot hen: Kom en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was ongeveer het tiende uur. 41 Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren. 42 Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus. 43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genoemd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus. 44 Op de andere dag wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zei tot hem: Volg Mij. 45 Filippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus. 46 Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Die gevonden, van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth. 47 En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei van hem: Kom en zie. 48 Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, werkelijk een Israëliet, in wie geen bedrog is. 49 Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat u Filippus riep, daar u onder de vijgeboom was, zag Ik u. 50 Nathanaël antwoordde en zei tot Hem: Rabbi! U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël. 51 Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft u; u zult grotere dingen zien dan deze. 52 En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen. ### Johannes 2 1 En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was daar. 2 En Jezus was ook uitgenodigd, en Zijn discipelen, tot de bruiloft. 3 En als er wijn ontbrak, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. 4 Jezus zei tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn uur is nog niet gekomen. 5 Zijn moeder zei tot de dienaren: Zo wat Hij u zal zeggen, doet dat. 6 En daar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging van de Joden, elk houdende twee of drie metreten. 7 Jezus zei tot hen: Vul de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe. 8 En Hij zei tot hen: Schept nu, en draagt het tot de hofmeester; en zij droegen het. 9 Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, vanwaar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester de bruidegom. 10 En zei tot hem: Alle man zet eerst de goede wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, dan de minderen; maar u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. 11 Dit begin van de tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem. 12 Daarna ging Hij af naar Kapernaüm, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broers, en Zijn discipelen; en zij bleven daar niet vele dagen. 13 En het pascha van de Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 14 En Hij vond in de tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de bankiers daar zittende. 15 En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit de tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld van de bankiers stortte Hij uit, en keerde de tafelen om. 16 En Hij zei tot degenen, die de duiven verkochten: Neem deze dingen van hier weg; maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel. 17 En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. 18 De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont U ons, dat U deze dingen doet? 19 Jezus antwoordde en zei tot hen: Breek deze tempel, en in drie dagen zal Ik deze oprichten. 20 De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over deze tempel gebouwd, en U, zult U die in drie dagen oprichten? 21 Maar Hij zei dit van de tempel van Zijn lichaam. 22 Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had. 23 En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed. 24 Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet, omdat Hij hen allen kende, 25 En omdat Hij niet nodig had, dat iemand getuigen zou van de mens; want Hij Zelf wist, wat in de mens was. ### Johannes 3 1 En er was een mens uit de Farizeeën, wiens naam Nicodemus was, een overste van de Joden; 2 Deze kwam in de nacht tot Jezus, en zei tot Hem: Rabbi, wij weten, dat U bent een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die U doet, zo God met hem niet is. 3 Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand opnieuw geboren wordt, hij kan het Koninkrijk van God niet zien. 4 Nicodemus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in van zijn moeders buik ingaan, en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan. 6 Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees; en wat uit de Geest geboren is, dat is geest. 7 Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden. 8 De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid; maar u weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heen gaat; zo is ieder, die uit de Geest geboren is. 9 Nicodemus antwoordde en zei tot Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren? 10 Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u een leraar van Israël, en weet u deze dingen niet? 11 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en u neemt Onze getuigenis niet aan. 12 Als Ik u de aardse dingen gezegd heb, en u niet gelooft, hoe zult u geloven, als Ik u de hemelse zou zeggen? 13 En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is. 14 En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; 15 Opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 16 Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. 17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. 18 Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. 19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos. 20 Want ieder, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden. 21 Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn. 22 Na deze kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich daar met hen, en doopte. 23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, omdat daar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt. 24 Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen. 25 Er rees dan een vraag van enige uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging. 26 En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Wie u getuigenis gaf, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem. 27 Johannes antwoordde en zei: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. 28 U bent mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben. 29 Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend van de bruidegom, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem van de bruidegom. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden. 30 Hij moet groeien, maar ik minder worden. 31 Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen. 32 En wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan. 33 Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is. 34 Want Die God gezonden heeft, Die spreekt de woorden van God; want God geeft Hem de Geest niet met mate. 35 De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven. 36 Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem. ### Johannes 4 1 Als dan de Heere verstond, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; 2 (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), 3 Zo verliet Hij Judea, en ging opnieuw heen naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genoemd Sichar, nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf. 6 En daar was de fontein van Jakob. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat zo neer naast de fontein. Het was ongeveer het zesde uur. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken. 8 (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden eten kopen.) 9 Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zou u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben. 11 De vrouw zei tot Hem: Heere! U hebt niet om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt U dan het levend water? 12 Bent U meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee? 13 Jezus antwoordde, en zei tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal opnieuw dorsten; 14 Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. 15 De vrouw zei tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. 16 Jezus zei tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zei: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt wel gezegd: Ik heb geen man. 18 Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u met waarheid gezegd. 19 De vrouw zei tot Hem: Heere, ik zie, dat U een profeet bent. 20 Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en u zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden. 22 U aanbidt, wat u niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden. 24 God is één Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. 25 De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genoemd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. 26 Jezus zei tot haar: Ik ben het, Die met u spreek. 27 En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: Wat vraagt U, of: Wat spreekt U met haar? 28 Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zei tot de mensen: 29 Kom, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? 30 Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem. 31 En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet. 32 Maar Hij zei tot hen: Ik heb een voedsel om te eten, die u niet weet. 33 Zo zeiden dan de discipelen tegen elkaar: Heeft Hem iemand te eten gebracht? 34 Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. 35 Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Hef uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn al wit om te oogsten. 36 En die maait, ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich samen verblijde, zowel, die zaait als die maait. 37 Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. 38 Ik heb u uitgezonden, om te maaien, wat u niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en u bent tot hun arbeid ingegaan. 39 En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. 40 Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef daar twee dagen. 41 En er geloofden er veel meer omwille van Zijn woord; 42 En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer vanwege wat u zei; want wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze werkelijk is de Christus, de Zaligmaker van de wereld. 43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea; 44 Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. 45 Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan. 46 Zo kwam dan Jezus opnieuw te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon ziek was, te Kapernaüm. 47 Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. 48 Jezus dan zei tot hem: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven. 49 De koninklijke hoveling zei tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. 50 Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zei, en ging heen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienaren tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! 52 Zo vraagde hij dan van hen het uur, waarin het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren om zeven uur verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan, dat het in dit uur was, in die Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn hele huis. 54 Dit tweede teken heeft Jezus opnieuw gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was. ### Johannes 5 1 Na deze was een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem. 2 En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort, een badwater, dat in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3 In deze lag een grote menigte van zieken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering van het water. 4 Want een engel daalde neer op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was. 5 En daar was een zeker mens, die acht en dertig jaren ziek gelegen had. 6 Jezus, ziende deze liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zei tot hem: Wilt u gezond worden? 7 De zieke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neer. 8 Jezus zei tot hem: Sta op, neem uw bed op, en wandel. 9 En meteen werd de mens gezond, en nam zijn bed op en wandelde. En het was sabbat op deze dag. 10 De Joden zeiden dan tot degene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het bed te dragen. 11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw bed op, en wandel. 12 Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw bed op, en wandel? 13 En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, zo er een grote menigte in die plaats was. 14 Daarna vond hem Jezus in de tempel, en zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers gebeurt. 15 De mens ging heen, en boodschapte de Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had. 16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed. 17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. 18 Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook zei, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelf voor God gelijkenis makende. 19 Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelf doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, het doet ook de Zoon evenzo. 20 Want de Vader heeft de Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat u zich verwondert. 21 Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil. 22 Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel de Zoon gegeven; 23 Opdat zij allen de Zoon eren, zoals zij de Vader eren. Die de Zoon niet eer, eer de Vader niet, Die Hem gezonden heeft. 24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven. 25 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Het uur komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven. 26 Want zoals de Vader het leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelf; 27 En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij van de Mensen Zoon is. 28 Verwonder u daar niet over, want het uur komt, waarin allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen; 29 En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding van het leven, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van de verdoemenis. 30 Ik kan van Mijzelf niets doen. Zoals Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft. 31 Als Ik van Mijzelf getuig, Mijn getuigenis is niet waarachtig. 32 Er is een ander, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, die hij van Mij getuigt, waarachtig is. 33 U hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft van de waarheid getuigenis gegeven. 34 Maar Ik neem geen getuigenis van een mens; maar dit zeg Ik, opdat u zou behouden worden. 35 Hij was een brandende en lichtende kaars; en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen. 36 Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan die van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelfde werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft. 37 En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. U hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien. 38 En Zijn woord hebt u niet in u blijvende; want u gelooft Die niet, Die Hij gezonden heeft. 39 Onderzoek de Schriften; want u denkt in deze het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. 40 En u wilt tot Mij niet komen, opdat u het leven mag hebben. 41 Ik neem geen eer van mensen; 42 Maar Ik ken u, dat u de liefde van God in uzelf niet hebt. 43 Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader, en u neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, die zult u aannemen. 44 Hoe kunt u geloven, u, die eer van elkaar neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? 45 Denk niet, dat Ik u aanklagen zal bij de Vader; die u aanklaagt, is Mozes, op wie u gehoopt hebt. 46 Want als u Mozes geloofde, zo zou u Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. 47 Maar zo u zijn Schriften niet gelooft, hoe zult u Mijn woorden geloven? ### Johannes 6 1 Na deze vertrok Jezus over de zee van Galilea, die is de zee van Tiberias. 2 En Hem volgde een grote menigte, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken. 3 En Jezus ging op de berg, en zat daar neer met Zijn discipelen. 4 En het pascha, het feest van de Joden, was nabij. 5 Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote menigte tot Hem kwam, zei tot Filippus: Vanwaar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen? 6 (Maar dit zei Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.) 7 Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor deze niet genoeg, opdat ieder van hen een weinig neme. 8 Één van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem: 9 Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen? 10 En Jezus zei: Doe de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neer, ongeveer vijf duizend in getal. 11 En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen degenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden. 12 En als zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten stukken brood, opdat er niets verloren ga. 13 Zij verzamelden ze dan, en vulden twaalf manden met stukken brood van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren degenen, die gegeten hadden. 14 De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou. 15 Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek opnieuw op de berg, Hij Zelf alleen. 16 En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee. 17 En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaüm. En het was al duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen. 18 En de zee verhief zich, omdat er een grote wind waaide. 19 En als zij ongeveer vijf en twintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd. 20 Maar Hij zei tot hen: Ik ben het; wees niet bevreesd. 21 Zij hebben dan Hem gewillig in het schip genomen; en meteen kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren. 22 Op de andere dag de menigte, die aan de andere zijde van de zee stond, ziende, dat daar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren; 23 (Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.) 24 Toen dan de menigte zag, dat Jezus daar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus. 25 En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen? 26 Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: u zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt, en verzadigd bent. 27 Werk niet om het voedsel, die vergaat, maar om het voedsel, die blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want Deze heeft God de Vader verzegeld. 28 Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken van God mogen werken? 29 Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft. 30 Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet U dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt U? 31 Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; zoals geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten. 32 Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel. 33 Want het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel neerdaalt, en Die van de wereld het leven geeft. 34 Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood. 35 En Jezus zei tot hen: Ik ben het Brood van het leven; die tot Mij komt, zal in geen geval hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. 36 Maar Ik heb u gezegd, dat u Mij ook gezien hebt, en u gelooft niet. 37 Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen. 38 Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft. 39 En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uitersten dage. 40 En dit is de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft, dat ieder, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 41 De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit de hemel nedergedaald is. 42 En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald? 43 Jezus antwoordde dan, en zei tot hen: Mort niet onder elkaar. 44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. 46 Niet dat iemand de Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. 48 Ik ben het Brood van het leven. 49 Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven. 50 Dit is het Brood, dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet, en niet sterft. 51 Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in de eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld. 52 De Joden dan streden onder elkaar, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven? 53 Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat u het vlees van de Zoon des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt u geen leven in uzelf. 54 Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. 55 Want Mijn vlees is werkelijk Voedsel, en Mijn bloed is werkelijk Drank. 56 Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem. 57 Zoals Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leeft door de Vader; zo die Mij eet, deze zal leven door Mij. 58 Dit is het Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet zoals uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in de eeuwigheid leven. 59 Deze dingen zei Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm. 60 Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan deze horen? 61 Jezus nu, wetende bij Zichzelf, dat Zijn discipelen daarover morden, zei tot hen: Doet dit u struikelen? 62 Wat zou het dan zijn, zo u de Zoon des mensen zag opvaren, daar Hij te voren was? 63 De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. 64 Maar er zijn sommigen van u, die niet geloven. Want Jezus wist van het begin, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou. 65 En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. 66 Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem. 67 Jezus dan zei tot de twaalven: Wilt u ook niet weggaan? 68 Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven. 69 En wij hebben geloofd en bekend, dat U bent de Christus, de Zoon van de levende God. 70 Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En één uit u is een duivel. 71 En Hij zei dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde één van de twaalven. ### Johannes 7 1 En na deze wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden. 2 En het feest van de Joden, namelijk de loofhuttenzetting, was nabij. 3 Zo zeiden dan Zijn broers tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die U doet. 4 Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Als U deze dingen doet, zo openbaar Uzelf aan de wereld. 5 Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem. 6 Jezus dan zei tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid. 7 De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van deze getuig, dat haar werken boos zijn. 8 Ga u op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld. 9 En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea. 10 Maar als Zijn broers opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen. 11 De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij? 12 En er was veel gemurmels van Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij verleidt de menigte. 13 Toch sprak niemand vrijmoedig van Hem, om de vrees van de Joden. 14 Maar als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in de tempel, en leerde. 15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft? 16 Jezus antwoordde hun, en zei: Mijn leer is Mijne niet, maar Van Degene, Die Mij gezonden heeft. 17 Zo iemand wil Zijn wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelf spreek. 18 Die van zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Van Degene, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem. 19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt u Mij te doden? 20 De menigte antwoordde en zei: U hebt de duivel; wie zoekt U te doden? 21 Jezus antwoordde en zei tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en u verwondert u allen. 22 Daarom heeft Mozes u de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaders), en u besnijdt een mens op de sabbat. 23 Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken wordt; bent u boos op Mij, dat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat? 24 Oordeel niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel. 25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Die zij zoeken te doden? 26 En ziet, Hij spreekt vrijmoedig, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten werkelijk weten, dat Deze werkelijk is de Christus? 27 Maar van Deze weten wij, vanwaar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, vanwaar Hij is. 28 Jezus dan riep in de tempel, lerende en zeggende: En u kent Mij, en u weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben van Mijzelf niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Wie u niet kent. 29 Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden. 30 Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn uur was nog niet gekomen. 31 En velen uit de menigte geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft? 32 De Farizeeën hoorden, dat de menigte dit van Hem murmelde; en de Farizeeën en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden. 33 Jezus dan zei tot hen: Nog een kleine tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Degene, Die Mij gezonden heeft. 34 U zult Mij zoeken, en u zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen. 35 De Joden dan zeiden tot elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren? 36 Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen? 37 En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die komt tot Mij en drinkt. 38 Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien. 39 (En dit zei Hij van de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de menigte, deze rede horende, zeiden: Deze is werkelijk de Profeet. 41 Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen? 42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit het zaad van David, en van de plaats Bethlehem, waar David was? 43 Er werd dan tweedracht onder de menigte, om Zijnentwil. 44 En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem. 45 De dienaren dan kwamen tot de overpriesters en Farizeeën; en die zeiden tot hen: Waarom hebt u Hem niet gebracht? 46 De dienaren antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken, zoals deze Mens. 47 De Farizeën dan antwoordden hun: Bent ook u verleid? 48 Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeeën? 49 Maar deze menigte, die de wet niet weet, is vervloekt. 50 Nicodemus zei tot hen, die in de nacht tot Hem gekomen was, zijnde één uit hen: 51 Oordeel ook onze wet de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet? 52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is. 53 En ieder ging heen naar zijn huis. ### Johannes 8 1 Maar Jezus ging naar de Olijfberg. 2 En vroeg in de morgen kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen. 3 En de Schriftgeleerden en de Farizeeën brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen. 4 En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelf gegrepen, overspel begaande. 5 En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat zulke gestenigd zullen worden; U dan, wat zegt U? 6 En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, neerbuigend, schreef met de vinger in de aarde. 7 En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zei tot hen: Die van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar. 8 En opnieuw neerbuigend, schreef Hij in de aarde. 9 Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de één na de andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande. 10 En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zei tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld? 11 En zij zei: Niemand, Heere! En Jezus zei tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer. 12 Jezus dan sprak opnieuw tot hen, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben. 13 De Farizeeën dan zeiden tot Hem: U getuigt van Uzelf; Uw getuigenis is niet waarachtig. 14 Jezus antwoordde, en zei tot hen: Hoewel Ik van Mijzelf getuig, zo is toch Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar u weet niet, vanwaar Ik kom, en waar Ik heenga. 15 U oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand. 16 En als Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft. 17 En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is. 18 Ik ben het, Die van Mijzelf getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. 19 Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: U kent noch Mij, noch Mijn Vader; als u Mij kende, zo zou u ook Mijn Vader kennen. 20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in de tempel; en niemand greep Hem; want Zijn uur was nog niet gekomen. 21 Jezus dan zei opnieuw tot hen: Ik ga heen, en u zult Mij zoeken, en in uw zonden zult u sterven; waar Ik heenga, kunt u niet komen. 22 De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelf doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt u niet komen? 23 En Hij zei tot hen: U bent van beneden, Ik ben van boven; u bent uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld. 24 Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft, dat Ik Die ben, u zult in uw zonden sterven. 25 Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? En Jezus zei tot hen: Wat Ik van de beginne u ook zeg. 26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, deze spreek Ik tot de wereld. 27 Zij verstonden niet, dat Hij hun van de Vader sprak. 28 Jezus dan zei tot hen: Wanneer u de Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult u verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelf niets doe; maar deze dingen spreek Ik, zoals Mijn Vader Mij geleerd heeft. 29 En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is. 30 Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem. 31 Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, zo bent u werkelijk Mijn discipelen; 32 En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. 33 Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U dan: U zult vrij worden? 34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een ieder, die de zonde doet, is een dienaar van de zonde. 35 En de dienaar blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. 36 Als dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u werkelijk vrij zijn. 37 Ik weet, dat u Abrahams zaad bent; maar u zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats. 38 Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dan ook, wat u bij uw vader gezien hebt. 39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zou u de werken van Abraham doen. 40 Maar nu zoekt u Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet. 41 U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God. 42 Jezus dan zei tot hen: Als God uw Vader was, zo zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelf niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. 43 Waarom kent u Mijn spraak niet? Het is, omdat u Mijn woord niet kunt horen. 44 U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader van die leugen. 45 Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft u niet. 46 Wie van u overtuigt Mij van zonde? En als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet? 47 Die uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u uit God niet bent. 48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat U een Samaritaan bent, en de duivel hebt? 49 Jezus antwoordde: Ik heb de duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en u onteert Mij. 50 Maar Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt. 51 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in de eeuwigheid. 52 De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat U de duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt U: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal de dood niet smaken in de eeuwigheid? 53 Bent U meerder, dan onze vader Abraham, die gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wie maakt U Uzelf? 54 Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eer, Wie u zegt, dat uw God is. 55 En u kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik u gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord. 56 Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest. 57 De Joden dan zeiden tot Hem: U hebt nog geen vijftig jaren, en hebt U Abraham gezien? 58 Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Voordat Abraham was, ben Ik. 59 Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit de tempel, gaande door het midden van hen; en ging zo voorbij. ### Johannes 9 1 En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af. 2 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden? 3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem zouden geopenbaard worden. 4 Ik moet werken de werken Van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan. 5 Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht van de wereld. 6 Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen van de blinde; 7 En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en waste zich, en kwam ziende. 8 De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde? 9 Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zei: Ik ben het. 10 Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend? 11 Hij antwoordde en zei: De Mens, genoemd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zei tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en waste mij, en ik werd ziende. 12 Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zei: Ik weet het niet. 13 Zij brachten hem tot de Farizeeën, hem namelijk, die te voren blind geweest was. 14 En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende. 15 De Farizeeën dan vraagden hem ook opnieuw, hoe hij ziende geworden was. En hij zei tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik waste mij, en ik zie. 16 Sommigen dan uit de Farizeeën zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt de sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen. 17 Zij zeiden opnieuw tot de blinde: U, wat zegt u van Hem; omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een Profeet. 18 De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, voordat zij geroepen hadden de ouders van degene, die ziende geworden was. 19 En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, wie u zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu? 20 Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is; 21 Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf; hij zal van zichzelf spreken. 22 Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden al samen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden. 23 Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf. 24 Zij dan riepen voor de tweede maal de mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is. 25 Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie. 26 En zij zeiden opnieuw tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend? 27 Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, en u hebt het niet gehoord; wat wilt u het opnieuw horen? Wilt u ook Zijn discipelen worden? 28 Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: U bent Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes. 29 Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Deze weten wij niet, vanwaar Hij is. 30 De mens antwoordde, en zei tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat u niet weet, vanwaar Hij is, en toch heeft Hij mijn ogen geopend. 31 En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij. 32 Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. 33 Als Deze van God niet was, Hij zou niets kunnen doen. 34 Zij antwoordden, en zeiden tot hem: U bent geheel in zonden geboren, en leert u ons? En zij wierpen hem uit. 35 Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zei Hij tot hem: Gelooft u in de Zoon van God? 36 Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem mag geloven? 37 En Jezus zei tot Hem: En u hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Deze is het. 38 En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem. 39 En Jezus zei: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. 40 En dit hoorden enige uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind? 41 Jezus zei tot hen: Als u blind was, zo zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; zo blijft dan uw zonde. ### Johannes 10 1 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die niet ingaat door de deur in de stal van de schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar. 2 Maar die door de deur ingaat, is een herder van de schapen. 3 Deze doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit. 4 En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5 Maar een vreemde zullen zij in geen geval volgen, maar zullen van hem vluchten; omdat zij de stem van de vreemde niet kennen. 6 Deze gelijkenis zei Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. 7 Jezus dan zei opnieuw tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur van de schapen. 8 Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord. 9 Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden. 10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderft; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben. 11 Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. 12 Maar de huurling, en die geen herder is, wie de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vlucht; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. 13 En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. 14 Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijn, en wordt van de Mijn gekend. 15 Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder. 17 Daarom heeft mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het opnieuw neme. 18 Niemand neemt hetzelfde van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht hetzelfde af te leggen, en heb macht hetzelfde opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen. 19 Er werd dan opnieuw tweedracht onder de Joden, vanwege deze woorden. 20 En velen van hen zeiden: Hij heeft de duivel, en is waanzinnig; wat hoort u Hem? 21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan ook de duivel van de blinden ogen openen? 22 En het was het feest van de vernieuwing van de tempel te Jeruzalem; en het was winter. 23 En Jezus wandelde in de tempel, in het voorhof van Salomo. 24 De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel op? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en u gelooft het niet. De werken, die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij. 26 Maar u gelooft niet; want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb. 27 Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken deze, en zij volgen Mij. 28 En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in de eeuwigheid, en niemand zal deze uit Mijn hand rukken. 29 Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader. 30 Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden dan namen opnieuw stenen op, om Hem te stenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele voortreffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt u Mij? 33 De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over godslastering, en omdat U, een Mens zijnde, Uzelf God maakt. 34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, u bent goden? 35 Als de wet die goden genoemd heeft, tot wie het woord van God gebeurd is, en de Schrift niet kan gebroken worden; 36 Zegt u tot Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37 Als Ik niet doe de werken van Mijn Vader, zo gelooft Mij niet; 38 Maar als Ik ze doe, en zo u Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat u mag bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem. 39 Zij zochten dan opnieuw Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand. 40 En Hij ging opnieuw over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef daar. 41 En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Deze zei, was waar. 42 En velen geloofden daar in Hem. ### Johannes 11 1 En er was een zeker man ziek, genoemd Lazarus, van Bethanië, uit het dorp van Maria en haar zus Martha. 2 (Maria nu was degene, die de Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haar; van wie de broer Lazarus ziek was.) 3 Zijn zussen dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, die U liefhebt, is ziek. 4 En Jezus, dat horende, zei: Deze ziekte is niet tot de dood, maar tot heerlijkheid van God; opdat de Zoon van God door deze verheerlijkt wordt. 5 Jezus nu had Martha, en haar zus, en Lazarus lief. 6 Als Hij dan gehoord had, dat hij ziek was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was. 7 Daarna zei Hij verder tot de discipelen: Laat ons opnieuw naar Judea gaan. 8 De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat U opnieuw daarheen? 9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand in de dag wandelt, zo stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet; 10 Maar als iemand in de nacht wandelt, zo stoot hij zich, omdat het licht in hem niet is. 11 Dit sprak Hij; en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit de slaap op te wekken. 12 Zijn discipelen dan zeiden: Heere, als hij slaapt, zo zal hij gezond worden. 13 Maar Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust van de slaap. 14 Toen zei dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven. 15 En Ik ben blij om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat u geloven mag; maar laat ons tot hem gaan. 16 Thomas dan, genoemd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven. 17 Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was. 18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën van daar.) 19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar troosten zouden over haar broer. 20 Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; maar Maria bleef in huis zitten. 21 Zo zei Martha dan tot Jezus: Heere, was U hier geweest, zo was mijn broer niet gestorven; 22 Maar ook nu weet ik, dat alles, wat U van God begeren zult, God U het geven zal. 23 Jezus zei tot haar: Uw broer zal wederopstaan. 24 Martha zei tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding op de laatste dag. 25 Jezus zei tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al was hij ook gestorven; 26 En een ieder, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in de eeuwigheid. Gelooft u dat? 27 Zij zei tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat U bent de Christus, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou. 28 En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zus, in het geheim, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u. 29 Deze, als zij dat hoorde, stond haastig op, en ging tot Hem. 30 (Jezus nu was nog in het dorp niet gekomen, maar was op de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.) 31 De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar troostten, ziende Maria, dat zij haastig opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij daar wene. 32 Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, als U hier geweest was, zo was mijn broer niet gestorven. 33 Jezus dan, als Hij haar zag huilen, en de Joden, die met haar kwamen, ook huilen, werd zeer bewogen in de geest, en ontroerde Zichzelf; 34 En zei: Waar hebt u hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het. 35 Jezus huilde. 36 De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! 37 En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen van de blinde geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven was? 38 Jezus dan opnieuw in Zichzelf zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een grot, en een steen was daarop gelegd. 39 Jezus zei: Neem de steen weg. Martha, de zus van de gestorvene, zei tot Hem: Heere, hij ruikt nu al, want hij heeft vier dagen daar gelegen. 40 Jezus zei tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo u gelooft, u de heerlijkheid van God zien zult? 41 Zij namen dan de steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen omhoog, en zei: Vader, Ik dank U, dat U Mij gehoord hebt. 42 Maar Ik wist, dat U Mij altijd hoort; maar omwille van de menigte, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat U Mij gezonden hebt. 43 En als Hij dit gezegd had, riep Hij met luide stem: Lazarus, kom uit! 44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zei tot hen: Ontbind hem, en laat hem heengaan. 45 Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, wat Jezus gedaan had, geloofden in Hem. 46 Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeeën, en zeiden tot hen, wat Jezus gedaan had. 47 De overpriesters dan en de Farizeeën verzamelden de raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen. 48 Als wij Hem zo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen zowel onze plaats als volk. 49 En één uit hen, namelijk Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tot hen: U verstaat niets; 50 En u overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterft voor het volk, en het hele volk niet verloren ga. 51 En dit zei hij niet uit zichzelf; maar, zijnde hogepriester in dat jaar, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk; 52 En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen van God, die verstrooid waren, tot één zou verzamelen. 53 Van die dag dan af beraadslaagden zij samen, dat zij Hem doden zouden. 54 Jezus dan wandelde niet meer vrij onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genoemd Efraïm, en verkeerde daar met Zijn discipelen. 55 En het pascha van de Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelf reinigden. 56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkaar, staande in de tempel: Wat denkt u? Denkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest? 57 De overpriesters nu en de Farizeeën hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen. ### Johannes 12 1 Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanië, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, wie Hij opgewekt had uit de doden. 2 Zij bereidden Hem dan daar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was één van degenen, die met Hem aanzaten. 3 Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalste, zeer kostelijke nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haar Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van de reuk van de zalf. 4 Zo zei dan één van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou: 5 Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en de armen gegeven? 6 En dit zei hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg wat gegeven werd. 7 Jezus dan zei: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen de dag van Mijn begrafenis. 8 Want de armen hebt u altijd met u, maar Mij hebt u niet altijd. 9 Een grote menigte dan van de Joden verstond, dat Hij daar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, die Hij uit de doden opgewekt had. 10 En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden. 11 Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus. 12 Op de andere dag, een grote menigte, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, 13 Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in de Naam van de Heere, Hij, Die is de Koning van Israël! 14 En Jezus vond een jonge ezel, en zat daarop, zoals geschreven is: 15 Vrees niet, u dochter van Sion, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen van een ezelin. 16 Maar dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden. 17 De menigte dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had. 18 Daarom ging ook de menigte Hem tegemoet, omdat zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had. 19 De Farizeeën dan zeiden onder elkaar: Ziet u wel, dat u geheel niet vordert? Ziet, de hele wereld gaat Hem na. 20 En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden; 21 Deze dan gingen tot Filippus, die van Bethsaïda in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heere, wij wilden Jezus wel zien. 22 Filippus kwam en zei het Andreas; en Andreas en Filippus opnieuw zeiden het Jezus. 23 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: Het uur is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. 24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Als het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft het alleen; maar als het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. 25 Die zijn leven liefheeft, zal het verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven. 26 Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren. 27 Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur! Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. 28 Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit de hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem opnieuw verheerlijken. 29 De menigte dan, die daar stond, en dit hoorde, zei, dat er een donderslag gebeurd was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken. 30 Jezus antwoordde en zei: Niet om Mijnentwil is deze stem gebeurd, maar om uwentwil. 31 Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld buiten geworpen worden. 32 En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken. 33 (En dit zei Hij, betekenende, wat voor dood Hij sterven zou.) 34 De menigte antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in de eeuwigheid; en hoe zegt U, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen? 35 Jezus dan zei tot hen: Nog een kleine tijd is het Licht bij u; wandel, terwijl u het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. 36 Terwijl u het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat u kinderen van het Licht mag zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen. 37 En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, toch geloofden zij in Hem niet; 38 Opdat het woord van Jesaja, de profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wie is de arm van de Heere geopenbaard? 39 Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw gezegd heeft: 40 Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze. 41 Dit zei Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak. 42 Toch geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar vanwege de Farizeeën beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden. 43 Want zij hadden de eer van de mensen lief, meer dan de eer van God. 44 En Jezus riep, en zei: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Degene, Die Mij gezonden heeft. 45 En die Mij ziet, die ziet Degene, Die Mij gezonden heeft. 46 Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve. 47 En als iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make. 48 Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage. 49 Want Ik heb uit Mijzelf niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal. 50 En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Wat Ik dan spreek, dat spreek Ik zo, zoals Mij de Vader gezegd heeft. ### Johannes 13 1 En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn uur gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, zo Hij de Zijn, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. 2 En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou, 3 Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging, 4 Stond op van het avondmaal, en legde Zijn kleren af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelf. 5 Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten van de discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was. 6 Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zei tot Hem: Heere, zult U mij de voeten wassen? 7 Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na deze verstaan. 8 Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in de eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij. 9 Simon Petrus zei tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd. 10 Jezus zei tot hem: Die gewassen is, heeft niet nodig, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. 11 Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein. 12 Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn kleren genomen had, zat Hij opnieuw aan, en zei tot hen: Verstaat u, wat Ik u gedaan heb? 13 U heet Mij Meester en Heere; en u zegt wel, want Ik ben het. 14 Als dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkaars voeten te wassen. 15 Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet. 16 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft. 17 Als u deze dingen weet, zalig bent u, zo u dezelfde doet. 18 Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit gebeurt, opdat de Schrift vervuld wordt: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn hiel opgeheven. 19 Van nu zeg Ik het u, voordat het gebeurd is, opdat, wanneer het gebeurd zal zijn, u geloven mag, dat Ik het ben. 20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. 21 Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden. 22 De discipelen dan zagen op elkaar, twijfelende, van wie Hij dat zei. 23 En één van Zijn discipelen was aanzittende in de schoot van Jezus, wie Jezus liefhad. 24 Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou, wie hij toch was, van wie Hij dit zei. 25 En deze, vallende op de borst van Jezus, zei tot Hem: Heere, wie is het? 26 Jezus antwoordde: Deze is het, die Ik het brood, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij het brood ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot. 27 En na het brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastig. 28 En dit verstond niemand van degenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zei. 29 Want sommigen meenden, omdat Judas de beurs had, dat hem Jezus zei: Koop, wat wij nodig hebben tot het feest, of, dat hij de armen wat geven zou. 30 Hij dan, het brood genomen hebbende, ging meteen uit. En het was nacht. 31 Als hij dan uitgegaan was, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt. 32 Als God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelf, en Hij zal Hem meteen verheerlijken. 33 Kinderen, nog een kleine tijd ben Ik bij u. U zult Mij zoeken, en zoals Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt u niet komen; zo zeg Ik u nu ook. 34 Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt. 35 Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar. 36 Simon Petrus zei tot Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt u Mij nu niet volgen; maar u zult Mij later volgen. 37 Petrus zei tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten. 38 Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, voordat u Mij drie keer verloochend zult hebben. ### Johannes 14 1 Uw hart wordt niet ontroerd; u gelooft in God, gelooft ook in Mij. 2 In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen; anders zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. 3 En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo komt Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn mag, waar Ik ben. 4 En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u. 5 Thomas zei tot Hem: Heere, wij weten niet, waar U heengaat; en hoe kunnen wij de weg weten? 6 Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij. 7 Als u Mij gekend had, zo zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent u Hem, en hebt Hem gezien. 8 Filippus zei tot Hem: Heere, toon ons de Vader, en het is ons genoeg. 9 Jezus zei tot hem: Ben Ik zo langen tijd met u, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien; en hoe zegt u: Toon ons de Vader? 10 Gelooft u niet, dat Ik in de Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelf niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Deze doet de werken. 11 Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en als niet, zo gelooft Mij om de werken zelf. 12 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader. 13 En zo wat u begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt. 14 Zo u iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. 15 Als u Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden. 16 En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft in de eeuwigheid; 17 Namelijk de Geest van de waarheid, Wie de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar u kent Hem; want Hij blijft bij u, en zal in u zijn. 18 Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weer tot u. 19 Nog een kleine tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar u zult Mij zien; want Ik leef, en u zult leven. 20 In die dag zult u bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en u in Mij, en Ik in u. 21 Die Mijn geboden heeft, en deze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelf aan hem openbaren. 22 Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heere, wat is het, dat U Uzelf aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld? 23 Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 24 Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat u hoort, is het Mijne niet, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft. 25 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende. 26 Maar de Trooster, de Heilige Geest, Wie de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb. 27 Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart wordt niet ontroerd en zij niet versaagd. 28 U hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weer tot u. Als u Mij liefhadt, zo zou u zich verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik. 29 En nu heb Ik het u gezegd, voordat het gebeurd is; opdat, wanneer het gebeurd zal zijn, u geloven mag. 30 Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste van deze wereld komt, en heeft aan Mij niets. 31 Maar opdat de wereld wete, dat Ik de Vader liefheb, en zo doe, zoals Mij de Vader geboden heeft. Sta op, laat ons van hier gaan. ### Johannes 15 1 Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. 2 Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. 3 U bent nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. 4 Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zo zij niet in de wijnstok blijft; zo ook u niet, zo u in Mij niet blijft. 5 Ik ben de Wijnstok, en u de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt u niets doen. 6 Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, zoals de rank, en is verdord; en men verzamelt deze, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. 7 Als u in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat u wilt, zult u begeren, en het zal u gebeuren. 8 Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt; en u zult Mijn discipelen zijn. 9 Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijf in deze Mijn liefde. 10 Als u Mijn geboden bewaart, zo zult u in Mijn liefde blijven; zoals Ik de geboden van Mijn Vader bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. 11 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijft, en uw blijdschap vervuld wordt. 12 Dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. 13 Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden. 14 U bent Mijn vrienden, zo u doet wat Ik u gebied. 15 Ik heet u niet meer dienaren; want de dienaar weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. 16 U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijft; opdat, zo wat u van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geeft. 17 Dit gebied Ik u, opdat u elkaar liefhebt. 18 Als u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. 19 Als u van de wereld was, zo zou de wereld het haar liefhebben; maar omdat u van de wereld niet bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. 20 Gedenk van het woord, dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; als zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. 21 Maar al deze dingen zullen zij doen omwille van Mijn Naam, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft. 22 Als Ik niet gekomen was, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. 24 Als Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en zowel Mij als Mijn Vader gehaat. 25 Maar dit gebeurt, opdat het woord vervuld wordt, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat. 26 Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Die Ik u zenden zal van de Vader, namelijk de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen. 27 En u zult ook getuigen, want u bent van de beginne met Mij geweest. ### Johannes 16 1 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u niet ten val komt. 2 Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat ieder, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen. 3 En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij. 4 Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer het uur zal gekomen zijn, u deze mag gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; maar deze dingen heb Ik u van het begin niet gezegd, omdat Ik bij u was. 5 En nu ga Ik heen tot Degene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen? 6 Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft de verdriet uw hart vervuld. 7 Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. 8 En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel: 9 Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; 10 En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en u zult Mij niet meer zien; 11 En van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is. 12 Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die nu niet dragen. 13 Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen. 14 Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. 15 Al wat de Vader heeft, is van Mij; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen. 16 Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader. 17 Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot de Vader? 18 Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleine tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt. 19 Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zei tot hen: Vraagt u daarvan onder elkaar, dat Ik gezegd heb: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien, en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien? 20 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u zult huilen, en klagelijk huilen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet zal tot blijdschap worden. 21 Een vrouw, wanneer zij baart, heeft verdriet, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is. 22 En u dan hebt nu wel verdriet; maar Ik zal u opnieuw zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen. 23 En in die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven. 24 Tot nog toe hebt u niet gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij. 25 Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar het uur komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van de Vader zal verkondigen. 26 In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; 27 Want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan. 28 Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; opnieuw verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader. 29 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt U vrijuit, en zegt geen gelijkenis. 30 Nu weten wij, dat U alle dingen weet, en U hebt niet nodig, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat U van God uitgegaan bent. 31 Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu? 32 Zie, het uur komt, en is nu gekomen, dat u zult verstrooid worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij. 33 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. ### Johannes 17 1 Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zei: Vader, het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. 2 Zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat U Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geeft. 3 En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. 4 Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voltooid het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen; 5 En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was. 6 Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en U hebt Mij deze gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard. 7 Nu hebben zij bekend, dat alles, wat U Mij gegeven hebt, van U is. 8 Want de woorden, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben werkelijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat U Mij gezonden hebt. 9 Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want ze zijn van U. 10 En al het Mijne is Uw, en het van U is van Mij; en Ik ben in hen verheerlijkt. 11 En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik komt tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij. 12 Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld wordt. 13 Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelf. 14 Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, zoals Ik van de wereld niet ben. 15 Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart van de boze. 16 Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben. 17 Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. 18 Zoals U Mij gezonden hebt in de wereld, zo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. 19 En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. 20 En Ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. 21 Opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelooft, dat U Mij gezonden hebt. 22 En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die U Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, zoals Wij Één zijn; 23 Ik in hen, en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat U Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, zoals U Mij liefgehad hebt. 24 Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en deze hebben bekend, dat U Mij gezonden hebt. 26 En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmee U Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen. ### Johannes 18 1 Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in wie Hij ging, en Zijn discipelen. 2 En Judas, die Hem verraadde, wist ook die plaats, omdat Jezus daar dikwijls verzameld was geweest met Zijn discipelen. 3 Judas dan, genomen hebbende de bende soldaten en enige dienaren van de overpriesters en Farizeeën, kwam daar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen. 4 Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zei tot hen: Wie zoekt u? 5 Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen. 6 Als Hij dan tot hen zei: Ik ben het; gingen zij achteruit, en vielen ter aarde. 7 Hij vraagde hun dan opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener. 8 Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan. 9 Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren. 10 Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok het uit, en sloeg van de hogepriester dienaar, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus. 11 Jezus dan zei tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken? 12 De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaren van de Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem; 13 En leidden Hem heen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was. 14 Kajafas nu was degene, die de Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve. 15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was de hogepriester bekend, en ging met Jezus in van de zaal van de hogepriester. 16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die de hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in. 17 De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zei tot Petrus: Bent ook u niet uit de discipelen van deze Mens? Hij zei: Ik ben niet. 18 En de dienaren en de dienaren stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich. 19 De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer. 20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb alle tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken. 21 Wat ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten, wat Ik gezegd heb. 22 En als Hij dit zei, gaf één van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt U zo de hogepriester? 23 Jezus antwoordde hem: Als Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en als wel, waarom slaat u Mij? 24 (Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, de hogepriester.) 25 En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Bent u ook niet uit Zijn discipelen? Hij ontkende het, en zei: Ik ben niet. 26 Één van de dienaren van de hogepriester, die familie was van degene, die Petrus het oor afgehouwen had, zei: Heb ik u niet gezien in de hof met Hem? 27 Petrus dan ontkende het opnieuw. En meteen kraaide de haan. 28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. 29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zei: Wat beschuldiging brengt u tegen deze Mens? 30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Als Deze geen kwaaddoener was, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben. 31 Pilatus dan zei tot hen: Neem u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden. 32 Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, betekenende, wat voor dood Hij sterven zou. 33 Pilatus dan ging opnieuw in het rechthuis, en riep Jezus, en zei tot Hem: Bent U de Koning van de Joden? 34 Jezus antwoordde hem: Zegt u dit van uzelf, of hebben het u anderen van Mij gezegd? 35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan? 36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik de Joden niet was overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier. 37 Pilatus dan zei tot Hem: Bent U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Ieder, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem. 38 Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij opnieuw uit tot de Joden, en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem. 39 Maar u hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate? 40 Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende: Niet Deze, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar. ### Johannes 19 1 Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem. 2 En de soldaten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om; 3 En zeiden: Wees gegroet, U Koning van de Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen. 4 Pilatus dan kwam opnieuw uit, en zei tot hen: Zie, ik breng Hem tot u uit, opdat u weet, dat ik in Hem geen schuld vinde. 5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En Pilatus zei tot hen: Zie, de Mens! 6 Als Hem dan de overpriesters en de dienaren zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem; Pilatus zei tot hen: Neem u Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld. 7 De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt. 8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd; 9 En ging opnieuw in het rechthuis, en zei tot Jezus: Vanwaar bent U? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. 10 Pilatus dan zei tot Hem: Spreekt U tot mij niet? Weet U niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten? 11 Jezus antwoordde: U zou geen macht hebben tegen Mij, als het u niet van boven gegeven was; daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde. 12 Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Als u Deze loslaat, zo bent u niet de vriend van de keizer; ieder, die zichzelf koning maakt, wederspreekt de keizer. 13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neer op de rechterstoel, in de plaats, genoemd Lithostrotos, en in het Hebreeuws Gabbatha. 14 En het was de voorbereiding van het pascha, en ongeveer het zesde uur; en hij zei tot de Joden: Zie, uw Koning! 15 Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zei tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan de keizer. 16 Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden Hem weg. 17 En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genoemd Hoofdschedelplaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Golgotha; 18 Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden. 19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN. 20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn. 21 De overpriesters dan van de Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden. 22 Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven. 23 De soldaten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn kleren, (en maakten vier delen, voor elke soldaat een deel) en de rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. 24 Zij dan zeiden tot elkaar: Laat ons die niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld wordt, die zegt: Zij hebben Mijn kleren onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de soldaten gedaan. 25 En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en van Zijn moeders zus, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. 26 Jezus nu, ziende Zijn moeder, en de discipel, die Hij liefhad, daarbij staande, zei tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. 27 Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af aan nam haar de discipel in zijn huis. 28 Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zei: Mij dorst. 29 Daar stond dan een kruik vol azijn, en zij vulden een spons met azijn, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond. 30 Toen Jezus dan de azijn genomen had, zei Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf de geest. 31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, omdat het de voorbereiding was (want die dag van de sabbat was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden. 32 De soldaten dan kwamen, en braken wel de benen van de eerste, en van de andere, die met Hem gekruist was; 33 Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet. 34 Maar één van de soldaten doorstak Zijn zijde met een speer, en meteen kwam er bloed en water uit. 35 En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, wat waar is, opdat ook u geloven mag. 36 Want deze dingen zijn gebeurd, opdat de Schrift vervuld wordt: Geen been van Hem zal verbroken worden. 37 En opnieuw zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Wie zij gestoken hebben. 38 En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vrees voor de Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg. 39 En Nicodemus kwam ook (die in de nacht tot Jezus eerst gekomen was), en brachten een mengsel van mirre en aloë; ongeveer honderd ponden gewichts. 40 Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte hebben van begraven. 41 En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in de hof een nieuw graf, in dat nog nooit iemand gelegd was geweest. 42 Daar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding van de Joden, omdat het graf nabij was. ### Johannes 20 1 En op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog donker was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen. 2 Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot de andere discipel, wie Jezus liefhad, en zei tot hen: Zij hebben de Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. 3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. 4 En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf. 5 En als hij boog neer, zag hij de doeken liggen; toch ging hij er niet in. 6 Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen. 7 En de zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold. 8 Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde. 9 Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. 10 De discipelen dan gingen opnieuw naar huis. 11 En Maria stond buiten bij het graf, huilend. Als zij dan huilde, bukte zij in het graf; 12 En zag twee engelen in witte kleren zitten, één aan het hoofd, en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. 13 En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent u? Zij zei tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. 14 En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achteruit, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was. 15 Jezus zei tot haar: Vrouw, wat weent u? Wie zoekt u? Zij, menende, dat het de hovenier was, zei tot Hem: Heere, zo u Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar u Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. 16 Jezus zei tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zei tot Hem: Rabbouni, dat is gezegd, Meester. 17 Jezus zei tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. 18 Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had. 19 Als het dan avond was, op deze eerste dag van de week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen verzameld waren om de vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zei tot hen: Vrede zij u! 20 En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij de Heere zagen. 21 Jezus dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u, zoals Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u. 22 En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zei tot hen: Ontvang de Heilige Geest. 23 Zo u iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo u iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden. 24 En Thomas, één van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam. 25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heere gezien. Maar hij zei tot hen: Als ik in Zijn handen niet zie het teken van de nagelen, en mijn vinger steke in het teken van de nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal in geen geval geloven. 26 En na acht dagen waren Zijn discipelen opnieuw binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zei: Vrede zij u! 27 Daarna zei Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en bent niet ongelovig, maar gelovig. 28 En Thomas antwoordde en zei tot Hem: Mijn Heere en mijn God! 29 Jezus zei tot hem: Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt u geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en toch zullen geloofd hebben. 30 Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de aanwezigheid Zijn discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; 31 Maar deze zijn geschreven, opdat u gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God; en opdat u, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam. ### Johannes 21 1 Na deze openbaarde Jezus Zichzelf opnieuw de discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich zo: 2 Er waren samen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeüs, en twee anderen van Zijn discipelen. 3 Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden meteen in het schip; en in die nacht vingen zij niets. 4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op de oever; maar de discipelen wisten niet, dat het Jezus was. 5 Jezus dan zei tot hen: Kinderen, hebt u niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Nee. 6 En Hij zei tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en u zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden het niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen. 7 De discipel dan, wie Jezus liefhad, zei tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelf in de zee. 8 En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar ongeveer tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen. 9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood. 10 Jezus zei tot hen: Breng van de vissen, die u nu gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet. 12 Jezus zei tot hen: Kom herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie bent U? wetende, dat het de Heere was. 13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en de vis evenzo. 14 Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was. 15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zei Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij liever dan deze? Hij zei tot Hem: Ja, Heere! U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Weid Mijn lammeren. 16 Hij zei opnieuw tot hem ten tweede maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja, Heere, U weet, dat ik U liefheb. Hij zei tot hem: Hoed Mijn schapen. 17 Hij zei tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt u Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zei: Heb u Mij lief, en zei tot Hem: Heere! U weet alle dingen, U weet, dat ik U liefheb. Jezus zei tot hem: Weid Mijn schapen. 18 Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen u jonger was, gordde u uzelf, en wandelde, alwaar u wilde; maar wanneer u zult oud geworden zijn, zo zult u uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar u niet wilt. 19 En dit zei Hij, betekenende, met wat voor dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zei Hij tot hem: Volg Mij. 20 En Petrus, zich omkerende, zag de discipel volgen, wie Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die U verraden zal? 21 Als Petrus deze zag, zei hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze? 22 Jezus zei tot hem: Als Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik komt, wat gaat het u aan? Volg u Mij. 23 Dit woord dan ging uit onder de broeders, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Als Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik komt, wat gaat het u aan? 24 Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is. 25 En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, die, zo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook de de wereld zelf de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen. ## Handelingen ### Handelingen 1 1 Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al wat Jezus begonnen heeft zowel te doen als te leren; 2 Tot op de dag, waarin Hij opgenomen is, nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven. 3 Aan wie Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk van God aangaan. 4 En als Hij met hen verzameld was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die u, zei Hij, van Mij gehoord hebt. 5 Want Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen. 6 Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende: Heere, zult U in deze tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten? 7 En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft; 8 Maar u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over u komen zal; en u zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde. 9 En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen. 10 En zo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; 11 Die ook zeiden: U Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zo komen, zoals u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren. 12 Toen keerden zij opnieuw naar Jeruzalem, van de berg, die genoemd wordt de Olijfberg, die is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize. 13 En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeüs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Zelotes, en Judas, de broer van Jakobus. 14 Deze allen waren eensgezind volhardend in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broers. 15 En in die dagen stond Petrus op in het midden van de discipelen, en sprak (er was nu een menigte bijeen van ongeveer honderd en twintig personen): 16 Broeders, deze Schrift moest vervuld worden, die de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is degenen, die Jezus vingen; 17 Want hij was met ons gerekend, en had het lot van deze bediening verkregen. 18 Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en vooruit overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort. 19 En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, zo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker van het bloed. 20 Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen; Zijn woning worde woest, en er zij niemand die daarin woon. En: Een ander neme zijn opzienersambt. 21 Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons in gegaan en uitgegaan is, 22 beginnend van de doop van Johannes, tot de dag toe, waarin Hij van ons opgenomen is, één van hen samen met ons getuige wordt van Zijn opstanding. 23 En zij stelden er twee voor, Jozef, genoemd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias. 24 En zij baden en zeiden: U Heere! U Kenner van de harten van allen, wijs van deze twee een aan, die U uitverkoren hebt; 25 Om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats. 26 En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen. ### Handelingen 2 1 En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen. 2 En er gebeurde snel uit de hemel een geluid, zoals van een geweldige windvlaag, en vervulde het hele huis, waar zij zaten. 3 En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een ieder van hen. 4 En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. 5 En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvrezende mannen van allen volk degenen, die onder de hemel zijn. 6 En als deze stem gebeurd was, kwam de menigte samen, en werd verontrust, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7 En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkaar: "Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileërs?" 8 En hoe horen wij hen een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9 Parthers, en Meders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cappadocië, Pontus en Azië. 10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libye, dat bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten; 11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken van God spreken. 12 En zij ontzetten zich allen, en werden in twijfel, zeggende, de één tegen de ander: Wat wil toch dit zijn? 13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoete wijn. 14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: U Joodse mannen, en u allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan. 15 Want deze zijn niet dronken, zoals u vermoedt; want het is pas het derde uur van de dag. 16 Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joël: 17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongemannen zullen visioenen zien, en uw oude zullen dromen dromen. 18 En ook op Mijn dienaren, en op Mijn dienaressen, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren. 19 En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. 20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en glorierijke dag van de Heere komt. 21 En het zal zijn, dat een ieder, die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden. 22 U Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man van God, onder u betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, zoals ook u weet; 23 Deze, door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt u genomen, en door de handen van de onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood; 24 Die God opgewekt heeft, de smarten van de dood ontbonden hebbende, zo het niet mogelijk was, dat Hij daarvan dood zou gehouden worden. 25 Want David zegt van Hem: Ik zag de Heere alle tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen word. 26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope; 27 Want U zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien. 28 U hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; U zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. 29 U broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van de patriarch David, dat hij zowel gestorven als begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag. 30 Zo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn middel, zoveel het vlees betreft, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten; 31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien. 32 Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd zijnde, en de belofte van de Heilige Geest, ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort, dat u nu ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand. 35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten. 36 Zo wete dan zeker heel het huis van Israël, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruist hebt. 37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen broeders? 38 En Petrus zei tot hen: Bekeer u, en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: "Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!" 41 Die dan zijn woord graag aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegedaan ongeveer drie duizend zielen. 42 En zij waren volhardend in de leer van de apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking van het brood, en in de gebeden. 43 En vrees kwam over iedere ziel; en vele wonderen en tekenen werden door de apostelen verricht. 44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk; 45 En zij verkochten hun goederen en bezittingen, en verdeelden ze onder allen, naar dat elk nodig had. 46 En dagelijks eensgezind in de tempel volhardend, en van huis tot huis brood brekende, aten zij samen met verheuging en eenvoud van het hart; 47 En prezen God, en hadden genade bij heel het volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden. ### Handelingen 3 1 Petrus nu en Johannes gingen samen op naar de tempel, ongeveer op het uur van het gebed, het negende uur; 2 En een man die vanaf zijn geboorte kreupel was, werd gedragen, die zij dagelijks zetten aan de deur van de tempel, genoemd de Schone, om een liefdegave te begeren van degenen, die in de tempel gingen; 3 Die, Petrus en Johannes ziende, als zij in de tempel zouden ingaan, bad, dat hij een liefdegave mocht ontvangen. 4 En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zei: Zie op ons. 5 En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen. 6 En Petrus zei: Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geve ik u; in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel! 7 En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en meteen werden zijn voeten en enkelen vast. 8 En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in de tempel, wandelende en springende, en lovende God. 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven. 10 En zij kenden hem, dat hij die was, die om een liefdegave gezeten had aan de Schone poort van de tempel; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over wat hem was overkomen. 11 En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, dat Salomo's voorhof genoemd wordt, verbaasd zijnde. 12 En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: U Israëlietische mannen, wat verwondert u zich over dit, of wat ziet u zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of vroomheid deze hadden doen wandelen? 13 De God van Abraham, en Izaks, en Jakobs, de God van onze vaders, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Die u overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten. 14 Maar u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt verzocht, dat u een man, die een moordenaar was, zou geschonken worden; 15 En de Vorst van het leven hebt u gedood, Die God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn. 16 En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam deze gesterkt, die u ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller aanwezigheid. 17 En nu, broeders, ik weet, dat u het door onwetendheid gedaan hebt, als ook uw oversten. 18 Maar God heeft zo vervuld, wat Hij door de mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou. 19 Beter u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht van de Heere, 20 En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; 21 Die de hemel moet ontvangen tot de tijden van de wederoprichting alle dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw. 22 Want Mozes heeft tot de vaders gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broeders, zoals mij; Die zult u horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal. 23 En het zal gebeuren, dat alle ziel, die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit de volk. 24 En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd. 25 U bent kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God met onze vaders opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden. 26 God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw boosheden. ### Handelingen 4 1 En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman van de tempel, en de Sadduceën; 2 Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden. 3 En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot de andere dag; want het was nu avond. 4 En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal van de mannen werd ongeveer vijf duizend. 5 Op de andere dag verzamelden hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem; 6 En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren. 7 En als zij hen in het midden gesteld hadden, vroegen zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt u dit gedaan? 8 Toen zei Petrus, vervuld zijnde met de Heilige Geest, tot hen: U oversten van het volk, en u ouderlingen van Israël! 9 Aangezien wij vandaag voor het gerecht worden ondervraagd over de weldaad aan een ziek mens bewezen, waardoor hij gezond geworden is; 10 Zo zij u allen duidelijk, en heel het volk Israël, dat door de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, Die u gekruist hebt, Die God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond. 11 Deze is de Steen, Die van u, de bouwers, veracht is, Die tot een hoeksteen geworden is. 12 En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden. 13 Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. 14 En ziende de mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen. 15 En hun geboden hebbende uit te gaan buiten de raad, overlegden zij met elkaar, 16 Zeggende: Wat zullen wij deze mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen is gedaan, is duidelijk aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet ontkennen. 17 Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid wordt, laat ons hen scherp dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in deze Naam spreken. 18 En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij geheel niet zouden spreken, noch leren, in de Naam van Jezus. 19 Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeel u, of het recht is voor God, u meer te horen dan God. 20 Want wij kunnen niet laten te spreken, wat wij gezien en gehoord hebben. 21 Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, vanwege het volk; want zij verheerlijkten allen God over wat er was gebeurd. 22 Want de mens was meer dan veertig jaar oud, aan wie dit teken van genezing was gebeurd. 23 En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hun, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden. 24 En als deze dat hoorden, hieven zij eensgezind hun stem op tot God, en zeiden: Heere! U bent de God, Die gemaakt hebt de hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die daarin zijn. 25 Die door de mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht? 26 De koningen van de aarde zijn samen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen de Heere, en tegen Zijn Gezalfde. 27 Want in waarheid zijn verzameld tegen Uw heilig Kind Jezus, Die U gezalfd hebt, zowel Herodes als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken van Israël; 28 Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat gebeuren zou. 29 En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienaren met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken; 30 Daarin, dat U Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen gebeuren door de Naam van Uw heilig Kind Jezus. 31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats, waarin zij verzameld waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest, en spraken het Woord van God met vrijmoedigheid. 32 En de menigte van degenen, die geloofden, was één van hart en één van ziel; en niemand zei, dat iets van wat hij had, van zichzelf was, maar alle dingen waren hun gemeenschappelijk. 33 En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van de Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen. 34 Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten de prijs van de verkochte goederen, en legden die aan de voeten van de apostelen. 35 En aan ieder werd uitgedeeld, naar dat elk nodig had. 36 En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (dat is, overgezet zijnde, een zoon van de troost), een Leviet, van geboorte uit Cyprus, 37 Aangezien hij een akker had, verkocht hij die, en bracht het geld, en legde het aan de voeten van de apostelen. ### Handelingen 5 1 En een zeker man, met de naam Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht zijn bezittingen; 2 En onttrok van de prijs, ook met medeweten van zijn vrouw; en bracht een deel, en legde dat aan de voeten van de apostelen. 3 En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat u de Heilige Geest liegen zou, en onttrekken van de prijs van het land? 4 Als het gebleven was, bleef het van u, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat u deze daad in uw hart hebt voorgenomen? U hebt de mensen niet gelogen, maar God. 5 En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden. 6 En de jongemannen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem. 7 En ongeveer drie uur later kwam ook zijn vrouw binnen, zonder te weten wat er was gebeurd; 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt u het land voor zoveel verkocht? En zij zei: Ja, voor zoveel. 9 En Petrus zei tot haar: Wat is het, dat u onder elkaar hebt overeengestemd te verzoeken de Geest van de Heere? Zie, de voeten van degenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel meteen neer voor zijn voeten, en gaf de geest. En de jongemannen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man. 11 En er kwam grote vrees over heel de gemeente, en over allen, die dit hoorden. 12 En door de handen van de apostelen werden vele tekenen en wonderen onder het volk gedaan; en zij waren allen eensgezind in het voorhof van Salomo. 13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting. 14 En er werden meer en meer toegedaan, die de Heere geloofden, menigten zowel van mannen als van vrouwen; 15 Zo dat zij de zieken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en ligmatten, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht. 16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam samen te Jeruzalem, brachten zieken, en die van onreine geesten gekweld waren; die allen genezen werden. 17 En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (die was de sekte van de Sadduceën), en werden vervuld met jaloezie; 18 En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de openbare gevangenis. 19 Maar de engel van de Heere opende bij nacht de deuren van de gevangenis en leidde hen uit, en zei: 20 Ga, en staat en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden van het leven. 21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de raad samen, en al de oudsten van de Israëlieten, en zonden naar de kerker, om hen te halen. 22 Maar als de dienaren daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden opnieuw, en meldden dit. 23 Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen. 24 Toen nu de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij in twijfel over hen, wat toch dit worden zou. 25 En er kwam een, en meldde hun, zeggende: Zie, de mannen, die u in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel, en leren het volk. 26 Toen ging de hoofdman erheen, met de dienaren, en bracht hen, maar niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden). 27 En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de raad; en de hogepriester vroeg hun, en zei: 28 Hebben wij u niet ernstig aangezegd, dat u in deze Naam niet zou leren? En zie, u hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en u wilt het bloed van deze Mens over ons brengen. 29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet voor God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen. 30 De God van onze vaders heeft Jezus opgewekt, Die u omgebracht hebt, Hem hangend aan het hout. 31 Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van de zonden. 32 En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Die God gegeven heeft degenen, die Hem gehoorzaam zijn. 33 Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden. 34 Maar een zekere Farizeeër stond op in de raad, met de naam Gamaliël, een leraar van de wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan. 35 En hij zei tot hen: U Israëlietische mannen, ziet voor u, wat u doen zult wat dit betreft mensen. 36 Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, die een getal van ongeveer vierhonderd mannen aanhing; die is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. 37 Na hem stond op Judas, de Galileër in de dagen van de beschrijving, en maakte veel van het volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden. 38 En nu zeg ik u: Houd af van deze mensen, en laat hen gaan; want als deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. 39 Maar als het uit God is, kunt u het niet kapotmaken; opdat u niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden. 40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus; en lieten hen gaan. 41 Zij dan gingen heen van het aangezicht van de raad, verblijd zijnde, dat zij waardig geacht waren om omwille van Zijn Naam smaad te lijden. 42 En zij hielden niet op, allen dag, in de tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen. ### Handelingen 6 1 En in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een gemor van de Grieken tegen de Hebreën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden. 2 En de twaalven riepen de menigte van de discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet juist dat wij het Woord van God verwaarlozen, en de tafelen dienen. 3 Zie dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol van de Heilige Geest en van de wijsheid, die wij mogen stellen over deze nodige zaak. 4 Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening van het Woord. 5 En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij kozen Stefanus, een man vol van het geloof en van de Heilige Geest, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochië; 6 Die zij voor de apostelen stelden; en deze, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. 7 En het woord van God groeide, en het getal van de discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote menigte van de priesters werd het geloof gehoorzaam. 8 En Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. 9 En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genoemd van de Libertijnen, en van de Cyreneërs, en van de Alexandrijnen, en degenen, die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus. 10 En zij konden niet weerstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak. 11 Toen maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. 12 En zij verontrustten het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor de raad; 13 En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. 14 Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft. 15 En allen, die in de raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aanzicht van een engel. ### Handelingen 7 1 En de hogepriester zei: Zijn dan deze dingen zo? 2 En hij zei: U broeders en vaders, hoort toe: de God van de heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, voordat hij woonde in Charran; 3 En zei tot hem: "Ga uit uw land en uit uw familie, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal." 4 Toen ging hij uit het land van de Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar u nu in woont. 5 En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelfde, ook niet één voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelf tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had. 6 En God sprak zo: "Uw zaad zal vreemdeling zijn in een vreemd land, en zij zullen het dienstbaar maken en mishandelen, vierhonderd jaren." 7 "En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen," sprak God, "en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats." 8 En Hij gaf hem het verbond van de besnijdenis; en zo verwekte hij Izak, en besneed hem op de achtste dag; en Izak verwekte Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen. 9 En de patriarchen, jaloers zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem, 10 En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en heel zijn huis. 11 En er kwam een hongersnood over heel het land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen voedsel. 12 Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. 13 En in de tweede reize werd Jozef zijn broers bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. 14 En Jozef stuurde bericht en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. 15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. 16 En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, dat Abraham gekocht had voor een som geld, van de zonen van Emmor, de vader van Sichem. 17 Maar als nu de tijd van de belofte, die God aan Abraham gezworen had, naderde, groeide het volk en vermenigvuldigde in Egypte; 18 Totdat een andere koning opstond, die Jozef niet gekend had. 19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en behandelde onze vaders slecht, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voortplanten. 20 In die tijd werd Mozes geboren, en was uitnemend schoon; die drie maanden opgevoed werd in het huis van zijn vader. 21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelf op tot een zoon. 22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken. 23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broers, de Israëlieten, te bezoeken. 24 En ziende één, die onrecht leed, beschermde hij hem, en nam wraak voor hem die onrecht werd aangedaan, en versloeg de Egyptenaar. 25 En hij meende, dat zijn broers zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. 26 En de volgenden dag werd hij van hen gezien, omdat zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, u bent broeders; waarom doet u elkaar ongelijk? 27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld? 28 Wilt u mij ook ombrengen, zoals u gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt? 29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen verwekte. 30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel van de Heere, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos. 31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het visioen; en als hij daarheen ging, om dat te bekijken, klonk er een stem van de Heere tot hem, 32 Zeggende: "Ik ben de God van uw vaders, de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jakob." En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bekijken. 33 En de Heere zei tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats waarin u staat, is heilig land. 34 Ik heb duidelijk gezien de mishandeling van Mijn volk, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben neergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom hierheen, Ik zal u naar Egypte zenden. 35 Deze Mozes, die zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos. 36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren. 37 Deze is de Mozes, die tot de Israëlieten gezegd heeft: "De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broeders, zoals mij; Die zult u horen." 38 Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaders; die de levende woorden ontving, om ons die te geven. 39 Die onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weer naar Egypte; 40 Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat deze Mozes betreft, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat er met hem is gebeurd. 41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offergave tot de afgod, en verheugden zich in de werken van hun handen. 42 En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het leger van de hemel dienden, zoals geschreven is in het boek van de profeten: "Hebt u ook slachtoffers en offergaven Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, u huis van Israël? 43 Ja, u hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die u gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren aan de overzijde van Babylon. 44 De tabernakel van het getuigenis was onder onze vaders in de woestijn, zoals bestemd had Hij, Die tot Mozes zei, dat hij die maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had; 45 Die ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht van onze vaders, tot de dagen van David toe; 46 Die voor God genade gevonden heeft, en verzocht heeft te vinden een woning voor de God van Jakob. 47 En Salomo bouwde Hem een huis. 48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; zoals de profeet zegt: 49 De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Van mijn voeten. Wat voor huis zult u Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Van mijn ruste? 50 Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt? 51 U hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u wederstaat altijd de Heilige Geest; zoals uw vaders, zo ook u. 52 Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardigen, van Welke u nu verraders en moordenaars geworden bent. 53 U, die de wet ontvangen hebt door bestellingen van de engelen, en hebt ze niet gehouden! 54 Als zij nu dit hoorden, barstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem. 55 Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid van God, en Jezus, staande aan de rechterhand van God. 56 En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande aan de rechterhand van God. 57 Maar zij, roepende met luide stem, stopten hun oren, en vielen eensgezind op hem aan; 58 En wierpen hem de stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, genoemd Saulus. 59 En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest. 60 En vallende op de knieën, riep hij met luide stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij. ### Handelingen 8 1 En Saulus had mee een welbehagen aan zijn dood. En er werd op die dag een grote vervolging tegen de gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen. 2 En enige godvrezende mannen droegen Stefanus samen naar het graf en maakten grote rouw over hem. 3 En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis. 4 Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord. 5 En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. 6 En de menigten hielden zich eensgezind aan wat van Filippus gezegd werd, omdat zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed. 7 Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen die uit, roepende met luide stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. 8 En er werd grote blijdschap in die stad. 9 En een man met de naam Simon, was te voren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen van het volk van Samaria, zeggende van zichzelf, dat hij wat groots was. 10 Die zij allen aanhingen, van de kleine tot de grote, zeggende: Deze is de grote kracht van God. 11 En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had. 12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk van God, en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen. 13 En Simon geloofde zelf ook, en gedoopt zijnde, bleef steeds bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er gedaan werden, ontzette hij zich. 14 Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord van God aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes; 15 Die, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij de Heilige Geest ontvangen mochten. 16 (Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heere Jezus.) 17 Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest. 18 En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen van de apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, 19 Zeggende: Geef ook mij deze macht, opdat, zo wie ik de handen opleg, hij de Heilige Geest ontvange. 20 Maar Petrus zei tot hem: Uw geld zij met u tot verderf, omdat u gemeend hebt, dat de gave van God door geld verkregen wordt! 21 U hebt geen part noch deel in dit woord: want uw hart is niet recht voor God. 22 Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging van uw hart vergeven werd. 23 Want ik zie, dat u bent in een zeer bittere gal en samenknoping van de ongerechtigheid. 24 Maar Simon, antwoordende, zei: Bid u voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van wat u gezegd hebt. 25 Zij dan nu, als zij het Woord van de Heere betuigd en gesproken hadden, keerden opnieuw naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele plaatsen van de Samaritanen. 26 En een engel van de Heere sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga naar het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die woest is. 27 En hij stond op en ging op weg; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin van de Moren, die over al haar schat was, die was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem; 28 En hij keerde opnieuw, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja. 29 En de Geest zei tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij deze wagen. 30 En Filippus liep toe, en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zei: Verstaat u ook, wat u leest? 31 En hij zei: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten. 32 En de plaats van de Schriftgedeelte, die hij las, was deze: Hij is zoals een schaap ter slachting geleid; en zoals een lam stemmeloos is voor die, die het scheert, zo doet Hij Zijn mond niet open. 33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal zijn geslacht beschrijven? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerling antwoordde Filippus en zei: Ik bid u, van Wie zegt de profeet dit, van zichzelf, of van iemand anders? 35 En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. 36 En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water; en de kamerling zei: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? 37 En Filippus zei: Als u met uw hele hart gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zei: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. 38 En hij gebood de wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest van de Heere Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam. ### Handelingen 9 1 En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Heere, ging tot de hogepriester, 2 En verzocht brieven van hem naar Damascus, aan de synagogen, opdat, zo hij enige, die van die weg waren, vond, hij hen, zowel mannen als vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem. 3 En als hij reisde, is het gebeurd, dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen plotseling een licht van de hemel; 4 En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zei: Saul, Saul! wat vervolgt u Mij? 5 En hij zei: Wie bent U, Heere? En de Heere zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. Het is u hard, de hiel tegen de prikkels te slaan. 6 En hij, bevende en verbaasd zijnde, zei: Heere, wat wilt U, dat ik doen zal? En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal daar gezegd worden, wat u doen moet. 7 En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende. 8 En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem in Damascus. 9 En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet. 10 En er was in Damascus een discipel met de naam Ananias; en de Heere zei tot hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heere! 11 En de Heere zei tot hem: Sta op, en ga in de straat, genoemd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met de naam Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt. 12 En hij heeft in een visioen gezien, dat een man, met de naam Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij opnieuw ziende werd. 13 En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van deze man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; 14 En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen. 15 Maar de Heere zei tot hem: Ga, want deze is voor Mij een uitverkoren werktuig, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de Israëlieten. 16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam. 17 En Ananias ging op weg en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zei hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg, die u kwam, opdat u weer ziende en met de Heilige Geest vervuld zou worden. 18 En meteen vielen af van zijn ogen als schellen, en hij werd meteen opnieuw ziende; en stond op, en werd gedoopt. 19 En als hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die in Damascus waren. 20 En hij predikte meteen Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is. 21 En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie deze Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij hen geboeid voor de overpriesters zou brengen? 22 Maar Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die in Damascus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is. 23 En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden samen raad, om hem te doden. 24 Maar hun samenzwering werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, zowel overdag als bij nacht, opdat zij hem doden mochten. 25 Maar de discipelen namen hem bij nacht, en lieten hem door de muur naar beneden, hem aflatende in een mand. 26 Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was. 27 Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en vertelde hun, hoe hij op de weg de Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij in Damascus vrijmoedig gesproken had in de Naam van Jezus. 28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem; 29 En vrijmoedig sprekende in de Naam van de Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden. 30 Maar de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen. 31 De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees voor de Heere, en de troost van de Heilige Geest, werden vermenigvuldigd. 32 Toen Petrus overal doortrok, kwam hij ook af tot de heiligen, die te Lydda woonden. 33 En daar vond hij een man met de naam Aeneas, die acht jaren te bed gelegen had, die geraakt was. 34 En Petrus zei tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelf het bed. En hij stond meteen op. 35 En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, die zich bekeerden tot de Heere. 36 En te Joppe was een discipelin met de naam Tabitha, dat overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en liefdegaven, die zij deed. 37 In die dagen werd zij ziek en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal. 38 En zo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus daar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou talmen om tot hen over te komen. 39 En Petrus stond op, en ging met hen; die zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, huilend, en tonende de rokken en kleren, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was. 40 Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neer en bad: en zich kerende tot het lichaam, zei hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind. 41 En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen. 42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in de Heere. 43 En hij bleef vele dagen te Joppe, bij een zekere Simon, een leerlooier. ### Handelingen 10 1 En er was in Cesarea een man met de naam Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genoemd de Italiaanse; 2 Godvrezend en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele liefdegaven aan het volk, en God steeds biddende. 3 Deze zag in een visioen duidelijk, ongeveer op het negende uur overdag, een engel van God tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! 4 En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zei: Wat is het Heere? En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw liefdegaven zijn tot herinnering opgekomen voor God. 5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus. 6 Deze ligt te huis bij een Simon, leerbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat u doen moet. 7 En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godvrezenden soldaat van degenen, die steeds bij hem waren; 8 En toen hij hun alles had verteld, zond hij hen naar Joppe. 9 En op de andere dag, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, ongeveer op het zesde uur. 10 En hij werd hongerig, en verzocht te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een geestvervoering. 11 En hij zag de hemel geopend, en een zeker voorwerp tot hem neerdalen, zoals een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde; 12 In dat waren al de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels. 13 En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet. 14 Maar Petrus zei: In geen geval, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat onheilig of onrein was. 15 En opnieuw klonk er een stem tot hem, voor de tweede keer: Wat God gereinigd heeft, zult u niet onheilig maken. 16 En dit gebeurde drie keer; en het voorwerp werd opnieuw opgenomen in de hemel. 17 En zo Petrus in zichzelf twijfelde, wat toch het visioen mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort. 18 En iemand geroepen hebbende, vroegen zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag. 19 En als Petrus over dat visioen dacht, zei de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u; 20 Daarom sta op, en ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden. 21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zei: Zie, ik ben het, die u zoekt; wat is de oorzaak, waarom u hier bent? 22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die een goed getuigenis heeft van heel het volk van de Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijn huize, en dat hij van u woorden van de zaligheid zou horen. 23 Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Maar op de andere dag ging Petrus met hen mee, en sommigen van de broeders, die van Joppe waren, gingen met hem. 24 En op de andere dag kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn familie en bijzonderste vrienden. 25 Toen Petrus binnenkwam, ging Cornelius hem tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. 26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens. 27 En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren. 28 En hij zei tot hen: U weet, hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; maar God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou onheilig of onrein heten. 29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden u mij hebt ontboden. 30 En Cornelius zei: Vier dagen geleden was ik tot op dit uur aan het vasten, en op het negende uur bad ik in mijn huis. 31 En ziet, een man stond voor mij, in een blinkend kleed, en zei: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw liefdegaven zijn voor God gedacht geworden. 32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, de leerbereider, aan de zee, die, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. 33 Zo heb ik dan meteen tot u gezonden, en u hebt welgedaan, dat u hier gekomen bent. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al wat u van God bevolen is. 34 En Petrus, de mond opendoende, zei: Ik verneem in waarheid, dat God geen aannemer van de persoon is; 35 Maar in allen volk, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam. 36 Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft de Israëlieten, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen. 37 U weet wat er gebeurd is door heel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, die Johannes gepredikt heeft; 38 Wat betreft Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem. 39 En wij zijn getuigen van al wat Hij gedaan heeft, zowel in het Joodse land als te Jeruzalem; Die zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout. 40 Deze heeft God opgewekt op de derde dag, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden; 41 Niet al de volk, maar de getuigen, die van God te voren gekozen waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was. 42 En heeft ons geboden de volk te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden. 43 Deze geven getuigenis al de profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van de zonden ontvangen zal door Zijn Naam. 44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden. 45 En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten zich, dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd. 46 Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus: 47 Kan ook iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben, als ook wij? 48 En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam van de Heere. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven. ### Handelingen 11 1 De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden. 2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren, 3 Zeggende: U bent ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. 4 Maar Petrus, beginnende, vertelde het hun vervolgens, zeggende: 5 Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een geestvervoering een visioen, namelijk een voorwerp, zoals een groot linnen laken, neerdalende, bij de vier hoeken neergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij; 6 Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogels des hemels. 7 En ik hoorde een stem, die tot mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet. 8 Maar ik zei: In geen geval, Heere, want nooit is iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond ingegaan. 9 Maar de stem antwoordde mij voor de tweede keer uit de hemel: Wat God gereinigd heeft, zult u niet onheilig maken. 10 En dit gebeurde drie keer; en alles werd opnieuw opgetrokken in de hemel. 11 En zie, op dat moment stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren. 12 En de Geest zei tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in het huis van de man ingegaan. 13 En hij heeft ons verteld hoe hij een engel had gezien, die in zijn huis stond, en tot hem zei: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus; 14 Die woorden tot u zal spreken, door welke u zult zalig worden, en al uw huis. 15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, zoals ook op ons in het begin. 16 En ik werd gedachtig aan het woord van de Heere, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult gedoopt worden met de Heilige Geest. 17 Als dan God hun dezelfde gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren? 18 En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering tot het leven gegeven! 19 Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus was gekomen, gingen het land door tot Fenicië toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden. 20 En er waren enige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, die te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Grieken, verkondigende de Heere Jezus. 21 En de hand van de Heere was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heere. 22 En het gerucht van hen kwam tot de oren van de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe. 23 Die, daar gekomen zijnde, en de genade van God ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen van het hart bij de Heere zouden blijven. 24 Want hij was een goed man, en vol van de Heilige Geest en van het geloof; en er werd een grote menigte de Heere toegevoegd. 25 En Barnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem in Antiochië. 26 En het is gebeurd, dat zij een geheel jaar samen verzamelden in de Gemeente, en een grote menigte leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochië Christenen genoemd werden. 27 En in die dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochië. 28 En één uit hen, met de naam Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over heel de wereld; die ook gekomen is onder de keizer Claudius. 29 En naar gelang een ieder van de discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te sturen voor de hulp aan de broeders, die in Judea woonden. 30 Dat zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus. ### Handelingen 12 1 En ongeveer diezelfde tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen. 2 En hij doodde Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard. 3 En toen hij zag, dat het de Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen van de ongezuurde broden); 4 Die ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier soldaten, om hem te bewaren, willende na het paasfeest hem voorbrengen voor het volk. 5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een steeds gebed tot God voor hem gedaan. 6 Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus diezelfde nacht tussen twee soldaten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis. 7 En ziet, een engel van de Heere stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta snel op. En zijn ketenen vielen af van de handen. 8 En de engel zei tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed zo. En hij zei tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij. 9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, wat door de engel gebeurde, maar hij meende, dat hij een visioen zag. 10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; die van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en meteen scheidde de engel van hem. 11 En Petrus, tot zichzelf gekomen zijnde, zei: Nu weet ik waarachtig dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk van de Joden. 12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, waar velen samenvergaderd en biddende waren. 13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met de naam Rhode. 14 En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en meldde, dat Petrus voor aan de voorpoort stond. 15 En zij zeiden tot haar: U bent buiten zinnen. Maar zij bleef er sterk bij, dat het zo was. En zij zeiden: Het is zijn engel. 16 Maar Petrus bleef kloppende: en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich. 17 En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, vertelde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zei: Meldt dit aan Jakobus en de broeders. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats. 18 En als het dag was geworden, was er geen kleine opschudding onder de soldaten, wat er toch met Petrus mocht zijn gebeurd. 19 En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en hield zich daar. 20 En Herodes had in de zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te vechten; maar zij kwamen eensgezind tot hem, en Blastus, die de kamerling van de koning was, overreed hebbende, vroegen vrede, omdat hun land gevoed werd van het land van de koning. 21 En op een gezetten dag, Herodes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op de rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen. 22 En het volk riep hem toe: Een stem van God, en niet van een mens! 23 En meteen sloeg hem een engel van de Heere, daarom dat hij voor God de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf de geest. 24 En het Woord van God groeide en breidde zich uit. 25 Barnabas nu en Saulus keerden opnieuw van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, meegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. ### Handelingen 13 1 En er waren te Antiochië, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genoemd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus. 2 En als zij de Heere dienden, en vastten, zei de Heilige Geest: Zonder Mij af zowel Barnabas als Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. 3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. 4 Deze dan, uitgezonden zijnde van de Heilige Geest, kwamen af tot Seleucië, en van daar scheepten zij af naar Cyprus. 5 En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar. 6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus; 7 Die was bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandige man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord van God te horen. 8 Maar Elymas, de tovenaar (want zo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het geloof af te keren. 9 Maar Saulus (die ook Paulus genoemd is), vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zei: 10 O u kind van de duivel, vol van alle bedrog, en van alle sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, zult u niet ophouden te verdraaien de rechte wegen van de Heere? 11 En nu zie, de hand van de Heere is tegen u, en u zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En meteen viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden. 12 Toen de stadhouder zag wat er was gebeurd, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer van de Heere. 13 En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weer naar Jeruzalem. 14 En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de synagoge op de dag van de sabbat, zaten zij neer. 15 En na het lezen van de wet en van de profeten, zonden de oversten van de synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, als er enig woord van troost tot het volk in u is, zo spreekt. 16 En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zei: U Israëlietische mannen, en u, die God vreest, hoort toe. 17 De God van dit volk Israël heeft onze vaders uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hoge arm daaruit geleid. 18 En heeft ongeveer de tijd van veertig jaren hun doen en laten verdragen in de woestijn. 19 En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft Hij hun door het lot het land daarvan uitgedeeld. 20 En daarna ongeveer vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuël, de profeet. 21 En van toen aan vroegen zij om een koning; en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam van Benjamin, veertig jaren. 22 En deze afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; die Hij ook getuigenis gaf, en zei: Ik heb gevonden David, de zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. 23 Van het zaad van deze heeft God Israël, naar de belofte, verwekt de Zaligmaker Jezus; 24 Als Johannes eerst al de volk van Israël voor Zijn aankomst, gepredikt had de doop van de bekering. 25 Maar als Johannes de loop vervulde, zei hij: Wie denkt u, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wie ik niet waard ben de schoenen van Zijn voeten te ontbinden. 26 Broeders, kinderen van het geslacht van Abraham, en die onder u God vrezen, tot u is het woord van deze zaligheid gezonden. 27 Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Deze niet kennende, hebben ook de stemmen van de profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld; 28 En geen oorzaak van de dood vindende, hebben zij van Pilatus verzocht, dat Hij zou gedood worden. 29 En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf. 30 Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; 31 Die gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk. 32 En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaders is gedaan, dat namelijk God die heeft vervuld aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft. 33 Zoals ook in de tweede psalm geschreven staat: U bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik U gegenereerd. 34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij zo gezegd: Ik zal u de goedertierenheden van David geven, die getrouw zijn; 35 Waarom hij ook in een andere psalm zegt: U zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien. 36 Want David, als hij in zijn tijd de raad van God gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaders gelegd; en heeft wel verderving gezien; 37 Maar Hij, Die God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien. 38 Zo zij u dan bekend, broeders, dat door Deze u vergeving van de zonden verkondigd wordt; 39 En dat van alles, waarvan u niet kon gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een ieder, die gelooft, gerechtvaardigd wordt. 40 Zie dan toe, dat over u niet kome, wat gezegd is in de profeten: 41 Zie, u verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat u niet zult geloven, zelfs als iemand het u vertelt. 42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen de volgende sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. 43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; die tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade van God. 44 En op de volgenden sabbat kwam bijna heel de stad samen, om het Woord van God te horen. 45 Maar de Joden, de menigten ziende, werden met jaloezie vervuld, en wederspraken, wat van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. 46 Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord van God gesproken zou worden; maar aangezien u hetzelfde verstoot, en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. 47 Want zo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht van de heidenen, opdat u zou zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste van de aarde. 48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord van de Heere; en er geloofden zovelen, als er bestemd waren tot het eeuwige leven. 49 En het Woord van de Heere werd door heel het land uitgebreid. 50 Maar de Joden stookten de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun gebied. 51 Maar zij schudden het stof van hun voeten af daartegen, en kwamen te Ikonium. 52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest. ### Handelingen 14 1 En het gebeurde te Ikonium, dat zij samen gingen in de synagoge van de Joden, en zo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde. 2 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen van de heidenen tegen de broeders. 3 Zij verbleven dan daar een langen tijd, vrijmoedig sprekende in de Heere, Die getuigenis gaf aan het Woord van Zijn genade, en gaf, dat tekenen en wonderen werden gedaan door hun handen. 4 En de menigte van de stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen. 5 En toen er een oploop ontstond, zowel van heidenen als van Joden, met hun oversten, om hun smaad aan te doen, en hen te stenigen, 6 Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; 7 En verkondigden daar het Evangelie. 8 En in Lystre zat een man onmachtig aan zijn voeten, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld. 9 Deze hoorde Paulus spreken; die de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden, 10 Zei met luide stem: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde. 11 En de menigten, ziende, wat Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn de mensen gelijk geworden, en tot ons neergekomen. 12 En zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde. 13 En de priester van Jupiter, die voor hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de menigten. 14 Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun kleren, en sprongen onder de menigte, roepende, 15 En zeggende: Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als u, en verkondigen u, dat u zich zou van deze ijdele dingen bekeren tot de levende God, Die gemaakt heeft de hemel, en de aarde, en de zee, en al wat daarin is; 16 Die in de vroegere tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen; 17 Hoewel Hij toch Zichzelf niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van de hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met voedsel en vrolijkheid. 18 En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de menigten, dat zij hun niet offerden. 19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de menigten, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was. 20 Maar als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en op de andere dag ging hij met Barnabas uit naar Derbe. 21 En als zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weer naar Lystre, en Ikonium, en Antiochië; 22 Versterkende de zielen van de discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk van God. 23 En als zij in elke Gemeente, met opsteken van de handen, ouderlingen gekozen hadden, gebeden hebbende met vasten, vertrouwden zij hen toe aan de Heere, in Wie zij geloofd hadden. 24 En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië. 25 En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië. 26 En van daar scheepten zij af naar Antiochië, vanwaar zij van de genade van God bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. 27 En daar gekomen zijnde, en de Gemeente verzameld hebbende, vertelden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof geopend had. 28 En zij verbleven daar geen kleine tijd met de discipelen. ### Handelingen 15 1 En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broeders, zeggende: Als u niet besneden wordt volgens het gebruik van Mozes, kunt u niet zalig worden. 2 Toen er dan geen kleine weerstand en twist ontstond tussen Paulus en Barnabas en hen, zo hebben zij bepaald, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag. 3 Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samarië, vertellend de bekering van de heidenen; en deden al de broeders grote blijdschap aan. 4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had. 5 Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte van de Farizeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden. 6 En de apostelen en de ouderlingen verzamelden samen, om op deze zaak te letten. 7 En toen daarover grote twist ontstond, stond Petrus op en zei tot hen: Broeders, u weet, dat God van over langen tijd onder ons mij gekozen heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord van de Evangeli zouden horen, en geloven. 8 En God, de Kenner van de harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende de Heilige Geest, als ook ons; 9 En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. 10 Nu dan, wat verzoekt u God, om een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen? 11 Maar wij geloven, door de genade van de Heere Jezus Christus, zalig te worden, op dezelfde manier als ook zij. 12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus vertellen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had. 13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Broeders, hoort mij. 14 Simeon heeft verteld hoe God eerst naar de heidenen heeft omgezien, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam. 15 En hiermee stemmen overeen de woorden van de profeten, zoals geschreven is: 16 Na deze zal Ik terugkeren, en weer opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en wat daarvan verbroken is, weer opbouwen, en Ik zal die weer oprichten. 17 Opdat de overblijvende mensen de Heere zoeken, en al de heidenen, over welke Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet. 18 voor God zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. 19 Daarom oordeel ik, dat men hen die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastigvalt; 20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed. 21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elke sabbat in de synagogen gelezen. 22 Toen heeft het de apostelen en de ouderlingen, met heel de gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders. 23 En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen de broeders uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zaligheid. 24 Aangezien wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat u moet besneden worden, en de wet onderhouden; die wij dat niet bevolen hadden; 25 Zo heeft het ons eensgezind samen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus. 26 Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor de Naam van onze Heere Jezus Christus. 27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met de mond hetzelfde zullen verkondigen. 28 Want het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, u geen meerdere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen: 29 Namelijk, dat u zich onthoudt van wat aan de afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van die dingen, als u uzelf wacht, zo zult u weldoen. Vaart wel. 30 Deze dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en de menigte verzameld hebbende, gaven zij de brief over. 31 En zij, die gelezen hebbende, verblijdden zich over de troost. 32 Judas nu en Silas, die zelf ook profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen. 33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders opnieuw gaan met vrede, tot de apostelen. 34 Maar het dacht Silas goed daar te blijven. 35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochië, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord van de Heere. 36 En na enige dagen zei Paulus tot Barnabas: Laat ons nu terugkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, waarin wij het Woord van de Heere verkondigd hebben, hoe zij het hebben. 37 En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genoemd is Markus, zouden meenemen. 38 Maar Paulus achtte het juist, dat men die niet zou meenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk. 39 Er ontstond dan een verbittering, zo dat zij van elkaar gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus meenam, en naar Cyprus afscheepte; 40 Maar Paulus koos Silas en vertrok, van de genade van God van de broeders bevolen zijnde. 41 En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de Gemeenten. ### Handelingen 16 1 En hij kwam te Derbe en Lystre. En zie, daar was een discipel met de naam Timotheüs, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; 2 Die goeden getuigenis gegeven werd van de broeders te Lystre en Ikonium. 3 Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, omwille van de Joden, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was. 4 En zo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de bepalingen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden. 5 De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. 6 En als zij Frygië, en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. 7 En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. 8 En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas. 9 En van Paulus werd in de nacht een visioen gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zei: Kom over in Macedonië, en help ons. 10 Als hij nu dit visioen gezien had, zo zochten wij meteen naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, daarom het Evangelie te verkondigen. 11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis. 12 En van daar naar Filippi, die is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad enkele dagen. 13 En op de dag van de sabbat gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed was gewend te gebeuren; en gezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren. 14 En een vrouw met de naam Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; van wie het hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op wat van Paulus gesproken werd. 15 En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Als u hebt geoordeeld, dat ik de Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons. 16 Toen wij op weg waren naar het gebed, ontmoette ons een dienstmaagd die een waarzeggende geest had, die haar heren groot winst toebracht met waarzeggen. 17 Zij volgde Paulus en ons, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienaren van God van de Allerhoogste, die ons de weg van de zaligheid verkondigen. 18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zei tot de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat u van haar uitgaat. En hij ging op dat moment uit haar weg. 19 Als nu de heren daarvan zagen, dat de hoop van hun winst weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten. 20 En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen brengen onze stad in opschudding, omdat zij Joden zijn. 21 En zij verkondigen gewoonten, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, aangezien wij Romeinen zijn. 22 En de menigte stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de kleren afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen. 23 En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden de stokbewaarder, dat hij hen zeker bewaren zou. 24 Die, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de stok. 25 En ongeveer de middernacht baden Paulus en Silas, en zongen voor God lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen. 26 En er gebeurde plotseling een grote aardbeving, zo dat de fundamenten van de kerker bewogen werden; en meteen werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los. 27 En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren van de gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelf omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvlucht waren. 28 Maar Paulus riep met luide stem, zeggende: Doe uzelf geen kwaad; want wij zijn allen hier. 29 En als hij licht geëist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neer aan hun voeten; 30 En hen buiten gebracht hebbende, zei hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig word? 31 En zij zeiden: Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden, u en uw huis. 32 En zij spraken tot hem het woord van de Heere, en tot allen, die in zijn huis waren. 33 En hij nam hen tot zich op dat uur in de nacht, en waste hun striemen; en hij werd meteen gedoopt, en al de zijnen. 34 En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was. 35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los. 36 En de stokbewaarder meldde deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat u zou losgelaten worden; ga dan nu naar buiten en vertrek in vrede. 37 Maar Paulus zei tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu in het geheim daaruit? Niet zo; maar laat zij zelf komen en ons uitleiden. 38 En de stadsdienaars meldden deze woorden opnieuw de hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren. 39 En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, verzochten zij, dat zij uit de stad gaan zouden. 40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en de broeders gezien hebbende, troostten zij hen en vertrokken uit de stad. ### Handelingen 17 1 En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, waar een synagoge van de Joden was. 2 En Paulus, zoals hij gewend was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften, 3 Hij legde uit en zette uiteen, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Die ik, zei hij, u verkondige. 4 En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinigen. 5 Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit jaloers zijnde, namen tot zich enige slechte mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en verontrustten de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen. 6 En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten van de stad, roepende: Deze, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen; 7 Die Jason in zijn huis genomen heeft; en alle deze doen tegen de geboden van de keizer, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk een Jezus. 8 En zij verontrustten de menigte, en de oversten van de stad, die dit hoorden. 9 Maar als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan. 10 En de broeders zonden meteen bij nacht Paulus en Silas weg naar Berea; die, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge van de Joden; 11 En deze waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle bereidwilligheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen zo waren. 12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse aanzienlijke vrouwen en van de mannen niet weinigen. 13 Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord van God ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de menigten. 14 Maar de broeders zonden toen meteen Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheüs bleven daar. 15 En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij. 16 En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was. 17 Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen. 18 En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze praatjesmaker zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde. 19 En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genoemd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar u van spreekt? 20 Want u brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil. 21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.) 22 En Paulus, staande in het midden van de plaats, genoemd Areopagus, zei: U mannen van Athene! ik merk dat u in alle opzichten zeer godsdienstig bent. 23 Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op dat een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Die u niet kennende dient, verkondig ik u. 24 De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere van de hemel en van de aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt; 25 En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, zo Hij Zelf allen het leven, en de adem, en alle dingen geeft; 26 En heeft uit één bloede heel het geslacht van de mensen gemaakt, om op de hele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren bestemd, en de bepalingen van hun woning; 27 Opdat zij de Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een ieder van ons. 28 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; zoals ook enige van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht. 29 Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen zoals zij, die door mensenkunst en bedenking gesneden zijn. 30 God dan, de tijden van de onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen overal, dat zij zich bekeren. 31 Daarom Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, Die Hij daartoe bestemd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft. 32 Als zij nu van de opstanding van de doden hoorden, spotten sommigen daarmee; en sommigen zeiden: Wij zullen u opnieuw hiervan horen. 33 En zo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan. 34 Maar sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder wie was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met de naam Damaris, en anderen daarmee. ### Handelingen 18 1 En na deze scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe; 2 En vond een zekere Jood, met de naam Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; 3 En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en werkte; want zij waren tentenmakers van handwerk. 4 En hij handelde op elke sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken. 5 En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door de Geest gedrongen, betuigende de Joden, dat Jezus is de Christus. 6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn kleren af, en zei tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan. 7 En vandaar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met de naam Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge. 8 En Crispus, de overste van de synagoge, geloofde aan de Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiërs, hem horende, geloofden, en werden gedoopt. 9 En de Heere zei tot Paulus door een visioen in de nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. 10 Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volk in deze stad. 11 En hij onthield zich daar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord van God. 12 Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eensgezind tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel. 13 Zeggende: Deze raadt de mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet. 14 En als Paulus zijn mond zou opendoen, zei Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan was, o Joden, zo zou ik met reden u verdragen; 15 Maar als er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zult u dat zelf moeten regelen; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn. 16 En hij dreef hen weg van de rechterstoel. 17 Maar al de Grieken namen Sosthenes, de overste van de synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan. 18 En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broeders, en scheepte van daar naar Syrië; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan. 19 En hij kwam te Efeze aan, en liet hen daar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden. 20 En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet. 21 Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet geheel het toekomende feest te Jeruzalem houden; maar ik zal tot u terugkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze. 22 En als hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië. 23 En als hij daar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende al de discipelen. 24 En een Jood met de naam Apollos, van geboorte een Alexandriër, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. 25 Deze was in de weg van de Heere onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde ijverig de zaken van de Heere, wetende alleen de doop van Johannes. 26 En deze begon vrijmoedig te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg van God nauwkeuriger uit. 27 En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; die, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade. 28 Want hij overtuigde de Joden met grote ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was. ### Handelingen 19 1 Terwijl Apollos te Korinthe was, kwam Paulus, na de hooggelegen delen van het land doorreisd te hebben, te Efeze; en enige discipelen daar vindende, 2 Zei hij tot hen: Hebt u de Heilige Geest ontvangen, als u geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heilige Geest is. 3 En hij zei tot hen: Waarin bent u dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes. 4 Maar Paulus zei: Johannes heeft wel gedoopt de doop van de bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Degene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus. 5 En die hem hoorden werden gedoopt in de Naam van de Heere Jezus. 6 En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden. 7 En alle deze waren ongeveer twaalf mannen. 8 En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk van God. 9 Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg van de Heere voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van een zekere Tyrannus. 10 En dit duurde twee jaar, zo dat allen, die in Azië woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken. 11 En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus; 12 Zo dat ook van zijn lijf op de zieken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren. 13 En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden de Naam van de Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Die Paulus predikt! 14 Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden. 15 Maar de boze geest, antwoordende, zei: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar u, wie bent u? 16 En de mens, waarin de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, zo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvlucht. 17 En dit werd allen bekend, zowel Joden als Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vrees over hen allen, en de Naam van de Heere Jezus werd groot gemaakt. 18 En velen degenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden. 19 Velen ook degenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller aanwezigheid; en berekenden de waarde daarvan, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen. 20 Zo groeide het Woord van de Heere met macht, en nam de overhand. 21 En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de Geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik daar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. 22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheüs en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azië. 23 Maar op diezelfde tijd ontstond er geen kleine opschudding, vanwege de weg van de Heere. 24 Want één, met de naam Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht die van die kunst geen klein winst toe; 25 Die hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zei: Mannen, u weet, dat wij uit dit winst onze welvaart hebben; 26 En u ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azië, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden. 27 En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit ten onder zal gaan, aan wie heel Azië en heel de wereld eer bewijst. 28 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van boosheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diana van de Efezeren! 29 En heel de stad werd vol verwarring; en zij liepen met een geluid eensgezind naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. 30 En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe. 31 En sommigen ook van de oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelf op de schouwplaats niet zou begeven. 32 Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het meerderdeel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren. 33 En zij deden Alexander uit de menigte voortkomen, terwijl de Joden hem naar voren duwden. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen. 34 Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem van allen, die ongeveer twee uur lang riepen: Groot is de Diana van de Efezeren! 35 En als de stadsschrijver de menigte gestild had, zei hij: U mannen van Efeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad van de Efezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is? 36 Omdat dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, is het gepast dat u kalm bent, en niets onbedachts doet. 37 Want u hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren. 38 Als dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkaar aanklagen. 39 En als u iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettige vergadering beslecht worden. 40 Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen aangeklaagd worden om de dag van vandaag, zo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze oploop. 41 En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan. ### Handelingen 20 1 Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen. 2 En als hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland. 3 En als hij daar drie maanden overgebracht had, en omdat door de Joden een hinderlaag voor hem werd gelegd, als hij naar Syrië zou varen, zo werd hij van zin weer te keren door Macedonië. 4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheüs en van die van Azië Tychikus en Trofimus. 5 Deze, vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Troas. 6 Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen van de ongezuurde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, waar wij zeven dagen verbleven. 7 En op de eerste dag van de week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende op de andere dag vertrekken; en hij strekte zijne rede uit tot de middernacht. 8 En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij verzameld waren. 9 En een jongeman met de naam Eutychus, zat in het venster en met een diepe slaap overvallen zijnde, zo Paulus lang tot hen sprak, door de slaap neerstortend, viel van de derde zoldering naar beneden, en werd dood opgenomen. 10 Maar Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zei hij: Wees niet ongerust; want zijn ziel is in hem. 11 En als hij weer boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot de dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij zo. 12 En zij brachten de knecht levende, en waren bovenmate vertroost. 13 Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het zo bevolen, en hij zelf zou te voet gaan. 14 En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mitylene. 15 En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij de volgenden dag tegen Chios over, en op de andere dag legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en de dag daaraan kwamen wij te Milete. 16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet de tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk was) op de pinksterdag te Jeruzalem te zijn. 17 Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen van de Gemeente. 18 En als zij tot hem gekomen waren, zei hij tot hen: U weet, van de eerste dag af, dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik heel de tijd bij u geweest ben; 19 Dienende de Heere met alle nederigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkwamen door de samenzweringen van de Joden; 20 Hoe ik niets achtergehouden heb van wat nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen; 21 Betuigende, zowel Joden als Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus. 22 En nu ziet, ik, gebonden zijnde door de Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal; 23 Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. 24 Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelf, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, die ik, van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie van de genade van God. 25 En nu ziet, ik weet, dat u allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk van God, mijn aangezicht niet meer zien zult. 26 Daarom betuig ik u op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen. 27 Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad van God. 28 Zo hebt dan acht op uzelf, en op heel de kudde, waarover u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente van God te weiden, die Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. 29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. 30 En uit uzelf zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich. 31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaar lang nacht en dag, niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen. 32 En nu, broeders, ik bevele u voor God, en de woorde van Zijn genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden. 33 Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding verzocht. 34 En u weet zelf, dat deze handen tot mijn behoefte, en degenen, die met mij waren, gediend hebben. 35 Ik heb u in alles getoond, dat men, zo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van de Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen. 36 En als hij dit gezegd had, heeft hij neerknielend met hen allen gebeden. 37 En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om de hals van Paulus, kusten hem; 38 Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip. ### Handelingen 21 1 Toen wij van hen gescheiden en afgevaren waren, voeren wij rechtuit en kwamen te Kos, en de dag daaraan te Rhodus, en van daar te Patara. 2 En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in en voeren af. 3 En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zou daar de last ontladen. 4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; die tot Paulus zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. 5 Toen wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan de oever neerknielend, hebben wij gebeden. 6 En als wij elkaar gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zij keerden opnieuw, elk naar het zijne. 7 Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemais, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen. 8 En op de andere dag, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, de evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem. 9 Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden. 10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een profeet uit Judea, met de naam Agabus; 11 En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zichzelf handen en voeten gebonden hebbende, zei: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden zo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen van de heidenen. 12 Als wij nu dit hoorden, baden zowel wij als die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. 13 Maar Paulus antwoordde: Wat doet u, dat u weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heere Jezus. 14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil van de Heere gebeure. 15 En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem. 16 En met ons gingen ook sommigen van de discipelen van Cesarea, leidende met zich een zekere Mnason, van Cyprus, een oude discipel, bij die wij zouden te huis liggen. 17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk. 18 En de volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. 19 En als hij hen gegroet had, vertelde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had. 20 En zij, dat gehoord hebbende, loofden de Heere, en zeiden tot hem: U ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet. 21 En zij zijn aangaande u bericht, dat u al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijze van de wet wandelen. 22 Wat is er dan te doen? Het is volstrekt nodig, dat de menigte samenkome; want zij zullen horen, dat u gekomen bent. 23 Doe dan wat wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben. 24 Neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten naast hen, opdat zij het hoofd scheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan wat, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat u zo wandelt, dat u ook zelf de wet onderhoudt. 25 Maar van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van wat aan de afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij. 26 Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in de tempel, en verkondigde, dat de dagen van de heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een ieder van hen de offergave opgeofferd was. 27 Als nu de zeven dagen zouden voltooid worden, zagen hem de Joden van Azië in de tempel, en verontrustten al het volk, en sloegen de handen aan hem, 28 Roepende: U Israëlietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats iedereen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. 29 Want zij hadden te voren Trofimus, de Efezier, met hem in de stad gezien, die zij meenden, dat Paulus in de tempel gebracht had. 30 En heel de stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten de tempel; en meteen werden de deuren gesloten. 31 En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot de overste van de bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was. 32 Die meteen soldaten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, de oversten en de soldaten ziende, hielden op van Paulus te slaan. 33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vroeg, wie hij was, en wat hij gedaan had. 34 En onder de menigte riep de ene dit, de andere wat anders. Maar als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de opschudding, beval hij, dat men hem in de kazerne zou brengen. 35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de soldaten gedragen werd vanwege het geweld van de menigte. 36 Want de menigte van het volk volgde, al roepende: Weg met hem! 37 En als Paulus nu in de kazerne zou geleid worden, zei hij tot de overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zei: Kent u Grieks? 38 Bent u dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde? 39 Maar Paulus zei: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onbekende stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken. 40 En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende: ### Handelingen 22 1 Broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal. 2 (Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zei:) 3 Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de nauwkeurigste wijze van de vaderlijke wet, zijnde een ijveraar voor God, zoals u allen vandaag bent; 4 Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende zowel mannen als vrouwen. 5 Zoals mij ook de hogepriester getuige is, en heel de raad van de oudsten; van die ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. 6 Maar het gebeurde mij, als ik reisde, en Damascus naderde, ongeveer de middag, dat plotseling uit de hemel een groot licht mij rondom omscheen. 7 En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij? 8 En ik antwoordde: Wie bent U, Heere? En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Die u vervolgt. 9 En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Van Degene, Die tot mij sprak, hoorden zij niet. 10 En ik zei: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zei tot mij: Sta op, en ga heen naar Damascus; en daar zal met u gesproken worden, van al wat u bestemd is te doen. 11 En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam in Damascus. 12 En een zekere Ananias, een godvrezend man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden, 13 Kwam tot mij, en bij mij staande, zei tot mij: Saul, broeder, word weer ziende! En op dat moment kon ik hem zien. 14 En hij zei: De God van onze vaders heeft u te voren bestemd, om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. 15 Want u zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van wat u gezien en gehoord hebt. 16 En nu, wat wacht u? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam van de Heere. 17 En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem teruggekeerd was, en in de tempel bad, dat ik in een geestvervoering was; 18 En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zei: Spoed u, en ga snel weg uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen. 19 En ik zei: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden; 20 En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mee een welbehagen had in zijn dood, en de kleren bewaarde degenen, die hem doodden. 21 En Hij zei tot mij: Ga, want Ik zal u ver weg naar de heidenen zenden. 22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet gepast dat hij blijft leven. 23 En als zij riepen, en de kleren van zich smeten, en stof in de lucht wierpen; 24 Zo beval de overste, dat men hem in de kazerne zou brengen, en zei, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij zo over hem riepen. 25 En zo zij hem met de riemen uitrekten, zei Paulus tot de hoofdman over honderd, die daar stond: Is het u geoorloofd een Romein, en die onveroordeeld, te geselen? 26 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en meldde het de overste, zeggende: Zie, wat u te doen hebt; want deze mens is een Romein. 27 En de overste kwam toe, en zei tot hem: Zeg mij, bent u een Romein? En hij zei: Ja. 28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zei: Maar ik ben ook een burger geboren. 29 Meteen dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden. 30 En op de andere dag, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en heel hun raad zou bijeenkomen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen. ### Handelingen 23 1 En Paulus, de ogen op de raad houdende, zei: Broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag. 2 Maar de hogepriester Ananias beval degenen, die bij hem stonden, dat zij hem op de mond zouden slaan. 3 Toen zei Paulus tot hem: God zal u slaan, u gewitte wand! Zit u ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt u, tegen de wet, dat men mij zal slaan? 4 En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt u de hogepriester van God? 5 En Paulus zei: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: De overste van uw volk zult u niet vloeken. 6 En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceën, en het andere van de Farizeën, riep in de raad: Broeders, ik ben een Farizeër, zoon van een Farizeeër; ik word over de hoop en opstanding van de doden geoordeeld. 7 En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de Farizeën en de Sadduceën, en de menigte werd verdeeld. 8 Want de Sadduceën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeën belijden het beide. 9 En er ontstond een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde van de Farizeën stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; en als een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden. 10 En als er grote tweespalt ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat de soldaten zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de kazerne brengen. 11 En de volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zei: Heb goede moed, Paulus, want zoals u te Jeruzalem van Mij betuigd hebt zo moet u ook te Rome getuigen. 12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een complot, en vervloekten zichzelf, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, voordat zij Paulus zouden gedood hebben. 13 En zij waren meer dan veertig, die deze eed samen gedaan hadden; 14 Die gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelf met een vervloeking gebonden, niets te zullen nuttigen, voordat wij Paulus zullen gedood hebben. 15 U dan nu, laat de overste weten met de raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof u nadere kennis zou nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, voordat hij bij u komt. 16 En toen de zoon van Paulus' zus deze hinderlaag had gehoord, kwam hij daar, en ging in de kazerne, en meldde het Paulus. 17 En Paulus riep tot zich één van de hoofdmannen over honderd, en zei: Leid deze jongeling heen tot de overste; want hij heeft hem iets te melden. 18 Deze dan nam hem en bracht hem tot de overste, en zei: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en verzocht, dat ik deze jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen. 19 De overste nu nam hem bij de hand, en hem apart genomen hebbende, vroeg hij: Wat is het dat u mij hebt te boodschappen? 20 En hij zei: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat u Paulus morgen in de raad zou afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken. 21 Maar geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem een hinderlaag, die zichzelf met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, voordat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u. 22 De overste dan liet de jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat u mij dat geopenbaard hebt. 23 En hij riep twee hoofdmannen over honderd tot zich, zei hij: Maak tweehonderd soldaten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen het derde uur in de nacht; 24 En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot de stadhouder Felix. 25 En hij schreef een brief, hebbende deze inhoud: 26 Claudius Lysias aan de machtigsten stadhouder Felix groetenis. 27 Zo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met de soldaten, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is. 28 En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad; 29 Die ik bevond beschuldigd te worden over vragen van hun wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of banden waard is. 30 En als mij te kennen gegeven was, dat door de Joden een hinderlaag tegen deze man zou worden gelegd, zo heb ik hem meteen aan u gezonden; gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen, wat zij tegen hem hadden. Vaarwel. 31 De soldaten dan, zoals hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem bij nacht tot Antipatris. 32 En op de andere dag, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij opnieuw naar de kazerne. 33 Die als zij te Cesarea gekomen waren, en de brief de stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld. 34 En de stadhouder, de brief gelezen hebbende, vroeg, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicië was, 35 Zei hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodes zou bewaard worden. ### Handelingen 24 1 En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekere advocaat, genoemd Tertullus, die verschenen voor de stadhouder tegen Paulus. 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele prijzenswaardige diensten deze volk gebeuren door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij geheel en overal met alle dankbaarheid aan. 4 Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat u ons, naar uw welwillendheid, kortelijk hoort. 5 Want wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door heel de wereld, en een oppersten voorstander van de sekte van de Nazarenen. 6 Die ook gepoogd heeft de tempel te ontheiligen, die wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen. 7 Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht; 8 Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van die u zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al wat, waarvan wij hem beschuldigen. 9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen zo waren. 10 Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Omdat ik weet, dat u nu vele jaren over dit volk rechter bent geweest, zo verantwoord ik mijzelf met goede moed. 11 Zo u kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem; 12 En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenspanning van het volk makende, noch in de synagogen, noch in de stad; 13 En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen. 14 Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, die zij sekte noemen, de God van de vaders zo dien, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is; 15 Hebbende hoop op God, welke deze ook zelf verwachten, dat er een opstanding van de doden wezen zal, beiden van de rechtvaardigen en van de onrechtvaardigen. 16 En hierin oefen ik mijzelf, om altijd een zuiver geweten te hebben bij God en de mensen. 17 Maar na vele jaren ben ik gekomen om liefdegaven te doen aan mijn volk, en offergaven. 18 Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in de tempel, niet met volk, noch met opschudding, enige Joden uit Azië; 19 Die behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, als zij iets hadden tegen mij. 20 Of dat deze zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor de raad stond; 21 Dan van dit enig woord, dat ik riep, staande onder hen: Over de opstanding van de doden word ik vandaag van u geoordeeld! 22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van deze weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken. 23 En hij beval de hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen. 24 En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus. 25 En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor deze keer kunt u gaan; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen. 26 En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem. 27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende de Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen. ### Handelingen 25 1 Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem. 2 En de hogepriester, en de voornaamsten van de Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, 3 Zij vroegen om als gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; terwijl zij een hinderlaag legden, om hem op de weg om te brengen. 4 Maar Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast daarheen zou vertrekken. 5 Die dan, zei hij, onder u kunnen, dat zij mee afreizen, en als er iets onbehoorlijks aan deze man is, dat zij hem beschuldigen. 6 En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en op de andere dag, op de rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voorgebracht worden. 7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen; 8 Omdat hij, verantwoordende, zei: Ik heb noch tegen de wet van de Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets gezondigd. 9 Maar Festus, willende de Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zei: Wilt u naar Jeruzalem opgaan, en daar voor mij over deze dingen geoordeeld worden? 10 En Paulus zei: Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik geoordeeld moet worden; de Joden heb ik geen onrecht gedaan; zoals u ook zeer wel weet. 11 Want als ik onrecht doe, en iets van de dood waard gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar als er niets is van wat, waarvan deze mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op de keizer. 12 Toen antwoordde Festus, als hij met de raad gesproken had: Hebt u zich op de keizer beroepen? U zult tot de keizer gaan. 13 En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten. 14 En toen zij daar vele dagen doorgebracht hadden, vertelde Festus de zaken van Paulus aan de koning, zeggende: Hier is een man die door Felix gevangen is gelaten; 15 Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen van de Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem; 16 Aan die ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enige mens uit gunst ter dood over te geven, voordat de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging. 17 Als zij dan gezamenlijk hier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, overdag daaraan op de rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zou voorgebracht worden; 18 Over welke de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; 19 Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Die Paulus zei te leven. 20 En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zei ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en daar over deze dingen geoordeeld worden. 21 En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis van de keizer bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden, ter tijd toe, dat ik hem tot de keizer zenden zou. 22 En Agrippa zei tot Festus: Ik wilde ook zelf die mens wel horen. En hij zei: Morgen zult u hem horen. 23 Op de andere dag dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten van de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht. 24 En Festus zei: Koning Agrippa, en u mannen allen, die met ons hier tegenwoordig bent, u ziet deze, van welke mij heel de menigte van de Joden heeft aangesproken, zowel te Jeruzalem als hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven. 25 Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets van de dood waard gedaan had, en omdat hij ook zelf zich op de keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden. 26 Van welke ik niets zekers heb aan de heer te schrijven; daarom heb ik hem voor u voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven. 27 Want het denkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven. ### Handelingen 26 1 En Agrippa zei tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelf te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich zo: 2 Ik acht mijzelf gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij vandaag voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word; 3 Allermeest, omdat ik weet, dat u kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat u mij geduldig hoort. 4 Mijn leven dan van de jeugd aan, dat van de beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden; 5 Als die van over lang mij te voren gekend hebben (als zij het wilden getuigen), dat ik, naar de nauwgezetste sekte van onze godsdienst, als een Farizeër geleefd heb. 6 En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop van de belofte, die door God aan de vaders is gedaan; 7 Tot die onze twaalf geslachten, steeds nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd. 8 Wat? wordt het bij u ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt? 9 Ik meende werkelijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele vijandige dingen moest doen. 10 Dat ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe. 11 En door al de synagogen heb ik hen dikwijls gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden. 12 Waarover ook als ik naar Damascus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had, 13 Zag ik, o koning, in het midden van de dag, op de weg een licht, boven de glans van de zon, van de hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende. 14 En als wij allen ter aarde neergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de hiel te slaan. 15 En ik zei: Wie bent U, Heere? En Hij zei: Ik ben Jezus, Die u vervolgt. 16 Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige van de dingen, zowel die u gezien hebt als waarin Ik u nog zal verschijnen; 17 Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot die Ik u nu zend; 18 Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht van de satan tot God; opdat zij vergeving van de zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij. 19 Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels visioen niet ongehoorzaam geweest; 20 Maar heb eerst degenen, die in Damascus waren, en te Jeruzalem, en in heel het land van Judea, en de heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, en werken doen die de bekering waardig zijn. 21 Vanwege deze zaken hebben mij de Joden in de tempel gegrepen en gepoogd om te brengen. 22 Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op deze dag, betuigende zowel klein als groot; niets zeggende buiten wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat gebeuren zou; 23 Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding van de doden zijnde, een licht zou verkondigen deze volk, en de heidenen. 24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zei Festus met luide stem: U bent buiten zinnen, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij! 25 Maar hij zei: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand; 26 Want de koning weet van deze dingen, tot welke ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is niet in een uithoek gebeurd. 27 Gelooft u, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat u ze gelooft. 28 En Agrippa zei tot Paulus: U beweegt mij bijna een Christen te worden. 29 En Paulus zei: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen u, maar ook allen, die mij vandaag horen, werden zoals ik ben, uitgezonderd deze banden. 30 En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren; 31 En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkaar, zeggende: Deze mens doet niets van de dood of van de banden waard. 32 En Agrippa zei tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, als hij zich op de keizer niet had beroepen. ### Handelingen 27 1 En als het besloten was, dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met de naam Julius van de keizerlijke bende. 2 En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, zo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedoniër van Thessalonica, was met ons. 3 En op de andere dag kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden. 4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren. 5 En de zee, die langs Cilicië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycië. 6 En de hoofdman, daar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelfde overgaan. 7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, omdat het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmone. 8 En hetzelfde nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij op een plaats genoemd Schonehavens, waar de stad Lasea nabij was. 9 En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus, 10 En zei tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal gebeuren met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven. 11 Maar de hoofdman geloofde meer de stuurman en de schipper, dan wat van Paulus gezegd werd. 12 En zo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerderdeel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten. 13 En zo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta heen. 14 Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelfde een stormwind, genoemd Euroklydon. 15 En als het schip daarmee weggerukt werd, en niet kon tegen de wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen. 16 En toen wij onder een eilandje doorvoeren, genoemd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden. 17 Die opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en zo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven zo heen. 18 En zo wij van het onweer hevig geslingerd werden, deden zij de volgende dag een uitworp; 19 En de derde dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit. 20 En als noch zon noch sterren verschenen in vele dagen, en geen klein onweer ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen. 21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zei: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade verhoed te hebben; 22 Maar alsnu vermaan ik u vol moed te zijn; want er zal geen verlies gebeuren van iemands leven onder u, maar alleen van het schip. 23 Want deze zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel van God, Wiens ik ben, Die ook ik die, 24 Zeggende: Vrees niet, Paulus, u moet voor de keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen. 25 Daarom bent vol moed, mannen, want ik geloof voor God, dat het zo zijn zal, zoals het mij gezegd is. 26 Maar wij moeten op een eiland aanlopen. 27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, zo wij in de Adriatische zee heen en weer gedreven werden, ongeveer het midden bij nacht, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde. 28 En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij opnieuw het dieplood uit, en vonden vijftien vademen; 29 En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd. 30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vluchten, en de boot in de zee neerlieten, onder de schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen, 31 Zei Paulus tot de hoofdman en tot de soldaten: Als deze in het schip niet blijven, u kunt niet behouden worden. 32 Toen hieuwen de soldaten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen. 33 En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden voedsel nemen, en zei: Het is vandaag de veertiende dag, dat u verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen. 34 Daarom vermaan ik u voedsel te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen. 35 En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller aanwezigheid; en hetzelfde gebroken hebbende, begon hij te eten. 36 En zij allen, vol moed geworden zijnde, namen zelf ook voedsel tot zich. 37 Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen. 38 En als zij met voedsel verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee. 39 En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij zagen een inham met een oever, tegen die zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten. 40 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar de wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar de oever toe. 41 Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld van de golven. 42 De raadslag nu van de soldaten was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zou ontvluchten. 43 Maar de hoofdman, willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen; 44 En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En zo is het gebeurd dat zij allen behouden aan land zijn gekomen. ### Handelingen 28 1 En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melite heette. 2 En de barbaren bewezen ons een buitengewone vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om de regen, die overkwam, en om de koude. 3 En als Paulus één hoop takken bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand. 4 En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze mens is zeker een moordenaar, die de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is. 5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads. 6 En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of plotseling dood zou neervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was. 7 En hier, in de buurt van die plaats, had de voornaamste van het eiland, met de naam Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde. 8 De vader van Publius lag, door koortsen en de rodeloop bevangen, te bed; tot die Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond. 9 Toen dit dan was gebeurd, kwamen ook tot hem de anderen, die ziekten hadden in het eiland, en werden genezen. 10 Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons wat nodig was. 11 En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrië, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken, Kastor en Pollux. 12 En als wij te Syrakuse aangekomen waren, bleven wij daar drie dagen; 13 Vanwaar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en zo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij de tweede dag te Puteoli; 14 Waar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en zo gingen wij naar Rome. 15 En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; die Paulus ziende, dankte hij God en greep moed. 16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan de overste van de leger; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelf te wonen met de soldaat, die hem bewaarde. 17 Na drie dagen riep Paulus degenen samen die de voornaamsten van de Joden waren. En als zij samengekomen waren, zei hij tot hen: Broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen van de Romeinen; 18 Die, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld van de dood in mij was. 19 Maar als de Joden dat tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; maar niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen. 20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hoop van Israël ben ik met deze keten omvangen. 21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven wat u betreft van Judea ontvangen; en niemand van de broeders die hier gekomen is, heeft over u iets kwaads bericht of gezegd. 22 Maar wij begeren wel van u te horen, wat u gevoelt; want wat deze sekte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt. 23 En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; die hij het Koninkrijk van God uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, zowel uit de wet van Mozes als de profeten, vroeg in de morgen tot de avond toe. 24 En sommigen geloofden wel, wat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet. 25 En tegen elkaar oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, de profeet, tot onze vaders, 26 Zeggende: Ga naar dit volk, en zeg: Met het gehoor zult u horen, en in geen geval verstaan; en ziende zult u zien, en in geen geval bemerken. 27 Want het hart van dit volk is dik geworden, en met de oren hebben zij nauwelijks gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze. 28 Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods de heidenen gezonden is, en zij zullen ook luisteren. 29 En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkaar. 30 En Paulus bleef twee volle jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen; 31 Predikende het Koninkrijk van God, en lerende van de Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd. ## Romeinen ### Romeinen 1 1 Paulus, een dienaar van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God, 2 (Dat Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften). 3 Van Zijn Zoon, (Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees; 4 Die krachtig bewezen is te zijn de Zoon van God, naar de Geest van de heiligmaking, uit de opstanding van de doden) namelijk Jezus Christus, onze Heere: 5 (Door Welke wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid van het geloof onder al de heidenen, voor Zijn Naam; 6 Onder welke u ook bent, geroepenen van Jezus Christus!) 7 Allen, die te Rome bent, geliefden van God, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 8 Als eerste dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de hele wereld. 9 Want God is mijn Getuige, Die ik dien in mijn geest, in het Evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten aan u denk; 10 Alle tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door de wil van God, om tot u te komen. 11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, met als doel dat u versterkt zou worden; 12 Dat is, om mee vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zowel het mijne als het uwe. 13 Maar ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik dikwijls voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, zoals ook onder de andere heidenen. 14 Zowel Grieken als Barbaren, zowel wijzen als onwijzen ben ik een schuldenaar. 15 Zo wat in mij is, dat is bereidwillig, om u ook, die te Rome bent, het Evangelie te verkondigen. 16 Want ik schaam mij van het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht van God tot zaligheid een ieder die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek. 17 Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelfde geopenbaard uit geloof tot geloof; zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 18 Want de toorn van God wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid van de mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. 19 Omdat wat van God bekend is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard. 20 Want Zijn onzichtbare dingen worden, van de schepping van de wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, zowel Zijn eeuwige kracht als Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. 21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden; 22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; 23 En hebben de heerlijkheid van de onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten. 24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden van hun harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren; 25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven de Schepper, Die te prijzen is in de eeuwigheid, amen. 26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature; 27 En eveneens ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik van de vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkaar, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelf ontvangende. 28 En zoals het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet passen; 29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van afgunst, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid; 30 Oorblazers, roddelaars, vijanden Gods, smaders, hoogmoedigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, de ouderen ongehoorzaam; 31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen; 32 Zij, daar zij het recht van God weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, van de dood waard zijn) niet alleen dezelfde doen, maar ook mee een welgevallen hebben in degenen, die ze doen. ### Romeinen 2 1 Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u bent, die anderen oordeelt; want waarin u een ander oordeelt, veroordeelt u uzelf; want u, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen. 2 En wij weten, dat het oordeel van God naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen. 3 En denkt u dit, o mens, die oordeelt degenen, die zulke dingen doen, en dezelfde doet, dat u het oordeel van God zult ontvluchten? 4 Of veracht u de rijkdom van Zijn goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en geduld, niet wetende, dat de goedertierenheid van God u tot bekering leidt? 5 Maar naar uw hardheid, en onbekeerlijk hart, verzamelt u uzelf toorn als een schat, in de dag van de toorn, en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel van God. 6 Die een ieder vergelden zal naar zijn werken; 7 Degenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8 Maar degenen, die twistgierig zijn, en die van de waarheid ongehoorzaam, maar van de ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal toorn en toorn vergolden worden; 9 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel van de mensen, die het kwade werkt, eerst van de Jood, en ook van de Griek; 10 Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een ieder die het goede werkt, eerst de Jood, en ook de Griek. 11 Want er is geen aanneming van de persoon bij God. 12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden; 13 (Want de hoorders van de wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden; 14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die van de wet zijn, deze, de wet niet hebbende, zijn zichzelf een wet; 15 Als die betonen het werk van de wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkaar hen beschuldigende, of ook ontschuldigende). 16 In de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie. 17 Zie, u wordt een Jood genoemd en rust op de wet; en roemt op God, 18 En u weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet; 19 En u betrouwt uzelf te zijn een leidsman van de blinden, een licht van degenen, die in duisternis zijn; 20 Een onderrichter van de onwijzen, en een leermeester van de onwetenden, hebbende de gedaante van de kennis en van de waarheid in de wet. 21 Die dan een ander leert, leert u uzelf niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt u? 22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet u overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft u het heilige? 23 Die op de wet roemt, onteert u God door de overtreding van de wet? 24 Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, zoals geschreven is. 25 Want de besnijdenis is wel nut, als u de wet doet; maar als u een overtreder van de wet bent, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden. 26 Als dan de voorhuid de rechten van de wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden? 27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder van de wet bent? 28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is; 29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis van de harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God. ### Romeinen 3 1 Welk is dan het voordeel van de Jood? Of wat is het nut van de besnijdenis? 2 Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden van God zijn toebetrouwd. 3 Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen? 4 Volstrekt niet. Maar God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; zoals geschreven is: Opdat U gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer U oordeelt. 5 Als nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar de mens.) 6 Volstrekt niet, anders hoe zal God de wereld oordelen? 7 Want als de waarheid van God door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld? 8 En zeggen wij niet liever (zoals wij gelasterd worden, en zoals sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Van wie verdoemenis rechtvaardig is. 9 Wat dan? Zijn wij uitmuntender? Geheel niet; want wij hebben te voren beschuldigd zowel Joden als Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn; 10 Zoals geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; 11 Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. 12 Allen zijn zij afgeweken, samen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot één toe. 13 Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen. 14 Van wie de mond vol is van vervloeking en bitterheid; 15 Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten; 16 Vernieling en ellendigheid is in hun wegen; 17 En de weg van de vrede hebben zij niet gekend. 18 Er is geen vrees voor God voor hun ogen. 19 Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt wordt en de hele wereld voor God verdoemelijk zij. 20 Daarom zal uit de werken van de wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis van de zonde. 21 Maar nu is de rechtvaardigheid van God geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten: 22 Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid. 23 Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid van God; 24 En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is; 25 Die God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving van de zonden, die te voren gebeurd zijn onder de verdraagzaamheid Gods; 26 Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in deze tegenwoordige tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende degene, die uit het geloof van Jezus is. 27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof. 28 Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. 29 Is God een God van de Joden alleen? en is Hij het niet ook van de heidenen? Ja, ook van de heidenen; 30 Aangezien Hij één enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. 31 Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Volstrekt niet; maar wij bevestigen de wet. ### Romeinen 4 1 Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees? 2 Want als Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God. 3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid. 4 Nu degene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld. 5 Maar degene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. 6 Zoals ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken; 7 Zeggende: Zalig zijn zij van wie de ongerechtigheden vergeven zijn, en van wie de zonden bedekt zijn; 8 Zalig is de man, aan wie de Heere de zonden niet toerekent. 9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid. 10 Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid. 11 En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen tot een zegel van de rechtvaardigheid van het geloof, die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend wordt; 12 En een vader van de besnijdenis, degenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen van het geloof van onze vader Abraham, dat in de voorhuid was. 13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad gebeurd, namelijk, dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid van het geloof. 14 Want als degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan. 15 Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding. 16 Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al de zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen; 17 (Zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welke hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren; 18 Die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens wat gezegd was: Zo zal uw zaad wezen. 19 En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat al verstorven was, zo hij ongeveer honderd jaar oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; 21 En ten volle verzekerd zijnde, dat wat beloofd was, Hij ook machtig was te doen. 22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; 24 Maar ook om onzentwil, die het zal toegerekend worden, namelijk degenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft; 25 Die overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. ### Romeinen 5 1 Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus; 2 Door Wie wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de hoop van de heerlijkheid van God. 3 En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking volharding werkt; 4 En de volharding bevinding, en de bevinding hoop; 5 En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven. 6 Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is op Zijn tijd voor de goddelozen gestorven. 7 Want bij hoge uitzondering zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor de goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven. 8 Maar God bevestigt Zijn liefde tegenover ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. 9 Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van de toorn. 10 Want als wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. 11 En niet alleen dit, maar wij roemen ook in God, door onze Heere Jezus Christus, door Welke wij nu de verzoening gekregen hebben. 12 Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en zo de dood tot alle mensen doorgegaan is, waarin allen gezondigd hebben. 13 Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. 14 Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid van de overtreding van Adam, die een voorbeeld is van Degene, Die komen zou. 15 Maar niet, zoals de misdaad, zo is ook de genadegift, want als, door de misdaad van één, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade van God, en de gave door de genade, die daar is van één mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen. 16 En niet, zoals de schuld was door de één, die gezondigd heeft, zo is de gift; want de schuld is wel uit één misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking. 17 Want als door de misdaad van één de dood geheerst heeft door die één, veel meer zullen degenen, die de overvloed van de genade en van de gave van de rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door die Enen, namelijk Jezus Christus. 18 Zo dan, zoals door één misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; zo ook door één rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking van het leven. 19 Want zoals door de ongehoorzaamheid van die één mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. 20 Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad zou toenemen; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest; 21 Opdat, zoals de zonde geheerst heeft tot de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onze Heere. ### Romeinen 6 1 Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? 2 Volstrekt niet. Wij, die de zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog daarin leven? 3 Of weet u niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven, door de doop in de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven wandelen zouden. 5 Want als wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking van Zijn dood, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking van Zijn opstanding; 6 Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde te niet gedaan wordt, opdat wij niet meer de zonde dienen. 7 Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. 8 Als wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; 9 Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. 10 Want dat Hij gestorven is, dat is Hij van de zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij voor God. 11 Zo ook u, reken erop dat u wel van de zonde dood bent, maar voor God levend bent in Christus Jezus, onze Heere. 12 Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van het lichaam. 13 En stelt uw leden niet voor de zonde tot wapens van de ongerechtigheid; maar stelt uzelf voor God, als uit de doden levend geworden zijnde, en stelt uw leden voor God tot wapens van de gerechtigheid. 14 Want de zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade. 15 Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Volstrekt niet. 16 Weet u niet, dat wie u uzelf stelt tot dienaren ter gehoorzaamheid, u dienaren bent van degene, die u gehoorzaamt, of van de zonde tot de dood, of van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid? 17 Maar Gode zij dank, dat u wel dienaren van de zonde was, maar dat u nu van harte gehoorzaam geworden bent aan het voorbeeld van de leer, tot dat u overgegeven bent; 18 En vrijgemaakt zijnde van de zonde, bent gemaakt dienaren van de gerechtigheid. 19 Ik spreek op menselijke wijze, vanwege de zwakheid van uw vlees; want zoals u uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn van de onreinheid en van de ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, zo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn van de gerechtigheid, tot heiligmaking. 20 Want toen u dienaren was van de zonde, zo was u vrij van de gerechtigheid. 21 Wat vrucht dan had u toen van die dingen, waarover u zich nu schaamt? Want het einde daarvan is de dood. 22 Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en voor God dienstbaar gemaakt zijnde, hebt u uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. 23 Want de soldij van de zonde is de dood, maar de genadegift van God is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere. ### Romeinen 7 1 Weet u niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over de mens, zolang hij leeft? 2 Want een vrouw, die onder de man staat, is aan de levende man verbonden door de wet; maar als de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet van de man. 3 Daarom dan, als zij van een andere man wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genoemd worden; maar als de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, zo dat zij geen overspeelster is, als zij van een andere man wordt. 4 Zo dan, mijn broeders, u bent ook van de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u zou worden van een Ander, namelijk van Degene, Die van de doden opgewekt is, opdat wij voor God vruchten dragen zouden. 5 Want toen wij in het vlees waren, werkten de bewegingen van de zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om de dood vruchten te dragen. 6 Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, omdat wij die gestorven zijn, onder welke wij gehouden waren; zo dat wij dienen in nieuwheid van de geest, en niet in de oudheid van de letter. 7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, als de wet niet zei: U zult niet begeren. 8 Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewerkt; want zonder de wet is de zonde dood. 9 En zonder de wet, zo leefde ik vroeger; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weer levend geworden, maar ik ben gestorven. 10 En het gebod, dat ten leven was, hetzelfde is mij ten dood bevonden. 11 Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelfde gedood. 12 Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed. 13 Is dan het goede mij de dood geworden? Volstrekt niet. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede de dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod. 14 Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. 15 Want wat ik doe, dat ken ik niet; want wat ik wil, dat doe ik niet, maar wat ik haat, dat doe ik. 16 En als ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is. 17 Ik dan doe het nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 18 Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet. 19 Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. 20 Als ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelfde niet meer, maar de zonde, die in mij woont. 21 Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. 22 Want ik heb een vermaak in de wet van God, naar de inwendigen mens; 23 Maar ik zie een andere wet in mijn leden, die strijdt tegen de wet van mijn gemoed, en mij gevangen neemt onder de wet van de zonde, die in mijn leden is. 24 Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood? 25 Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. 26 Zo dan, ik zelf die wel met het gemoed de wet van God, maar met het vlees de wet van de zonde. ### Romeinen 8 1 Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest. 2 Want de wet van de Geest van het leven in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. 3 Want wat van de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid van de zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees. 4 Opdat het recht van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de geest. 5 Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat van het vlees is; maar die naar de geest zijn, bedenken, dat van de geest is. 6 Want het bedenken van het vlees is de dood; maar het bedenken van de geest is het leven en vrede; 7 Daarom dat het bedenken van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich aan de wet van God niet; want het kan ook niet. 8 En die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. 9 Maar u bent niet in het vlees, maar in de geest, zo anders de Geest van God in u woont. Maar zo iemand de Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. 10 En als Christus in u is, zo is wel het lichaam dood om de zonden wil; maar de geest is leven om de gerechtigheid wil. 11 En als de Geest van Degene, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont. 12 Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven. 13 Want als u naar het vlees leeft, zo zult u sterven; maar als u door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zo zult u leven. 14 Want zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. 15 Want u hebt niet ontvangen de geest van de dienstbaarheid opnieuw tot vrees; maar u hebt ontvangen de geest van de aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader! 16 Dezelfde Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. 17 En als wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en mee-erfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. 18 Want ik houd het daarvoor, dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. 19 Want het schepsel, als met opgestoken hoofd, verwacht de openbaring van de kinderen van God. 20 Want het schepsel is van de zinloosheid onderworpen, niet gewillig, maar om wie wil, die het van de zinloosheid onderworpen heeft; 21 Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid van de verderfenis, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van God. 22 Want wij weten, dat het hele schepsel samen zucht, en samen als in barensnood is tot nu toe. 23 En niet alleen dit, maar ook wij zelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, wij ook zelf, zeg ik, zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam. 24 Want wij zijn in hoop zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want wat iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? 25 Maar als wij hopen, wat wij niet zien, zo verwachten wij het met volharding. 26 En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mee te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27 En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening van de Geest zij, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt. 28 En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. 29 Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren bestemd, het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broeders. 30 En die Hij te voren bestemd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt. 31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? 32 Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het, Die rechtvaardig maakt. 34 Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook aan de rechterhand van God is, Die ook voor ons bidt. 35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard? 36 (Zoals geschreven is: Want om Uwentwil worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.) 37 Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft. 38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, 39 Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heere. ### Romeinen 9 1 Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mee getuigenis gevende door de Heilige Geest), 2 Dat het mij een grote verdriet, en mijn hart een voortdurende smart is. 3 Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn familie zijn naar het vlees; 4 Die Israëlieten zijn, van wie is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen; 5 Van wie de vaders zijn, en uit wie Christus is, zoveel het vlees betreft, Die is God boven allen te prijzen in de eeuwigheid. Amen. 6 Maar ik zeg dit niet, alsof het woord van God was uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn. 7 Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij alle kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden. 8 Dat is, niet de kinderen van het vlees, die zijn kinderen van God; maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. 9 Want dit is het woord van de beloftenis: Ongeveer deze tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben. 10 En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit één zwanger was, namelijk Izaak, onze vader. 11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit de Roepende; 12 Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen. 13 Zoals geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. 14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet. 15 Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, wie Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, die Ik barmhartig ben. 16 Zo is het dan niet degene, die wil, noch degene, die loopt, maar van God die zich ontfermt. 17 Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd wordt op de hele aarde. 18 Zo ontfermt Hij Zich dan, wie Hij wil, en verhardt, die Hij wil. 19 U zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? 20 Maar toch, o mens, wie bent u, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot degenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken, het ene voorwerp ter ere, en het andere ter onere? 22 En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele geduld verdragen heeft de voorwerpen van de toorn, tot het verderf toebereid; 23 En opdat Hij zou bekend maken de rijkdom van Zijn heerlijkheid over de voorwerpen van de barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid? 24 Die Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen. 25 Zoals Hij ook in Hosea zegt: Ik zal wat Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet geliefd was, Mijn geliefde. 26 En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: U bent Mijn volk niet, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden. 27 En Jesaja roept over Israël: Al was het getal van de Israëlieten zoals het zand van de zee, zo zal het overblijfsel behouden worden. 28 Want Hij voltooit een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde. 29 En zoals Jesaja te voren gezegd heeft: Als de Heere Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest. 30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is. 31 Maar Israël, die de wet van de rechtvaardigheid zocht, is tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen. 32 Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken van de wet, want zij hebben zich gestoten aan de steen van de aanstoot; 33 Zoals geschreven is: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots van de aanstoot; en een ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. ### Romeinen 10 1 Broeders, de toegenegenheid van mijn hart, en het gebed, dat ik tot God voor Israël doe, is tot hun zaligheid. 2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. 3 Want zo zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij van de rechtvaardigheid van God niet onderworpen. 4 Want het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder die gelooft. 5 Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven. 6 Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Hetzelfde is Christus van boven afbrengen. 7 Of, wie zal in de afgrond nederdalen? Hetzelfde is Christus uit de doden opbrengen. 8 Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord van het geloof, dat wij prediken. 9 Namelijk, als u met uw mond zult belijden de Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult u zalig worden. 10 Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid. 11 Want de Schrift zegt: Een ieder die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. 12 Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. 13 Want een ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden. 14 Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welke zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? 15 En hoe zullen zij prediken, als zij niet gezonden worden? Zoals geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten van degenen, die vrede verkondigen, van degenen, die het goede verkondigen! 16 Maar zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? 17 Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord van God, 18 Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de hele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden van de wereld. 19 Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal u tot jaloërsheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken. 20 En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden degenen, die naar Mij niet vraagden. 21 Maar tegen Israël zegt Hij: De hele dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. ### Romeinen 11 1 Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Volstrekt niet; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin. 2 God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij te voren gekend heeft. Of weet u niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: 3 Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. 4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. 5 Zo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing van de genade. 6 En als het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer; en als het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer. 7 Wat dan? Wat Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden. 8 (Zoals geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag. 9 En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen. 10 Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug alle tijd. 11 Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Volstrekt niet; maar door hun val is de zaligheid de heidenen geworden, om hen tot jaloërsheid te verwekken. 12 En als hun val de rijkdom is van de wereld, en hun vermindering de rijkdom van de heidenen, hoeveel te meer hun volheid! 13 Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik de heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk; 14 Of ik enigszins mijn vlees tot jaloërsheid verwekken, en enige uit hen behouden mocht. 15 Want als hun verwerping de verzoening is van de wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden? 16 En als de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en als de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig. 17 En zo enige van de takken afgebroken zijn, en u, een wilde olijfboom zijnde, in van die plaats bent ingeent, en van de wortel en van de vettigheid van de olijfboom mee deelachtig bent geworden, 18 Zo roem niet tegen de takken; en als u daartegen roemt, u draagt de wortel niet, maar de wortel u. 19 U zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden. 20 Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en u staat door het geloof. Bent niet hooggevoelende, maar vrees. 21 Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare. 22 Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, als u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u afgehouwen worden. 23 Maar ook zij, als zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig daarom weer in te enten. 24 Want als u afgehouwen bent uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden? 25 Want ik wil niet, broeders, dat u dit geheim onbekend zij (opdat u niet wijs bent, bij uzelf), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid van de heidenen zal ingegaan zijn. 26 En zo zal geheel Israël zalig worden; zoals geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. 27 En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen. 28 Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij geliefden, om de vaders wil; 29 Want de genadegiften en de roeping van God zijn onberouwelijk. 30 Want zoals ook u vroeger voor God ongehoorzaam geweest bent, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door deze ongehoorzaamheid; 31 Zo zijn ook deze nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen. 32 Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. 33 O diepte van de rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! 34 Want wie heeft de zin van de Heere gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? 35 Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? 36 Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen. ### Romeinen 12 1 Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende, heilige en voor God welbehagelijke offergave, dat is uw redelijke godsdienst. 2 En wordt deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed, opdat u mag beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij. 3 Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een ieder die onder u is, dat hij niet wijs zij boven wat men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, zoals God ieder de mate van het geloof gedeeld heeft. 4 Want zoals wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben; 5 Zo zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elk zijn wij elkaars leden. 6 Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, 7 Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate van het geloof; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; 8 Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoud; die een voorstander is, in ijver; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid. 9 De liefde zij ongeveinsd. Heb een afkeer van het boze, en hangt het goede aan. 10 Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. 11 Wees niet traag in het beijveren. Wees vurig van geest. Dient de Heere. 12 Verblijd u in de hoop. Bent geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. 13 Deel mee tot de behoeften van de heiligen. Tracht naar gastvrijheid. 14 Zegen hen, die u vervolgen; zegen en vervloekt niet. 15 Verblijd u met de blijden; en weent met de wenenden. 16 Wees eensgezind onder elkaar. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Wees niet wijs bij uzelf. 17 Vergeld niemand kwaad voor kwaad. Bezorg wat eerlijk is voor alle mensen. 18 Als het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen. 19 Wreek uzelf niet, geliefden, maar geeft de toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. 20 Als dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; als hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult u kolen vuurs op zijn hoofd hopen. 21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede. ### Romeinen 13 1 Alle ziel zij de machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God bestemd. 2 Zo dat die zich tegen de macht stelt, de instelling van God weerstaat; en die ze weerstaan, zullen over zichzelf een oordeel halen. 3 Want de oversten zijn niet tot een vrees voor de goede werken, maar voor de kwade. Wilt u nu de macht niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben; 4 Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet te vergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf degene, die kwaad doet. 5 Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om de straffe, maar ook omwille van het geweten. 6 Want daarom betaalt u ook belastingen; want zij zijn dienaren van God, in ditzelve steeds bezig zijnde. 7 Zo geeft dan ieder, wat u schuldig bent; belasting, die u de belasting, tol, die u de tol, vrees, die u de vrees, eer, die u de eer schuldig bent. 8 Wees niemand iets schuldig, dan elkaar lief te hebben; want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld. 9 Want dit: U zult geen overspel doen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen valse getuigenis geven, u zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben zoals uzelf. 10 De liefde doet de naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling van de wet. 11 En dit zeg ik te meer, omdat wij de gelegenheid van de tijd weten, dat het het uur is, dat wij nu uit de slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben. 12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken van de duisternis, en aandoen de wapenen van het licht. 13 Laat ons, als in de dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchten, niet in twist en afgunst; 14 Maar doet aan de Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden. ### Romeinen 14 1 Degene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. 2 De één gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. 3 Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen. 4 Wie bent u, die de huisknecht van een ander oordeelt? Hij staat, of hij valt onder zijn eigen heer; maar hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen. 5 De één acht wel de één dag boven de andere dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. 6 Die de dag waarneemt, die neemt hem waar de Heere; en die de dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar de Heere. Die daar eet, die eet dat de Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet dat de Heere niet, en hij dankt God. 7 Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf. 8 Want hetzij dat wij leven, wij leven de Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn van de Heere. 9 Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weer levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levende heersen zou. 10 Maar u, wat oordeelt u uw broeder? Of ook u, wat veracht u uw broeder? Want wij zullen allen voor de rechterstoel van Christus gesteld worden. 11 Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden. 12 Zo dan ieder van ons zal voor zichzelf voor God rekenschap geven. 13 Laat ons dan elkaar niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat u de broeder geen aanstoot of struikelblok geeft. 14 Ik weet en ben verzekerd in de Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein. 15 Maar als uw broeder vanwege het voedsel bedroefd wordt, zo wandelt u niet meer naar liefde. Verderf die niet met uw voedsel, voor welke Christus gestorven is. 16 Dat dan uw goed niet gelasterd worde. 17 Want het Koninkrijk van God is niet voedsel en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest. 18 Want die Christus in deze dingen dient, is voor God welbehaaglijk, en aangenaam voor de mensen. 19 Zo dan laat ons najagen, wat tot de vrede, en wat tot de stichting onder elkaar dient. 20 Verbreek het werk van God niet om het voedsel wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad de mens, die met aanstoot eet. 21 Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of ten val komt, of waarin hij zwak is. 22 Hebt u geloof? heb dat bij uzelf voor God. Zalig is hij, die zichzelf niet oordeelt in wat hij voor goed houdt. 23 Maar die twijfelt, als hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde. ### Romeinen 15 1 Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden van de onsterken te dragen, en niet onszelf te behagen. 2 Dat dan ieder van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting. 3 Want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar zoals geschreven is: De smaad van degenen, die U smaden, is op Mij gevallen. 4 Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze onderwijzing te voren geschreven, opdat wij, door volharding en troost van de Schriften, hoop hebben zouden. 5 Maar de God van de volharding en van de troost geve u, dat u eensgezind bent onder elkaar naar Christus Jezus; 6 Opdat u eensgezind, met één mond, mag verheerlijken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. 7 Daarom neemt elkaar aan, zoals ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid van God. 8 En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is van de besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen van de vaders; 9 En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; zoals geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. 10 En opnieuw zegt Hij: Wees vrolijk, u heidenen met Zijn volk! 11 En opnieuw: Loof de Heere, al u heidenen, en prijst Hem, al u volken! 12 En opnieuw zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen. 13 De God nu van de hoop vervulle u met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest. 14 Maar, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat u ook zelf vol bent van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkaar te vermanen. 15 Maar ik heb u deels te stoutelijker geschreven, broeders, u als opnieuw dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is; 16 Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offergave van de heidenen aangenaam wordt, geheiligd door de Heilige Geest. 17 Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. 18 Want ik zou niet durven iets zeggen, dat Christus door mij niet gewerkt heeft, tot gehoorzaamheid van de heidenen, met woorden en werken; 19 Door kracht van tekenen en wonderen, en door de kracht van de Geest van God, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. 20 En zo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op van een ander fundament zou bouwen; 21 Maar zoals geschreven is: Die van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en die het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. 22 Waarom ik ook dikwijls verhinderd geweest ben tot u te komen. 23 Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen, 24 Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u daarheen geleid te worden, als ik eerst van uw aanwezigheid deels verzadigd zal zijn. 25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. 26 Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht een enige handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. 27 Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want als de heidenen van hun geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. 28 Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door uw stad naar Spanje afkomen. 29 En ik weet, dat ik, tot u komende, met volle zegen van het Evangelie van Christus komen zal. 30 En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus, en door de liefde van de Geest, dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; 31 Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij de heiligen; 32 Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen, en met u verfrist worden. 33 En de God van de vrede zij met u allen. Amen. ### Romeinen 16 1 En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is van de Gemeente, die te Kenchreen is; 2 Opdat u haar ontvangt in de Heere, zoals het de heiligen past, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelf. 3 Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus; 4 Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; die niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten van de heidenen. 5 Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn geliefde, die de eersteling is van Achaje in Christus. 6 Groet Maria, die veel voor ons gewerkt heeft. 7 Groet Andronikus en Junias, mijn familieleden, en mijn medegevangenen, die beroemd zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Amplias, mijn geliefde in de Heere. 9 Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en Stachys, mijn geliefde. 10 Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristobulus zijn. 11 Groet Herodion, die van mijn familie is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in de Heere zijn. 12 Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in de Heere arbeiden. Groet Persis, de geliefde zuster, die veel gewerkt heeft in de Heere. 13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Heere, en zijn moeder en de mijn. 14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn. 15 Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met hen zijn. 16 Groet elkaar met een heilige kus. De Gemeenten van Christus groeten u. 17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en struikelblokken veroorzaken tegen de leer, die u van ons geleerd hebt; en wijkt af daarvan. 18 Want zulke dienen onze Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten van de eenvoudigen. 19 Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan over u; en ik wil, dat u wijs bent in het goede, maar onnozel in het kwade. 20 En de God van de vrede zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen. 21 U groeten, Timotheüs, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten. 22 Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in de Heere. 23 U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de hele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus. 24 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheim, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest; 26 Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel van de eeuwige God, tot gehoorzaamheid van het geloof, onder al de heidenen bekend is gemaakt; 27 Dezelfde alleen wijze God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen. ## 1 Korinthiërs ### 1 Korinthiërs 1 1 Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Sosthenes, de broeder, 2 Aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, met allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, zowel hun als onze Heere; 3 Genade zij u en vrede van God onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 4 Ik dank mijn God alle tijd over u, vanwege de genade van God, die u gegeven is in Christus Jezus; 5 Dat u in alles rijk bent geworden in Hem, in alle rede en alle kennis; 6 Zoals de getuigenis van Christus bevestigd is onder u; 7 Zo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onze Heere Jezus Christus. 8 Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onze Heere Jezus Christus. 9 God is getrouw, door Welke u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. 10 Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat u samengevoegd bent in eenzelfde zin, en in een zelfde gevoelen. 11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn. 12 En dit zeg ik, dat ieder van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of bent u in Paulus naam gedoopt? 14 Ik dank God, dat ik niemand van u gedoopt heb, dan Krispus en Gajus; 15 Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb. 16 Maar ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; verder weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb. 17 Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt. 18 Want het woord van het kruis is wel van hen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht van God; 19 Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid van de wijzen doen vergaan, en het verstand van de verstandigen zal Ik te niet maken. 20 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker van deze eeuw? Heeft God de wijsheid van deze wereld niet dwaas gemaakt? 21 Want aangezien, in de wijsheid van God, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het voor God behaagd, door de dwaasheid van de prediking, zalig te maken, die geloven; 22 Omdat de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken; 23 Maar wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden wel een struikelblok, en de Grieken een dwaasheid; 24 Maar hun, die geroepen zijn, zowel Joden als Grieken, prediken wij Christus, de kracht van God, en de wijsheid van God. 25 Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen; en het zwakke van God is sterker dan de mensen. 26 Want u ziet uw roeping, broeders, dat u niet vele wijzen bent naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. 27 Maar het dwaze van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; 28 En het onedele van de wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, opdat Hij wat iets is, te niet zou maken; 29 Opdat geen vlees zou roemen voor Hem. 30 Maar uit Hem bent u in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; 31 Opdat het zij, zoals geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere. ### 1 Korinthiërs 2 1 En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God. 2 Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd. 3 En ik was bij u in zwakheid, en in vrees, en in vele beving. 4 En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden van de menselijke wijsheid, maar in betoning van de geest en van de kracht; 5 Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid van de mensen, maar in de kracht van God. 6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; maar een wijsheid, niet van deze wereld, noch van de oversten van deze wereld, die te niet worden; 7 Maar wij spreken de wijsheid van God, bestaande in geheim, die bedekt was, welke God te voren bestemd heeft tot heerlijkheid van ons, voordat de wereld was; 8 Die niemand van de oversten van deze wereld gekend heeft; want als zij ze gekend hadden, zo zouden zij de Heere van de heerlijkheid niet gekruisigd hebben. 9 Maar zoals geschreven is: Wat het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart van de mensen niet is opgeklommen, wat God bereid heeft die, die Hem liefhebben. 10 Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten van God. 11 Want wie van de mensen weet, wat van de mensen is, dan de geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat Gods is, dan de Geest van God. 12 Maar wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn; 13 Die wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende. 14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. 15 Maar de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden. 16 Want wie heeft de zin van de Heere gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben de zin van Christus. ### 1 Korinthiërs 3 1 En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus. 2 Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste voedsel; want u kon toen nog niet; ja, u kunt ook nu nog niet. 3 Want u bent nog vleselijk; want omdat onder u afgunst is, en twist, en tweedracht, bent u niet vleselijk, en wandelt u niet naar de mens? 4 Want als de één zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; bent u niet vleselijk? 5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaren, door wie u geloofd hebt, en dat, zoals de Heere aan ieder gegeven heeft? 6 Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft de wasdom gegeven. 7 Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die de wasdom geeft. 8 En die plant, en die nat maakt, zijn één; maar ieder zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid. 9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw bent u. 10 Naar de genade van God, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar ieder zie toe, hoe hij daarop bouwe. 11 Want niemand kan een ander fundament leggen, dan wat gelegd is, dat is Jezus Christus. 12 En als iemand op dit fundament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen; 13 Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, omdat het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig van een ieder werk is, zal het vuur beproeven. 14 Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen. 15 Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, maar zo als door vuur. 16 Weet u niet, dat u Gods tempel bent, en de Geest van God in u woont? 17 Zo iemand de tempel van God schendt, die zal God schenden; want de tempel van God is heilig, welke u bent. 18 Niemand bedriege zichzelf. Zo iemand onder u denkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden. 19 Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun sluwheid; 20 En opnieuw: De Heere kent de overleggingen van de wijzen, dat zij ijdel zijn. 21 Niemand dan roeme op mensen; want alles is van u. 22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. 23 Maar u bent van Christus, en Christus is van God. ### 1 Korinthiërs 4 1 Zo houde ons een ieder mens, als dienaren van Christus, en uitdelers van de geheimen van God. 2 En verder wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt. 3 Maar mij is voor het minste, dat ik van u geoordeeld word, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelf niet. 4 Want ik ben mijzelf van geen ding bewust; maar ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere. 5 Zo dan oordeelt niets voor de tijd, voordat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, wat in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen van de harten; en als dan zal ieder lof hebben van God. 6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelf en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat u aan ons zou leren, niet te gevoelen boven wat geschreven is, dat u niet, de één vanwege een ander, hoogmoedig wordt tegen de ander. 7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof u het niet ontvangen had? 8 Al bent u verzadigd, al bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geheerst; en och, of u heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten! 9 Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot de dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden van de wereld, en de engelen, en de mensen. 10 Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar u bent wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar u sterken; u bent heerlijken, maar wij verachten. 11 Tot op dit huidige uur lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; 12 En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; 13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels van de wereld en aller afschraapsel tot nu toe. 14 Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u. 15 Want al had u tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt u toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld. 16 Zo vermaan ik u dan: wees mijn navolgers. 17 Daarom heb ik Timotheüs tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in de Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, zoals ik overal in alle Gemeenten leer. 18 Maar sommigen zijn hoogmoedig, alsof ik tot u niet komen zou. 19 Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden van degenen, die hoogmoedig zijn, maar de kracht. 20 Want het Koninkrijk van God is niet gelegen in woorden, maar in kracht. 21 Wat wilt u? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in de geest van de zachtmoedigheid? ### 1 Korinthiërs 5 1 Men hoort geheel, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, zo dat er één de huisvrouw van zijn vader heeft. 2 En bent u nog hoogmoedig, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan wordt, die deze daad begaan heeft? 3 Maar ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met de geest, heb al, alsof ik tegenwoordig ware, degene, die dat zo bedreven heeft, besloten, 4 In de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest samen verzameld zullen zijn, met de kracht van onze Heere Jezus Christus, 5 Die zodanige over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden mag worden in de dag van de Heere Jezus. 6 Uw roem is niet goed. Weet u niet, dat een weinig zuurdesem het hele deeg zuur maakt? 7 Zuiver dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn mag, zoals u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. 8 Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid. 9 Ik heb u geschreven in de brief, dat u zich niet zou vermengen met de ontuchtplegers; 10 Maar niet geheel met de ontuchtplegers van deze wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zou u moeten uit de wereld gaan. 11 Maar nu heb ik u geschreven, dat u zich niet zult vermengen, namelijk als iemand, een broeder genoemd zijnde, een ontuchtpleger is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat u met zodanig een ook niet zult eten. 12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet die binnen zijn? 13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet u deze boze uit u weg. ### 1 Korinthiërs 6 1 Durft iemand van u, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen? 2 Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtzaken? 3 Weet u niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan? 4 Zo u dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn. 5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan zo onder u geen, die wijs is, ook niet één, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders? 6 Maar de ene broeder gaat met de anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen. 7 Zo is er dan nu geheel tekortkoming onder u, dat u met elkaar rechtzaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? 8 Maar u doet ongelijk, en doet schade, en dat de broeders. 9 Of weet u niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk van God niet zullen beërven? 10 Dwaal niet; noch ontuchtplegers, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk van God beërven. 11 En dit was u sommigen; maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus, en door de Geest van onze God; 12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet raadzaam; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen. 13 De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal zowel deze als die te niet doen. Maar het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam. 14 En God heeft ook de Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht. 15 Weet u niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden van een hoer? Volstrekt niet. 16 Of weet u niet, dat die de hoer aanhangt, één lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot één vlees wezen. 17 Maar die de Heere aanhangt, is één geest met Hem. 18 Vlucht weg van de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. 19 Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is, Die u van God hebt, en dat u van uzelf niet bent? 20 Want u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn. ### 1 Korinthiërs 7 1 Voor wat betreft nu de dingen, waarvan u mij geschreven hebt; het is een mens goed geen vrouw aan te raken. 2 Maar vanwege de hoererijen zal ieder man zijn eigen vrouw hebben, en iedere vrouw zal haar eigen man hebben. 3 De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en evenzo ook de vrouw aan de man. 4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en evenzo ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw. 5 Onttrekt u elkaar niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat u zich tot vasten en bidden mag verledigen; en komt opnieuw bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat u zich niet kunt onthouden. 6 Maar dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel. 7 Want ik wilde, dat alle mensen waren, zoals ikzelf ben; maar ieder heeft zijn eigen gave van God, de één wel zo, maar de andere zo. 8 Maar ik zeg de ongetrouwden, en de weduwen: Het is hun goed, als zij blijven, zoals ik. 9 Maar als zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden. 10 Maar de getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van de man niet scheide. 11 En als zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met de man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate. 12 Maar de anderen zeg ik, niet de Heere: Als enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en zij tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate; 13 En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. 14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. 15 Maar als de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen. 16 Want wat weet u, vrouw, of u de man zult zalig maken? Of wat weet u, man, of u de vrouw zult zalig maken? 17 Maar zoals God aan ieder heeft uitgedeeld, zoals de Heere ieder geroepen heeft, dat hij zo wandele; en zo verordene ik in al de Gemeenten. 18 Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden. 19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding van de geboden van God. 20 Ieder blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is. 21 Bent u, een dienaar zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar als u ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. 22 Want die in de Heere geroepen is, een dienaar zijnde, die is een vrijgelatene van de Heere; evenzo ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienaar van Christus. 23 U bent duur gekocht, wordt geen dienaren van de mensen. 24 Een ieder waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelfde bij God. 25 Voor wat betreft de maagden nu, heb ik geen bevel van de Heere; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van de Heere gekregen heb, om getrouw te zijn. 26 Ik houd dan dit goed te zijn, om de aanstaande nood, dat het, zeg ik, de mens goed is zo te zijn. 27 Bent u aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; bent u ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw. 28 Maar als u ook trouwt, u zondigt niet; en als een maagd trouwt, zij zondigt niet. Maar zulke zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare u. 29 Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd verder kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; 30 En die huilen, als niet huilend; en die blij zijn, als niet blij zijnde; en die kopen, als niet bezittende; 31 En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. 32 En ik wil, dat u zonder zorgen bent. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heere, hoe hij de Heere zal behagen; 33 Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen van de wereld, hoe hij de vrouw zal behagen. 34 Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen van de Heere, opdat zij heilig zij, zowel aan lichaam als aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen van de wereld, hoe zij de man zal behagen. 35 En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot wat wel voegt, en bekwaam is, om de Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en daarheen getrokken te worden. 36 Maar zo iemand acht, dat hij ongepast handelt met zijn maagd, als zij over de jeugdige tijd gaat, en het zo moet gebeuren; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen. 37 Maar die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel. 38 Zo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter. 39 Een vrouw is door de wet verbonden, zo lange tijd haar man leeft; maar als haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, die zij wil, alleen in de Heere. 40 Maar zij is gelukkiger, als zij zo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook de Geest van God te hebben. ### 1 Korinthiërs 8 1 Voor wat betreft nu de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen samen kennis hebben. De kennis maakt hoogmoedig, maar de liefde sticht. 2 En zo iemand denkt iets te weten, die heeft nog niets gekend, zoals men behoort te kennen. 3 Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend. 4 Voor wat betreft dan het eten van de dingen, die de afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één. 5 Want hoewel er ook zijn, die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn), 6 Toch hebben wij maar één God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar één Heere, Jezus Christus, door Welke alle dingen zijn, en wij door Hem. 7 Maar in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten van de afgod tot nog toe, eten als iets dat aan de afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt. 8 Het voedsel nu maakt ons voor God niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek. 9 Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot wordt van hen, die zwak zijn. 10 Want zo iemand u, die de kennis hebt, ziet in de tempel van de afgoden aanzitten, zal zijn geweten, dat zwak is, niet aangezet worden, om te eten de dingen, die de afgoden geofferd zijn? 11 En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welke Christus gestorven is? 12 Maar u, zo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus. 13 Daarom, als het voedsel mijn broeder ten val brengt, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ten val breng. ### 1 Korinthiërs 9 1 Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heere, gezien? Bent u niet mijn werk in de Heere? 2 Zo ik anderen geen apostel ben, toch ben ik het u; want het zegel van mijn apostelschap bent u in de Heere. 3 Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze. 4 Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken? 5 Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, zoals ook de andere apostelen, en de broeders van de Heere, en Cefas? 6 Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken? 7 Wie dient ooit in de oorlog op eigen soldij? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk van de kudde? 8 Spreek ik dit naar de mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet? 9 Want in de wet van Mozes is geschreven: U zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorg ook God voor de ossen? 10 Of zegt Hij dat geheel om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; omdat die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden. 11 Als wij u het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? 12 Als anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Maar wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus. 13 Weet u niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen? 14 Zo heeft ook de Heere bestemd van hen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven. 15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het zo aan mij gebeuren zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand deze mijn roem zou ijdel maken. 16 Want als ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig! 17 Want als ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar als onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd. 18 Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijn macht in het Evangelie niet te misbruiken. 19 Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. 20 En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; van hen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou. 21 Degenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (voor God toch zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou. 22 Ik ben de zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enige behouden zou. 23 En dit doe ik omwille van het Evangelie, opdat ik hetzelfde mee deelachtig zou worden. 24 Weet u niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat één de prijs ontvangt? Loop zo, dat u die mag verkrijgen. 25 En een ieder die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Deze dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke. 26 Ik loop dan zo, niet als op het onzekere; ik kamp zo, niet als de lucht slaande; 27 Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk word. ### 1 Korinthiërs 10 1 En ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 3 En allen hetzelfde geestelijke voedsel gegeten hebben; 4 En allen dezelfde geestelijke drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 6 En deze dingen zijn gebeurd ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, zoals zij lust gehad hebben. 7 En wordt geen afgodendienaars, zoals sommigen van hen, zoals geschreven staat: Het volk zat neer om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 8 En laat ons niet ontucht plegen, zoals sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, zoals ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 10 En mort niet, zoals ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van de verderver. 11 En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op die de einden van de eeuwen gekomen zijn. 12 Zo dan, die denkt te staan, zie toe, dat hij niet valle. 13 U heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; maar God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven wat u aankunt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen. 14 Daarom, mijn geliefden, vlucht van de afgodendienst. 15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeel u, wat ik zeg. 16 De drinkbeker van de dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? 17 Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, omdat wij allen van één brood deelachtig zijn. 18 Zie Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offergaven eten, gemeenschap met het altaar? 19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is? 20 Ja, ik zeg, dat wat de heidenen offeren, zij de demonen offeren, en niet voor God; en ik wil niet, dat u met de demonen gemeenschap hebt. 21 U kunt de drinkbeker van de Heere niet drinken, en de drinkbeker van de demonen; u kunt niet deelachtig zijn aan de tafel van de Heere, en aan de tafel van de demonen. 22 Of tergen wij de Heere? Zijn wij sterker dan Hij? 23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet raadzaam; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet. 24 Niemand zoeke dat van zichzelf is; maar ieder zoeke dat van de anderen is. 25 Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, vanwege het geweten; 26 Want de aarde is van de Heere, en de volheid daarvan. 27 En als u iemand van de ongelovigen noodt, en u daar gaan wilt, eet al wat u voorgesteld wordt, niets ondervragende, vanwege het geweten. 28 Maar zo iemand tot u zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, omwille van degene, die u dat te kennen gegeven heeft, en omwille van het geweten. Want de aarde is van de Heere, en de volheid daarvan. 29 Maar ik zeg: om het geweten, niet van uzelf, maar van de anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten? 30 En als ik door genade van het voedsel deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over wat, waarvoor ik dankzeg? 31 Hetzij dan dat u eet, hetzij dat u drinkt, hetzij dat u iets anders doet, doet het al ter ere Gods. 32 Wees zonder aanstoot te geven, en de Joden, en de Grieken, en van de Gemeente van God. 33 Zoals ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden. ### 1 Korinthiërs 11 1 Wees mijn navolgers, zoals ook ik van Christus. 2 En ik prijs u, broeders, dat u in alles van mijn gedachtig bent, en de voorschriften behoudt, zoals ik die u overgegeven heb. 3 Maar ik wil, dat u weet, dat Christus het Hoofd is van iedere man, en de man het hoofd van de vrouw, en God het Hoofd van Christus. 4 Ieder man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 5 Maar iedere vrouw, die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar eigen hoofd; want het is één en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware. 6 Want als een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar als het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet het hoofd niet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid van God is; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man. 9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, omwille van de engelen. 11 Toch is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere. 12 Want zoals de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; maar alle dingen zijn uit God. 13 Oordeelt u onder uzelf: is het passend, dat de vrouw ongedekt tot God bidt? 14 Of leert u ook de natuur zelf niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? 15 Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven? 16 Maar als iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten van God. 17 Dit nu, wat ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat u niet tot beter, maar tot erger samenkomt. 18 Want als eerste, als u samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele; 19 Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u. 20 Als u dan bijeen samenkomt, dat is niet van de Heere avondmaal eten. 21 Want in het eten neemt ieder te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. 22 Hebt u dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht u de Gemeente van God, en beschaamt u degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In deze prijs ik u niet. 23 Want ik heb van de Heere ontvangen, wat ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in de nacht, waarin Hij verraden werd, het brood nam; 24 En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zei: Neem, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doe dat tot Mijn herinnering. 25 Evenzo nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het avondmaal, en zei: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doe dat, telkens als u die zult drinken, tot Mijn herinnering. 26 Want telkens als u dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood van de Heere, totdat Hij komt. 27 Zo dan, wie onwaardig dit brood eet, of de drinkbeker van de Heere drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed van de Heere. 28 Maar de mens beproeve zichzelf, en ete zo van het brood, en drinke van de drinkbeker. 29 Want die onwaardig eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam van de Heere. 30 Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken, en velen slapen. 31 Want als wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. 32 Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. 33 Zo dan, mijn broeders, als u samenkomt om te eten, verwacht elkaar. 34 Maar zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn. ### 1 Korinthiërs 12 1 En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat u onwetend bent. 2 U weet, dat u heidenen was, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat u geleid werdt. 3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door de Geest van God spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. 4 En er is verscheidenheid van de gaven, maar het is dezelfde Geest; 5 En er is verscheidenheid van de bedieningen, en het is dezelfde Heere; 6 En er is verscheidenheid van de werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 7 Maar aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot wat raadzaam is. 8 Want deze wordt door de Geest gegeven het woord van de wijsheid, en een ander het woord van de kennis, door dezelfde Geest; 9 En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven van de gezondmakingen, door dezelfde Geest. 10 En een ander de werkingen van de krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen van de geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging van de talen. 11 Maar deze dingen alle werkt één en dezelfde Geest, delende aan ieder in het bijzonder, zoals Hij wil. 12 Want zoals het lichaam één is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar één lichaam zijn, zo ook Christus. 13 Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienaren, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot één Geest gedrenkt. 14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden. 15 Als de voet zei: Omdat ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam? 16 En als het oor zei: Omdat ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam? 17 Ware het hele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het hele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn? 18 Maar nu heeft God de leden gezet, ieder daarvan in het lichaam, zoals Hij gewild heeft. 19 Waren zij alle maar één lid, waar zou het lichaam zijn? 20 Maar nu zijn er wel vele leden, maar slechts één lichaam. 21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet nodig; of opnieuw het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet nodig. 22 Ja eerder, de leden, die ons dunken de zwakste van het lichaam te zijn, die zijn nodig. 23 En die ons dunken de minst eerlijke leden van het lichaam te zijn, dezelfde doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering. 24 Maar onze sierlijke hebben het niet nodig; maar God heeft het lichaam zo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan wat dezelfde gebrek heeft; 25 Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen. 26 En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mee; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mee. 27 En u bent het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. 28 En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven van de gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. 29 Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten? 30 Hebben zij allen gaven van de gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers? 31 Maar ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitmuntender is. ### 1 Korinthiërs 13 1 Al was het, dat ik de talen van de mensen en van de engelen sprak, en de liefde niet had, zo was ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden. 2 En al was het dat ik de gave van de profetie had, en wist al de geheimen en al de wetenschap; en al was het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo was ik niets. 3 En al was het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud van de armen uitdeelde, en al was het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nut geven. 4 De liefde is geduldig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardig, zij is niet hoogmoedig; 5 Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad; 6 Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid; 7 Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 8 De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. 9 Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; 10 Maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal wat ten dele is, te niet gedaan worden. 11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan wat van een kind was. 12 Want wij zien nu door een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ook ik gekend ben. 13 En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde. ### 1 Korinthiërs 14 1 Jaag de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat u mag profeteren. 2 Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet de mensen, maar tot God; want niemand verstaat het, maar met de geest spreekt hij geheimen. 3 Maar die profeteert, spreekt de mensen stichting, en terechtwijzing en troost. 4 Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelf; maar die profeteert die sticht de Gemeente. 5 En ik wil wel, dat u allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat u profeteert; want die profeteert, is meer dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting mag ontvangen. 6 En nu, broeders, als ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nut zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in onderwijzing? 7 Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, wat op de fluit of op de citer gespeeld wordt? 8 Want ook als de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot de oorlog bereiden? 9 Zo ook u, als u niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden wat gesproken wordt? Want u zult zijn als die in de lucht spreekt. 10 Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen daarvan is zonder stem. 11 Als ik dan de kracht van de stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn. 12 Zo ook u, omdat u ijverig bent naar geestelijke gaven, zo zoekt dat u mag overvloedig zijn tot stichting van de Gemeente. 13 Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het mag uitleggen. 14 Want als ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is vruchteloos. 15 Wat is het dan? Ik zal wel met de geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met de geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen. 16 Anders, als u dankzegt met de geest, hoe zal degene, die de plaats van een ongeleerde vervult, amen zeggen op uw dankzegging, omdat hij niet weet, wat u zegt? 17 Want u dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht. 18 Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan u allen; 19 Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen mag onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal. 20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar wees kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen. 21 In de wet is geschreven: Ik zal door mensen van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook zo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere. 22 Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet van hen, die geloven, maar de ongelovigen; en de profetie niet de ongelovigen, maar van hen, die geloven. 23 Als dan de hele Gemeente bijeenvergaderd was, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat u buiten zinnen was? 24 Maar als zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld. 25 En zo worden de verborgen dingen van zijn hart openbaar; en zo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God werkelijk onder u is. 26 Wat is het dan, broeders? Wanneer u samenkomt, ieder van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen gebeuren tot stichting; 27 En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie gebeure, en bij beurte; en dat één het uitlegge. 28 Maar als er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; maar dat hij tot zichzelf spreke, en tot God. 29 En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen. 30 Maar als een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge. 31 Want u kunt allen, de één na de ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden. 32 En de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen. 33 Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, zoals in al de Gemeenten van de heiligen. 34 Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, zoals ook de wet zegt. 35 En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken. 36 Is het Woord van God van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen? 37 Als iemand denkt een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, wat ik u schrijf, van de Heere geboden zijn. 38 Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend. 39 Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken. 40 Laat alle dingen eerlijk en met orde gebeuren. ### 1 Korinthiërs 15 1 Verder, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, dat u ook aangenomen hebt, in dat u ook staat; 2 Door dat u ook zalig wordt, als u het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat u tevergeefs geloofd hebt. 3 Want ik heb u ten eerste overgegeven, wat ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt op de derde dag, naar de Schriften; 5 En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. 6 Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welke het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. 7 Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen. 8 En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waard ben een apostel genoemd te worden, daarom dat ik de Gemeente van God vervolgd heb. 10 Maar door de genade van God ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gewerkt dan zij allen; maar niet ik, maar de genade van God, Die met mij is. 11 Hetzij dan ik, hetzij zij, zo prediken wij, en zo hebt u geloofd. 12 Als nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding van de doden is? 13 En als er geen opstanding van de doden is, zo is Christus ook niet opgewekt. 14 En als Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof. 15 En zo worden wij ook bevonden valse getuigen van God; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Die Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden. 16 Want als de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt. 17 En als Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo bent u nog in uw zonden. 18 Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn. 19 Als wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen. 20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden van degenen, die ontslapen zijn. 21 Want omdat de dood door een mens is, zo is ook de opstanding van de doden door een Mens. 22 Want zoals zij allen in Adam sterven, zo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. 23 Maar ieder in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. 24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht. 25 Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben. 26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood. 27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgezonderd wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft. 28 En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Die, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. 29 Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, als de doden geheel niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt? 30 Waarom zijn ook wij elk uur in gevaar? 31 Ik sterf alle dagen, dat ik betuig bij onze roem, die ik heb in Christus Jezus, onze Heere. 32 Zo ik, naar de mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nut is het mij, als de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. 33 Dwaal niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden. 34 Waak op rechtvaardig, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte. 35 Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen? 36 U dwaas, wat u zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is; 37 En wat u zaait, daarvan zaait u het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig van de andere granen. 38 Maar God geeft hetzelfde één lichaam, zoals Hij wil, en aan ieder zaad zijn eigen lichaam. 39 Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees van de mensen, en een ander is het vlees van de beesten, en een ander van de vissen, en een ander van de vogels. 40 En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid van de hemelse, en een andere van de aardse. 41 Een andere is de heerlijkheid van de zon, en een andere is de heerlijkheid van de maan, en een andere is de heerlijkheid van de sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster. 42 Zo zal ook de opstanding van de doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onvergankelijkheid; 43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. 44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. 45 Zo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest. 46 Maar het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit de Hemel. 48 Zoals de aardse is, zo zijn ook de aardsen; en zoals de Hemelse is, zo zijn ook de hemelsen. 49 En zoals wij het beeld van de aardsen gedragen hebben, zo zullen wij ook het beeld van de Hemelsen dragen. 50 Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet. 51 Zie, ik zeg u een geheim: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; 52 In een punt van de tijd, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden. 53 Want dit verderfelijke moet onvergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. 54 En wanneer dit verderfelijke zal onvergankelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, dan zal het woord gebeuren, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. 55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? 56 De prikkel nu van de dood is de zonde; en de kracht van de zonde is de wet. 57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. 58 Zo dan, mijn geliefde broeders! Wees standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk van de Heere, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. ### 1 Korinthiërs 16 1 Wat betreft nu de verzameling, die voor de heiligen gebeurt, zoals ik aan de Gemeenten in Galatië verordend heb, doet ook u zo. 2 Op elke eerste dag van de week, legge ieder van u iets bij zichzelf weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen dan niet eerst gebeuren, wanneer ik gekomen zal zijn. 3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die u zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen. 4 En als het van de moeite waard mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen. 5 Maar ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonië gaan) 6 En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat u mij mag geleiden, waar ik zal henenreizen. 7 Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enige tijd bij u te blijven, als het de Heere zal toelaten. 8 Maar ik zal te Efeze blijven tot de pinkster dag. 9 Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders. 10 Zo nu Timotheüs komt, ziet, dat hij buiten vrees bij u zij; want hij werkt het werk van de Heere, zoals ik. 11 Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broeders. 12 En wat betreft Apollos, de broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broeders tot u komen zou; maar het was geheel zijn wil niet, dat hij nu zou komen; maar hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn. 13 Waak, staat in het geloof, houdt u mannelijk, wees sterk. 14 Dat al uw dingen in de liefde gebeuren. 15 En ik bid u, broeders, u kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelf de heiligen ten dienst hebben geschikt; 16 Dat u ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een ieder die medewerkt en arbeidt. 17 En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaïkus, want deze hebben vervuld wat mij aan u ontbrak; 18 Want zij hebben mijn geest verfrist, en ook de uwe. Erken dan de zodanigen. 19 U groeten de Gemeenten van Azië. U groeten zeer in de Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die bij hen thuis is. 20 U groeten al de broeders. Groet elkaar met een heilige kus. 21 De groet met mijn hand van Paulus. 22 Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha! 23 De genade van de Heere Jezus Christus zij met u. 24 Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen. ## 2 Korinthiërs ### 2 Korinthiërs 1 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, aan de Gemeente van God, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn: 2 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 3 Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de barmhartigheden, en de God van alle vertroosting; 4 Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen troosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de troost, met welke wij zelf van God vertroost worden. 5 Want zoals het lijden van Christus overvloedig is in ons, zo is ook door Christus onze troost overvloedig. 6 Maar hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uw troost en zaligheid, die gewerkt wordt in de volharding van hetzelfde lijden, dat wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uw troost en zaligheid; 7 En onze hoop van u is vast, als die weten, dat, zoals u gemeenschap hebt aan het lijden, u ook zo gemeenschap hebt aan de troost. 8 Want wij willen niet, broeders, dat u onwetend bent van onze verdrukking, die ons in Azië overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, zo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven. 9 Ja, wij hadden al zelf in onszelf het vonnis van de dood, opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt; 10 Die ons uit zo grote dood verlost heeft, en nog verlost; op Welke wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. 11 Zo u ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan wordt. 12 Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoud en oprechtheid van God, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade van God, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij u. 13 Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die u kent, of ook erkent; en ik hoop, dat u ze ook tot het einde toe erkennen zult; 14 Zoals u ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, zoals u ook de onze bent, in de dag van de Heere Jezus. 15 En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat u een tweede genade zou hebben; 16 En door uw stad naar Macedonië gaan, en opnieuw van Macedonië tot u komen, en van u naar Judea geleid worden. 17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor, wat ik voorneem, opdat bij mij zou wezen, ja, ja, en nee, nee? 18 Maar God is getrouw, dat ons woord, dat tot u is gebeurd, niet is geweest ja en nee. 19 Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheüs, was niet ja en nee, maar is geweest ja in Hem. 20 Want zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, voor God tot heerlijkheid door ons. 21 Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God; 22 Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand van de Geest in onze harten gegeven. 23 Maar ik roep God aan tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen. 24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers van uw blijdschap; want u staat door het geloof. ### 2 Korinthiërs 2 1 Maar ik heb dit bij mijzelf voorgenomen, dat ik niet opnieuw in verdriet tot u komen zou. 2 Want als ik u bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden? 3 En ditzelfde heb ik u geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou verdriet hebben van degenen, van wie ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is. 4 Want ik heb u uit vele verdrukking en benauwdheid van het hart, met vele tranen geschreven, niet opdat u zou bedroefd worden, maar opdat u de liefde zou verstaan, die ik overvloedig tot u heb. 5 Maar als iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dele (opdat ik hem niet bezware) u allen. 6 Voor zo iemand is deze bestraffing genoeg, die van velen gebeurd is. 7 Zo dat u daarentegen hem liever moet vergeven en troosten, opdat zo iemand door al te overvloedige verdriet niet enigszins wordt verslonden. 8 Daarom bid ik u, dat u de liefde aan hem bevestigt. 9 Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproeving mocht verstaan, of u in alles gehoorzaam bent. 10 Die u nu iets vergeeft, die vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, die ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijgt; 11 Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend. 12 Verder, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Heere, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond; 13 Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië. 14 En Gode zij dank, Die ons alle tijd doet triomferen in Christus, en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen. 15 Want wij zijn voor God een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan; 16 Deze wel een reuk van de dood ten dode; maar anderen een reuk van het leven ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam? 17 Want wij dragen niet, zoals velen, het Woord van God te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de aanwezigheid van God, spreken wij het in Christus. ### 2 Korinthiërs 3 1 Beginnen wij onszelf opnieuw u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, zoals sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u? 2 U bent onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen; 3 Als die openbaar bent geworden, dat u een brief van Christus bent, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest van de levende God, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen van het hart. 4 En zulk een vertrouwen hebben wij door Christus bij God. 5 Niet dat wij van onszelf bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelf; maar onze bekwaamheid is uit God; 6 Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaren van het Nieuwe Testament, niet van de letter, maar van de Geest; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. 7 En als de bediening van de dood in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, zo dat de Israëlieten het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid van zijn aangezicht, die te niet gedaan zou worden. 8 Hoe zal niet veel meer de bediening van de Geest in heerlijkheid zijn? 9 Want als de bediening van de verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening van de rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid. 10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in deze dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid. 11 Want als wat te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is, wat blijft, in heerlijkheid. 12 Omdat wij dan zulke hoop hebben, zo gebruiken wij veel vrijmoedigheid in het spreken; 13 En doen niet zoals Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de Israëlieten niet zouden sterk zien op het einde van wat te niet gedaan wordt. 14 Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op de dag van vandaag blijft hetzelfde deksel in het lezen van het Oude Testament, zonder ontdekt te worden, dat door Christus te niet gedaan wordt. 15 Maar tot de huidige dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart. 16 Maar zo wanneer het tot de Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen. 17 De Heere nu is de Geest; en waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid. 18 En wij allen, met ongedekt aangezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van de Geest van de Heere. ### 2 Korinthiërs 4 1 Daarom omdat wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons gebeurd is, zo vertragen wij niet; 2 Maar wij hebben verworpen de bedekselen van de schande, niet wandelende in sluwheid, noch het Woord van God vervalsende, maar door openbaring van de waarheid onszelf aangenaam makende bij alle gewetens van de mensen, in de aanwezigheid van God. 3 Maar als ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan; 4 In die de god van deze eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk van de ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die het Beeld van God is. 5 Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus, de Heere; en onszelf, dat wij uw dienaren zijn om Jezus' wil. 6 Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. 7 Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de uitnemendheid van de kracht zij van God, en niet uit ons; 8 Als die in alles verdrukt worden, maar niet benauwd; twijfelmoedig, maar niet mismoedig; 9 Vervolgd, maar niet daarin verlaten; neergeworpen, maar niet verdorven; 10 Altijd de doding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 11 Want wij, die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden. 12 Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in u. 13 Omdat wij nu deze Geest van het geloof hebben, zoals er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook; 14 Wetende, dat Hij, Die de Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met u daar zal stellen. 15 Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig wordt ter heerlijkheid van God. 16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt toch de inwendige vernieuwd van dag tot dag. 17 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een geheel zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid; 18 Omdat wij niet beschouwen de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig. ### 2 Korinthiërs 5 1 Want wij weten, dat, zo ons aardse huis van deze tabernakel gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Want ook in deze zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden. 3 Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden. 4 Want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; aangezien wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden wordt. 5 Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand van de Geest gegeven heeft. 6 Wij hebben dan altijd goede moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van de Heere; 7 (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.) 8 Maar wij hebben goede moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij de Heere in te wonen. 9 Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn. 10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder wegdrage, wat door het lichaam gebeurt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. 11 Wij dan, wetende de schrik van de Heere, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn voor God openbaar geworden; maar ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn. 12 Want wij prijzen onszelf u niet opnieuw aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat u stof zou hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart. 13 Want hetzij dat wij buiten zinnen zijn, wij zijn het voor God; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het u. 14 Want de liefde van Christus dringt ons; als die dit oordelen, dat, als Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. 15 En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Die, Die voor hen gestorven en opgewekt is. 16 Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, toch kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees. 17 Zo dan, als iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. 18 En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening van de verzoening gegeven heeft. 19 Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord van de verzoening in ons gelegd. 20 Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen. 21 Want Die, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem. ### 2 Korinthiërs 6 1 En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat u de genade van God niet tevergeefs mag ontvangen hebben. 2 Want Hij zegt: In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag van de zaligheid heb Ik u geholpen. Zie, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag van de zaligheid! 3 Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd wordt. 4 Maar wij, als dienaren van God, maken onszelf in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, 5 In slagen, in gevangenissen, in onlusten, in arbeid, in waken, in vasten, 6 In reinheid, in kennis, in geduld, in goedertierenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde. 7 In het woord van de waarheid, in de kracht van God, door de wapens van de gerechtigheid aan de rechterzijde en aan de linkerzijde; 8 Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en toch waarachtigen; 9 Als onbekenden, en toch bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; 10 Als droevig zijnde, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makende; als niets hebbende, en toch alles bezittende. 11 Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiërs, ons hart is uitgebreid. 12 U bent niet nauw in ons, maar u bent nauw in uw ingewanden. 13 Nu, om dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt u ook uitgebreid. 14 Trek niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? 15 En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met de ongelovige? 16 Of wat samenvoeging heeft de tempel van God met de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God; zoals God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een Volk zijn. 17 Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan wat onrein is, en Ik zal u aannemen. 18 En Ik zal u tot een Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt de Heere, de Almachtige. ### 2 Korinthiërs 7 1 Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelf reinigen van alle besmetting van het vlees en van de geest, voleindigende de heiligmaking in de vrees voor God. 2 Geef ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht. 3 Ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat u in onze harten bent, om samen te sterven en samen te leven. 4 Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met troost; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking. 5 Want ook, als wij in Macedonië gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad; maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees. 6 Maar God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus. 7 En niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; zo dat ik te meer verblijd ben geweest. 8 Want hoewel ik u in de zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie, dat dezelfde zendbrief, hoewel voor een kleine tijd, u bedroefd heeft. 9 Nu verblijde ik mij, niet omdat u bedroefd bent geweest, maar omdat u bedroefd bent geweest tot bekering; want u bent bedroefd geweest naar God, zodat u in geen ding schade van ons geleden hebt. 10 Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid van de wereld werkt de dood. 11 Want ziet, ditzelfde dat u naar God bent bedroefd geworden, hoe grote ijver heeft het in u gewerkt? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt u uzelf bewezen rein te zijn in deze zaak. 12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet omwille van die, die onrecht gedaan had, noch omwille van die, die onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de aanwezigheid van God. 13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uw troost; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verfrist is geworden. 14 Want als ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar zoals wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, zo is ook onze roem, die ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden. 15 En zijn innerlijke gevoelens zijn te overvloediger tegenover u, als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe u hem met vrees en beven hebt ontvangen. 16 Ik verblijde mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben. ### 2 Korinthiërs 8 1 Verder maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonië gegeven is. 2 Dat in vele beproeving van de verdrukking de overvloed van hun blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot de rijkdom van hun goeddadigheid. 3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest; 4 Ons met vele terechtwijzing biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap van deze bediening, die voor de heiligen gebeurt. 5 En zij deden niet alleen, zoals wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelf eerst aan de Heere en daarna aan ons, door de wil van God. 6 Zo dat wij Titus vermaanden, dat, zoals hij te voren begonnen had, hij ook zo nog deze gave bij u voltooien zou. 7 Zo dan, zoals u in alles overvloedig bent, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle ijver, en in uw liefde tot ons, ziet, dat u ook in deze gave overvloedig bent. 8 Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de ijver van anderen ook de oprechtheid van uw liefde beproevende. 9 Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou rijk worden. 10 En ik zeg in deze mijn mening; want dit is u raadzaam, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen. 11 Maar nu voltooit ook het doen; opdat, zoals er geweest is de volvaardigheid van het gemoed om te willen, er ook zo zij het voltooien uit wat u hebt. 12 Want als te voren de volvaardigheid van het gemoed daar is, zo is iemand aangenaam naar wat hij heeft, niet naar wat hij niet heeft. 13 Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en u verdrukking; 14 Maar opdat uit gelijkheid, in deze tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde. 15 Zoals geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig. 16 Maar Gode zij dank, Die dezelfde ijver voor u in het hart van Titus gegeven heeft; 17 Dat hij de terechtwijzing heeft aangenomen, en zeer ijverig zijnde, gewillig tot u gereisd is. 18 En wij hebben ook met hem gezonden de broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten; 19 En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten gekozen, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid van de Heere Zelf, en de volvaardigheid van uw gemoed; 20 Dit verhoedende, dat ons niemand mag lasteren in deze overvloed, die van ons wordt bediend; 21 Als die bezorgen, wat eerlijk is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen. 22 Wij hebben ook met hen gezonden onze broeder, die wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben, dat hij ijverig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot u. 23 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten van de Gemeenten, en een eer van Christus. 24 Bewijs dan aan hen de bewijzing van uw liefde, en van onze roem van u, ook voor het aangezicht van de Gemeenten. ### 2 Korinthiërs 9 1 Want van de bediening, die voor de heiligen gebeurt, is mij onnodig aan u te schrijven. 2 Want ik weet de volvaardigheid van uw gemoed, van welke ik roem over u bij de Macedoniërs, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt. 3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, die wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in deze dele; opdat (zoals ik gezegd heb) u bereid mag zijn; 4 En dat niet mogelijk, zo de Macedoniërs met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen, u) beschaamd worden in deze vasten grond van de roeming. 5 Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, zo als een zegen, en niet als een gierigheid. 6 En dit zeg ik: Die karig zaait, zal ook karig maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien. 7 Ieder doe, zoals hij in zijn hart, voorneemt; niet uit verdriet, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedige gever lief. 8 En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat u in alles altijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot elk goed werk overvloedig mag zijn. 9 Zoals er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft de armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in de eeuwigheid. 10 Maar Die het zaad de zaaier verleent, Die verlene ook brood tot voedsel, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten van uw gerechtigheid; 11 Dat u in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, die door ons werkt dankzegging tot God. 12 Want de bediening van deze dienst vervult niet alleen het gebrek van de heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God; 13 Omdat zij door de beproeving van deze bediening God verheerlijken over de onderwerping van uw belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid van de mededeling aan hen en aan allen; 14 En door hun gebed voor u, die naar u verlangen, om de uitnemende genade van God over u. 15 Maar Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. ### 2 Korinthiërs 10 1 Verder ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar als ik afwezig ben, stoutmoedig tegen u ben; 2 Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde, niet stout mag zijn met die vrijmoedigheid, waarmee ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, alsof wij naar het vlees wandelden. 3 Want wandelende in het vlees, voeren wij de oorlog niet naar het vlees; 4 Want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping van de vestingen; 5 Omdat wij de overleggingen ter nederwerpen, en elke hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en elke gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus; 6 En gereed hebbende, wat dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn. 7 Ziet u aan wat voor ogen is? Als iemand bij zichzelf betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit opnieuw uit zichzelf, dat zoals hij van Christus is, zo ook wij van Christus zijn. 8 Want als ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, die de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden; 9 Opdat ik niet zou schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken. 10 Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de aanwezigheid van het lichaam is zwak, en de rede is verachtelijk. 11 Dezulke bedenke dit, dat zoals wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zo zijn inderdaad, als wij tegenwoordig zijn. 12 Want wij durven onszelf niet rekenen of vergelijken met sommigen, die zichzelf prijzen; maar deze verstaan niet, dat zij zichzelf met zichzelf meten, en zichzelf met zichzelf vergelijken. 13 Maar wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat van de regel, die maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen. 14 Want wij strekken onszelf niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus; 15 Niet roemende buiten de maat in anderer mensen arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder u overvloedig zullen vergroot worden naar onze regel; 16 Om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen, die aan de overzijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in van een ander regel over wat al bereid is. 17 Maar wie roemt, die roeme in de Heere. 18 Want niet die zichzelf prijst, maar die de Heere prijst, die is beproefd. ### 2 Korinthiërs 11 1 Och, of u mij een weinig verdroeg in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij! 2 Want ik ben ijverig over u met een ijver van God; want ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan één man voor te stellen, namelijk aan Christus. 3 Maar ik vrees, dat niet enigszins, zoals de slang Eva door haar sluwheid bedrogen heeft, zo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoud, die in Christus is. 4 Want als degene, die komt, een andere Jezus predikte, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvingt, die u niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat u niet hebt aangenomen, zo verdroegt u hem met recht. 5 Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen. 6 En als ik ook slecht ben in woorden, toch ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden. 7 Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelf vernederd heb, opdat u zou verhoogd worden, omdat ik u het Evangelie van God om niet verkondigd heb? 8 Ik heb andere Gemeenten beroofd, soldij van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen. 9 Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonië kwamen; en ik heb mijzelf in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog zo houden. 10 De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden. 11 Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het! 12 Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden van hen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in wat zij roemen, bevonden mochten worden zoals wij. 13 Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel van het licht. 15 Zo is het dan niets groots, als ook zijn dienaren zich veranderen, als waren zij dienaren van de gerechtigheid; van wie het einde zal zijn naar hun werken. 16 Ik zeg opnieuw, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; maar zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig mag roemen. 17 Dat ik spreek, spreek ik niet naar de Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond van de roeming. 18 Omdat velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen. 19 Want u verdraagt graag de onwijzen, omdat u wijs bent. 20 Want u verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat. 21 Ik zeg dit naar oneer, zoals of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stoutmoedig is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stoutmoedig. 22 Zijn zij Hebreën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook. 23 Zijn zij dienaren van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitmuntender, in gevangenissen overvloediger, in doodsgevaar dikwijls. 24 Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen. 25 Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, drie keer heb ik schipbreuk geleden, een ganse nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. 26 In het reizen dikwijls in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders; 27 In arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid. 28 Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten. 29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie komt er ten val, dat ik niet brande? 30 Als men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen van mijn zwakheid. 31 De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die geprezen is in de eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg. 32 De stadhouder van de koning Aretas in Damascus, bezette de stad van de Damaskenen, willende mij vangen; 33 En ik werd door een venster in een mand over de muur nedergelaten, en ontvluchtte zijn handen. ### 2 Korinthiërs 12 1 Te roemen is mij werkelijk niet raadzaam; want ik zal komen tot visioenen en openbaringen van de Heere. 2 Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het gebeurd zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat zo iemand opgetrokken is geweest tot in de derde hemel; 3 En ik ken zulk een mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam gebeurd zij, weet ik niet, God weet het), 4 Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. 5 Van zo iemand zal ik roemen, maar van mijzelf zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden. 6 Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houd daarvan af, opdat niemand van mij denke boven wat hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort. 7 En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel van de satan, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. 8 Hierover heb ik de Heere drie keer gebeden, opdat hij van mij zou wijken. 9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij woon. 10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. 11 Ik ben roemende onwijs geworden; u hebt mij genoodzaakt, want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitnemendste apostelen, hoewel ik niets ben. 12 De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle volharding, met tekenen, en wonderen, en krachten. 13 Want wat is er, waarin u minder geweest bent dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ik zelf u niet tot last ben geweest? Vergeef mij dit ongelijk. 14 Zie, ik ben voor de derde keer gereed, om tot u te komen, en zal u niet tot last zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten verzamelen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen. 15 En ik zal zeer graag de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, meer van u houdende, minder geliefd word. 16 Maar het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar zo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen. 17 Heb ik door iemand van degenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht? 18 Ik heb Titus gebeden, en de broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in deze geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen? 19 Denkt u opnieuw, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de aanwezigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting. 20 Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zoals ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoals u niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, ruzie, roddel, laster, opgeblazenheden, onlusten; 21 Opdat opnieuw, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinheid, en hoererij, en ontucht, die zij gedaan hebben. ### 2 Korinthiërs 13 1 Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezende aan degenen, die te voren gezondigd hebben, en aan al de anderen, dat, zo ik opnieuw kom, ik hen niet zal sparen; 3 Omdat u zoekt een proeve van Christus, Die in mij spreekt, Die in u niet zwak is, maar krachtig is onder u. 4 Want hoewel Hij gekruist is door zwakheid, zo leeft Hij toch door de kracht van God. Want ook wij zijn zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door de kracht van God in u. 5 Onderzoek uzelf, of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of kent u uzelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent. 6 Maar ik hoop, dat u zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn. 7 En ik wens van God, dat u geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat u het goede zou doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn. 8 Want wij kunnen niets uitrichten tegen de waarheid, maar voor de waarheid. 9 Want wij verblijden ons, wanneer wij zwak zijn, en u sterk bent. En wij wensen ook dit, namelijk uw volmaking. 10 Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping. 11 Verder, broeders, wees blij, wordt volmaakt, wees getroost, wees eensgezind, leeft in vrede; en de God van de liefde en van de vrede zal met u zijn. 12 Groet elkaar met een heilige kus. U groeten al de heiligen. 13 De genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest, zij met u allen. Amen. ## Galaten ### Galaten 1 1 Paulus, een apostel, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God de Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft, 2 En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatië: 3 Genade zij u en vrede van God de Vader, en onze Heere Jezus Christus; 4 Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; 5 Die zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 6 Ik verwonder mij, dat u zo haast wijkende van degene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; 7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verdraaien. 8 Maar al was het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, anders dan wat wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 9 Zoals wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu opnieuw: Als u iemand een Evangelie verkondigt, anders dan wat u ontvangen hebt, die zij vervloekt. 10 Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want als ik nog mensen behaagde, zo was ik geen dienaar van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, dat van mij verkondigd is, niet is naar de mens. 12 Want ik heb ook hetzelfde niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. 13 Want u hebt mijn levenswandel gehoord, die vroeger in het Jodendom was, dat ik uitermate zeer de Gemeente van God vervolgde, en dezelfde verwoestte; 14 En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke voorschriften. 15 Maar wanneer het voor God behaagd heeft, Die mij van mijn moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, 16 Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Dezelfde door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik meteen niet te rade gegaan met vlees en bloed; 17 En ben niet opnieuw gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging heen naar Arabië, en keerde opnieuw naar Damascus. 18 Daarna kwam ik na drie jaar weer te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. 19 En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, de broeder van de Heere. 20 Wat nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg! 21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië. 22 En ik was van gezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in Christus zijn. 23 Maar zij hadden alleen gehoord, dat men zei: Degene, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof, dat hij vroeger verwoestte. 24 En zij verheerlijkten God in mij. ### Galaten 2 1 Daarna ben ik, na veertien jaren, opnieuw naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus meegenomen hebbende. 2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben. 3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden. 4 En dat vanwege de ingekropen valse broeders, die van bezijden ingekomen waren, om te bespioneren onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen. 5 Die wij ook niet één uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven. 6 En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoe zij vroeger waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon van de mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht. 7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie van de voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat van de besnijdenis; 8 (Want Die in Petrus krachtig werkte tot het apostelschap van de besnijdenis, Die werkte ook krachtig in mij onder de heidenen); 9 En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand van de gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan; 10 Alleen, dat wij de armen zouden gedenken; dat zelf ik ook beijverd heb te doen. 11 En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. 12 Want voordat sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mee met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelf af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. 13 En ook de andere Joden huichelden met hem; zo dat ook Barnabas mee afgetrokken werd door hun huichelarij. 14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in aller aanwezigheid: Als u, die een Jood bent, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt u de heidenen naar de Joodse wijze te leven? 15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen; 16 Maar wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken van de wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken van de wet; daarom dat uit de werken van de wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden. 17 Maar als wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar van de zonde? Volstrekt niet. 18 Want als ik, wat ik afgebroken heb, het opnieuw opbouw, zo stel ik mijzelf tot een overtreder. 19 Want ik ben door de wet voor de wet gestorven, opdat ik voor God leven zou. 20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, maar niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en wat ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof van de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. 21 Ik doe de genade van God niet te niet; want als de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven. ### Galaten 3 1 O u dwaze Galaten, wie heeft u betoverd, dat u om de waarheid niet zou gehoorzaam zijn; die Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde? 2 Dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof? 3 Bent u zo dwaas? Daar u met de Geest begonnen bent, voltooit u nu met het vlees? 4 Hebt u zoveel tevergeefs geleden? Als maar ook tevergeefs! 5 Die u dan de Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof? 6 Zoals Abraham voor God geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend; 7 Zo verstaat u dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. 8 En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden. 9 Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham. 10 Want zovelen als er uit de werken van de wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die niet blijft in al wat geschreven is in het boek van de wet, om dat te doen. 11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. 12 Maar de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven. 13 Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt. 14 Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte van de Geest verkrijgen zouden door het geloof. 15 Broeders, ik spreek naar de mens: zelfs het verbond van een mens, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe. 16 Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En de zaden, als van velen; maar als van één: En uw zade; dat is Christus. 17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen. 18 Want als de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de belofte; maar God heeft ze Abraham door de belofte genadig gegeven. 19 Waartoe is dan de wet? Zij is omwille van de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand van de Middelaar. 20 En de Middelaar is niet Middelaar van één, maar God is één. 21 Is dan de wet tegen de beloften van God? Volstrekt niet; want als er een wet gegeven was, die machtig was levend te maken, zo zou werkelijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn. 22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden. 23 Maar voordat het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden. 24 Zo dan, de wet is onze leermeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden. 25 Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder de leermeester. 26 Want u bent alle kinderen van God door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zovelen als u in Christus gedoopt bent, hebt u Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want u allen bent één in Christus Jezus. 29 En als u van Christus bent, zo bent u dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen. ### Galaten 4 1 Maar ik zeg, zolang de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienaar, hoewel hij een heer is van alles; 2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot de tijd van de vader te voren bepaald. 3 Zo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen van de wereld. 4 Maar wanneer de volheid van de tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; 5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. 6 En omdat u kinderen bent, zo heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! 7 Zo dan, u bent niet meer een dienaar, maar een zoon; en als u een zoon bent, zo bent u ook een erfgenaam van God door Christus. 8 Maar toen, als u God niet kende, diende u degenen, die van nature geen goden zijn; 9 En nu, als u God kent, ja, veelmeer van God gekend bent, hoe keert u zich opnieuw tot de zwakke en arme beginselen, die u opnieuw van voren aan wilt dienen? 10 U onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren. 11 Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gewerkt heb. 12 Wees u als ik, want ook ik ben als u; broeders, ik bid u; u hebt mij geen ongelijk gedaan. 13 En u weet, dat ik u door zwakheid van het vlees het Evangelie de eerste keer verkondigd heb; 14 En mijn verzoeking, die in mijn vlees gebeurde, hebt u niet veracht noch verfoeid; maar u nam mij aan als een engel van God, ja, als Christus Jezus. 15 Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat u, zo het mogelijk was, uw ogen zou uitgegraven, en mij gegeven hebben. 16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende? 17 Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat u over hen zou ijveren. 18 Maar in het goede altijd te ijveren is goed, en niet alleen, als ik bij u tegenwoordig ben; 19 Mijn kinderen, die ik opnieuw arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge. 20 Maar ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u was, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u. 21 Zeg mij, u, die onder de wet wilt zijn, hoort u de wet niet? 22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije. 23 Maar de één, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; maar de ander, die uit de vrije was, door de beloftenis; 24 Dat dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van de berg Sinai, tot dienstbaarheid barende, dat is Hagar; 25 Want dit, namelijk Hagar, is Sinai, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen. 26 Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, dat is ons alle moeder. 27 Want er is geschreven: Wees vrolijk, u onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, u, die geen barensnood hebt, want de kinderen van de eenzame zijn veel meer, dan dergene, die de man heeft. 28 Maar wij, broeders, zijn kinderen van de belofte, als Izak was. 29 Maar zoals toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde degene, die naar de Geest geboren was, zo ook nu. 30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon van de dienstmaagd zal in geen geval erven met de zoon van de vrije. 31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen van de dienstmaagd, maar van de vrije. ### Galaten 5 1 Sta dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet opnieuw met het juk van de dienstbaarheid bevangen. 2 Zie, ik Paulus zeg u, zo u zich laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn. 3 En ik betuig opnieuw ieder mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de hele wet te doen. 4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; u bent van de genade vervallen. 5 Want wij verwachten door de Geest, uit het geloof, de hoop van de rechtvaardigheid. 6 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkend. 7 U liept wel; wie heeft u verhinderd van de waarheid niet gehoorzaam te zijn? 8 Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept. 9 Een weinig zuurdesem verzuurt het hele deeg. 10 Ik vertrouw van u in de Heere, dat u niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij. 11 Maar ik, broeders! Als ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan het struikelblok van het kruis vernietigd. 12 Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken! 13 Want u bent tot vrijheid geroepen, broeders, alleen gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkaar door de liefde. 14 Want de hele wet wordt in één woord vervuld, namelijk in dit: U zult uw naaste liefhebben, zoals uzelf. 15 Maar als u elkaar bijt en vereet, ziet toe, dat u van elkaar niet verteerd wordt. 16 En ik zeg: Wandel door de geest en volbrengt de begeerlijkheden van het vlees niet. 17 Want het vlees begeert tegen de geest, en de geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkaar, zo dat u niet doet, wat u wilde. 18 Maar als u door de geest geleid wordt, zo bent u niet onder de wet. 19 De werken van het vlees nu zijn openbaar; die zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontucht, 20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 21 Afgunst, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van die ik u te voren zeg, zoals ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk van God niet zullen beërven. 22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, geduld, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen zulke dingen is de wet niet. 24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de hartstochten en begeerlijkheden. 25 Als wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen. 26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkaar tergende, elkaar benijdende. ### Galaten 6 1 Broeders, als ook een mens vervallen was door enige misdaad, u, die geestelijk bent, brengt zo iemand te recht met de geest van de zachtmoedigheid; ziende op uzelf, opdat ook u niet verzocht wordt. 2 Draag elkaars lasten, en vervult zo de wet van Christus. 3 Want zo iemand denkt iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelf in zijn gemoed. 4 Maar ieder beproeve zijn eigen werk; en dan zal hij aan zichzelf alleen roem hebben, en niet aan een anderen. 5 Want ieder zal zijn eigen pak dragen. 6 En die onderwezen wordt in het Woord, dele mee van alle goederen degene, die hem onderwijst. 7 Dwaal niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. 8 Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. 9 Maar laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen. 10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten van het geloof. 11 Zie, hoe grote brief ik u geschreven heb met mijn hand. 12 Al degenen, die een schoon gezicht willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleen opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden. 13 Want ook zij zelf, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat u besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden. 14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus; door Welke de wereld mij gekruisigd is, en ik van de wereld. 15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel. 16 En zovelen als er naar deze regel zullen wandelen, daarover zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël van God. 17 Verder, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van de Heere Jezus in mijn lichaam. 18 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen. ## Efeziërs ### Efeziërs 1 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus: 2 Genade zij u en vrede van God onze Vader en de Heere Jezus Christus. 3 Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. 4 Zoals Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging van de wereld, opdat wij zouden heilig en smetteloos zijn voor Hem in de liefde; 5 Die ons te voren bestemd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil. 6 Tot prijs van de heerlijkheid van Zijn genade, waardoor Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde; 7 In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de misdaden, naar de rijkdom van Zijn genade, 8 Waarmee Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; 9 Ons bekend gemaakt hebbende het geheim van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, dat Hij voorgenomen had in Zichzelf. 10 Om in de bedeling van de volheid van de tijden, opnieuw alles tot één te verzamelen in Christus, zowel dat in de hemel is, als dat op de aarde is; 11 In Hem, in Wie wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren bestemd waren naar het voornemen Van Degene, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil; 12 Opdat wij zouden zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben. 13 In Welken ook u bent, nadat u het woord van de waarheid, namelijk het Evangelie van uw zaligheid gehoord hebt; in Wie u ook, nadat u geloofd hebt, bent verzegeld geworden met de Heilige Geest van de belofte; 14 Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs van Zijn heerlijkheid. 15 Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen, 16 Houd niet op voor u te danken, gedenkende aan u in mijn gebeden; 17 Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u geve de Geest van de wijsheid en van de openbaring in Zijn kennis; 18 Namelijk verlichte ogen van uw verstand, opdat u mag weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen; 19 En welke de uitnemende grootheid van Zijn kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte van Zijn macht, 20 Die Hij gewerkt heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel; 21 Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; 22 En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem aan de Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen; 23 Die Zijn lichaam is, en de vervulling van Degene, Die alles in allen vervult. ### Efeziërs 2 1 En u heeft Hij mee levend gemaakt, daar u dood was door de misdaden en de zonden; 2 In welke u vroeger gewandeld hebt, naar de eeuw van deze wereld, naar de overste van de macht van de lucht, van de geest, die nu werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid; 3 Waaronder ook wij allen vroeger verkeerd hebben in de begeerten van ons vlees, doende de wil van het vlees en van de gedachten; en wij waren van nature kinderen van de toorn, zoals ook de anderen; 4 Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmee Hij ons liefgehad heeft, 5 Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade bent u zalig geworden), 6 En heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus; 7 Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemenden rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. 8 Want uit genade bent u zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; 9 Niet uit de werken, opdat niemand roeme. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, die God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. 11 Daarom gedenkt, dat u, die vroeger heidenen was in het vlees, en die voorhuid genoemd werdt van degenen, die genoemd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen gebeurt; 12 Dat u in die tijd was zonder Christus, vervreemd van het burgerschap van Israël, en vreemdelingen van de verbonden van de belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld. 13 Maar nu in Christus Jezus, bent u, die vroeger verre was, nabij geworden door het bloed van Christus. 14 Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur van het afscheidsel gebroken hebbende, 15 Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet van de geboden in voorschriften bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makende; 16 En opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelfde gedood hebbende. 17 En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre was, en die, die nabij waren. 18 Want door Hem hebben wij beiden de toegang door één Geest tot de Vader. 19 Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen, en huisgenoten Gods; 20 Gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen; 21 Op Welken het hele gebouw, vakkundig samengevoegd zijnde, verrijst tot een heilige tempel in de Heere; 22 Op Welken ook u mee gebouwd wordt tot een woning van God in de Geest. ### Efeziërs 3 1 Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent. 2 Als u tenminste gehoord hebt van de bedeling van de genade van God, die mij gegeven is aan u; 3 Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze geheim, (zoals ik met weinig woorden te voren geschreven heb; 4 Waaraan u, dit lezend, kunt merken mijn wetenschap, in deze geheim van Christus), 5 Dat in andere eeuwen de kinderen van de mensen niet is bekend gemaakt, zoals zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door de Geest; 6 Namelijk dat de heidenen zijn mee-erfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie; 7 Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave van de genade van God, die mij gegeven is, naar de werking van Zijn kracht. 8 Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijken rijkdom van Christus, 9 En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, wat de gemeenschap van het geheim zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Die alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; 10 Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt wordt aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid van God; 11 Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Heere; 12 In Hem hebben wij de vrijmoedigheid, en de toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem. 13 Daarom bid ik, dat u niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, dat is uw heerlijkheid. 14 Om deze oorzaak buig ik mijn knieën tot de Vader van onze Heere Jezus Christus, 15 Uit Wie al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16 Opdat Hij u geve, naar de rijkdom van Zijn heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendigen mens; 17 Opdat Christus door het geloof in uw harten woon, en u in de liefde geworteld en gegrond bent; 18 Opdat u ten volle kon begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, 19 En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot al de volheid Gods. 20 Hem nu, Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt, 21 Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen. ### Efeziërs 4 1 Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heere, dat u wandelt waardig in de roeping waarmee u geroepen bent; 2 Met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met geduld, verdragende elkaar in liefde; 3 U beijverende te behouden de eenheid van de Geest door de band van de vrede. 4 Eén lichaam is het, en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop van uw roeping; 5 Één Heere, één geloof, één doop, 6 Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen. 7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven, naar de maat van de gave van Christus. 8 Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft de mensen gaven gegeven. 9 Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen van de aarde? 10 Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is ver boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou. 11 En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; 12 Tot de volmaking van de heiligen, tot het werk van de bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus; 13 Totdat wij allen zullen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte van de volheid van Christus; 14 Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door sluwheid, om listig tot dwaling te brengen; 15 Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opgroeien in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus; 16 Uit Wie het hele lichaam vakkundig samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen van de ondersteuning, naar de werking van ieder deel in zijn maat, de wasdom van het lichaam bekomt, tot zijn eigen opbouwing in de liefde. 17 Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heere, dat u niet meer wandelt, zoals de andere heidenen wandelen in de zinloosheid van hun gemoed. 18 Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven van God, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding van hun harten; 19 Die, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontucht, om alle onreinheid begerig te bedrijven. 20 Maar u hebt Christus zo niet geleerd; 21 Als u naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd bent, zoals de waarheid in Jezus is; 22 Te weten dat u zou afleggen, aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden van de verleiding; 23 En dat u zou vernieuwd worden in de geest van uw gemoed, 24 En de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. 25 Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste; want wij zijn elkaars leden. 26 Wordt boos, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw boosheid; 27 En geeft de duivel geen plaats. 28 Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkend dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mee te delen degene, die nood heeft. 29 Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige opbouw, opdat zij genade geve die, die dezelfde horen. 30 En bedroeft de Heilige Geest van God niet, door Welke u verzegeld bent tot de dag van de verlossing. 31 Alle bitterheid, en boosheid, en toorn, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid; 32 Maar wees tegenover elkaar goedertieren, barmhartig, vergevende elkaar, zoals ook God in Christus u vergeven heeft. ### Efeziërs 5 1 Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen; 2 En wandelt in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offergave en een slachtoffer, voor God tot een aangename geur. 3 Maar hoererij en alle onreinheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, zoals het de heiligen past, 4 Noch oneerbaarheid, noch dwaze praat, of gekkigheid, die niet passen; maar veelmeer dankzegging. 5 Want dit weet u, dat geen ontuchtpleger, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God. 6 Dat u niemand verleide met lichtzinnige woorden; want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid. 7 Zo wees dan niet hun metgezellen. 8 Want u was vroeger duisternis, maar nu bent u licht in de Heere; wandel als kinderen van het licht. 9 (Want de vrucht van de Geest is in alle goedheid, en rechtvaardigheid, en waarheid), 10 Beproef wat de Heere welbehaaglijk zij. 11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken van de duisternis, maar bestraft ze ook eerder. 12 Want wat in het geheim van hen gebeurt, is schandelijk ook te zeggen. 13 Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht. 14 Daarom zegt Hij: Ontwaakt, u, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten. 15 Zie dan, hoe u voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen. 16 De tijd uitbuitend, omdat de dagen boos zijn. 17 Daarom wees niet onverstandig, maar verstaat, wat de wil van de Heere is. 18 En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de Geest; 19 Sprekende onder elkaar met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende de Heere in uw hart; 20 Dankende altijd over alle dingen God en de Vader, in de Naam van onze Heere Jezus Christus; 21 Elkaar onderdanig zijnde in de vrees voor God. 22 U vrouwen, wees aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan de Heere; 23 Want de man is het hoofd van de vrouw, zoals ook Christus het Hoofd van de Gemeente is; en Hij is de Behouder van het lichaam. 24 Daarom, zoals de Gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles. 25 U mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, zoals ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven; 26 Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad van het water door het Woord; 27 Opdat Hij haar Zichzelf heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk. 28 Zo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, zoals hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelf lief. 29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, zoals ook de Heere de Gemeente. 30 Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn benen. 31 Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot één vlees wezen. 32 Deze geheim is groot; maar ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente. 33 Zo dan ook u, elk in het bijzonder, ieder hebbe zijn eigen vrouw, zo lief als zichzelf; en de vrouw zie, dat zij de man vreze. ### Efeziërs 6 1 U kinderen, wees je ouders gehoorzaam in de Heere; want dat is recht. 2 Eer uw vader en moeder (dat het eerste gebod is met een belofte), 3 Opdat het u goedgaat, en dat u lang leeft op de aarde. 4 En u vaders, verwek uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de onderwijzing en terechtwijzing van de Heere. 5 U dienaren, wees gehoorzaam aan uw heren naar het vlees, met vrees en beven, in eenvoud van uw hart, zoals aan Christus; 6 Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienaren van Christus, doende de wil van God van harte; 7 Dienende met goedwilligheid de Heere, en niet de mensen; 8 Wetende, dat zo wat goed ieder gedaan zal hebben, hij het van de Heere zal ontvangen, hetzij als dienaar, hetzij als vrije. 9 En u heren, doet hetzelfde bij hen, nalatend de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming van de persoon bij Hem is. 10 Verder, mijn broeders, wordt krachtig in de Heere, en in de sterkte van Zijn macht. 11 Doe aan de hele wapenrusting Gods, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel. 12 Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. 13 Daarom neemt aan de hele wapenrusting van God, opdat u kunt weerstaan in de boze dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. 14 Sta dan, uw middel omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen van de gerechtigheid; 15 En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie van de vrede; 16 Bovenal aangenomen hebbende het schild van het geloof, met dat u al de vurige pijlen van de bozen zult kunnen uitblussen. 17 En neemt de helm van de zaligheid, en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. 18 Met alle bidding en smeking, biddende altijd in de Geest, en tot hetzelfde wakende met alle volharding en smeking voor al de heiligen; 19 En voor mij, opdat mij het Woord gegeven wordt in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om het geheim van het Evangelie bekend te maken; 20 Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelfde vrijmoedig mag spreken, zoals mij past te spreken. 21 En opdat ook u mag weten wat mij betreft; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heere, bekend maken; 22 Die ik met datzelfde doel tot u gezonden heb, opdat u onze zaken zou weten, en hij uw harten zou troosten. 23 Vrede zij de broeders, en liefde met geloof, van God de Vader, en de Heere Jezus Christus. 24 De genade zij met al degenen, die onze Heere Jezus Christus liefhebben in onvergankelijkheid. Amen. ## Filippenzen ### Filippenzen 1 1 Paulus en Timotheüs, dienaren van Jezus Christus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen: 2 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 3 Ik dank mijn God, telkens als ik aan U gedenk. 4 (Altijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende) 5 Over uw gemeenschap aan het Evangelie, van de eerste dag af tot nu toe; 6 Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus; 7 Zoals het bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat u, zowel in mijn banden, als in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, u allen, zeg ik, van mijn genade mee deelachtig bent. 8 Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus. 9 En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig wordt in erkentenis en alle gevoelen; 10 Opdat u beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat u oprecht bent, en zonder aanstoot te geven, tot de dag van Christus; 11 Vervuld met vruchten van de gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God. 12 En ik wil, dat u weet, broeders, dat wat aan mij is gebeurd, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is; 13 Zo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het hele rechthuis, en aan alle anderen; 14 En dat het meerderdeel van de broeders in de Heere, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken. 15 Sommigen prediken ook wel Christus door afgunst en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid. 16 Anderen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen; 17 Maar deze uit liefde, omdat zij weten, dat ik tot verantwoording van het Evangelie gezet ben. 18 Wat dan? Toch wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in van de waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden. 19 Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid strekken zal, door uw gebed en ondersteuning van de Geest van Jezus Christus. 20 Volgens mijn ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak zal beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid, zoals altijd, zo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood. 21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij winst. 22 Maar of te leven in het vlees, hetzelfde mij raadzaam zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. 23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. 24 Maar in het vlees te blijven, is noodzakelijker om uwentwil. 25 En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap van het geloof; 26 Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijn aanwezigheid opnieuw bij u. 27 Alleen wandelt waardig het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken mag horen, dat u staat in één geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof van het Evangelie; 28 En dat u in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; dat hun wel een bewijs is van het verderf, maar u van de zaligheid, en dat van God. 29 Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden; 30 Deze strijd hebbende, die u in mij gezien hebt, en nu in mij hoort. ### Filippenzen 2 1 Als er dan enige troost is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn; 2 Zo vervult mijn blijdschap, dat u mag eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. 3 Doe geen ding door twisting of ijdele eer, maar door nederigheid achte de één de ander uitmuntender dan zichzelf. 4 Ieder zie niet op het zijne, maar ieder zie ook op wat van de anderen is. 5 Want dat gevoelen zij in u, dat ook in Christus Jezus was; 6 Die in de gestalte van God zijnde, geen roof geacht heeft voor God even gelijk te zijn; 7 Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienaar aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; 8 En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood van het kruis. 9 Daarom heeft Hem ook God bovenmate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, die boven alle naam is; 10 Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie van degenen, die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. 11 En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid van God van de Vader. 12 Zo dan, mijn geliefden, zoals u altijd gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn aanwezigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uw zaligheid met vrees en beven: 13 Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen. 14 Doe alle dingen zonder morren en tegenspreken; 15 Opdat u mag onberispelijk en oprecht zijn, kinderen van God zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder wie u schijnt als lichten in de wereld; 16 Voorhoudende het woord van het leven, mij tot een roem tegen de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gewerkt. 17 Ja, als ik ook tot een drankoffer geofferd word over de offergave en bediening van uw geloof, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen. 18 En om hetzelfde verblijdt u zich ook, en verblijdt ook u met mij. 19 En ik hoop in de Heere Jezus Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed mag zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. 20 Want ik heb niemand, die even zo gemoed is, die oprecht voor uw zaken zal zorgen. 21 Want zij zoeken allen het hunne, niet wat van Christus Jezus is. 22 En u weet zijn beproeving, dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie. 23 Ik hoop dan wel deze ogenblikkelijk te zenden, zo snel als ik in mijn zaken zal voorzien hebben; 24 Maar ik vertrouw in de Heere, dat ik ook zelf spoedig tot u komen zal. 25 Maar ik heb nodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijn broeder, en medearbeider en medestrijder, en uw afgezondene, en dienaar van wat ik nodig heb; 26 Omdat hij vurig verlangde naar u allen, en zeer angstig was, omdat u gehoord had, dat hij ziek was. 27 En hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar God heeft Zich over hem ontfermd; en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet verdriet op verdriet zou hebben. 28 Zo heb ik dan hem des te sneller gezonden, opdat u, hem ziende, opnieuw u zou verblijden, en ik minder verdriet zou hebben. 29 Ontvang hem dan in de Heere, met alle blijdschap, en houdt zulke mensen in ere. 30 Want om het werk van Christus was hij tot nabij de dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het tekort van uw bediening aan mij vervullen zou. ### Filippenzen 3 1 Verder, mijn broeders, verblijdt u in de Heere. Deze dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het geeft u zekerheid. 2 Zie op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding. 3 Want wij zijn de besnijding, wij, die God in de Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen. 4 Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; als iemand anders denkt te betrouwen in het vlees, ik nog meer. 5 Besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreër uit de Hebreën, naar de wet een Farizeër; 6 Naar de ijver een vervolger van de Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk. 7 Maar wat voor mij winst was, dat heb ik om Christus' wil als schade beschouwd. 8 Ja, zeker, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wie ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die mest te zijn, opdat ik Christus mag winnen. 9 En in Hem gevonden word, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof; 10 Opdat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap van Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig wordende; 11 Of ik enigszins mag komen tot de wederopstanding van de doden. 12 Niet dat ik het al gekregen heb, of al volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. 14 Maar één ding doe ik, vergetende, wat achter is, en strekkende mij tot wat voor is, jaag ik naar het doel, tot de prijs van de roeping van God, die van boven is in Christus Jezus. 15 Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en als u iets anders gevoelt, ook dat zal u God openbaren. 16 Maar, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar deze regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen. 17 Wees mee mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die zo wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt. 18 Want velen wandelen anders; van wie ik u dikwijls gezegd heb, en nu ook huilend zeg, dat zij vijanden van het kruis van Christus zijn; 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, en hun heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken. 20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus; 21 Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelfde gelijkvormig zou worden aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen aan Zichzelf kan onderwerpen. ### Filippenzen 4 1 Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat zo in de Heere, geliefden! 2 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in de Heere. 3 En ik bid u ook, oprechte medestrijder, help deze vrouwen, die samen met mij gestreden hebben voor het evangelie, ook met Clemens en mijn overige medearbeiders, van wie de namen zijn in het boek van het leven. 4 Verblijd u in de Heere altijd; opnieuw zeg ik: Verblijd u. 5 Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heere is nabij. 6 Wees in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7 En de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus. 8 Verder, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt het; 9 Wat u ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God van de vrede zal met u zijn. 10 En ik ben enorm verblijd geweest in de Heere, dat u nu eenmaal opnieuw wakker geworden bent om aan mij te gedenken; waaraan u ook gedacht hebt, maar u hebt de gelegenheid niet gehad. 11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd tevreden te zijn in wat ik ben. 12 En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, zowel verzadigd te zijn als honger te lijden, zowel overvloed te hebben als gebrek te lijden. 13 Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft. 14 Toch hebt u wel gedaan, dat u met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt. 15 En ook u, Filippensen, weet, dat in het begin van het Evangelie, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaven en ontvangst, dan u alleen. 16 Want ook in Thessalonica hebt u mij eenmaal en andermaal gezonden, tot wat ik nodig had. 17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening. 18 Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een aangename geur, een aangename offergave, voor God welbehaaglijk. 19 Maar mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw behoefte, in heerlijkheid, door Christus Jezus. 20 Onze God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 21 Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn. 22 Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis van de keizer zijn. 23 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. ## Kolossenzen ### Kolossenzen 1 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheüs, de broeder, 2 De heiligen en gelovige broeders in Christus, die te Kolosse zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 3 Wij danken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, altijd voor u biddend; 4 Zo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die u hebt tot alle heiligen. 5 Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke u te voren gehoord hebt, door het Woord van de waarheid, namelijk van het Evangelie; 6 Dat tot u gekomen is, zoals ook in de hele wereld, en het brengt vruchten voort, zoals ook onder u, van die dag af dat u gehoord hebt, en de genade van God in waarheid bekend hebt. 7 Zoals u ook geleerd hebt van Epafras, onze geliefde mededienstknecht, die een getrouw dienaar van Christus is voor u; 8 Die ons ook verklaard heeft uw liefde in de Geest. 9 Waarom ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat u mag vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; 10 Opdat u mag wandelen waardig de Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en groeiende in de kennis van God; 11 Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte van Zijn heerlijkheid, tot alle volharding en geduld, met blijdschap; 12 Dankende de Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erfenis van de heiligen in het licht; 13 Die ons getrokken heeft uit de macht van de duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde; 14 In Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden; 15 Die het Beeld is van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van alle schepselen. 16 Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zichtbaar en die onzichtbaar zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; 17 En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan samen door Hem; 18 En Hij is het Hoofd van het lichaam, namelijk van de Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn. 19 Want het is het welbehagen van de Vader geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou; 20 En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed van Zijn kruis, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelf, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn. 21 En Hij heeft u, die vroeger vervreemd was, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend, 22 In het lichaam van Zijn vlees, door de dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onschuldig voor Zich stellen; 23 Als u maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is onder al de schepselen, die onder de hemel zijn; van dat ik Paulus een dienaar geworden ben; 24 Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, dat is de Gemeente; 25 Waarvan ik dienaar geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord van God; 26 Namelijk het geheim, dat verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 27 Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom van de heerlijkheid van dit geheim onder de heidenen, dat is Christus onder u, de Hoop van de heerlijkheid; 28 Die wij verkondigen, vermanende ieder mens, en lerende ieder mens in alle wijsheid, opdat wij zouden ieder mens volmaakt stellen in Christus Jezus; 29 Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht. ### Kolossenzen 2 1 Want ik wil, dat u weet, hoe grote strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien; 2 Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom van de volle verzekerdheid van het verstand, tot kennis van het geheim van God en de Vader, en van Christus; 3 In Wie al de schatten van de wijsheid en van de kennis verborgen zijn. 4 En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben. 5 Want hoewel ik met het vlees van u ben, toch ben ik met de geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastheid van uw geloof in Christus. 6 Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt zo in Hem; 7 Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, zoals u geleerd bent, overvloedig zijnde in hetzelfde, met dankzegging. 8 Zie toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering van de mensen, naar de eerste beginselen van de wereld, en niet naar Christus; 9 Want in Hem woont al de volheid van de Godheid lichamelijk; 10 En u bent in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht; 11 In Welken u ook besneden bent met een besnijdenis, die zonder handen gebeurt, in de uittrekking van het lichaam van de zonden van het vlees, door de besnijdenis van Christus; 12 Zijnde met Hem begraven in de doop, waarin u ook met Hem opgewekt bent door het geloof van de werking van God, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. 13 En Hij heeft u, als u dood was in de misdaden, en in de voorhuid van uw vlees, mee levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende; 14 Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in voorschriften bestaande, dat, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft het uit het midden weggenomen, hetzelfde aan het kruis genageld hebbende; 15 En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelfde over hen getriomfeerd. 16 Dat u dan niemand oordele in voedsel of in drank, of in het stuk van de feestdag, of van de nieuwe maan, of van de sabbatten; 17 Die zijn een schaduw van de toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. 18 Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst van de engelen, intredende in wat hij niet gezien heeft, tevergeefs hoogmoedig zijnde door het verstand van zijn vlees; 19 En het Hoofd niet behoudende, uit dat het hele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, verrijst met goddelijke wasdom. 20 Als u dan met Christus de eerste beginselen van de wereld bent afgestorven, wat wordt u, zoals of u in de wereld leefde, met voorschriften belast? 21 Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan. 22 Die dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en onderwijzingen van de mensen; 23 Die wel hebben een schijnrede van wijsheid in eigenwillige godsdienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, maar zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees. ### Kolossenzen 3 1 Als u dan met Christus opgewekt bent, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God. 2 Bedenk de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. 4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid. 5 Dood dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, die is afgodendienst. 6 Om welke de toorn van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid; 7 In die ook u vroeger hebt gewandeld, toen u daarin leefde. 8 Maar nu legt ook u dit alles af, namelijk toorn, boosheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond. 9 Liegt niet tegen elkaar, omdat u uitgedaan hebt de oude mens met zijn werken, 10 En aangedaan hebt de nieuwe mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Van Degene, Die hem geschapen heeft; 11 Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienaar en vrije; maar Christus is alles en in allen. 12 Zo doet dan aan, als uitverkorenen van God, heiligen en geliefden, de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid, goedertierenheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld; 13 Verdragende elkaar, en vergevende de één de anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; zoals Christus u vergeven heeft, doet ook u zo. 14 En boven dit alles doet aan de liefde, die is de band van de volmaaktheid. 15 En de vrede van God heerse in uw harten, tot welke u ook geroepen bent in één lichaam; en wees dankbaar. 16 Het woord van Christus wone rijk in u, in alle wijsheid; leer en vermaant elkaar, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat u doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem. 18 U vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig, zoals het past in de Heere. 19 U mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar. 20 U kinderen, wees uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heere welbehaaglijk. 21 U vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden. 22 U dienaren, wees in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoud van het hart, vrezende God. 23 En al wat u doet, doet dat van harte als voor de Heere en niet voor de mensen; 24 Wetende, dat u van de Heere zult ontvangen de vergelding van de erfenis; want u dient de Heere Christus. 25 Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming van de persoon. ### Kolossenzen 4 1 U heren, doet uw dienaren recht en billijk, wetende, dat ook u een Heere hebt in de hemelen. 2 Houd sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelfde met dankzegging; 3 Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur van het Woord opene, om te spreken het geheim van Christus, om welke ik ook gebonden ben; 4 Opdat ik dezelfde mag openbaren, zoals ik moet spreken. 5 Wandel met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, de bekwame tijd uitkopende. 6 Uw woord zij altijd in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat u mag weten, hoe u ieder moet antwoorden. 7 Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heere; 8 Die ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken wete, en uw harten vertrooste; 9 Met Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, die uit de uw is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is. 10 U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welke u bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem; 11 En Jezus, gezegd Justus, die uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk van God, die mij een troost geweest zijn. 12 U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienaar van Christus, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat u staan mag volmaakt en volkomen in al de wil van God. 13 Want ik geef hem getuigenis, dat hij grote ijver heeft over u en degenen, die in Laodicea zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn. 14 U groet Lukas, de dokter, de geliefde, en Demas. 15 Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is. 16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente van de Laodicensen gelezen wordt, en dat ook u die leest, die uit Laodicea geschreven is. 17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die u aangenomen hebt in de Heere, dat u die vervult. 18 De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenk van mijn banden. De genade zij met u. Amen. ## 1 Tessalonicensen ### 1 Tessalonicensen 1 1 Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, die is in God de Vader, en de Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 2 Wij danken God altijd over u allen, wanneer we aan u denken in onze gebeden; 3 Zonder ophouden gedenkende het werk van uw geloof, en de arbeid van de liefde, en de verdraagzaamheid van de hoop op onze Heere Jezus Christus, voor onze God en Vader; 4 Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God; 5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerdheid; zoals u weet, hoe wij onder u geweest zijn om uwentwil. 6 En u bent onze navolgers geworden, en van de Heere, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest; 7 Zo dat u voorbeelden geworden bent al de gelovigen in Macedonië en Achaje. 8 Want van u is het Woord van de Heere luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat u op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet nodig hebben, iets daarvan te spreken. 9 Want zijzelven verkondigen van ons, wat voor ingang wij tot u hebben, en hoe u tot God bekeerd bent van de afgoden, om de levenden en waarachtige God te dienen; 10 En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn. ### 1 Tessalonicensen 2 1 Want u weet zelf, broeders, onze komst tot u, dat die niet tevergeefs is geweest; 2 Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaad aangedaan was, zoals u weet, te Filippi, zo hebben wij toch vrijmoedigheid gebruikt in onze God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijd. 3 Want onze terechtwijzing is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinheid, noch met bedrog; 4 Maar, zoals wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, zo spreken wij, niet als mensen behagende, maar voor God, Die onze harten beproeft. 5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, zoals u weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is getuige! 6 Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' apostelen; 7 Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, zoals een voedster haar kinderen koestert; 8 Zo wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u graag willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, daarom dat u ons lief geworden was. 9 Want u gedenkt, broeders, onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt. 10 U bent getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn. 11 Zoals u weet, hoe wij ieder van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en troostten, 12 En betuigden, dat u zou wandelen, waardig voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid. 13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als u het Woord van de prediking van God van ons ontvangen hebt, u dat aangenomen hebt, niet als van de mensen woord, maar (zoals het werkelijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft. 14 Want u, broeders, bent navolgers geworden van de Gemeenten van God, die in Judea zijn, in Christus Jezus; omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, zoals zij van de Joden; 15 Die ook gedood hebben de Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en voor God niet behagen, en allen mensen tegen zijn; 16 En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij altijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde. 17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een korte tijd, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger beijverd, om uw aangezicht te zien, met grote begeerte. 18 Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satan heeft ons belet. 19 Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon van de roem? Bent u die ook niet voor onze Heere Jezus Christus in Zijn toekomst? 20 Want u bent onze heerlijkheid en blijdschap. ### 1 Tessalonicensen 3 1 Daarom, deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij graag willen te Athene alleen gelaten worden; 2 En hebben gezonden Timotheüs, onze broeder, en Gods dienaar, en onze medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof; 3 Opdat niemand bewogen wordt in deze verdrukkingen; want u weet zelf, dat wij hiertoe gesteld zijn. 4 Want ook, toen wij bij u waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, zoals ook gebeurd is, en u weet het. 5 Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen. 6 Maar als Timotheüs nu van u tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat u altijd goede herinnering van ons hebt, zeer begerig zijnde om ons te zien, zoals wij ook om u; 7 Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof; 8 Want nu leven wij, als u vast staat in de Heere. 9 Want wat dankzegging kunnen wij voor God tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmee wij ons om uwentwil verblijden voor onze God? 10 Nacht en dag zeer overvloedig biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, wat aan uw geloof ontbreekt. 11 Maar onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onze weg tot u. 12 En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde tegenover elkaar en tegenover allen, zoals wij ook zijn tegenover u; 13 Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onze God en Vader, in de toekomst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen. ### 1 Tessalonicensen 4 1 Verder dan, broeders, wij bidden en vermanen u in de Heere Jezus, zoals u van ons ontvangen hebt, hoe u moet wandelen en voor God behagen, dat u daarin meer overvloedig wordt. 2 Want u weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door de Heere Jezus. 3 Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat u zich onthoudt van de hoererij; 4 Dat ieder van u wete zijn lichaam te bezitten in heiligmaking en eer; 5 Niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, zoals de heidenen, die God niet kennen. 6 Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, zoals wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben. 7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot heiligmaking. 8 Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven. 9 Van de broederlijke liefde nu hebt u niet nodig, dat ik u schrijve; want u zelf bent van God geleerd om elkaar lief te hebben. 10 Want u doet ook hetzelfde aan al de broeders, die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat u meer overvloedig wordt; 11 En dat u zich beijvert stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben; 12 Opdat u eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding nodig hebt. 13 Maar, broeders, ik wil niet, dat u onwetend bent van degenen, die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent, zoals de anderen, die geen hoop hebben. 14 Want als wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, zo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weer brengen met Hem. 15 Want dat zeggen wij u door het Woord van de Heere, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst van de Heere, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. 16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin van God nederdalen van de hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; 17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen samen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht; en zo zullen wij altijd met de Heere wezen. 18 Zo dan, vertroost elkaar met deze woorden. ### 1 Tessalonicensen 5 1 Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! heb u niet nodig, dat men u schrijve. 2 Want u weet zelf zeer wel, dat de dag van de Heere zo zal komen, zoals een dief in de nacht. 3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw; en zij zullen het in geen geval ontvluchten; 4 Maar u, broeders, u bent niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen. 5 U bent alle kinderen van het licht, en kinderen overdag; wij zijn niet in de nacht, noch van de duisternis. 6 Zo laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn. 7 Want die slapen, slapen in de nacht, en die dronken zijn, zijn in de nacht dronken; 8 Maar wij, die overdag zijn, laat ons nuchter zijn, aangedaan hebbende het borstwapen van het geloof en van de liefde, en tot een helm, de hoop van de zaligheid. 9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus. 10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, samen met Hem leven zouden. 11 Daarom vermaant elkaar, en sticht de één de anderen, zoals u ook doet. 12 En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in de Heere, en u vermanen; 13 En acht hen zeer veel in liefde, omwille van hun werk. Wees vreedzaam onder elkaar. 14 En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, wees geduldig tegenover allen. 15 Zie, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt alle tijd het goede na, zo tegenover elkaar als tegenover allen. 16 Verblijd u altijd. 17 Bid zonder ophouden. 18 Dank God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u. 19 Blus de Geest niet uit. 20 Veracht de profetieën niet. 21 Beproef alle dingen; behoudt het goede. 22 Onthoud u van allen schijn van het kwaad. 23 En de God van de vrede Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Heere Jezus Christus. 24 Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal. 25 Broeders, bidt voor ons. 26 Groet al de broeders met een heilige kus. 27 Ik bezweer u bij de Heere, dat deze zendbrief al de heiligen broeders gelezen wordt. 28 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen. ## 2 Tessalonicensen ### 2 Tessalonicensen 1 1 Paulus, en Silvanus, en Timotheüs, aan de Gemeente van de Thessalonicensen, die is in God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus: 2 Genade zij u, en vrede, van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 3 Wij moeten God altijd danken over u, broeders, zoals behoorlijk is, omdat uw geloof zeer groeit, en dat de liefde van ieder van u allen tegenover elkaar overvloedig wordt; 4 Zo dat wij zelf van u roemen in de Gemeenten van God, over uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die u verdraagt; 5 Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat u waard geacht wordt het Koninkrijk van God, voor dat u ook lijdt; 6 Zo het recht is bij God verdrukking te vergelden van hen, die u verdrukken; 7 En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heere Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht; 8 Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9 Zij zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht van de Heere, en van de heerlijkheid van Zijn sterkte, 10 Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (omdat onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in die dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waard achte van de roeping, en vervulle al het welbehagen van Zijn goedheid, en het werk van het geloof met kracht. 12 Opdat de Naam van onze Heere Jezus Christus verheerlijkt wordt in u, en u in Hem, naar de genade van onze God en de Heere Jezus Christus. ### 2 Tessalonicensen 2 1 En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onze Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem, 2 Dat u niet haastig bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande was. 3 Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens van de zonde, de zoon van het verderf; 4 Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genoemd, of als God geëerd wordt, zo dat hij in de tempel van God als een God zal zitten, zichzelf vertonende, dat hij God is. 5 Gedenkt u niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb? 6 En nu, wat hem wederhoudt, weet u, opdat hij geopenbaard wordt te van zijn eigen tijd. 7 Want het geheim van de ongerechtigheid wordt al gewerkt; alleen, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden. 8 En dan zal de ongerechtige geopenbaard worden, die de Heere verdoen zal door de Geest van Zijn mond, en te niet maken door de verschijning van Zijn toekomst; 9 Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking van de satan, in alle kracht, en tekenen, en wonderen van de leugen; 10 En in alle verleiding van de onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde van de waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden. 11 En daarom zal God hun zenden een kracht van de dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; 12 Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid. 13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die door de Heere geliefd bent, dat u God van de beginne gekozen heeft tot zaligheid, in heiligmaking van de Geest, en geloof van de waarheid; 14 Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging van de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus. 15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt de voorschriften, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onze zendbrief. 16 En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige troost en goede hoop in genade, 17 Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk. ### 2 Tessalonicensen 3 1 Verder, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord van de Heere zijn loop hebbe, en verheerlijkt wordt, zoals ook bij u; 2 En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en slechte mensen; want het geloof is niet van allen. 3 Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van de boze. 4 En wij vertrouwen van u in de Heere, dat u, wat wij u bevelen, ook doet, en doen zult. 5 Maar de Heere richte uw harten tot de liefde van God, en tot de volharding van Christus. 6 En wij bevelen u, broeders, in de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat u zich onttrekt van ieder broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft. 7 Want u weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; 8 En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn; 9 Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelf u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen. 10 Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete. 11 Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende. 12 Maar zulke mensen bevelen en vermanen wij door onze Heere Jezus Christus, dat zij met rust werkende, hun eigen brood eten. 13 En u, broeders, vertraagt niet in goed te doen. 14 Maar als iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent die; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd wordt; 15 En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder. 16 De Heere nu van de vrede Zelf geve u vrede altijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen. 17 De groet met mijn hand, van Paulus; dat is een teken in iedere zendbrief; zo schrijf ik. 18 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. ## 1 Timotheüs ### 1 Timotheüs 1 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onze Zaligmaker, en de Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is, 2 Aan Timotheüs, mijn oprechte zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onze Vader, en Christus Jezus, onze Heere. 3 Zoals ik u vermaand heb, dat u te Efeze zou blijven, als ik naar Macedonië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat u sommigen beveelt geen andere leer te leren; 4 Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, die meer twist vragen voortbrengen dan stichting van God, die in het geloof is. 5 Maar het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof. 6 Van die sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking; 7 Willende leraars van de wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Maar wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettig gebruikt; 9 En hij dit weet, dat de rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar de onrechtvaardigen en de halsstarrigen, de goddelozen en de zondaren, de onheiligen en de ongoddelijken, de vadermoorders en de moedermoorders, de moordenaars, 10 De ontuchtplegers, die, die bij mannen liggen, de mensendieven, de leugenaars, de meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is; 11 Naar het Evangelie van de heerlijkheid van de zalige God, dat mij toebetrouwd is. 12 En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onze Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende; 13 Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid gebeurd, omdat ik het onwetend gedaan heb in mijn ongeloof. 14 Maar de genade van onze Heere is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. 15 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van wie ik de voornaamste ben. 16 Maar daarom is mij barmhartigheid gebeurd, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn geduld zou betonen, tot een voorbeeld van degenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven. 17 De Koning nu van de eeuwen, de onverderfelijke, de onzichtbare, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat u naar de profetieën, die van u voorgegaan zijn, daarin de goede strijd strijdt; 19 Houdende het geloof, en een goed geweten, dat sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben; 20 Onder welke is Hymeneüs en Alexander, die ik de satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren. ### 1 Timotheüs 2 1 Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen; 2 Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God, onze Zaligmaker; 4 Die wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis van de waarheid komen. 5 Want er is één God, er is ook één Middelaar van God en van de mensen, de Mens Christus Jezus; 6 Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd; 7 Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar van de heidenen, in geloof en waarheid. 8 Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting. 9 Evenzo ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelf versieren, niet in vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding; 10 Maar (dat de vrouwen past, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken. 11 Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 Maar ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. 14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest. 15 Maar zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid. ### 1 Timotheüs 3 1 Dit is een getrouw woord: zo iemand tot het ambt van een opziener lust heeft, die begeert een voortreffelijk werk. 2 Een opziener dan moet onberispelijk zijn, een man met één vrouw, wakker, matig, eerbaar, graag herbergende, bekwaam om te leren; 3 Niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig. 4 Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle waardigheid; 5 (Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente van God zorg dragen?) 6 Geen nieuweling, opdat hij niet hoogmoedig wordt, en in het oordeel van de duivel valle. 7 En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaad, en in de strik van de duivel. 8 De diakenen ook moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuil-gewinzoekers; 9 Houdende het geheim van het geloof in een rein geweten. 10 En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn. 11 De vrouwen ook moeten eerbaar zijn, geen kwaadsprekers, wakker, getrouw in alles. 12 Dat de diakenen van één vrouw mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren. 13 Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelf een goede opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, dat is in Christus Jezus. 14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen; 15 Maar zo ik wacht, opdat u mag weten, hoe men in het huis van God moet verkeren, dat is de Gemeente van de levende God, een pilaar en vastheid van de waarheid. 16 En buiten allen twijfel, het geheim van de godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. ### 1 Timotheüs 4 1 Maar de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en onderwijzingen van de demonen, 2 Door huichelarij van de leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid; 3 Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel van God is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 5 Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed. 6 Als u deze dingen de broeders voorstelt, zo zult u een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden van het geloof en van de goede leer, die u achtervolgd hebt. 7 Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelf tot godzaligheid. 8 Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van de tegenwoordigen en van het toekomende leven. 9 Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waard. 10 Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op de levende God, Die een Behouder is van alle mensen, maar allermeest van de gelovigen. 11 Beveel deze dingen, en leer ze. 12 Niemand verachte uw jeugd, maar wees een voorbeeld van de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in de geest, in geloof, in reinheid. 13 Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kom. 14 Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging van de handen van de ouderlingschap. 15 Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw vordering openbaar zij in alles. 16 Heb acht op uzelf en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult u en uzelf behouden, en die u horen. ### 1 Timotheüs 5 1 Bestraf een oude man niet hard, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders; 2 De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid. 3 Eer de weduwen, die werkelijk weduwen zijn. 4 Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kleinkinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en de voorouderen wedervergelding doen; want dat is goed en aangenaam voor God. 5 Die nu werkelijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag. 6 Maar die haar hartstocht volgt, die is levende gestorven. 7 En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn. 8 Maar zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. 9 Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, die van één man vrouw geweest zij; 10 Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij graag heeft geherbergd, zo zij van de heiligen voeten heeft gewassen, zo zij de verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij elk goed werk nagetracht heeft. 11 Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zo willen zij trouwen; 12 Hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan. 13 En meteen ook leren zij leeg omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen leeg, maar ook roddelachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, wat niet past. 14 Ik wil dan, dat de jonge weduwen trouwen, kinderen krijgen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de tegenstander geven. 15 Want enige hebben zich al afgewend achter de satan. 16 Zo enig gelovig man, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard wordt, opdat zij degenen, die werkelijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen mag. 17 Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waard geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer. 18 Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult u niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waard. 19 Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen. 20 Bestraf die zondigen in aanwezigheid van allen, opdat ook de anderen vrees mogen hebben. 21 Ik betuig voor God, en de Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat u deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid. 22 Leg niemand haastig de handen op, en heb geen gemeenschap aan zonden van anderen; bewaar uzelf rein. 23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw veelvuldige zwakheden. 24 Van sommige mensen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan voor tot hun veroordeling; en in sommigen ook volgen zij na. 25 Evenzo ook de goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mee gelegen is, kunnen niet verborgen worden. ### 1 Timotheüs 6 1 De dienaren, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waard achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd wordt. 2 En die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mee deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen. 3 Als iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is, 4 Die is hoogmoedig, en weet niets, maar hij raast ongeveer twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt afgunst, twist, lasteringen, kwade nadenkingen. 5 Verkeerde ruzies van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een winst zij. Wijk af van zulke. 6 Maar de godzaligheid is een groot winst met vergenoeging. 7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen. 8 Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee tevreden zijn. 9 Maar die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, die de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. 10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelf met vele smarten doorstoken. 11 Maar u, o mens van God, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid. 12 Strijd de goede strijd van het geloof, grijp naar het eeuwige leven, tot dat u ook geroepen bent, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen. 13 Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, 14 Dat u dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onze Heere Jezus Christus; 15 Die op Zijn tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning van de koningen, en Heere van de heren; 16 Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Die geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen. 17 Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijk verleent, om te genieten; 18 Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, graag mededelende zijn, en gemeenzaam; 19 Leggende zichzelf weg tot een schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen. 20 O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen van de vals genaamde wetenschap; 21 Die sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen. ## 2 Timotheüs ### 2 Timotheüs 1 1 Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, naar de belofte van het leven, dat in Christus Jezus is, 2 Aan Timotheüs, mijn geliefde zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en Christus Jezus, onze Heere. 3 Ik dank God, Wie ik dien van mijn voorouderen aan in een rein geweten, zoals ik zonder ophouden aan u gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag; 4 Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap mag vervuld worden; 5 Als ik mij in herinnering breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont. 6 Om die reden maak ik u indachtig, dat u opwekt de gave van God, die in u is, door de oplegging van mijn handen. 7 Want God heeft ons niet gegeven een geest van de vreesachtigheid, maar van de kracht, en van de liefde, en van de gematigdheid. 8 Schaam u dan niet van het getuigenis van onze Heere, noch van mij die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht van God; 9 Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden van de eeuwen; 10 Maar nu geopenbaard is door de verschijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onvergankelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie; 11 Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar van de heidenen; 12 Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, in Wie ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag. 13 Houd het voorbeeld van de gezonde woorden, die u van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is. 14 Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door de Heilige Geest, Die in ons woont. 15 U weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben; onder die is Fygellus en Hermogenes. 16 De Heere geve de huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verfrist, en heeft zich voor mijn boeien niet geschaamd. 17 Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer ijverig gezocht, en heeft mij gevonden. 18 De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij de Heere, in die dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet u zeer wel. ### 2 Timotheüs 2 1 U dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is; 2 En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren. 3 U dan, lijd verdrukkingen, als een goed soldaat van Jezus Christus. 4 Niemand, die in de oorlog dient, wordt ingewikkeld in de handelingen van het levensonderhoud, opdat hij die mag behagen, die hem tot de oorlog aangenomen heeft. 5 En als ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden. 6 De landman, als hij arbeidt, moet zo eerst de vruchten genieten. 7 Merk, wat ik zeg; maar de Heere geve u verstand in alle dingen. 8 Houd in herinnering, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die is uit het zaad van David, naar mijn Evangelie; 9 Om dat ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord van God is niet gebonden. 10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid. 11 Dit is een getrouw woord; want als wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven; 12 Als wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; als wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen; 13 Als wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelf niet verloochenen. 14 Breng deze dingen in herinnering, en betuig voor de Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, dat tot geen ding nut is, dan tot verkering van de toehoorders. 15 Doe uw best om uzelf voor God beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord van de waarheid recht snijdt. 16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen. 17 En hun woord zal voorteten, zoals de kanker; onder wie is Hymeneüs en Filetus; 18 Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding al gebeurd is, en verkeren sommiger geloof. 19 Evenwel het vaste fundament van God staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid. 20 Maar in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren voorwerpen, maar ook houten en aarden voorwerpen; en sommige ter ere, maar sommige ter onere. 21 Als dan iemand zichzelf van deze reinigt, die zal een voorwerp zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik van de Heere, tot elk goed werk toebereid. 22 Maar vlucht voor de begeerlijkheden van de jeugd; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die de Heere aanroepen uit een rein hart. 23 En verwerp de vragen, die dwaas en zonder onderwijzing zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen. 24 En een dienaar van de Heere moet niet twisten, maar vriendelijk zijn tegenover allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen; 25 Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis van de waarheid; 26 En zij opnieuw ontwaken mochten uit de strik van de duivel, onder welke zij gevangen waren tot zijn wil. ### 2 Timotheüs 3 1 En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. 2 Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, geldgierig, grootsprakig, hoogmoedig, lasteraars, de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig. 3 Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, roddelaars, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, 4 Verraders, roekeloos, hoogmoedig, meer liefhebbers van de hartstochten dan liefhebbers van God; 5 Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht daarvan verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze. 6 Want van deze zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwtjes gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden; 7 Vrouwtjes, die altijd leren, en nimmermeer tot kennis van de waarheid kunnen komen. 8 Zoals nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, zo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof. 9 Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun dwaasheid zal allen openbaar worden, zoals ook die van genen geworden is. 10 Maar u hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, geduld, liefde, volharding. 11 Mijn vervolgingen, mijn lijden, dat als mij overkomen is in Antiochië, in Ikonium en in Lystre; zoals vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost. 12 En ook allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden. 13 Maar de slechte mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid. 14 Maar blijft u in wat u geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wie u het geleerd hebt; 15 En dat u van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, dat in Christus Jezus is. 16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot onderwijzing, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; 17 Opdat de mens van God volmaakt zij, tot elk goed werk volmaaktelijk toegerust. ### 2 Timotheüs 4 1 Ik betuig dan voor God en de Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk: 2 Predik het woord; houd aan tijdig, ontijdig; weerleg, bestraf, vermaan in alle geduld en leer. 3 Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelf leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden; 4 En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen. 5 Maar u, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij. 6 Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd van mijn ontbinding is aanstaande. 7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; 8 Verder is voor mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, die mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. 9 Doe uw best haastig tot mij te komen. 10 Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië. 11 Lukas is alleen met mij. Neem Markus mee, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot de dienst. 12 Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden. 13 Breng de reismantel mee, die ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als u komt, en de boeken, in het bijzonder de perkamenten. 14 Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaad betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken. 15 Wees ook u op uw hoede voor hem, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan. 16 In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend. 17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelfde zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost. 18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Die zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 19 Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus. 20 Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete ziek gelaten. 21 Doe uw best om voor de winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders. 22 De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met u. Amen. ## Titus ### Titus 1 1 Paulus, een dienaar van God, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof van de uitverkorenen van God, en de kennis van de waarheid, die naar de godzaligheid is; 2 In de hoop van het eeuwige leven, die God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden van de eeuwen, maar geopenbaard heeft op Zijn tijd; 3 Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeenschappelijk geloof: 4 Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader, en de Heere Jezus Christus, onze Zaligmaker. 5 Om die oorzaak heb ik u op Kreta achtergelaten, opdat u, wat nog ontbrak, verder zou te recht brengen, en dat u van stad tot stad zou ouderlingen aanstellen, zoals ik u bevolen heb: 6 Als iemand onberispelijk is, een man met één vrouw, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn. 7 Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger van God, niet eigenzinnig, niet genegen tot boosheid, niet genegen tot de wijn, geen vechtersbaas, geen zoeker van oneerlijke winst; 8 Maar die graag herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, rein; 9 Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, zowel om te vermanen door de gezonde leer, als om de tegensprekers te weerleggen. 10 Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers en misleiders, in het bijzonder die uit de besnijdenis zijn; 11 Die men moet de mond stoppen, die hele huizen verwarren, lerende wat niet behoort, om schandelijke winst. 12 Één uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretensen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luilakken. 13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherp, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof. 14 En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden van de mensen, die hen van de waarheid afkeren. 15 Alle dingen zijn wel rein voor de reinen, maar voor de bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar zowel hun verstand als geweten zijn bevlekt. 16 Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, zo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot elk goed werk ongeschikt. ### Titus 2 1 Maar u, spreek wat van de gezonde leer past. 2 Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding. 3 De oude vrouwen ook, dat zij in haar gedrag zijn, zoals de heiligen past, dat zij geen kwaadsprekers zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leraressen zijn van het goede; 4 Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben; 5 Matig te zijn, rein te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt. 6 Vermaan de jonge mannen ook, dat zij matig zijn. 7 Betoon uzelf in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid; 8 Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd wordt, en niets kwaads hebbe van u te zeggen. 9 Vermaan de dienaren, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehaaglijk zijn, niet tegensprekende; 10 Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren. 11 Want de zaligmakende genade van God is verschenen aan alle mensen. 12 En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; 13 Verwachtende de zalige hoop en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus; 14 Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelf een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken. 15 Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte. ### Titus 3 1 Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot elk goed werk bereid zijn; 2 Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende tegenover alle mensen. 3 Want ook wij waren vroeger onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en hartstochten dienende, in boosheid en afgunst levende, hatelijk zijnde, en elkaar hatende. 4 Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, 5 Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken van de rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad van de wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; 6 Die Hij over ons rijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker; 7 Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop van het eeuwige leven. 8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat u ernstig bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn de mensen. 9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel. 10 Verwerp een ketterse mens na de eerste en tweede terechtwijzing; 11 Wetende, dat zo iemand verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld. 12 Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo doe uw best om tot mij te komen te Nikopolis; want daar heb ik voorgenomen te overwinteren. 13 Geleid Zenas, de wetgeleerde, en Apollos zorgvuldig, opdat hun niets ontbreke. 14 En dat ook de onze leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn. 15 Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen. ## Filemon ### Filemon 1 1 Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheüs, de broeder, aan Filemon, de geliefde, en onze medearbeider, 2 En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onze medestrijder, en aan de Gemeente, die te uw huize is: 3 Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus. 4 Ik dank mijn God, uw altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden; 5 Zo ik hoor uw liefde en geloof, dat u hebt aan de Heere Jezus, en tegenover al de heiligen; 6 Opdat de gemeenschap van uw geloof krachtig wordt in de bekendmaking van alle goed, dat in u is door Christus Jezus. 7 Want wij hebben grote vreugde en troost over uw liefde, dat de ingewanden van de heiligen verfrist zijn geworden door u, broeder! 8 Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, wat passend is; 9 Zo bid ik toch liever door de liefde, daar ik zo iemand ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus. 10 Ik bid u dan voor mijn zoon, die ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus; 11 Die vroeger u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; die ik wedergezonden heb. 12 Maar u, neem hem, dat is mijn ingewanden, weer aan; 13 Die ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden van het Evangelie. 14 Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid. 15 Want wellicht is hij daarom voor een kleine tijd van u gescheiden geweest, opdat u hem eeuwig zou weer hebben. 16 Nu voortaan niet als een dienaar, maar meer dan een dienaar, namelijk een geliefde broeder, in het bijzonder mij, hoeveel te meer dan u, zowel in het vlees als in de Heere. 17 Als u mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, zoals mij. 18 En als hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe. 19 Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zeg, dat u ook uzelf mij daartoe schuldig bent. 20 Ja, broeder, laat mij van u hierin genieten in de Heere; verkwik mijn ingewanden in de Heere. 21 Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat u doen zult ook boven wat ik zeg. 22 En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden u zal geschonken worden. 23 U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus, 24 Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders. 25 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met uw geest. Amen. ## Hebreeën ### Hebreeën 1 1 God, voorheen veelmaal en op allerlei wijze, tot de vaders gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon; 2 Die Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welke Hij ook de wereld gemaakt heeft; 3 Die, zo Hij is het Afschijnsel van Zijn heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld van Zijn zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, nadat Hij de reinigmaking van onze zonden door Zichzelf te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand van de Majesteit in de hoogste hemelen; 4 Zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitmuntender Naam boven hen geërfd heeft. 5 Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: U bent Mijn Zoon, vandaag heb ik U gegenereerd? En opnieuw: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn? 6 En als Hij opnieuw de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen van God Hem aanbidden. 7 En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaren een vlam van het vuur. 8 Maar tot de Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de scepter van Uw koninkrijk is een rechte scepter. 9 U hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie van de vreugde boven Uw metgezellen. 10 En: U, Heere! heb in de beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken van Uw handen; 11 Dezelfde zullen vergaan, maar U blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden; 12 En als een dekkleed zult U ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar U bent Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden. 13 En tot welke van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank van Uw voeten? 14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, omwille van degenen, die de zaligheid beërven zullen? ### Hebreeën 2 1 Daarom moeten wij ons te meer houden aan wat van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien. 2 Want als het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; 3 Hoe zullen wij ontvluchten, als wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? die, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben; 4 God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en allerlei krachten en bedelingen van de Heilige Geest, naar Zijn wil. 5 Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken. 6 Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat U hem gedenkt, of de mensenzoon, dat U hem bezoekt! 7 U hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt U hem gekroond, en U hebt hem gesteld over de werken van Uw handen; 8 Alle dingen hebt U onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; maar nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn; 9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden van de dood, opdat Hij door de genade van God voor allen de dood smaken zou. 10 Want het paste Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welke alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de oversten Leidsman van hun zaligheid door lijden zou heiligen. 11 Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. 12 Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broeders verkondigen; in het midden van de Gemeente zal Ik U lofzingen. 13 En opnieuw: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En opnieuw: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft. 14 Omdat dan de kinderen van het vlees en bloed deelachtig zijn, zo is Hij ook evenzo daaraan deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou degene, die het geweld van de dood had, dat is, de duivel; 15 En verlossen zou allen die met vrees voor de dood, door al hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren. 16 Want werkelijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan. 17 Waarom Hij in alles de broeders moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden van het volk te verzoenen. 18 Want in wat Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij van hen, die verzocht worden, te hulp komen. ### Hebreeën 3 1 Hierom, heilige broeders, die van de hemelse roeping deelachtig bent, beschouw de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Christus Jezus; 2 Die getrouw is Degene, Die Hem gesteld heeft, zoals ook Mozes in geheel zijn huis was. 3 Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis. 4 Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God. 5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging van de dingen, die daarna gesproken zouden worden; 6 Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, als wij maar de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe vast behouden. 7 Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Vandaag, als u Zijn stem hoort, 8 Zo verhardt uw harten niet, zoals het gebeurd is in de verbittering, op de dag van de verzoeking, in de woestijn; 9 Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend. 11 Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Als zij in Mijn rust zullen ingaan! 12 Zie toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van de levende God; 13 Maar vermaant elkaar elke dag, zolang als het vandaag genoemd wordt, opdat niet iemand uit u verhard wordt door de verleiding van de zonde. 14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het begin van deze vaste grond tot het einde toe vast behouden; 15 Terwijl er gezegd wordt: Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, zoals in de verbittering gebeurd is. 16 Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, maar niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn. 17 Over wie nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, van wie de lichamen gevallen zijn in de woestijn? 18 En welke heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan van hen, die ongehoorzaam geweest waren? 19 En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. ### Hebreeën 4 1 Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. 2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, zoals aan hen; maar het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben. 3 Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, zoals Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Als zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging van de wereld af al volbracht waren. 4 Want Hij heeft ergens van de zevende dag zo gesproken: En God heeft op de zevende dag van al Zijn werken gerust. 5 En in deze plaats opnieuw: Als zij in Mijn rust zullen ingaan! 6 Omdat dan blijft, dat sommigen daarin rust ingaan, en degenen, die het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid, 7 Zo bepaalt Hij opnieuw een zekere dag, namelijk vandaag, door David zeggende, zo lange tijd daarna (zoals gezegd is): Vandaag, als u Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet. 8 Want als Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een andere dag. 9 Er blijft dan een rust over voor het volk van God. 10 Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne. 11 Laat ons dan ons beijveren, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld van de ongelovigheid valle. 12 Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling van de ziel, en van de geest, en van de samenvoegselen, en van het merg, en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen van het hart. 13 En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Van Degene, met Welke wij te doen hebben. 14 Omdat wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, zoals wij, is verzocht geweest, maar zonder zonde. 16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden op het juiste tijdstip. ### Hebreeën 5 1 Want elke hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtoffers voor de zonden; 2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalende, omdat hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3 En vanwege die zwakheid moet hij zoals voor het volk, zo ook voor zichzelf, offeren voor de zonden. 4 En niemand neemt zichzelf die eer aan, maar die van God geroepen wordt, zoals Aäron. 5 Zo heeft ook Christus Zichzelf niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: U bent Mijn Zoon, vandaag heb Ik U gegenereerd. 6 Zoals Hij ook in een andere plaats zegt: U bent Priester in de eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. 7 Die in de dagen van Zijn vlees, gebeden en smekingen tot Degene, Die Hem uit de dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees. 8 Hoewel Hij de Zoon was, toch gehoorzaamheid geleerd heeft, uit wat Hij heeft geleden. 9 En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak van de eeuwige zaligheid geworden; 10 En is van God genoemd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizedek. 11 Van Welke wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, omdat u traag om te horen geworden bent. 12 Want u, daar u leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt opnieuw nodig, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn van de woorden van God; en u bent geworden, als die melk nodig hebben, en niet vast voedsel. 13 Want een ieder die van de melk deelachtig is, die is onervaren in het woord van de gerechtigheid; want hij is een kind. 14 Maar van de volmaakten is het vaste voedsel, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding zowel van het goede als van het kwaad. ### Hebreeën 6 1 Daarom, nalatende het begin van de leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet opnieuw leggende het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God, 2 Van de leer van de dopen, en van de oplegging van de handen, en van de opstanding van de doden, en van het eeuwig oordeel. 3 En dit zullen wij ook doen, als het God toelaat. 4 Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en van de Heilige Geest deelachtig geworden zijn, 5 En gesmaakt hebben het goede woord van God, en de krachten van de toekomende eeuw, 6 En afvallig worden, die, zeg ik, opnieuw te vernieuwen tot bekering, als die zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigen en openlijk te schande maken. 7 Want de aarde, die de regen, dikwijls op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door wie zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; 8 Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, waarvan het einde tot verbranding is. 9 Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij zo spreken. 10 Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid van de liefde, die u aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. 11 Maar wij begeren, dat ieder van u dezelfde ijver bewijze, tot de volle verzekerdheid van de hoop, tot het einde toe; 12 Opdat u niet traag wordt, maar navolgers bent van degenen, die door geloof en geduld de beloftenissen beërven. 13 Want als God aan Abraham de belofte deed, omdat Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf, 14 Zeggende: Werkelijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen. 15 En zo, geduldig verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen. 16 Want de mensen zweren wel bij de meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is dezelfde een einde van alle tegenspreken; 17 Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen; 18 Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, waarin het onmogelijk is dat God liege, een sterke troost zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden; 19 Die wij hebben als een anker van de ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel; 20 Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in de eeuwigheid. ### Hebreeën 7 1 Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester van de Allerhoogste God, die Abraham tegemoet ging, als hij keerde terug van het slaan van de koningen, en hem zegende; 2 Aan welke ook Abraham van alles de tienden deelde; die allereerst overgezet wordt, koning van de gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, dat is een koning van de vrede; 3 Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch begin van de dagen, noch einde van het leven hebbende; maar de Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid. 4 Let nu op, hoe groot deze geweest zij, aan die ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit de buit. 5 En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broeders, hoewel die uit de middel van Abraham voortgekomen zijn. 6 Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend. 7 Nu, zonder enig tegenspreken, wat minder is, wordt gezegend van wat meerder is. 8 En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar daar neemt ze die, van welke getuigd wordt, dat hij leeft. 9 En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven; 10 Want hij was nog in de middel van de vader, als hem Melchizedek tegemoet ging. 11 Als dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap was (want onder hetzelfde heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aäron? 12 Want het priesterschap veranderd zijnde, zo gebeurt er ook noodzakelijk verandering van de wet. 13 Want Hij, op Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, van welke niemand zich tot het altaar begeven heeft. 14 Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welke stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap. 15 En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat: 16 Die dit niet naar de wet van het vleselijke gebod is geworden, maar naar de kracht van de onvergankelijken levens. 17 Want Hij getuigt: U bent Priester in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek. 18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod gebeurt om zijn zwakheids en onprofijtelijkheids wil; 19 Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God naderen. 20 En voor zoveel het niet zonder eedzwering is gebeurd, (want anderen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden; 21 Maar Deze met eedzwering, door Die, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in de eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek). 22 Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden. 23 En anderen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door de dood verhinderd werden altijd te blijven; 24 Maar Deze, omdat Hij in de eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap. 25 Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, zo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. 26 Want zulk een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden; 27 Die het niet allen dag nodig was, zoals de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna, voor de zonden van het volk; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelf opgeofferd heeft. 28 Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord van de eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt de Zoon, Die in de eeuwigheid geheiligd is. ### Hebreeën 8 1 De hoofdsom nu van de dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zulk een Hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen: 2 Een Dienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, die de Heere heeft opgericht, en geen mens. 3 Want ieder hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtoffers te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren. 4 Want als Hij op aarde was, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, omdat er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren; 5 Die het voorbeeld en de schaduw van de hemelse dingen dienen, zoals Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij de tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat u het alles maakt naar de afbeelding, die u op de berg getoond is. 6 En nu heeft Hij zoveel uitmuntender bediening gekregen, als Hij ook Middelaar van een beter verbond is, dat in betere beloftenissen bevestigd is. 7 Want als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest. 8 Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis van Israël, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; 9 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaders gemaakt heb, op de dag als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere. 10 Want dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 11 En zij zullen niet leren, ieder zijn naaste, en ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van de kleine onder hen tot de grote onder hen. 12 Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik in geen geval meer gedenken. 13 Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning. ### Hebreeën 9 1 Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de godsdienst, en het wereldlijk heiligdom. 2 Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, waarin was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, die genoemd wordt het heilige; 3 Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genoemd het heilige van de heiligen; 4 Hebbende een gouden wierookvat, en de ark van het verbond, overal met goud overdekt, waarin was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aäron, die gebloeid had, en de tafelen van het verbond. 5 En boven over deze ark waren de cherubijnen van de heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen. 6 Deze dingen nu, zo toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in de eerste tabernakel, altijd, om de godsdiensten te volbrengen; 7 Maar in de tweede tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de misdaden van het volk. 8 Waarmee de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg van het heiligdom nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had; 9 Die was een afbeelding voor die tegenwoordigen tijd, waarin gaven en slachtoffers geofferd werden, die degene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten; 10 Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen van het vlees, tot op de tijd van de verbetering opgelegd. 11 Maar Christus, de Hogepriester van de toekomende goederen, gekomen zijnde, is door de meerdere en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel, 12 Noch door het bloed van de bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. 13 Want als het bloed van de stieren en bokken, en de as van de jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid van het vlees; 14 Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf voor God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om de levende God te dienen? 15 En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe testament, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening van de overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis van de eeuwige erfenis ontvangen zouden. 16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood van de testamentmaker tussenkome; 17 Want een testament is vast in de doden, omdat het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft. 18 Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed van de kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde zowel het boek zelf, als al het volk, 20 Zeggende: Dit is het bloed van het testament, dat God aan u heeft geboden. 21 En hij besprengde evenzo ook de tabernakel, en al de voorwerpen van de dienst met het bloed. 22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting gebeurt geen vergeving. 23 Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen van de dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offergaven dan deze. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, dat is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 25 Noch ook, opdat Hij Zichzelf dikwijls zou opofferen, zoals de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; 26 (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging van de wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding van de eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnszelfs offergave. 27 En zoals het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; 28 Zo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal voor de tweede keer zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid. ### Hebreeën 10 1 Want de wet, hebbende een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken, kan met dezelfde offergaven, die zij alle jaren steeds opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan. 2 Anders zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die de dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben van de zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde; 3 Maar nu gebeurt daarin alle jaren weer herinnering van de zonden. 4 Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme. 5 Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offergave hebt U niet gewild, maar U hebt Mij het lichaam toebereid; 6 Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd. 7 Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin van het boek is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God! 8 Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offergave, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt U niet gewild, noch hebben U behaagd (die naar de wet geofferd worden); 9 Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen. 10 In welke wil wij geheiligd zijn, door de offergave van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal gebeurd. 11 En ieder priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtoffers dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen; 12 Maar Deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God; 13 Verder verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank van Zijn voeten. 14 Want met één offergave heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. 15 En de Heilige Geest getuigt het ons ook; 16 Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden; 17 En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik in geen geval meer gedenken. 18 Waar nu vergeving daarvan is, daar is geen offergave meer voor de zonde. 19 Omdat wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20 Op een versen en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees; 21 En omdat wij hebben een grote Priester over het huis van God; 22 Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid van het geloof, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water. 23 Laat ons de onwankelbare belijdenis van de hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw); 24 En laat ons op elkaar acht nemen, tot opscherping van de liefde en van de goede werken; 25 En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals sommigen de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen; en dat zoveel te meer, als u ziet, dat de dag nadert. 26 Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden; 27 Maar een schrikkelijke verwachting van het oordeel, en hitte van het vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. 28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen; 29 Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed van het testament onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest van de genade smaad heeft aangedaan? 30 Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Van Mij is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En opnieuw: De Heere zal Zijn volk oordelen. 31 Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. 32 Maar gedenkt de vorige dagen, in die, nadat u verlicht bent geweest, u veel strijd van het lijden hebt verdragen. 33 Ten dele, als u door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden bent; en ten dele, als u gemeenschap gehad hebt met degenen, die zo behandeld werden. 34 Want u hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving van uw goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat u hebt in uzelf een beter en blijvend goed in de hemelen. 35 Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote vergelding van het loon heeft. 36 Want u hebt volharding nodig, opdat u, de wil van God gedaan hebbende, de beloftenis mag wegdragen; 37 Want: Nog een zeer korte tijd en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet talmen. 38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen. 39 Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding van de ziel. ### Hebreeën 11 1 Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet. 2 Want door hetzelfde hebben de oude getuigenis bekomen. 3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord van God is toebereid, zo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. 4 Door het geloof heeft Abel een meerdere offergave voor God geofferd dan Kaïn, door dat hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, zo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelfde geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is. 5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij de dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij voor God behaagde. 6 Maar zonder geloof is het onmogelijk voor God te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is van degenen, die Hem zoeken. 7 Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is. 8 Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou. 9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte, als in een vreemd land, en heeft in tenten gewoond met Izak en Jakob, die mee-erfgenamen waren van diezelfde belofte. 10 Want hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is. 11 Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven de tijd van haar ouderdom heeft zij gebaard; omdat zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had. 12 Daarom zijn ook van één, en dat één verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren van de hemel, en als het zand, dat aan de oever van de zee is, dat ontallijk is. 13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelfde van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. 14 Want die zulke dingen zeggen, betonen duidelijk, dat zij een vaderland zoeken. 15 En als zij aan dat vaderland gedacht hadden, van dat zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weer te keren; 16 Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God van hun niet, om hun God genoemd te worden; want Hij had hun een stad bereid. 17 Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd, 18 (Tot die gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken; 19 Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft. 20 Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. 21 Door het geloof heeft Jakob, stervende, ieder van de zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het bovenste van zijn staf. 22 Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van de uitgang van de Israëlieten, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente. 23 Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, omdat zij zagen, dat het kind schoon was; en zij vreesden het gebod van de koning niet. 24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden; 25 Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van de zonde te hebben; 26 Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding van het loon. 27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende de toorn van de koning; want hij hield zich vast, als ziende de Onzichtbare. 28 Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging van het bloed, opdat de verderver van de eerstgeborenen hen niet raken zou. 29 Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; dat de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. 30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest. 31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de spionnen met vrede had ontvangen. 32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuël, en de profeten; 33 Die door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen van de leeuwen toegestopt; 34 De kracht van het vuur hebben uitgeblust, de scherpte van het zwaard zijn ontvlucht, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in de oorlog sterk geworden zijn, legers van de vreemden op de vlucht hebben gebracht; 35 De vrouwen hebben haar doden uit de opstanding wedergekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden. 36 En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis; 37 Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde; 38 (Van wie de wereld niet waard was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in grotten, en in holen van de aarde. 39 En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen; 40 Zo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden. ### Hebreeën 12 1 Daarom dan ook, zo wij zo groot een wolk van de getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons licht omringt, en laat ons met volharding lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is; 2 Ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God. 3 Want beschouw Deze, Die zulk een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat u niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. 4 U hebt nog tot de bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde; 5 En u hebt vergeten de terechtwijzing, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de vergelding van de Heere, en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt; 6 Want die de Heere liefheeft, straft Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. 7 Als u de vergelding verdraagt, zo gedraagt Zich God tegenover u als zonen; (want wat zoon is er, die de vader niet straft?) 8 Maar als u zonder vergelding bent, die allen deelachtig zijn geworden, zo bent u dan bastaarden, en niet zonen. 9 Verder, wij hebben de vaders van ons vlees wel tot tuchtmeesters gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer de Vader van de geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want anderen hebben ons wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gestraft; maar Deze straft ons tot ons nut, opdat wij van Zijn heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle vergelding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van verdriet te zijn; maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht van de gerechtigheid van hen, die daardoor geoefend zijn. 12 Daarom richt weer op de trage handen, en de slappe knieën; 13 En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet verdraaid wordt, maar dat het veelmeer genezen wordt. 14 Jaag de vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal; 15 Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade van God; dat niet enige wortel van de bitterheid, omhoog spruitende, onrust veroorzaakt en daardoor velen ontreinigd worden. 16 Dat niet iemand zij een ontuchtpleger, of een onheilige, zoals Ezau, die om één voedsel het recht van zijn eerstgeboorte weggaf. 17 Want u weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beërven, verworpen werd; want hij vond geen plaats van het berouw, hoewel hij dezelfde met tranen zocht. 18 Want u bent niet gekomen tot de tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweer, 19 En tot het geklank van de bazuin, en de stem van de woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. 20 (Want zij konden niet dragen, wat er geboden werd: Als ook een gedierte de berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden. 21 En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zei: Ik ben geheel bevreesd en bevende). 22 Maar u bent gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden van de engelen; 23 Tot de algemene vergadering en de Gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen; 24 En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed van de besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Zie toe, dat u Die, Die spreekt, niet verwerpt; want als deze niet zijn ontvlucht, die degene verwierpen, die op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvluchten, zo wij ons van Die afkeren, Die van de hemelen is; 26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. 27 En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering van de bewegelijke dingen, als die gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. 28 Daarom, zo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, door die wij welbehaaglijk voor God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is een verterend vuur. ### Hebreeën 13 1 Dat de broederlijke liefde blijve. 2 Vergeet de gastvrijheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd. 3 Gedenk van de gevangenen, alsof u mee gevangen was; en van degenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof u ook zelf in het lichaam kwalijk gehandeld was. 4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen. 5 Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en wees tevreden met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten. 6 Zodat wij vrijmoedig durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen. 7 Gedenk aan uw voorgangers, die u het Woord van God gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandeling. 8 Jezus Christus is gisteren en vandaag dezelfde en in de eeuwigheid. 9 Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde onderwijzingen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nut bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben. 10 Wij hebben een altaar, van dat geen macht hebben te eten, die de tabernakel dienen. 11 Want van die dieren het bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door de hogepriester, van die lichamen werden verbrand buiten de legerplaats. 12 Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden. 13 Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaad dragende. 14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. 15 Laat ons dan door Hem altijd voor God opofferen een offergave van lof, dat is, de vrucht van de lippen, die Zijn Naam belijden. 16 En vergeet de goedertierenheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zulke offergaven heeft God een welbehagen. 17 Wees uw voorgangeren gehoorzaam, en wees hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig. 18 Bid voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen. 19 En ik bid u te meer, dat u dit doet, opdat ik te eerder u mag wedergegeven worden. 20 De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, door het bloed van het eeuwige testament, uit de doden heeft teruggebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus, 21 Die volmake u in elk goed werk, opdat u Zijn wil mag doen; werkende in u, wat voor Hem welbehaaglijk is, door Jezus Christus; Die zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen. 22 Maar ik bid u, broeders, verdraagt het woord van deze terechtwijzing; want ik heb u in het kort geschreven. 23 Weet, dat de broeder Timotheüs losgelaten is, met welke (zo hij haast komt) ik u zal zien. 24 Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italië zijn. 25 De genade zij met u allen. Amen. ## Jakobus ### Jakobus 1 1 Jakobus, een dienaar van God en van de Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid. 2 Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen valt; 3 Wetende, dat de beproeving van uw geloof volharding werkt. 4 Maar de volharding hebbe een volmaakt werk, opdat u mag volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkig. 5 En als iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die ieder mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden. 6 Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een golf van de zee gelijk, die van de wind gedreven en op geworpen en neergeworpen wordt. 7 Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van de Heere. 8 Een dubbelhartig man is onstandvastig in al zijn wegen. 9 Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid. 10 En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan. 11 Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante van haar aangezicht is vergaan; zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken. 12 Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben. 13 Niemand, als hij verzocht wordt, zeg: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. 14 Maar ieder wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. 15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voltooid zijnde baart de dood. 16 Dwaal niet, mijn geliefde broeders. 17 Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader van de lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering. 18 Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen van Zijn schepselen. 19 Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens zij haastig om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; 20 Want de toorn van de man werkt Gods gerechtigheid niet. 21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, dat uw zielen kan zaligmaken. 22 En wees daders van het Woord, en niet alleen hoorders, uzelf met valse overlegging bedriegende. 23 Want zo iemand een hoorder is van het Woord, en niet een dader, die is een man gelijk, die zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel; 24 Want hij heeft zichzelf bemerkt, en is weggegaan, en heeft meteen vergeten, hoe hij was. 25 Maar die inziet in de volmaakte wet, die van de vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader van het werk, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen. 26 Als iemand onder u denkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, zijn godsdienst is zinloos. 27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld. ### Jakobus 2 1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onze Heere Jezus Christus, de Heere van de heerlijkheid, met aanneming van de persoon. 2 Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan de vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding; 3 En u zou aanzien degene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit u hier op een eerlijke plaats; en zou zeggen tot de arme: Sta u daar; of: Zit hier onder mijn voetbank; 4 Hebt u dan niet in uzelf een onderscheid gemaakt, en bent rechters geworden met verkeerde overwegingen? 5 Hoor, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen van deze wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij belooft van hen, die Hem liefhebben? 6 Maar u hebt de armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen? 7 Lasteren zij niet de goede naam die over u aangeroepen is? 8 Als u dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelf, zo doet u wel; 9 Maar als u de persoon aanneemt, zo doet u zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders. 10 Want wie de hele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle. 11 Want Die gezegd heeft: U zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: U zult niet doden. Als u nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo bent u een overtreder van de wet geworden. 12 Spreek zo, en doet zo, als die door de wet van de vrijheid zult geoordeeld worden. 13 Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over degene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel. 14 Wat nut is het, mijn broeders, als iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken? 15 Als er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel; 16 En iemand van u tot hen zou zeggen: Ga heen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en u zou hun niet geven de levensbehoeften van het lichaam, wat nut is dat? 17 Zo ook het geloof, als het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood. 18 Maar iemand zal zeggen: 'U hebt het geloof en ik heb de werken.' Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen. 19 U gelooft, dat God één enig God is; u doet wel; de demonen geloven het ook, en zij sidderen. 20 Maar wilt u weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is? 21 Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar? 22 Ziet u wel, dat het geloof mee gewerkt heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken? 23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genoemd geweest. 24 Ziet u dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleen uit het geloof? 25 En evenzo ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een andere weg uitgelaten? 26 Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood. ### Jakobus 3 1 Wees niet vele leermeesters, mijn broeders, wetende, dat wij een strenger oordeel zullen ontvangen. 2 Want wij struikelen allen in vele. Als iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het hele lichaam in de toom te houden. 3 Zie, wij leggen de paarden bitten in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmee hun hele lichaam om; 4 Zie ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarheen ook de begeerte van de stuurman wil. 5 Zo is ook de tong een klein lid, en roemt toch grote dingen. Zie, een klein vuur, hoe grote hoop hout het aansteekt. 6 De tong is ook een vuur, een wereld van de ongerechtigheid; zo is de tong onder onze leden gesteld, die het hele lichaam besmet, en ontsteekt onze levensloop, en wordt ontstoken van de hel. 7 Want alle natuur, zowel van de wilde dieren als van de vogels, zowel van de kruipende als van de zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur. 8 Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn. 9 Door haar loven wij God en de Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn. 10 Uit deze mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, zo niet gebeuren. 11 Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter? 12 Kan ook, mijn broeders, een vijgenboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Zo kan geen bron zout en zoet water voortbrengen. 13 Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijn goede wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. 14 Maar als u bittere afgunst en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. 15 Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. 16 Want waar afgunst en twistgierigheid is, daar is verwarring en alle boze handel. 17 Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vredelievend, bescheiden, voor rede vatbaar, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, onpartijdig oordelend en ongeveinsd. 18 En de vrucht van de rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor hen, die vrede maken. ### Jakobus 4 1 Vanwaar komen strijden en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw hartstochten, die in uw lichaamsdelen strijd voeren? 2 U begeert, en hebt niet; u benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; u vecht en voert strijd, maar u hebt niet, omdat u niet bidt. 3 U bidt, en u ontvangt niet, omdat u kwalijk bidt, opdat u het in uw hartstochten doorbrengen zou. 4 Overspelers en overspeleressen, weet u niet, dat de vriendschap van de wereld een vijandschap van God is? Zo wie dan een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld. 5 Of denkt u, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot afgunst? 6 Ja, Hij geeft grotere genade. Daarom zegt de Schrift: God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 7 Onderwerp u dan aan God; bied weerstand aan de duivel, en hij zal van u vluchten. 8 Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, u zondaars, en zuivert de harten, u dubbelhartigen! 9 Gedraag u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid. 10 Verneder u voor de Heere en Hij zal u verhogen. 11 Broeders, spreekt niet verkeerd van elkaar. Die van zijn broeder verkeerd spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt verkeerd van de wet, en oordeelt de wet. Als u nu de wet oordeelt, zo bent u geen dader van de wet, maar een rechter. 12 Er is één enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Maar wie bent u, die een anderen oordeelt? 13 Nu dan u, die daar zegt: Wij zullen vandaag of morgen naar zulk een stad reizen, en daar een jaar doorbrengen, en handel drijven, en winst doen. 14 U, die niet weet, wat morgen gebeuren zal, want wat is uw leven? Want het is een damp, die voor een korte tijd gezien wordt, en daarna verdwijnt. 15 In plaats dat u zou zeggen: Als de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. 16 Maar nu roemt u in uw hoogmoed; al zulk soort roem is boos. 17 Wie dan weet goed te doen, en niet doet, die is het zonde. ### Jakobus 5 1 Nu dan, u rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, en uw kleren zijn van de motten gegeten geworden; 3 Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; u hebt schatten verzameld in de laatste dagen. 4 Zie, het loon van de arbeiders, die uw landen gemaaid hebben, dat van u verkort is, roept; en het geschrei van degenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van de Heere Zebaoth. 5 U hebt lekker geleefd op de aarde, en hartstochten gevolgd; u hebt uw harten gevoed als in een dag van de slachting. 6 U hebt veroordeeld, u hebt gedood de rechtvaardige; hij weerstaat u niet. 7 Zo wees dan geduldig, broeders, tot de toekomst van de Heere. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht van het land, geduldig zijnde daarover, totdat het de vroegen en spade regen zal hebben ontvangen. 8 Wees u ook geduldig, versterkt uw harten; want de toekomst van de Heere nadert. 9 Zucht niet tegen elkaar, broeders, opdat u niet veroordeeld wordt. Zie, de Rechter staat voor de deur. 10 Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld van het lijden, en van de geduld de profeten, die in de Naam van de Heere gesproken hebben. 11 Zie, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; u hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en u hebt het einde van de Heere gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer. 12 Maar voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat u in geen oordeel valt. 13 Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge. 14 Is iemand ziek onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen van de Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in de Naam van de Heere. 15 En het gebed van het geloof zal de zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden. 16 Belijd elkaar de misdaden, en bidt voor elkaar, opdat u gezond wordt; een krachtig gebed van de rechtvaardigen vermag veel. 17 Elia was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden. 18 En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort. 19 Broeders, als iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert, 20 Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een ziel van de dood zal behouden, en menigte van de zonden zal bedekken. ## 1 Petrus ### 1 Petrus 1 1 Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatië, Kappadocië, Azië en Bithynië, 2 De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader, in de heiligmaking van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging van het bloed van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd. 3 Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. 4 Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. 5 Die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in de laatste tijd. 6 In welke u zich verheugt, nu een korte tijd (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; 7 Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostelijker is dan van het goud, dat vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden wordt te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus; 8 Die u niet gezien hebt, en toch liefhebt, in Die u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; 9 Verkrijgende het einde van uw geloof, namelijk de zaligheid van de zielen. 10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u gebeurd; 11 Onderzoekende, op welke of wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende. 12 Die geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien. 13 Daarom opschortende de middel van uw verstand, en nuchter zijnde, hoopt volkomen op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. 14 Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren; 15 Maar zoals Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook u heilig in al uw wandel; 16 Daarom er geschreven is: Wees heilig, want Ik ben heilig. 17 En als u tot een Vader aanroept Hem, Die zonder aanneming van de persoon oordeelt naar het werk van ieder, zo wandelt in vrees de tijd van uw inwoning; 18 Wetende dat u niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost bent uit uw ijdele wandeling, die u van de vaders overgeleverd is; 19 Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam; 20 Die wel voorgekend is geweest voor de grondlegging van de wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil, 21 Die door Hem gelooft in God, Die Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou. 22 Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid van de waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vurig lief uit een rein hart; 23 U, die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God. 24 Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid van de mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen; 25 Maar het Woord van de Heere blijft in eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is. ### 1 Petrus 2 1 Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en huichelarij, en afgunst, en alle roddel; 2 En, als nieuwgeboren kinderen, wees zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u daardoor mag opgroeien; 3 Als u anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is. 4 Tot Welken komende, als tot een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar; 5 Zo wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offergaven op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus. 6 Daarom is ook vervat in de Schrift: Zie, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden. 7 U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar de ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Die de bouwers verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd van de hoek, en een steen van de aanstoot, en een rots van de ergernis; 8 Degene namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. 9 Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat u zou verkondigen de deugden van Degene, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; 10 U, die vroeger geen volk was, maar nu Gods volk bent; die vroeger niet ontfermd was, maar nu ontfermd bent geworden. 11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat u zich onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, die strijd voeren tegen de ziel; 12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in de dag van de bezoeking. 13 Wees dan alle menselijke ordening onderdanig, omwille van de Heere; hetzij de koning, als de opperste macht hebbende; 14 Hetzij de stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel van de kwaaddoeners, maar tot prijs van degenen, die goed doen. 15 Want zo is het de wil van God, dat u, weldoende, de mond stopt aan de onwetendheid van de dwaze mensen; 16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel van de boosheid, maar als dienaren van God. 17 Eer ieder; heb de broederschap lief; vrees God; eer de koning. 18 U huisknechten, wees met alle vrees onderdanig de heren, niet alleen de goede en bescheidenen, maar ook de harden. 19 Want dat is genade, als iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. 20 Want wat lof is het, als u verdraagt, als u zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar als u verdraagt, als u weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God. 21 Want hiertoe bent u geroepen, omdat ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat u Zijn voetstappen zou navolgen; 22 Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden; 23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Die, Die rechtvaardig oordeelt; 24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, van de zonden afgestorven zijnde, van de gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen u genezen bent. 25 Want u was als dwalende schapen; maar u bent nu bekeerd tot de Herder en Opziener van uw zielen. ### 1 Petrus 3 1 Evenzo u vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig; opdat ook, zo enige het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de wandel van de vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden; 2 Als zij zullen ingezien hebben uw reine wandel in vrees. 3 Van wie het versiersel zij, niet wat uiterlijk is, bestaande in het vlechten van het haar, en omhangen van goud, of van kleren aan te trekken; 4 Maar de verborgen mens van het hart, in het onvergankelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God. 5 Want zo versierden zichzelf vroeger ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig; 6 Zoals Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, van wie de dochters u geworden bent, als u weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking. 7 U mannen, ook, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook mee-erfgenamen van de genade van het leven met haar bent; opdat uw gebeden niet verhinderd worden. 8 En eindelijk, wees allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk; 9 Vergeld niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zou beërven. 10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken; 11 Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage die na. 12 Want de ogen van de Heere zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht van de Heere is tegen degenen, die kwaad doen. 13 En wie is het, die u kwaad doen zal, als u navolgers bent van het goede? 14 Maar als u ook lijdt omwille van de gerechtigheid, zo bent u zalig; en vreest niet uit vrees voor hen, en wordt niet ontroerd; 15 Maar heiligt God, de Heere, in uw harten; en wees altijd bereid tot verantwoording aan een ieder die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vrees. 16 En hebt een goed geweten, opdat in wat zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goede wandel in Christus lasteren. 17 Want het is beter, dat u, weldoende, (als het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende. 18 Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest; 19 In Die Hij ook, heengegaan zijnde, de geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, 20 Die vroeger ongehoorzaam waren, wanneer het geduld van God eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinig (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 21 Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is van het vuil van het lichaam, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus; 22 Die is aan de rechterhand van God, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde. ### 1 Petrus 4 1 Omdat dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent u zich ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde; 2 Om nu niet meer naar de begeerlijkheden van de mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven. 3 Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd van het leven van de heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchten, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen; 4 Waarin zij zich vreemd houden, als u niet medeloopt tot dezelfde uitgieting van de overdadigheid, en u lasteren; 5 Die zullen rekenschap geven Degene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden. 6 Want daartoe is ook de doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar de mens in het vlees, maar leven zouden naar God in de geest. 7 En het einde alle dingen is nabij; wees dan nuchter, en waakt in de gebeden. 8 Maar vooral hebt vurige liefde tot elkaar; want de liefde zal menigte van zonden bedekken. 9 Wees gastvrij tegenover elkaar, zonder morren. 10 Een ieder zoals hij gave ontvangen heeft, zo bediene hij dezelfde aan de anderen, als goede uitdelers van de menigerlei genade van God. 11 Als iemand spreekt, die spreke als het woord van God; als iemand dient, die moet dienen als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen. 12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte van de verdrukking onder u, die u gebeurt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame; 13 Maar zoals u gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, zo verblijdt u; opdat u ook in de openbaring van Zijn heerlijkheid u mag verblijden en verheugen. 14 Als u gesmaad wordt om de Naam van Christus, zo bent u zalig; want de Geest van de heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen betreft, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u betreft, Hij wordt verheerlijkt. 15 Maar dat niemand van u lijde als een moordenaar, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met het doen van een ander bemoeit; 16 Maar als iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in deze dele. 17 Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis van God; en als het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn van degenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn? 18 En als de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen? 19 Zo dan ook die lijden naar de wil van God, dat zij hun zielen Hem, als de getrouwen Schepper, bevelen met weldoen. ### 1 Petrus 5 1 De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige van het lijden van Christus ben, en deelachtig van de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: 2 Weid de kudde van God, die onder u is, houdende de wacht daarover, niet uit bedwang, maar gewillig; noch om vuile winst, maar met een bereidwillig gemoed; 3 Noch als heerschappij voerende over het erfdeel van de Heere, maar als voorbeelden van de kudde geworden zijnde. 4 En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid behalen. 5 Evenzo u jongen, wees de oude onderdanig; en wees allen elkaar onderdanig; wees met de nederigheid bekleed; want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade. 6 Verneder u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge op Zijn tijd. 7 Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. 8 Wees nuchter, en waakt; want uw tegenstander, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wie hij zou mogen verslinden; 9 Die wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt. 10 De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een korte tijd zullen geleden hebben, Dezelfde volmake, bevestige, versterke, en fondere u. 11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 12 Door Silvanus, die u een getrouw broeder is, zo ik acht, heb ik met weinig woorden geschreven, vermanende en betuigende, dat deze is de waarachtige genade van God, waarin u staat. 13 U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Babylon is, en Markus, mijn zoon. 14 Groet elkaar met een kus van de liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus bent. Amen. ## 2 Petrus ### 2 Petrus 1 1 Simeon Petrus, een dienaar en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onze God en Zaligmaker, Jezus Christus; 2 Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onze Heere; 3 Zoals ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis van Degene, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd; 4 Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat u daardoor van de goddelijke natuur deelachtig zou worden, nadat u ontvlucht bent het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid. 5 En u, tot hetzelfde ook alle ijver toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, 6 En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid volharding, en bij de volharding godzaligheid, 7 En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde tegenover allen. 8 Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet leeg noch onvruchtbaar laten in de kennis van onze Heere Jezus Christus. 9 Want bij wie deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging van zijn vorige zonden. 10 Daarom, broeders, beijvert u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult u nimmermeer struikelen. 11 Want zo zal u rijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. 12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel u het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt bent. 13 En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door terechtwijzing; 14 Zo ik weet, dat de aflegging van mijn tabernakel haast zijn zal, zoals ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. 15 Maar ik zal ook ijver doen bij alle gelegenheid, dat u na mijn uitgang van deze dingen herinnering mag hebben. 16 Want wij zijn geen kunstig verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. 17 Want Hij heeft van God de Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Die Ik Mijn welbehagen heb. 18 En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren. 19 En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en u doet wel, dat u daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. 20 Dit eerst wetende, dat geen profetie van de Schrift is van eigen uitlegging; 21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens, maar de heilige mensen van God, van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. ### 2 Petrus 2 1 En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook de Heere, Die hen gekocht heeft, verontkennende, en een haastig verderf over zichzelf en brachten; 2 En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg van de waarheid zal gelasterd worden. 3 En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over wie het oordeel van over lang niet leeg is, en hun verderf sluimert niet. 4 Want als God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen van de duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 5 En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, de prediker van de gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen heeft gebracht; 6 En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet degenen, die goddeloos zouden leven; 7 En de rechtvaardige Lot, die vermoeid was van de ontuchtige wandel van de gruwelijke mensen, daaruit verlost heeft; 8 (Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken); 9 Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel, om gestraft te worden; 10 Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelf behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heere voortbrengen. 12 Maar deze, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, omdat zij lasteren, wat zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden; 13 En zullen verkrijgen het loon van de ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn; 14 Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen van de vervloeking; 15 Die de rechte weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen de weg van Balaäm, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefgehad heeft; 16 Maar hij heeft de bestraffing van zijn ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft van de profeten dwaasheid verhinderd. 17 Deze zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. 18 Want zij, zeer hoogmoedige zinloosheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden van het vlees en door ontuchten, degenen, die werkelijk ontvlucht waren van degenen, die in dwaling wandelen; 19 Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienaren zijn van de verdorvenheid; want van wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienaar gemaakt. 20 Want als zij, nadat zij door de kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen van de wereld ontvlucht zijn, en daarin opnieuw ingewikkeld zijnde, daarvan overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste. 21 Want het was hun beter, dat zij de weg van de gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, die gekend hebbende, weer afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was. 22 Maar hun is overkomen, wat met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is teruggekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk. ### 2 Petrus 3 1 Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door terechtwijzing uw oprecht gemoed opwekke; 2 Opdat u gedachtig bent aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die van de Heere en Zaligmaker apostelen zijn; 3 Dit eerst wetende, dat in het laatste van de dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen, 4 En zeggen: Waar is de belofte van Zijn toekomst? want van die dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen zo zoals van het begin van de schepping. 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord van God de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande; 6 Door welke de wereld, die toen was, met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. 7 Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel, en van de verderving van de goddeloze mensen. 8 Maar deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. 9 De Heere vertraagt de belofte niet (zoals enige dat traagheid achten), maar is geduldig over ons, niet willende, dat enige verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. 10 Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht, waarin de hemelen met een geluid zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. 11 Omdat dan deze dingen alle vergaan, hoe behoort u te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! 12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag van God, waarin de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten. 13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. 14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, beijvert u, dat u onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden mag worden in vrede; 15 En acht het geduld van onze Heere voor zaligheid; zoals ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, u geschreven heeft; 16 Zoals ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke dingen sommige zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, zoals ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf. 17 U dan, geliefden, dat te voren wetende, pas op dat u niet door de verleiding van de gruwelijke mensen mee afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastheid; 18 Maar wast op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als in de dag van de eeuwigheid. Amen. ## 1 Johannes ### 1 Johannes 1 1 Wat van de beginne was, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord van het leven; 2 (want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen u dat eeuwige Leven, dat bij de Vader was en aan ons is geopenbaard) 3 Wat wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook u met ons gemeenschap zou hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. 4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij. 5 En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en geheel geen duisternis in Hem is. 6 Als wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet. 7 Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. 8 Als wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelf, en de waarheid is in ons niet. 9 Als wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid. 10 Als wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons. ### 1 Johannes 2 1 Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; 2 En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld. 3 En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren. 4 Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet; 5 Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in die is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn. 6 Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf zo wandelen, zoals Hij gewandeld heeft. 7 Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat u van de beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat u van de beginne gehoord hebt. 8 Opnieuw schrijf ik u een nieuw gebod: wat waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu. 9 Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. 10 Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen struikelblok is in hem. 11 Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij heengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind. 12 Ik schrijf u, kinderen, want de zonden zijn u vergeven omwille van Zijn Naam. 13 Ik schrijf u, vaders! want u hebt Hem gekend, Die van de beginne is. Ik schrijf u, jongemannen, want u hebt de boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want u hebt de Vader gekend. 14 Ik heb u geschreven, vaders, want u hebt Hem gekend, Die van de beginne is. Ik heb u geschreven, jongemannen, want u bent sterk, en het Woord van God blijft in u, en u hebt de boze overwonnen. 15 Heb de wereld niet lief, noch wat in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde van de Vader is niet in hem. 16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees, en de begeerlijkheid van de ogen, en de grootsheid van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in de eeuwigheid. 18 Kinderen, het is het laatste uur; en zoals u gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het het laatste uur is. 19 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want als zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is gebeurd, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn. 20 Maar u hebt de zalving van de Heilige, en u weet alle dingen. 21 Ik heb u niet geschreven, omdat u de waarheid niet weet, maar omdat u die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is. 22 Wie is de leugenaar, dan die ontkent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die de Vader en de Zoon ontkent. 23 Een ieder die de Zoon ontkent, heeft ook de Vader niet. 24 Wat u dan van de beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Als dat in u blijft, wat u van de beginne gehoord hebt, zo zult u ook in de Zoon en in de Vader blijven. 25 En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven. 26 Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden. 27 En de zalving, die u van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en u hebt niet nodig, dat iemand u lere; maar zoals diezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en zoals zij u geleerd heeft, zo zult u in Hem blijven. 28 En nu, kinderen, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst. 29 Als u weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet u, dat een ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. ### 1 Johannes 3 1 Zie, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen van God genoemd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is. 3 En een ieder die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, zoals Hij rein is. 4 Een ieder die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid. 5 En u weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem. 6 Een ieder die in Hem blijft, die zondigt niet; een ieder die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend. 7 Kinderen, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, zoals Hij rechtvaardig is. 8 Die de zonde doet, is uit de duivel; want de duivel zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken van de duivel verbreken zou. 9 Een ieder die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hierin zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel openbaar. Een ieder die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft, 11 Want dit is de verkondiging, die u van de beginne gehoord hebt, dat wij elkaar zouden liefhebben. 12 Niet zoals Kaïn, die uit de boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig. 13 Verwonder u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat. 14 Wij weten dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Een ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar; en u weet, dat geen moordenaar het eeuwige leven heeft in zich blijvende. 16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen. 17 Zo wie nu het goed van de wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde van God in hem? 18 Mijn kinderen, laat ons niet liefhebben met het woord, noch met de tong, maar met de daad en waarheid. 19 En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem. 20 Want als ons hart ons veroordeelt, God is meer dan ons hart, en Hij kent alle dingen. 21 Geliefden! Als ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God; 22 En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden bewaren, en doen, wat behagelijk is voor Hem. 23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben, zoals Hij ons een gebod gegeven heeft. 24 En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in hen. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest, Die Hij ons gegeven heeft. ### 1 Johannes 4 1 Geliefden, gelooft niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. 2 Hieraan kent u de Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; 3 En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van de antichrist, die geest u gehoord hebt, dat komen zal, en is nu al in de wereld. 4 Kinderen, u bent uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is. 5 Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen. 6 Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij de geest van de waarheid, en de geest van de dwaling. 7 Geliefden! Laat ons elkaar liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder die liefheeft, is uit God geboren, en kent God; 8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde. 9 Hierin is de liefde van God tegenover ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, als God ons zo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkaar lief te hebben. 12 Niemand heeft ooit God aanschouwd; als wij elkaar liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt. 13 Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. 14 En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker van de wereld. 15 Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God. 16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. 17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in de dag van het oordeel, namelijk dat zoals Hij is, wij ook zijn in deze wereld. 18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees heeft pijn, en wie vreest is niet volmaakt in de liefde. 19 Wij hebben hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad heeft. 20 Als iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? 21 En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe. ### 1 Johannes 5 1 Een ieder die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een ieder die liefheeft Degene, Die geboren heeft, die heeft ook lief degene, die uit Hem geboren is. 2 Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren. 3 Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar. 4 Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. 5 Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God? 6 Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is. 7 Want Drie zijn er, Die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Één. 8 En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één. 9 Als wij de getuigenis van de mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, die Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. 10 Die in de Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelf; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon. 11 En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon. 12 Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet. 13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in de Naam van de Zoon van God; opdat u weet, dat u het eeuwige leven hebt, en opdat u gelooft in de Naam van de Zoon van God. 14 En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. 15 En als wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben. 16 Als iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, van hen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor die zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden. 17 Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot de dood. 18 Wij weten, dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelf, en de boze vat hem niet. 19 Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de hele wereld ligt in het boze. 20 Maar wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven. 21 Kinderen, bewaart uzelf van de afgoden. Amen. ## 2 Johannes ### 2 Johannes 1 1 De ouderling aan de uitverkoren vrouw en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben; 2 Vanwege de waarheid, die in ons blijft, en met ons zal zijn in eeuwigheid: 3 Genade, barmhartigheid, vrede zij met u van God de Vader, en van de Heere Jezus Christus, de Zoon van de Vader, in waarheid en liefde. 4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, zoals wij een gebod ontvangen hebben van de Vader. 5 En nu bid ik u, uitverkoren vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar wat wij gehad hebben van het begin, namelijk dat wij elkaar liefhebben. 6 En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, zoals u van het begin gehoord hebt, dat u in hetzelfde zou wandelen. 7 Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist. 8 Zie toe voor uzelf, dat wij niet verliezen, wat wij gewerkt hebben, maar een vol loon mogen ontvangen. 9 Een ieder die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden de Vader en de Zoon. 10 Als iemand tot u komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet. 11 Want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken. 12 Ik heb veel aan u te schrijven, maar ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot u te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen mag zijn. 13 U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. Amen. ## 3 Johannes ### 3 Johannes 1 1 De ouderling aan de geliefde Gajus, die ik in waarheid liefheb. 2 Geliefde, voor alle dingen wens ik, dat het u welvaart en u gezond bent, zoals het uw ziel welvaart. 3 Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, zoals u in de waarheid wandelt. 4 Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen. 5 Geliefde, u doet trouw, in al wat u doet aan de broeders en aan de vreemdelingen, 6 Die getuigd hebben van uw liefde, in de aanwezigheid van de Gemeente; die als u geleide doet, zoals het voor God waard is, zo zult u weldoen. 7 Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen. 8 Wij dan zijn schuldig zulke mensen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden van de waarheid. 9 Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, als ik kom, zo zal ik in herinnering brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermee niet tevreden zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente. 11 Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien. 12 Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelf; en wij getuigen ook, en u weet, dat onze getuigenis waarachtig is. 13 Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen; 14 Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. 15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name. ## Judas ### Judas 1 1 Judas, een dienaar van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God de Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard: 2 Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd. 3 Geliefden, zo ik alle ijver doe om u te schrijven van de algemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat u strijdt voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. 4 Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die vroeger tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in ontucht, en de enige Heerser, God, en onze Heere Jezus Christus verloochenen. 5 Maar ik wil u eraan herinneren, hoewel u dit eens wist, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, opnieuw degenen, die niet geloofden, verdorven heeft. 6 En de engelen, die hun begin niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. 7 Zoals Sodoma en Gomorra, en de steden daaromheen, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf van het eeuwige vuur. 8 Evenzo evenwel ook deze, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden. 9 Maar Michaël, de aartsengel, toen hij met de duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zei: De Heere bestraffe u! 10 Maar deze, wat zij niet weten, dat lasteren zij; en wat zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelfde verderven zij zich. 11 Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaäm zijn zij heengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan. 12 Deze zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelf zonder vrees; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; 13 Wilde golven van de zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, die de donkerheid van de duisternis in eeuwigheid bewaard wordt. 14 En van deze heeft ook Henoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen; 15 Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddeloos gedaan hebben, en vanwege al de harhet woordn, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. 16 Deze zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer hoogdravende dingen, verwonderende zich over de personen vanwege het voordeel. 17 Maar geliefden, gedenkt u van de woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onze Heere Jezus Christus; 18 Dat zij u gezegd hebben, dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen. 19 Deze zijn het, die zichzelf afscheiden, natuurlijke mensen, de Geest niet hebbende. 20 Maar geliefden, bouwt u uzelf op uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest; 21 Bewaart uzelf in de liefde van God, verwachtende de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven. 22 En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende; 23 Maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is. 24 Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, 25 De alleenwijze God, onze Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, zowel nu als in alle eeuwigheid. Amen. ## Openbaring ### Openbaring 1 1 De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienaren te tonen de dingen, die haast gebeuren moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienaar Johannes te kennen gegeven heeft; 2 Die het woord van God betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft. 3 Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden van deze profetie, en die bewaren, wat daarin geschreven is; want de tijd is nabij. 4 Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn; 5 En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste van de koningen van de aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. 6 En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters voor God en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen. 7 Zie, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten van de aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen. 8 Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige. 9 Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en metgezel in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de volharding van Jezus Christus, was op het eiland, genoemd Patmos, om het Woord van God, en om de getuigenis van Jezus Christus. 10 En ik was in de geest op de dag van de Heere; en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, 11 Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en wat u ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea. 12 En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren; 13 En in het midden van de zeven kandelaren Een, de Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel; 14 En Zijn hoofd en haar was wit, zoals witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam van vuur; 15 En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren. 16 En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, zoals de zon schijnt in haar kracht. 17 En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; 18 En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood. 19 Schrijf, wat u gezien hebt, en wat is, en wat gebeuren zal na deze: 20 Het geheim van de zeven sterren, die u gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die u gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten. ### Openbaring 2 1 Schrijf aan de engel van de Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechterhand houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt: 2 Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw volharding, en dat u de kwaden niet kunt dragen; en dat u beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; 3 En u hebt verdragen, en hebt geduld; en u hebt omwille van Mijn Naam gewerkt, en bent niet moe geworden. 4 Maar ik heb tegen u, dat u uw eerste liefde hebt verlaten. 5 Gedenk dan, waarvan u uitgevallen bent, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastig bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, als u zich niet bekeert. 6 Maar dit hebt u, dat u de werken van de Nikolaïeten haat, die Ik ook haat. 7 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom van het leven, die in het midden van het paradijs van God is. 8 En schrijf aan de engel van de Gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weer levend is geworden: 9 Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (maar u bent rijk), en de lastering van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge van de satan. 10 Vrees geen van de dingen, die u lijden zult. Zie, de duivel zal enige van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt; en u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon van het leven. 11 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van de tweede dood niet beschadigd worden. 12 En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: 13 Ik weet uw werken, en waar u woont; namelijk daar de troon van de satan is, en u houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, waarin Antipas, Mijn getrouwe getuige was, die gedood is bij u, daar de satan woont. 14 Maar Ik heb enige weinig dingen tegen u, dat u daar hebt, die de onderwijzing van Balaäm houden, die Balak leerde de Israëlieten een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en ontucht plegen. 15 Zo hebt ook u, die de onderwijzing van de Nikolaïeten houden; dat Ik haat. 16 Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastig bij komen, en zal tegen hen strijd voeren met het zwaard van Mijn mond. 17 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witte keursteen, en op de keursteen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent, dan die hem ontvangt. 18 En schrijf aan de engel van de Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam van vuur, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk: 19 Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw volharding, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste. 20 Maar Ik heb enige weinig dingen tegen u, dat u de vrouw Izebel, die zichzelf zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienaren verleiden, dat zij ontucht plegen en afgodenoffer eten. 21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken. 23 En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal u geven ieder naar uw werken. 24 "Maar ik zeg tot u en tot de anderen te Tyatira, allen die deze leer niet hebben, en die de diepten van de satan, zoals zij zeggen, niet hebben leren kennen: ik zal u geen andere last opleggen." 25 Maar wat u hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen. 26 En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen; 27 En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; zoals ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb. 28 En Ik zal hem de morgenster geven. 29 "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." ### Openbaring 3 1 En schrijf aan de engel van de Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten van God heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat u de naam hebt, dat u leeft, en u bent dood. 2 Wees waakzaam, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan, hoe u het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Als u dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en u zult niet weten, op welk uur Ik over u komen zal. 4 Maar u hebt enige weinig namen ook te Sardis, die hun kleren niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte kleren, omdat zij het waard zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte kleren; en Ik zal zijn naam in geen geval uitdoen uit het boek van het leven, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen. 6 "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." 7 En schrijf aan de engel van de Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel van David heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent: 8 Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want u hebt kleine kracht, en u hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend. 9 Zie, Ik geef u enige uit de synagoge van de satan, van degenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. 10 Omdat u het woord van Mijn volharding bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit het uur van de verzoeking, die over de hele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. 11 Zie, Ik kom haastig; houd dat u hebt, opdat niemand uw kroon neme. 12 Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God, en de naam van de stad van Mijn God, namelijk van de nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwe Naam. 13 "Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt." 14 En schrijf aan de engel van de gemeente van de Laodicenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin van de schepping van God: 15 Ik weet uw werken, dat u noch koud bent, noch heet; och, of u koud was, of heet! 16 Zo dan, omdat u lauw bent, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen. 17 Want u zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en u weet niet, dat u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. 18 Ik raad u dat u van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk mag worden; en witte kleren, opdat u mag bekleed worden, en de schande van uw naaktheid niet geopenbaard wordt; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien mag. 19 Zo wie Ik liefheb, die bestraf en straf Ik; wees dan ijverig, en bekeer u. 20 Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; als iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. 21 Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, zoals Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. 22 Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt. ### Openbaring 4 1 Na deze zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zei: Kom hier op, en Ik zal u tonen, wat na deze gebeuren moet. 2 En meteen werd ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. 3 En Die daarop zat, was in het aanzien de steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom de troon, in het aanzien van de steen Smaragd gelijk. 4 En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte kleren, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. 5 En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, die zijn de zeven geesten van God. 6 En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. 7 En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegende adelaar gelijk. 8 En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugels rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal. 9 En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op de troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft; 10 Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende: 11 U Heere, bent waard te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen. ### Openbaring 5 1 En ik zag in de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen. 2 En ik zag een sterke engel, uitroepende met een luide stem: Wie is waard het boek te openen, en zijn zegelen open te breken? 3 En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelfde inzien. 4 En ik huilde zeer, dat niemand waard gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelfde in te zien. 5 En één van de ouderlingen zei tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit de stam van Juda is, de Wortel van David, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken. 6 En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; die zijn de zeven geesten van God, die uitgezonden zijn in alle landen. 7 En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Van Degene, Die op de troon zat. 8 En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neer, hebbende elk citeren en gouden schalen, zijnde vol reukwerk, die zijn de gebeden van de heiligen. 9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: U bent waard dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want U bent geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; 10 En U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen als koningen heersen op de aarde. 11 En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden; 12 Zeggende met een luide stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waard te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging. 13 En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op de troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid. 14 En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neer, en aanbaden Degene, Die leeft in alle eeuwigheid. ### Openbaring 6 1 En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie! 2 En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne! 3 En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! 4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en die, die daarop zat, werd macht gegeven de vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkaar zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven. 5 En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand. 6 En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zei: Één maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet. 7 En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zei: Kom en zie! 8 En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel van de aarde, met zwaard, en met honger, en met de dood, en door de wilde beesten van de aarde. 9 En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van degenen, die gedood waren om het Woord van God, en om de getuigenis, die zij hadden. 10 En zij riepen met luide stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? 11 En aan ieder werden lange witte kleren gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, zoals zij. 12 En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haar zak, en de maan werd als bloed. 13 En de sterren van de hemel vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een grote wind geschud wordt. 14 En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. 15 En de koningen van de aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienaren, en alle vrijen, verborgen zichzelf in de grotten, en in de steenrotsen van de bergen; 16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Val op ons, en verbergt ons van het aangezicht Van Degene, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam. 17 Want de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie kan bestaan? ### Openbaring 7 1 En na deze zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde, houdende de vier winden van de aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom. 2 En ik zag een andere engel opkomen van de opgang van de zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met een luide stem tot de vier engelen, die macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, 3 Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, voordat wij de dienaren van onze God zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. 4 En ik hoorde het getal van degenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten van de Israëlieten. 5 Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld; 6 Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld; 7 Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld; 8 Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld. 9 Na deze zag ik, en ziet, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleren, en palmtakken waren in hun handen. 10 En zij riepen met luide stem, zeggende: De zaligheid zij onze God, Die op de troon zit, en het Lam. 11 En al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor de troon neer op hun aangezicht, en aanbaden God, 12 Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid. Amen. 13 En één uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Deze, die bekleed zijn met de lange witte kleren, wie zijn zij, en vanwaar zijn zij gekomen? 14 En ik sprak tot hem: Heere, u weet het. En hij zei tot mij: Deze zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange kleren gewassen, en hebben hun lange kleren wit gemaakt in het bloed van het Lam. 15 Daarom zijn zij voor de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op de troon zit, zal hen overschaduwen. 16 Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. 17 Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen van de wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. ### Openbaring 8 1 En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in de hemel, ongeveer van een half uur. 2 En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven. 3 En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is. 4 En de rook van het reukwerk, met de gebeden van de heiligen, ging op van de hand van de engel voor God. 5 En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er klonken stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving. 6 En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen. 7 En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel van de bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand. 8 En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel van de zee is bloed geworden. 9 En het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel van de schepen is vergaan. 10 En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit de hemel, en is gevallen op het derde deel van de rivieren, en op de fonteinen van de wateren. 11 En de naam van de ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel van de wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden. 12 En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel van de zon werd geslagen, en het derde deel van de maan, en het derde deel van de sterren; opdat het derde deel daarvan zou verduisterd worden, en dat het derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht evenzo. 13 En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met luide stem: Wee, wee, wee, van hen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin van de drie engelen, die nog bazuinen zullen. ### Openbaring 9 1 En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond. 2 En zij heeft de put van de afgrond geopend; en er is rook opgegaan uit de put, als rook van een grote oven; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van de rook van de put. 3 En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben. 4 En hun werd gezegd, dat zij het gras van de aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enige boom, dan de mensen alleen, die het zegel van God aan hun voorhoofden niet hebben. 5 En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft. 6 En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vluchten. 7 En de gedaanten van de sprinkhanen waren de paarden gelijk, die tot de oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun gezichten als gezichten van mensen. 8 En zij hadden haar als haar van de vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen. 9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het geluid van hun vleugels was als een geluid van de wagens, wanneer vele paarden naar de strijd lopen. 10 En zij hadden staarten de schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden. 11 En zij hadden over zich tot een koning de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon. 12 Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeën na deze. 13 En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat voor God was, 14 Zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat. 15 En de vier engelen zijn ontbonden geworden, die bereid waren tegen het uur, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel van de mensen zouden doden. 16 En het getal van de legers van de ruiterij was tweemaal tien duizenden van de tien duizenden; en ik hoorde hun getal. 17 En ik zag zo de paarden in dit visioen, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden van de paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer, 18 Door deze drie werd het derde deel van de mensen gedood, namelijk door het vuur, en door de rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging. 19 Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen daarmee. 20 En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken van hun handen, dat zij niet zouden aanbidden de demonen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen; 21 En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen. ### Openbaring 10 1 En ik zag een andere sterke engel, afkomende van de hemel, die bekleed was met een wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur. 2 En hij had in zijn hand een boekje, dat geopend was; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en de linker op de aarde. 3 En hij riep met een luide stem, zoals een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen. 4 En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Verzegel wat de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet. 5 En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel. 6 En hij zwoer bij Die, Die leeft in alle eeuwigheid, Die de hemel geschapen heeft en wat daarin is, en de aarde en wat daarin is, en de zee en wat daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn; 7 Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal het geheim van God vervuld worden, zoals Hij Zijn dienaren, de profeten, verkondigd heeft. 8 En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, sprak opnieuw met mij, en zei: Ga heen, neem het boekje, dat geopend en in de hand van de engel is, die op de zee en op de aarde staat. 9 En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boekje. En hij zei tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing. 10 En ik nam dat boekje uit de hand van de engel, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honing, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter. 11 En hij zei tot mij: U moet opnieuw profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen. ### Openbaring 11 1 En mij werd een rietstok gegeven, een meet roede gelijk; en de engel stond en zei: Sta op, en meet de tempel van God en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden. 2 En laat het voorhof uit, dat van buiten de tempel is, en meet dat niet, want het is de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden. 3 En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. 4 Deze zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor de God van de aarde staan. 5 En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet zo gedood worden. 6 Deze hebben macht de hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen van hun profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plaag, zo dikwijls als zij zullen willen. 7 En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun strijd aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden. 8 En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, waar ook onze Heere gekruist is. 9 En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halve, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden. 10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkaar geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden. 11 En na die drie dagen en een halve, is een geest van het leven uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een luide stem uit de hemel, die tot hen zei: Kom hier op. En zij voeren op naar de hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen. 13 En op dat moment gebeurde een grote aardbeving, en het tiende deel van de stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben de God van de hemel heerlijkheid gegeven. 14 Het tweede wee is weggegaan; zie, het derde wee komt haast. 15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er klonken grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heere en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid. 16 En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neer op hun aangezichten, en aanbaden God, 17 Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat U Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst; 18 En de volken waren boos geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd van de doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienaren, de profeten, en de heiligen, en van hen, die Uw Naam vrezen, de kleinen en de groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven. 19 En de tempel van God in de hemel is geopend geworden, en de ark van Zijn verbond is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel. ### Openbaring 12 1 En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; 2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel van de sterren van de hemel, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. 5 En zij baarde een mannelijke zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, waar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar daar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. 7 En er werd strijd in de hemel: Michaël en zijn engelen streden tegen de draak, en de draak streed ook en zijn engelen. 8 En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in de hemel. 9 En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, die genoemd wordt duivel en satan, die de hele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen. 10 En ik hoorde een luide stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden van onze God; en de macht van Zijn Christus; want de aanklager onzer broeders, die hen aanklaagde voor onze God dag en nacht is neergeworpen. 11 En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. 12 Hierom bedrijft vreugde, u hemelen, en u, die daarin woont! Wee van hen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grote toorn, wetende, dat hij een kleine tijd heeft. 13 En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het mannetje gebaard had. 14 En van de vrouw zijn gegeven twee vleugels van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, waar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang. 15 En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren. 16 En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, die de draak uit zijn mond had geworpen. 17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om strijd te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden van God bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. 18 En ik stond op het zand van de zee. ### Openbaring 13 1 En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van godslastering. 2 En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als de voeten van een beer, en zijn mond als de mond van een leeuw; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht. 3 En ik zag één van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de hele aarde verwonderde zich achter het beest. 4 En zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan strijd voeren tegen het? 5 En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven, om dat te doen, twee en veertig maanden. 6 En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in de hemel wonen. 7 En het werd macht gegeven, om de heiligen strijd aan te doen, en om die te overwinnen; en het werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk. 8 En allen, die op de aarde wonen, zullen het aanbidden, van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven, van het Lam, Dat geslacht is, van de grondlegging van de wereld. 9 Als iemand oren heeft, die hore. 10 Als iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de volharding en het geloof van de heiligen. 11 En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, van het Lam hoornen gelijk, en het sprak als de draak. 12 En het oefent al de macht van het eerste beest, in aanwezigheid van het, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. 13 En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit de hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen. 14 En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan het toe doen gegeven zijn in de aanwezigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond van het zwaard had, en weer leefde, een beeld zouden maken. 15 En het werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. 16 En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienaren, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; 17 En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal van zijn naam. 18 Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is het getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig. ### Openbaring 14 1 En ik zag, en ziet, het Lam stond op de berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende de Naam van Zijn Vader geschreven aan hun voorhoofden. 2 En ik hoorde een stem uit de hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een grote donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers; 3 En zij zongen als een nieuw gezang voor de troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren. 4 Deze zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; deze zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; deze zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen voor God en het Lam. 5 En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor de troon van God. 6 En ik zag een andere engel, vliegende in het midden van de hemel, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen van hen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk; 7 Zeggende met een luide stem: Vrees God, en geeft Hem heerlijkheid, want het uur van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die de hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen van de wateren gemaakt heeft. 8 En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken heeft gedrenkt. 9 En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een luide stem: Als iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand, 10 Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam. 11 En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken van zijn naam ontvangt. 12 Hier is de volharding van de heiligen; hier zijn zij, die de geboden van God bewaren en het geloof van Jezus. 13 En ik hoorde een stem uit de hemel, die tot mij zei: Schrijf, zalig zijn de doden, die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen. 14 En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, de Zoon des mensen gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel. 15 En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een luide stem tot Degene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want het uur om te maaien is nu gekomen, omdat de oogst van de aarde rijp is geworden. 16 En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid. 17 En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel. 18 En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot degene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van de wijngaard van de aarde, want zijn druiven zijn rijp. 19 En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard van de aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn van God. 20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit de wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen van de paarden, duizend zeshonderd stadiën ver. ### Openbaring 15 1 En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in de hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn van God geëindigd. 2 En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal van zijn naam, die stonden aan de glazen zee, hebbende de citers van God; 3 En zij zongen het gezang van Mozes, de dienaar van God, en het gezang van het Lam, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, U almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, U Koning van de heiligen! 4 Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U bent alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden. 5 En na deze zag ik, en ziet, de tempel van de tabernakel van het getuigenis in de hemel werd geopend. 6 En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels. 7 En één van de vier dieren gaf de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de toorn van God, Die in alle eeuwigheid leeft. 8 En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid van God, en uit Zijn kracht; en niemand kon in de tempel ingaan, voordat de zeven plagen van de zeven engelen geëindigd waren. ### Openbaring 16 1 En ik hoorde een luide stem uit de tempel, zeggende tot de zeven engelen: Ga heen, en giet de zeven schalen van de toorn van God uit op de aarde. 2 En de eerste ging heen, en goot zijn schaal uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden. 3 En de tweede engel goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee. 4 En de derde engel goot zijn schaal uit in de rivieren en in de fonteinen van de wateren; en de wateren werden bloed. 5 En ik hoorde de engel van de wateren zeggen: U bent rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat U dit geoordeeld hebt; 6 Omdat zij het bloed van de heiligen, en van de profeten vergoten hebben, zo hebt U hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waard. 7 En ik hoorde een andere van het altaar zeggen: Ja, Heere, U almachtige God! Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. 8 En de vierde engel goot zijn schaal uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur. 9 En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven. 10 En de vijfde engel goot zijn schaal uit op de troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn; 11 En zij lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken. 12 En de zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg van de koningen, die van de opgang van de zon komen zullen. 13 En ik zag uit de mond van de draak, en uit de mond van het beest, en uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten gaan, de kikkers gelijk; 14 Want het zijn geesten van de demonen, en zij doen tekenen, die uitgaan tot de koningen van de aarde en van de hele wereld, om die te verzamelen tot de oorlog van die grote dag van de almachtige God. 15 Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie. 16 En zij hebben hen verzameld in de plaats, die in het Hebreeuws genoemd wordt Armageddon. 17 En de zevende engel goot zijn schaal uit in de lucht; en er kwam een luide stem uit de tempel van de hemel, van de troon, zeggende: Het is gebeurd. 18 En er klonken stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er gebeurde een grote aardbeving, zoals niet is gebeurd van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk zulk een aardbeving en zo groot. 19 En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden van de heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven de drinkbeker van de wijn van de toorn Zijn toorn. 20 En alle eiland is gevlucht, en de bergen zijn niet gevonden. 21 En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neer uit de hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel; want zijn plaag was zeer groot. ### Openbaring 17 1 En één uit de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, en zei tot mij: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren; 2 Met wie de koningen van de aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van de wijn haar hoererij. 3 En hij bracht mij weg in een woestijn, in de geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen van de godslastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. 4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en parels, en had in haar hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelijke dingen, en van onreinheid haar hoererij. 5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Geheim; het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van de gruwelijke dingen van de aarde. 6 En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen, en van het bloed van de getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering. 7 En de engel zei tot mij: Waarom verwondert u zich? Ik zal u zeggen het geheim van de vrouw en van het beest, dat haar draagt, dat de zeven hoofden heeft en de tien hoornen. 8 Het beest, dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (van wie de namen niet zijn geschreven in het boek van het leven van de grondlegging van de wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is. 9 Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit. 10 En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de één is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een korte tijd blijven. 11 En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve. 12 En de tien hoornen, die u gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op één uur met het beest. 13 Deze hebben dezelfde mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. 14 Deze zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere van de heren, en een Koning van de koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen. 15 En hij zei tot mij: De wateren, die u gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en menigten, en natiën, en tongen. 16 En de tien hoornen, die u gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden. 17 Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij dezelfde mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden van God voltooid zullen zijn. 18 En de vrouw, die u gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde. ### Openbaring 18 1 En na deze zag ik een andere engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid. 2 En hij riep krachtig met een luide stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede van de demonen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte; 3 Omdat uit de wijn van de toorn haar hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen van de aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden van de aarde rijk zijn geworden uit de kracht haar weelde. 4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Ga uit van haar, Mijn volk, opdat u aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat u van haar plagen niet ontvangt. 5 Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot de hemel toe, en God is haar ongerechtigheden gedachtig geworden. 6 Vergeld haar, zoals zij u vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel. 7 Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. 8 Daarom zullen haar plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt. 9 En de koningen van de aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij de rook haar brands zullen zien; 10 Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in één uur gekomen. 11 En de kooplieden van de aarde zullen huilen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt; 12 Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van parels, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren voorwerpen, en allerlei voorwerpen van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen; 13 En kaneel, en reukwerk, en geurende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen van de mensen. 14 En de vrucht van de begeerlijkheid van uw ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en u zult hetzelfde niet meer vinden. 15 De kooplieden van deze dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, huilend en rouw makende; 16 En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met parels; want in één uur is zo grote rijkdom verwoest. 17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre; 18 En riepen, ziende de rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk? 19 En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, huilend en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, waarin allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostbaarheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden. 20 Bedrijft vreugde over haar, u hemel, en u heilige apostelen, en u profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld. 21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Zo zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden. 22 En de stem van de citerspelers, en van de zangers, en van de fluiters, en van de bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid van de molen zal in u meer gehoord worden. 23 En het licht van de kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem van een bruidegom en een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de grote van de aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest. 24 En daarin is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen, en al van degenen, die gedood zijn op de aarde. ### Openbaring 19 1 En na deze hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heere, onze God. 2 Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; omdat Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed van Zijn dienaren van haar hand gewroken heeft. 3 En zij zeiden ten tweede maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid. 4 En de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren vielen neer, en aanbaden God, Die op de troon zat, zeggende: Amen, Halleluja! 5 En een stem kwam uit de troon, zeggende: Loof onze God, u al Zijn dienaren, en u, die Hem vreest, zowel klein als groot! 6 En ik hoorde als een stem van een grote menigte, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst. 7 Laat ons blij zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft van het Lam is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelf bereid. 8 En haar is gegeven, dat zij bekleed wordt met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen van de heiligen. 9 En hij zei tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. En hij zei tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden van God. 10 En ik viel neer voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zei tot mij: Zie, dat u dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. 11 En ik zag de hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelfde zat, was genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert strijd in gerechtigheid. 12 En Zijn ogen waren als een vlam van vuur, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hij Zelf. 13 En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord van God. 14 En de legers in de hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad. 15 En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de toorn van de almachtige God. 16 En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij deze Naam geschreven: Koning van de koningen, en Heere van de heren. 17 En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een luide stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Kom hier, en verzamelt u tot het avondmaal van de grote God; 18 Opdat u eet het vlees van de koningen, en het vlees van de oversten over duizend, en het vlees van de sterken, en het vlees van de paarden en van degenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienaren, en kleinen en groten. 19 En ik zag het beest, en de koningen van de aarde, en hun legers verzameld, om strijd te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn legers. 20 En het beest werd gegrepen, en met hetzelfde de valse profeet, die de tekenen in de aanwezigheid van hetzelfde gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die zijn beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in de poel van het vuur, die met sulfer brandt. 21 En de overigen werden gedood met het zwaard Van Degene, Die op het paard zat, dat uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees. ### Openbaring 20 1 En ik zag een engel afkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de afgrond, en een grote keten in zijn hand; 2 En hij greep de draak, de oude slang, die is de duivel en satan, en bond hem duizend jaren; 3 En wierp hem in de afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde die boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, voordat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleine tijd ontbonden worden. 4 En ik zag tronen, en zij zaten daarop; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van degenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren. 5 Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, voordat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding. 6 Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren. 7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis ontbonden worden. 8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken van de aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te verzamelen tot de oorlog; waarvan het getal is als het zand aan de zee. 9 En zij zijn opgekomen op de breedte van de aarde, en omringden de legerplaats van de heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neer van God uit de hemel, en heeft hen verslonden. 10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van het vuur en sulfer, waar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. 11 En ik zag een grote witte troon, en Degene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden. 12 En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat van het leven is; en de doden werden geoordeeld uit wat in de boeken geschreven was, naar hun werken. 13 En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, ieder naar hun werken. 14 En de dood en de hel werden geworpen in de poel van het vuur; dit is de tweede dood. 15 En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek van het leven, die werd geworpen in de poel van het vuur. ### Openbaring 21 1 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalend van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. 3 En ik hoorde een luide stem uit de hemel, zeggende: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch hulpgeroep, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. 5 En Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. 6 En Hij sprak tot mij: Het is gebeurd. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water van het leven voor niet. 7 Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en moordenaars, en ontuchtplegers, en tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, is hun deel in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; dat is de tweede dood. 9 En tot mij kwam één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, die vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de bruid, de vrouw van het Lam. 10 En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, neerdalend uit de hemel van God. 11 En zij had de heerlijkheid van God, en haar licht was de allerkostelijkste steen gelijk, namelijk als de steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. 12 En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, die zijn de namen van de twaalf geslachten van de Israëlieten. 13 Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten. 14 En de muur van de stad had twaalf fundamenten, en daarin de namen van de twaalf apostelen van het Lam. 15 En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur. 16 En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met de rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte daarvan waren even gelijk. 17 En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat van een mens, die van de engel was. 18 En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. 19 En de fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fundament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd. 20 Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. 21 En de twaalf poorten waren twaalf parels, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat van de stad was zuiver goud; gelijk glorierijk glas. 22 En ik zag geen tempel daarin; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. 23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij daarin zouden schijnen; want de heerlijkheid van God heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. 24 En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer daarin. 25 En haar poorten zullen niet gesloten worden overdag; want daar zal geen nacht zijn. 26 En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de volken daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek van het leven van het Lam. ### Openbaring 22 1 En hij toonde mij een zuivere rivier van het water van het leven, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam. 2 In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de rivier was de boom van het leven, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en de bladeren van de boom waren tot genezing van de heidenen. 3 En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn, en Zijn dienaren zullen Hem dienen; 4 En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. 5 En daar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht van de zon nodig hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. 6 En hij zei tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God van de heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienaren te tonen, wat haast moet gebeuren. 7 Zie, Ik kom haastig; zalig is hij, die de woorden van de profetie van dit boek bewaart. 8 En ik, Johannes, ben degene die deze dingen gezien en gehoord heeft. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde. 9 En hij zei tot mij: Zie, dat u het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uw broeders, van de profeten, en van degenen, die de woorden van dit boek bewaren; aanbid God. 10 En hij zei tot mij: Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet; want de tijd is nabij. 11 Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde. 12 En zie, Ik kom haastig; en Mijn loon is met Mij, om ieder te vergelden, zoals zijn werk zal zijn. 13 Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste. 14 Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan de boom van het leven, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de ontuchtplegers, en de moordenaars, en de afgodendienaars, en een ieder die de leugen liefheeft, en doet. 16 Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht van David, de blinkende Morgenster. 17 En de Geest en de Bruid zeggen: Kom. En wie het hoort, zeg: Kom. En wie dorst heeft, kome; en wie wil, neme het water van het leven om niet. 18 Want ik betuig aan een ieder die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Als iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn. 19 En als iemand afdoet van de woorden van dit boek van deze profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek van het leven, en uit de heilige stad, en uit wat in dit boek geschreven is. 20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastig. Amen. Ja, kom, Heere Jezus! 21 De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen. # Apocriefe en deuterocanonieke boeken ## 3 Ezra ### 3 Ezra 1 1 EN Josia hield zijn Heere het Pascha te Jeruzalem, en slachtte het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand; 2 En stelde de priesters, die met lange kleren waren aangedaan, naar hun dagelijkse beurt in de tempel van de Heere. 3 En hij zei tot de Levieten, die het heilige in Israël bedienden, dat zij zichzelf de Heere zouden heiligen, om de heilige ark van de Heere te zetten in het huis, dat de koning Salomo de zoon van David gebouwd had; 4 En zei: U mag deze niet meer op de schouders dragen. En nu: dient de Heere uw God, en hebt acht op Israël zijn volk, en bereidt alles naar uw geslachten en stammen. 5 Naar het voorschrift van David; de koning van Israël, en naar de heerlijke instelling van Salomo, zijn zoon; en staat in het heiligdom naar de verdeling van de oversten van uw vaders, de Levieten, die voor uw broers de Israëlieten dienen. 6 En slacht ordelijk het Pascha, en bereidt de offergaven voor uw broers; en houdt het Pascha naar het bevel van de Heere, dat hij Mozes heeft gegeven. 7 En Josia schonk het volk, dat daar bevonden werd, dertigduizend lammeren en bokken, en drieduizend kalveren. 8 Dit werd uit de goederen van de koning, volgens zijn belofte, aan het volk en aan de priesters en de Levieten gegeven. 9 Maar Chelkia, en Zacharia, en Suëlus, die Oversten van de tempel waren, schonken aan de priesters voor het Pascha, tweeduizendzeshonderd schapen, en driehonderd kalveren. Maar Jechonia, en Semea, en Nathanaël zijn broer, en Hasabia en Ochiël en Joram, overste over duizend, gaven de Levieten, voor het Pascha vijfduizend schapen, en zevenhonderd kalveren. 10 En als deze dingen naar behoren gebeurden, zo stonden de priesters en Levieten, hebbende de ongezuurde broden naar hun stammen, en naar de verdeling van de oversten van de vaders, voor het volk, 11 Om de Heere te offeren, volgens wat in het boek van Mozes geschreven was, en zo gebeurde het vroegoffer. 12 En zij braadden het Pascha aan het vuur, zoals het behoorde, en offergaven kookten zij in koperen ketels en potten, met goede reuk; 13 En brachten het voor al het volk. Daarna bereidden zij dat voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron. 14 Want de priesters offerden het vette, totdat de tijd verliep; en de Levieten bereidden het voor zichzelf, en voor de priesters, hun broers, de zonen van Aäron. 15 En de heilige Zangers, de kinderen Asafs, waren in hun ordening, volgens wat David bestemd had, daartoe Asaf, en Zacharia, en Jeduthun, die door de koning gesteld was. 16 En de deurwachters stonden aan elke deur; en niemand mocht van zijn dagorde aftreden. Want hun broers, de Levieten, bereidden het voor hen. 17 Zo werd voltooid alles wat tot de offergave van de Heere op die dag behoorde. 18 Om het Pascha te houden, en offergaven te brengen op het altaar van de Heere, naar het bevel van de koning Josia. 19 En de Israëlieten, die daar op die tijd gevonden werden, hielden het Pascha, en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang. 20 En daar is zulk een Pascha niet gehouden in Israël, van de tijden van de profeet Samuël af. 21 En geen koning van Israël heeft zulk een Pascha gehouden, als Josia gehouden heeft, en de priesters en de Levieten, en de Joden en geheel Israël, dat bevonden was in zijn woning te Jeruzalem. 22 In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia is dit Pascha gehouden. 23 En de werken van Josia zijn gericht geworden voor de Heere, met een hart vol van godvruchtigheid. 24 En wat zijn zaken aanbelangt, die zijn beschreven in de vorige tijden, vanwege hen, die gezondigd hebben, en goddeloosheid bedreven hebben tegen de Heere, meer dan enig volk en koninkrijk, en die Hem bedroefd hebben; en de woorden van de Heere zijn opgestaan tegen Israël. 25 En na al deze daden van Josia, is het gebeurd, dat Farao de koning van Egypte kwam, en oorlog verwekte te Karchamis bij de Eufraat gelegen; en Josia trok uit hem tegemoet. 26 En de koning van Egypte zond tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, u, koning van Juda? 27 Ik ben tegen u door God de Heere niet uitgezonden, want mijn strijd is op de Eufraat; en nu, de Heere is bij mij, en de Heere is haastig bij mij; wend u af van mij, en stel u niet tegen de Heere. 28 En Josia keerde zijn wagen van hem niet af; maar bestond hem te bestrijden, niet lettende op de woorden van de profeet Jeremia, die hij hem zei uit de mond van de Heere. 29 Maar hij stelde zich om te strijden tegen hem in het veld Megiddo, en de oversten kwamen af tegen de koning Josia. 30 En de koning zei tot zijn knechten: Voer mij af uit de strijd, want ik ben zeer zwak. En zijn knechten voerden hem meteen af uit de slagorden. 31 En hij klom op zijn tweede wagen, en als hij te Jeruzalem teruggebracht was, legde hij het leven af, en werd begraven in zijn vaderlijk graf. 32 En in geheel Juda treurden zij over Josia, en Jeremia, de profeet beklaagde Josia, en de voornaamsten met hun vrouwen beklaagden hem tot op deze dag; en daar is een bevel uitgegeven, dat dat altijd gebeuren zou door geheel het geslacht van Israël. 33 Deze dingen nu zijn beschreven in het boek van de geschiedenissen van de koningen van Juda; en van elk van de daden van Josia in het bijzonder, die door hem zijn gedaan, en van zijn heerlijkheid, en van zijn wetenschap in de wet van de Heere. En wat tevoren door hem gedaan was, en wat nu gebeurd is, wordt verhaald in het boek van de koningen van Israël en Juda. 34 En het volk nam Joachas, de zoon van Josia, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader, toen hij drieëntwintig jaar oud was. 35 En hij was koning in Israël en Jeruzalem drie maanden. En de koning van Egypte zette hem af, dat hij te Jeruzalem geen koning zou zijn. 36 En legde het volk een geldstraf op van honderd talenten zilver, en een talent goud. 37 En de koning van Egypte stelde zijn broer Jojakim tot koning over Juda en Jeruzalem; 38 En verplichte Jojakim en de groten aan zich; maar zijn broer Saracus nam hij, en bracht hem weer in Egypte. 39 Jojakim nu was vijfentwintig jaar oud, toen hij koning werd over Judea en Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere. 40 Tegen hem nu trok op Nabuchodonosor, de koning van Babylon, en bond hem met een metalen band, en voerde hem weg naar Babylonië. 41 En Nabuchodonosor nam van de heilige voorwerpen van de Heere, en bracht ze weg, en zette die in zijn tempel te Babylon. 42 Het verhaal nu van hem, en van zijn onreinheid en goddeloosheid staat beschreven in het boek van de tijden van de koningen. 43 En Joakim zijn zoon, werd koning in zijn plaats, en hij was achttien jaar oud toen hij koning gemaakt werd; 44 En regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed wat kwaad was voor de Heere. 45 En na een jaar schikte Nabuchodonosor, en liet hem brengen naar Babylon, samen met de heilige voorwerpen van de Heere; 46 En maakte Zedekia koning over Judea en Jeruzalem; die was eenentwintig jaar oud, en regeerde elf jaren; 47 En deed dat kwaad was voor de Heere; en vreesde niet voor de woorden, die door Jeremia de profeet gesproken waren uit de mond van de Heere. 48 En hoewel hij een eed gedaan had aan de koning Nabuchodonosor, bij de naam van de Heere, zo werd hij meinedig, en viel van hem af, en hij verhardde zijn nek, en zijn hart, en overtrad de voorschriften van de Heere, van de God van Israël. 49 En ook de oversten van het volk en van de priesters bedreven vele goddeloosheden, ook bovenal de onreinheden van al de heidenen, en bevlekten de tempel van de Heere, die te Jeruzalem geheiligd was. 50 En de God van hun vaders zond tot hen, door zijn boden om hen tot bekering te roepen, opdat Hij hen zou sparen, en zijn woning. 51 Maar zij bespotten zijn boden, en op de dag dat de Heere tot hen sprak, belachten zij zijn profeten. 52 Totdat hij vertoornd zijnde over zijn volk vanwege hun goddeloosheid, de koningen van de Chaldeeën tegen hen deed optrekken. 53 Die doodden hun jongemannen met het zwaard zelfs in de omgang van hun heilige tempel, en spaarden noch jongeling, noch maagd, noch oude, noch jongen. 54 Maar hij gaf hen allen in hun handen, en al de heilige voorwerpen van de Heere groot en klein, en de ark van de Heere, en de koninklijke schatkisten namen zij en voerden die naar Babylon. 55 En verbrandden het huis van de Heere, en braken de muren van Jeruzalem, en haar torens verbrandden zij met vuur, en alles wat in haar heerlijk was, maakten zij te schande. 56 En degenen, die overig waren van het zwaard, voerden zij naar Babylonië. 57 En zij waren zijn en van zijn kinderen dienaren, totdat de Perzen regeerden, opdat vervuld zou worden het woord van de Heere, gesproken door de mond van Jeremia; 58 Totdat het land aan zijn Sabbatten een welbehagen had, en al de tijd van zijn verwoesting gerust had, totdat zeventig jaren vervuld waren. ### 3 Ezra 2 1 ALS Cyrus over de Perzen regeerde, in het eerste jaar: opdat het woord van de Heere vervuld werd dat hij door de mond van Jeremia gesproken had; 2 Zo verwekte de Heere de geest van Cyrus, de koning van de Perzen, die liet uitroepen in geheel zijn koninkrijk, en mee door schriften, zeggende: 3 Dit zegt Cyrus, de koning van de Perzen: De Heere van Israël, de allerhoogste Heere, heeft mij tot koning gemaakt over de hele aarde; 4 En heeft mij bevolen, dat ik hem een huis zou bouwen te Jeruzalem, dat in Judea is. 5 Als er dan iemand van u is uit zijn volk, de Heere zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Judea, en bouwe het huis van de Heere van Israël; deze is de Heere, die te Jeruzalem woont. 6 Zovelen dan, als er ongeveer die plaatsen wonen, en in die plaats zijn, 7 Die zullen hem helpen, met goud en met zilver, en gaven; met paarden, en lastdieren, en met andere dingen, die men als geloften toebrengt in de tempel van de Heere, die te Jeruzalem is. 8 Toen stonden op de voornaamsten uit de vaderlijke stammen van Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten, en al degenen, van wie de geest God verwekte om op te trekken, en het huis van de Heere te Jeruzalem te bouwen. 9 En die rondom hen waren, hielpen hen met allerlei dingen, met zilver en met goud, met paarden, en lastdieren, en met zeer vele gewillige gaven van velen, van wie het gemoed daartoe verwekt is. 10 En de koning Cyrus bracht tevoorschijn de heilige voorwerpen van de Heere, die Nabuchodonosor van Jeruzalem weggevoerd, en in zijn afgoden-tempel gezet had. 11 En Cyrus, de koning van de Perzen, die tevoorschijn gebracht hebbende, gaf deze over aan Mithridates, zijn schatmeester; 12 En door deze werden zij overgeleverd aan Schesbatzar, de stadhouder van Judea. 13 Het getal nu van deze was: duizend gouden drankofferschalen, duizend zilveren drankoffer-schalen, negenentwintig zilveren rookpannen, dertig gouden bekers, tweeduizendvierhonderdendertig zilveren bekers, en andere voorwerpen tot duizend. 14 Al de voorwerpen dan, die overgebracht werden, zo gouden als zilveren, zijn vijfduizend, vierhonderdennegenenzestig. 15 En deze zijn teruggebracht door Schesbatzar, met degenen, die uit de gevangenis van Babylonië te Jeruzalem kwamen. 16 Maar ten tijde van Artaxerxes, de koning van Perzië, schreven aan hem, tegen degenen die in Judea en te Jeruzalem woonden, Belemus en Mithridates, en Tabellius, en Rathymus en Balthemus en Samellius de schrijver, en de overigen die met hen bestemd waren, en te Samarië en in andere plaatsen woonden, deze ondergeschreven brief: 17 De koning Artaxerxes onze Heer; uw dienaren Rathymus, gesteld over de voorvallende zaken, en Samellius de schrijver, en de anderen van hun raad, en rechters, die in Celo-Syrië en Fenicië zijn; 18 Het zij nu de Heer koning bekend gemaakt, dat de Joden, die van u tot ons teruggekeerd, en aangekomen zijn te Jeruzalem, een stad die afvallig en boos is, hun straten bouwen, en hun muren herstellen, en de tempel weer oprichten. 19 Als dan deze stad opgebouwd wordt, en haar muren voltooid worden, zo zullen zij niet alleen geen belasting willen geven, maar zullen ook de koningen weerstaan. 20 Omdat men dan in het werk is met wat de tempel betreft, zo heeft ons goed gedacht, dit niet te laten liggen. 21 Maar de Heer koning dat te laten weten, opdat, zo het u goeddunkt, in de boeken van uw vaders nagelaten, onderzoek gedaan wordt. 22 En u zult in de gedenkboeken, daarover geschreven, vinden, en verstaan, dat die stad afvallig was, en aan koningen en steden moeite veroorzaakt heeft; 23 En dat de Joden daarin zich, van ouds af, altijd afvallig en oproerig hebben aangesteld; om welke oorzaken die stad ook verwoest is. 24 Zo doen wij nu u Heer koning weten, dat als deze stad weer gebouwd wordt, en haar muren weer opgericht, u geen toegang meer zult hebben in Celo-Syrië en Fenicië. 25 Toen schreef de koning terug aan Rathymus, de schrijver, die over de voorvallende zaken gesteld was, en aan Balthemus, en aan Samellius, de schrijver, en aan de anderen, die met hen bestemd waren, en in Samarië en Syrië en Fenicië woonden, wat volgt: 26 Ik heb de brief, die u aan mij gezonden hebt, gelezen, en heb daarop bevolen onderzoek te doen, en daar is bevonden, dat deze stad van ouds af zich tegen de koningen heeft gesteld; 27 En dat de mensen afvallig geweest zijn, en oorlogen daarin gevoerd hebben, en dat te Jeruzalem machtige en strenge koningen hebben geregeerd, die ook belastingen aan die van Celo-Syrië en Fenicië opgelegd hebben. 28 Nu dan, zo heb ik bevolen, dat men deze mensen zal verhinderen hun stad te bouwen; en dat men daarop acht hebbe, dat niets verder daarin worde gedaan. 29 En dat de boosheid niet verder ga, om de koningen moeite aan te doen. 30 Toen nu wat van de koning Artaxerxes geschreven werd, was gelezen, zo spanden Rathymus, en Samellius de schrijver en die met hen bestemd waren samen, en trokken met haast naar Jeruzalem, met een leger van ruiters en voet volk. 31 En begonnen degenen, die daar bouwden, te verhinderen. Zo stond de bouw van de tempel te Jeruzalem stil, tot het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, de koning van Perzië. ### 3 Ezra 3 1 EN Darius, koning zijnde, maakte een grote maaltijd voor al degenen die onder hem stonden, en voor al zijn huisgenoten, en voor al de grote van Medië en Perzië; 2 En voor al zijn vorsten, en krijgsoversten, en oversten van de landen, die onder hem waren van Indië aan tot Ethiopië toe, in de honderdenzeventien provinciën. 3 En als zij gegeten en gedronken hadden, en wel verzadigd waren, keerden zij weer naar huis. Maar Darius, de koning, keerde weer in zijn slaapkamer, en viel in slaap, en ontwaakte weer. 4 Toen zeiden de drie jongemannen, die de lijfwacht van de koning waren, en hem bewaarden, de één tot de ander: 5 Laat ons ieder een spreuk zeggen, WIE DE STERKSTE IS; en van wie het woord wijzer zal schijnen dan dat van de anderen, hem zal de koning Darius grote giften en grote overwinningstekenen geven. 6 Hij zal hem met purper doen kleden, en uit gouden bekers doen drinken, en op gouden koetsen doen slapen, en zal hem een wagen geven, die door paarden met gouden tomen wordt getrokken, en een hoed van fijne zijde, en een keten om zijn hals; 7 En hij zal de tweede naast Darius zitten vanwege zijn wijsheid, en zal een bloedvriend van Darius genoemd worden. 8 Toen schreef een ieder zijn eigen spreuk, en verzegelde die, en legde ze onder het oorkussen van de koning Darius, 9 En zei, wanneer de koning zal opgestaan zijn, zo zullen zij hem het geschrift geven; en van wie de koning en de drie oversten van Perzië zullen oordelen, dat zijn rede de wijste is, die zal de overwinning gegeven worden, zoals geschreven is. 10 De eerste schreef: De wijn is de sterkste. 11 De andere: De koning is de sterkste. 12 De derde schreef: De vrouwen zijn de sterkste, maar boven alle overwint de waarheid. 13 En als de koning opgestaan was, namen zij het geschrift, en gaven het hem, en hij las het. 14 En uitgezonden hebbende liet hij roepen al de grote van Perzië en Medië, en de vorsten, en de oorlogsoversten, en oversten van de landen, en de burgemeesters. 15 En hij zette zich neer in zijn Raad, en het geschrift werd voor hen gelezen en hij zei: 16 Roep de jongemannen, en laat henzelf hun redenen verklaren; en zij werden geroepen, en kwamen binnen, en zij zeiden tot hen: 17 Doe ons verklaring van wat bij u is geschreven. 18 En de eerste begon, die van de sterkte van de wijn gesproken had, en zei zo: 19 O mannen, hoe buitengewoon sterk is de wijn; hij verleidt al de mensen die hem drinken; 20 Hij maakt het verstand van de koning en van de wees dezelfde verstand, zoals ook het verstand van de dienaars en van de vrijen, het verstand van de armen en van de rijken; 21 En hij verandert alle verstand in vreugde en vrolijkheid, en hij gedenkt aan geen verdriet, en aan geen schuld; 22 Hij maakt alle harten rijk, en gedenkt niet aan de koning of vorst, en hij maakt dat een ieder van talenten spreekt. 23 Als zij wijn gedronken hebben, gedenken zij niet om vriendelijk te zijn de vrienden en broers, en trekken kort daarna de zwaarden uit. 24 En als zij van de wijn opgestaan zijn, zo gedenken zij niet wat zij gedaan hebben. 25 O mannen, is de wijn niet de sterkste, omdat hij dit dwingt te doen? En hij zweeg stil, als hij zo gesproken had. ### 3 Ezra 4 1 TOEN begon de tweede te spreken, die gezegd had van de sterkte van de koning, en zei: 2 O mannen, zijn niet de mensen de sterkste, die het land en de zee bemachtigen, en alles wat daarin is? 3 De koning nu overtreft en overheerst die, en regeert die, en alles wat hij hun zegt, dat gehoorzamen zij. 4 Als hij hun zegt dat zij de één de anderen zullen oorlog aandoen, zij doen het; en als hij uitzendt tegen hun vijanden, zij gaan; zij maken de bergen, en de muren, en de torens met de grond gelijk; 5 Zij slaan dood, en worden dood geslagen, en het woord van de koning zullen zij niet overtreden; en als zij overwinnen zo brengen zij alles tot de koning: wat zij geroofd hebben en alle andere dingen. 6 En allen die in de oorlog niet gaan noch oorlog voeren, maar het land bouwen, wanneer ze gezaaid hebben, en nu maaien, zo brengen zij de koning belasting; en de één dwingt de ander om de koning belasting toe te brengen, daar die maar één alleen is. 7 Als hij zegt dat men dode, zo doden zij; als hij zegt dat men aflate, zo laten zij af. 8 Zegt hij dat men sla, zo slaan zij; zegt hij dat men verwoeste, zo verwoesten zij; zegt hij dat men bouwe, zo bouwen zij. 9 Zegt hij dat men afbreke, zo breken zij af; zegt hij dat men plante, zo planten zij; 10 En al zijn volk, en zijn heerlegers zijn hem gehoorzaam. 11 Daarenboven zit hij neer, eet hij, drinkt hij, slaapt hij, zo hebben zij de wacht ringswijze rondom hem, en niemand durft weggaan, noch zijn eigen werken doen, en zijn hem niet ongehoorzaam. 12 O mannen, hoe is dan de koning niet de sterkste, die men zo gehoorzaamt? en hij zweeg stil. 13 De derde, die van de vrouwen en van de waarheid had gezegd, namelijk Zerubabel, begon ook te spreken: 14 O mannen, niet de grote koning, noch de veelheid van de mensen, noch de wijn is de sterkste. 15 Wie is dan degene die over hen heerst, of die hen regeert? zijn het niet de vrouwen? De vrouwen hebben de koning ter wereld gebracht, en al het volk, dat de zee en de aarde regeert is uit haar geboren. 16 En zij hebben zelfs degenen opgevoed, die de wijngaarden planten, uit welke de wijn voortkomt. 17 En zij zelf maken de kleding van de mensen, en zij maken wat heerlijk is voor de mensen, en de mensen kunnen zonder de vrouwen niet zijn. 18 En als zij goud en zilver en allerlei fraaie zaken verzameld hebben, en een vrouw zien die schoon is van gedaante en van gestalte, 19 Zo verlaten zij dat alles, en wenden de ogen op haar, en met open mond aanschouwen zij haar; en hebben meer begeerte tot haar, dan tot het goud en het zilver en allerlei fraaiigheid. 20 Een mens verlaat zijn eigen vader, die hem opgevoed heeft, en zijn eigen land, en hangt zijn eigen vrouw aan. 21 En bij de vrouw laat hij zijn leven; en gedenkt noch zijn vader, noch zijn moeder, noch zijn land. 22 Ook hieruit moet u weten, dat de vrouwen u regeren. 23 En werkt u niet, en arbeidt u niet? en geeft u niet alles, en brengt het aan de vrouw? Ja een man neemt zijn zwaard, en gaat heen op de wegen te liggen, en te roven en te stelen, en op de zee en rivieren te varen; 24 En ziet een leeuw, en gaat in duisternis; en wanneer hij gestolen, en geroofd, en gestroopt heeft, zo brengt hij dat tot zijn geliefde. 25 En een man heeft zijn eigen vrouw liever dan zijn vader en zijn moeder. 26 En velen zijn van hun zinnen beroofd vanwege de vrouwen, en zijn om harentwil tot slaven geworden. 27 En velen zijn omgekomen, en zijn gewurgd, en hebben gezondigd vanwege de vrouwen. 28 En nu, gelooft u mij niet? Is de koning niet groot in zijn macht? en vrezen niet alle landen hem aan te raken? 29 Toch heb ik hem gezien en Apame, de dochter van de wondergroten Bartacus, de bijvrouw van de koning, die aan de rechterhand van de koning zat, 30 En zij nam de kroon van het hoofd van de koning, zette die zichzelf op, en sloeg de koning met haar linkerhand. 31 En bovendien zag haar de koning met open mond aan, en als zij hem aanlachte, zo lachte hij ook; en als zij op hem gram werd, zo liefkoosde hij haar, opdat zij met hem verzoend zou worden. 32 O mannen, hoe zijn dan de vrouwen niet sterk, omdat zij, zo doen? 33 Toen zagen de koning en de groten op elkaar. En hij begon te spreken van de waarheid. 34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde, en hoog is de hemel, en snel in haar loop is de zon, want zij draait in de cirkel van de hemel, en zij keert weer in haar plaats op één dag. 35 Is die niet groot die zulke dingen doet? Maar de waarheid is groot en sterker dan allen. 36 De hele aarde roept de waarheid aan, en de hemel looft dezelfde, en al de werken worden bewogen en beven, en bij haar is geen onrecht. 37 De wijn is onrecht, in de koning is onrecht, in de vrouwen is onrecht, in alle kinderen van de mensen is onrecht, en al zulk soort hun werken zijn onrecht; en daar is in hen geen waarheid, en in hun ongerechtigheid zullen zij vergaan. 38 Maar de waarheid blijft en is sterk in de eeuwigheid; en zij leeft en heerst in alle eeuwigheid. 39 En bij haar is geen aanneming van de persoon; zij maakt geen onderscheid, maar zij doet wat recht is, en onthoudt zich van al wat onrecht en boos is, en allen hebben zij een welbehagen in haar werken. 40 En in haar oordeel is geen onrecht, en zij is de kracht, en het koninkrijk, en de macht, en de heerlijkheid, van alle eeuwen. Geprezen zij de God van de waarheid! 41 En hij zweeg stil. En al het volk riep toen, en sprak toen: Groot is de waarheid, en zij is sterk bovenal. 42 Toen zei de koning tot hem, eis wat u wilt ja meer dan er geschreven is, en wij zullen het u geven, daar u wijzer bevonden bent dan de anderen, en u zult naast mij zitten, en mijn bloedvriend genoemd worden. 43 Toen zei hij tot de koning: Gedenk aan uw belofte, die u beloofd hebt, van Jeruzalem te zullen bouwen, op de dag waarop u uw koninkrijk ontvangen hebt. 44 En dat u al de voorwerpen, die uit Jeruzalem genomen zijn, terug zou zenden, die Cyrus afgezonderd heeft, toen hij beloofde Babylon te verstoren, en hij beloofde die weer daarheen te zenden. 45 En u hebt beloofd de tempel te bouwen, die de Idumeeërs verbrand hebben, toen Judea door de Chaldeeën is verwoest. 46 En nu dit is wat ik van u verzoek, heer koning, en dat ik van u begeer: en deze is de heerlijkheid, die door mij van u geëist wordt. Ik bid dan dat u de belofte volbrengt, die u de Koning van de hemel met uw mond hebt beloofd te volbrengen. 47 Toen stond de koning Darius op, en kuste hem; en schreef hem de brieven aan al de rentmeesters, en landvoogden en krijgsoversten, en vorsten, dat zij hem zouden geleide doen, en allen die met hem opgingen om Jeruzalem te bouwen. 48 En aan al de landvoogden in Celo-Syrië, Fenicië, en van de berg Libanon, schreef hij brieven, dat zij cederhout zouden overbrengen van de berg Libanon naar Jeruzalem, en dat zij de stad met hem zouden bouwen. 49 En hij schreef aan al de Joden, die uit zijn koninkrijk in Judea opgingen vanwege de vrijheid, dat geen machtige, noch landvoogd, noch vorst, noch rentmeester in hun deuren zou ingaan. 50 En dat het hele land, dat zij bewoonden, voor hen zonder belasting zou zijn: en dat de Idumeeërs de plaatsen van de Joden zouden verlaten, die zij ingenomen hadden; 51 En tot de bouw van de tempel jaarlijks twintig talenten zouden geven, totdat die zou voltooid zijn. 52 En dat zij, om op het altaar, naar het gebod dat zij hadden, dagelijks brandoffers te offeren, nog tien andere talenten jaarlijks zouden opbrengen. 53 En dat al degenen, die van Babylonië zouden opgaan om de stad te bouwen, vrijheid zouden hebben, zowel zij als hun nakomelingen, met al de priesters die mee zouden opgaan. 54 En hij schreef ook van het onderhoud van de priester, en van de priesterlijke kleding waarin zij dienst doen. 55 En hij schreef, dat men de Levieten onderhoud zou geven, tot de dag toe dat het huis van God zou voltooid, en Jeruzalem zou herbouwd zijn. 56 En schreef, dat men allen, die de stad bewaarden, hun deel en soldij zou geven. 57 En hij zond weer al de voorwerpen, die Cyrus uit Babylonië afgezonderd had, en al wat Cyrus bevolen had te doen, dat beval hij ook te doen, en naar Jeruzalem te zenden. 58 En toen de jongeling uitging, verhief hij zijn aangezicht naar de hemel tegenover Jeruzalem, en dankte de Koning van de hemel, zeggende: 59 Van U is de overwinning, en van U is de wijsheid, en Uw is de heerlijkheid, en ik ben Uw dienaar. 60 Geloofd bent U, die mij wijsheid gegeven hebt, en ik dank U, o Heere van onze vaders. 61 En hij nam de brieven, en ging heen en trok naar Babylonië, en hij verkondigde dit al zijn broers. 62 En zij loofden de God van hun vaders, dat Hij hun verkwikking en verlossing gegeven had. 63 Om op te trekken en Jeruzalem te bouwen en de tempel waarover zijn naam aangeroepen werd. En zij bedreven vreugde met snarenspel en vrolijkheid, zeven dagen lang. ### 3 Ezra 5 1 DAARNA werden gekozen om op te trekken de oversten van de huizen van de vaders naar hun stammen, met hun vrouwen en hun zonen en dochters, en hun dienaren en dienaressen, en hun beesten. 2 En Darius zond met hen duizend ruiters, om hen in vrede te geleiden naar Jeruzalem, met muziek, trommelen en fluiten, 3 (En al hun broers speelden) en deden hen zo gezamenlijk met die optrekken. 4 Dit nu zijn de namen van de mannen die optrokken, naar de huizen van hun vaders in de stammen, naar de verdeling van hun heerschappijen. 5 De priesters: de zonen van Pinehas, de zoon van Aäron, waren Jozua, de zoon van Josedek, de zoon van Seraja, en Jojakim; daarna Zerubabel, de zoon van Salathiël, uit het huis van David, van het geslacht van Fares, en van de stam Juda. 6 Die onder Darius, de koning van de Perzen, de wijze redenen gesproken had, in het tweede jaar van zijn koninkrijk in de maand Nisan, welke is de eerste maand. 7 Deze nu zijn het die uit Judea zijn opgetrokken uit de gevangenis van hun vreemdelingschap, die Nabuchodonosor, de koning van Babel, in Babylonië weggevoerd had. 8 En zij zijn teruggekeerd naar Jeruzalem, en naar de andere delen van Judea, elk in zijn eigen stad: die met Zerubabel en Jozua kwamen en met Nehemia, Saraja, Resaja, Enenius, Mardocheüs, Belsarus, Asfarasus, Rheëlius, Rorinus, Baänas, hun oversten. 9 Het getal nu van degenen, die van het volk waren, met hun oversten, was: de kinderen Parosch tweeduizendeenhonderd en tweeënzeventig. 10 De kinderen Sarat vierhonderdtweeënzeventig. De kinderen van Ares zevenhonderd zesenvijftig. 11 De kinderen van Faät Moab, onder de kinderen van Jozua en Joab tweeduizend achthonderd en twaalf. 12 De kinderen van Elam duizendtweehonderdvierenvijftig. De kinderen van Zathaï negenhonderdvijfenzeventig. De kinderen van Chorvas zevenhonderd en vijf. De kinderen van Bani zeshonderdachtenveertig. 13 De kinderen van Babaï zeshonderddrieëndertig. De kinderen van Argas duizend driehonderd tweeëntwintig. 14 De kinderen van Adonikam zeshonderdzevenendertig. De kinderen van Bagoë tweeduizendzesenzestig. De kinderen van Adin vierhonderdvierenvijftig. 15 De kinderen van Ater uit Esekia tweeënnegentig. De kinderen van Cilas en Azenas zevenenzestig. De kinderen van Azar vierhonderdtweeëndertig. 16 De kinderen van Amri honderdeneen. De kinderen van Arom tweeëndertig. De kinderen van Base driehonderd drieëntwintig. De kinderen van Arisfurith honderdentwee. 17 De kinderen van Beter drieduizendenvijf. 18 De kinderen uit Bethlomon honderddrieëntwintig; die van Nethofas vijfenvijftig; die van Anatoth honderdachtenvijftig; die van Bethasmon tweeënveertig. 19 Die van Cariathiri vijfentwintig; die van Cathiras en Berogh zevenhonderddrieënveertig; de Gadiastieten en Ammidiën vierhonderdtweeëntwintig. 20 Die van Kiramas en Gabbes zeshonderdeenentwintig; die van Makalon honderdtweeëntwintig; die van Betolië vijfenvijftig. 21 De kinderen van Nifis honderdzesenvijftig; de kinderen Kalamelali en Onus zevenhonderdvijfentwintig. 22 De kinderen van Jerechu tweehonderdvijfenveertig. 23 De kinderen van Sanaäs drieduizend driehonderd en een. 24 De priesters: de kinderen van Jeddu, de zoon Jozua, met de kinderen van Lanasib achthonderdzevenenzeventig. De kinderen Emeruth tweehonderdtweeënvijftig. 25 De kinderen van Fassur duizendvierhonderdenzeven. De kinderen van Charmi tweehonderdenzeventien. 26 De Levieten: de kinderen Jozut en Kadoëli en Banni en Sudi vierenzeventig. 27 De heilige zangers: de kinderen van Asaf honderdenachtentwintig. 28 De deurwachters: de kinderen van Salum, de kinderen van Atar, de kinderen van Tolman, de kinderen van Dahub, de kinderen van Ateta, de kinderen van Tobi, allen samen honderdnegenendertig. 29 Die het heiligdom dienden: de kinderen van Hesai, de kinderen van Asifa, de kinderen van Tabaoth, de kinderen van Seras, de kinderen van Suda, de kinderen van Faleas. 30 De kinderen van Labana, de kinderen van Agraba, de kinderen van Akud, de kinderen van Uta, de kinderen van Cetab, de kinderen van Akaba, de kinderen van Sijba, de kinderen van Anan, de kinderen van Cathua. 31 De kinderen van Geddur, de kinderen van Laïr, de kinderen van Desan, de kinderen van Noëba, de kinderen van Chaseba, de kinderen van Cazera, de kinderen van Ozia, de kinderen van Finoë, de kinderen van Asara. 32 De kinderen van Basthaï, de kinderen van Assana, de kinderen van Mavi, de kinderen van Nafis, de kinderen van Akuf, de kinderen van Achiba, de kinderen van Asub, de kinderen van Farenaces. 33 De kinderen van de dienaren van Salomo, de kinderen van Asapfioth, de kinderen van Farera, de kinderen van Jejeli, de kinderen van Lozon, de kinderen van Isdaël, de kinderen van Safni. 34 De kinderen van Hagia, de zonen van Sachareth, de kinderen van Sabia, de kinderen van Saroth, de kinderen van Misaje, de kinderen van Gas, de kinderen van Addus, de kinderen van Suba, de kinderen van Aferra, de kinderen van Barod, de kinderen van Safag, de kinderen van Allom. 35 Deze allen dienden het heiligdom, en waren kinderen van de dienaren van Salomo, driehonderd tweeënzeventig in getal. 36 Deze waren opgetrokken van Thermeleth, en Thelersa; en hun overste was Charnathalan en Aälar. 37 Maar zij konden hun steden en geslachten niet verhalen, hoe zij uit Israël waren. De kinderen van Dalan, de zoon van Baëma, de kinderen van Nehoda zeshonderdtweeënvijftig; 38 En uit de priesters, die het priesterschap bedienden, en van wie het geslacht niet werd gevonden, de kinderen van Obdie, de kinderen van Akbos, de kinderen van Jaddu, die Augia tot een huisvrouw nam, uit de dochters Faëzeldeüs, en naar zijn naam is genoemd. 39 En als dit geslachtschrift werd gezocht in het register, en niet gevonden werd, zo zijn zij van het bedienen van het priesterambt geweerd. 40 En Nehemia en Attaria zeiden tot hen, dat zij geen deel zouden hebben aan de geheiligde dingen, voordat er een overpriester zou opstaan, die aangedaan was met openbaring en waarheid. 41 Al de Israëlieten nu waren van twaalf jaren en daarboven, zonder de dienaren en dienaressen, tweeënveertigduizend, driehonderd en zestig. 42 En hun knechten en dienaressen waren zevenduizend driehonderd en zevenendertig. De zangers en de zangeressen, tweehonderdenvijfenveertig. 43 Kamelen waren vierhonderd vijfendertig, en paarden zevenduizend zesendertig, muilezels tweehonderd vijfenveertig, en ezels vijfduizend vijfhonderd vijfentwintig. 44 En enige uit de oversten van hun familiën, als zij nu in de tempel van God te Jeruzalem kwamen, beloofden het huis van God op te richten in zijn plaats, naar hun vermogen. 45 En te geven tot de heilige schatkist van de werken, duizend talenten goud, en vijfduizend talenten zilver, en honderd priesterlijke kledingen. 46 En de priesters en Levieten, en die van dit volk waren, zetten zich neer te Jeruzalem, en in het land, en de heilige zangers, en deurwachters, en geheel Israël, in hun plaatsen. 47 En toen nu de zevende maand kwam, en de Israëlieten elk in hun woning waren, zo zijn zij eendrachtig verzameld in de voorhof van de eerste poort, die tegen het oosten was. 48 En Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broers de priesters, met Zerubabel, de zoon van Sealthiël en zijn broers stonden op. 49 En bereidden het altaar van de God van Israël, om daarop brandoffers te offeren, volgens wat in het boek van Mozes de man van God verhaald staat. 50 En zij richtten het altaar op, in zijn plaats, hoewel enige uit de andere volken van het land zich tegen hen verzamelden, omdat zij in vijandschap met hen waren. 51 Want al de volken, die op de aarde waren, versterkten zich. En zij offerden offergaven naar de tijd, en brandoffers voor de Heere, namelijk het vroeg-offer en het spade-offer. 52 En zij hielden het feest van de loofhutten, zoals in de wet bevolen was, en offerden dagelijks offergaven zoals het betaamde en daarna voortdurende offergaven, en offergaven van de Sabbatten, en van de nieuwe maanden, en van alle andere feestdagen, voor degenen die geheiligd waren. 53 En allen, die God geloften gedaan hadden, van de nieuwe maan van de zevende maand af, begonnen God offergaven te offeren, en de tempel van de Heere was nog niet gebouwd. 54 En zij gaven geld aan de steenhouwers, en timmerlieden, en voedsel en drank, 55 En karren aan de Sidoniërs en Tyriërs, opdat zij hun cederhout van de berg Libanon zouden toebrengen, om vlotten over te voeren naar de haven van Joppe, volgens het bevel, dat van Cyrus, de koning van Perzië, hun was aangeschreven. 56 En in het tweede jaar nadat hij tot de tempel van God te Jeruzalem was gekomen, op de tweede maand, begon Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en hun broers, en de priesters, de Levieten, en allen die uit de gevangenis te Jeruzalem waren gekomen. 57 En legden het fundament van het huis van God in de nieuwe maan van de tweede maand, als zij in Judea en Jeruzalem waren gekomen. 58 En stelden de Levieten, die boven de twintig jaren waren, over de werken van de Heere; en Jozua stond met zijn zonen en broers, en Kadmiël zijn broer, en de zonen van Emadabus, en de zonen van Joda, de zoon van Eliadad, met hun zonen en broers; al deze Levieten zetten het werk eendrachtig voort, bij degenen, die de werken maakten in het huis van de Heere. 59 En de bouwers bouwden de tempel van de Heere, en de priesters stonden in lange kleren met snarenspel en bazuinen; en de Levieten, de kinderen van Asaf, met cymbalen. 60 Zingende en lovende de Heere, naar de instelling van David, de koning van Israël. 61 En zij verhieven hun stemmen met gezangen, lovende de Heere, dat Zijn goedheid en Zijn heerlijkheid is tot in de eeuwigheid, over geheel Israël. 62 En het hele volk blies met bazuinen, en riep met luide stem, zingende de Heere, over de oprichting van het huis van de Heere. 63 Maar enige uit de priesters en Levieten, en oversten naar hun geslachten, die ouder waren, en het huis, dat voor deze was, gezien hadden, 64 Kwamen tot het gebouw van dit huis met huilen en met groot geroep, en velen met bazuinen en vreugde in luide stem. 65 Zodat het volk de bazuinen niet wel hoorde, vanwege het huilen van het volk, want de menigte bazuinde zeer luid, zodat zij van verre gehoord werd. 66 En als de vijanden van de stammen Juda en Benjamin dat hoorden, zo kwamen zij om te verstaan wat deze stem van de bazuinen was. 67 En zij verstonden, dat degenen, die uit de gevangenis waren gekomen, de tempel bouwden voor de Heere de God van Israël. 68 En zij kwamen tot Zerubabel en Jozua, en tot de overste van de geslachten, en zeiden tot hen, laat ons met u bouwen. 69 Want wij behoren aan uw God zoals u, en doen hem offergaven, van de dagen van Asbakaf de koning van Assyrië af, die ons hier heeft overgebracht. 70 Toen zeiden tot hen Zerubabel, en Jozua en de oversten van de vaderlijke geslachten van Israël: 71 Het komt ons en u niet toe samen het huis te bouwen voor de Heere onze God: 72 Maar wij zullen alleen voor de Heere van Israël bouwen, volgens wat Cyrus, de koning van de Perzen ons heeft bevolen. 73 En de volken van dit land drongen op degenen die in Judea woonden, en hen bezettende, verhinderden zij hun te bouwen. 74 En hinderlagen, en oploop, en samenspanningen makende, beletten zij dat de bouw niet werd voltooid, en al de tijd van het leven van de koning Cyrus; en zo werd de bouw verhinderd twee jaren lang tot het koninkrijk van Darius toe. ### 3 Ezra 6 1 IN het tweede jaar nu van het koninkrijk van Darius profeteerde de profeet Haggai en Zacharia de zoon van Addo, over de Joden, die in Judea en Jeruzalem waren, in de naam van de God van Israël. 2 Toen stond op Zerubabel, de zoon van Sealthiël, en Jozua de zoon van Josedek, en begonnen weer te bouwen het huis van de Heere, dat te Jeruzalem is, omdat de profeten van de Heere bij hen waren, en hen hielpen. 3 In deze tijd kwam tot hen Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en zeiden tot hen: 4 Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en dat dak, en al deze andere dingen te voltooien, en wie zijn de bouwers die dit opmaken? 5 En nadat het onderzoek gedaan was over de gevangenissen, zo hadden de oudsten van de Joden genade van de Heere, en werden niet verhinderd in de bouw, voordat men Darius hiervan zou doen weten, en men antwoord zou bekomen. 6 Het afschrift nu van de brief, die hij aan Darius heeft geschreven en gezonden, is dit: 7 Sisinnes, de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan, en hun metgezellen die in Syrië en Fenicië oversten zijn, wensen Darius de koning voorspoed. 8 Het zij alles bekend aan onze heer de koning, dat wij aangekomen zijnde in het land van Judea, en gegaan zijnde in de stad Jeruzalem, bevonden hebben, dat de oudsten van de Joden, die gevangen zijn geweest, 9 In de stad Jeruzalem een nieuw en groot huis bouwden voor de Heere met gehouwen kostelijke stenen, en houtwerk in de muren gelegd; 10 En dat deze werken met vlijt gebeuren, en dat het werk gelukkig voortgaat onder hun handen, en hetzelfde in grote heerlijkheid, en zorgvuldigheid wordt volbracht. 11 Toen vroegen wij deze oudsten, en zeiden: Wie heeft u bevolen dat huis te bouwen, en de grond van deze werken te leggen? 12 En wij hebben hun dit gevraagd, opdat wij het u zouden bekend maken, en u mogen aanschrijven welke de mannen zijn, die hierover gesteld zijn; en wij hebben hun ook schriftelijk afgeëist de namen van degenen die hun oversten zijn. 13 Maar zij hebben ons geantwoord en gezegd: Wij zijn kinderen van de Heere, die de hemel en de aarde heeft geschapen, 14 En dit huis is van over zeer vele jaren gebouwd door een groot en machtig koning van Israël, en is voltooid. 15 En daar onze vaders tegen de Heere van Israël, die in de hemel is, hadden gezondigd, en hem hadden verbitterd, zo gaf Hij hen over in de handen van Nabuchodonosor, de koning te Babylon, de koning van de Chaldeeën, 16 Die dit huis afgebroken en verbrand hebben en hebben het volk als gevangene naar Babylon weggevoerd. 17 Maar in het eerste jaar dat Cyrus over het land van Babylonië regeerde, heeft de koning Cyrus geschreven, dat men dit huis weer zou bouwen. 18 En de heilige gouden en zilveren voorwerpen, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van God dat te Jeruzalem was, en die hij in zijn tempel gezet had, deze nam Cyrus de koning weer uit de tempel die te Babylon is, en werden overgegeven aan Zerubabel, en Sabanasser de ondervoogd. 19 En hem werd bevolen, dat hij al die voorwerpen zou wegnemen, en zetten in de tempel te Jeruzalem, en dat de tempel van de Heere zou gebouwd worden op zijn plaats. 20 Toen nu Sabanasser daar gekomen was, legde hij de fundamenten van het huis van de Heere te Jeruzalem, en van die tijd af tot nu toe werd het gebouwd, en heeft nog zijn voltooiing niet gekregen. 21 Nu dan, als het u goeddunkt heer koning, zo laat onderzocht worden in de koninklijke boekkassen van Cyrus; 22 En als bevonden wordt, dat de opbouw van het huis van de Heere te Jeruzalem met bewilliging van de koning Cyrus is gebeurd, en het de koning onze heer goeddunkt, zo antwoorde hij ons daarvan. 23 Toen heeft de koning Darius bevolen, dat men zou onderzoeken in de boekkassen die te Babylon zijn; en daar is bevonden, te Ekbatana in de stad, die in het land van Medië is, een zekere plaats, waarin deze dingen geschreven waren; 24 In het eerste jaar als Cyrus regeerde, gebood de koning Cyrus, dat men het huis van de Heere te Jeruzalem zou bouwen, waar men offergaven doen zou door steeds vuur. 25 Daarvan zou de hoogte zestig ellen zijn, en de breedte zestig ellen, met drie wanden van gehouwen stenen, en een wand van nieuw hout van dat land, en dat men de onkosten zou geven uit het huis van koning Cyrus. 26 En de heilige voorwerpen van het huis van de Heere, zowel gouden als zilveren, die Nabuchodonosor weggevoerd had uit het huis van de Heere dat te Jeruzalem was, en naar Babylon gebracht had, die zou men weer brengen in het huis van de Heere te Jeruzalem, daar zij gesteld waren geweest, opdat ze daar weer gesteld mochten worden. 27 Hij beval ook Sisinnes de ondervoogd van Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen, en de andere landvoogden, die in Syrië en Fenicië waren bestemd, zorg te dragen, dat zij zich van die plaats zouden onthouden; en dat zij de knecht van de Heere en overste van Judea, Zerubabel, en de oudsten van de Joden, dit huis van de Heere zouden laten bouwen, op zijn plaats. 28 En ik ook, schreef hij, heb daarbij bevolen, dat zij het geheel zullen opbouwen, en dat men wel toezie, dat men de Joden, die uit de gevangenis zijn, hulp bewijze, totdat het huis van de Heere voltooid is. 29 Ook dat uit de inkomsten van Celo-Syrië en Fenicië met vlijt een bijleg gegeven worde aan de landvoogd Zerubabel, voor deze mensen, tot een offergave voor de Heere, namelijk tot stieren, rammen en lammeren; 30 Evenzo ook koren, en zout, en wijn, en olie, steeds alle jaren; zoals dan de priesters, die te Jeruzalem zijn, zullen verklaren dat dagelijks gebezigd wordt en dit zonder vertraging. 31 Opdat drankoffers geofferd worden aan de hoogste God, voor de koning, en zijn kinderen; en dat zij bidden voor hun lang leven. 32 Daartoe zal men bevelen, zo wie overtreden zal, of teniet doen iets van wat aangeschreven is, dat men een balk zal nemen van zijn eigen huis en hem daaraan zal hangen, en dat zijn goederen aan de koning zullen vervallen zijn. 33 Daarom ook, de Heere, van wie de naam daar aangeroepen wordt, doe teniet een ieder koning en volk, dat zijn hand zal uitsteken, om te verhinderen of te beschadigen dit huis van de Heere te Jeruzalem. 34 Ik, koning Darius, heb goedgevonden, dat deze dingen vlijtig zullen nagekomen worden. ### 3 Ezra 7 1 TOEN zijn Sisinnes de ondervoogd in Celo-Syrië en Fenicië, en Sathrabusan en hun metgezellen gehoorzaam geweest aan wat door de koning Darius was bestemd; 2 En hielden vlijtig de hand aan de heilige werken: en waren de oudsten van de Joden en de opzichters van de tempel behulpzaam. 3 En de heilige werken gingen gelukkig voort, als de profeten Haggai en Zacharia profeteerden. 4 En zij volbrachten die, door het bevel van de Heere de God van Israël, en met goedvinden van Cyrus, en Darius, en Artaxerxes, de koningen van Perzië. 5 Zo werd het heilige huis voltooid tot op de drieëntwintigste dag van de maand Adar, in het zesde jaar van de koning Darius. 6 En de Israëlieten, en de priesters en de Levieten, en de anderen die uit de gevangenis daarbij gevoegd waren, deden volgens wat in het Boek van Mozes geschreven staat; 7 En offerden tot de inwijding van de tempel van de Heere honderd stieren, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren; 8 En voor de zonden van het hele volk van Israël twaalf bokken, naar het getal van de oversten van de twaalf geslachten van Israël, 9 En de priesters en de Levieten stonden naar de geslachten, bekleed met lange kleren, over de werken van de Heere, de God van Israël, volgens het boek van Mozes: en de deurwachters stonden aan elke poort. 10 En de Israëlieten, die uit de gevangenis waren, hielden het Pascha, op de veertiende dag van de eerste maand, als de priesters en Levieten geheiligd waren. 11 Maar al de Israëlieten, die uit de gevangenis waren gekomen, waren niet samen geheiligd, maar de Levieten waren samen geheiligd. 12 En zij slachtten het Pascha voor al de kinderen van de gevangenis, en voor hun broers de priesters, en voor zichzelf. 13 En de Israëlieten, die uit de gevangenis waren, aten het Pascha, namelijk al die afgescheiden waren van de gruwelijke dingen van de volken van het land, en die de Heere zochten. 14 En zij hielden het feest van de ongezuurde broden zeven dagen lang, zich verheugende voor de Heere; 15 Omdat hij de raad van de koning van de Assyriërs tot hen had gewend, om hun handen te sterken in de werken van de Heere, de God van Israël. ### 3 Ezra 8 1 EN na deze, als Artaxerxes, de koning van de Perzen, regeerde, trok heen Ezra, de zoon van Azaria, de zoon van Sechrie, de zoon van Helchia, de zoon van Sallem, 2 De zoon van Sadduk, de zoon van Achitob, de zoon van Amaria, de zoon van Orias, de zoon van Bokka, de zoon van Abisai, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, de eerste priester. 3 Deze Ezra trok heen uit Babylonië, als een schriftgeleerde, verstandig zijnde in de wet van Mozes, die door de God van Israël was gegeven. 4 En de koning had hem heerlijkheid gegeven, omdat hij genade bij hem vond, in alles wat hij van hem begeerde. 5 En met hem trokken naar Jeruzalem sommigen op, uit de Israëlieten, en uit de priesters en Levieten, en uit de heilige zangers en deurwachters, en dienaren van het heiligdom. 6 In het zevende jaar als Artaxerxes regeerde in de vijfde maand, (dit is het zevende jaar van de koning) zo gingen zij uit Babylonië, op de nieuwe maan van de eerste maand, 7 En kwamen te Jeruzalem onder hem, volgens de voorspoedige reis, die hun van de Heere was gegeven. 8 Want Ezra had grote wetenschap bekomen, zodat hij niets naliet van de dingen die van de wet van de Heere waren, en van de geboden om geheel Israël al de rechten en gerichten te leren. 9 Hierbij kwam ook het schriftelijk bevel van de koning Artaxerxes tot Ezra de priester en leermeester van de wet van de Heere, waarvan het afschrift is wat volgt: 10 De koning Artaxerxes wenst Ezra, de priester en leermeester van de wet van de Heere, voorspoed. 11 Daar ik voorgenomen heb goedertierenheid te bewijzen zo heb ik bevolen, dat zij die dat vrijwillig begeren uit het Joodse volk, en de priesters, en de Levieten in ons koninkrijk zijnde, met u zullen mogen reizen naar Jeruzalem. 12 Zo velen als er dan begerig zijn, dat zij mee trekken; zoals het mij, en mijn zeven vrienden mijn raadsheren heeft goedgedacht: 13 Opdat zij wat in Judea en Jeruzalem is bezoeken, en doen volgens wat in de wet van de Heere vervat is. 14 En zij aan de Heere van Israël gaven toebrengen, die ik en mijn vrienden voor Jeruzalem beloofd hebben; en al het goud en zilver, dat zou mogen bevonden worden in het land van Babylonië, dat men dat weer brenge aan de Heere te Jeruzalem: 15 Met wat dat van uw volk gegeven is tot de tempel van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is; en dat men vergadere het goud en het zilver tot stieren, en rammen, en lammeren, en wat daartoe behoort. 16 Opdat men aan de Heere offergaven offere op het altaar van de Heere, van hun God, die te Jeruzalem is; 17 En alles wat u en uw broers zult willen doen met het goud en zilver, volbrengt dat naar de wil van uw God. 18 En de heilige voorwerpen van de Heere, die u gegeven zijn tot het gebruik van de tempel van uw God, 19 Die zult u geven uit de schatkamer van de koning. 20 En ik Artaxerxes, koning, heb bevolen aan hen, die over de schatten van Syrië en Fenicië zijn gesteld, 21 Dat zo wat Ezra, de priester en leermeester, van de wet van de hoogste God zal aanschrijven, die zij hem vlijtig zullen geven, 22 Tot honderd talenten zilver toe, evenzo tot honderd mudden koren, en honderd metreten wijn, en andere, dingen met menigte. 23 Alles worde zorgvuldig volbracht naar de wet van God, voor de hoogste God; opdat de toorn van God niet kome over het koninkrijk van de koning, en zijn zonen. 24 En u wordt ook geboden, dat geen priesters, noch Levieten, noch heilige zangers, noch deurwachters, noch dienaren van de tempel, noch schriftgeleerden enige belasting of andere lasten worden opgelegd. 25 Noch dat iemand macht hebbe hun iets op te leggen. 26 En u Ezra, naar de wijsheid van God, stel tot rechters en scheidslieden, opdat zij gericht houden in geheel Syrië en Fenicië, al degenen die de wet van uw God verstaan, leer hun, die haar niet verstaan. 27 En al die de wet van uw God en van de koning overtreden, zullen streng worden gestraft, hetzij met de dood, hetzij met andere lijfstraffen, of met geldboete, of met wegvoering. 28 En Ezra de schriftgeleerde zei: Geloofd zij alleen de Heere de God van mijn vaders, die dit in het hart van de koning heeft gegeven, opdat hij zijn huis, dat te Jeruzalem is, verheerlijken zou. 29 En die mij heeft geëerd gemaakt voor de koning en zijn raadsheren, en al zijn vrienden, en zijn groten. 30 En ik werd welgemoed, naar de hulp van de Heere, van mijn God; en verzamelde mannen uit Israël, opdat zij met mij zouden optrekken. 31 En deze zijn de oversten naar hun vaderlijke geslachten en verdelingen van de heerschappijen, die met mij optogen uit Babylonië, onder het rijk van de koning Artaxerxes. 32 Uit de kinderen Pinehas: Gerson; uit de kinderen van Ithamar: Gamaliël; uit de kinderen van David: Lattus, de zoon van Sechenia. 33 Uit de kinderen van Foros: Zacharia, en met hem zijn aangetekend honderdenvijftig mannen. 34 Uit de kinderen van Faät Moab; Eljaonia de zoon van Zarea, en met hem tweehonderd mannen. 35 Uit de kinderen van Zathoë: Sechenia, de zoon van Jezel, en met hem driehonderd mannen. 36 Uit de kinderen van Adin, Obed, de zoon van Jonathan, en met hem tweehonderdvijftig mannen. 37 Uit de kinderen van Elam, Jesia, de zoon van Gotholia, en met hem zeventig mannen; uit de kinderen van Safatja, Zaraja, de zoon van Michaël, en met hem zeventig mannen. 38 Uit de kinderen van Joab, Abadja, de zoon van Jezel, en met hem tweehonderdentwaalf mannen. 39 Uit de kinderen van Bania, Salimoth, de zoon van Josafir, en met hem honderdenzestig mannen. 40 Uit de kinderen van Babi, Zacharia, de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig mannen. 41 Uit de kinderen van Astath, Joannes Aratan en met hem honderdentien mannen. 42 Uit de kinderen van Adonikam, de laatsten, en deze zijn hun namen: Elifala, de zoon van Gevel, en Jamaja, en met hen zeventig mannen; uit de kinderen van Bagenthi, de zoon van Istaleumi, en met hem zeventig mannen. 43 En ik verzamelde hen aan de rivier genoemd Thera, en wij sloegen daar ons leger drie dagen lang op, en ik overzag ze. 44 En uit de priesters en uit de Levieten niemand daar vindende, 45 Zond ik tot Eleazar, en Iduël, en Maja, en Masma, en Alnatha, en Jamla, en Joribon, Nathan, Ennathan, Zacharia en Mosollamon de oversten, en geleerden. 46 En ik zei hun, dat zij zouden komen tot Loddeus de overste, die daar was in de plaats van de schatkamer, 47 Hun bevelende, dat zij Loddo en zijn broers, en de schatbewaarders in die plaats zouden aanzeggen, dat zij ons enige zouden toezenden, die het priesterschap in het huis van onze God mochten bedienen. 48 En zij brachten tot ons, naar de sterke hand van onze Heere, enige verstandige mannen uit de kinderen van Moöli, de zoon van Levi, de zoon van Israël, namelijk Asebebia en zijn zonen, en zijn broers, zijnde achttien; 49 En Asebia, en Annu, en Hosea zijn broer, uit de kinderen van Chanun, en hun zonen, twintig mannen; 50 En van degenen, die de tempel dienden, die David en de oversten gegeven hadden tot het werk van de Levieten, tweehonderdentwintig dienaren van de tempel, van deze aller namen zijn schriftelijk aangetekend. 51 En ik beval daar een vasten aan de jongemannen voor de Heere: om van hem te verzoeken een goede reis voor ons, en voor degenen die bij ons waren, namelijk onze kinderen en ons vee. 52 Want ik schaamde mij van de koning voetknechten en ruiters te begeren, en ander geleide tot verzekering tegen onze tegenstanders. 53 Want wij hadden tegen de koning gezegd, dat de sterkte van onze Heere was voor degenen, die hem zochten in alle oprechtheid. 54 En wij baden al deze dingen van de Heere, en wij vonden Hem zeer genadig. 55 En ik zonderde van de oversten van de priesters twaalf mannen af, en Eresebia, en Lamia en met hem uit hun broers nog twaalf mannen. 56 En ik woog hun het zilver en het goud, en de heilige voorwerpen van het huis van onze Heere, die de koning, en zijn raadsheren, en de groten, en het hele Israël gegeven hadden. 57 En als ik het gewogen had, heb ik hun overgegeven zeshonderdvijftig talenten zilver, en honderd talenten aan gouden voorwerpen, en honderd talenten aan goud; 58 En twintig gouden schalen, en twaalf koperen voorwerpen van fijn koper, blinkende zoals goud. 59 En ik zei tot hen: U bent ook heilig voor de Heere, en de voorwerpen zijn heilig, en het goud, en het zilver, het zijn geloften van de Heere, namelijk van de Heere van onze vaders. 60 Zo waakt, en bewaart ze, totdat u ze overlevert aan de oversten van de priester en Levieten, en aan de oversten van de vaderlijke huizen van Israël te Jeruzalem, in de cellen van het huis van onze God. 61 En deze priesters en Levieten, die dit zilver, en goud, en de voorwerpen tot zich genomen hadden, om te Jeruzalem te leveren brachten die in de tempel van de Heere. 62 En wij trokken weer op van de rivier Thera, de twaalfde dag van de eerste maand, totdat wij gekomen zijn te Jeruzalem, naar de sterke hand van onze Heere, die over ons was. 63 En hij heeft ons verlost van de ingang aan van alle vijanden; en wij kwamen te Jeruzalem, en als wij daar drie dagen geweest waren, zo werd de vierde dag het gewogen zilver en goud overgeleverd in het huis van de Heere, aan Marmoth, de zoon van Uria de priester. 64 En met hem was Eleazar de zoon van Pinehas, en met hem waren Josabdos de zoon van Jozua, en Moëth de zoon van Laban: en de Levieten leverden het alles over naar het getal en gewicht; 65 En het hele gewicht daarvan werd opgeschreven op dat moment. 66 En die uit de gevangenis aangekomen waren, offerden tot offergaven voor de Heere, de God van Israël, twaalf stieren, voor het hele Israël, 67 Zesennegentig rammen, tweeënzeventig lammeren, twaalf bokken tot dankoffer: alles tot een offergave voor de Heere; 68 En gaven de bevelen van de koning over, aan de rentmeesters van de koning, en aan de landvoogden van Celo-Syrië en Fenicië; en zij verheerlijkten het volk en de tempel van de Heere. 69 En als deze dingen volbracht waren, zo kwamen de oversten tot mij, en zeiden: Het volk van Israël, en de oversten, en de priesters, en de Levieten hebben zich niet afgezonderd van de vreemde volken van dit land, en van hun onreinheden: 70 Van de volken van de Kanaänieten, en Chetteeërs, en Feresieten en Jebusieten, en Moabieten, en Egyptenaars en Idumeeërs. 71 Want zij hebben zich ten huwelijk gevoegd met dochters van deze volken, zij zelf namelijk en hun zonen; en het heilige zaad is vermengd geworden onder de vreemde volken van het land; en aan deze zonde zijn de oversten en de groten van het begin van deze zaak deelachtig geworden. 72 En zodra als ik dit hoorde, verscheurde ik mijn kleren, en mijn heilige rok; en ik plukte mijn haar van mijn hoofd, en van mijn baard, en ik zat vol gedachten en zeer treurig. 73 En tot mij zijn verzameld allen die toen bewogen werden door het woord van de Heere, de God van Israël, daar ik treurig was over deze misdaad, en ik zat droevig tot het avondoffer toe. 74 En ik stond op van het vasten, hebbende de kleren verscheurd, en de heilige rok; en ik knielde neer, mijn handen uitstrekkende tot de Heere, zei ik: 75 Heere, ik ben beschaamd, en bevreesd voor Uw aangezicht: 76 Want onze zonden zijn vermenigvuldigd boven onze hoofden, en onze misdaden zijn verhoogd tot de hemel toe, zelfs van de tijden van onze vaders. 77 En wij zijn in grote zonde tot deze dag toe. 78 En om onze zonde, en om de zonden van onze vaders, zijn wij met onze broers en met onze koningen, en met onze priesters overgegeven met schande, aan de koningen van de aarde, tot zwaard, en gevangenis, en roof, tot op de huidige dag. 79 En nu is ons een weinig genade gebeurd van de Heere, om ons een wortel over te laten, en een naam, in de plaats van Uw heiligdom: 80 En om ons een licht te ontdekken in het huis van de Heere van onze God, en om ons voedsel te geven in de tijd van onze dienstbaarheid. 81 Ja, toen wij knechten waren, zo zijn wij niet verlaten door de Heere onze God, maar Hij heeft ons in genade gesteld voor de koningen van de Perzen, om ons voedsel te geven. 82 En om de tempel van onze Heere te verheerlijken, en het verwoeste Sion op te richten, en om ons een vastheid te geven in Judea en Jeruzalem. 83 En nu, Heere, wat zullen wij zeggen, omdat wij dit hebben? want wij hebben Uw geboden overtreden, die U ons gegeven hebt door de dienst van Uw knechten de profeten, zeggende: 84 Het land waarin u komt om dat tot een erfenis te hebben, is een land, dat door de bezoedeling van de vreemde volken van het land bezoedeld is, want zij hebben dat met hun onreinheid vervuld. 85 En nu zult u uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters zult u niet nemen voor uw zonen. 86 En u zult niet zoeken te eniger tijd vrede te hebben met hen, opdat u machtig wordt en eet het goede van het land, en het uw kinderen doet erven in eeuwigheid. 87 Maar al wat ons overkomt, gebeurt vanwege onze boze werken en onze grote zonden. 88 Want U, Heere, die onze zonden hebt verlicht, hebt ons zulk een wortel in het land gegeven, en wij zijn weer achteruit gekeerd, om Uw wet te overtreden, zodat wij vermengd zijn met de onreinheid van de volken van het land. 89 Zou U dan over ons niet vertoornd zijn voordat U ons uitgeroeid hebt? voordat U noch onze wortel, noch zaad, noch naam hebt overgelaten? 90 Heere van Israël, U bent waarachtig; wij zijn tot een wortel overgelaten op de huidige dag. 91 Zie, wij zijn nu voor U in onze misdaden: want wij kunnen vanwege deze niet langer voor U bestaan. 92 En toen Ezra bad, en de zonden bekende, en huilde, liggende voor de tempel op de aarde, zo is tot hem verzameld een zeer grote menigte uit Jeruzalem, mannen, en vrouwen, en jongemannen, want het huilen was groot onder de menigte. 93 En Jechonia, de zoon van Jeëli, uit de Israëlieten riep en zei: Ezra, wij hebben gezondigd tegen de Heere, wij hebben vreemde vrouwen ten huwelijk genomen, uit de volken van het land. 94 En nu, geheel Israël is in twijfel, maar laat daarover door ons een eed gebeuren voor de Heere, dat wij al onze vrouwen, die van vreemd geslacht zijn, met haar kinderen zullen uitdrijven. 95 Zoals u zal goeddunken, en al degenen die de wet van de Heere gehoorzaam zijn; sta op, en doe zo. 96 Want u komt deze zaak toe, en wij zijn met u om de kracht daarbij te doen. 97 En Ezra stond op, en beëedigde de oversten van de priester en Levieten van geheel Israël, dat zij hiernaar doen zouden, en zij zwoeren. ### 3 Ezra 9 1 EN Ezra opstaande, van de voorhof van de tempel, begaf zich in de kamer van Joannan de zoon van Eliasis. 2 En bleef daar, en at geen brood en dronk geen water, treurig zijnde over de grote overtredingen van de menigte. 3 En daar werd een aankondiging gedaan door geheel Judea en Jeruzalem, aan allen die uit de gevangenis waren, opdat zij binnen Jeruzalem bijeen zouden komen, 4 En dat hun, die binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel van de overste ouderlingen, hun vee zou verbannen worden, en zij zelf zouden afgescheiden worden van de menigte van de gevangenis. 5 En zij verzamelden allen, die uit de stammen van Juda en Benjamin waren, binnen drie dagen te Jeruzalem; dit was de negende maand, en de twintigste dag van de maand. 6 En de hele menigte zat op de grote voorplaats van de tempel, bevende van koude vanwege de aanstaande winter. 7 En Ezra stond op, en zei tot hen: U hebt onrecht gedaan, en hebt buitenlandse vrouwen ten huwelijk genomen, om zonden op Israël te leggen. 8 Maar nu, bekent het, en geeft heerlijkheid aan de Heere, de God van onze vaders. 9 En doet zijn wil, en scheidt u van de volken van dit land, en van de buitenlandse vrouwen. 10 Toen riep de hele menigte, en zei met luide stem: Wij zullen zo doen zoals u gezegd hebt: 11 Maar de menigte is groot, en het is wintertijd, en wij kunnen niet staan onder de blauwe hemel, en dit is geen werk voor ons van één dag of twee; want wij hebben hierin veel gezondigd. 12 Maar dat de voorgangers van de menigte staan, en al degenen onder onze inwoners die buitenlandse vrouwen hebben; 13 Dat zij hier komen, en tijd nemen, en de oudsten en rechters van iedere plaats, totdat de toorn van de Heere van ons geweerd zij, vanwege dit gebod. 14 Toen nam Jonathas, de zoon van Azaël, en Esekia, de zoon van Theoran, dit volgens deze bepaling aan: en Mesullamas, en Levis, en Sabbateüs waren hun mee-rechters. 15 En die uit de gevangenis waren, volgden hen hierin na. 16 En Ezra de priester verkoos tot zich de voornaamste mannen van hun vaderlijke huizen, allen met namen, en op de nieuwe maan van de tiende maand zaten zij om deze zaken te onderzoeken. 17 En het is ten einde gebracht, aangaande de mannen die buitenlandse vrouwen hadden, op de nieuwe maan van de eerste maand. 18 En onder de priesters werden gevonden, die buitenlandse vrouwen hadden genomen. 19 Van de kinderen van Jozua, de zoon van Josedek en zijn broers, Nathelas, en Eleazar, en Joreb en Joadan. 20 En legden de hand daaraan; dat zij hun vrouwen verstieten; en dat zij rammen offerden tot verzoening over hun misdaden. 21 En van de kinderen van Emmer: Ananias, en Zabdeûs, en Manes, en Lameös, en Hereël, en Azarias. 22 En van de kinderen van Fesur: Elionais, Massias, Ismaël, en Nathaneël, en Okodel, en Saloas. 23 En van de Levieten: Josabad, en Semeïs, Kovis (deze is Kalitas) en Patheüs, en Judas, en Jona. 24 Van de heilige zangers: Eliaseb, en Bacchu. 25 Van de deurwachters: Salum en Telbanes. 26 Van de Israëlieten, uit de kinderen van Foros: Hiermas, en Jezias, en Melchias, en Maël, en Eleazar, en Asebias, en Baneas. 27 Van de kinderen van Ela: Mathanias, en Zacharias, en Jezriël, en Joabdi, en Jeromoth, en Aidias. 28 En van de kinderen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, en Labath, en Zeralias. 29 En van de kinderen van Bebai: Joannes, en Ananias, en Josabdus, en Amathias, 30 En van de kinderen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, en Jasaël, en Hieremoth. 31 En van de kinderen van Addi: Naäth, en Moosias, Lacrum en Naïd, Matthanias, en Sesthel, en Balim, en Manassias. 32 En uit de kinderen van Anan: Elionas, en Asajas, en Melchias, en Sabbeüs, en Simon Chosameüs. 33 En van de kinderen van Asom: Altaneüs, en Matthatias, Sabbaneüs, en Elifalat, en Manasses, en Semer. 34 En van de kinderen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, en Pedias, en Anos, Rabasion, en Enasis, en Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameis, Selemias, Nathanius. En van de kinderen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre, Jozef. 35 En van de kinderen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel, Baneas. 36 Deze allen hadden buitenlandse vrouwen ten huwelijk, en verlieten ze met hun kinderen. 37 En de priesters, en de Levieten, en die anderen uit Israël zetten zich neer te Jeruzalem, en in het land op de nieuwe maan van de zevende maand, en de Israëlieten waren in hun woonplaatsen. 38 En de hele menigte kwam eendrachtig samen in de grote plaats, die is voor de heilige poort tegen het oosten. 39 En zij zeiden tot Ezra, de priester en leermeester van de wet, dat hij de wet Mozes zou halen, die door de Heere, de God van Israël was gegeven. 40 En Ezra, de overste priester, bracht de wet voor de hele menigte, zo van de mannen als van de vrouwen, en voor al de priesters om de wet te horen, op de nieuwe maan van de zevende maand. 41 En hij las die in de grote plaats voor de heilige poort, van de morgenstond af tot de middag toe, in de aanwezigheid van mannen en vrouwen; en de hele menigte keerde hun zinnen tot de wet. 42 En Ezra, de priester en leermeester van de wet, stond op een houten verheven stoel, die daartoe bereid was. 43 En bij hem stonden Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias, Baälsamus aan de rechterhand. 44 En aan de linkerhand Chaldeüs, en Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias, Zacharias. 45 En Ezra nam het boek op voor de menigte, en zat heerlijk in de aanwezigheid van allen. 46 En als hij de wet uitlegde, zo stonden zij rechtop. En Ezra loofde de Heere, de hoogste God, de God van de legermachten, de almachtige; 47 En al het volk antwoordde daarop Amen! En hun handen omhoog heffende, en op de aarde vallende, baden zij de Heere aan. 48 Jozua nu, en Anniuth, en Sarabias, en Jadin, en Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, en Kalitas, Azarias en Jozabdus, en Ananias, de Levieten, leerden de wet van de Heere. 49 En zij lazen de wet van de Heere voor de menigte, hun stem in het lezen verheffende. 50 En Attaratas zei tot Ezra de overste priester en leermeester, en tot de Levieten die het volk boven allen leerden: 51 Deze dag is de Heere heilig; en zij huilden allen, als zij de wet hoorden. 52 Ga dan heen, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt geschenken aan hen, die niet hebben. 53 Want deze dag is heilig voor de Heere, en wees niet droevig, want de Heere zal u verheerlijken. 54 En de Levieten bevalen het hele volk, zeggende: Deze dag zelf is heilig, wees niet droevig. 55 En zij gingen allen heen, om te eten, en te drinken, en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan hen die niet hadden, en zich enorm te vervrolijken; 56 Omdat zij waren onderricht in het woord, dat hun geleerd was, en waartoe zij verzameld waren. ## 4 Ezra ### 4 Ezra 1 1 HET tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Barajas, de zoon van Azaria, de zoon van Helkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob, 2 De zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchias, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar; 3 De zoon van Aäron, uit de stam van Levi: die Ezra een gevangene geweest is in het land van de Meden, onder het koninkrijk van Artaxerxes, de koning van de Perzen. 4 En het woord van de Heere kwam tot mij en sprak: 5 Ga heen en verkondig Mijn volk hun boosheden, en hun kinderen hun ongerechtigheden, die zij tegen Mij hebben begaan, dat zij het hun kleinkinderen verkondigen; 6 Omdat de zonden van hun vaders in hen zijn gewassen, want zij hebben Mij vergeten, en hebben andere goden geofferd. 7 Heb Ik hen niet geleid uit het land van Egypte, uit het huis van de dienstbaarheid? Zij daarentegen hebben Mij tot toorn verwekt, en hebben Mijn raad veracht. 8 Maar schud u het haar van uw hoofd af, en werp al het kwaad op hen, omdat zij Mijn wet niet gehoorzaam zijn geweest; want het is een volk, dat zich niet laat tuchtigen. 9 Hoe lang zal Ik hen verdragen, die Ik zo grote weldaden bewezen heb? 10 Ik heb vele koningen om hunnentwil uitgeroeid; Ik heb Farao met zijn knechten, en zijn hele leger geslagen. 11 Ik heb alle heidenen van voor hun aangezicht vernietigd; en in het oosten heb Ik de volken van twee provinciën, van Tyrus namelijk en van Sidon, verstrooid, en al hun vijanden heb Ik omgebracht. 12 Spreek dan tot hen, zeggende: Zo spreekt de Heere; 13 Ik heb u door de zee geleid, en in de beginne heb Ik u vaste straten gemaakt. Mozes heb Ik u tot een leidsman gegeven, en Aäron tot een priester. 14 Ik heb u licht gegeven door een vuurkolom, en heb grote wonderen onder u gedaan; maar u hebt Mij vergeten, spreekt de Heere. 15 Dit zegt de almachtige Heere: De kwakkel is u tot een teken geweest; het leger heb Ik u gegeven tot een bescherming, en daar hebt u gemurmureerd; 16 En hebt niet getriumfeerd in Mijn naam over de vernietiging van uw vijanden, maar nog tot nu toe hebt u gemurmureerd. 17 Waar zijn de weldaden die Ik u bewezen heb? Heb u niet in de woestijn, toen u hongerde, tot Mij geroepen, zeggende: 18 Waarom hebt u ons in deze woestijn gebracht, om ons te doden? het was ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven. 19 Toen had Ik medelijden met uw zuchten, en heb u manna tot voedsel gegeven; u hebt van de engelen brood gegeten. 20 Heb Ik niet, als u dorstte, de rots opengehouwen? en de wateren zijn daaruit gevloten tot verzadiging; voor de hitte heb Ik u met bladeren van de bomen gedekt. 21 Ik heb onder u vette landen uitgedeeld; de Kanaänieten, Feresieten, en Filistijn heb Ik van voor uw aangezicht uitgedreven. Wat zou Ik nog meer doen? spreekt de Heere. 22 Dit zegt de almachtige Heere: Toen u in de woestijn was, aan de rivier van de Amorieën, en dorst had, en u Mijn naam lasterde, 23 Zo heb Ik u geen vuur om uw lastering gegeven, maar Ik legde hout in het water, dat u het water zoet maakte. 24 Wat zal Ik u doen Jakob? U hebt niet willen gehoorzamen, Juda. Ik zal Mij tot andere volken keren, en zal hun Mijn naam geven, opdat zij Mijn voorschriften houden. 25 Omdat u Mij verlaten hebt, zo zal Ik u ook verlaten; als u genade van Mij zult begeren, zo zal Ik u niet genadig zijn. 26 Wanneer u Mij zult aanroepen, zo zal Ik u niet verhoren, want u hebt uw handen met bloed bevlekt, en uw voeten zijn snel om doodslagen te begaan. 27 U hebt Mij niet verlaten, maar u zelf, spreekt de Heere. 28 Dit zegt de almachtige Heere: Heb Ik u niet gebeden als een vader zijn zonen, en als een moeder haar dochters, en als een voedster haar kleine kinderen? 29 Dat u Mij tot een volk zou zijn, en Ik zou u tot een God zijn; en dat u Mij tot kinderen zou zijn, en Ik zou u tot een vader zijn? 30 Ik heb u zo verzameld, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt. Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik zal u van Mijn aangezicht verwerpen. 31 Wanneer u Mij offergaven zult voortbrengen, zo zal Ik Mijn aangezicht van u keren; want uw feestdagen, en nieuwe maanden, en besnijdingen heb Ik verworpen. 32 Ik heb Mijn knechten de profeten tot u gezonden die u genomen en gedood hebt, en hun lichamen hebt u verscheurd; waarvan Ik het bloed van u zal eisen, spreekt de Heere. 33 Dit zegt de almachtige Heere: Uw huis is woest, Ik zal u verwerpen, zoals de wind de stoppelen. 34 Uw kinderen zullen niet vruchtbaar zijn, want zij hebben Mijn gebod niet geacht, en hebben kwaad voor Mij gedaan. 35 Ik zal uw huizen overgeven aan een volk dat nog komen zal. Die Mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie Ik geen tekenen getoond heb, die zullen doen wat Ik bevolen heb. 36 Zij hebben geen profeten gezien, en zullen toch hun zonden bekennen. 37 Ik betuig van de genade van het komende volk, van wie de kleine kinderen zich met blijdschap verheugen, die Mij met de lichamelijke ogen wel niet zien, maar in de geest geloven wat Ik gezegd heb. 38 En nu, broer, aanschouw wat heerlijkheid dit is; en zie het volk dat van de opgang aankomt. 39 Aan dit volk zal Ik tot leidslieden geven Abraham, Izaäk, en Jakob, en Hosea, en Amos, en Micha, en Joël, en Obadja, en Jona, 40 En Nahum, en Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia, en Maleachi, die ook de engel van de Heere genoemd is. ### 4 Ezra 2 1 DIT zegt de Heere: Ik heb dit volk uit de dienstbaarheid gevoerd, waaraan Ik bevelen gegeven heb door Mijn knechten de profeten, die zij niet hebben willen horen, maar zij hebben Mijn raad teniet gemaakt. 2 De moeder, die hen gebaard heeft, zegt tot hen: Ga heen kinderen! want Ik ben een weduwe en verlatene. 3 Met vreugde heb Ik u opgevoed, en Ik heb u met rouw en verdriet verloren: want u hebt gezondigd voor de Heere uw God, en hebt kwaad voor Hem gedaan. 4 Nu dan, wat zal Ik u doen? Ik ben een weduwe en verlatene: Ga heen kinderen! en verzoekt barmhartigheid van de Heere. 5 Maar u, o Vader, roep Ik tot getuige over de moeder van deze kinderen, die Mijn verbond niet hebben willen houden: 6 Dat u hen te schande brengt, en hun moeder ten roof, opdat zij niet meer voortgeteeld worden. 7 Laat hun namen verstrooid worden onder de heidenen: Laat hen van de aarde vernietigd worden; want zij hebben Mijn eed veracht. 8 Wee u Assur! die de ongerechtigen bij u verbergt; u boos volk, gedenk wat Ik Sodom en Gomorra gedaan heb, 9 Van wie het land in brokken pek, en ashopen ligt, zo zal Ik hun doen, die Mij niet gehoord hebben, spreekt de Heere, de almachtige. 10 Dit zegt de Heere tot Ezra, verkondig Mijn volk, dat Ik hun het koninkrijk Jeruzalem zal geven, dat Ik Israël zou gegeven hebben. 11 En Ik wil hun heerlijkheid tot Mij nemen, en zal hun de eeuwige tenten geven, die Ik anderen bereid had. 12 De boom van het leven zal hun zijn tot een geurende zalf; zij zullen noch arbeiden, noch moe worden. 13 Ga heen, zo zult u het ontvangen; bid voor u, dat het maar weinig dagen talme; het koninkrijk is nu voor u bereid; waak! 14 Betuig de hemel en de aarde: want het kwade heb Ik verbroken, en het goede heb Ik geschapen: want het is, zo waar als Ik leef, spreekt de Heere. 15 U, moeder! omhels uw kinderen; voed hen op met blijdschap als een duif, bevestig hun voeten, want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere. 16 En Ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen, en uit de graven zal Ik hen voortbrengen; want Ik heb Mijn naam bekend gemaakt in Israël. 17 En vrees niet, u, moeder van de kinderen! want Ik heb u gekozen, spreekt de Heere. 18 Ik zal u Mijn knechten Jesaja en Jeremia tot een hulp zenden: op hun raad heb Ik voor u geheiligd en bereid twaalf bomen met verscheidene vruchten beladen; 19 En zoveel fonteinen die met melk en honing stromen; en zeven grote bergen, die rozen en leliën hebben, waarop Ik uw kinderen met blijdschap zal vervullen. 20 Spreek recht van de weduwen; doe recht aan de wezen; geef de armen; bescherm de verlatenen; bekleed de naakten, 21 Heel de verwonden en zieken; en spot niet met de kreupelen; bescherm de verlamden; en laat de blinden komen tot het gezicht van Mijn klaarheid. 22 Behoud de oude en jongen binnen uw muren. 23 Waar u de doden vindt, teken ze, en begraaf ze: zo zal Ik u de eerste plaats geven in Mijn verrijzenis: 24 Wees stil, en houd op, Mijn volk, want uw rust zal komen. 25 U, goede voedster! kweek uw kinderen op, versterk hun voeten. 26 Van de knechten, die Ik u gegeven heb, zal niemand omkomen, want Ik zal hen van uw getal eisen. 27 En wees niet bezorgd, want als de dag van de angst en de nood komt, zo zullen anderen huilen en droevig zijn: maar u zult vrolijk zijn en overvloed hebben. 28 De heidenen zullen jaloërs zijn, maar zij zullen tegen u niets uitrichten, spreekt de Heere. 29 Mijn handen zullen u bedekken, dat uw kinderen het dodenrijk niet zien. 30 Vervrolijk u, u moeder met uw kinderen, want Ik zal u verlossen, spreekt de Heere: 31 Gedenk aan uw kinderen die slapen, want Ik zal ze uit de zijden van de aarde te voorschijn brengen, en Ik zal hun barmhartigheid bewijzen, omdat Ik barmhartig ben, spreekt de Heere, de almachtige. 32 Omhels uw kinderen totdat Ik kom, en hun barmhartigheid bewijze, want Mijn fonteinen vloeien over, en Mijn genade zal niet ontbreken. 33 Ik Ezra, heb een bevel ontvangen van de Heere op de berg Oreb, dat ik tot Israël gaan zou. Maar toen ik tot hen kwam, zo verwierpen zij mij, en versmaadden het bevel van de Heere. 34 Daarom zeg ik tot u, u heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde van de wereld zal komen. 35 Wees bereid voor de beloning van het koninkrijk, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid. 36 Vlucht de schaduw van deze wereld; neem de vreugde van uw heerlijkheid; ik betuig dit openlijk voor mijn Zaligmaker. 37 Neem de gave aan, die u aangeprezen wordt, en verheugt u, dankzeggende degene die u tot het hemels koninkrijk heeft geroepen. 38 Rijst op, en staat, en ziet het getal van degenen, die getekend zijn tot de maaltijd van de Heere. 39 Die van de schaduw van deze wereld zijn overgegaan, die hebben sierlijke kleren van de Heere ontvangen. 40 Sion, neem uw getal tot u, en besluit in u uw in het wit gekleden, die de wet van de Heere vervuld hebben. 41 Het getal van uw kinderen, die u gewenst hebt, is vol. Bid de majesteit van de Heere, dat uw volk geheiligd worde, dat van de beginne geroepen is. 42 Ik Ezra zag op de berg Sion een grote hoop, die ik niet tellen kon, en zij loofden allen Heere met lofzangen; 43 En in het midden van hen was een jongeling van aanzienlijke grootte, hoger dan die allen, en hij zette een kroon op een ieder van hun hoofden, en hij werd meer verhoogd: zodat ik mij zeer verwonderde. 44 Toen vroeg ik de engel en zei: Wie zijn deze, Heere? 45 Die mij antwoordde en zei: Deze zijn het, die de sterfelijke rok hebben afgelegd, en de onsterfelijke hebben aangedaan, en hebben de naam van God beleden; nu worden zij gekroond, en ontvangen palmtakken. 46 En ik zei tot de engel: Wie is de jongeling die hun kronen opzet, en palmtakken in de handen geeft? 47 En hij antwoordde mij en zei: Het is de Zoon van God, die zij in de wereld hebben beleden. Toen begon ik hen hoog te prijzen, die zo kloekmoedig voor de naam van de Heere gestaan hadden. 48 Toen zei de engel tot mij: Ga en verkondig mijn volk zoals en hoe grote wonderen van God u gezien hebt. ### 4 Ezra 3 1 IN het dertigste jaar van de ondergang van de stad, was ik te Babylon, en lag bezorgd op mijn bed, en mijn gedachten kwamen in mijn hart; 2 Want ik zag de verwoesting van Sion, en de overvloed van degenen, die te Babylon woonden. 3 En mijn geest werd zeer bewogen; en ik begon tot de allerhoogste met vrees te spreken, en ik zei: 4 O heersende Heere, U hebt van de beginne gesproken, toen U de aarde hebt gefundeerd, U alleen, en hebt het volk geboden gegeven; 5 En hebt Adam een lichaam gegeven, dat geen leven had maar het was ook een maaksel van Uw handen, en U hebt hem een geest van het leven ingeblazen en hij is levend voor U geworden. 6 En hebt hem in het Paradijs gezet dat Uw rechterhand gemaakt had, voordat hij uit de aarde was gekomen. 7 En hebt hem geboden Uw weg lief te hebben, maar hij heeft die overtreden; en U hebt de dood over hem doen komen en over zijn nakomelingen. En daar zijn volken voortgekomen, en stammen, en mensen, en geslachten, waarvan het getal niet is te tellen. 8 En een ieder volk wandelde naar zijn wil, en deed wonderlijke dingen voor U, verachtte Uw geboden. 9 Daarentegen deed U na verloop van tijd de zondvloed komen over degenen, die de wereld bewoonden, en U verdierf ze. 10 En zoals over Adam de dood, zo is over een ieder van hen de zondvloed gekomen. 11 Maar U liet één uit hen overblijven, namelijk Noach met zijn huisgezin, en uit hem zijn alle rechtvaardigen. 12 En het is gebeurd, toen degenen, die op aarde woonden begonnen te vermenigvuldigen, en vele kinderen verkregen, en tot vele volken en natiën werden, dat zij weer goddelozer werden dan de eerste. 13 En als zij nu ongerechtigheid voor U bedreven, zo hebt U Zich een man uit deze gekozen, van wie de naam Abraham was. 14 Die hebt U liefgehad, en hebt hem alleen Uw wil aangewezen. 15 En U hebt met hem een eeuwig verbond gemaakt, en hebt hem gezegd, dat U zijn zaad nimmermeer zou verlaten; aan deze hebt U Izaäk gegeven, en aan Izaäk hebt U Jakob en Ezau gegeven. 16 Jakob nu hebt U Zich gekozen, maar Ezau hebt U van U afgezonderd, en Jakob is geworden tot een grote menigte. 17 En het is gebeurd toen U zijn zaad uit Egypte leidde, dat U hem gebracht hebt aan de berg Sinaï. 18 Daar boog U de hemel, en schudde de aarde; U bewoog de aardbodem, en de afgrond deed U beven, en U verschrikte de wereld. 19 En Uw heerlijkheid ging door vier poorten, namelijk door het vuur, en de aardbeving, en de wind, en de vorst; opdat U het zaad van Jakob de wet gaf, en het geslacht van Israël ijver. 20 Maar U nam van hen het boze hart niet weg, opdat Uw wet in hen zou vrucht voortbrengen. 21 Want de eerste Adam, hebbende een boos hart, heeft het gebod overtreden, en is overwonnen, ja ook allen die van hem zijn geboren. 22 En het werd een bijblijvende zwakheid, en de wet is gebleven met het hart van het volk, en met de boosheid van de wortel, en wat goed is, dat is weggegaan, en het boze is gebleven. 23 Zo verliepen de tijden, en de jaren werden geëindigd, en U verwekte voor Uzelf een knecht, met de naam David. 24 En U hebt hem gezegd, dat hij voor Uw naam een stad zou bouwen, en dat men U daarin wierook en offergaven zou offeren. 25 En dat is vele jaren gebeurd, maar die deze stad bewoonden, zondigden tegen U; 26 En deden in alles zoals Adam, en al zijn nakomelingen, want zij gebruikten ook een boos hart. 27 En U hebt Uw stad overgegeven in de handen van Uw vijanden. 28 Handelen nu, die in Babylon wonen beter? en zal zij daarom over Sion heersen? 29 Ja toen ik hier ben gekomen, en de goddeloosheid gezien heb, waarvan geen getal is, (want mijn ziel heeft vele overtreders dit dertigste jaar nu gezien) zo is mijn hart mij ontvallen. 30 Want ik heb gezien, hoe U hen duldt als zij zondigen, en spaart als zij goddeloosheid bedrijven, en Uw volk hebt U uitgeroeid, en Uw vijanden hebt U behouden; en U hebt dat niet te verstaan gegeven. 31 Ik kan niet bedenken, hoe deze weg zo moet blijven. Doe dan Babylon beter dan Sion? 32 Is er dan een ander volk dat U kent, dan Israël? of wat geslacht heeft Uw verbonden geloofd, zoals Jakob? 33 Van wie het loon toch nergens voorhanden is, en van wie de arbeid geen vrucht geeft. Want ik ben door de heidenen heen en weer getogen, en ik heb gezien dat zij overvloed hebben, en dat zij Uw geboden niet gedenken. 34 Nu dan, weeg onze ongerechtigheden in een schaal, en daartegen die van degenen die in de wereld wonen, zo zal Uw naam niet gevonden worden dan in Israël. 35 Of wanneer hebben die op aarde wonen voor U niet gezondigd? of wat volk heeft Uw geboden zo gehouden? 36 Deze zult U wel met namen vinden, dat zij Uw geboden gehouden hebben, maar bij de heidenen zult U hen niet vinden. ### 4 Ezra 4 1 TOEN antwoordde mij de engel, die tot mij gezonden was, van wie de naam Uriël is, 2 En zei tot mij: Uw hart gaat veel te hoog in deze wereld, dat u denkt de weg van de allerhoogste te begrijpen. 3 En ik zei: Ja mijn Heere. En hij antwoordde mij en sprak: Ik ben tot u gezonden om drie wegen aan te wijzen, en om drie gelijkenissen u voor te stellen, 4 Van welke, zo u mij een kunt verklaren, zo zal ik u ook de weg tonen, die u begeert te zien, en ik zal u leren, vanwaar dat boze hart is. 5 Toen sprak ik: Zeg aan mij Heere; en hij zei tot mij: Ga heen, en weeg mij het gewicht van het vuur, of meet me het geblaas van de wind, of roep mij de dag weer, die voorbijgegaan is. 6 En ik antwoordde en zei: Wie is er geboren die kan doen wat u van mij eist? 7 Toen zei hij tot mij: Als ik u vroeg en zei: Hoeveel woningen zijn er in het hart van de zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin van de afgrond? of hoeveel aderen zijn er boven het uitspansel? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs? 8 Zo zou u mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet neergedaald, noch tot nog toe in het dodenrijk; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen. 9 Maar nu heb ik niet gevraagd dan van vuur, en van wind, en van de dag, daar u doorgegaan bent, en waarvan u niet kon afgezonderd zijn, en u hebt mij daarvan niet geantwoord. 10 En hij zei tot mij: Uw eigen dingen, die met u zijn opgegroeid, kunt u niet kennen, 11 Hoe zou u dan kunnen bevatten de weg van de allerhoogste; en zo de wereld van buiten verdorven is, hoe zou u verstaan de verdorvenheid die openbaar is voor mij? 12 En ik zei tot hem: Het was beter dat wij niet waren, dan dat wij nog levende zouden leven in goddeloosheid, en zouden lijden, en niet verstaan om welke zaak. 13 Toen antwoordde hij mij, en zei: Ik ging eens in een bos van bomen van het veld, die maakten een aanslag, 14 En spraken: Kom, laat ons heengaan en de zee bevechten, opdat zij voor ons wijke, en wij nog andere bossen maken. 15 Evenzo maakten de golven van de zee ook een aanslag, en zeiden: Kom, laat ons optrekken, en de bossen van het veld bevechten, opdat wij ook daar een ander gewest voor ons maken. 16 En de aanslag van het bos werd ijdel, want het vuur kwam en verteerde het. 17 Evenzo ook de aanslag van de golven van de zee, want het zand stond vast, en heeft die verhinderd. 18 Als u nu een richter was van deze, wie zou u rechtvaardigen, of wie veroordelen? 19 Toen antwoordde ik en zei: Zij hebben werkelijk beide ijdele aanslagen gehad, want de aarde is gegeven voor het bos, en een plaats voor de zee om haar golven te dragen. 20 En hij antwoordde mij en zei: U hebt wèl geoordeeld, maar waarom hebt u ook niet geoordeeld voor u zelf? 21 Want zoals de aarde gegeven is voor het bos, en de zee voor haar golven, zo kunnen ook, die op de aarde wonen, alleen verstaan wat op de aarde is, en die in de hemel wonen wat op de hoogte van de hemel is. 22 Toen antwoordde ik, en zei: Ik bid u Heere, dat mij de zin gegeven worde om te verstaan. 23 Want ik heb niet willen vragen van uw hogere dingen, maar van de dingen die onder ons dagelijks omgaan: namelijk, waarom Israël de heidenen tot een smaad is overgegeven, en waarom het volk, dat u liefgehad hebt, overgegeven is aan de goddeloze geslachten, en de wet van onze vaders teniet is geworden, en de geschreven rechten nergens voorhanden zijn, 24 En waarom wij door de wereld zijn gegaan als sprinkhanen, en ons leven verbaasdheid is en vrees, en wij niet waard zijn barmhartigheid te verkrijgen. 25 Maar wat zal hij doen met zijn naam, die over ons aangeroepen is? Van deze dingen dan heb ik gevraagd. 26 Toen antwoordde hij mij, en zei: Als u veel onderzoekt, zo zult u zich dikwijls verwonderen, want de tijd van deze wereld loopt zeer haastig heen, 27 En kan niet vatten wat in toekomende tijden de rechtvaardigen toegezegd is, want deze tijd is vol ongerechtigheid en zwakheid. 28 Maar waarvan u mij vraagt wil ik u zeggen: Het boze is gezaaid, maar zijn verstoring is nog niet gekomen. 29 Zo nu wat gezaaid is, omgekeerd wordt, en de plaats niet wegwijkt, waar het kwade gezaaid is, zo zal het goede niet komen waar het gezaaid is. 30 Want het graan van het kwade zaad is gezaaid in het hart van Adam van het begin; hoeveel goddeloosheid heeft het voortgebracht tot nu toe, en zal het nog voortbrengen, totdat de oogst komt? 31 Nu overweegt u bij u zelf, wat een grote vrucht van de goddeloosheid het graan van het kwade zaad voortgebracht heeft. 32 Wanneer de aren, waarvan geen getal is, afgesneden zullen zijn, hoe groot een oogst zullen ze voortbrengen? 33 En ik antwoordde en zei: Hoe en wanneer zal dit gebeuren? waarom zijn onze jaren weinig en kwaad? 34 Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Haast u niet om over de Allerhoogste te zijn; want u haast u tevergeefs om over Hem te zijn, en u gaat u veel te buiten. 35 Hebben niet de zielen van de rechtvaardigen in hun binnenkamers hiervan gevraagd, zeggende: Hoe lang zal ik zo hopen? en wanneer zal de vrucht van de oogst van onze beloning komen? 36 En Jeremiël de aartsengel antwoordde daarop, en zei: Als dan, wanneer het getal van de zaden onder u zal vervuld zijn; want hij heeft de wereld gewogen in een balans, 37 En hij heeft de tijden met een maat gemeten, en heeft de tijden met een getal geteld, en hij beweegt en roert het niet, voordat de voorzegde maat vervuld is. 38 En ik antwoordde en zei: O heersende Heere, maar ook wij allen zijn vol goddeloosheid, 39 Dat nu misschien om onzentwil de oogst van de rechtvaardigen niet nalate vervuld te worden, vanwege de zonden van degenen die op aarde wonen. 40 En hij antwoordde, en zei tot mij: Ga, en vraag een zwangere vrouw, wanneer zij haar negen maanden vervuld heeft, of haar baarmoeder de vrucht nog zal kunnen bij zich houden. 41 En ik zei: Nee, zij kan niet Heere; en hij zei tot mij: In het dodenrijk zijn de binnenkameren van de zielen aan de baarmoeder gelijk. 42 Want zoals een die baart zich haast, om van de nood van de geboorte ontslagen te worden, zo haast deze ook, om uit te geven wat haar bevolen is. 43 Van het begin dan wordt u getoond, wat u begerig bent te zien. 44 En ik antwoordde en zei: Heb ik genade in uw ogen gevonden, en als het mogelijk is, en ik er bekwaam toe ben, 45 Zo toon mij, of er meer staat te komen, dan er voorbijgegaan is, of dat meer voorbijgegaan is dan er toekomende is. 46 Wat voorbijgegaan is, dat weet ik; maar wat toekomende is, dat weet ik niet. 47 En hij zei tot mij: Sta aan de rechterzijde, en ik zal u de verklaring daarvan door een gelijkenis voorstellen. 48 En ik stond daar, en ik zag, en zie een gloeiende oven ging voor mij heen, en als de vlam voorbijging, zo zag ik dat de rook overbleef. 49 Daarna ging voorbij mij een wolk vol van water en bracht veel regen in met onstuimigheid, en als de onstuimigheid van de regen voorbij was, zo bleven de druppelen daarin over. 50 En hij zei tot mij: Denk bij u zelf, zoals de regen meer aanwast dan de druppelen, en het vuur dan de rook, zo is de maat, die voorbij is, overvloediger, maar de druppelen en de rook zijn nog overgebleven. 51 En ik bad en zei: Denkt u, dat ik tot in die dagen zal leven, of wat zal het in die dagen zijn? 52 Toen antwoordde hij mij en zei: Van de tekenen waarvan u mij vraagt, kan ik u ten dele zeggen, maar van uw leven ben ik niet gezonden u te zeggen, want ik weet het ook niet. ### 4 Ezra 5 1 VAN de tekenen nu. Zie de dagen zullen komen, dat die op aarde wonen, zullen gegrepen worden, in grote rijkdom, en de weg van de waarheid zal verborgen zijn, en het land zal zonder trouw zijn. 2 En de ongerechtigheid zal vermenigvuldigd worden boven deze, die u zelf ziet, en boven die u vroeger gehoord hebt. 3 En het zal gebeuren, wanneer een voet daarop gezet wordt, dat men het land, dat u nu ziet heersen, woest zal zien. 4 Als nu de Allerhoogste u laat leven, zo zult u na de derde bazuin zien, dat de zon van de nacht haastig zal schijnen, en de maan drie keer in de dag. 5 Het bloed zal van het hout druipen, en de steen zal zijn stem geven, en de volken zullen bewogen worden. 6 En hij zal heersen, die degenen die op de aarde wonen niet verwachten, en het gevogelte zal wegtrekken. 7 En de zee van Sodom zal haar vissen uitwerpen, en zal des nachts een stem van zich geven, die velen niet kennen, allen toch zullen zij haar stem horen. 8 De aarde zal opengaan in vele plaatsen, en het vuur zal dikwijls te voorschijn komen, en het wilde gedierte zal wegtrekken, en de maandstondige vrouwen zullen wangedrochten baren. 9 En in de zoete wateren zullen zoute gevonden worden, en alle vrienden zullen elkaar met strijd overvallen, dan zal de kennis verborgen zijn, en het verstand zal zich verbergen in zijn binnenkameren. 10 En zal van velen gezocht en niet gevonden worden, en de ongerechtigheid en onmatigheid zal vermenigvuldigd worden op aarde. 11 En het ene land zal het andere, dat naast gelegen is, vragen, en zeggen: Is ook de gerechtigheid, die rechtvaardig maakt, door u getogen? En het zal zeggen: Nee. 12 In die tijd zullen de mensen hopen en niet verkrijgen; zij zullen arbeiden maar hun wegen zullen niet gericht worden. 13 Deze tekenen u te zeggen is mij toegelaten, en zo u weer bidt en weent zoals nu, en zo u zeven dagen vast, zo zult u weer grotere horen dan deze. 14 Toen verschrikte ik, en mijn lichaam beefde zeer, en mijn ziel werd bang, zodat ik bezweek. 15 Maar de engel die gekomen was en met mij sprak, hield mij op, en versterkte mij, en stelde mij op mijn voeten. 16 En het is gebeurd in de tweede nacht, dat Salathiël, de overste van het volk, bij mij kwam en zei tot mij: 17 Waar bent u geweest, en waarom is uw gezicht zo droevig? Weet u niet dat Israël u bevolen is in het land van zijn gevangenis? 18 Sta dan op, en nuttig voedsel, en verlaat ons niet, als een herder zijn schapen, in het geweld van de kwade wolven. 19 En ik zei tot hem: Ga van mij, en nader niet tot mij. En hij hoorde mij, naar ik gezegd had, en hij week van mij. 20 En ik vastte zeven dagen, huilende en wenende, zoals mij de engel Uriël bevolen had. 21 En het gebeurde na zeven dagen, dat de gedachten van mijn hart mij weer zeer bezorgd maakten. 22 En mijn ziel nam weer de geest van het verstand, en begon weer te spreken voor de Allerhoogste. 23 En ik zei: O heersende Heere, uit alle bossen van de aarde en uit al hun bomen hebt U alleen de wijnstok gekozen; 24 En uit al de landen van de aardbodem hebt U Zich een groef gekozen, en uit alle bloemen van de aardbodem hebt U Zich een lelie gekozen; 25 En uit al die diepten van de zee hebt U Zich een beek gevuld, en uit al de gebouwde steden hebt U Zich Sion geheiligd. 26 En uit alle geschapen gevogelte hebt U Zich een duif genoemd, en uit al het geschapen vee hebt U Zich een lammetje voorzien, 27 En uit alle vermenigvuldigde volken hebt U Zich een volk verkregen, en hebt een wet gegeven, die door allen goed gekend is, aan dit volk waarin U lust had. 28 En nu Heere, waarom hebt U dit enige volk aan velen over gegeven? en hebt boven die wortel andere bereid, en hebt het enige, dat Uw is, onder velen verstrooid? 29 En zij hebben dat vertreden, die Uw beloften tegenspraken, en die Uw verbonden niet geloofden. 30 En ofschoon U Uw volk haatte, zo moest het door Uw handen getuchtigd worden. 31 En het is gebeurd, als ik deze woorden gesproken had, dat de engel tot mij gezonden is, die de vorige nacht tot mij was gekomen. 32 En hij zei tot mij: Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en luister naar mij, en ik wil u verder zeggen. 33 Toen zei ik: Spreek mijn Heere. En hij zei tot mij: Uw geest is te zeer bezorgd over Israël; hebt u dat volk liever, dan degene die het gemaakt heeft? 34 En ik zei tot hem: Nee Heere, maar ik heb zo uit verdriet gesproken; want mijn nieren drukken mij te allen tijde, zoekende te verstaan de weg van de allerhoogste, en te doorgronden een deel van Zijn oordeel. 35 En hij zei tot mij: Dat kunt u niet. Maar ik sprak: Waarom Heere? Waartoe ben ik dan geboren, of waarom was mij de schoot van mijn moeder niet een graf, opdat ik de kommer van Jakob niet zou zien, en de moeite van het geslacht van Israël? 36 En hij zei tot mij: Vertel mij de dingen die nog niet zijn gekomen: en vergader mij de verstrooide druppelen, en maak mij de verdorde bloemen opnieuw groen. 37 Open mij de binnenkameren die gesloten zijn, en breng mij te voorschijn de winden, die daarin besloten zijn: toon mij het beeld van de stem; en dan zal ik u tonen de arbeid waarnaar u vraagt om die te zien. 38 En ik sprak: O heersende Heere, wie is er die deze dingen kan zien, dan die bij de mensen zijn woning niet heeft. 39 Maar ik ben onverstandig, en hoe zou ik van die dingen kunnen spreken, die u mij hebt gevraagd? 40 Toen zei hij tot mij: Zoals u niet één van de dingen kunt doen, die gezegd zijn, zo zult u ook mijn oordeel niet vinden, noch de eigenlijke liefde, die ik mijn volk toegezegd heb. 41 En ik sprak: Maar zie, Heere, u bent nabij degenen, die tegen het einde zijn; wat zullen nu die doen, die voor mij geweest zijn, of wij, of die na ons zijn zullen? 42 En hij zei tot mij: Ik wil mijn oordeel met een cirkel vergelijken; zoals de laatste geen vertraging is, zo is de eerste geen verhaasting. 43 En ik antwoordde en zei: Kon u niet maken, dat degenen die geweest zijn, en die nu zijn, en die nog zijn zullen, op eenmaal zouden zijn, opdat u uw oordeel te spoediger vertoonde? 44 En hij antwoordde en zei: Het schepsel kan de Schepper niet voorkomen, noch de wereld op eenmaal dragen, die daarin geschapen zullen worden. 45 Toen sprak ik: Zoals u tot uw knecht hebt gezegd, dat u het schepsel, dat geschapen is, op eenmaal levend gemaakt hebt, en het schepsel verdroeg het, zo kan het ook nu wel op eenmaal de tegenwoordige dragen. 46 En hij zei tot mij: Vraag de baarmoeder van een vrouw, en zeg tot haar: Zo u baart, waarom doet u dat op verscheiden tijd? Bid haar dan dat zij er tien op eenmaal geve. 47 En ik zei: Zij kan toch niet, maar zij moet het door de tijd doen. 48 Toen zei hij: Ik heb ook de baarmoeder van de aarde gegeven, voor degenen die daarop gezaaid zijn tot verscheiden tijden. 49 Want zoals een jong kind niet baart, wat van de oude is, zo heb ik ook de geschapen wereld bestemd. 50 En ik vroeg en zei: Omdat u mij de weg hebt geopend, zo zal ik voor u spreken; onze moeder waarvan u mij gezegd hebt, is die nog jong; of nadert zij nu de ouderdom? 51 Toen antwoordde hij, en zei tot mij: Vraag degene die baart, en zij zal het u zeggen; 52 Want u zult tot haar zeggen: Waarom zijn degenen, die u gebaard hebt, nu niet zoals degenen, die voor u zijn geweest, maar zijn minder van grootte? 53 En zij zal u ook zelf zeggen: Anderen zijn die, die in de sterke jeugd geboren zijn; en anderen, die omtrent de tijd van de ouderdom geboren worden, als de baarmoeder afneemt. 54 Zo merk dan ook u, dat u van minder grootte bent, dan die voor u geweest zijn. 55 En die na u komen, zullen van minder grootte zijn dan u, als schepselen die nu beginnen oud te worden, en bij wie de sterkte van de jeugd nu voorbij is. 56 En ik zei: Ik bid u Heere, als ik genade in uw ogen gevonden heb, zo toon uw knecht door wie u uw schepsel bezoekt. ### 4 Ezra 6 1 EN hij zei tot mij: Van toen af dat de aardbodem zijn begin had, en voordat de einden van de wereld vaststonden, en voordat de winden samen bliezen, 2 En voordat de stemmen van de donder geluid gaven, en voordat het licht van de bliksem scheen, en voordat de fundamenten van het paradijs bevestigd waren; 3 En voordat de schone bloemen gezien werden, en voordat de bewogen krachten waren bevestigd, en voordat de ontelbare legermachten van de engelen verzameld waren, 4 En voordat de hoogte van de lucht werd opgeheven, en voordat de maat van de hemelen bekend was, en voordat de haardsteden te Sion heet waren, 5 En voordat men de tegenwoordige jaren opzocht, en voordat de vonden van degenen, die nu zondigen, afkerig werden, en opgetekend waren die het geloof tot een schat verzameld hebben, 6 Toen heb ik alle dingen bedacht, en zij zijn door mij alleen en door geen ander gemaakt, en het einde zal door mij zijn, en door geen ander. 7 En ik antwoordde en zei: Wat scheiding van de tijd zal er zijn? of wanneer zal het einde zijn van de vorigen, en het begin van de volgenden? 8 En hij zei tot mij: Van Abraham tot op Izaäk, toen Jakob en Ezau van hem geboren zijn, zo hield de hand van Jakob van het begin de hiel van Ezau; 9 Want het einde van deze eeuw is Ezau, en het begin van de toekomende is Jakob. 10 De hand van de mensen is tussen de hiel en de hand; anders zult u nu niet vragen, Ezra. 11 En ik antwoordde, en zei: O heersende Heere, als ik genade gevonden heb in uw ogen, 12 Zo bid ik u, dat u uw dienaar het einde toont van uw tekenen, waarvan u mij een deel de voorgaande nacht getoond hebt. 13 En hij antwoordde en zei tot mij: Sta op uw voeten, en hoor de volkomen stem van het geluid. 14 En daar zal zijn een beweging, en toch zal de plaats waar u op staat niet bewogen worden. 15 Daarom als hij spreekt, zo verschrikt niet, want het woord zal zijn van het einde, en het fundament van de aarde wordt daarbij ook verstaan; 16 Daar men dan van die dingen spreekt, zo beeft zij en wordt bewogen, want zij weet dat haar einde moet veranderd worden. 17 En als ik het gehoord had, zo stond ik op mijn voeten, en ik hoorde, en zie een stem sprak, en haar geluid was als het geluid van vele wateren. 18 En zij zei: Zie de dagen komen, en het zal gebeuren, als Ik zal beginnen te naderen, dat Ik de inwoners van de aarde zal bezoeken. 19 En dat Ik van hen zal beginnen te onderzoeken, wie met hun ongerechtigheid anderen onrechtvaardig zullen hebben beledigd, en wanneer de vernedering Sions zal vervuld zijn. 20 En als de wereld, die begint te vergaan zal toegezegeld worden, zo zal Ik deze tekenen doen; De boeken zullen opengedaan worden voor het aangezicht van de hemel, en alle samen zullen zij ze zien; 21 En kinderen van één jaar zullen met hun stemmen spreken, en de zwangere vrouwen zullen ontijdig kinderen baren van drie en vier maanden, en deze zullen leven en opgewekt worden, 22 En de bezaaide plaatsen zullen haastig als onbezaaide gezien worden, en de volle kelders zullen haastig leeg gevonden worden, 23 En de bazuin zal met een geluid slaan, en als allen die gehoord hebben, zo zullen zij verschrikt worden. 24 En het zal te dien tijde gebeuren, dat de vrienden hun vrienden zullen bevechten als vijanden, en de aarde zal met hen verschrikken; en de aderen van de fonteinen zullen stilstaan en zullen in drie uren niet lopen. 25 En een ieder, die van deze allen zal overblijven, waarvan Ik u gezegd heb, die zal behouden worden, en zal Mijn zaligheid zien, en het einde van uw wereld. 26 En de mensen, die aangenomen zijn, die de dood van hun geboorte aan niet gesmaakt hebben, zullen het zien; en het hart van de inwoners zal veranderd, en in een andere zin gekeerd worden. 27 Want het kwaad zal uitgeroeid en het bedrog zal uitgeblust worden. 28 Maar het geloof zal bloeien en de verdorvenheid zal overwonnen worden, en de waarheid zal te voorschijn komen, die zovele dagen zonder vrucht geweest is. 29 En het gebeurde, toen hij met mij sprak, dat ik hem langzamerhand aanzag, voor wie ik stond. 30 En hij sprak tot mij: Ik ben gekomen om u te tonen de tijd van de toekomende nacht. 31 Als u dan weer bidt, en weer zeven dagen vast, zo zal ik u weer grotere dingen dan deze verkondigen, op die dag dat ik ze gehoord heb. 32 Want uw stem is verhoord door de allerhoogste; want de Sterke heeft uw gezindheid gezien, en uw reinheid, die u van de jeugd aan hebt behouden. 33 En daarom heeft hij mij gezonden, om dit alles aan te tonen, en u te zeggen: Heb goede moed en vrees niet, 34 En overhaast u niet, om de voorgaande tijden ijdele dingen te bedenken, en haast u niet om van de laatste tijden achterhaald te worden. 35 En het gebeurde na deze, dat ik weer huilde, en evenzo zeven dagen vastte, opdat ik de drie weken vervulde die mij gezegd waren. 36 En aan de achtste nacht, werd mijn hart weer in mij beroerd, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste; 37 Want mijn geest werd zeer ontstoken en mijn ziel werd benauwd. 38 En ik zei: O Heere, U hebt in het begin van de schepping op de eerste dag gesproken en gezegd: Dat hemel en aarde worde, en Uw Woord was een volkomen werk, 39 En de geest was toen, de duisternis zweefde rondom met stilte; want het geluid van de stem van de mensen was nog door U niet geschapen. 40 Toen hebt U gezegd, dat uit Uw schatten het klare licht zou voortgebracht worden, opdat Uw werk zichtbaar zou worden. 41 En op de tweede dag schiep U de lucht van het uitspansel, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel omhoog zou trekken, en een deel beneden zou blijven. 42 De derde dag nu hebt U de wateren bevolen, dat zij zouden verzameld worden op het zevende deel van de aarde, maar zes delen hebt U droog gemaakt en behouden, opdat er zouden zijn die daaruit voor U zouden dienen, als zij door God bezaaid en gebouwd zouden zijn. 43 Want Uw Woord ging uit, en het werk is meteen geworden. 44 Want van stonden aan kwam er een ontelbare menigte vruchten voort, en van allerlei begeerlijke smaak, en bloemen van kleuren, die men niet kan namaken, en geurende dingen van onnaspeurlijke reuk, en deze alle zijn op de derde dag gemaakt. 45 Op de vierde dag nu gebood U, dat worden zou het schijnsel van de zon, het licht van de maan, en de ordening van de sterren, 46 En U gebood hun dat zij de mens dienen zouden, die nog geschapen zou worden. 47 Op de vijfde dag zei U tot het zevende deel, waarin de wateren verzameld waren, dat het zou voortbrengen gedierte, vogels, en vissen, en het gebeurde. 48 Want dat stomme water zonder ziel, bracht gedierten voort, die God door één wenk bevolen had, opdat de volken daarin Uw wonderen zouden verhalen. 49 En toen hebt U twee dieren bestemd, de naam van het ene noemde U Behemoth, en de naam van het andere noemde U Leviathan. 50 En U hebt die van elkaar gescheiden. Want het zevende deel waar het water verzameld was, kon die beide niet bevatten. 51 En U hebt aan Behemoth het ene deel gegeven, dat op de derde dag was gedroogd, opdat hij daarin zou wonen, waar duizend bergen zijn. 52 De Leviathan nu hebt U het zevende deel van het water gegeven, en hebt hem bewaard, opdat hij zij tot een verslinding van degene, die U wilt, en wanneer U wilt. 53 Op de zesde dag gebood U de aarde, dat zij het grote en kleine vee voor U zou voortbrengen, en de kruipende gedierten. 54 En bovendien ook Adam, die U over al Uw schepselen, die U gemaakt hebt, tot een heer hebt gesteld, en uit die komen wij allen voort, ook het volk dat U uitverkoren hebt. 55 Dit alles nu heb ik, Heere! voor U gesproken, omdat U om onzentwil de wereld geschapen hebt. 56 Maar de andere volken, die van Adam ook geboren zijn, hebt U gezegd dat niets zijn, en zij zijn vergeleken met speeksel, en hun menigte hebt U vergeleken met de druppel, die van een kruik valt. 57 En nu Heere, zie die volken, die als niets geacht zijn, beginnen ons te overheersen en te verslinden. 58 Maar wij, Uw volk, dat U Uw eerstgeborene en Uw eniggeborene genoemd hebt en waarover U ijvert, zijn in hun handen gegeven. 59 Is de wereld nu om onzentwil geschapen, waarom bezitten wij dan niet een erfenis met de wereld? hoe lang zal dit zijn? ### 4 Ezra 7 1 EN het is gebeurd, als ik geëindigd had deze woorden te spreken, dat de engel tot mij gezonden is, die de eerste nachten tot mij gezonden was. 2 En hij zei tot mij: Sta op Ezra, en hoor de woorden, die ik gekomen ben tot u te spreken. 3 En ik zei: Spreek mijn God! en hij zei tot mij: De zee is in een diepe plaats gesteld, opdat zij diep en groot zij, 4 Maar haar ingang is in een nauwe plaats gesteld, opdat zij aan de rivieren gelijk zou zijn. 5 Want wie zou graag in de zee willen gaan, en ze zien en beheersen; als hij niet door het nauwe ging, hoe zou hij in de wijdte kunnen komen? 6 Nog een andere gelijkenis: Een stad is gebouwd en gelegen in een vlak veld, en is vol van allerlei goederen; 7 De ingang is nauw en op een steilte gelegen, zodat er aan de rechterzijde vuur is, en aan de linkerzijde een diep water; 8 Tussen deze nu is alleen een smal pad gelegd, namelijk tussen het vuur en het water, zodat op het pad niet meer dan een mens gaan kan. 9 Als nu deze stad iemand tot een erfenis gegeven werd, en hij nooit het voorgestelde gevaar zou doorgaan, hoe zal hij zijn erfenis verkrijgen? 10 En ik sprak: Het is zo Heere; en hij zei tot mij: Zo is ook het deel van Israël: 11 Want om hunnentwil heb ik de wereld gemaakt, en als Adam mijn voorschriften overtreden heeft, zo is dat geoordeeld, wat gebeurd is. 12 En de ingangen van deze wereld zijn nauw geworden, en droevig, en moeilijk; ook weinig in getal, en kwaad, en vol gevaar, en met arbeid zeer bezet. 13 Want de grote wereldingangen waren breed, en zeker, en brachten de vrucht van de onsterfelijkheid voort. 14 Als dan degenen die leven, niet pogen in te gaan door wat hier nauw en ijdel is, zo kunnen zij niet verkrijgen wat weggelegd is. 15 Nu dan, waarom bent u bezorgd, omdat u verderfelijk bent? en waarom bent u beroerd, omdat u sterfelijk bent? 16 En waarom hebt u niet ter harte genomen wat toekomend is, maar wat tegenwoordig is? 17 En ik antwoordde en zei: O heersende Heer, zie, u hebt in uw wet bestemd, dat de rechtvaardigen deze dingen zouden beërven, en dat de goddelozen zouden vergaan. 18 Maar de rechtvaardigen dragen het nauwe, hoewel zij het wijde hopen, want die goddeloos hebben geleefd, die hebben ook het nauwe gedragen, en zullen het wijde niet zien. 19 En hij zei tot mij: Daar is geen rechter boven God, en geen verstandige boven de Allerhoogste. 20 Want velen gaan tegenwoordig verloren, omdat de wet van God, die voorgesteld is, verzuimd wordt. 21 Want God heeft ernstig geboden degenen die komen zouden, als zij kwamen, wat zij zouden doen om te leven, en wat zij zouden onderhouden om niet gestraft te worden. 22 Maar zij zijn niet gehoorzaam geweest, en hebben hem wedersproken, en hebben zichzelf ijdele gedachten verdicht. 23 En hebben zichzelf bedriegerijen van de zonde voorgesteld, en hebben bovendien tot de Allerhoogste gezegd, dat Hij niet is, en hebben Zijn wegen niet gekend. 24 En hebben zijn wet veracht, en zijn beloften verloochend, en hebben zijn rechten niet geloofd, en hebben zijn werken niet volbracht. 25 Daarom Ezra, het ledige is voor de ledigen, en het volle voor de vollen. 26 Zie, de tijd zal komen, en het zal gebeuren, dat de tekenen, die ik u voorzegd heb, zullen komen: de bruid zal verschijnen, en zij zal openbaar vertoond worden, die nu met aarde overtogen is. 27 En een ieder, die van de voorzegde onheilen bevrijd is, zal mijn wonderen zien. 28 Want mijn Zoon Jezus zal geopenbaard worden met degenen die bij hem zijn, en die overgebleven zijn, zullen zich vervrolijken in vierhonderd jaren. 29 En na die jaren zal mijn Zoon Christus sterven, en alle mensen die adem hebben. 30 En de wereld zal terugkeren tot het oude stilzwijgen, zeven dagen lang, zoals in de voorgaande oordelen, zodat niemand zal overgelaten worden. 31 En het zal na zeven dagen gebeuren, dat de wereld die nog niet ontwaakt is, zal opgewekt worden, en wat verdorven is, zal sterven. 32 En de aarde zal wedergeven die in haar slapen, en het stof degenen die daarin met stilte wonen, en de binnenkameren zullen de zielen wedergeven, die hun toevertrouwd zijn. 33 En de Allerhoogste zal geopenbaard worden op de rechterstoel, en de ellende zal voorbijgaan, en de lankmoedigen zullen verzameld worden. 34 Het recht nu zal allen overblijven; de waarheid zal bestaan, en het geloof zal sterk worden. 35 En het werk zal hen navolgen, en het loon zal vertoond worden; de gerechtigheid zal opwaken en de ongerechtigheid zal niet heersen. 36 En ik zei: Abraham heeft eerst voor de Sodomieten gebeden, en Mozes voor de vaders, die in de woestijn gezondigd hebben. 37 En die na hem geweest zijn voor Israël, ten tijde van Achan en Samuël. 38 David voor die grote slachting, en Salomo voor degenen, die kwamen om geheiligd te worden. 39 En Elia voor degenen, die de regen ontvingen, en voor degene, die dood was, dat hij leven mocht; 40 En Ezechias voor het volk ten tijde van Sanherib, en anderen, velen voor velen. 41 Als dan nu, wanneer de verdorvenheid toegenomen is, en de ongerechtigheid vermenigvuldigd is, ook de rechtvaardigen voor de goddelozen bidden, waarom zal het ook nu zo niet zijn? 42 En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige eeuw is niet het einde, veel heerlijkheid blijft nog in deze; daarom hebben zij voor de zwakken gebeden. 43 Maar de dag van het oordeel zal het einde zijn van deze tijd en het begin van de tijd van de toekomende onsterfelijkheid, waarin de verdorvenheid voorbijgegaan zal zijn. 44 De onmatigheid is losgemaakt, en het ongeloof is afgesneden, maar de gerechtigheid is toegenomen en de waarheid is opgestaan. 45 Want dan zal niemand die kunnen zalig maken die verloren is, noch tenonderbrengen, die overwonnen heeft. 46 Toen antwoordde ik, en zei: Dit is mijn eerste en laatste reden, dat het beter was geweest aan Adam de aarde niet te geven, of als hij die hem gegeven had, hem te beletten dat hij niet zou zondigen. 47 Want wat baat het de mensen tegenwoordig te leven in verdriet, en als zij dood zijn de straf te verwachten? 48 O Adam, wat hebt u gedaan? want zo u gezondigd hebt, de val is niet alleen de uwe geweest, maar ook de onze, die van u zijn gekomen. 49 Want wat baat het ons, als ons een onsterfelijke tijd toegezegd is, en wij toch dodelijke werken gedaan hebben? 50 En dat ons een eeuwige hoop is voorzegd, en wij toch boos en ijdel geworden zijn? 51 En dat ons weggelegd zijn woningen van de gezondheid, en van de zekerheid, en wij toch kwalijk geleefd hebben? 52 En dat de eer van de Allerhoogste bewaard wordt, om hen te beschermen, die volhardende geleefd hebben, en wij toch in de kwaadste wegen gewandeld hebben? 53 En dat het paradijs getoond wordt, waarvan de vrucht onvergankelijk blijft, waarin zekerheid en heilzaamheid is, en wij daar niet ingaan? 54 Want wij hebben in onaangename plaatsen gewandeld. 55 En dat de aangezichten van degenen, die zich onthouden hebben, blinken zullen boven de sterren, en toch onze aangezichten zwart zullen zijn boven de duisternis? 56 Want wij hebben, toen wij leefden, niet gedacht als wij de ongerechtigheid deden, dat wij na de dood zouden beginnen te lijden. 57 En hij antwoordde en zei: Dit is de bedenking van de strijd, die de mens op aarde geboren, moet strijden, 58 Opdat hij lijde wat u gezegd hebt, als hij overwonnen wordt, maar als hij overwint, zo zal hij ontvangen wat ik zeg. 59 Want dit is dat leven, waarvan Mozes sprak tot het volk, toen hij leefde, en zei: Kies het leven, opdat u leeft. 60 Maar zij hebben hem niet geloofd, noch ook de profeten na hem, ja ook niet mij, die tot hen gezegd heeft, 61 Dat het verdriet niet zou zijn tot hun verderf, zoals de blijdschap toekomende is over degenen wie de zaligheid verzekerd is. 62 En ik antwoordde en zei: Ik weet Heere dat de Allerhoogste daarom barmhartig genoemd is, omdat Hij zich over hen ontfermt, die nog in de wereld niet zijn gekomen, 63 En dat hij zich ontfermt over degenen die zich bekeren tot zijn wet. 64 En dat hij geduldig is; want hij bewijst geduld aan degenen, die gezondigd hebben, als zijn schepselen. 65 En dat hij weldadig is; want hij wil geven naar wat nodig is. 66 En dat hij van grote barmhartigheid is, want hij bewijst veelvuldige barmhartigheid aan degenen die tegenwoordig zijn, en die voorbij zijn, en nog zijn zullen. 67 Want zo hij zijn veelvuldige barmhartigheid niet bewees, zo zou de wereld niet levend worden gemaakt, met degenen, die daarin erfenis zullen hebben. 68 En hij vergeeft; want als hij niet vergaf naar zijn goedheid, opdat degenen, die ongerechtigheid gedaan hebben, van hun ongerechtigheden werden verlicht, zo zou het tienduizendste deel van de mensen niet levend gemaakt worden. 69 En als de Rechter niet vergaf aan degenen, die door zijn woord zijn geheeld, en niet uitwiste de menigte van de twistingen, 70 Zo zouden mogelijk van een ontelbare menigte niet dan zeer weinigen overgelaten worden. ### 4 Ezra 8 1 EN hij antwoordde en zei tot mij: De Allerhoogste heeft deze wereld gemaakt voor velen, maar de toekomende voor weinigen. 2 Maar, Ezra! ik zal u een gelijkenis zeggen: Het is even alsof u de aarde vroegt, en zij u zou zeggen dat zij zeer veel aarde geeft, waaruit een aarden pot gemaakt kan worden, maar weinig stofs waaruit het goud gemaakt wordt; zo is het ook met de stand van de tegenwoordige wereld. 3 Daar zijn wel velen geschapen, maar weinigen worden behouden. 4 En ik antwoordde en zei: Nu dan mijn ziel, verslind de zin, en verzwelg het verstand. 5 Want u bent overeengekomen toe te luisteren, en wilt profeteren, en u is niet meer tijds gegeven, dan alleen dit leven. 6 O Heere, zo U Uw knecht niet toelaat, dat wij voor Uw aangezicht bidden, en dat U ons zaad in het hart geeft, en bouwing aan onze zinnen, waaruit vrucht mag voortkomen, vanwaar zal een ieder die verdorven is kunnen leven, die de plaats van een mens beslaat? 7 Want U bent alleen, en wij zijn maar een schepping van Uw handen, zoals U gesproken hebt. 8 En zoals nu het lichaam in de baarmoeder geschapen is, en U het zijn leden geeft, zo wordt Uw schepsel als in vuur en water bewaard, en Uw werk dat U gemaakt hebt, draagt negen maanden Uw schepsel, dat daarin geschapen is. 9 Hetzelfde nu dat bewaart, en dat bewaard wordt, zal beide met elkaar bewaard worden, en bewaard zijnde, zo geeft de baarmoeder te haar tijd weer wat in haar gewassen is. 10 Want U hebt ook de leden zelf, namelijk de borsten, bevolen melk te geven aan de vrucht van de borsten; 11 Opdat wat geschapen is voor een tijd gevoed wordt, en U het daarna van Uw barmhartigheid beveelt. 12 U brengt hem op door Uw gerechtigheid, en onderricht hem in Uw wet en tuchtigt hem door Uw wijsheid. 13 En U doodt hem als Uw schepsel, en maakt hem levend als Uw werk. 14 Als U dan die verderft, die met zo grote moeite is voortgebracht, zo is het door Uw bevel gemakkelijk te ordineren, dat behouden wordt wat gemaakt is. 15 En nu, Heere, van alle mensen weet U het best, maar veel meer zal ik spreken van Uw volk, omdat ik treurig ben, 16 En van Uw erfenis, om welke ik leed draag, en van Israël, om welke ik smart lijd, en van Jakob, om wie ik mij bedroef. 17 Daarom zal ik voor Uw aangezicht beginnen te bidden voor mij en voor hen; want ik zie de overtredingen van ons die op aarde wonen; 18 Maar ik heb de snelheid gehoord van de Rechter, die komende is. 19 Daarom hoor mijn stem, en versta mijn reden, en ik zal voor U spreken. 20 Het begin van de woorden van Ezra, voordat hij werd opgenomen. En ik zei: Heere, die de eeuwigheid bewoont, van wie de ogen in de hoogte verheven zijn, en in de lucht neerzien; 21 Van wie de troon onmetelijk, en van wie de heerlijkheid onbegrijpelijk is; voor wie het heerleger van de engelen sidderend staat. 22 Van wie de opmerking zich keert met wind en vuur; van wie het woord waarachtig, en van wie de redenen standvastig zijn; 23 Van wie het bevel sterk, en van wie de ordening verschrikkelijk is; van wie het aanschouwen de afgronden uitdroogt; en van wie de toorn de bergen doet verdwijnen, zoals de waarheid getuigt. 24 Verhoor het gebed van Uw dienaar, en vat met Uw oren de smeking van Uw maaksel. 25 Want omdat ik leef, zo zal ik spreken, en omdat ik vernuft heb, zo zal ik antwoorden. 26 En zie niet aan de misdaden van Uw volk, maar zie degenen aan, die U in waarheid dienen. 27 En let niet op het goddeloze van de heidenen, maar op degenen, die Uw getuigenissen met smarten onderhouden. 28 En gedenk niet aan degenen, die vals voor U hebben gewandeld, maar aan degenen die naar Uw wil Uw vrees bekend hebben. 29 En wil niet verderven degenen, die als vee geleefd hebben; maar zie die aan, die Uw wet heerlijk geleerd hebben. 30 En vertoorn U niet over degenen, die erger dan beesten geoordeeld zijn: maar heb die lief, die altijd op Uw gerechtigheid en heerlijkheid betrouwen. 31 Want wij en onze vaders zijn ziek van zulke tekortkomingen, maar U wordt barmhartig genoemd om onzentwil, die zondaren zijn. 32 Want zo U begerig bent Zich over ons te ontfermen, dan zult U barmhartig genoemd worden, over ons namelijk, die geen werken van de gerechtigheid hebben. 33 Want de rechtvaardigen, wie vele werken weggelegd zijn, zullen uit hun werken het loon ontvangen. 34 Maar wat is de mens, dat U Zich over hem zou vertoornen, of het verderfelijk geslacht, dat U daartegen zo verbitterd zou zijn? 35 Want in waarheid, daar is niemand van die geboren zijn, die niet goddeloos heeft gehandeld, en van degenen die U belijden, die niet misdaan heeft. 36 Want daarin zal Uw gerechtigheid en Uw goedheid verkondigd worden, Heere, wanneer U Zich zult ontfermen over degenen, die het wezen van de goede werken niet hebben. 37 En hij antwoordde en zei tot mij: U hebt sommige dingen recht gesproken, en naar uw redenen zal het ook gebeuren. 38 Want ik zal werkelijk niet gedenken aan het werk van degenen, die gezondigd hebben, vóór de dood, vóór het oordeel, en vóór het verderf. 39 Maar ik zal vreugde hebben over het pogen van de rechtvaardigen, en ik zal ook gedenken aan hun vreemdelingschap, aan hun behoudenis, en aan het ontvangen van het loon. 40 Zoals ik dan gesproken heb, zo is het ook. 41 Want zoals de landman op de aarde veel zaad zaait, en vele planten plant, maar alle die in de tijd gezaaid zijn niet worden behouden, noch alle, die geplant zijn wortels krijgen, zo ook alle, die in de wereld gezaaid zijn, worden niet behouden. 42 En ik antwoordde, en zei: Als ik genade gevonden heb, zo laat mij spreken. 43 Zoals het zaad van de landman verloren gaat als het niet opkomt, of uw regen intijds niet ontvangt, of als het door de veelheid van de regen verderft, 44 Zo gaat ook evenzo verloren de mens, die door uw handen is geschapen, en bent hem een evenbeeld genoemd, omdat u hem gelijk bent, om wie u alle dingen hebt geschapen, en die u het zaad van de landman gelijk gemaakt hebt. 45 En vertoorn u niet over ons, maar spaar uw volk, en ontferm u over uw erfdeel; want u ontfermt u over uw schepsel. 46 En hij antwoordde en zei tot mij: De tegenwoordige dingen zijn voor de tegenwoordige, maar de toekomstige voor de toekomstige. 47 Want u ontbreekt nog veel, dat u mijn schepsel zou liefhebben meer dan ik: maar ik ben u en hetzelfde dikwijls genaderd, maar de onrechtvaardige nooit. 48 Maar ook daarin bent u wonderlijk voor de Allerhoogste; 49 Omdat u zich vernederd hebt, zoals het u past, en hebt u zelf niet waard geoordeeld, dat u onder de rechtvaardigen zeer zou verheerlijkt worden. 50 Daarom zal vele en jammerlijke ellende hun overkomen, die de wereld in de laatste tijden zullen bewonen, omdat zij in vele hoovaardij gewandeld hebben. 51 Maar u, versta dit voor u zelf, en onderzoek de heerlijkheid van degenen, die u gelijk zijn. 52 Want u is het paradijs geopend, de boom van het leven geplant, de toekomende tijd bereid, de overvloed toebereid, de stad gebouwd, de rust beproefd, de goedheid volmaakt, en de wijsheid voltrokken. 53 De wortel van het kwaad is ver van u verzegeld, de zwakheid en mot is van voor u verborgen, en de verderfenis is naar het dodenrijk gevlucht in vergetelheid. 54 De smarten zijn vergaan, en de schat van de onsterfelijkheid is aan het einde getoond. 55 Daarom wil niet verder vragen van de veelheid van degenen, die verloren gaan. 56 Want zij hebben hun vrijheid aangenomen, en de Allerhoogste veracht, en hebben Zijn wet versmaad, en Zijn wegen verlaten. 57 Daarenboven hebben zij de rechtvaardigen met voeten vertreden. 58 En hebben in hun hart gezegd, dat er geen God is, daar zij toch weten dat zij sterven moeten. 59 Want zoals u zal overkomen wat tevoren gezegd is, zo zal hun dorst en smart overkomen, die hun toebereid zijn. Want hij heeft niet gewild, dat de mens teniet zou worden. 60 Maar ook zij, die geschapen zijn, hebben de naam bevlekt van degene die hen gemaakt heeft, en zijn ondankbaar geweest tegen die, die hun het leven bereid had. 61 En daarom nadert nu mijn oordeel. 62 Dat vertoon ik niet aan allen, maar aan u, en andere weinigen, die u gelijk zijn. En ik antwoordde, en zei: 63 Zie, Heere, nu hebt u mij de veelheid van de tekenen getoond, die u in de laatste dagen zult beginnen te doen, maar u hebt mij niet getoond wanneer en op welke tijd. ### 4 Ezra 9 1 TOEN antwoordde hij, en zei tot mij: Meet vlijtig de tijd in zich zelf, en het zal gebeuren, wanneer een deel van de tekenen, die voorzegd zijn, zal voorbij gegaan zijn, 2 Dat u dan zult verstaan, dat deze de tijd is, waarin de Allerhoogste zal beginnen te bezoeken de wereld, die door Hem gemaakt is. 3 En wanneer in de wereld aardbevingen zullen gezien worden, en onlusten van de volken, 4 Dan zult u verstaan, dat de Allerhoogste hiervan gesproken heeft, van de dagen aan, die voor u van de beginne geweest zijn. 5 Want zoals al wat in de wereld gemaakt is een begin heeft, zo heeft het ook een einde, en dat einde is openbaar. 6 Zo hebben ook de tijden van de Allerhoogste openbare beginselen in wonderen en tekenen, en hun einden in werkingen, en in tekenen. 7 En het zal gebeuren dat een ieder die behouden zal worden, en die door zijn werken zal kunnen ontvluchten, en door het geloof waarmee u geloofd hebt, 8 Dat hij (zeg ik) zal bevrijd worden van de voorzegde gevaren, en hij zal mijn zaligheid zien in mijn land, en in mijn grenzen; want ik heb mij die geheiligd van de eeuwen aan. 9 Dan zullen niet ontfermd worden, die mijn wegen misbruikt hebben, en die zullen in pijn wonen, die ze verworpen en veracht hebben. 10 Want die mij niet gekend hebben, toen zij in het leven weldaden ontvingen. 11 En die van mijn wet een walg gehad hebben, toen zij nog vrijheid hadden, 12 En toen hun nog plaats van berouw open was, die het niet verstonden, maar verachtten het, deze moeten het na de dood in de pijn leren kennen. 13 Zo dan, wees niet meer bezorgd hoe de goddelozen zullen gepijnigd worden; maar onderzoek hoe de rechtvaardigen, voor wie en om welke die wereld zal zijn, zullen zalig worden en wanneer. 14 En ik antwoordde en sprak: Ik heb voor deze gezegd, en ik zeg het nu, en ik zal het ook hierna zeggen, 15 Dat er meer in getal zijn die verloren gaan, dan die behouden worden, zoals de watergolf meerder is dan de druppel. 16 En hij antwoordde en sprak tot mij: 17 Zoals het veld is, zo zijn ook de zaden; en zoals de bloemen zijn, zo zijn ook de kleuren; en zoals de arbeider is, zo is ook het werk; en zoals de landman is, zo is ook de landbouw; want het was de tijd van de wereld. 18 Werkelijk, als ik voor degenen, die nu zijn, de wereld bereidde die nog niet was geschapen om te bouwen, zo wedersprak mij niemand. 19 Want een ieder was toen gehoorzaam, maar nu zijn de zeden van degenen, die geschapen zijn in deze wereld, nadat zij gemaakt was, verdorven geworden door een oogst, die niet ophoudt, en door een wet die niet kan doorgrond worden. 20 En ik heb de wereld aangemerkt, en ziet, daar was gevaar vanwege de gedachten, die daarin waren voortgekomen. 21 En ik heb gezien, en heb hen zeer gespaard, en heb mij een wijnbezie van een druiftak behouden, en een planting uit vele geslachten. 22 Dat dan de menigte verloren ga, die zonder oorzaak voortgekomen is; en dat mijn wijnbezie en mijn planting behouden worden, want ik heb ze met veel arbeid volmaakt. 23 Maar u, als u nog andere zeven dagen wacht, (maar u zult daarin niet vasten), 24 Zo zult u gaan op een veld van bloemen, waarop geen huis is gebouwd, en u zult alleen eten van de bloemen van het veld, en zult geen vlees smaken, en geen wijn drinken, maar alleen de bloemen eten. 25 En bid de Allerhoogste zonder ophouden, zo zal ik komen en met u spreken. 26 En ik ben heengegaan, zoals hij mij gezegd had, in het veld dat Ardath heet, en ik zat daar in de bloemen; en ik at van het kruid van de akker, en ik werd van zijn voedsel verzadigd. 27 En het is gebeurd na zeven dagen, dat ik neerzat op het gras, en mijn hart werd weer beroerd als tevoren. 28 En mijn mond werd geopend, en ik begon te spreken voor de Allerhoogste: 29 O Heere, toen U Uzelf ons vertoonde, bent U onze vaders openbaar geworden in de woestijn in een onvruchtbare plaats, die van niemand wordt betreden, toen zij uit Egypte trokken, en hebt hun ernstig gezegd: 30 Israël, hoor Mij, en zaad van Jakob, luister naar Mijn reden. 31 Want ziet, Ik zaai Mijn wet in u, en zij zal in u vrucht voortbrengen, en u zult daarin verheerlijkt worden in eeuwigheid. 32 Maar onze vaders, die de wet ontvingen, hebben ze niet gehouden, en zij hebben mijn rechten niet bewaard, en de vrucht van de wet is niet openbaar geworden, en zij kon ook niet, want zij was de Uwe. 33 Want die ze ontvangen hebben, zijn verloren gegaan, omdat zij niet bewaarden wat in hen gezaaid was. 34 En ziet, het is een gewoonte, als de aarde het zaad ontvangen heeft, of de zee een schip, of een voorwerp het voedsel en de drank, wanneer wat verbroken wordt waarin gezaaid of gedaan is, 35 Dat wat gezaaid, of daarin gedaan, of ontvangen is, meteen ook verbroken wordt, en wat daarin ontvangen is blijft nu niet meer bij ons; 36 Maar ons is het zo niet gebeurd, want wij die de wet ontvangen hebben, vergaan wel als wij zondigen, en ook ons hart dat ze ontvangen heeft, 37 Maar de wet is niet vergaan, maar is gebleven in haar werking. 38 En als ik deze dingen in mijn hart sprak, zo zag ik om met mijn ogen, en ik zag een vrouw aan de rechterzijde, en zie, zij treurde en huilde met luide stem, en zij was zeer bedroefd in haar geest, en haar kleren waren gescheurd, en daar was as op haar hoofd. 39 Toen liet ik mijn gedachten varen, waarin ik was, en ik keerde mij tot haar, en zei: 40 Waarom weent u? en waarom bent u bedroefd in uw geest? en zij zei tot mij: 41 Laat van mij af, Heer, opdat ik mag huilen, en in mijn verdriet voortgaan, want ik ben zeer ontsteld van geest, en ben zeer vernederd. 42 En ik zei tot haar: Wat is u overkomen? zeg het mij toch. 43 En zij zei tot mij: Ik, uw dienstmaagd was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard, hoewel ik dertig jaren een man gehad had. 44 En ik heb alle uren, en alle dagen, en alle jaren, deze dertig jaren lang, dag en nacht de Allerhoogste gebeden, 45 En het is gebeurd na dertig jaren, dat God mij, uw dienstmaagd verhoord heeft, en Hij heeft mijn vernedering gezien, en Hij heeft mijn angst aangemerkt, en Hij heeft mij een zoon gegeven, en wij hebben grote vreugde over hem gehad, ik en mijn man, en al mijn medeburgers, en wij vereerden de almachtige God zeer. 46 En ik voedde hem op met grote arbeid. 47 En toen hij opgegroeid was, en de tijd gekomen was, dat hij een vrouw zou nemen, zo heb ik een maaltijd toebereid. ### 4 Ezra 10 1 EN het is gebeurd, toen mijn zoon in zijn slaapkamer ging, dat hij neergevallen en gestorven is. 2 En wij hebben al de lichten omgekeerd, en al mijn medeburgers zijn opgestaan om mij te troosten, en ik hield mij stil tot de andere dag toe, tegen de nacht, 3 En toen zij allen ophielden mij te troosten, opdat ik zou rusten, zo ben ik in de nacht opgestaan, en weggevlucht, en ben in dit veld gekomen, zoals u ziet, 4 En ik heb voorgenomen niet weer in de stad te komen, maar hier te blijven, en niet te eten noch te drinken, en zonder ophouden te treuren en te vasten voordat ik sterf. 5 Toen liet ik mijn redenen, waarin ik bezig was, varen, en sprak met toorn tot haar, en zei: 6 U, dwaze boven alle vrouwen, ziet u ons treuren niet? en wat ons ontmoet? 7 Want Sion onze moeder is met allerlei verdriet bedroefd, en met nederheid vernederd, en is geheel zeer treurig. 8 En nu, waar wij allen treuren en droevig zijn, daar wij allen bedroefd zijn, zo treurt u alleen over een zoon. 9 Want vraagt het de aarde, zo zal zij u zeggen, dat zij is degene, die de ondergang moet betreuren van zo velen, die op haar groeien. 10 En uit haar zijn van de beginne alle mensen geboren, en zullen ook de anderen komen, en zie zij wandelen bijna allen ten verderve, en hun menigte is tot uitroeiing. 11 Wie zal dan meer moeten treuren dan deze, die zo groot een menigte verloren heeft, daar u maar over één zo droevig bent. 12 Als u nu tot mij zegt: Mijn treuren is niet aan dat van de aarde gelijk; want ik heb de vrucht van mijn lijf verloren, die ik met smarten gebaard en met verdriet voortgebracht heb, 13 Maar de aarde doet naar de wijze van de aarde, en de tegenwoordige menigte keert weer in haar, zoals zij daaruit gekomen is. 14 Zo zeg ik u, zoals u met smarten gebaard hebt, zo geeft de aarde ook haar vrucht de mens, die haar van de beginne gebouwd heeft. 15 Nu dan behoud voor uzelf uw verdriet, en draag kloekmoedig het ongeval dat u overkomen is. 16 Want zo u de bepalingen Gods rechtvaardigt, en Zijn raad intijds aanneemt, zo zult u ook in zulke zaken geprezen worden. 17 Ga dan weer naar de stad tot uw man. 18 En zij zei tot mij: Ik zal dat niet doen, ik zal niet in de stad gaan, maar hier zal ik sterven. 19 Toen sprak ik verder met haar en zei: 20 Doe zo niet als u zegt, maar volg de raad, die u gegeven wordt, want wat zijn er al ongevallen Sions! Troost u dan om de bedroefdheid van Jeruzalem. 21 Want u ziet dat ons heiligdom woest geworden is, ons altaar verbroken, en onze tempel verstoord, 22 Ons snarenspel ligt daar neer, en de lofzang zwijgt stil, en onze vreugde is teniet, en het licht van onze kandelaar is uitgeblust, en de ark van ons verbond is genomen, en onze heilige plaatsen zijn bevlekt, en de naam die over ons aangeroepen wordt is bijna ontheiligd, en onze kinderen hebben smaad geleden, en onze priesters zijn verbrand, en onze Levieten zijn in gevangenis gegaan, en onze maagden zijn geschonden, en onze vrouwen hebben geweld geleden, en onze rechtvaardigen zijn weggerukt, en onze kleine kinderen zijn verloren, en onze jongemannen zijn dienstbaar geworden, en onze sterke mannen zijn zwak geworden. 23 En wat het allerergste is: Het zegel Sions is van zijn heerlijkheid opgelost, want zij is ook overgegeven in handen van degenen die haar haten. 24 Doe dan uw grote verdriet van u, en leg de veelheid van uw smarten af, opdat de sterke God u genadig zij, en de Allerhoogste zal u rust geven van uw arbeid. 25 En het is gebeurd, toen ik met haar sprak, dat haar aangezicht en gedaante haastig blinkende werd, en haar gezicht werd glinsterend, zodat ik voor haar vreesde, en dacht wat dat zijn mocht. 26 En ziet, zij gaf haastig groot geluid van een stem van zich, vol vreselijkheid, zodat de aarde beefde van de stem van de vrouw. 27 En ik zag op, en ziet, de vrouw verscheen mij niet meer, maar er werd een stad gebouwd, en een plaats werd vertoond van grote fundamenten, en ik verschrikte, en ik riep met luide stem, en zei: 28 Waar is Uriël de engel, die van de beginne tot mij gekomen is? Want hij heeft gemaakt, dat ik door vele gedachten tot deze verrukking van zinnen gekomen ben, en mijn einde is geworden tot verderfenis, en mijn gebed tot smaad. 29 En als ik dit gesproken had, ziet, zo kwam hij tot mij en zag mij. 30 En ik lag als een dode, en mijn verstand was mij benomen, en hij nam mij bij de rechterhand, en sterkte mij, en stelde mij op mijn benen, en zei tot mij: 31 Wat is u, en waarom is uw verstand ontroerd, en het gevoelen van uw hart, en waarom wordt u ontroerd? 32 En ik zei: Omdat u mij verlaten hebt; want ik heb naar uw redenen gedaan, en ben in het veld uitgegaan; en ziet, ik heb gezien, en zie nog, wat ik niet kan verhalen. 33 En hij zei tot mij: Sta als een man, en ik zal u onderrichten. En ik zei: 34 Spreek, mijn Heere, tot mij, en verlaat mij niet, opdat ik niet zonder oorzaak sterve. 35 Want ik heb gezien wat ik niet wist, en ik hoorde wat ik niet weet. 36 Of worden mijn zinnen bedrogen, en droomt mijn ziel? 37 Nu dan, zo bid ik u, dat u uw knecht toont wat deze verrukking van zinnen is. En hij antwoordde mij, en zei: 38 Hoor mij, en ik zal u onderrichten, en ik zal u zeggen de dingen waarvoor u vreest, want de Allerhoogste heeft u vele geheimen geopenbaard. 39 Hij heeft gezien dat uw weg recht is, want u was zonder ophouden beroerd over uw volk, en was zeer treurig over Sion. 40 Dit is dan de betekenis van het visioen, dat u een weinig tevoren verschenen is: 41 De vrouw, die u hebt zien treuren, bent u begonnen te troosten, 42 En nu ziet u de gestalte van de vrouw niet meer; maar het heeft u geschenen, dat een stad gebouwd werd. 43 En dat zij u van het ongeval van haar zoon een verhaal gedaan heeft, is dit de verklaring: 44 Deze vrouw, die u gezien hebt is Sion, die u ook, als zij u gezegd heeft, nu zult zien als een gebouwde stad. 45 En dat zij u gezegd heeft, dat zij dertig jaren onvruchtbaar is geweest, dit is omdat het dertig jaren zijn geweest, dat nog geen offergave daarin was geofferd. 46 En het is gebeurd, dat Salomo na dertig jaren de stad heeft gebouwd en offergaven heeft geofferd, toen is het gebeurd dat de onvruchtbare een zoon gebaard heeft. 47 En dat zij u gezegd heeft, dat zij met hem arbeid heeft opgebracht, dit was de woning binnen Jeruzalem. 48 En dat zij u gezegd heeft, dat haar zoon komende in zijn slaapkamer gestorven is, en neergevallen; dit is de val, die Jeruzalem is overkomen. 49 En zie, u hebt haar gedaante gezien, en omdat zij om haar zoon treurde, bent u begonnen haar te troosten, en van deze dingen die gebeurd zijn, moest u dit geopenbaard worden. 50 En nu ziet de Allerhoogste, dat u van harte bedroefd bent, en omdat u met heel uw hart bezorgd bent over haar, zo heeft Hij u de klaarheid van haar heerlijkheid getoond, en de schoonheid van haar versiersel. 51 Want daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou blijven, waar geen huis was gebouwd. 52 Want ik wist, dat de Allerhoogste u dit zou beginnen te vertonen; 53 Daarom heb ik u gezegd, dat u in een veld zou komen, waar geen fundament van enig gebouw was. 54 Want in die plaats kon ook geen werk van het gebouw van een mens verdragen worden, waar de stad van de Allerhoogste zou beginnen vertoond te worden. 55 Daarom dan, vrees niet, en uw hart zij niet verschrikt, maar ga heen en zie de heerlijkheid en grootte van het gebouw, voor zoveel het gezicht van uw ogen kan vatten om te zien. 56 En daarna zult u horen, zoveel het gehoor van uw oren zal vatten om te horen. 57 Want u bent gelukzalig boven vele anderen, en u bent geroepen tot de Allerhoogste, zoals er weinigen geroepen zijn. 58 De nacht nu die morgen wezen zal, zult u hier blijven. 59 En de Allerhoogste zal u die visioenen van de hoogste dingen tonen, die de Allerhoogste zal doen aan hen die op aarde in de laatste dagen wonen. 60 En ik sliep die nacht, en de volgende, zoals hij mij gezegd had. ### 4 Ezra 11 1 EN ik zag een droom, en zie een adelaar klom op van de zee, die twaalf vleugels van veren had, en drie hoofden. 2 En ik zag, en ziet, hij strekte zijn vleugels uit over de hele aarde, en al de winden van de hemel woeien daarop, en werden verzameld. 3 En ik zag dat van zijn veren andere veren daartegen wiessen, en dat zij tot kleine en smalle veertjes werden. 4 Want zijn hoofden waren in rust, en het middelste hoofd was groter dan de andere hoofden, en hij was met deze ook in rust. 5 En ik zag, en zie de adelaar vloog met zijn vleugels en heerste op aarde, en over allen die daarop wonen. 6 En ik zag dat alle dingen hem onder de hemel onderdanig waren, en niemand wedersprak hem, ja niet één van de schepselen die op aarde zijn. 7 En ik zag, en ziet, de adelaar stond op zijn klauwen, en sprak tot zijn veren, en zei: 8 U zult niet allen tegelijk waken, een ieder slape op zijn plaats, en wake te zijner tijd. 9 De hoofden nu zullen tot het laatste behouden worden. 10 En ik zag, en ziet, de stem kwam niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam. 11 En ik telde zijn veren, die tegen de andere gewassen waren, en ziet, die waren acht. 12 En ik zag, en ziet, van de rechterzijde stond een veer op, en zij heerste over de hele aarde. 13 En het gebeurde, toen zij heerste, dat haar einde kwam, en haar plaats werd niet meer gevonden. En de volgende is opgestaan en heerste, en zij heeft het lange tijd gehouden. 14 En het is gebeurd toen zij heerste, zoals de voorgaande. 15 En een stem is tot haar gekomen; zeggende: 16 Hoor, die zo lange tijd de aarde ingehouden hebt, dit verkondig ik u, voordat u begint te verdwijnen; 17 Niemand zal het na u zo lange tijd, als de uwe is, houden, ja niet de helft daarvan. 18 En de derde heeft zich verheven, en heeft de heerschappij gehouden als de vorige, en ook deze is verdwenen. 19 En zo ging het met al de andere, dat zij elk in het bijzonder de heerschappij voerden, en weer verdwenen. 20 En ik zag, en ziet, de volgende veren werden na verloop van tijd opgericht van de rechterzijde, opdat zij zelf de heerschappij zouden verkrijgen, en onder haar waren enige die ze verkregen, maar verdwenen toch in korte tijd. 21 Want enige uit hen richtten zich ook op, maar verkregen de heerschappij niet. 22 En ik zag daarna, en ziet, de twaalf veren werden niet meer gezien, noch de twee veertjes. 23 En daar was niet meer over aan het lichaam van de arend, dan twee hoofden, die in rust waren, en zes veertjes. 24 En ik zag, en ziet, van de zes veertjes zijn de twee afgescheiden, en zijn onder het hoofd gebleven dat aan de rechterzijde was, maar de vier bleven aan haar plaats. 25 En ik zag, en ziet, die onder de vleugels waren, meenden zich op te richten en heerschappij te verkrijgen. 26 En ik zag, en ziet, de ene heeft zich opgericht, maar zij is meteen verdwenen. 27 En de tweede is eerder verdwenen dan de eerste. 28 En ik zag, en ziet, de twee die nog overig waren, dachten ook zelf bij zichzelf heerschappij te verkrijgen. 29 En toen zij daaraan dachten, ziet, zo is het middelste van de hoofden die rustten, opgewaakt, want dit was groter dan de twee andere. 30 En ik zag dat de twee hoofden hiermee samengevoegd waren. 31 En ziet, dit hoofd keerde zich om, met degenen die bij hem waren, en verslond twee veren die onder de vleugels waren, die heerschappij meenden te verkrijgen. 32 Dat hoofd nu verschrikte de hele aarde, en heerste daarop, over allen die de aarde met veel arbeid bewonen, en het voerde heerschappij op de aardbodem, over al de vleugels, die daar geweest waren. 33 En ik zag daarna, dat het middelste hoofd haastig verdween, en dat ook zoals de vleugels. 34 Maar de twee hoofden waren nog over, die op gelijke wijze ook heersten over de aarde, en over degenen, die daarin wonen. 35 En ik zag, en ziet, het hoofd, dat van de rechterzijde was, verslond het hoofd dat aan de linkerzijde was. 36 En ik hoorde een stem die tot mij zei: Zie tegenover u, en merk op wat u ziet. 37 En ik zag, en ziet, een leeuw, als een leeuw die brult, van het bos snel lopende, en ik zag dat hij een mensenstem uitgaf tot de adelaar, en zei: 38 Hoor, ik zal tot u spreken, en de Allerhoogste zal tot u zeggen: 39 Bent u niet het dier, dat overgebleven is van de vier dieren, die ik de heerschappij had gegeven in mijn wereld, opdat naar haar het einde van de tijden zou komen? 40 En dat, in de vierde plaats komende, al de dieren heeft overwonnen, die voorbij zijn, en door zijn heerschappij de wereld heeft ingehouden met grote vrees, en de hele aarde met onbehoorlijke arbeid, en de aardbodem met zoveel bedrog heeft bewoond? 41 En hebt de aarde gericht niet naar waarheid? 42 Want u hebt de zachtmoedige verdrukt, en die in rust waren beledigd, en u hebt de leugen liefgehad, en hebt de woningen afgebroken van degenen, die vruchten brachten, en hebt de muren ternedergeworpen van degenen, die u niet beschadigen. 43 Daarom is uw versmading gekomen, tot de Allerhoogste, en uw trots tot de sterke. 44 En de Allerhoogste heeft de hoogmoedige tijden aangezien, en ziet, zij zijn geëindigd, en hun boze daden zijn vervuld. 45 Daarom, adelaar! verschijn niet meer, noch uw gruwelijke vleugels, noch uw snode veertjes, noch uw boze hoofden, noch uw kwade klauwen, noch uw geheel onnut lichaam, 46 Opdat de hele aarde weer verfrist wordt, en tot zichzelf kome, van uw geweld bevrijd zijnde, en dat zij mag hopen op het oordeel en de barmhartigheid van degene die haar gemaakt heeft. ### 4 Ezra 12 1 EN het is gebeurd toen de leeuw deze woorden sprak tot de adelaar, dat ik zag, 2 En ziet, het hoofd dat nog over was, maar de vier vleugels, die tot hetzelfde overgegaan waren, en zich opgericht hadden om te heersen, verschenen niet meer, en hun rijk was zeer klein en vol oproer. 3 En ik zag, en ziet, zij kwamen niet meer te voorschijn, en het hele lichaam van de arend werd brandende, en de aarde verschrikte zeer, en ik ontwaakte vanwege het grote gewoel en de grote vrees uit de verdrukking van mijn zinnen, en ik zei tot mijn geest: 4 Zie, u hebt mij dit gedaan, daarmee dat u de wegen van de Allerhoogste onderzoekt. 5 Zie, ik ben nog vermoeid in mijn gemoed, en ik ben zeer zwak in mijn geest, en daar is geen kracht meer in mij, vanwege de grote vrees, waarmee ik deze nacht verschrikt ben geweest. 6 Nu dan, ik zal de Allerhoogste bidden, dat Hij mij versterke tot het einde. 7 En ik zei: O heersende Heere, als ik genade in Uw ogen gevonden heb, en als ik gerechtvaardigd ben bij U voor vele anderen, en als mijn gebed werkelijk voor Uw aangezicht opgekomen is, 8 Zo versterk mij, en toon mij, Uw knecht, de verklaring en onderscheiding van dit gruwzaam visioen, opdat U mijn ziel ten volle mag troosten. 9 Want U hebt mij waard geacht, dat U mij het laatste van de tijden zult vertonen. 10 En hij zei tot mij: Dit is de verklaring van dit visioen: 11 De adelaar, die u hebt zien opkomen van de zee, is het rijk, dat in een visioen gezien is door uw broer Daniël; 12 Maar het is hem niet verklaard, maar nu verklaar ik het u. 13 Zie de dagen komen, dat een rijk op aarde zal opstaan, en het zal vreselijker zijn dan al de rijken, die daarvoor geweest zijn. 14 In hetzelfde nu zullen twaalf koningen heersen, de één na de ander. 15 Want de tweede zal beginnen te heersen, en zal het meer tijds houden dan de andere twaalf. 16 Dit is de verklaring van de twaalf vleugels, die u gezien hebt. 17 En wat betreft de stem die gesproken heeft, en die u gehoord hebt, uitgaande niet uit zijn hoofden, maar uit het midden van zijn lichaam. 18 Dit is de verklaring, namelijk dat na de tijd van dit rijk geen kleine twisten zullen ontstaan en het zal in gevaar staan van te vallen, maar het zal dan niet vallen, maar zal weer in zijn eerste stand worden gesteld. 19 En dat u gezien hebt acht onderste vleugels, die vast waren aan zijn vleugels. 20 Daarvan is de verklaring: Daar zullen in dit rijk acht koningen opstaan, van wie de tijden kort en jaren snel zijn zullen, en twee van die zullen vergaan. 21 Maar wanneer het midden van de tijd zal naderen, zo zullen de vier behouden worden in die tijd, als zijn einde zal beginnen te naderen, maar de twee zullen tot het einde toe behouden worden. 22 En dat u hebt gezien drie hoofden die rustten. 23 Daarvan is dit de verklaring: Aan het einde van dit rijk zal de Allerhoogste drie rijken verwekken, en zal vele dingen daarin wederroepen, en zij zullen over de aarde zelf heersen, 24 En over degenen, die daarin wonen; en dat met veel moeite boven allen die voor hen geweest zijn; daarom zijn deze de hoofden van de arend genoemd. 25 Want het zijn die, die zijn goddeloosheid samen zullen te voorschijn brengen, en deze tot het uiterste toe zullen volbrengen. 26 En dat u gezien hebt, dat het grootste hoofd niet meer verscheen, dit is zijn verklaring, namelijk dat één van hen op zijn bed zal sterven, en toch met smarten. 27 Maar de twee, die overgebleven zullen zijn, zal het zwaard verslinden. 28 Want het zwaard van de ene zal verslinden hem die met hem is, maar toch zal hij ook ten laatste door het zwaard vallen. 29 En dat u gezien hebt twee veren, die van onder de vleugels over het hoofd gingen, dat aan de rechterzijde was, 30 Daarvan is dit de verklaring: Deze zijn het die de Allerhoogste behouden heeft tot op het einde, dit is een klein rijk, en vol oproer. 31 Zoals u ook een leeuw gezien hebt, die u zag uit het bos ontwaken, en brullen, en spreken, tot de adelaar, en hem bestraffen, en zijn ongerechtigheid, door al zijn redenen die u gehoord hebt. 32 Deze is de wind, die de Allerhoogste tot het einde toe behouden heeft, tegen hen en hun goddeloosheid, en Hij zal hen bestraffen, en Hij zal over henzelf hun verscheuring brengen. 33 Want hij zal hen levend voor het gericht stellen, en het zal gebeuren, als hij hen zal overtuigd hebben, dat hij hen zal straffen. 34 Want hij zal mijn overgebleven volk verlossen van de ellende, namelijk die op mijn grenzen zullen ontkomen zijn, en hij zal hen vrolijk maken totdat het einde en de dag van het oordeel komen zal, waarvan ik u in het begin gesproken heb. 35 Dit is de droom, die u gezien hebt, en dit zijn de verklaringen. 36 U dan bent alleen waard geacht, om dit geheim van de Allerhoogste te weten. 37 Daarom schrijf al deze dingen, die u gezien hebt, in een boek, en leg dat in een verborgen plaats. 38 En u zult ze de verstandigen onder uw volk leren, namelijk van wie de harten u weet dat deze geheimen kunnen vatten en behouden. 39 Maar wacht hier nog andere zeven dagen, opdat u vertoond wordt wat de Allerhoogste goeddunken zal u te vertonen. 40 En hij is van mij zo vertrokken. En als al het volk gehoord had, dat de zeven dagen voorbij waren, en dat ik in de stad niet was teruggekeerd, zo zijn zij allen van de minste tot de meeste verzameld, en zij zijn tot mij gekomen, en spraken tot mij, zeggende: 41 Wat hebben wij u misdaan, of wat onrecht hebben wij u gedaan, dat u ons verlaat, en aan deze plaats blijft zitten? 42 Want u bent alleen voor ons over uit alle volken als een druiftak van de wijngaard, en als een kaars in een duistere plaats, en als een haven, en een schip, dat uit het onweer ontkomen is. 43 Of zijn ons de zwarigheden niet genoegzaam, die ons overkomen? 44 Als u ons dan verlaat, hoe veel beter was het ons, dat wij ook met de brand Sions verbrand waren? 45 Want wij zijn niet beter dan degenen, die daar gestorven zijn; en zij huilden met luide stem. 46 Toen antwoordde ik hen en zei: Heb goede moed Israël! en wees niet bedroefd, u huis van Jakob! 47 Want de Allerhoogste gedenkt u, en de Almachtige heeft u niet vergeten in de verzoeking. 48 En ik heb u niet verlaten, en ben uit u niet geweken, maar ik ben in deze plaats gekomen, opdat ik zou bidden voor de verwoesting Sions, en opdat ik barmhartigheid zocht voor de vernedering van uw heiligdom. 49 En nu, zo ga een ieder van u in zijn huis, en ik zal na die dagen tot u komen. 50 En het volk is naar de stad vertrokken, zoals ik hun gezegd had. 51 Maar ik zat nog zeven dagen in het veld, zoals hij mij bevolen had, en ik at alleen van de bloemen van de akker, en uit de kruiden is mij voedsel geworden in die dagen. ### 4 Ezra 13 1 EN het gebeurde na zeven dagen, dat ik in de nacht een droom droomde: 2 En ziet, daar stond een wind op van de zee, die al haar golven bewoog. 3 En ik zag, en ziet, een man werd gesterkt met de duizenden van de hemel, en waar hij zijn aangezicht keerde om op te merken, daar verschrikte alles wat onder hem gezien werd. 4 En waarheen zijn stem uit zijn mond ging, daar ontbrandden allen die daar hoorden, zoals de aarde in stilte is, wanneer zij het vuur gevoelt. 5 En daarna zag ik, en zie, daar verzamelde zich een menigte van mensen, die men niet tellen kon, van de vier winden van de hemel, opdat zij die man zouden bevechten, die van de zee was opgekomen. 6 En ik zag, en ziet, hij had zichzelf een grote berg uitgesneden, en hij vloog daarop. 7 En ik zocht de landstreek of plaats te zien, waaruit de berg uitgesneden was, maar ik kon niet. 8 En daarna zag ik, en ziet, allen die samen verzameld waren tegen hem, om hem te bestrijden, waren zeer bevreesd, en toch bestonden zij te strijden. 9 En zie, zodra als hij het geweld van de aankomende menigte zag, zo hief hij zijn hand niet op, en hield geen zwaard noch enig krijgsgeweer, maar alleen zag ik dit, 10 Dat hij uit zijn mond liet gaan als een vurige wind, en uit zijn lippen een vlammende adem, en van zijn tong liet hij uitgaan vonken en onweer, en deze allen zijn samen vermengd geworden, namelijk de vurige wind, en de vlammende adem, en het grote onweer. 11 En het viel met geweld over de menigte, die bereid was om te strijden, en verbrandde hen allen, zodat van de ontelbare menigte weldra niets werd gezien, dan alleen stof, en sterk riekende rook; en ik zag het, en werd verschrikt. 12 En daarna zag ik de mens zelf van de berg afkomen, en een andere menigte van vreedzaam volk tot zich roepen. 13 En daar kwamen vele mensen tot hem, sommigen met een vrolijk aangezicht, sommigen droevig; maar sommigen gebonden, en sommigen leidende hen uit die zouden geofferd worden, en ik werd ziek van grote verschrikking, en ontwaakte en zei: 14 U hebt van de beginne uw dienaar deze wonderen getoond, en u hebt mij waard geacht, dat u mijn gebed zou aannemen, 15 Zo toon mij dan nu nog de verklaring van deze droom. 16 Want zo ik acht in mijn gemoed, wee degenen, die overgelaten zijn geweest in die dagen; en veel meer, wee degenen, die niet zijn overgelaten geweest. 17 Want die niet overgelaten zijn geweest, die waren treurig. 18 Ik versta nu de dingen die weggelegd zijn tot op de laatste dagen, en wat deze overkomen zal, en ook degenen die overgelaten zijn. 19 Want daarom zijn zij in groot gevaar en veel nood gekomen, zoals deze dromen uitwijzen. 20 Maar toch, is het verdragelijker dat men hierin kome met gevaar, en nu zie de dingen die in het laatste gebeuren zullen, dan dat men door de wereld ga als een wolk. En hij antwoordde en zei tot mij: 21 Ik zal u ook de verklaring van dit visioen zeggen, en zal u openbaren waarvan u gesproken hebt. 22 Dat u van deze gezegd hebt, die overgelaten zijn, daarvan is dit de verklaring: 23 Die het gevaar gedragen zal hebben in die tijd, die zal zichzelf hier bewaard hebben; die in het gevaar gevallen zijn, deze zijn het die de werken hebben, en het geloof in de Almachtige. 24 Zo weet dan, dat die zaliger zullen zijn die overgelaten zijn, dan die gestorven zijn. 25 Dit zijn de verklaringen van dit visioen: Dat u hebt gezien een man opklimmend uit het midden van de zee. 26 Deze is het, die de Allerhoogste nu vele tijden bewaart, die door zichzelf zijn schepsel zal verlossen, en Hij zal tot orde brengen degenen, die overgelaten zijn. 27 En dat u uit zijn mond hebt zien gaan als een wind, en vuur, en onweer. 28 En dat hij geen zwaard hield, noch enig krijgsgeweer, en zijn geweld toch verdierf de hele menigte die gekomen was om hem te bestrijden, daarvan is dit de verklaring: 29 Zie, de dagen komen, wanneer de Allerhoogste zal beginnen te verlossen degenen, die op aarde zijn. 30 En hij zal in een verrukking van zinnen komen over degenen, die de aarde bewonen. 31 En de één zal de ander willen bestrijden, de ene stad de andere, en het ene volk zal tegen het andere zijn, en het ene rijk tegen het andere. 32 En als deze dingen gebeuren, en de tekenen gebeuren, die ik u tevoren getoond heb, dan zal mijn Zoon geopenbaard worden die u als een man hebt zien opkomen. 33 En wanneer alle volken zijn stem zullen horen, zo zal een ieder in zijn land zijn strijd, die hij tegen de andere had, laten varen. 34 En een ontelbare menigte zal zich bijeen verzamelen, alsof zij wilden komen en hem bestrijden. 35 Maar hij zal staan op de spits van de berg Sion. 36 Sion nu zal komen, en het zal bereid en opgebouwd aan allen vertoond worden, zoals u gezien hebt, dat de berg zonder handen werd uitgehouwen. 37 Maar deze mijn Zoon zal de dingen bestraffen, die de volken uitgevonden hebben, namelijk deze hun goddeloosheden, die het onweer nabij komen vanwege hun kwade gedachten, en pijnigingen, waarmee zij zullen beginnen gepijnigd te worden, 38 Die met de vlam worden vergeleken; en hij zal hen verderven zonder arbeid, door de wet, die met vuur wordt vergeleken. 39 En dat u gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich verzameld heeft; 40 Deze zijn de tien stammen, die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, die Salmanasser de koning van de Assyriërs als gevangenen weggevoerd heeft, en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land. 41 Maar zij besloten, dat zij de menigte van de heidenen zouden verlaten, en in een verder land vertrekken, waar geen menselijk geslacht ooit tevoren gewoond had. 42 Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden. 43 Zij zijn dan daarin getogen door de nauwe ingangen van de rivier Eufraat. 44 Want de Allerhoogste deed hun toen tekenen, en hield de aderen van de rivier op, totdat zij daarover gegaan zijn. 45 Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd. 46 Toen hebben zij daarin gewoond tot de laatste tijd; en als zij nu weer zullen beginnen te komen, 47 Zo zal de Allerhoogste weer de aderen van de rivier ophouden, opdat zij daarover gaan mogen; daarom hebt u deze menigte vreedzaam gezien. 48 Maar die overgelaten zijn van uw volk, zijn deze, die binnen mijn gebied gevonden worden. 49 Het zal dan gebeuren, wanneer hij zal beginnen te verderven de menigte van degenen, die uit de volken verzameld zijn, dat hij zal beschermen het volk dat overgebleven is. 50 En dan zal hij hun vele wondertekenen tonen. 51 Toen zei ik: O heersende Heere, toon mij toch dit, waarom ik gezien heb, dat de man van het midden van de zee opkwam. En hij zei tot mij: 52 Zoals u de dingen niet kon doorgronden noch weten, die in de diepte van de zee zijn, zo zal niemand op de aarde kunnen zien mijn Zoon, of degenen, die bij hem zijn, dan op die dag. 53 Dit is de verklaring van de droom, die u gezien hebt, en om wie de wil u alleen hier verlicht bent. 54 Want u hebt uw eigen wet verlaten, en hebt u met mijn wet beziggehouden, en hebt die gezocht. 55 U hebt uw leven gericht door wijsheid, en hebt verstand uw moeder genoemd. 56 En daarom heb ik u getoond de schatten die bij de Allerhoogste zijn, en na drie andere dagen zal ik nog andere dingen tot u spreken, en ik zal u zware en wonderlijke zaken verklaren. 57 Toen ben ik in het veld heengegaan, de Allerhoogste zeer lovende en prijzende, vanwege de wonderen die Hij van tijd tot tijd deed; 58 En dat hij de tijd, met wat in de tijden teweeggebracht werd, regeert. En ik zat daar drie dagen. ### 4 Ezra 14 1 EN het gebeurde op de derde dag, dat ik zat onder een eik. 2 En zie een stem kwam tegen mij uit van het doornbos, en zei: Ezra, Ezra! En ik zei: Zie hier ben ik Heere, en ik stond op, op mijn voeten, en Hij zei tot mij: 3 In het doornbos ben Ik Mozes verschenen, en heb met hem gesproken, als Mijn volk in Egypte dienstbaar was. 4 En Ik heb hem gezonden, en heb Mijn volk uit Egypte geleid, en heb hem gebracht op de berg Sinaï, en daar hield Ik hem bij Mij vele dagen. 5 En Ik vertelde hem vele wonderen, en toonde hem de geheimen en het einde van de tijden, en beval hem, zeggende: 6 Deze woorden zult u openbaar maken, en deze zult u verbergen. 7 En nu zeg Ik u: 8 De tekenen die Ik gedroomd heb, en de dromen die u gezien hebt, en de verklaringen, die u gehoord hebt, die zult u in uw hart wegleggen. 9 Want u zult weggenomen worden van onder allen, en zult voortaan verkeren met Mijn raad, en met uw gelijken totdat de tijden geëindigd zijn. 10 Want de wereld heeft haar jeugd verloren, en de tijden naderen om oud te worden. 11 Want de eeuw is in twaalf delen verdeeld, en de tien zijn voorbij, en de helft van een tiende deel. 12 Maar er is nog overig wat na het tiende deel en een half volgt. 13 Nu dan beschik uw huis, en bestraf uw volk, en vertroost de vernederden onder hen, en laat alle verderfelijkheid varen. 14 En doe van u weg de sterfelijke gedachten; werp van u de menselijke lasten, en trek uit de zwakke natuur, en stel aan de ene zijde de raadslagen die u allerbezwaarlijkst zijn, en haast u om uit deze tijden te verhuizen. 15 Want het kwaad, dat u hebt zien gebeuren, zullen zij nog erger maken dan dit. 16 Want zoveel als de wereld zal verzwakt worden door ouderdom, zoveel zal ook het kwaad vermenigvuldigd worden, over degenen die haar bewonen. 17 Want de waarheid is veel verder geweken en de leugen is naderbij gekomen, en nu zal het visioen haast komen dat u gezien hebt. 18 En ik antwoordde, en zei: Laat het voor u aangenaam zijn, Heere. 19 Want ziet, ik zal heengaan zoals u mij bevolen hebt, en ik zal het tegenwoordige volk bestraffen. Maar wie zal die vermanen, die hierna zullen geboren worden? 20 Daarom ligt de wereld in duisternis, en die daarin wonen zijn zonder licht. 21 Omdat uw wet verbrand is, en daarom weet niemand de dingen die door u gedaan zijn, noch de werken die gebeuren zullen. 22 Als ik dan genade bij u gevonden heb, zo zend in mij de Heilige Geest, en ik zal alles schrijven wat van de beginne in de wereld gebeurd is, aangaande de zaken die in uw wet geschreven waren, opdat de mensen de weg kunnen vinden, en dat degenen, die in de laatste tijden zullen willen leven, ook leven mogen. 23 En hij antwoordde mij en zei: Ga en verzamel het volk, en zeg tot hen, dat zij u in veertig dagen niet zoeken. 24 Maar u, bereid u veel busbomen tafelkens, en neem met u Sareas, Dabreas, Salemias, Echanus, en Asiël, deze vijf, die bereid zijn om snel te schrijven; 25 En kom hier, zo zal Ik in uw hart ontsteken een licht van het verstand, dat niet zal uitgeblust worden, voordat de dingen voltooid zijn, die u zult beginnen te schrijven. 26 En dit gedaan zijnde, zo zult u sommige dingen openbaar maken, en sommige zult u de wijzen in het geheim overgeven; want morgen van dit uur af zult u beginnen te schrijven. 27 Toen ging ik heen, zoals hij mij beval, en ik verzamelde al het volk, en zei: 28 Hoor Israël! deze woorden: 29 Onze vaders waren van het begin vreemdelingen in Egypte, en zijn daaruit verlost geworden. 30 En hebben de wet van het leven ontvangen, die zij niet hebben gehouden, die ook u na hen hebt overtreden. 31 En het land, namelijk het land Sion is u tot een erfdeel gegeven; en uw vaders en u hebben onrecht gedaan, en hebben de wegen niet gehouden die de Allerhoogste bevolen had. 32 En zo hij een rechtvaardig rechter is, zo heeft hij van u indertijd genomen, wat hij gegeven had. 33 En nu zo bent u hier, en uw broers zijn onder u, 34 Als u dan uw gemoederen gehoorzaam aanstelt en uw verstand onderrichten laat, zo zult u levend behouden worden, en na de dood zult u barmhartigheid verkrijgen. 35 Want het oordeel zal na de dood komen, als wij weer levend zullen worden, en dan zullen de namen van de rechtvaardigen bekend, en de werken van de bozen openbaar worden. 36 Zo kome dan niemand nu tot mij, noch vrage naar mij deze veertig dagen lang. 37 En ik nam de vijf mannen tot mij, zoals hij mij bevolen had. En wij gingen naar het veld, en bleven daar. 38 En op de volgende dag riep een stem mij, zeggende: Ezra, doe uw mond open, en drink wat Ik u te drinken zal geven. 39 Toen deed ik mijn mond open, en ziet, een volle beker werd mij toegereikt. Deze was vol, als van water, maar zijn kleur was als van vuur. 40 En ik nam het, en dronk het, en zo haast als ik het gedronken had, zo werd mijn hart vervuld met wetenschap, en de wijsheid wies in mijn borst, en mijn geest werd versterkt in zijn geheugen. 41 En mijn mond werd opgedaan, en werd niet meer toegedaan. 42 De Allerhoogste nu gaf de vijf mannen verstand, dat zij schreven de dingen die in verrukkingen van mijn zinnen werden gezegd, die zij toch niet wisten. 43 's Nachts nu aten zij, maar overdag sprak ik, en 's nachts zweeg ik niet. 44 Zo zijn er in veertig dagen geschreven tweehonderdenvier boeken. 45 En het is gebeurd, als de veertig dagen geëindigd waren, dat de Allerhoogste tot mij sprak, en zei: Stel de eerste dingen, die u geschreven hebt, in het openbaar voor, en laat deze de waardigen en onwaardigen lezen. 46 Maar de laatste zeventig boeken zult u behouden, opdat u die de wijzen onder het volk overlevert. 47 Want in deze is de ader van het verstand, en de fontein van de wijsheid, en de vloed van de wetenschap; en ik deed zo. ### 4 Ezra 15 1 ZIE, u zult in de oren van Mijn volk de woorden van de profetie spreken, die Ik in uw mond zal leggen, spreekt de Heere, 2 En maak dat zij op papier geschreven worden, want zij zijn trouw en waarachtig. 3 En vrees niet voor de raadslagen tegen u en wees niet bezorgd over de ongelovigheid van de tegensprekers. 4 Want al de ongelovigen zullen in hun ongeloof sterven. 5 Zie, spreekt de Heere, Ik zal ongelukken over de aardbodem zenden, het zwaard, en de honger, en de dood, en de verderfenis; 6 Omdat ongerechtigheid de overhand genomen heeft over de hele aarde, en haar schadelijke werken zijn vervuld geworden. 7 Daarom spreekt de Heere: 8 Ik zal niet zwijgen over hun goddeloosheid, die zij roekeloos begaan, en zal niet verdragen wat zij onrechtvaardig doen. Ziet het onschuldig en rechtvaardig bloed roept tot Mij; en de zielen van de rechtvaardigen roepen zonder ophouden. 9 Zeker zal Ik hen wreken, spreekt de Heere, en Ik zal al het onschuldig bloed uit hen tot Mij nemen. 10 Zie Mijn volk wordt als een kudde schapen ter slachting geleid, Ik zal nu niet meer dulden dat het in Egypte woon. 11 Maar Ik zal het uitvoeren met een geweldige hand, en een verheven arm: en Ik zal dat land met plagen slaan als tevoren, en Ik zal al hetzelfde verderven. 12 Egypte zal treuren, en zijn fundamenten zullen met plagen geslagen worden, en met straffen, die God over hetzelfde brengen zal. 13 De akkerlieden, die het land bouwen, zullen treuren; want hun zaad zal van brand, en hagel, en van een vreselijk gesternte verdorven worden. 14 Wee de wereld, en hen, die daarin wonen. 15 Omdat het zwaard nadert, en hun ondergang, en het ene volk zal tegen het andere opstaan ten strijd, en het zwaard zal in hun handen zijn. 16 Want daar zal ongestadigheid zijn in de mensen, en de één zal de ander overweldigen, en zij zullen naar hun koning niet vragen, en de vorsten zullen de weg van hun handelingen naar hun geweld afmeten. 17 Want een mens zal begeren in een stad te gaan, en hij zal niet kunnen. 18 Want vanwege hun hoogmoed zullen de steden beroerd worden, de huizen zullen verstoord worden, en de mensen zullen vrezen. 19 De ene mens zal met de andere geen medelijden hebben, om hun huizen teniet te doen door het zwaard, en om hun goederen te roven, vanwege de honger naar brood, en de allerlei benauwdheid. 20 Zie Ik roep samen, spreekt de Heere, al de koningen van de aarde om Mij te vrezen, die daar zijn van het westen, en van het zuiden, en van het oosten, en van Libanon, om tegen zichzelf te keren, en te vergelden wat zij hun aangedaan hebben. 21 Zoals zij tot op de huidige dag Mijn uitverkorenen hebben gedaan, zo zal Ik hun doen, en zal het in hun schoot vergelden; dit spreekt de Heere. 22 Mijn hand zal de zondaar niet sparen, en Mijn zwaard zal niet ophouden over degenen, die onschuldig bloed vergieten op aarde. 23 Het vuur is uitgegaan van zijn toorn en heeft verteerd de fundamenten van de aarde, en de zondaars als aangestoken stro. 24 Wee hen die zondigen, en Mijn geboden niet houden, spreekt de Heere. 25 Ik zal hen niet sparen; wijk, kinderen, uit hun macht: en bevlekt Mijn heiligdom niet. 26 Want de Heere kent al degenen, die tegen Hem zondigen, daarom heeft Hij hen overgegeven ter dood en ter slachting. 27 Want nu zijn de ongevallen over de aardbodem gekomen, en u zult daarin blijven. Want God zal u niet verlossen, omdat u tegen Hem zondigt. 28 Zie een schrikkelijk visioen, en zijn aankomst is van de opgang van de zon. 29 Daar zullen natiën van draken uit Arabië komen met vele wagens, en zoals een wind zal hun menigte gedreven worden over de aarde, zodat zij allen zullen vrezen en beven, die hen horen; 30 Namelijk de Karmaniërs razende in hun toorn, en zij zullen komen als wilde zwijnen uit het bos: en zullen aankomen met grote kracht, en zullen tegen hen in de oorlog staan, en zullen een deel van het land van de Assyriërs verwoesten. 31 En na deze zullen de draken de overhand krijgen, zijnde hun natuur indachtig, en zullen zich omkeren, en samenspannen om met grote kracht die te vervolgen. 32 Deze nu zullen ontsteld worden, en zullen stilstaan voor hun kracht, en zullen zich op de vlucht begeven. 33 En een, op hen aankomende van het land van de Assyriërs, zal hen bezetten, en zal één uit hun Oversten ternederhouwen, en daar zal vrees en schrik in hun leger zijn, en twist tegen hun koningen. 34 Zie, daar komen wolken van het oosten en noorden tot in het zuiden, haar aanzien is zeer gruwzaam, vol toorn en onweer. 35 En zij zullen tegen elkaar stoten, en zullen vele sterren ter aarde werpen, en ook hun eigen sterren, en het bloed door het zwaard vergoten, zal tot de buik toe vloeien. 36 En de mest van de mensen zal komen tot aan de gordel van de kamelen, en daar zal grote vrees en beving zijn op aarde. 37 En die de onstuimigheid zien, zullen verschrikken, en beving zal hen bevangen. 38 En daarna zullen er grote slagregenen komen van het zuiden en van het noorden, en nog een ander deel van het westen. 39 En de winden uit het oosten zullen de overhand nemen, en zullen dat openen, met de wolk die het in zijn onstuimigheid verwekt had, en het gesternte zal schade lijden dat opkwam, om verschrikking te maken aan de oostenwind en westenwind. 40 En daar zullen grote en sterke wolken, die vol onstuimigheid zijn met het gesternte zich verheffen, opdat zij de hele aarde verschrikken met degenen, die daarop wonen, en zij zullen over alle hoge en uitstekende plaatsen een gruwzaam gesternte uitgieten; 41 Vuur en hagel, en vliegende zwaarden, en veel water, zodat al de velden, en al de beken door de menigte van het water vervuld zullen zijn. 42 En zullen de steden neerwerpen, en de muren, en de bergen, en de heuvelen, en de bomen van de bossen, en het gras van de velden, en hun vruchten. 43 En zij zullen standvastig gaan tot Babylon toe, en zullen die verstoren. 44 Zij zullen gezamenlijk tot deze komen en die omlegeren, en zullen dat gesternte en al de onstuimigheid over haar uitgieten, en het stof en de rook zal opgaan tot de hemel toe, en allen die rondom haar zijn zullen haar betreuren. 45 En die in haar zullen overblijven, die zullen degenen dienen, die hen verschrikt hebben. 46 En u Azië, die een gezellin bent van de hoop Babylons, en een eer bent van haar persoon, 47 Wee u, u ellendige, omdat u zich haar hebt gelijk gemaakt, en hebt uw dochters versierd tot hoererij, opdat zij zouden mogen behagen, en roemen op haar minnaars, die met u altijd begeerd hebben ontucht te plegen. 48 U hebt de gehate stad altijd willen navolgen in al haar werken en vonden, daarom spreekt de Heere: 49 Ik zal ongeval over u brengen, weduwschap, armoede, en honger, en zwaard, en pest, opdat uw huizen verwoest worden door het geweld, en de dood, 50 En de heerlijkheid van uw kracht zal als een bloem verdorren, wanneer de hitte zal opgaan, die over u zal gebracht worden. 51 U zult verzwakt worden als een arme deerne, die geslagen en getuchtigd is door de vrouwen, zodat de machtigen, en de minnaars, u niet zullen kunnen opnemen. 52 Zou Ik ook zo tegen u jaloers zijn? spreekt de Heere. 53 Als u Mijn uitverkorenen ten alle tijde niet had gedood, en uw handen over hen niet had verheven om te slaan, en u niet gezegd had, als u dronken was over hun dood, 54 Versier nu de schoonheid van uw aangezicht! 55 Het loon van uw hoererij is in uw schoot, daarom zult u vergelding ontvangen. 56 Zoals u Mijn uitverkorenen zult doen, spreekt de Heere, zo zal de Heere u doen, en zal u ten ongeval overgeven. 57 En uw kinderen zullen van honger vergaan, en u zult door het zwaard vallen, en uw steden zullen vernietigd worden, en al de uwen zullen in het veld door het zwaard vallen. 58 En die op de bergen zijn, zullen van honger sterven, en zullen hun eigen vlees eten, en bloed drinken, door honger naar brood, en dorst naar water. 59 O ongelukkigen, u zult over de zee wijken, en u zult daar weer ongeval ontmoeten. 60 In het doortrekken zullen zij de verslagen stad in stukken stoten, en zullen een gedeelte van uw land verderven, en een deel van uw heerlijkheid uitroeien, en zo tot het verwoeste Babylon terugkeren. 61 En als u ternedergeworpen bent, zo zult u hun zijn voor stoppelen, en zij zullen u zijn tot vuur. 62 En zij zullen u verteren; en zullen uw steden, en uw land, en uw bergen, ook al uw bossen, vruchtdragend geboomte, met vuur verbranden. 63 Zij zullen uw zonen als gevangene wegleiden, en uw inkomsten zullen zij tot roof maken, en zij zullen de heerlijkheid van uw aangezicht teniet maken. ### 4 Ezra 16 1 WEE u Babylon en Azië! wee u Egypte en Syrië! 2 Trek zakken en harige kleren aan, beweent uw kinderen, en treurt, want uw verderf is nabij. 3 Een zwaard is over u gezonden, en wie is er die het zal afkeren? 4 Een vuur is over u aangestoken, en wie is er die het zal blussen? 5 Veel ongeval is over u gezonden, en wie is er die het zal afweren? 6 Kan ook iemand een leeuw afweren, die hongerig is in het bos? of het vuur in de stoppelen blussen als het begint te branden? 7 Kan ook iemand een pijl afweren, die van een sterk schutter is geschoten? 8 De almachtige Heere zendt ongeval over, en wie is er die het zal verdrijven? 9 Het vuur is van zijn gemeenschap uitgegaan, en wie is er die het zal blussen? 10 Hij zal bliksemen, en wie zal niet vrezen? Hij zal donderen, en wie zal niet beven? 11 De Heere zal dreigen, en wie zal niet geheel vermorzeld worden van zijn aangezicht? 12 De aarde beeft met haar fundamenten; de zee bruist van de diepte op, en haar golven zullen ontsteld worden met haar vissen, van het aangezicht van de Heere, en van de heerlijkheid van Zijn kracht. 13 Want zijn rechterhand, die de boog spant is sterk; zijn pijlen zijn scherp die door hem geschoten worden. Zij zullen niet ontbreken, wanneer ze zullen geschoten worden tegen de einden van de aarde. 14 Ziet het ongeval wordt gezonden, en het zal niet terugkeren, voordat het op de aarde komt. 15 Het vuur wordt aangestoken, en het zal niet geblust worden voordat het de fundamenten van de aarde zal verteerd hebben. 16 Zoals de pijl niet terugkeert, die door een sterk schutter is geschoten, zo zullen de ongevallen niet terugkeren, die over de aarde zijn gezonden. 17 Wee Mij, wee Mij; wie zal Mij bevrijden in die dagen? 18 Het begin van de smarten, en veel zuchtens; het begin van de honger, en veel stervens; het begin van de oorlogen, en de machtigen zullen bevreesd worden; het begin van het ongeval, en zij zullen allen beven. 19 Wat zal Ik in deze doen, wanneer de ongevallen zullen komen? 20 Zie honger en plagen, verdrukking en benauwdheid zijn gezonden, als geselen ter verbetering. 21 En in al deze zullen zij zich niet bekeren van hun ongerechtigheden, en zullen de geselen niet altijd gedenken. 22 Zie de leeftocht zal goedkoop zijn op aarde, zodat zij zullen menen, dat hun vrede toebereid is, maar dan zullen de ongevallen spruiten op aarde, namelijk zwaard, honger en grote verwarring. 23 Want velen die op aarde wonen, zullen door hongersnood vergaan, en het zwaard zal de anderen verderven, die van de hongersnood zullen overgebleven zijn. 24 En de doden zullen als mest weggeworpen worden, en daar zal niemand zijn die hen troosten zal. Want het land zal woest gelaten, en de steden zullen ternedergeworpen worden. 25 Daar zal niemand overig zijn, die de aarde bouwe, en die haar bezaaie. 26 De bomen zullen vruchten geven, en wie zal ze aflezen? 27 De druif zal rijp worden, en wie zal ze treden? want in alle plaatsen zal grote eenzaamheid zijn. 28 Want een mens zal begerig zijn om een ander mens te zien of zijn stem te horen. 29 Ja van een stad zullen er alleen tien overblijven, en twee van het veld, die zich verstopt zullen hebben in de dichte bossen, en in de kloven van de steenrotsen. 30 Zoals in een olijfhof aan elke boom drie of vier olijven overig zijn, 31 Of gelijk aan een wijngaard, die afgeplukt is, sommige druiven alleen worden overgelaten, bij degenen, die de wijngaard ijverig doorzoeken. 32 Zo zullen er in die dagen drie of vier overgelaten worden, bij degenen, die hun huizen met het zwaard doorzoeken. 33 En het land zal woest blijven, en zijn velden zullen verouderen, en zijn wegen en al zijn paden zullen met doornen bewassen, omdat er geen mensen door hetzelfde zullen gaan. 34 De maagden zullen treuren, omdat zij geen bruidegoms hebben; de vrouwen zullen treuren, omdat zij geen mannen hebben; haar dochters zullen treuren, omdat zij geen hulp hebben. 35 Haar bruidegoms zullen in de oorlog omkomen, en haar mannen zullen door honger verdwijnen. 36 Maar u, dienaren van de Heere, hoort dit, en verstaat dit. 37 Zie dit is het woord van de Heere, neemt dat aan, en gelooft de goden niet, waarvan de Heere spreekt. 38 Zie de ongevallen naderen, en zullen niet vertragen. 39 Zoals een zwangere vrouw, die na de negen maanden haar zoon baart, wanneer de tijd van haar baren nabij is, één uur, twee of drie tevoren, zo gaan de kindsweeën door haar lichaam, en als het kind nu in de geboorte is, zo talmen zij niet één ogenblik; 40 Zo zullen de ongevallen niet talmen op aarde te komen, en de wereld zal zuchten, en de smarten zullen haar omvangen. 41 Hoort het woord, Mijn volk, bereidt u ten strijd, en wees in het ongeval zo, als de vreemdelingen van de aarde. 42 Die verkoopt zij als een die vlucht, en die koopt, als een die verliezen zal. 43 Die koopmanschap doet, als een die geen nut daaruit zal genieten, en die bouwt, als een die het niet zal bewonen. 44 Die zaait, als een die niet zal maaien, zo ook die een wijngaard snijdt, als een die de druiven niet zal lezen. 45 Die zich ten huwelijk begeven, als die geen kinderen zullen krijgen, die zich niet ten huwelijk begeven, als de weduwnaars. 46 Daarom die daar arbeiden, die arbeiden tevergeefs. 47 Want hun vruchten zullen de vreemden maaien, en zullen hun goederen roven, en hun huizen verstoren, en zullen hun kinderen gevangen nemen, want tot de gevangenis en tot hongersnood zullen zij hen voortbrengen. 48 Want die hun handel met roof drijven, hoe zij hun steden en huizen, en bezittingen, en personen meer versieren, 49 Hoe Ik tegen hen meer zal ijveren vanwege hun zonden, spreekt de Heere. 50 Zoals een vrome en zeer deugdzame vrouw ijvert tegen een overspeelster, 51 Zo zal ook de gerechtigheid ijveren tegen de ongerechtigheid, wanneer zij zich versiert, en zal haar in het aangezicht beschuldigen, als die komt, die verdedigt degenen, die onderzoek doet over alle zonde op aarde. 52 Daarom wil hun niet gelijk worden, noch hun werken. 53 Want nog een korte tijd is het, en de ongerechtigheid zal van de aarde weggenomen worden en de gerechtigheid zal over u heersen. 54 De zondaar zegge niet, dat hij niet heeft gezondigd, want vurige kolen zal hij op het hoofd van degene branden, die zegt: Ik heb niet gezondigd voor God, de Heere, en voor Zijn heerlijkheid. 55 Zie, de Heere kent alle daden en raadslagen van de mensen, en hun gedachten, en hun harten. 56 Want hij heeft gezegd: De aarde worde, en zij is geworden, en de hemel worde, en hij is geworden. 57 En door zijn woord zijn de sterren gefundeerd, en hij weet haar getal. 58 Hij is het die de afgrond doorgrondt, en zijn schatten; die de zee afmeet, en haar begrip. 59 Die de zee besloten heeft in het midden van de wateren, en de aarde gehangen heeft op de wateren door zijn woord. 60 Die de hemel uitspant als een gewelf; Hij heeft die over de wateren bevestigd. 61 Die in de woestijn waterfonteinen heeft gesteld, en op de spitsen van de bergen watermeren, om rivieren uit te geven van de hoge rotssteen, om de aarde te bevochtigen. 62 Die de mens gemaakt heeft, en zijn hart gesteld heeft in het midden van het lichaam, en heeft hem de geest, het leven en het verstand gegeven. 63 En de adem van de almachtige God is het, die alle dingen gemaakt heeft, en doorgrondt alle verborgen dingen in de diepten van de aarde. 64 Die weet uw raadslagen, en wat u in uw harten bedenkt, wanneer u zondigt, en uw zonden wilt bedekken. 65 Daarom heeft God al uw werken ernstig doorgrond, en zal u allen te voorschijn brengen. 66 En u zult schaamrood worden, als uw zonden voor de mensen zullen voortkomen, en uw ongerechtigheden uw beschuldigers zullen zijn, in die dag. 67 Wat zult u doen, en hoe zult u uw zonden verbergen voor God en Zijn engelen? 68 Zie, God is de rechter, vreest Hem; laat af van uw zonden, en vergeet uw ongerechtigheden eeuwig te bedrijven, zo zal God u uitleiden, en van alle ongeval bevrijden. 69 Want ziet, de hitte van een grote menigte wordt over u aangestoken, en zij zullen sommigen uit u wegrukken en zullen hen doden om de afgoden tot voedsel te zijn. 70 En die met hen eens zullen zijn, zullen hun zijn tot een spot, en tot versmading, en tot vertreding. 71 Want van plaats tot plaats, en in de omliggende steden zal grote opstand zijn tegen degenen, die God vrezen. 72 Zij zullen zijn als woedenden, en zullen niemand sparen, om te beroven, en te verstoren die God nog vrezen. 73 Want zij zullen hen verstoren, en hun goederen roven, en zullen hen uit hun huizen stoten. 74 Dan zal de beproeving van Mijn uitverkorenen openbaar worden, zoals goud dat door vuur beproefd wordt. 75 Hoor, Mijn geliefden, spreekt de Heere: zie, de dagen van de verdrukking zijn nabij, en Ik zal u daarvan verlossen. 76 En vreest niet, en wees niet bang, want God is uw leidsman. 77 En u die Mijn geboden en bevelen houdt, spreekt de Heere, zie toe dat uw zonden niet het overwicht hebben, en dat uw misdaden zich over u niet verheffen. 78 Wee degenen, die van hun zonden omvangen, en van hun misdaden bedekt zijn; zij zijn zoals een veld, dat omvangen wordt van een bos, en waarvan de paden met doornen zijn bedekt, daar geen mens doorgaat, en afgesloten wordt, en gelaten om door het vuur verbrand te worden. ## Tobit ### Tobit 1 1 HET Boek van de geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali. 2 Die als gevangene weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning van de Assyriërs, uit Thisbe: die gelegen is aan de rechterzijde van de stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea. 3 Ik, Tobias, heb al de dagen van mijn leven gewandeld in de wegen van de waarheid, en van de gerechtigheid, en heb veel liefdegaven gedaan aan mijn broers, en mijn volk die samen met mij vertrokken waren in het land van de Assyriërs, naar Nineve. 4 En toen ik nog was in mijn land, in het land van Israël, als ik jong was, het hele geslacht Naftali, van mijn vader, week af van het huis van God te Jeruzalem, dat uitverkoren was, uit alle stammen van Israël, 5 Opdat al de stammen daar zouden offeren, en de tempel van de woning van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten van de wereld. En al de stammen, die samen afgeweken waren, en het huis Naftali, van mijn vader, offerden het kalf Baäl. 6 En ik reisde dikwijls alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, zoals bevolen is aan al het volk van Israël met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden van de vruchten, en de eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen van Aäron, voor het altaar. 7 De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen van Aäron, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem. 8 En de derde gaf ik die het betaamde, zoals Debora, de moeder van mijn vader, geboden had; omdat ik van mijn vader wees was gelaten. 9 En als ik nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias. 10 En toen ik als gevangene weggevoerd werd naar Nineve, 11 Zo hebben al mijn broers, en die van mijn geslacht waren, gegeten van de broden van de heidenen, 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at. 13 Omdat ik aan de Heere dacht, met geheel mijn gemoed. 14 En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper. 15 En ik reisde naar Medië, 16 En ik gaf tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië. 17 En toen Enemessar gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats. 18 En zijn handelingen waren onstandvastig, en ik kon niet meer naar Medië reizen. 19 En in de dagen van Enemessar deed ik veel liefdegaven aan mijn broers. 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en kleren de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen bij de muur van de stad Nineve, die begroef ik. 21 En zo de koning Sennacherib iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik in het geheim weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden. 22 En een van die van Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken. 23 En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon. 24 En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vluchtten op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broer, over al de rekeningen van zijn vader, en over al het bewind. 25 En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weer te Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon van mijn broer. ### Tobit 2 1 EN toen ik weer in mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weer gegeven waren, 2 Op het feest van Pinksteren, dat is het heilig feest van de zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel voedsel, en zei tot mijn zoon: Ga heen, en breng mee wie u zult vinden van onze broers, die gebrek heeft en aan de Heere denkt, en ziet, ik zal op u wachten. 3 En hij weer komende zei: Vader, één uit ons geslacht ligt gewurgd en geworpen op de markt. 4 En ik sprong op, voordat ik voedsel nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat de zon zou ondergegaan zijn. 5 En wederkerende waste ik mij, en at mijn brood met treurigheid. 6 En ik werd gedachtig van de profetie van Amos zoals hij gezegd had: 7 Uw feestdagen zullen in leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei. En ik huilde. 8 En als de zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en begroef hem, 9 En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om die zaak wil; hij is voortvluchtig geweest, en zie, opnieuw begraaft hij de dode. 10 En diezelfde nacht keerde ik weer na het begraven, en omdat ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren; 11 En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de dokters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais. 12 En mijn huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren. 13 En zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje. 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zei tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte heer weer, want het is ons niet geoorloofd te eten wat gestolen is. En zij zei: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon; maar ik geloofde haar niet, en zei dat zij het de heren weer geven zou. 15 En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zei tot mij: Waar zijn nu uw liefdegaven en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u is. ### Tobit 3 1 TOEN werd ik droevig, en huilde, en bad met smarten en sprak: 2 Heere, U bent rechtvaardig, en al Uw wegen zijn barmhartigheid en waarheid, en U oordeelt een waarachtig en rechtvaardig oordeel in de eeuwigheid. 3 Gedenk mij en zie mij aan, en wreek U niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden van mijn vaders, die tegen U gezondigd hebben. 4 Want zij zijn Uw geboden ongehoorzaam geweest, en U hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord van versmading onder alle volken, waaronder wij verstrooid zijn. 5 En nu, Heere, Uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn zonden en die van mijn vaders, omdat wij Uw geboden niet hebben gedaan, want wij hebben niet oprecht voor U gewandeld. 6 En nu zeg ik, doe met mij naar wat behagelijk is voor U; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, omdat ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel verdriet in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer Uw aangezicht van mij niet af. 7 Juist op diezelfde dag gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienaressen van haar vader. 8 Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, voordat zij bij haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt. 9 En zij zeiden tot haar: Wordt u nog niet wijs, u die uw mannen verstikt? 10 U hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet één van hun wordt u genoemd. 11 Wat slaat u ons om hunnentwil? als zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid. 12 Als zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, maar zij zei: Ik ben een enige dochter van mijn vader, als ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen. 13 En zij bad aan het venster en zei: 14 Gezegend bent U, o Heere mijn God, en gezegend zij Uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in de eeuwigheid. Dat al Uw werken U prijzen in de eeuwigheid. 15 En nu, Heere, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot U begeven. 16 Ik heb gezegd, dat U mij zou verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid mag horen. 17 U weet, Heere, dat ik zuiver ben van alle misdaad van de man. 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam van mijn vader in het land van mijn gevangenis. 19 Ik ben een eniggeborene van mijn vader, en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal; 20 Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw. 21 Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven? 22 En als het U niet goeddunkt mij te doden, 23 Zo beveel dat men mij aanzie, en zich over mij ontferme, en geef dat ik geen smaad meer mag horen. 24 En het gebed van deze beiden werd verhoord voor de heerlijkheid van de grote God. 25 En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erfenis te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias teruggekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen. ### Tobit 4 1 OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring gegeven had. 2 En hij zei bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, voordat ik sterf? En hem geroepen hebbende, zei hij: 3 Kind, als ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen van uw leven, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet. 4 Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam, 5 Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar naast mij in één graf. 6 Gedenk, kind, alle tijd de Heere onze God, en wil niet zondigen noch Zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen van uw leven, en wandel niet in de wegen van de ongerechtigheid. Want als u oprecht zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen. 7 Doe liefdegaven van wat u hebt, en uw oog zij niet nijdig als u liefdegaven doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht van God zal zich van u niet afkeren. 8 Naar dat u hebt, doe liefdegaven naar de menigte van de dingen. 9 Zo u weinig hebt, vrees niet naar het weinig liefdegaven te doen. 10 Want u verzamelt uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag van de nood. 11 Omdat de liefdegave van de dood verlost, en niet in de duisternis laat komen. 12 Want een liefdegave is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de aanwezigheid van de Allerhoogste. 13 Kind, wees op uw hoede voor alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad van uw vaders, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam van uw vader, omdat wij kinderen van de profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaders van ouds af; gedenk, kind, dat zij allen vrouwen genomen hebben uit hun broers, en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal de aarde beërven. 14 En nu, kind, heb uw broers lief, en wend u niet hoogmoedig in uw hart van uw broers, en de zonen en dochters van uw volk, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de trots is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder van de honger. 15 En laat het loon van geen mens, die voor u gewerkt heeft, bij u overnachten, maar geef hem dat meteen, en zo u God gediend hebt, het zal u weergegeven worden. 16 Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en wees voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand wat hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg. 17 Geef van uw brood degene die honger heeft, en van uw kleren hun die naakt zijn. Alles wat u overvloedig hebt, geef dat tot liefdegaven, en uw oog benijde het niet, wanneer u liefdegaven geeft. 18 Werp uw brood overvloedig over het graf van de rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren. 19 Zoek raad bij een ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer. 20 Loof de Heere altijd, en begeer van Hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Heere zelf geeft al het goed, en zo wie Hij wil vernedert Hij, zoals het Hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden. 21 En nu verder wijs ik u aan de tien talenten zilver, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; u hebt veel, als u God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet wat behaaglijk is voor Hem. ### Tobit 5 1 EN Tobias antwoordende, zei: Vader, alles wat u mij geboden hebt, zal ik doen. 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken? 3 En toen gaf hij hem het handschrift, en zei tot hem: 4 Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen, ontvang het geld. 5 En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël, 6 Die was een engel, maar hij wist het niet. 7 En hij zei tot hem: Zou u met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië? 8 En bent u ook in die plaats bekend? 9 En de engel zei tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broer geherbergd. 10 En Tobias zei tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en wacht niet langer. 11 En ingegaan zijnde, zei hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem. 12 En hij kwam in, en zij groetten elkaar. 13 En Tobias zei tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht bent u? geef het mij te kennen. 14 En hij zei tot hem: Zoekt u een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zei tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten. 15 Hij dan zei: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een van uw broers. 16 En Tobias zei: Welkom bent u broer. 17 En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten. 18 Ook u bent mijn broer, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel; 19 Omdat wij samen naar Jeruzalem getrokken zijn om te aanbidden, en daarheen de eerstgeborenen van het vee en de tienden van de vruchten brachten. 20 En zij zijn niet verleid geworden tot de afdwaling van onze broers. 21 Broeder, u bent van een groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme per dag, en wat u nodig zijn zal, zoals mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, als u gezond terugkeert. 22 En zij zijn zo overeengekomen. 23 En hij zei tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga u wel. 24 En zijn zoon bereidde wat tot de reis nodig was, en zijn vader zei tot hem: Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en de engel van God trekke met u. 25 En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond van de jongeling ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt u ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons? 26 Och of dat geld nooit voorgekomen was, maar dat wat wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht. 27 Want wat ons door de Heere gegeven is om van te leven, is ons genoeg. 28 En Tobias zei tot haar: Heb geen zorg, zus, hij zal gezond weer komen, en uw ogen zullen hem zien. 29 Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weer keren; en zij hield op van huilen. ### Tobit 6 1 EN ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en overnachtten daar. 2 En de jongeling klom neer om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier. 3 En hij wilde de jongeling verslinden. 4 Maar de engel zei tot hem: Grijp de vis aan. 5 En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het land. 6 En de engel zei tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren. 7 En de jongeling deed zoals de engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana. 8 En de jongeling zei tot de engel: Azarias, broer, wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze vis? 9 En hij zei tot hem: Wat het hart en de lever betreft, als iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet u roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden. 10 En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden. 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren, 12 Zo zei de engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen vandaag te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genoemd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde. 13 Want u komt haar erfenis toe. En u bent alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig. 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weer zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou van de dood schuldig zijn, omdat het u past de erfenis te ontvangen meer dan enig man. 15 Toen zei de jongeling tot de engel: Azarias, broer, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen. 16 En nu, ik ben een enig kind van mijn vader, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, zoals de voorgaanden, omdat een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun graf neer brengen, en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven. 17 En de engel zei tot hem: Gedenkt u niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat u een huisvrouw zou nemen uit uw geslacht? 18 En nu hoor mij, broer, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die duivel. 19 Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als u ingaat in de bruidskamer, zo zult u as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult roken. 20 En de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet terugkeren. 21 Maar wanneer u nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en Zich over u ontfermen. 22 En vrees niet, omdat deze u is bereid van de eeuwigheid, en u zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat uit haar kinderen voor u geboren zullen worden. 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana. ### Tobit 7 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weer haar. 2 En zij bracht hen in het huis, en Raguël zei tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef. 3 En Raguël vroeg hun: Vanwaar bent u, broers? 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve. 5 En hij zei tot hen: Kent u Tobias, onze broer, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel. 6 En hij zei tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zei: Het is mijn vader. 7 En Raguël sprong op en kuste hem, en huilde, en zegende hem, en zei tot hem: U bent de zoon van een eerlijke en goede man. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en huilde. 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter huilden ook. 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel voedsel voor. Maar Tobias zei tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nu over wat u onderweg gezegd hebt, en laat de zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor. 10 En Raguël zei tot Tobias: Eet en drink, en wees vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen. 11 Maar ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, wees vrolijk. 12 En Tobias zei: Ik zal hier geen voedsel smaken, totdat u hier zult staan en het mij toegestaan zult hebben. Raguël zei: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want u bent haar broer, en zij is uw zus. 13 En de barmhartige God brenge u alles goeds toe! 14 En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader. 15 En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zei: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar. 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde dat. 17 En zij begonnen te eten. 18 Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zei tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin. 19 En zij deed zoals hij zei, en zij bracht hen daar, en zij huilde, en ontving ook de tranen van haar dochter, 20 En zij zei tot haar: Heb goede moed, dochter, de Heere van de hemel en van de aarde geve u vreugde voor deze uw verdriet, heb goede moed, dochter. ### Tobit 8 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar. 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as van de reukoffers, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook. 3 En als de duivel de reuk rook, zo vluchtte hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar. 4 En als zij nu beiden bij elkaar gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zei: Sta op, zus, en laat ons bidden, opdat zich de Heere over ons ontferme. 5 En Tobias begon te zeggen: Gezegend bent U, o God van onze vaders, en geloofd zij Uw Naam, die heilig en heerlijk is in de eeuwigheid, U moeten de hemelen loven, en al Uw schepselen. 6 U hebt Adam gemaakt, en U hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht van de mensen geboren. U hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij. 7 En nu, Heere, niet om hoererij neem ik deze mijn zus, maar in oprechtheid. 8 Beveel dan dat men zich over mij ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zei met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over. 9 En Raguël stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven? 10 En Raguël kwam in zijn huis, en zei tot Edna zijn vrouw: 11 Zend een van de dienaressen, en laat haar zien of hij leeft; en zo niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand wete. 12 En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende. 13 En zij kwam weer uit, en boodschapte hun, dat hij leefde. 14 En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd bent U, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten U Uw heiligen, en al Uw schepselen, en al Uw engelen, en Uw uitverkorenen; loven moeten zij U in alle eeuwigheid. Geloofd bent U, dat U mij hebt verheugd, en dat mij niet is gebeurd, volgens wat ik gedacht had. Maar U hebt met ons gehandeld naar Uw grote barmhartigheid. 15 Geloofd bent U, dat U Zich hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Heere, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid. 16 En hij beval de huisknechten het graf te stoppen. 17 En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zei tot hem met ede, voordat de dagen van de bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen van de bruiloft volbracht zouden zijn. 18 En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige, zei hij, zal u toevallen, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorven zijn. ### Tobit 9 1 EN Tobias riep Rafaël, 2 En zei tot hem: Azarias, broer, 3 Neem met u een jongen, en twee kamelen, en trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mee tot de bruiloft, omdat Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal. 4 En mijn vader telt de dagen. 5 En als ik lang wacht, zo zal hij zeer bedroefd worden. 6 En Rafaël reisde heen, en overnachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift. 7 Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem. 8 En 's morgens vroeg gingen zij samen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw. ### Tobit 10 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen van de reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zei Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden? 2 Of zou Gabaël gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou geven? 3 En hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zei tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, omdat hij zo lang wacht. 4 En zij begon hem te bewenen. 5 En zei: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch het licht van mijn ogen was. 6 En Tobias zei tot haar: Zwijg stil, en wees niet bezorgd, hij is gezond. 7 Maar zij zei tot hem: Zwijg stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was. 8 Overdag nu at zij niet, en 's nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen, 9 Totdat de veertien dagen van de bruiloft voltooid waren, die Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen. 10 En Tobias zei tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen. 11 En zijn schoonvader zei tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zei: Nee, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld. 12 En als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zei: Kinderen, de God van de hemel geve u voorspoed, voordat ik sterf. En hij zei tot zijn dochter: Houd de ouders van uw man in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar. 13 En Edna zei tot Tobias: Lieve broer, de Heere van de hemel brenge u weer; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Heere. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat Hij Zijn weg had voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw. ### Tobit 11 1 EN hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve. 2 En Rafaël zei tot Tobias: U weet, broer, hoe u uw vader achtergelaten hebt. 3 Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden. 4 En neem de gal van de vis in de hand. 5 En zij trokken heen, en de hond kwam mee achter hen. 6 En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zei tot zijn vader: 7 Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël zei: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen. 8 Strijk de gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien. 9 En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zei tot hem: Kind, ik heb u gezien, nu wil ik wel sterven; en zij huilden beiden. 10 En Tobias kwam uit naar de deur en stootte zich daaraan; maar zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen van zijn vader, zeggende: Heb goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld van de hoeken van zijn ogen. 11 En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en huilde en zei: 12 Geloofd bent U, o God. 13 En geloofd zij Uw Naam in de eeuwigheid. 14 En geloofd zijn al Uw heilige engelen; want U hebt mij gekastijd, en hebt U Zich over mij ontfermd. 15 Zie, ik zie mijn zoon Tobias. 16 En zijn zoon verblijd zijnde ging in, 17 En boodschapte zijn vader de grote dingen, die gebeurd waren in Medië. 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich over hem had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Wees welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: evenzo uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broers, die te Nineve waren. 19 En Achiachar en Nasbas, de zoon van zijn broer, kwamen ook tot hem. 20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde. ### Tobit 12 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zei tot hem: Zie, zoon, dat u de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden. 2 En Tobias zei tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb. 3 Want hij heeft mij gezond bij u teruggebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u ook genezen; en de oude man zei: Hem zal recht worden gedaan. 4 En hij riep de engel, en zei tot hem: 5 Neem de helft van alles wat u meegebracht hebt, 6 En ga heen in vrede. 7 Toen riep hij hen beiden in het geheim en zei tot hen: Loof God, en dankt Hem, en geeft Hem heerlijkheid, en dankt Hem voor het aangezicht van alle levenden, vanwege de dingen die Hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en Zijn naam verheffe, en de redenen van de werken van God eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet Hem te danken. 8 Want het is goed dat men het geheim van een koning bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men de werken van God openbaart. Doe goed, en het kwaad zal u niet vinden. 9 Het gebed met vasten, en liefdegaven, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid, dan veel met ongerechtigheid. Het is beter liefdegaven te doen, dan goud tot een schat verzamelen. Want een liefdegave verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die liefdegaven en gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden. 10 Maar die zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven. 11 Ik zal voor u geen zaak verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het goed is de geheimen van een koning bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken van God te openbaren. 12 Wanneer u dan nu badt, u, en uw schoondochter Sara, zo bracht ik de herinnering van uw gebed voor het aangezicht van de Heilige. 13 En wanneer u de doden begroeft, zo was ik ook bij u; en als u zich niet bezwaarde op te staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat u heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u. 14 En nu heeft mij God gezonden om u te genezen, en uw schoondochter Sara. 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden van de heiligen voor God brengen, en ingaan voor het aangezicht van de heerlijkheid van de heiligen. 16 En zij werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij vreesden. 17 Maar hij zei tot hen: Vrees niet, want vrede zal u zijn, maar looft God. 18 Omdat ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom looft Hem in de eeuwigheid. 19 Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken, maar u hebt een visioen daarvan gezien. 20 En nu dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden heeft, en schrijf al wat gebeurd is in een boek. 21 En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken van God, hoe de engel van de Heere door hen gezien was. ### Tobit 13 1 EN Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak: 2 Geloofd zij God die in de eeuwigheid leeft, en geloofd zij Zijn koninkrijk. Want Hij straft en ontfermt; Hij legt neer in het dodenrijk, en brengt er weer uit, en daar is niemand die Zijn hand zal ontvluchten. 3 Dank Hem, u Israëlieten, voor de heidenen, omdat Hij ons onder deze heeft verstrooid; vertoon daar Zijn grote heerlijkheid, en verheft Hem voor het aangezicht van alles wat leeft, zoals Hij onze Heere is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid. 4 Hij zal ons straffen in onze ongerechtigheden, en zal Zich weer over ons ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder wie Hij ons verstrooid heeft. Zo u tot Hem terugkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor Zijn aangezicht te bewijzen, dan zal Hij tot u terugkeren, en zal Zijn aangezicht voor u niet verbergen, en u zult aanschouwen wat Hij met u doen zal; 5 En zult Hem danken met geheel uw mond, en u zult de Heere van de gerechtigheid loven, en zult de Koning van de eeuwigheid verheffen. 6 Ik nu zal in het land van mijn gevangenis Hem openlijk belijden, en zal Zijn kracht en grote heerlijkheid aan het zondige volk vertonen. 7 Keer weer, u zondaars, en doet gerechtigheid voor Zijn aangezicht; wie weet het, of Hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees? 8 Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning van de hemel loven, en Zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen. 9 Dat een ieder spreke, en Hem dankzegge in gerechtigheid. 10 Jeruzalem, u heilige stad, Hij zal u straffen over de werken van uw kinderen, en Hij zal Zich weer ontfermen over de kinderen van de rechtvaardigen. 11 Dank de Heere, want Hij is goed, en looft de Koning van de eeuwigheid, opdat Zijn tabernakel weer met vreugde in u mag gebouwd worden; 12 En Hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten van de wereld. 13 Vele volken zullen van verre komen tot de naam van God, van de Heere, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning van de hemel. Alle geslachten na elkaar zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen. 14 Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid. 15 Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen van de rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Heere van de rechtvaardigen loven. 16 O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw tuchtigingen, want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in de eeuwigheid. 17 Mijn ziel love God, de grote Koning. 18 Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd worden; 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud. 20 En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende: 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid. ### Tobit 14 1 EN Tobias hield op van dankzeggen, 2 En was acht en vijftig jaar oud, toen hij het gezicht verloor. 3 En na acht jaren werd hij weer ziende, 4 En deed liefdegaven. 5 En hij voer voort God de Heere te vrezen, en beleed Hem openlijk. 6 En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zei tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor zeker, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken over Nineve gebeuren zal, en dat het verwoest zal worden, (maar in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broers over de aardbodem zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis van God daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd. 7 En God zal zich over hen weer ontfermen, en zal hen doen terugkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zoals het eerste was, totdat de tijden van de wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij terugkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis van God zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten van de wereld, zoals de profeten daarvan gesproken hebben; 8 En alle heidenen zullen waarachtig bekeerd worden, om God de Heere te vrezen, en zullen hun afgoden begraven. En alle heidenen zullen de Heere loven; en zijn volk zal de Heere belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen die God de Heere liefhebben, zullen zich verblijden in waarheid en gerechtigheid, doende barmhartigheid aan onze broers. 9 En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker gebeuren, die de profeet Jona gesproken heeft, maar u, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief, en wees rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve. 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft. 11 En Achiachar is wel verlost geworden, maar hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis neergedaald. Manasse heeft liefdegaven gedaan, en is uit de strik van de dood verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen. 12 En nu, mijn kind, zie wat liefdegaven doen, en hoe gerechtigheid verlost. 13 En als hij dit zei, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaar oud; en hij begroef hem heerlijk. 14 En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader. 15 En kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed van zijn vader Tobias. 16 En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in Medië. 17 En voordat hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, die Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, voordat hij stierf. ## Judith ### Judith 1 1 IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, die regeerde over de Meden te Ecbatana, 2 En bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte van de muur zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen; 3 En stelde zijn torens op de poorten van deze stad, van honderd ellen in de hoogte. 4 En legde het fundament van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte. 5 En maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, en de breedte van deze poorten veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk. 6 En de koning Nabuchodonosor voerde te die zelf dage strijd tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, dat gelegen is aan de grens Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning van de Elymeërs, en zeer vele volken van de kinderen van Gilod kwamen samen tot die strijd. 7 En Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damascus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant, 8 En ook tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon. 9 En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het hele land Gesem, 10 Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden, totdat men komt aan het gebied van Ethiopië. 11 Maar al de inwoners van dit land verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze strijd, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden leeg van zich terugkeren met schande. 12 En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al het gebied van Cilicië, en Damascus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan het gebied van de twee zeeën. 13 En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn strijd en versloeg de hele macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagens, en vermeesterde zijn steden. 14 En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande. 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe. 16 En hij keerde met hen weer naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van soldaten; en hij rustte daar uit, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang. ### Judith 2 1 EN in het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd er gesproken in het huis van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, van wraak te oefenen over het hele land, zoals hij gezegd had. 2 En hij riep al zijn dienaren, en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun het geheim van zijn raad voor, en hij verhaalde met zijn eigen mond al het kwaad van dat land. 3 En deze oordeelden, dat men zou uitroeien al degenen, die het bevel van zijn mond niet nagevolgd waren. 4 En het gebeurde, als hij zijn raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, Holofernes, de veldoverste van zijn leger, die de tweede na hem was, en hij zei tot hem: 5 Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: zie, u zult van voor mijn aangezicht uitgaan, en u zult met u nemen mannen die op hun sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met hun ruiters, tot twaalfduizend; en u zult uittrekken tegen het hele land naar het westen, omdat zij het woord van mijn mond ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, daar ik tegen hen zal uittrekken in mijn toorn, en ik zal het hele aangezicht van de aarde bedekken met de voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier zal met hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren tot de uiterste einden van de hele aarde. Maar u, uittrekkende zult tevoren al hun gebied innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, en u zult mij die bewaren tot de dag van hun bestraffing. 6 Maar de ongehoorzamen zal uw oog niet sparen, u zult hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de macht van mijn koninkrijk, al wat ik gesproken heb, dat zal ik ook doen door mijn hand; en u zult niet één van de woorden van uw heer overtreden, maar zult het geheel volbrengen, zoals ik u bevolen heb, en u zult niet vertragen het te doen. 7 En Holofernes ging uit van voor het aangezicht van zijn heer, en riep al de machtigen, en de oorlogsoversten, en de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs, en telde uitgekozen mannen tot de oorlog, zoals hem zijn heer bevolen had, tot honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters te paard; 8 En heeft hen in orde gesteld op de wijze als een menigte soldaten bestemd wordt; en hij nam kamelen en ezels tot hun bagage, een zeer grote menigte; en ook schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, zonder getal. 9 En een grote menigte koren voor ieder man. 10 En hij nam goud en zilver uit het huis van de koning, zeer veel. 11 En hij begaf zich met zijn hele leger op de uittocht, en trok heen voor de koning Nabuchodonosor, en bedekte het hele aangezicht van het land tegen het westen met hun wagens, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij hen, als sprinkhanen, en als het zand van de aarde, en men kon hen niet tellen vanwege hun menigte. 12 En zij trokken uit van Nineve drie dagreizen, op de vlakte van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van Bektileth af, bij de berg die aan de linkerzijde ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagens, en trok van daar naar het gebergte. 13 En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen van Ismaël, die daar woonden aan de woestijn tegen het zuiden van het land Chellon, en hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië, 14 En vernielde alle hoge steden die gelegen waren aan de beek Albonai, totdat men komt aan de zee. 15 En hij nam het gebied van Cilicië in, en versloeg allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan het gebied van Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen. 16 En hij omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen, 17 En hij daalde af in het veld van Damascus, in de dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen met de scherpte van het zwaard. 18 En een vrees en beving voor hem overviel degenen, die aan de zee woonden, die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem bovenmate zeer. ### Judith 3 1 EN zij zonden gezanten tot hem met woorden van vrede, zeggende: 2 Zie, wij zijn knechten van de grote koning Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u. 3 Doe met ons, zoals het u behaagt. 4 Zie, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al de stallen van onze woningen liggen open voor u, doe daarmee zoals het u behaagt. 5 Zie, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, zoals het goed is in uw ogen. 6 En die mannen zijn tot Holofernes gekomen, en hebben dat geboodschapt naar deze woorden. 7 En hij met zijn heerkracht trok af naar de zeekant, 8 En bezette de versterkte steden, en nam daaruit soldaten aan tot zijn strijd, uitgelezen mannen. 9 En zij zelf, en het land dat rondom hen lag, ontvingen hem met kransen, reien en trommels. 10 En hij verstoorde al hun gebied en hieuw hun bossen af. 11 En het was bij hem besloten, dat hij al de goden van het land zou vernielen, 12 Opdat alle volken, hem, Nabuchodonosor, alleen zouden dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot een god aanroepen. 13 En hij kwam in het gezicht van die van Esdrelon bij Dothea, die ligt tegenover de grote engte van Judea. 14 En hij sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een hele maand stil, opdat hij al de bagage van zijn leger bijeenvergaderde. ### Judith 4 1 EN de Israëlieten, die in Judea woonden, hoorden al wat Holofernes, de oorlogsoverste van de koning van Assyrië, aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om te vernielen. 2 En zij werden bovenmate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor de stad Jeruzalem, en de tempel van de Heere, hun God, want zij waren onlangs wedergekomen uit de gevangenis, en het hele volk was kort tevoren verzameld geweest uit Judea; en de voorwerpen en het altaar en het huis van God waren van de ontheiliging geheiligd. 3 En zij zonden in het hele gebied van Samarië, en in de plaatsen, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen van de hoge bergen in. 4 En zij maakten muren om hun plaatsen, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad van de oorlog, omdat hun velden kort tevoren afgemaaid waren. 5 En Joakim, de hogepriester, die in die dagen te Jeruzalem was, schreef aan de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, die tegenover Esdrelon ligt, aan de vlakte van het veld dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen van het gebergte zouden inhouden, 6 Omdat daardoor de ingang was naar Judea, en het gemakkelijk was degenen te beletten die opklimmen zouden, daar de toegang nauw was, en uiterlijk voor twee mannen naast elkaar. 7 En de Israëlieten deden naar dat de hogepriester Joakim, en de raad van het hele volk van Israël, die binnen Jeruzalem woonden, hun bevolen hadden. 8 En al de mannen van Israël riepen tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten. 9 En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken aan hun lendenen. 10 En alle mannen van Israël en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, vielen neer in het gezicht van de tempel, 11 En bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit voor het aangezicht van de Heere. 12 En zij bekleedden het altaar met een zak. 13 En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God van Israël, dat Hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch de steden van hun erfenis tot verwoesting, noch hun heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde. 14 En de Heere verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan. 15 En het volk vastte vele dagen lang in geheel Judea en Jeruzalem, in het gezicht van het heiligdom van de Heere, de Almachtige. 16 En Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor de Heere stonden, en die de Heere dienden, hun lendenen met zakken omgord hebbende, offerden het brandoffer van het gedurige offer, en de beloften, en de vrijwillige gaven van het volk, en as was op hun haar. 17 En zij riepen tot de Heere van ganser kracht, dat Hij het hele huis van Israël ten goede bezoeken wilde. ### Judith 5 1 EN het werd Holofernes, de oorlogsoverste van het heerleger van de Assyriërs, geboodschapt dat de Israëlieten zich bereiden tot de oorlog, en dat zij de doorgangen van het gebergte besloten, en al de spitsen van de hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden beletsels gesteld hadden. 2 En hij werd zeer boos, en hij riep al de oversten van de Moabieten, en de oorlogsoversten van de Ammonieten, en al de vorsten van het land aan de zee. 3 En hij zei tot hen: Zeg mij toch, u kinderen van Kanaän, wat volk dit is, dat zich op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan is, die een leidsman is van hun leger. 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd hebben, dat zij mij niet zijn tegemoet gekomen, buiten al degenen die in het westen wonen. 5 En Achior, de overste van al de kinderen van Ammon, zei tot hem: Mijnheer hoor toch een woord uit de mond van uw knecht, en ik zal u de waarheid verhalen van dit volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond van uw knecht gaan. 6 Dit volk komt af van de Chaldeeën. 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen gewoond in Mesopotamië. Want zij wilden niet volgen de goden van hun vaders, die in het land van Chaldea waren; 8 En zijn afgetreden van de weg van hun vaders, en hebben de God van de hemel aangebeden, de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven van het aangezicht van hun goden; en zij zijn naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat zij zouden gaan uit het land waar zij vreemdeling waren, en reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee. 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, (want hongersnood had het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen totdat zij teruggekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar. 10 En de koning van Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen hen door arbeid, en door het maken van bakstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven. 11 En zij riepen tot hun God, en Hij sloeg geheel Egypteland met plagen, die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen uit van hun aangezicht. 12 En God heeft de Rode zee voor hen uitgedroogd. 13 En heeft hen geleid naar de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen die de woestijn bewoonden. 14 En zij hebben zich neergezet in het land van de Ammorieten. 15 En hebben al de Esebonieten uitgeroeid door hun sterkte. 16 En door de Jordaan getrokken zijnde, 17 Hebben zij dit hele gebergte tot een erfenis ontvangen. 18 En zij verdreven van voor hun aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte vele dagen gewoond. 19 En zo lang zij niet zondigden tegen hun God ging het hun wel; want met hen is een God, die ongerechtigheid haat. 20 Maar toen zij afgeweken zijn van de weg, die Hij hun had voorgesteld, zijn zij door vele oorlogen zeer verwoest geworden. 21 En zijn als gevangene weggevoerd in een vreemd land, en de tempel van hun God is tot de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen door hun vijanden. 22 En nu bekeerd zijnde tot hun God, zijn zij wedergekomen uit hun verstrooiing, waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem neergezet, waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, want het was woest. 23 En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder hen zulk een struikelblok is, zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen. 24 Maar zo daar geen ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij, opdat hun Heere hen niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad zijn voor het hele land. 25 En het gebeurde, als Achior ophield deze woorden te spreken, dat al het volk morde, dat de tent omringde en daar rondom stond. 26 En de geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, en van de Moabieten bewoonden, zeiden dat men hem in stukken zou houwen, want, zeiden zij, wij vrezen niet voor de Israëlieten, want ziet het is een volk waarin geen kracht is, noch macht tot een sterk heerleger. 27 Daarom zo zullen wij optrekken, heer Holofernes, en zij zullen een aas zijn voor uw hele leger. ### Judith 6 1 EN als het gemurmel van de mannen, die rondom de vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste van het heerleger van de Assyriërs tot Achior, voor het hele volk van de buitenlanders en tot alle kinderen van Moab: 2 Wie bent u toch, Achior, u die van Efraïm gehuurd bent, dat u vandaag onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het geslacht van Israël niet zouden bevechten, omdat hun God hen zal beschermen, en wie is God behalve Nabuchodonosor? 3 Deze zal zijn macht afzenden en hen vernietigen van het aangezicht van de aardbodem, en hun God zal hen niet verlossen, maar wij die zijn knechten zijn zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van onze paarden niet weerstaan, maar wij zullen hen daarmee vertreden. 4 En hun bergen zullen dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen vervuld worden met hun doden, en niet één voetstap van hun voeten zal bestaan voor ons aangezicht, maar zij zullen geheel omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de heer van de hele aarde, want hij heeft het gezegd, en de woorden van zijn rede zullen niet ijdel zijn. 5 En u Achior, u huurling van de Ammonieten, die deze woorden gesproken hebt, in de dag van uw ongerechtigheid, u zult mijn aangezicht niet meer zien, van deze dag aan, totdat ik wraak zal gedaan hebben over dat geslacht van degenen, die uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard van mijn heerleger, en het volk van mijn dienaren tussen uw zijden gaan, en u zult vallen onder hun gekwetsten, als ik tot u zal teruggekeerd zijn. 6 En mijn knechten zullen u brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een van de steden van hun opgangen, en u zult niet sterven totdat u met hen vernietigd wordt. Als u nu met uw hart vertrouwt dat zij niet zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet vervallen, ik heb het gesproken, en geen van mijn woorden zal ontvallen. 7 En Holofernes beval zijn knechten, die bij hem in zijn tent stonden, dat zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen van de Israëlieten. 8 En zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het leger in het vlakke veld, en trokken van het midden van het vlakke veld naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, die onder Bethulië waren; en als de mannen van de stad hen op de spits van de berg zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar de spits van de berg toe, en allen die met de slinger wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen. 9 Maar zij, bedekt onder aan de berg komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet van de berg geworpen hadden, lieten zij hem daar liggen, en keerden weer tot hun heer. 10 Maar de Israëlieten kwamen naar beneden tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië. 11 En stelden hem voor de oversten van hun stad, die op die tijd waren Ozias, de zoon van Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël. 12 En zij riepen al de oudsten van de stad bijeen, en al hun jongemannen, en de vrouwen liepen samen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen was. 13 En hij, antwoordende, verhaalde hun de woorden van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken had in het midden van de oversten van de kinderen van Assur; wat hoogmoedige taal Holofernes had gesproken tegen het huis van Israël. 14 En het volk, neervallende, bad God aan, en riep zeggende: 15 Heere, U God van de hemel, zie op hun hoogmoed, en ontferm U over de vernedering van ons geslacht, en zie ten deze dage aan het aangezicht van degenen, die U geheiligd zijn. 16 En zij troostten Achior en prezen hem zeer. 17 En Ozias nam hem mee uit de vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor de oudsten, 18 En zij riepen de God van Israël aan om hulp, die hele nacht. ### Judith 7 1 EN op de andere dag gebood Holofernes zijn hele heerleger, en al zijn volk, dat tot zijn hulp in deze strijd gekomen was, dat zij zouden optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte eerst innemen, en dat men de Israëlieten de oorlog zou aandoen. 2 Zo trokken alle kloeke mannen onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare mannen was honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, afgezien van de oorlogsrusting; en daar was een zeer grote menigte van mannen, die onder hen te voet waren. 3 En zij sloegen hun kamp op in het dal bij Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in de breedte naar Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië, tot aan Kyamon, dat ligt tegenover Esdrelon. 4 De Israëlieten nu als zij hun menigte zagen, werden zeer ontroerd, en de één zei tot de ander: Deze zullen nu het aangezicht van het hele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch de dalen, noch de heuvelen zullen onder deze last kunnen bestaan. 5 En zij namen al hun wapenen en ontstaken vuren op hun torens, en bleven die hele nacht op de wacht. 6 Maar de tweede dag voerde Holofernes al zijn ruiters uit, voor het gezicht van de Israëlieten, die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen naar de stad. 7 En kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weer op naar zijn volk. 8 En tot hen kwamen al de oversten van de kinderen van Ezau, en al de leidslieden van de Moabieten, en de oorlogsoversten van het land aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch een woord, opdat zijn heerleger geen afbreuk lijde, 9 Want dit volk van de Israëlieten verlaat zich niet op hun speren, maar op de hoogte van hun bergen, waarin zij wonen, want het is niet licht de spitsen van hun bergen te beklimmen. 10 En nu, heer, bevecht hen niet zoals in een bestorming gebeurt, en niet één man zal uit uw volk vallen; blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van het leger, en laat maar uw dienaren de waterfontein bemachtigen, die uit de voet van deze berg voortkomt, want allen, die in Bethulië wonen, halen hun water daaruit, en zo zal de dorst hen wegnemen en zij zullen hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste spitsen van de bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet één man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en voordat het zwaard over hen komt, zullen zij neergeveld worden op de straten van hun woning. En u zult hun zware vergelding doen, omdat zij tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede zijn tegemoet gekomen. 11 En deze hun woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienaren, en zij bepaalden dat men doen zou zoals zij gesproken hadden. 12 En het heer van de kinderen van Ammon, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen en fonteinen van de Israëlieten eerst in, en de kinderen van Ezau, en de kinderen van Ammon klommen op, en sloegen hun leger op het gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit hun midden tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, dat ligt bij Chus, dat bij de beek Mochmor ligt; en het overige leger van de Assyriërs legde zich neer in het vlakke veld, en bedekte het hele aangezicht van het land, en hun tenten, en hun andere toerustingen legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte; 13 En de Israëlieten riepen tot de Heere hun God, want hun geest werd kleinmoedig, omdat al hun vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om hun te ontvluchten; en het hele leger van de Assyriërs, hun voetknechten, wagens en ruiters, bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken aan al de inwoners van Bethulië en hun bakken werden leeg, en zij hadden geen water om tot verzadiging te drinken, zelfs niet voor een dag. Want men gaf hun te drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongemannen bezweken van dorst, en zij vielen neer op de stadsstraten, en in de doorgangen van de poorten, en daar was geen kracht meer in hen. En het hele volk kwam samen tot Ozias, en tot de oversten van de stad, jongemannen en vrouwen en kinderen, en riepen met luide stem en spraken tot al de oversten: God zij rechter tussen ons en tussen u, dat u zulk een groot onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt gesproken tot de kinderen van Assur. 14 En nu is er geen helper voor ons, maar God heeft ons in hun handen gegeven, dat wij voor hun ogen moeten neergeveld worden door dorst en groot verderf. 15 En nu, roept hen tot u, en geeft de hele stad over tot buit aan het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht. 16 Want het is ons beter, dat wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten. 17 Wij nemen tegen u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Heere van onze vaders, die ons vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden van onze vaders, opdat Hij niet doe naar deze woorden op de dag van vandaag. 18 En daar rees een groot en eendrachtig geschrei van allen in het midden van de vergadering, en zij riepen tot God de Heere met luide stem. 19 En Ozias zei tot hen: Heb goede moed, broeders, laat ons nog vijf dagen standvastig blijven, waarin de Heere onze God Zijn barmhartigheid over ons zal wenden, want Hij zal ons tot het einde toe niet verlaten. 20 Maar zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen scheiden elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering in de stad. ### Judith 8 1 EN in die dagen hoorde dat Judith, een dochter van Merari, de zoon van Ors, de zoon van Jozef, de zoon van Oziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gedeon, de zoon van Rafam, de zoon van Akitho, de zoon van Elia, de zoon van Eliab, de zoon van Nathanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadaï, de zoon van Israël. 2 En haar man was geweest Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de dagen van de gersteoogst. 3 Want hij stond bij degene die de schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn vaders, in het veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt. 4 En Judith was in haar huis, in de weduwelijke staat, drie jaar en vier maanden. 5 En zij maakte zichzelf een tent op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met kleren van een weduwe. 6 En zij vastte al de dagen van haar weduwschap, behalve alleen de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe maan en de dagen van de nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen van de vreugde van het huis van Israël. 7 En zij was mooi van gestalte, en zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op. 8 En daar was niemand die haar enige kwade zaak oplegde, want zij vreesde God zeer. 9 En Judith hoorde de kwade woorden van het volk tegen de oversten, omdat zij kleinmoedig waren vanwege de schaarsheid van het water; en Judith hoorde ook al de woorden die Ozias tegen hen gesproken had, hoe hij hun gezworen had de stad over te geven aan de Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die over al haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en Chabrin, en Charmin, de oudsten van haar stad. 10 En zij kwamen tot haar, en zij zei tot hen: Hoor mij nu, u oversten van de inwoners van Bethulië, want uw rede is niet recht, die u op deze dag tegen het volk gesproken hebt, en hebt de eed gesteld, die u gesproken hebt, tussen God en ons, en hebt beloofd, dat u de stad zult overgeven aan onze vijanden, als binnen deze dagen de Heere Zich niet wendt om ons te helpen. 11 En nu, wie bent u, dat u God op de huidige dag hebt verzocht, en uzelf in Gods plaats hebt gezet, in het midden van de kinderen van de mensen. 12 En u onderzoekt nu de Heere, de Almachtige, maar zult in de eeuwigheid niets verstaan. 13 Want de diepte van het hart van de mens kunt u niet doorgronden, en kunt niet vatten de woorden van zijn bedenking, en hoe zult u de God die al deze dingen geschapen heeft, onderzoeken, en Zijn zin vernemen, en Zijn gedachten verstaan? 14 Niet zo, broeders, verwekt de Heere, onze God, niet tot toorn. Want als Hij ons in deze vijf dagen niet wil helpen, heeft Hij de macht om ons te beschutten op welke dag Hij wil, of ook om ons te vernietigen voor het aangezicht van onze vijanden. 15 Maar stelt u de raadslagen van de Heere, onze God, niet in pand, want God is niet als een mens, dat Hij zou bedreigd worden, noch als een mensenzoon, dat Hij zou geoordeeld worden. 16 Daarom laat ons op Zijn verlossing wachten, en Hem aanroepen tot onze hulp, en Hij zal onze stem verhoren, als het Hem behagelijk is. 17 Omdat in onze geslachten niemand is opgestaan, en ook op de huidige dag geen stam is, noch geslacht, noch volk, noch stad onder ons, die de goden dient, die met handen gemaakt zijn. 18 Zoals wel in de vorige dagen is gebeurd, om welke oorzaak onze vaders ten zwaard en ten roof overgegeven zijn, en zijn gevallen voor onze vijanden met een grote val. 19 Maar wij erkennen geen andere God dan Hem, waarom wij hopen dat Hij ons niet zal verachten, noch iemand van ons geslacht. 20 Want als wij ingenomen zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze heilige plaatsen zullen beroofd worden, en de Heere, onze God, zal de ontheiliging daarvan van onze mond eisen, en Hij zal de dood van onze broers, en de gevangenis van het land, en de verwoesting van onze erfenis op ons hoofd wenden onder de heidenen, waar wij ook zullen dienstbaar zijn. En wij zullen tot een aanstoot en tot een spot zijn voor degenen, die ons bezitten. Want onze dienstbaarheid zal niet gericht worden tot genade, maar de Heere, onze God, zal ze tot oneer zetten. 21 En nu, broeders, laat ons onze broeders een voorbeeld geven, want van ons hangt hun leven af, en het heiligdom, en het huis van God, en het altaar steunt op ons. Boven dit alles, laat ons de Heere, onze God, danken die ons verzoekt, zoals Hij ook onze vaders verzocht heeft. 22 Gedenk wat Hij met Abraham al gedaan heeft. 23 En hoe Hij Izaäk verzocht heeft, en wat Jakob al is overkomen in Mesopotamië in het land Syrië, als hij de schapen hoedde van Laban, de broer van zijn moeder, 24 Want zoals Hij hen door vuur beproefd heeft tot onderzoeking van hun harten, zo wreekt Hij Zich niet over ons, maar de Heere straft degenen, die Hem naderen, tot een waarschuwing. 25 En Ozias zei tot haar: Alles wat u gezegd hebt, dat hebt u van goeder hart gezegd, en daar is niemand die uw woorden kan tegenstaan. Want uw wijsheid is vandaag niet eerst openbaar, maar van het begin van uw dagen heeft al het volk uw vernuft bekend, zoals ook de bedenking van uw hart goed is, maar het volk lijdt grote dorst en heeft ons gedwongen dat wij doen zouden volgens wat wij hun beloofd hebben, en dat wij de eed over ons zouden brengen, die wij niet mogen overtreden. 26 En nu, bid voor ons, want u bent een godvrezende vrouw, en de Heere zal de regen zenden, opdat onze waterbakken vol worden, en wij niet meer gebrek lijden. 27 En Judith zei tot hen: Hoor mij en ik zal een werk doen, dat van geslacht tot geslacht zal komen tot onze nakomelingen. 28 U zult deze nacht aan de poort staan, en ik zal met mijn dienstmaagd daaruit gaan, en binnen die dagen, na welke u gezegd hebt de stad aan onze vijanden over te geven, zal de Heere Israël door mijn hand bezoeken. 29 Maar u zult niet onderzoeken wat ik doen zal, want ik zal u niet zeggen wat ik doe, voordat het zal volbracht zijn. 30 En Ozias en de oversten zeiden tot haar: Ga in vrede, en de Heere God ga voor u tot wraak over onze vijanden. En zij keerden weer uit haar tent, en gingen heen naar hun bestemde oorlogsordeningen. ### Judith 9 1 EN Judith viel op haar aangezicht, en legde as op haar hoofd, en ontblootte de zak, die zij aan had, en het was nu de tijd dat te Jeruzalem in het huis van God het reukwerk van die avond geofferd werd, en Judith riep met luide stem tot de Heere, en zei: 2 Heere, U God van mijn vader Simeon, die het zwaard in zijn hand gegeven hebt tot wraak over de vreemden, die de schoot van de maagd geopend hadden tot onreinheid, en de dij ontbloot hadden tot schaamte, en de schoot bevlekt hadden tot schande, (want U had gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan hadden, waarom U hun oversten hebt gegeven om gedood te worden, en hun leger, dat hun bedrog gekend had, tot bloed, en hebt de knechten geslagen met de geweldigen, en de geweldigen op hun tronen. 3 En hebt hun vrouwen gegeven tot een roof, en hun dochters in gevangenis, en al de buit tot verdeling onder Uw lieve kinderen, die ook met Uw ijver hebben geijverd, en een gruwel gehad hebben over de bevlekking van hun bloed, en hebben U tot een helper aangeroepen, o God, o mijn God, verhoor mij ook, die een weduwe ben. 4 Want U hebt de dingen gedaan, die voor die waren, en die dingen zelf, en die daarna zijn gebeurd, en weet de dingen die nu zijn, en die toekomende zijn, en die dingen die U beraadslaagd hebt, zijn daar komen staan, en hebben gezegd: Zie hier zijn wij. 5 Want al Uw wegen zijn bereid, en Uw oordeel is U tevoren bekend. 6 Want ziet, de Assyriërs zijn vermenigvuldigd in hun heerleger, zij zijn hoogmoedig op hun paarden en ruiters, en roemen op de arm van hun voetvolk. Zij hopen op hun schilden en lansen, en bogen, en slingers, en weten niet, dat U de Heere bent, die de oorlogen verplettert; Heere is Uw Naam. 7 Breek hun geweld met Uw kracht, en sla hun sterkte terneer in Uw toorn; 8 Want zij hebben voorgenomen Uw heiligdom te ontheiligen, 9 En te bevlekken de tabernakel van de rust van Uw heerlijke naam, en met het breekijzer om te werpen de hoorn van Uw altaar. 10 Zie op hun hoogmoed. 11 Zend Uw toorn over hun hoofden, 12 En geef mijn hand (ik, die een weduwe ben) de sterkte, die ik bedacht heb. 13 Sla met mijn bedriegelijke lippen de knecht met de overste, en de overste met zijn dienaar. 14 Breek hun hoogmoed door de hand van een vrouw. 15 Want Uw sterkte is niet in de menigte, noch Uw vermogen in de geweldigen, maar U bent een God van de nederigen; U bent een helper van de kleinen, een aannemer van de zwakken, een beschutter van de vertwijfelenden, en een behouder van degenen, die geen hoop hebben. 16 Ja, ja, U God van mijn vader, U God van het erfdeel van Israël, U Heere van de hemel en van de aarde, U schepper van de wateren, U Koning van al Uw schepselen, 17 Verhoor toch mijn gebed, 18 En geef dat mijn rede en mijn bedrog hun tot een wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen hebben tegen Uw verbond, en tegen Uw geheiligd thuis, en tegen de spits van de berg Sion, en tegen het huis van de bezitting van Uw kinderen; 19 En maak, dat men onder al Uw volk en alle stammen wete en bevinde, dat U de God bent aller kracht en sterkte, en dat er geen ander beschutter van het geslacht van Israël is dan U. ### Judith 10 1 EN het gebeurde toen zij ophield van roepen tot de God van Israël, en al deze woorden geëindigd had. 2 Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen van de sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmee zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit. 3 En zij waste haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-kleren aan, waarmee zij bekleed was in de dagen van het leven van haar man Manasse. 4 En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen van de mannen, zovelen haar aanzien zouden. 5 En zij gaf haar dienstmaagd een leren fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een reiszak met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar voorwerpen om en om, en legde ze deze op. 6 En zij gingen uit naar de poort van de stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten van de stad Chabrin en Charmin. 7 Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich bovenmate zeer over haar schoonheid. 8 En zeiden tot haar: God, de God van onze vaders, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van de Israëlieten en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan, 9 En zei tot hen: Beveel dat mij de poort van de stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan u met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongemannen haar open te doen, zoals zij gesproken had, en zij deden zo. 10 En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen van de stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen. 11 Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht van de Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Van wie bent u? en vanwaar komt u? en waar gaat u heen? 12 En zij zei: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden. 13 En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste van uw leger, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het hele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft. 14 Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht beschouwden, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid. 15 En zij zeiden tot haar: U hebt uw leven behouden, omdat u zich gehaast hebt af te komen tot het aangezicht van onze heer. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren. 16 Wanneer u nu voor hem staat, zo wees niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het hele leger, want haar aankomst werd bekend door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, zoals zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de Israëlieten om harentwil, en de één zei tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zulke vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, die overgelaten zijnde het hele land door listigheid zou kunnen bedriegen. 17 En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaren kwamen uit, en brachten haar in de tent. 18 En Holofernes rustte op zijn bed onder een kleed, dat van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was samen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen. 19 En als Judith voor zijn aangezicht en dat van zijn dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid van haar aangezicht, en zij, neervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienaren richtten haar op. ### Judith 11 1 EN Holofernes zei tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, heeft begeerd te dienen. 2 En nu, als uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn speer tegen hem niet opgeheven hebben, maar zij zelf hebben zich dit aangedaan. 3 Maar nu, zeg mij, waarom u van hen gevlucht en tot ons gekomen bent, want u komt tot uw behoudenis; heb goede moed, u zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, zoals met de knechten van mijn heer, koning Nabuchodonosor, gebeurt. 4 En Judith zei tot hem: Neem de woorden van uw dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aangezicht spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En als u de woorden van uw dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen. 5 Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren van het veld en de beesten, en de vogels van de hemel zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn hele huis leven. 6 Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden van uw hart, en het wordt verkondigd in de hele aarde, dat u alleen kloek bent in geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de oorlogsordeningen. 7 En nu wat betreft de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, omdat hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, omdat zij waarachtig is. 8 Want over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben. 9 Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aangezicht gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan. 10 Want omdat hun het voedsel ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot voedsel te gebruiken al wat God in Zijn wetten hun verboden heeft te eten. 11 Zij hebben ook voorgenomen tot voedsel te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, die zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aangezicht van onze God staan, die het zelfs niemand uit het volk past met de handen aan te raken. 12 En zij hebben enige naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal gebeuren dat, zodra hun dit bericht is en zij het gedaan hebben, zij diezelfde dag aan u overgegeven zullen worden om vernield te worden. 13 Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevlucht, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in de hele aarde zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen. 14 Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God van de hemel. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal 's nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u dat aanbrengen, en u zult met uw hele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal weerstaan. 15 En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat u komt voor Jeruzalem. 16 En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en u zult hen drijven zoals schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet één hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen; 17 Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weer te boodschappen. 18 Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienaren, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden: 19 Er is geen dergelijke vrouw van het ene einde van de aarde tot het andere einde, in schoonheid van aangezicht, en wijsheid van spreken. 20 En Holofernes zei tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden. 21 En nu, u bent schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, als u dan zult doen zoals u gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en u zult in het huis van de koning Nabuchodonosor wonen, en u zult beroemd zijn door het hele land. ### Judith 12 1 EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn voedsel, en dat zij drinken zou van zijn wijn. 2 Maar Judith zei: Ik zal daarvan niet eten, opdat geen aanstoot daaruit ontsta, maar uit wat mij volgt, zal mij toegediend worden. 3 En Holofernes zei tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons. 4 En Judith zei tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben wat ik bij mij heb, of de Heere zal door mijn hand gedaan hebben, wat Hij heeft beraadslaagd. 5 En de dienaren van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake. 6 En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden. 7 En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging 's nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij waste zich in het leger, in de waterfonteinen. 8 En als zij weer opkwam, bad zij de Heere, de God van Israël, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen van haar volk. 9 En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar voedsel bracht tegen de avond. 10 En het gebeurde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienaren, en riep niemand daartoe van degenen, die over de gemene zaken waren, en hij zei tot Bagoas de kamerling, die over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke. 11 Want zie, het is schande voor ons dat wij zulk een vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten. 12 En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zei: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware om zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aangezicht verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochters van de Assyriërs, die in het huis van Nabuchodonosor staan. 13 En Judith zei tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken? 14 Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag van mijn dood. 15 Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop neerzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neer. 16 En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was bovenmate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had. 17 En Holofernes zei tot haar: Drink toch, en wees met ons vrolijk. 18 En Judith zei: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen van mijn geboorte. 19 En zij nam, en at, en dronk voor hem, wat haar dienstmaagd bereid had. 20 En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, sinds hij geboren was. ### Judith 13 1 EN als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienaren om te scheiden; Bagoas sloot de tent van buiten toe, en deed van zich gaan allen, die voor zijn heer stonden. 2 En zij gingen heen naar hun bedden, want zij waren allen vermoeid, omdat de maaltijd zeer lang geduurd had; en Judith werd alleen gelaten in de tent. 3 En Holofernes was voorover op zijn bed gevallen, want de wijn had hem zeer bevangen. 4 Judith nu had haar dienstmaagd bevolen, dat zij buiten haar slaapkamer zou staan, en haar uitgang waarnemen, zoals dagelijks gebeurd was. Want zij zei, dat zij uitgaan zou tot haar gebed, en zij had met Bagoas dergelijke woorden gesproken; en zij gingen allen weg van haar aangezicht, en daar werd niemand, noch klein noch groot, in de slaapkamer gelaten. 5 En Judith staande voor zijn bed, zei in haar hart: 6 O Heere, U God aller kracht, zie op dit uur de werken van mijn handen aan, tot verhoging Jeruzalems, want het is nu de rechte tijd, om Uw erfenis te hulp te komen, en mijn aanslag uit te voeren, tot verwondering van de vijanden, die tegen ons opgestaan zijn. 7 En zij ging naar de sponde van het bed, die aan Holofernes' hoofd was, en zij nam zijn sabel vandaar, en nabij komende aan het bed, greep zij het haar van zijn hoofd aan en zei: 8 Sterk mij, o God van Israël, op deze dag. 9 En zij sloeg tweemaal in zijn hals met al haar kracht: en hieuw hem zijn hoofd af, en zij wentelde het lichaam van het bed. 10 En nam het kleed van de pilaren weg. 11 En een weinig daarna ging zij uit, en gaf haar dienstmaagd het hoofd van Holofernes over, en die stak het in de zak met haar voedsel. 12 En zij beiden gingen samen uit, naar haar gewoonte, en door het leger gegaan zijnde, gingen zij rondom dat dal heen, en klommen op de berg van de stad Bethulië, en kwamen aan haar poorten. 13 En Judith zei van verre tot degenen, die de wacht hadden over de poorten: Doe open! doe toch de poort open, God, onze God, is met ons om nog kracht te bewijzen in Israël, en tegen de vijanden, zoals Hij ook vandaag gedaan heeft. 14 En het gebeurde als de mannen van die stad haar stem hoorden, dat zij zich haastten om af te komen naar hun stadspoort, en zij riepen de oudsten van de stad bijeen. 15 En zij liepen allen samen van de minste tot de meeste, want het dacht hun vreemd, dat zij kwam en zij deden de poort open, en ontvingen haar. 16 En zij ontstaken vuur om te lichten, en omringden haar. 17 Maar zij sprak tot hen met luide stem: 18 Loof God, looft Hem; loof God, die Zijn barmhartigheid van het huis van Israël niet afwendt, maar Hij heeft onze vijanden verwond door mijn hand, in deze nacht. 19 En zij trok het hoofd van Holofernes uit de zak, en toonde het, en zei tot hen: Zie hier het hoofd van Holofernes, de veldoverste van het leger van de Assyriërs, en ziet het kleed waaronder hij gelegen heeft in zijn dronkenschap, en de Heere heeft hem geslagen door de hand van een vrouw. 20 En zo waarachtig als de Heere leeft, die mij bewaard heeft op mijn weg, die ik heengegaan ben, dat mijn aangezicht hem heeft verleid tot zijn verderf, en hij heeft geen zonde tot bevlekking en schaamte met mij begaan. 21 En al het volk ontzette zich zeer, en zich neerbuigende, aanbaden zij God. 22 En zeiden eendrachtig: Geloofd bent U, o onze God, die op de huidige dag de vijanden van Uw volk teniet hebt gemaakt. 23 En Ozias zei tot haar: Gezegend bent u, o dochter, voor de hoogste God, boven alle vrouwen, die op de aarde zijn. 24 En geloofd zij de Heere God, die de hemel en de aarde geschapen heeft, die u geleid heeft tot verwonding van het hoofd van de overste van onze vijanden. 25 Want uw hoop zal niet geweerd worden uit het hart van de mensen, die de kracht van God zullen gedenken, tot in de eeuwigheid; en God doe u dit tot een eeuwige verhoging, en bezoeke u met allerlei goed, omdat u uw leven niet gespaard hebt vanwege de vernedering van ons geslacht, maar onze val bent tegengegaan en oprecht voor onze God hebt gewandeld. 26 En al het volk zei: Het zij zo! het zij zo! ### Judith 14 1 EN Judith zei tot hen: Hoor mij nu, broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur. 2 En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal ieder van u zijn krijgsuitrusting nemen, en u allen, die kloeke mannen bent, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of u wilde neerdalen in het veld, tegen de eerste wacht van de kinderen van Assur, maar u zult niet heen afgaan. 3 En zij zullen hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs opwekken. 4 En zij zullen allen tegelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vluchten. 5 En u zult hen achtervolgen, en ook allen die in het hele gebied van Israël wonen, en zult hen neervellen in hun wegen. 6 Maar voordat u dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis van Israël veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering van het volk, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verfrist hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zei: Gezegend bent u in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al wat u in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden van het volk, al wat zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luide stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad. 7 En Achior ziende al wat de God van Israël gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees van zijn voorhuid, en werd tot het huis van Israël toegevoegd tot op deze dag. 8 Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen van Israël namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang van de berg, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers, 9 Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was: 10 Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot ons neerkomen in de oorlog, opdat zij geheel vernietigd worden. 11 En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal van de tent: 12 Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep. 13 En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer. 14 En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luide stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn kleren. 15 En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis van de koning Nabuchodonosors, want ziet, Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem. 16 Als nu de oversten van het leger van de Assyriërs deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun kleren, en hun ziel werd zeer beroerd. 17 En hun geschrei en geroep werd groot in het midden van het leger. ### Judith 15 1 EN als die in de tenten waren dat hoorden, ontzetten zij zich over wat gebeurd was, en vrees en beving viel op hen. 2 En daar was geen mens die staande bleef voor het aangezicht van zijn naasten, maar zij liepen weg, en vluchtten gezamenlijk op alle wegen van het vlakke veld, en van het gebergte; en die zich gelegerd hadden op het gebergte rondom Bethulië, werden ook op de vlucht gebracht. 3 En toen vielen alle strijdbare mannen van de Israëlieten tegen hen uit. 4 En Ozias zond naar Bethomasthem en Bebaï, en Chebaï, en Chela, en naar het hele gebied van Israël, om te boodschappen wat er gebeurd was, opdat zij allen op de vijanden zouden uitrukken, om hen uit te roeien. 5 Als nu de Israëlieten dat gehoord hadden, vielen zij allen eendrachtig op hen aan en sloegen hen tot Choba toe; evenzo ook die van Jeruzalem daar gekomen waren, en uit het hele gebergte, want zij boodschapten hun wat het leger van hun vijanden overkomen was. 6 En die van Gileäd en van Galilea sloegen hen met een grote slachting, totdat zij voorbij Damascus en haar gebied gekomen zijn, 7 De anderen nu, die te Bethulië woonden, vielen in het leger van de Assyriërs en beroofden hen, en verrijkten zich daarbij zeer. 8 En de Israëlieten teruggekeerd zijnde van de slag, vermeesterden de overigen; en de plaatsen en de steden in het gebergte en op het vlakke veld kregen veel buit, want daar was een zeer grote menigte. 9 En Joachim, de hogepriester, en de raad van de Israëlieten, die te Jeruzalem hun woning hadden, kwamen om te aanschouwen het goede dat God aan Israël gedaan had, en om Judith te zien, en met haar vreedzaam te spreken. 10 En als zij tot haar inkwamen, zegenden zij haar allen eendrachtig, en zeiden tot haar: 11 U bent de verhoging van Israël, u bent een grote heerlijkheid van Israël. U bent een grote roem van ons geslacht. U hebt dit alles gedaan door uw hand. U hebt aan Israël goed gedaan, en God hebbe een welgevallen daaraan. Wees gezegend voor de Almachtige Heere, ten eeuwigen tijde, en al het volk zei: Het zij zo! 12 En al het volk plunderde het leger, dertig dagen lang. 13 En zij gaven aan Judith de tent van Holofernes, en al het zilverwerk, en de bedden, en de bekkens, en al zijn huisraad, en zij nam het aan, en zij legde het op haar muilezel en zij spande haar wagens in, en zij laadde dat daarop. 14 En al de vrouwen van Israël liepen samen om haar te zien, en zij zegenden haar, en zij maakten zich een rei uit haar midden. 15 En zij nam groene takken in haar handen, en gaf die ook aan de vrouwen die bij haar waren, en zij kroonden zich en degenen, die bij haar waren met olijftakken. En zij ging voor het hele volk in de rei, leidende al de vrouwen, en alle mannen van Israël volgden gewapend met kransen, en met lofzangen in hun monden. ### Judith 16 1 EN Judith begon deze dankzegging te zingen onder geheel Israël, en het hele volk zong deze lofzang haar na. 2 En Judith zei: Begint de lof van mijn Heere met tambourijn; zing voor mijn Heere met cimbalen, en dicht Hem kunstig een nieuwe Psalm; verhef, en roept Zijn naam aan. 3 Want de Heere is een God, die de oorlogen vermorzelt: want Hij heeft in Zijn leger, in het midden van het volk, mij verlost, uit de hand van degenen, die mij vervolgden. 4 Assur kwam uit de gebergten van het noorden; 5 Hij kwam in met vele duizenden van zijn macht, waarvan de menigte de waterbeken verstopte, en hun ruiterij bedekte de heuvelen. 6 Hij zei, dat hij mijn gebied zou verbranden, en dat hij mijn jonge mannen zou ombrengen door het zwaard, en mijn zuigelingen tegen de aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn maagden wegroven. 7 De Heere, de Almachtige, heeft hen teniet gemaakt, door de hand van een vrouw. 8 Want hun machtige is niet gevallen door jonge mannen, en de kinderen van de Titanen hebben hem niet verslagen, en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen, maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt, door de schoonheid van haar aangezicht. 9 Want zij deed de kleren van haar weduwschap uit, tot verhoging van degenen die benauwd waren in Israël. 10 Zij zalfde haar aangezicht met geurende zalf, en had haar haar gebonden in een hulsel, en zij nam een linnen kleding, om hem te bedriegen. 11 Haar schone pantoffelen hebben zijn oog weggerukt, en haar schoonheid heeft zijn ziel gevangen genomen, en de sabel is door zijn hals gegaan. 12 De Perzen beefden voor haar onverschrokkenheid, en de Meden ontzetten zich over haar dapperheid. 13 Toen juichten mijn nederigen, en riepen mijn zwakken, en zij zijn verbaasd geworden; die verhieven hun stem, en zij zijn teruggekeerd. 14 De zonen van de jonge vrouwen hebben hen doorstoken, en als kinderen van de overlopers hebben zij hen gewond, zij zijn vergaan door het leger van de Heere, mijn God. 15 Ik zal mijn God een lofzang zingen. 16 Heere, U bent groot en heerlijk, wonderlijk in kracht, en onverwinnelijk. 17 Dat al Uw schepsel U dient, want U hebt het gezegd, en zij zijn geworden. U hebt Uw geest uitgezonden, en hij heeft ze gebouwd, en daar is niemand die Uw stem zal weerstaan. 18 Want de bergen zullen uit de fundamenten met hun wateren bewogen worden, de steenrotsen zullen van Uw aangezicht, als was, versmelten. 19 Maar U zult genadig zijn aan degenen die U vrezen, want alle offergave ten goeden reuk, is een klein ding voor U, en al het vette tot brandoffer is het allerminste, maar die de Heere vreest is altijd groot. 20 Wee de volken, die tegen mijn geslacht opstaan, de Heere, de Almachtige, zal over hen wraak doen, in de dag van het gericht. 21 Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen door de pijn tot in eeuwigheid huilen. 22 En als zij nu te Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God, en toen het volk gereinigd was, offerden zij hun brandoffers en hun gewillige offeren, en hun gaven. 23 En Judith hing op in de tempel al de voorwerpen van Holofernes, die het volk haar gegeven had, en het kleed, dat zij uit zijn slaapkamer genomen had, gaf zij tot een heilige gift voor de Heere. 24 En het volk was vrolijk te Jeruzalem, voor het heiligdom, drie maanden lang, en Judith bleef bij hen. 25 En na die dagen trok ieder weer naar zijn erfenis, en Judith kwam weer naar Bethulië, en bleef bij haar goederen. 26 En zij was in haar tijd zeer geëerd in het hele land. 27 En velen begeerden haar te hebben, maar geen man had gemeenschap met haar al de dagen van haar leven, van de dag dat haar man Manasse gestorven, en tot zijn volk verzameld was. 28 En zij nam zeer toe, en was zeer groot, en zij werd oud in het huis van haar man, honderdenvijf jaren, en zij stelde haar maagd in vrijheid, en zij stierf te Bethulië, en zij begroeven haar in de grot van haar man Manasse, en het huis van Israël droeg zeven dagen lang rouw over haar. 29 En zij deelde haar goederen, voordat zij stierf, aan al de naaste vrienden van haar man Manasse, en aan de naaste vrienden van haar geslacht. 30 En daar was niemand meer, die de Israëlieten enige vrees aandeed, in de dagen van Judith, noch ook in vele dagen, nadat zij gestorven was. ## Boek der Wijsheid ### Boek der Wijsheid 1 1 HEBT de gerechtigheid lief, u, die de aarde richt; heb van de Heere een goed gevoelen en zoekt Hem in eenvoud van de harten. 2 Want hij wordt gevonden door degenen die hem niet verzoeken, en verschijnt die, die hem niet wantrouwen. 3 Want verkeerde gedachten scheiden van God, en Zijn kracht beproefd zijnde overtuigt de zotten. 4 Want wijsheid zal niet komen in een ziel, die met kwade ranken omgaat, en zal niet wonen in een lichaam aan zonden verplicht. 5 Want de Heilige Geest van de onderwijzing vlucht de bedriegerij, wijkt af van de gedachten van de onverstandigen en bestraft hen, als de ongerechtigheid daarbij komt. 6 Want de wijsheid is een menslievende geest, maar zal niet onschuldig houden degene, die met zijn lippen lastert, want God is een getuige van zijn nieren, en een waarachtig opmerker van zijn hart en een aanhoorder van zijn tong. 7 Want de Geest van de Heere vervult de aarde, en wat alles samen houdt heeft kennis van de stem. 8 Daarom zal niemand voor hem kunnen schuilen die spreekt wat onrecht is, en de straffende wraak zal hem niet voorbijgaan. 9 Want over de raadslagen van de goddelozen zal onderzoek gebeuren, en het geluid van zijn woorden zal voor de Heere komen, tot bestraffing van zijn misdaden. 10 Omdat zijn ijverig oor al de dingen hoort, en het knorren van het murmureren hem niet verborgen is. 11 Wees dan op uw hoede voor het onnutte geklaag en onthoudt uw tong van roddelen, want de verborgen rede zal niet leeg heengaan, en de mond die liegt, brengt de ziel om. 12 Sta niet naar de dood door dwaling van uw leven, en trekt het verderf niet over u door werken van uw handen. 13 Want God heeft de dood niet gemaakt, en heeft geen vermaak aan het verderf van de levenden. 14 Want hij heeft alle dingen geschapen om te zijn, en de beginselen van de wereld zijn heilzaam, en in deze is geen venijn van het verderf, en het rijk van het dodenrijk is niet op aarde. 15 Gerechtigheid is onsterfelijk. 16 Maar de goddelozen hebben dat met handen en met woorden tot zich geroepen, het houdende voor een vriend, zijn zij versmolten en hebben een verbond daarmee opgericht; want zij zijn waard, dat zij het tot een deel hebben. ### Boek der Wijsheid 2 1 WANT deze dingen met recht overlegd hebbende, zeggen zij tot elkaar: Ons leven is kort en moeilijk, en daar is geen genezing tegen de dood van de mensen, en niemand wordt gekend, die uit het dodenrijk teruggekeerd is. 2 Want toevallig zijn wij geboren en na deze zullen wij zijn alsof wij niet geweest waren, want het snuiven in onze neusgaten is een rook, en de rede is een vonk voortkomende door de beweging van ons hart. 3 Die uitgeblust zijnde, zo wordt het lichaam tot as en onze geest wordt verspreid zoals de wijde lucht. 4 En onze naam wordt na verloop van tijd vergeten, en niemand zal aan onze werken denken, en ons leven gaat voorbij, zoals de voetstappen van een wolk, en wordt verstrooid zoals een nevel, die van de stralen van de zon nagejaagd en van haar hitte bezwaard wordt. 5 Want onze tijd is een schaduw die voorbijgaat, en daar is geen terugkeren van onze dood, want die is verzegeld en niemand keert weer. 6 Kom dan, en laat ons de tegenwoordige goederen genieten, en wat wij bezitten metterhaast gebruiken, zoals in de jeugd. 7 Laat ons ons opvullen met kostelijke wijn en zalf, en de bloem van de lente ga ons niet voorbij. 8 Laat ons ons kronen met rozenknoppen, voordat zij verwelken. 9 Niemand van ons zij zonder deel te hebben aan onze overmoed; laat ons overal merktekenen van de weelde laten, want dit is ons deel, en dit is ons lot. 10 Laat ons de arme rechtvaardige overweldigen, en laat ons de weduwen niet sparen, en het grijze, veeljarige haar van de oude niet ontzien. 11 Maar onze sterkte zij een wet van de gerechtigheid, want wat zwak is wordt onnut bevonden. 12 Laat ons op de rechtvaardige loeren, want hij is ons nadelig, en stelt zich tegen onze werken, en verwijt ons de zonden begaan tegen de wet, en maakt gerucht van ons vanwege de zonden van onze wandeling. 13 Hij wendt voor dat hij kennis van God heeft, en noemt zichzelf een kind van de Heere. 14 Hij is ons geworden tot een weerlegging van onze gedachten. 15 Hij is ons moeilijk, ook zelfs om aan te zien, want zijn leven is de anderen ongelijk, en zijn paden zijn geheel andere. 16 Wij worden van hem geacht als vals zilver, en hij houdt zich af van onze wegen, als van onreinheden: hij prijst zalig het einde van de rechtvaardigen, en pocht dat God zijn vader is. 17 Laat ons zien, of zijn woorden waarachtig zijn, en laat ons opmerken wat uitkomst hij hebben zal. 18 Want als de rechtvaardige een zoon van God is, zo zal Hij hem te hulp komen, en zal hem verlossen uit de hand van degenen die hem tegenstaan. 19 Laat ons hem met smaad en pijniging onderzoeken, opdat wij zijn bescheidenheid mogen weten, en zijn verdraagzaamheid beproeven. 20 Laat ons hem tot een schandelijke dood verwijzen, want daar zal over hem opzicht genomen worden, zoals hij zegt. 21 Dit hebben zij overlegd, maar hebben gedwaald, want hun boosheid heeft hen verblind. 22 Zij verstaan de geheimen van God niet, en hebben het loon van de heiligheid niet te hopen, en achten de eer van de onbestraffelijke zielen niet. 23 Want God heeft de mens geschapen tot onvergankelijkheid, en heeft hem gemaakt een beeld van zijn eigen natuur. 24 Maar door de afgunst van de duivel is de dood in de wereld gekomen, en die van zijn deel zijn, die proeven deze. ### Boek der Wijsheid 3 1 MAAR de zielen van de rechtvaardigen zijn in de hand van God, en geen kwaal zal hen aanraken. 2 Zij schijnen in de ogen van de dwazen te sterven, en hun uitgang wordt voor kwelling gerekend. 3 En hun afscheiden van ons schijnt hun te zijn een vernieling, maar zij zijn in vrede. 4 Want of zij wel in het gezicht van de mensen gepijnigd worden, zo is toch hun hoop vol onsterfelijkheid. 5 Zijnde een weinig getuchtigd geweest, zullen zij grote weldaden genieten, omdat God hen heeft beproefd, en hen van zijn waard heeft bevonden. 6 Hij heeft hen beproefd zoals goud in een smeltoven, en hen aangenomen als een brandoffer. 7 Ten tijde van hun bezoeking zullen zij blinken, en over en weer lopen, zoals de vonken in de stoppelen. 8 Zij zullen de heidenen oordelen, en over de volken heersen, en de Heere zal als koning in eeuwigheid over hen regeren. 9 Die op hem betrouwen zullen de waarheid verstaan, en de gelovigen zullen in liefde bij hem blijven, want genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen. 10 Maar de goddelozen zullen gestraft worden zoals zij gedacht hebben; die de rechtvaardige niet hebben geacht, en van de Heere zijn afgeweken. 11 Want hij is ellendig die de wijsheid en tucht veracht, en hun hoop is ijdel, en hun moeiten zijn tevergeefs, en hun werken onnut. 12 Hun vrouwen zijn dwaas, en hun kinderen boos. 13 Hun geslacht is vervloekt, daarom is de onvruchtbare zalig, die onbevlekt is, die het bed niet heeft gekend in overtreding, zij zal de vrucht genieten in de bezoeking van de zielen. 14 En de gesnedene is zalig die geen onrecht met zijn hand gewerkt, noch boze dingen tegen de Heere, gedacht heeft, want hem zal gegeven worden een uitverkoren genade van het geloof, en een zeer aangenaam lot in de tempel van de Heere. 15 Want de vrucht van de goede arbeid is heerlijk, en de wortel van de wijsheid vervalt niet. 16 Maar de kinderen van de echtbrekers zullen niet volkomen worden, en het zaad van een onwettig bed zal verdwijnen. 17 Want als zij al lang zouden leven, zo zullen zij toch voor niets geacht worden, en hun ouderdom zal op het laatste zonder eer zijn. 18 Als zij haast komen te sterven, zo zullen zij geen hoop hebben, noch troost in de dag van het oordeel. 19 Want het einde van het onrechtvaardige geslacht is zwaar. ### Boek der Wijsheid 4 1 BETER is het zonder kinderen te zijn, en deugd te hebben, want onsterfelijkheid is in de herinnering daarvan, omdat zij zowel bij God als bij de mensen gekend wordt. 2 Als zij tegenwoordig is, zo volgt men haar na, en gaat zij weg, zo verlangt men naar haar, en in de toekomende eeuw draagt zij een kroon, en triomfeert, nadat zij de strijd van de prijzen, die onbevlekt zijn, gewonnen heeft. 3 Maar de vruchtbare menigte van de goddelozen zal geen voordeel doen, en wat uit onechte scheuten voortkomt, zal niet diep inwortelen, noch vaste grond zetten. 4 Want hoewel zij in de takken voor een tijd weer uitspruiten, toch omdat zij zeer prijzenswaardig voortkomen, zullen zij van de wind bewogen, en van de kracht van de winden uitgeworteld worden. 5 De ontijdige takjes zullen rondom gebroken worden, en hun vrucht is onnut, onrijp tot voedsel, en tot niets geschikt. 6 Want kinderen uit onwettige bijslaap geboren, zijn getuigen van de boosheid tegen hun ouders, wanneer men hen ondervraagt. 7 Maar de rechtvaardige, als hij vroeg komt te sterven, zal in de rust zijn. 8 Want ouderdom is eerbaar, niet die van veel tijds is, noch die met een getal van jaren gemeten wordt. 9 Maar wijsheid is de mensen dat rechte grijze haar; en een onbevlekt leven is de rechte ouderdom. 10 Die God behaagd heeft, is door Hem geliefd; en levende onder de zondaren werd hij weggenomen. 11 Hij werd weggerukt, opdat de boosheid zijn verstand niet zou veranderen, of list zijn ziel bedriegen. 12 Want de betovering van de boosheid verdonkert het goede; en omdrijving van de lust keert een gemoed om, dat zonder kwaad is. 13 In korte tijd volmaakt geworden zijnde, heeft hij lange tijden vervuld. 14 Want zijn ziel was de Heere aangenaam, daarom heeft Hij gehaast hem uit het midden van de boosheid weg te nemen. 15 Maar de volken zien het, en bedenken het niet, en nemen niet in overlegging, dat genade en barmhartigheid is in zijn heiligen, en opzicht over zijn uitverkorenen. 16 De rechtvaardige die gestorven is, veroordeelt de goddelozen die leven; en de jeugd die plotseling voltooid is, de veeljarige ouderdom van de onrechtvaardigen. 17 Want wij zullen zien het einde van de wijze, en niet bedenken wat zij over hem beraadslaagd hebben, en waartoe hem de Heere verzekerd heeft. 18 Zij zullen het zien en niets achten, maar de Heere zal hen uitlachen. 19 En zullen hierna tot een schandelijke val zijn, en tot versmaadheid onder de doden in eeuwigheid, want hij zal hen stemmeloos en vooruit overhangende scheuren; en hen uit de grond bewegen, en zij zullen tot het uiterste toe verwoest worden; en zullen in angst zijn en hun herinnering zal vergaan. 20 Zij zullen in overlegging van hun zonden komen, bevreesd zijnde; en hun onrechtvaardige daden zullen tegen hen staan, en hen overtuigen. ### Boek der Wijsheid 5 1 DAN zal de rechtvaardige met grote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht van degenen, die hem verdrukt en zijn moeiten verworpen hebben. 2 En zij dat ziende, zullen met zware vrees beroerd worden, en zullen zich ontzetten over deze onvermeende zaligheid. 3 En berouw hebbende, zullen zij onder elkaar zeggen, en door angst van de geest zuchten, en zeggen: Deze was het over wie wij vroeger lachten, en die wij voor een smadelijke beschimping hadden. 4 Wij zotten, hielden zijn leven voor razernij, en zijn einde voor oneerlijk. 5 Hoe is hij nu gerekend onder de kinderen van God, en hoe is zijn lot onder de heiligen! 6 Werkelijk wij zijn van de weg van de waarheid afgedwaald, en het licht van de gerechtigheid heeft ons niet beschenen, en de zon van de gerechtigheid is ons niet opgegaan. 7 Wij zijn vervuld geworden in de paden van de ongerechtigheid en van het verderf, en hebben woeste omwegen doorreisd, maar de weg van de Heere hebben wij niet gekend. 8 Wat heeft ons de hoogmoed gebaat? en wat heeft ons de rijkdom met pochen gebracht? 9 Al die dingen zijn voorbijgegaan zoals een schaduw, en zoals een voorbijlopende tijding. 10 Zoals een schip varende door de golven van het water, waarvan, als het voorbij gevaren is geen spoor gevonden wordt, noch de rechte weg van zijn reis door de golven. 11 Of zoals geen kenteken wordt gevonden van de reis van de vogel, die door de lucht vliegt, maar als de vleugels bewogen worden, gaat de slag van de wieken door de lichte geslagen wind, die door de kracht van het suizen gespleten wordt, en daarna vindt men geen teken in hem van de doortocht. 12 Of zoals wanneer een pijl, naar het doelwit geschoten zijnde, de lucht die daardoor verdeeld was, meteen weer samen loopt, zodat men zijn doorgang niet weet. 13 Zo ook wij, als wij geboren zijn, meteen zijn wij bezweken. 14 En kunnen geen teken van de deugd tonen, maar zijn in onze boosheid verteerd geworden. 15 Want de hoop van de goddeloze is zoals een vezeltje, dat van de wind gedreven wordt, en zoals een dunne rijm, die door een wervelwind gejaagd wordt; en als een rook, die door de wind verwaaid wordt, of ook zoals de herinnering voorbijgaat van degene, die maar één dag gast geweest is. 16 Maar de rechtvaardigen leven in de eeuwigheid, en hun loon is bij de Heere, en de Allerhoogste zorgt voor hen. 17 Daarom zullen zij ontvangen een zeer heerlijk rijk, en een schone kroon uit de hand van de Heere, want met zijn rechterhand zal hij hen beschermen, en met zijn arm zal hij hen beschutten. 18 Hij zal zijn ijver nemen tot een hele wapenrusting, en zijn schepselen wapenen tot wraak tegen de vijanden. 19 Hij zal gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas, en een ongeveinsd oordeel opzetten tot een helm. 20 Hij zal heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild, 21 En zal de gestrenge toorn scherpen tot een zwaard, en de wereld zal met hem strijden tegen de onwijzen. 22 De welmikkende pijlen van de bliksemen zullen heengaan, en zoals van een welgespannen boog uit de wolken op het doelwit treffen. 23 Dikke hagelstenen zullen geworpen worden, als uit een slinger van de toorn; het water van de zee zal tegen hen zeer woeden, en de stromen zullen samen heftig overvloeien. 24 De Geest van de kracht zal hen tegenstaan, en hen als een draaiwind uitwannen, en de ongerechtigheid zal de hele aarde verwoesten, en de boosaardigheid zal de stoelen van de machtigen omkeren. ### Boek der Wijsheid 6 1 HOOR dan, u koningen, en versta; leer, u rechters van de einden van de aarde, 2 Laat dit tot uw oren ingaan, u die over menigten heerst, en u verhovaardigt over de menigten van de volken. 3 Want de heerschappij is u door de Heere gegeven, en de macht door de Allerhoogste; die naar uw werken vlijtig vernemen, en uw raadslagen doorzoeken zal. 4 Omdat u dienaren zijnde van zijn koninkrijk niet recht hebt geoordeeld, noch de wet bewaard, noch naar de raad van God hebt gewandeld. 5 Schrikkelijk en haastig zal hij over u komen; want een streng oordeel zal gaan over degenen, die over anderen gesteld zijn. 6 Want de minsten is het te vergeven door barmhartigheid, maar de machtigen zullen streng onderzocht worden. 7 Want de Heere van allen zal de persoon niet ontzien, en de grootte niet vrezen, want Hij heeft kleinen en groten gemaakt, en tegelijk zorgt Hij voor allen. 8 Maar over de heersende zal een sterke onderzoeking komen. 9 Tot u dan, o koningen, is het dat ik spreek, opdat u wijsheid leren zou en niet vervallen. 10 Want die heilig heilige dingen zullen bewaard hebben, zullen geheiligd worden, en die deze geleerd hebben, zullen verantwoording vinden. 11 Zo wees dan begerig naar mijn woorden, verlang daarnaar, en u zult onderwezen worden. 12 Blinkende en onverwelkelijk is de wijsheid, en wordt licht gezien door degenen die haar liefhebben, en gevonden door die haar zoeken. 13 Zij voorkomt degenen die haar begeren, om tevoren gekend te worden. 14 Die vroeg van de morgen tot haar zal gekomen zijn, zal geen moeite hebben, want hij zal haar bij zijn poorten vinden zitten. 15 Want aan haar te gedenken is de volkomenheid van de kloekheid, en die om harentwil waakt, zal haast zonder zorg zijn. 16 Want zij gaat rondom heen, zoekende degenen die haar waard zijn, en op de paden verschijnt zij hun vriendelijk, en ontmoet hen met alle opmerkingen. 17 Want haar begin is de ware begeerte van de onderwijzing, en de bezorging van onderwezen te worden is liefde, 18 En de liefde is de onderhouding van haar wetten, en de onderhouding van de wetten is verzekering van de onvergankelijkheid, 19 En de onvergankelijkheid maakt dat men nabij God is. 20 Want zelfs de begeerte van de wijsheid brengt tot het koninkrijk. 21 Als u dan behagen hebt, u koningen van de volken, in tronen en scepters, zo eer de wijsheid, opdat u eeuwig als koningen mag regeren. 22 Wat nu wijsheid is, en hoe zij geworden is, zal ik u verkondigen, en zal u de geheimen niet verbergen, maar zal haar vanaf het begin van haar geboorte ijverig naspeuren, en haar kennis te voorschijn brengen, en zal de waarheid in geen geval voorbijgaan. 23 En ik zal mij op de weg niet begeven met de uitterende afgunst, want deze zal met de wijsheid geen gemeenschap hebben. 24 Maar de menigte van de wijzen is de behoudenis van de wereld, en een wijs koning is van het volk welstand. 25 Laat u dan onderwijzen door mijn woorden, en het zal u voordelig zijn. ### Boek der Wijsheid 7 1 IK ben ook een sterfelijk mens, zoals alle anderen, en van het geslacht van de eerstgeschapen mens, die uit de aarde zijn oorsprong heeft. 2 En ben in het lichaam van mijn moeder tot vlees gebeeld in tien maanden tijds, zijnde in bloed samen geronnen uit zaad van een man, en hartstocht die daarbij komt met de slaap. 3 En ik heb ook, geboren zijnde, de lucht geschept, die wij samen hebben, en ben gevallen op de aarde, die gelijke eigenschappen met ons heeft; huilen is mijn eerste stem geweest, zoals van alle anderen. 4 In windselen ben ik opgevoed en met zorgen. 5 Want geen koning heeft een ander begin gehad van zijn geboorte. 6 Maar de ingang van alle mensen in het leven is dezelfde, en een even gelijke uitgang. 7 Daarom bad ik, en mij werd verstand gegeven; ik riep aan, en de geest van de wijsheid kwam tot mij. 8 Ik hield meer van haar dan van scepters en tronen; en rijkdom acht ik niets in vergelijking met haar. 9 Ik vergeleek geen edele steen bij haar, want al het goud ten aanzien van haar is als een weinig zand, en zilver is als slijk tegen haar te rekenen. 10 Boven gezondheid en schone gestalte heb ik van haar gehouden, en heb haar gekozen om te hebben tot een licht; want de glans uit haar wordt niet uitgeblust. 11 En allerlei goed kwam tot mij met haar, en ontelbare rijkdom door haar handen. 12 En ik was verheugd in alle dingen, want de wijsheid ging daarin voor, en ik wist niet dat zij van deze dingen voortteelster was. 13 Zonder erg heb ik geleerd, en zonder afgunst deel ik mee: haar rijkdom verberg ik niet. 14 Zij is de mensen een schat die niet afneemt; die haar gebruiken verkrijgen vriendschap bij God, en zijn aangenaam geworden om de gaven, die uit de onderwijzing voortkomen. 15 En God heeft mij gegeven mijn mening te zeggen, en te bedenken wat waard te de dingen, die mij gegeven zijn, want Hij leidt op de weg van de wijsheid en bestuurt de wijzen recht. 16 Want in zijn hand zijn zowel wij als onze woorden, ook allerlei kloekheid en wetenschap van handwerken. 17 Want hij heeft mij gegeven ware kennis van de dingen die zijn, om te weten de gestalte van de wereld, en de werkingen van de elementen. 18 Het begin, en het einde, en het midden van de tijden, de verwisselingen van de omkeringen van de zon, en de veranderingen van de tijden, 19 De omloop van het jaar, en de stelling van de sterren, 20 De natuur van de dieren, en de woede van de wilde dieren, het geweld van de winden, en de overleggingen van de mensen, het menigerlei onderscheid van de planten, en de krachten van de wortels. 21 Ik heb kennis van alle, zowel van verborgen als openbare dingen, want de wijsheid, die van alle dingen een kunstenares is, heeft ze mij geleerd. 22 Want in haar is een geest die verstandig is, heilig, enig, veelvuldig, fijn, behendig, rein, onbesmet, klaar, zacht, van het goede houdende, scherp, die niet kan verhinderd worden, weldadig. 23 Vriendelijk, vast, zeker, onbezorgd, die alles vermag, die op alles ziet, en die door alle verstandige, reine, allerfijnste geesten gaat. 24 Want de wijsheid is bewegelijker dan alle beweging, vaart door, en gaat door alle dingen vanwege haar reinheid. 25 Want zij is een damp van de kracht van God, en een zuivere uitvloeiing van de heerlijkheid van de almachtige, daarom valt in haar niets dat besmet is. 26 Want zij is een afschijnsel van het eeuwige licht, en een onbevlekte spiegel van Gods werkende kracht, en een beeld van Zijn goedheid. 27 En enig zijnde kan zij alles doen, en blijvende in zichzelf, vernieuwt zij alle dingen, en van geslacht tot geslacht, in de heilige zielen overgaande, maakt zij vrienden van God en profeten. 28 Want God houdt van niets dan van degene, die bij de wijsheid woont. 29 Want zij is schoner dan de zon, en verheven boven alle sterren, bij het licht vergeleken zijnde, wordt zij voortreffelijker bevonden. 30 Want na dat licht komt de nacht, maar de boosheid zal de wijsheid niet overweldigen. ### Boek der Wijsheid 8 1 ZIJ reikt van het ene einde tot het andere einde, en regeert alle dingen nuttig. 2 Deze heb ik liefgehad en uitgezocht van mijn jeugd aan, en haar gezocht voor mij te nemen tot een bruid, en ben geworden een liefhebber van haar schoonheid. 3 Zij maakt haar adellijke afkomst daarmee heerlijk dat zij met God verkeert, en de Heere van alle dingen heeft haar lief. 4 Want zij is een leermeesteres van de wetenschap van God, en doet een keuze uit Zijn werken. 5 En zo rijkdom een zeer begeerlijke bezitting is in het leven, wat is rijker dan de wijsheid die alles werkt? 6 En zo de vernuftigheid werkt, wie is er onder de dingen die zijn groter kunstenaar dan zij? 7 En zo iemand gerechtigheid liefheeft, al haar arbeid is enkel deugd, want zij leert nuchterheid en verstandigheid, gerechtigheid en dapperheid, die de mens nuttiger zijn in het leven, dan enig ander ding. 8 En zo ook iemand de ervarenheid veler dingen begeert, zij weet de oude geschiedenissen, en de toekomstige dingen gist zij; zij weet de verdraaiing van de woorden en de ontbinding van de raadselen; tekenen en wonderen weet zij tevoren, en de uitkomsten van gelegenheden en tijden. 9 Zo heb ik dan besloten ze tot mij te brengen, om met mij te leven, wetende dat zij mij zal raden wat goed is, en zal mij een terechtwijzing zijn, in zorg en verdriet. 10 Ik zal door haar heerlijkheid hebben onder het volk, en nog jong zijnde eer bij de oude. 11 Ik zal scherpzinnig gevonden worden in het gericht, en in het gezicht van de machtigen zal ik een verwondering zijn. 12 Als ik zal zwijgen, zullen zij op mij wachten, en als ik zal spreken, zullen zij opmerken, en als ik verder spreek, zullen zij de hand op hun mond leggen. 13 Ik zal door haar de onsterfelijkheid hebben, en zal een eeuwige herinnering degenen achterlaten, die na mij komen zullen. 14 Ik zal volken regeren, en natiën zullen mij onderworpen zijn. 15 Schrikkelijke tirannen, mij horende, zullen vrezen, onder de menigte zal ik mij goedertieren vertonen, en in de oorlog als een man, en als ik in mijn huis kom, zal ik bij haar rust hebben. 16 Want met haar te verkeren brengt geen verdriet, noch smart met haar te leven, maar vreugde en blijdschap. 17 Deze dingen bij mijzelf overlegd hebbende en in mijn hart bedacht, dat in de familie van de wijsheid de onsterfelijkheid is; 18 En in haar vriendschap goede vermakelijkheid is, en in allerlei arbeid van haar handen rijkdom, die niet afneemt, en dat in de gezamenlijke oefening van de omgang met haar kloekheid is, dat ook in de gemeenschap van haar woorden een goede naam is, zo ben ik omgegaan, zoekende hoe ik haar tot mij nemen mocht. 19 Ik nu was een goedaardig kind, en had gekregen een goede ziel. 20 Ja, veelmeer zo ik goed was, ben ik gekomen in een onbevlekt lichaam. 21 En verstaande dat ik haar anders niet machtig zou worden, als God haar mij niet gaf, (en dat was ook kloekheid, te weten van wie die genade komt) zo ging ik tot de Heere, en bad Hem, en sprak uit geheel mijn hart. ### Boek der Wijsheid 9 1 O God van mijn vaders, en Heere van de barmhartigheid, die alle dingen gemaakt hebt door Uw Woord, 2 En de mens door Uw wijsheid hebt bereid, opdat hij zou heersen over de schepselen die van U gemaakt zijn, 3 En dat hij de wereld zou regeren in heiligheid en gerechtigheid, en in oprechtheid van het hart oordelen. 4 Geef mij de wijsheid, die bij Uw tronen zit, en verwerp mij niet uit Uw kinderen. 5 Want ik ben Uw dienaar en een zoon van Uw dienstmaagd, een zwak mens, en van korte tijd, en zeer gering in het verstand van het gericht en van de wetten. 6 Want of iemand onder de kinderen van de mensen volmaakt zou zijn, zo zal hij toch niets geacht worden, wanneer de wijsheid, die van U komt, niet bij hem is. 7 U hebt mij gekozen tot een koning over Uw volk, en tot een rechter over Uw zonen en dochters. 8 U hebt gezegd, dat ik een tempel op Uw heilige berg zou bouwen, en een altaar in de stad van Uw woning, naar de gelijkheid van de heilige tabernakel, die U tevoren van de beginne bereid had. 9 Bij U is de wijsheid, die Uw werken weet, en tegenwoordig was, toen U de wereld maakte, en verstaat wat aangenaam is in Uw ogen, en wat recht is in Uw geboden. 10 Zend haar af uit Uw heilige hemelen, ja zend haar van de troon van Uw heerlijkheid, opdat zij bij mij tegenwoordig zijnde met mij arbeide, en dat ik mag verstaan, wat U welbehaaglijk is. 11 Want zij weet alle dingen, en verstaat ze, en zal mij voorzichtig leiden in mijn handelingen, en mij bewaren door haar heerlijkheid. 12 En mijn werken zullen aangenaam zijn, en ik zal Uw volk rechtvaardig richten, en zal de troon van mijn vader waard zijn. 13 Want wie van de mensen kan de raad van God kennen? Of wie kan bedenken wat God wil? 14 Want de overleggingen van de sterfelijke mensen zijn vreesachtig, en onze bedenkingen zijn onzeker. 15 Want het verderfelijk lichaam bezwaart de ziel, en de aardse tabernakel drukt terneder het bezorgde gemoed. 16 En nauwelijks maken wij na de dingen die op aarde zijn, en met moeite vinden wij wat onder handen is; wie heeft dan nagespeurd wat in de hemelen is? 17 En wie heeft Uw raad gekend? tenzij dat U wijsheid gegeven, en Uw Heilige Geest gezonden hebt van de hoogste plaats. 18 En zo zijn recht gemaakt de paden van degenen, die op aarde zijn, en de mensen hebben geleerd wat U behagelijk is. 19 En door de wijsheid zijn zij behouden geworden. ### Boek der Wijsheid 10 1 DEZE wijsheid heeft bewaard de eerstgevormde en alleen geschapen vader van de wereld; 2 En heeft hem getrokken uit zijn eigen val en hem sterkte gegeven om te heersen over alle dingen. 3 Van welke de onrechtvaardige, afvallig geworden zijnde door zijn toorn, is verloren gegaan met de toornige bewegingen tot de moord op zijn broer. 4 En als de aarde om zijnentwil met de watervloed bedekt was, zo heeft de wijsheid weer behouden, regerende de rechtvaardige door een verachtelijk hout. 5 Deze ook, als de volken door boze eigenzinnigheid onder elkaar verward waren, heeft de rechtvaardige gekend, en hem onstraffelijk voor God bewaard, en behoed dat hij sterk bleef in de inwendige bewegingen van de barmhartigheden over zijn zoon. 6 Deze toen de goddelozen vergingen, heeft de rechtvaardige verlost, toen hij het neervallende vuur van de vijf steden ontvluchtte. 7 Waarvan de boosheid nog een getuigenis is dat rokende woeste land, en de bomen die ontijdige vruchten dragen, en de zoutpilaar staande tot herinnering van de ongelovige ziel. 8 Want de wijsheid voorbijgaande, hebben zij niet alleen deze schade, dat zij het goede niet kennen, maar laten ook in dit leven een herinnering na, van hun eigen dwaasheid, opdat zij zich niet zouden kunnen verbergen, zelfs in datgene waarin zij gestruikeld hebben. 9 Maar de wijsheid heeft uit moeite verlost degenen die haar dienen. 10 Deze geleidde de rechtvaardige op rechte paden, als hij vluchtende was voor de toorn van zijn broer, en heeft hem het koninkrijk van God getoond, en kennis van heilige dingen gegeven, heeft hem voorspoedig gemaakt in zijn arbeid, en zijn moeite vermenigvuldigd. 11 In de gierigheid van degenen die hem geweld aandeden, stond zij bij hem, en maakte hem rijk. 12 Zij bewaarde hem van de vijanden, en maakte hem zeker tegen degenen, die hem hinderlagen legden, en in die sterke strijd heeft zij hem de prijs van de overwinning gegeven, opdat hij zou weten dat de godzaligheid machtiger is dan alles. 13 Deze heeft niet verlaten de rechtvaardige die verkocht was, maar heeft hem uit de zonde verlost; zij voer met hem af in de put. 14 En in de banden heeft zij hem niet verlaten, maar bleef bij hem totdat zij hem de scepter van het koninkrijk bracht, en macht over degenen die hem wreed behandeld hadden; en heeft betoond dat zij leugenaars waren, die hem beschimpt hadden, en heeft hem een eeuwige heerlijkheid gegeven. 15 Deze heeft dat heilige volk, en dat onbestraffelijk zaad verlost, uit de natie van degenen die haar verdrukten. 16 Zij is gegaan in de ziel van de dienaar van de Heere, en wederstond de vreselijke koningen met wonderen en tekenen. 17 Zij heeft de heiligen gegeven loon van de heiligheid voor hun moeite, en heeft hen geleid door een wonderlijke weg, en is hun geworden tot een deksel van de dag, en van de nacht tot een vlam van de sterren. 18 Zij heeft hen doen gaan door de Rode zee, en heeft hen overgebracht door veel water. 19 Maar hun vijanden deed zij verdrinken, noch hen heeft zij uit de diepte van de afgrond getrokken. 20 Daarom hebben de rechtvaardigen de goddelozen beroofd, en hebben, Heere, Uw heilige naam lof gezongen en eendrachtig Uw beschermende hand geprezen. 21 Want de wijsheid opende de mond van de stommen, en de tongen van de sprakelozen maakte zij welsprekend. ### Boek der Wijsheid 11 1 ZIJ heeft haar werken voorspoedig gemaakt door de hand van de heilige profeet. 2 Zij doorreisde een onbewoonde woestijn, en in onbegaanbare plaatsen sloegen zij tenten op. 3 Zij stelden zich tegen degenen die hen beoorloogden, en oefenden wraak aan hun vijanden. 4 Zij hadden dorst en riepen u aan, en hun werd water gegeven uit een steile steenrots, en genezing van dorst uit een harde steen. 5 Want waardoor hun vijanden waren geplaagd geweest, 6 Daardoor werd hun welgedaan, als zij gebrek hadden; 7 Zodat in plaats van een fontein van de altijd stromende stroom, zij door etterachtig bloed zijn ontroerd geworden, tot overtuiging van het gebod de kleine kinderen te doden. 8 En hebt deze gegeven overvloedig water boven hun verwachting. 9 Aanwijzende door de dorst, die zij toen leden, hoe u de tegenstanders geplaagd had. 10 Want toen zij zijn verzocht geworden, hoewel zij in ontferming werden gekastijd, hebben zij verstaan hoe de goddelozen, in toorn veroordeeld zijnde, gepijnigd worden. 11 Want deze hebt u wel als een Vader vermaand en beproefd, maar anderen, scherp onderzocht hebbende, hebt u als een streng koning veroordeeld. 12 En beiden, die afwezig en die tegenwoordig waren, werden gelijk gekweld. 13 Want een dubbel verdriet beving hen en een zuchten, met de herinnering van de dingen die voorbijgegaan waren. 14 Want toen zij hoorden dat deze door hun eigen plagen weldaden genoten, zo voelden zij de Heere. 15 Want die zij, vroeger uitgezet en heengeworpen zijnde het leven al spottende afgezegd hadden, over die hebben zij zich op het einde van de uitkomsten verwonderd, lijdende een andere dorst dan de rechtvaardigen. 16 En in plaats van de onverstandige overleggingen van hun ongerechtigheid, waardoor zij, verleid zijnde, onvernuftige kruipende dieren en verachtelijke beesten eerden, hebt u hun een menigte van de onvernuftige dieren tot wraak toegezonden. 17 Opdat zij zouden erkennen, dat waardoor iemand zondigt, hij daardoor wordt geplaagd. 18 Want het ontbrak uw almachtige hand niet, die de wereld uit een stof, die geen gedaante had, geschapen heeft, over hen te zenden een menigte van beren, of stoute leeuwen. 19 Of onbekende dieren vol nieuwgeschapen woede, of ook die een vuurblazende adem uitsnuiven, of een ruisen van een verwaaide rook, of schrikkelijke vonken uit de ogen uitbliksemen. 20 Waarvan de beschadiging niet alleen hen samen had kunnen vermorzelen, maar hun vreselijk gezicht hen ook had kunnen ombrengen. 21 Ja, zij hadden ook zonder deze dingen door een enig aanblazen kunnen vallen, vervolgd zijnde door de wraak, en verstrooid door de geest van Uw kracht, als door een wan, maar U hebt alle dingen bestemd bij maat, en getal, en gewicht. 22 Want groot vermogen is altijd bij U, en wie kan de kracht van Uw arm tegenstaan? 23 Want de hele wereld is voor U zoals een aasje uit de weegschalen, en als een druppel van de morgendauw, neerkomende op de aarde. 24 Maar U ontfermt U over alle mensen, omdat U alles kunt, en U overziet de zonden van de mensen, opdat zij zich bekeren. 25 Want U hebt alles lief wat daar is, en hebt geen gruwel aan iets dat U gemaakt hebt, want zo U iets gehaat had, U zou het niet toebereid hebben. 26 En hoe zou er wat gebleven zijn, zo U niet had gewild, of onderhouden geweest zijn wat door U niet geroepen werd? 27 Maar U ontziet alle dingen, omdat zij van U zijn, o Heere, U liefhebber van de zielen. ### Boek der Wijsheid 12 1 WANT Uw onverderfelijke Geest is in allen. 2 Daarom bestraft U langzaam degenen die vervallen, en vermaant hen, hun indachtig makende waarin zij zondigen, opdat zij van de boosheid afgeweken zijnde in U, Heere, geloven zouden. 3 Want hatende de oude inwoners van Uw heilig land, 4 Omdat zij zeer hatelijke werken bedreven, van toverijen en onheilige offergaven, 5 Zo hebt U de onbarmhartige moordenaars van hun kinderen, en die het binnenste van mensenvlees aten, 6 En de bloedeters uit het midden van Uw goddelijk land, en de ouders, die met hun eigen handen de hulpeloze zielen ombrachten, hebt U willen uitdelgen door de handen van onze vaders. 7 Opdat het land, dat bij U het dierbaarste is van alle, de waardige inwoning van de kinderen van God ontvangen zou. 8 Maar ook deze hebt U als mensen gespaard, en hebt voorlopers van Uw leger voor hen heengezonden, namelijk wespen, om hen gaandeweg uit te roeien. 9 U was niet onmachtig om de goddelozen in een veldslag de rechtvaardigen onderdanig te maken, of door vreselijke dieren, of met een streng woord tot één toe hen te verdoen. 10 Maar U straffende gaandeweg, gaf hun tijd tot bekering, wel wetende dat hun geslacht boos was, en hun boosheid hun aangeboren, en dat hun gedachten niet zouden veranderen in de eeuwigheid. 11 Want het was een vervloekt zaad van de beginne; noch iemand vrezende, gaf U hun zekerheid in datgene waarin zij zondigden. 12 Want wie zal zeggen: Wat hebt U gedaan? of wie zal zich stellen tegen Uw oordeel? en wie zal U beschuldigen vanwege de heidenen die verloren zijn, die U gemaakt hebt? of wie zal zich tegen U kunnen stellen als een wreker, vanwege de onrechtvaardige mensen? 13 Want daar is geen God dan U die voor alle dingen zorgt, opdat U zou betonen, dat U niet onrechtvaardig hebt geoordeeld. 14 Noch koning, noch tiran zal U onder de ogen kunnen gaan, vanwege degenen, die U gestraft hebt. 15 Maar daar U rechtvaardig bent, regeert U alle dingen rechtvaardig, en acht het vreemd te zijn van Uw macht, te veroordelen degene, die niet schuldig is om gestraft te worden. 16 Want Uw sterkte is het begin van de rechtvaardigheid, en dat U over allen heerst, maakt dat U hen allen ontziet. 17 Want U betoont sterkte, als men niet gelooft dat Uw macht volkomen is, en weerlegt de onverschrokkenheid in degenen die ze kennen. 18 Maar U, heersende over de sterkte, oordeelt met bescheidenheid en regeert ons met veel verschoning, want bij U is het vermogen wanneer U wilt. 19 Maar door zulke werken hebt U Uw volk geleerd, dat de rechtvaardige tegen de mensen lieftallig moet zijn; en hebt Uw kinderen goede hoop gegeven, omdat U op de zonden bekering geeft. 20 Want als U de vijanden van Uw kinderen, en die van de dood schuldig waren, met zulke opmerkingen gestraft hebt, gevende tijd en wijze, waardoor zij van de boosheid mochten aflaten; 21 Met hoe grote ijver oordeelt U Uw kinderen, met de vaders van wie U eden en verbonden van goede beloften hebt opgericht? 22 Ons dan tuchtigende, geselt U onze vijanden tienduizend maal meer, opdat wij oordelende, Uw goedheid zorgvuldig zouden betrachten, maar geoordeeld zijnde, barmhartigheid zouden verwachten. 23 Vanwaar het ook komt, dat U degenen die in dwaasheid van het leven onrechtvaardig geleefd hebben, door hun eigen gruwelijke dingen gepijnigd hebt. 24 Want ook waren zij zo ver in de wegen van de dwalingen verdoold, dat zij ook de dieren, die bij hun vijanden ongeeerd waren, voor goden hielden, zijnde bedrogen zoals de onverstandige kinderen. 25 Daarom hebt U het oordeel tot een bespotting over hen gezonden, als over kinderen die zonder verstand zijn. 26 Maar zij, die door de bespottelijke bestraffing zich niet hebben laten vermanen, zullen zulk een oordeel van God beproeven, als zij waard zijn. 27 Want over welke dingen zij zeer ontevreden waren, als zij daarom leden, namelijk over deze die zij meenden dat goden waren, ziende dat zij door deze gestraft werden, hebben zij bekend, dat hij een ware God was, die zij vroeger hadden geweigerd te kennen; waarom ook de uiterste verdoemenis over hen gekomen is. ### Boek der Wijsheid 13 1 VOORWAAR alle mensen zijn van nature ijdel, bij wie geen kennis van God is, en hebben uit de zichtbare goederen niet vermocht te kennen degene die is; noch hebben door de opmerking van Zijn werken de werkmeester erkend. 2 Maar hebben gemeend, dat of het vuur, of de wind, of de snelle lucht, of de omloop van de sterren, of het krachtige water of de lichten van de hemel, goden waren, die de wereld regeerden. 3 Als zij nu, in hun schoonheid vermaak scheppende, deze voor goden aannamen, dat zij dan erkennen hoeveel beter de Heere daarvan is; want de oorspronkelijke beginner van de schoonheid heeft deze dingen geschapen. 4 En is het dat zij zeer verwonderd zijn geweest over hun kracht en werking, dat zij daaruit bemerken, hoeveel machtiger hij is, die deze toebereid heeft. 5 Want uit de grootte en schoonheid van de schepselen wordt hun oorspronkelijke werkmeester beschouwd, daarbij vergeleken zijnde. 6 Maar toch is in deze de klacht gering, want ook misschien worden zij verleid, God zoekende die zij graag wilden vinden; 7 Want met zijn werken omgaande, onderzoeken zij deze, en worden door het gezicht bewogen, omdat de dingen die gezien worden schoon zijn. 8 Maar opnieuw is het ook deze niet te vergeven. 9 Want hebben zij zoveel vermocht te weten, dat zij hebben kunnen treffen de kennis van de wereld, hoe hebben zij niet veel eer de Heere van deze dingen gevonden? 10 Maar het zijn ellendige mensen en al hun hoop is onder de doden te rekenen, die de werken van de mensenhanden goden hebben genoemd; als goud en zilver kunstig gewerkt, en beelden van de dieren, of een onnutte steen, zijnde het werk van een oude hand. 11 En als ook een timmerman een sappige boom afgezaagd hebbende, al zijn schorsen rondom meesterlijk afschilt, en kunstig daaraan arbeidende, een stuk werk fraai toebereidt, dat nuttig is tot dienst van het leven: 12 Zo gebruikt hij de spaanders van zijn werk om voedsel te bereiden, en wordt verzadigd. 13 En het overblijfsel daarvan dat nergens toe dienstig is, zijnde een hout dat krom en kwastig is, neemt hij, en als hij ledig is, snijdt hij het met zorgvuldigheid, en maakt daar een beeld van door de ervarenheid van zijn verstand, en maakt het gelijk aan een mensenbeeld. 14 Of hij maakt, dat het een dier van kleine waarde gelijk is, en bestrijkt het met vermilloen en blanketsel, makende zijn kleur roodachtig, en overstrijkende alle vlekken die daarin waren. 15 En hebbende daarvoor zulk een huis gemaakt als het waard is, zet hij het in de muur en maakt het vast met ijzer, 16 Opdat het immers niet zou afvallen verzorgt hij het tevoren, wetende dat het hemzelf niet kan helpen, want het is een beeld, en heeft hulp nodig. 17 Toch, biddende voor zijn goederen, en huwelijk, en kinderen, schaamt hij zich niet aan te spreken een ding dat zonder ziel is. 18 En dat zwak is roept hij aan om gezondheid, en bidt wat dood is om het leven, en wat geheel onbedreven is, dat smeekt hij om bijstand. 19 En om een gelukkige reis, wat zelf de gang niet gebruiken kan, en om winst, en om werk, en om wat men met de handen verkrijgt, en om een goede uitkomst bidt hij degene, die met de handen niet werken kan. ### Boek der Wijsheid 14 1 OPNIEUW iemand die zich toerust om scheep te gaan en voorheeft de wilde golven te doorreizen, die roept aan een hout, dat verrotter is dan het schip dat hem voert. 2 Want de begeerte van de winst heeft dat bedacht, en de kunstige wijsheid heeft het toebereid. 3 Maar Uw voorzienigheid, o Vader, bestuurt het; want U geeft ook in de zee een weg, en in de golven een zeker pad. 4 Tonende dat u uit alle gevaren verlossen kunt, opdat ook iemand zonder kunst daarin klimme. 5 U wilt niet dat de werken van uw wijsheid leeg zouden zijn, daarom vertrouwen ook de mensen hun zielen aan een zeer gering hout, en varende door de golven, worden door een schip behouden. 6 Want ook in het begin als de hoogmoedige reuzen vergingen, nam de hoop van de wereld haar toevlucht tot een schip, en liet de wereld een zaad van de voortteling na, zijnde bestuurd door uw hand. 7 Want gezegend is het hout, waardoor gerechtigheid gebeurt. 8 Maar dat met handen gemaakt is, hetzelfde is vervloekt, en ook degene die het gemaakt heeft; deze, omdat hij het gemaakt heeft, maar dat, omdat het verderfelijk zijnde, God genoemd wordt. 9 Want bij God zijn even hatelijk de goddeloze en zijn goddeloosheid. 10 En daarom zal wat gemaakt is, met degene, die het gemaakt heeft, gestraft worden. 11 Daarom zullen ook de afgoden van de heidenen bezocht worden, omdat zij onder de schepselen van God tot een gruwel geworden zijn, en de zielen van de mensen tot struikelblokken, en de voeten van de onwijzen tot een strik. 12 Want de bedenking van de afgoden is het begin van de hoererij; en hun uitvinding de verderving van het leven. 13 Want zij waren van de beginne niet, en zullen in de eeuwigheid niet zijn. 14 Want ijdele eer van de mensen is in de wereld gekomen, en daarom is hun einde kort bedacht geworden. 15 Want een vader, door ontijdige rouw over zijn zoon, die hem haastig was afgehaald, uitgeteerd zijnde, maakte een beeld, en de mens, die toen dood was, eert hij nu als een God, en beval degenen, die onder zijn gebied waren, godsdienstigheden en offergaven te plegen. 16 Daarna deze goddeloze gewoonte na verloop van tijd de overhand genomen hebbende, is als een wet onderhouden geweest, en de gesneden beelden zijn door de geboden van de tirannen geeerd geworden. 17 Die, daar de mensen niet konden tegenwoordig zijn, om hen te eren, omdat zij ver weg woonden, hebben zij hun aangezicht, dat verre van hen was, afgebeeld, en hebben een schijnbaar beeld gemaakt van de koning die zij eerden; opdat zij met vlijt zouden mogen vleien de afwezige, alsof hij tegenwoordig was. 18 De eergierigheid van de kunstenaar heeft ook de onwetenden aangedreven tot voortzetten van deze dienst van de beelden. 19 Want deze misschien willende de prins behagen, heeft zijn best gedaan, om door zijn kunst, de gelijkheid op het schoonst uit te drukken. 20 En het gemene volk, door de aangenaamheid van het werk aangelokt zijnde hield die voor God, die weinig tijd tevoren als een mens was geëerd geworden. 21 En dit is tot een hinderlaag geweest voor het leven, omdat de mensen, òf het ongeval, òf de tirannie dienende, aan steen en hout hebben gegeven de naam, die niet mag onheilig gemaakt worden. 22 Daarenboven was het niet genoeg omtrent de kennis van God te dwalen, maar ook levende in een grote strijd van de onwetendheid, hebben zij zulke kwade dingen nog vrede genoemd. 23 Want zij, of zij hun offergaven waarin zij hun kinderen doden, òf verborgen godsdiensten, òf razende brasserijen naar andere wetten plegen. 24 Zo bewaren zij toch verder niet meer, noch leven noch echtstaat rein; maar òf de één brengt de ander om door list, òf doet hem smart aan door overspel. 25 Maar het is al onder elkaar vermengd, bloed en moord, dieverij en bedrog, verderving, ontrouw, onrust, meinedigheid, onrust van de vromen; 26 Vergetelheid van de goedertierenheid, besmetting van de zielen, verwisseling van het geslacht, ongeregeldheid van het huwelijk, overspel en dartelheid. 27 Want de dienst van de afgoden, die men ook niet behoort te noemen, is het begin, en de oorzaak, en het einde van alle kwaad. 28 Want verheugd zijnde, of zij razen, of zij profeteren leugens, of zij leven onrechtvaardig, of zij zweren licht valse eden. 29 Want betrouwen hebbende op de afgoden die geen leven hebben, zo verwachten zij niet, dat zij vals zwerende, zullen beschadigd worden. 30 Maar zij zullen om deze beide dingen rechtvaardig gestraft worden, dat zij een kwaad gevoelen hebben van God, aanhangende de afgoden; en dat zij onrechtvaardig met bedrog zweren, en de heiligheid verachten. 31 Want niet de kracht dergene bij wie men zweert, maar de wraak van degenen die zondigen, komt altijd over de overtreding van de onrechtvaardigen. ### Boek der Wijsheid 15 1 MAAR U onze God bent goedertieren en waarachtig, geduldig, en in barmhartigheid regeert U alle dingen. 2 Want ook zo wij zondigen; wij zijn van U, wetende Uw kracht, maar wij zullen niet zondigen, wetende dat wij onder de Uwen gerekend worden. 3 Want U kennen is een volkomen gerechtigheid, en Uw kracht weten, is een wortel van de onsterfelijkheid. 4 Want ons heeft niet verleid de kwade bedenking van de mensen, noch de schaduw van de schilderijen, zijnde een onvruchtbare arbeid, namelijk een gedaante die bevlekt is met verscheidene kleuren. 5 Waarvan de aanschouwing in de onwijze begeerte verwekt, dat hij lust krijgt tot de gedaante van een dood beeld, dat zonder adem is. 6 Zulke mensen zijn liefhebbers van kwade dingen, en zulke hoop waard, zowel die hen maken, als die hen begeren, en die hen eren. 7 Want ook een pottenbakker tredende de weke aarde met moeite, maakt ieder stuk werk tot onze dienst; maar uit hetzelfde leem maakt hij voorwerpen die tot reine werken dienstig zijn, en evenzo alle, die tot onreine werken dienen; en waartoe elk van die beide zal gebruikt worden, daarover oordeelt de leemwerker. 8 Daarna, bemoeiende zichzelf met kwade arbeid, maakt hij een ijdele god uit dat leem, daar hij korte tijd tevoren uit aarde gemaakt zijnde, een kleine tijd daarna daarin gaan zal, uit welke hij genomen is, wanneer de schuld van de ziel hem zal zijn afgeëist. 9 Maar hij is bezorgd, niet omdat hij moeite zal hebben, noch omdat hij een kortdurend leven heeft, maar omdat hij om strijd arbeidt met de goudsmeden en zilversmeden, en dat hij het de koperslagers nadoet, en acht het een eer te zijn, dat hij valse dingen maakt. 10 Zijn hart is as, en zijn hoop is slechter dan aarde, en zijn leven is verachter dan leem. 11 Omdat hij die niet kent die hem gemaakt heeft, en een ziel hem ingeblazen heeft, die in hem werkt, en hem een geest ingeademd heeft, die hem doet leven. 12 Maar zij achten ons leven een spelen, en de loop van het leven een jaarmarkt, waar men winst doet; want men moet, zeggen zij, wanneer men kan, zelfs ook van het kwade, winst zoeken. 13 Want deze weet boven alle anderen dat hij zondig, makende van aardse stoffen voorwerpen die licht breken, en gesneden beelden. 14 Maar de vijanden van uw volk, die het onderdrukken, zijn allen zeer onwijs, en ellendig boven de zielen van de kleine kinderen. 15 Omdat zij al de beelden van de heidenen houden voor goden, die hun ogen niet kunnen gebruiken om te zien, noch hun neusgaten om lucht aan te trekken, noch de oren om te horen, noch de vingers van hun handen om iets aan te tasten, en van wie de voeten lui zijn om voort te gaan. 16 Want een mens heeft hen gemaakt, en die de adem in leen ontvangen heeft, die heeft hen bereid; want geen mens kan een god maken die aan hem gelijk is. 17 Maar sterfelijk zijnde maakt hij een dode, met zijn onrechtvaardige handen; want hij is beter dan wat hij als god eert, omdat hij leven heeft, maar zij hadden het nooit. 18 En eren ook de dieren die de allervijandigste zijn; want verstandeloze, bij andere vergeleken, zijn nog erger. 19 En zijn niet schoon om zo zeer begeerd te worden, in het aanzien van de andere dieren; maar zij zijn de lof van God en zijn zegen ontvlucht. ### Boek der Wijsheid 16 1 DAAROM zijn zij door dergelijke terecht geplaagd, en door een menigte van de beesten gepijnigd geweest. 2 In plaats van zulk een plaag, hebt u aan uw volk goedertierenheid bewezen, dat u een vreemde smaak, tot een voedsel, namelijk kwartels hebt toebereid, om de lust van hun begeerte te verzadigen. 3 Opdat anderen, die tot voedsel lust hadden, vanwege de vertoonde plaag van de dingen die over hen gezonden waren, hen ook van de noodwendige begeerte zouden afkeren, maar deze, hebbende een kleine tijd gebrek geleden, ook de vreemde smaak zouden deelachtig zijn. 4 Want het betaamde dat degenen, die tirannie oefenden, een onvermijdelijke behoefte overkwam, en deze alleen getoond werd, hoe hun vijanden gepijnigd werden. 5 Want ook wanneer een schrikkelijke woede van de dieren over hen kwam, en zij door de beten van de schadelijke slangen verdorven werden, 6 Zo duurde uw toorn niet tot aan het einde, maar zij werden voor een kleine tijd ontroerd tot terechtwijzing, hebbende een teken van de behoudenis, om hen te doen gedenken aan het gebod van uw wet. 7 Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door wat hij aanschouwd had, maar door u de behouder van allen. 8 En ook daarmee hebt u onze vijanden doen verstaan, dat u het bent die uit alle kwaad verlost. 9 Want die werden wel van de beten van de sprinkhanen en vliegen gedood, en geen genezing werd voor hun ziel gevonden, omdat zij waard waren van zulke geplaagd te worden. 10 Maar uw kinderen zijn ook zelfs van de tanden van de venijnige draken niet overwonnen; want uw barmhartigheid kwam hen tegemoet, en genas hen. 11 Want zij werden als met prikkelen gestoken om te gedenken aan uw woorden, en snel weer geheeld, opdat zij niet, vervallende in een diepe vergetelheid, zulken zouden worden, die niet zouden kunnen aangehaald worden door uw goedertierenheid. 12 Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar, Heere, Uw woord, dat alle dingen heelt. 13 Want U hebt macht over leven en over dood, U leidt af tot de poorten van het dodenrijk en leidt daar weer uit. 14 En een mens doodt wel een ander door zijn boosheid maar de geest die uitgevaren is kan hij niet doen terugkeren, noch de ziel teruggeven die weggenomen is. 15 Het is onmogelijk Uw hand te ontvluchten. 16 Want de goddelozen weigerende U te kennen, zijn door Uw sterke arm gegeseld geworden, door ongewone regen, hagel en plasregen onvermijdelijk vervolgd, en door het vuur verteerd wordende. 17 Want (dat op het hoogste te verwonderen is) het vuur had een meerdere kracht in het water, dat toch alles uitblust, want de wereld strijdt voor de rechtvaardigen. 18 Want soms matigde zich de vlam, opdat zij niet zou verbranden de beesten, die tegen de goddelozen uitgezonden waren, maar daar zij klaar zouden zien, dat zij door Gods oordeel aangedreven werden. 19 Soms brandde ook de vlam in het midden van het water boven de kracht van het vuur, opdat zij het gewas van het land van de onrechtvaardigen zou verderven. 20 Daarentegen hebt U Uw volk gevoed met voedsel van de engelen, en toebereid brood van de hemel gezonden zonder hun arbeid, vermogende allerlei vermaking te geven, en geschikt voor elke smaak. 21 Want deze Uw onderstutting maakt Uw zoetigheid tegen Uw kinderen openbaar, maar dienende tot begeerte van degene die daartoe kwam, werd zij afgestemd op wat een ieder wilde. 22 Ook bleef sneeuw en ijs onder het vuur, en versmolt niet, opdat zij zouden erkennen dat het vuur brandende in de hagel en bliksemende in de regen, het gewas van de vijanden verdorven had. 23 Daarentegen heeft het ook zijn eigen kracht vergeten, opdat de rechtvaardigen zouden gevoed worden. 24 Want het schepsel dienende U, die alles geschapen hebt, strekt zijn kracht uit tot straf tegen de onrechtvaardigen, en laat hen strekken tot goedertierenheid voor degenen die U betrouwen. 25 Daarom ook toen in alles veranderd zijnde, diende zij Uw alvoedende gave, naar de wil van de behoeftigen. 26 Opdat Uw kinderen, die U lief hebt, Heere, leren zouden, dat niet het gewas van de vruchten de mens voedt, maar dat Uw woord onderhoudt degenen die U geloven. 27 Want wat van het vuur niet verdorven was, dat versmolt geheel, zijnde verwarmd door een kleine straal van de zon. 28 Opdat zo bekend zij, dat men de zon moet voorkomen om U te danken, en U ontmoeten tegen de opgang van het licht. 29 Want de hoop van de ondankbaren zal versmelten als een rijm die van de winter valt, en zal wegvloeien zoals onnut water. ### Boek der Wijsheid 17 1 WANT Uw oordelen zijn groot en zwaar om te vertellen; daarom zijn de zielen, die niet onderwezen zijn, verleid geworden. 2 Want de ongerechtigen, als zij zich onderwonden het heilige volk onder hun macht te houden, lagen gebonden van de duisternis, en geboeid van de lange nacht, besloten zijnde onder de daken, als vluchtig voor de eeuwige voorzienigheid. 3 Want menende te schuilen in hun geheime zonden, onder een donker deksel van de vergetelheid, zo werden zij verstrooid, schrikkelijk verbaasd, door spokerijen zeer beroerd zijnde. 4 Want ook de binnenste plaats waarin zij waren, bewaarde hen niet zonder vrees, maar weerklanken overvielen hen, en maakten rondom heen geluid en droevige spokerijen met afschuwelijke gezichten verschenen hun. 5 Zelfs geen kracht van het vuur vermocht hen te lichten, en de glinsterende vlammen van de sterren konden die droevige nacht niet helder maken. 6 Maar alleen enig vanzelf brandend vuur vol vrees verscheen hun, en bevreesd zijnde voor het gezicht, dat niet gezien werd, hielden zij wat zij zagen voor erger. 7 De guichelarijen van de toverkunst lagen ook ter neer, en dat zeer smadelijk bewijs van hun pocherij vanwege hun kloekheid. 8 Want zij, die beloofden van de zieke mens de schrik en onrust te verdrijven, deze werden zelf ziek aan een vrees, die belachelijk was. 9 Want ook al had hen niets schrikkelijks bevreesd gemaakt, zo vergingen zij toch al bevende, zijnde bevreesd door het ontmoeten van de beesten en schuifelen van de kruipende dieren. 10 En weigerende de lucht te aanschouwen, die toch nergens kan ontvlucht worden. 11 Want de boosheid is een beangstigend ding, veroordeeld door haar eigen getuige, en benauwd zijnde door de conscientie vermoedt altijd het zwaarste. 12 Want de vrees is niets anders dan een begeven van de behulpzaamheden, die van het vernuft voortkomen. 13 Maar hoe minder de verwachting van binnen is, hoe meer zij acht de onwetendheid van de oorzaak, die die pijn meebrengt. 14 Zij nu, die nacht, die werkelijk onverdragelijk was, uit de binnenste holen van het onverdragelijke dodenrijk voortgekomen, dezelfde slaap slapende. 15 Werden deels door de wonderlijke spokerijen gedreven en deels bezweken zij door begeven van hun ziel: want een snelle en onverwachte vrees overkwam hun. 16 Daarop dan volgde zo, dat wie daar neerviel, gevangen was, opgesloten in de kerker zonder ijzers. 17 Want het was dan een landman of een herder, of een die moeilijker werken doet in de woestijn, zijnde verrast, zo moest hij de onvermijdelijke nood dragen. 18 Want zij waren allen met een keten van de duisternis gebonden. 19 Hetzij dan dat daar was een suizende wind, of een liefelijk gezang van de vogels, omtrent de dichte takken, of het ruisen van het water, met geweld aflopende, of een hard gerommel van de stenen, die van boven neergeworpen worden, of de onzichtbare loop van de springende beesten, of de stem van de huilende wreedste dieren, of de weerklank die uit de holen van de bergen tegenschalt al deze dingen maakten hen zeer bevreesd en krachteloos. 20 Want de hele wereld lichtte met helder klaar licht, en was bezig met werken die niet verhinderd werden. 21 Maar over hen alleen was een zware nacht uitgestrekt, zijnde een beeld van de duisternis die zij zouden ontvangen; maar zij waren zichzelf zwaarder dan de duisternis. ### Boek der Wijsheid 18 1 MAAR Uw heiligen hadden een zeer groot licht, van wie de stem zij (de Egyptenaars) wel hoorden, maar zagen hun gedaante niet, 2 En achtten die gelukkig, dat zij ook niet leden, maar dankten hen dat zij tevoren verongelijkt zijnde, hun toch geen schade deden, en smeekten om genade, dat zij met hen geschil hadden gehad. 3 Waarvoor U hun gaf een vuurvlammige kolom, die hen geleidde op de weg van de onbekende reis, en een zon, die hen niet beschadigde in hun heerlijke herberg. 4 Want zij waren ook waard, dat zij van het licht beroofd en in de duisternis gevangen werden gehouden, die Uw kinderen als gevangene ingesloten hielden door wie het onverderfelijke licht van Uw wet aan de wereld zou gegeven worden. 5 En als zij beraadslaagd hadden de kleine kinderen van de heiligen te doden, en een kind van die in het water uitgezet en behouden was, nam U tot overtuiging de menigte van hun kinderen weg, en verdierf hen gezamenlijk in een geweldig water. 6 Diezelfde nacht was tevoren onze vaders bekend geworden, opdat zij zeker wetende wat eden het waren die zij geloofd hadden, daarover goedsmoeds zouden zijn. 7 En van Uw volk is verkregen de verlossing van de rechtvaardigen, en het verderf van de vijanden. 8 Want zoals U de tegenstanders hebt gestraft, zo hebt U ons daarmee tot U geroepen en verheerlijkt. 9 Want de heilige kinderen van de vromen offerden in het verborgen, en ordineerden de Goddelijke wet met eendracht, dat de heiligen zowel van die goederen als gevaren tegelijk deelachtig zouden worden, zingende reeds tevoren de lof van de vaders. 10 En daarentegen klonk een niet overeenstemmend hulpgeroep van de vijanden en een erbarmelijke stem over de kinderen die beweend werden, verspreidde zich ginds en weer. 11 En de knecht met de heer werden met gelijke straf geplaagd, en de gewone man moest met de koning hetzelfde lijden. 12 En zij hadden gezamenlijk allen, onder één naam van de dood, ontelbare doden, want de levenden waren zelfs niet genoegzaam om die te begraven, omdat hun edelste geslacht in een ogenblik tijds verdorven werd. 13 Want geen van al deze dingen gelovende vanwege de toverijen, hebben zij in de dood van de eerstgeborenen beleden, dat dit volk kinderen van God waren. 14 Want als nu alle dingen in rust en stilte waren, en de nacht in zijn snelheid half voorbij was, 15 Toen daalde uw alvermogend woord van de hemel uit de koninklijke troon af, als een ernstig krijgsheld in het midden van het land, dat verdorven zou worden. 16 Dragende een scherp zwaard, namelijk uw ongeveinsd gebod, en staande vervulde het alles met doden, en raakte wel aan de hemel, maar ging ook op de aarde. 17 Toen ontroerden hen meteen zeer de inbeeldingen van schrikkelijke dromen, en een onverwachte vrees overkwam hun. 18 En de één herwaarts, de ander daarheen geworpen liggende, half dood, openbaarde om wat oorzaak hij stierf. 19 Want de dromen die hen ontroerden, hadden hun dit tevoren bekend gemaakt, opdat zij niet zouden vergaan, zonder te weten waarom zij zo veel kwaad leden. 20 Ook heeft eenmaal de aanvechting van de dood de rechtvaardigen aangeraakt en is in de woestijn een verbreking van de menigte gebeurd, maar die toorn duurde niet lang. 21 Want de onstrafbare man kwam haastig en streed voor hen, en bracht de wapenen van zijn dienst, namelijk het gebed en de verzoening door het reukwerk, en stelde zich tegen de toorn en maakte een einde aan de jammer, betonende dat hij uw dienaar was. 22 En hij overwon de verderver niet door sterkte van het lichaam, niet door kracht van wapenen, maar door het woord bracht hij de plagende ten onder, hebbende verhaald de eden, en de verbonden met de vaders opgericht. 23 Want als nu reeds de doden met hopen over elkaar gevallen lagen, stond hij tussen beiden, hieuw de toorn af en sneed de weg af tot de levenden. 24 Want op de lange rok was het hele versiersel, en de heerlijkheid van de vaders in de vier rijen van de stenen ingegraveerd en uw grootmogendheid op de hoed van zijn hoofd. 25 Voor deze dingen week de verderver, en deze vreesde hij, want de beproeving van de toorn was alleen genoeg. ### Boek der Wijsheid 19 1 MAAR de toorn overviel de goddelozen zonder ontferming tot aan het einde. 2 Want God wist van tevoren ook hun toekomende dingen, dat zij hen zouden toelaten te vertrekken en met haast heengezonden hebbende, berouw zouden krijgen, en hen zouden vervolgen. 3 Want hebbende nog de rouw in handen en klagende bij de graven van de doden, namen zij een ander dwaas voornemen: die zij met smekingen hadden uitgestoten, deze hebben zij als vluchtenden vervolgd. 4 Want de noodzakelijkheid, die zij waard waren, trok hen tot dit einde, en bracht hen in een vergetelheid van de dingen die hun overkomen waren, opdat zij vervullen zouden de plaag die aan hun pijnen nog ontbrak. 5 En opdat Uw volk een zeer wonderlijke reis doen zou, maar zij een vreemde dood vinden. 6 Want het hele schepsel werd in zijn aard opnieuw herschapen, dienende Uw bijzondere geboden; en opdat Uw kinderen zouden onbeschadigd bewaard zijn, overschaduwde de wolk de legerplaats. 7 En waar tevoren water stond, zag men droog land opkomen, en uit de Rode zee een weg zonder verhindering, en uit een sterke vloed, een grasdragend veld. 8 Waardoor al het volk overging, dat met Uw hand beschermd werd, en wonderlijke wonderwerken zag. 9 Want zij werden als paarden geweid en huppelden zoals lammeren, prijzende U Heere, die hen verlost had. 10 Want zij waren nog gedachtig de dingen die gebeurd waren in het land waar zij vreemdeling waren; hoe de aarde in plaats van voortteling van beesten, vliegen had voortgebracht, en de rivier in plaats van vissen, een menigte van kikkers uitgeborreld had. 11 En ten laatste hebben zij ook gezien een nieuwe geboorte van vogels, toen zij door lust gedreven zijnde lekker voedsel begeerden. 12 Want tot hun troost kwamen kwartels op uit de zee; maar de straffen kwamen over de zondaars; 13 Niet zonder voorgaande tekenen van zekere geweldige bliksemen, want zij leden rechtvaardig voor hun eigen boosheden, omdat zij een zwaarder vijandschap tegen vreemdelingen geoefend hadden als die van Sodom; want deze namen de onbekenden die daar kwamen niet aan, maar anderen dwongen tot dienstbaarheid de vreemdelingen, die hun weldaden bewezen hadden. 14 En niet alleen dat, maar mochten ook niet lijden dat iemand over hen de wacht hield, omdat zij de vreemden vijandig ontvingen. 15 En zij plaagden met zware arbeid degenen, die zij met feestviering ontvangen hadden, en die nu reeds metgezellen waren van hun rechten. 16 Maar zij werden ook met blindheid geslagen, zoals degenen die voor de deur van de rechtvaardigen waren; want met dikke duisternis omgeven zijnde, zocht elk de weg van zijn deur. 17 Want de elementen worden op passende wijze door zichzelf veranderd, zoals in een snarenspel de tonen de naam van de melodie veranderen, blijvende altijd in hun weerklank, dat men afleiden kan uit een ijverig opmerken van de dingen die gebeurd zijn. 18 Want de land-dieren veranderen in water-dieren, en die gemaakt waren om te zwemmen gingen op de aarde. 19 Het vuur was krachtig in het water, hebbende zijn eigen kracht vergeten; en het water vergat zijn uitblussende natuur. 20 Opnieuw de vlammen verzengden niet het vlees van de zeer licht verderfelijke beesten, wandelende in het midden daarvan, en dat als ijs licht smeltende hemelse voedsel versmolt niet. 21 Want, Heere, in allen hebt U Uw volk groot en heerlijk gemaakt en hebt het niet onwaardig gekeurd altijd en in alle plaatsen bij te staan. ## Jezus Sirach ### Jezus Sirach 1 1 ALLE wijsheid is van Heere, en is met Hem in de eeuwigheid. 2 Wie zal het zand van de zee en de druppels van de regen en de dagen van de eeuwen tellen? 3 Wie zal de hoogte van de hemel, en de breedte van de aarde, en de afgrond, en de wijsheid naspeuren? 4 De wijsheid is eer dan alle dingen geschapen, en het verstand van de kloekheid is van de eeuwen af. 5 Het woord van God, die in de allerhoogste plaatsen woont, is de fontein van de wijsheid, en haar wegen zijn eeuwige geboden. 6 Wie is de wortel van de wijsheid ontdekt geweest? en wie heeft haar kloeke werken gekend? 7 Eén is er wijs, zeer vreselijk, zittende op zijn troon. 8 Heere zelf heeft haar geschapen, en heeft haar gezien en heeft haar geteld. 9 En heeft haar uitgegoten over al zijn werken; zij is bij alle vlees naar zijn gave, en hij verleent haar degenen die hem lief hebben. 10 De vrees voor de Heere is eer, en roem, en vrolijkheid, en een kroon van de verheuging. 11 De vrees van Heere vermaakt het hart, en geeft vrolijkheid en vreugde, en een lang leven. 12 Die Heere vreest die zal het welgaan in de laatste dagen, en in de dag van zijn dood zal hij gezegend worden. 13 Het begin van de wijsheid is Heere vrezen, en zij is met de gelovigen samen geschapen in 's moeders lichaam. 14 Bij de mensen heeft zij een eeuwig fundament gelegd, en bij hun zaad zal zij worden vertrouwd. 15 De verzadiging van de wijsheid is Heere vrezen, en zij maakt hen dronken van haar vruchten. 16 Haar hele huis vervult zij met haar wellustigheden, en haar schuren van haar gewas; 17 En beide zijn het gaven Gods tot vrede. 18 De kroon van de wijsheid is Heere vrezen, doende voortspruiten vrede en volkomen gezondheid, en de roem verbreidt Hem voor degenen, die Hem liefhebben. 19 De wijsheid giet de wetenschap en de kennis van het verstand uit als een plasregen en verhoogt de heerlijkheid van de genen, die haar vasthouden. 20 De wortel van de wijsheid is Heere vrezen, en haar takken zijn een lang leven. 21 De vrees voor de Heere verdrijft de misdaden, en bijblijvende keert zij toorn af. 22 Een boos man zal niet kunnen gerechtvaardigd worden, want de hevigheid van zijn toorn is hem ten val. 23 Een geduldig man zal een tijdlang verdragen, en ten laatste zal hem de vrolijkheid vergelden. 24 Hij zal zijn woorden een tijdlang verbergen, maar de lippen van velen zullen zijn verstand verhalen. 25 In de schatten van de wijsheid zijn gelijkenissen van de wetenschap, maar de godsdienstigheid is de zondaar een gruwel. 26 Heb u lust tot wijsheid, zo bewaar de geboden, en Heere zal u deze verlenen, 27 Want de vrees voor de Heere is wijsheid en tucht, en zijn wel behagen is geloof en zachtmoedigheid. 28 Als u behoeftig bent, zo wantrouw de vrees voor de Heere niet, en ga niet tot hem met een dubbel hart. 29 Maar de huichelaars niet met monden van de mensen: en neem acht op uw lippen. 30 Verhef uzelf niet, opdat u niet valt, en schande brengt over uw ziel. 31 Want Heere zal al uw verborgen dingen openbaren, en u in het midden van de vergadering ter neerwerpen. 32 Omdat u tot de vrees voor de Heere niet met waarheid bent gekomen, en uw hart vol is van bedrog. ### Jezus Sirach 2 1 MIJN kind, als u komt om Heere te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting. 2 Richt uw hart en verdraag, en haast niet in de tijd, als deze over u gebracht wordt. 3 Hang hem aan, en wijk niet van hem af, opdat u mag vermeerderd worden in uw laatste dagen. 4 Neem graag aan al wat u zou mogen overkomen, en in de verandering van uw vernedering wees geduldig. 5 Want in het vuur wordt het goud beproefd, en aangename mensen in de oven van de vernedering. 6 Geloof hem en hij zal u helpen, maak uw wegen recht, en hoop op hem. 7 U die Heere vreest, gelooft Hem, en uw loon zal u in geen geval ontvallen. 8 U die Heere vreest, hoopt het goede en eeuwige verheuging en barmhartigheid. 9 U die Heere vreest, verbiedt Zijn barmhartigheid en wijkt niet af, opdat u niet valt. 10 Zie de oude geslachten aan en merkt op. 11 Wie heeft op Heere betrouwd, en is beschaamd geworden? 12 Of wie is in zijn vrees gebleven en verlaten geworden? of wie heeft hem aangeroepen en is door hem veracht? 13 Want Heere is een ontfermer en barmhartige, moedig en van grote barmhartigheid, vergeeft de zonden, en behoedt in de tijd van de verdrukking. 14 Wee de bevreesde harten, en de slappe handen en de zondaar die twee paden ingaat. 15 Wee een slap hart, omdat het niet gelooft, daarom zal het niet beschermd worden. 16 Wee u die de volharding verloren hebt. 17 Wat zult u doen, als Heere u bezoeken zal? 18 Die Heere vrezen, zullen Zijn woorden niet ongehoorzaam zijn, en die Hem liefhebben, zullen Zijn wegen bewaren. 19 Die Heere vrezen, zoeken dat zij Hem behagen mogen. 20 Die hem liefhebben, zullen van zijn wet verzadigd worden. 21 Die Heere vrezen, bereiden hun harten, en vernederen hun zielen voor Hem. 22 Zeggende, laat ons in de handen Gods vallen, en niet in de handen van de mensen. 23 Want zoals zijn grote heerlijkheid is, zo is ook zijn barmhartigheid. ### Jezus Sirach 3 1 MIJN kinderen hoort mij uw vader en doet zo, opdat u behouden wordt. 2 Want Heere heeft de vader verheerlijkt over de kinderen, en bevestigt het oordeel van de moeder boven de zonen. 3 Wie zijn vader eert, die verzoent zijn zonden; 4 En wie zijn moeder eert, is zoals die schatten verzamelt. 5 Wie zijn vader eert, zal zich over zijn kinderen verheugen, en zal in de dag van zijn gebed verhoord worden. 6 Wie zijn vader eert, zal lang leven, en wie Heere gehoorzaam is, zal zijn moeder rust aanbrengen, 7 Wie Heere vreest zal zijn vader eren, zal als heren dienen degenen, die hem gegenereerd hebben. 8 Eer uw vader en moeder met werken en woorden, 9 Opdat zegening van mensen over u kome. 10 Want de zegening van de vader onderstut de huizen van de kinderen, maar de vervloeking van de moeder ontwortelt de fundamenten. 11 Roem niet in de oneer van uw vader, want de oneer van de vader is u geen eer. 12 Want de eer van de mens komt hem uit de eer van zijn vader, en een moeder die in oneer is, die is de kinderen een verwijt. 13 Mijn kind, verzorg uw vader in zijn ouderdom, en bedroef hem niet in uw leven. 14 Als hem het verstand begeeft, zo houd hem dat ten goede, en wees op uw hoede met al uw vermogen dat u hem niet onteert. 15 Want de barmhartigheid, die u uw vader bewijst, zal niet vergeten worden. 16 En in plaats van de zonden zult u daartegen gebouwd worden. 17 In de dag van de verdrukking zal aan u gedacht worden, zoals schoon weer het ijs, zo zullen uw zonden versmelten. 18 Wie zijn vader verlaat, die is zoals een godslasteraar, en wie zijn broer tot toorn verwekt, die is vervloekt van Heere. 19 Mijn kind, voer uw werken uit met zachtmoedigheid, en u zult door aangename mensen geliefd worden. 20 Hoe groter u bent, verneder uzelf des te meer, en u zult bij Heere genade vinden. 21 Velen zijn hoog en zeer beroemd, maar de zachtmoedigen worden de geheimen geopenbaard. 22 Want de macht van Heere is groot, en wordt door de nederigen geëerd. 23 Dingen die u te zwaar zijn, onderzoek ze niet onbedacht, en die u te sterk zijn ondertast ze niet uit dwaasheid. Wat u bevolen is, overleg dat heilig. 24 Want het is u niet nodig, verborgen dingen met ogen te zien. 25 Wees niet ijdel bezig in overvloedigheid van uw woorden, want u zijn meer dingen aangewezen, dan het verstand van de mensen begrijpen kan. 26 Velen heeft hun ijdel vermoeden bedrogen, en boos achterdenken heeft hun gemoed doen wankelen; als u geen oogappelen hebt zult u aan het licht gebrek hebben, en als het u aan kennis ontbreekt, zo verkondig die niet. 27 Een hard hart zal op het laatste kwalijk varen, en die het gevaar liefheeft zal daarin vergaan. 28 Een hard hart zal bezwaard worden met moeite, en de zondaar zal zonden, op zonden ophopen. 29 Als ongeluk over de hoogmoedigen gebracht wordt, zo is daar geen genezing; zijn aanslagen zullen ontworteld worden, want een plant van de boosheid is in hem ingeworteld. 30 Het hart van de verstandige denkt op gelijkenis, en het oor van de toehoorder is de begeerte van de wijze. 31 Het water blust het vlammende vuur uit, en door liefdegaven verzoent men de zonden. 32 En Heere, die de weldaden vergeldt, gedenkt aan deze in het toekomende, en hij zal in de tijd van zijn val een steunsel vinden. ### Jezus Sirach 4 1 MIJN kind, laat het leven van de arme geen gebrek lijden, en stel de behoeftige ogen niet uit. 2 Bedroef de hongerige ziel niet, en stel niemand uit zijn behoefte. 3 Ontroer een verstoord hart niet verder, en onthoud de gave van de behoeftige niet. 4 Weiger de verdrukte niet die u smeekt, en keer uw aangezicht niet af van de arme. 5 Van de behoeftige keer uw ogen niet af, en geef niemand oorzaak u te vervloeken. 6 Want als iemand u vervloekt in bitterheid van zijn ziel, zijn gebed zal hij horen, die hem gemaakt heeft, 7 Maak u zelf lieftallig in de vergadering, en verneder uw hoofd voor een machtige. 8 Neig uw oor tot de arme, zonder verdriet; en antwoord hem vreedzaam met zachtmoedigheid. 9 Verlos degene die onrecht lijdt uit de hand van hem die onrecht doet, en wees niet kleinmoedig als u oordeelt. 10 Wees de wezen als een vader, en hun moeder in plaats van een man. 11 En u zult zijn zoals een zoon van de Allerhoogste, en hij zal meer van u houden dan uw moeder doet. 12 De wijsheid verhoogt haar eigen kinderen, en neemt degenen aan die haar zoeken. 13 Wie haar liefheeft, die heeft het leven lief, en die zich vroeg opmaken tot haar, zullen met verheuging vervuld worden. 14 Die haar vasthoudt zal eer beërven, en waar zij ingaat, die zal Heere zegenen. 15 Die haar dienen, die zullen de heilige dienen, en die haar liefhebben, heeft Heere lief. 16 Die haar gehoorzaam is, zal de volken richten; en die op haar acht neemt, zal zeker wonen. 17 Als hij haar vertrouwt, zo zal hij haar beërven, en zijn nakomelingen zullen in bezitting blijven. 18 Want verkeerd zal zij in het eerst met hem omgaan. 19 Vrees en bloôheid zal zij over hem brengen, en zal hem pijnigen met haar tuchtiging, totdat zij in zijn ziel vertrouwen zal hebben, en hem verzocht hebben door haar rechten; 20 En zij zal opnieuw tot hem keren door een rechte weg en hem verheugen; 21 En zal hem haar verborgen dingen openbaren. 22 Als hij zou afdwalen, zo zal zij hem verlaten, en hem overlaten in de handen van zijn ongeval. 23 Neem de gelegenheid van de tijd waar, en wees op uw hoede voor het boze. 24 En word niet beschaamd voor uw ziel. 25 Want daar is een beschaamdheid, die zonde aanbrengt, en daar is een beschaamdheid, die eer en gunst brengt. 26 Neem de persoon niet aan tegen uw ziel, en word niet schaamrood in uw ongeval. 27 Weer het woord niet in de geschikte tijd van de behouding; 28 En verberg uw wijsheid niet om aangenaam te zijn. 29 Want de wijsheid zal in het woord bekend worden, en de onderwijzing in de woorden van de tong. 30 Spreek de waarheid niet tegen in enig stuk, en word schaamrood over de leugen van uw ongeschiktheid. 31 Schaam u niet uw zonden te belijden, en bedwing de vloed van de stroom niet. 32 Onderwerp uzelf aan geen dwaas mens, en neem de persoon van de machtige niet aan. 33 Kamp voor de waarheid tot in de dood, en God Heere zal voor u strijden. 34 Wees niet stout met uw tong, en lui en slap in uw werken. 35 Wees niet als een leeuw in uw huis, en onder uw huisknechten als een die met verbeelding gekweld is. 36 Laat uw hand niet uitgestrekt zijn om te nemen, en samen getrokken in het geven. ### Jezus Sirach 5 1 HOUD u niet aan uw rijkdom, en zeg niet, hij is mij genoegzaam om te leven. 2 Volg uw ziel niet, noch uw sterkte, om te gaan in de wegen van uw hart. 3 Zeg niet: Wie zal mij onder zijn macht brengen vanwege mijn werken? want Heere zal zeker uw moedwil wreken. 4 Zeg niet: Ik heb gezondigd, en welk leed is mij gebeurd? want Heere is geduldig, Hij zal u niet laten heengaan. 5 Wees niet zonder vrees vanwege de verzoening, wanneer u de volheid hebt, dat u zonden op zonden zou hopen. 6 En zeg niet: Zijn ontferming is groot, de menigte van mijn zonden zal verzoend worden. 7 Want barmhartigheid en toorn zal bij hem haasten, en op de zondaars zal zijn toorn rusten. 8 Verbeid niet u tot Heere te bekeren, en stel het niet uit dag op dag. 9 Want de toorn van Heere zal plotseling uitvaren, en als u onbezorgd zult zijn zult u vermorzeld worden, en in de tijd van de wraak verderven. 10 Steun niet op onrechtvaardige rijkdom, want hij zal u geen voordeel doen in de dag, wanneer ongeluk over u zal gebracht worden. 11 Wan niet in allerlei wind, en ga niet in allerlei pad, zo doet de zondaar die tweetongig is. 12 Als u in uw mening zeker bent, zo blijf vast daarbij, en uw woord zij dezelfde. 13 Wees haastig om wat goeds te horen, en leef in oprechtheid, en geef een recht antwoord met geduld. 14 Als u verstand hebt, zo antwoord uw naasten; en als niet, zo zij uw hand op uw mond. 15 Eer en oneer is in het spreken, en de tong van de mens brengt hem ten val. 16 Laat u geen oorblazer noemen, en leg met uw tong geen hinderlagen. 17 Want een zware schaamte komt over een dief, en een schadelijke verdoemenis over de tweetongige. 18 Wees niet onwetend ook niet in enig ding, noch in het grote, noch in het kleine. ### Jezus Sirach 6 1 WORD geen vijand in plaats van een vriend, want zulk een zal een boze naam, schaamte en verwijt beërven; zo zal ook de zondaar, die tweetongig is, oneer behalen. 2 Verhef u niet in de raad van uw ziel, opdat uw ziel niet zoals een stier herwaarts en daarheen gescheurd wordt. 3 U zult uw bladeren opeten, en uw vruchten verderven, en uzelf laten als een dorre boom. 4 Een boze ziel zal verderven degene die haar bezit, en zal maken dat de vijanden over haar verblijd worden. 5 Een zoete keel vermenigvuldigt haar vrienden, en een welsprekende tong vermenigvuldigt de vriendelijke aanspraken. 6 Maak dat velen met u in vrede leven, maar heb maar één van duizenden die uw raadgever zij. 7 Zo u een vriend wilt verkrijgen, zo strijd hem in de verzoeking en vertrouw uzelf hem niet te haastig. 8 Want daar is menig vriend in zijn gelegene tijd, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking. 9 Ook is er menig vriend die veranderd wordt in een vijand, en die u in het openbaar met verwijt bestrijden zal. 10 Daar is ook menig vriend om tafelgenoot te zijn, en blijft u niet bij in de dag van uw verdrukking. 11 Als het u wel gaat zal hij zijn als u, en over uw huisknechten zal hij vrijmoedigheid gebruiken. 12 Als u vernederd wordt, zo zal hij tegen u zijn, en zal zich van uw aangezicht verbergen. 13 Scheid u af van uw vijanden, en wees op uw hoede voor uw vrienden. 14 Een getrouw vriend is een sterke bescherming, en wie die gevonden heeft, die heeft een schat gevonden. 15 Daar is geen verwisseling tegen een getrouwe vriend, en daar is geen gewicht van zijn schoonheid. 16 Een getrouw vriend is een medicijn van het leven, en die Heere vrezen zullen Hem vinden. 17 Die Heere vreest, gedraagt zich recht in zijn vriendschap; want naar dat hij is, zo zullen ook zijn naasten zijn. 18 Mijn kind, verkies de onderwijzing van uw jeugd aan, en tot uw grijze haar toe zult u wijsheid vinden; 19 En verwacht haar goede vruchten. 20 Want in haar werking zult u wel een weinig vermoeid worden, en haast zult u van haar gewas eten. 21 Och hoe rauw is zij de ongeleerden! en de harteloze blijft niet bij haar. 22 Zij is bij hem zoals een harde steen van de beproeving, en hij zal niet talmen haar weg te werpen. 23 Want de wijsheid is zoals haar naam meebrengt, en is niet velen openbaar. 24 Hoor mijn kind, en verkies mijn mening, en verwerp mijn raad niet; 25 En steek uw voeten in haar boeien, en uw hals in haar halsijzer. 26 Leg uw schouder onder haar, en draag haar, en wordt haar banden geen vijand. 27 Ga tot haar met geheel uw ziel, en bewaar haar wegen met geheel uw kracht. 28 Speur haar na en zoek haar, en zij zal u bekend worden, en als u haar machtig geworden bent, zo laat haar niet van u. 29 Want ten laatste zult u haar rust vinden, en zij zal u tot verheuging strekken; 30 En haar boeien zullen u zijn tot een sterke bescherming, en haar halsijzers tot een heerlijke tabberd. 31 Want een gulden versiersel is op haar, en haar banden zijn een hyacinten draad. 32 U zult haar aantrekken als een heerlijke tabberd en zult haar uzelf opzetten als een kroon van de vrolijkheid. 33 Als u zult willen, mijn kind, zo zult u onderwezen worden, en als u uw ziel daartoe begeeft, zo zult u geheel kloek worden. 34 Als u liefde zult hebben om te horen, zo zult u verstand krijgen, en als u uw oor zult neigen, zo zult u wijs worden. 35 Houd u onder de menigte van de ouden, en is er iemand wijs, hang hem aan; wil alle Goddelijke verklaring horen, en laat u de spreuken van het verstand niet ontgaan. 36 Als u een verstandig man ziet, zo maak u vroeg in de morgen tot hem, en uw voet betrede gestadig de trappen van zijn deuren. 37 Overdenk de geboden van Heere volkomen, en oefen u altijd in Zijn bevelen, zo zal Hij uw hart versterken, en de begeerde wijsheid zal u gegeven worden. ### Jezus Sirach 7 1 DOE geen kwaad, en u zal geen kwaad bevangen. 2 Wijk af van de ongerechtige, en de zonde zal van u wijken. 3 Mijn zoon, zaai niet in de voren van de ongerechtigheid, zo zult u niet zevenvoudig hetzelfde maaien. 4 Begeer van Heere geen heerschappij, en van de koning geen heerlijke zitplaats. 5 Rechtvaardig u niet voor Heere, en houd u niet voor wijs bij de koning. 6 Zoek niet een rechter te worden, want u mocht niet sterk genoeg zijn de ongerechtigheden weg te nemen; dat u niet te eniger tijd voor het aangezicht van de machtige vreest, en een aanstoot legt in uw rechte handeling. 7 Zondig niet tegen de menigte van de stad, en begeef uzelf niet onder het oproerige volk. 8 Bind een zonde niet tweemaal aan, want zelfs in een zult u niet onschuldig zijn. 9 Zeg niet: Hij zal op de menigte van mijn gaven zien, en als ik God de Allerhoogste offere, zo zal Hij het aannemen. 10 Wees niet kleinmoedig in uw gebed, en verzuim niet liefdegaven te geven. 11 Belach de mens niet die in bitterheid van zijn ziel is, want daar is een die vernedert en verhoogt. 12 Ploeg geen leugen tegen uw broer, en doe uw vriend desgelijken niet. 13 Wil niet liegen enigerlei leugen, want het steeds plegen daarvan komt niet ten goede. 14 Spreek niet veel in de menigte van de ouden, en wederhaal uw woord niet in uw gebed. 15 Haat de moeilijke arbeid niet, en de landbouw, die door de Allerhoogste geschapen is. 16 Reken uzelf niet onder de menigte van de zondaren; gedenk dat de toorn niet wacht. 17 Verneder uw ziel zeer, want de wraak van de goddeloze zal vuur en worm zijn. 18 Verwissel uw vriend niet om enig middelmatig ding, het zij wat het wil, noch een oprechte broer om goud uit Ofir. 19 Het ontbreke u niet aan een wijze en goede vrouw, want haar aangenaamheid overtreft het goud. 20 Doe de huisknecht geen kwaad die getrouw zijn werk doet, noch de huurling die zijn ziel aan u overgeeft. 21 Laat uw ziel een verstandige huisknecht liefhebben, en onthoud hem de vrijheid niet. 22 Heb u vee, zo heb opzicht daarop, en zo het u nut is, laat het bij u blijven. 23 Heb u kinderen, onderwijs ze, en buig hun hals van de jeugd aan. 24 Heb u dochters, neem acht op haar lichaam en stel uw aangezicht niet blij tegen haar. 25 Geef uw dochter uit, en u zult een groot werk volbracht hebben; en geef haar aan een verstandig man. 26 Heb u een vrouw naar uw hart, werp haar niet uit, en geef u zelf aan een gehate niet over. 27 Eer uw vader met heel uw hart, en vergeet niet de smarten van uw moeder. 28 Gedenk dat u door hen voortgebracht bent, en wat zult u hun daarvoor geven in gelijkheid van wat zij u gegeven hebben? 29 Vrees Heere met uw hele ziel, en houd zijn priesters in waarde; heb uit geheel uw kracht lief degene die u gemaakt heeft, en verlaat Zijn dienaren niet. 30 Vrees Heere, en eer de priester. 31 En geef hem zijn deel, zoals u bevolen is, 32 Namelijk de eerstelingen, en het schuldoffer, 33 En de gaven van de schouders, en de offergave van de heiliging, en de eerstelingen van de heilige dingen. 34 En steek uw hand uit tot de arme, opdat uw zegen volkomen wordt. 35 Gaven zijn aangenaam bij alle levenden, en aan een dode verhinder de goedertierenheid niet. 36 Onttrek u niet van de huilende, en treur met degenen die treuren. 37 Wees niet traag in het bezoeken van de zieke; want om zulke dingen zult u geliefd worden. 38 In al uw doen gedenk aan uw uiterste, en u zult in de eeuwigheid niet zondigen. ### Jezus Sirach 8 1 STRIJD met geen machtig mens, dat u niet misschien in zijn handen valt. 2 Twist niet met een rijk mens, opdat hij u misschien niet overmag. 3 Want het goud heeft velen verdorven, en heeft de harten van de koningen gebogen. 4 Strijd niet met een praatziek mens, en hoop geen hout op zijn vuur. 5 Scherts niet met een ongeschikte, opdat uw voorouders van hem niet onteerd worden. 6 Verwijt geen mens die zich van zonde afkeert; gedenk dat wij allen strafwaardig zijn. 7 Onteer niemand in zijn ouderdom, want ook uit ons zijn er die oud worden. 8 Verblijd u niet over de dood van uw grootste vijand, gedenk dat wij allen sterven zullen. 9 Veracht niet wat door de wijzen verteld wordt, en oefen uzelf in hun spreuken. 10 Want van hen zult u onderwijzing leren, om ook de groten gemakkelijk te dienen. 11 Dwaal niet af van de onderwijzing van de ouden, want zij hebben ook geleerd van hun vaders. 12 Want van hen zult u verstand leren, en hoe u in de tijd als het nodig is zult antwoorden. 13 Ontsteek de kolen van de zondaar niet, opdat u niet verbrand wordt in het vuur van zijn vlam. 14 Sta niet op tegen de smader, opdat hij uw mond niet bespiede. 15 Leen niemand die machtiger is dan u, en als u hem wat geleend zult hebben, wees dan als een die het verloren hebt. 16 Word geen borg boven uw vermogen, en als u borg geworden bent, draag zorg alsof u betalen zou. 17 Richt niet tegen de rechter, want men zal hem oordelen, naar zijn mening. 18 Wandel niet met een stoute, opdat hij u niet bezware, want hij zal naar zijn wil doen, en u zou door zijn dwaasheid mee vergaan. 19 Verwek geen strijd met een toornige, en ga niet met hem door de woestijn, zoals niets is het bloed in zijn ogen, en waar geen hulp is, daar zal hij u ter neer werpen. 20 Beraad u niet met een dwaas, want hij zal geen zaak kunnen bedekken. 21 Doe niets geheims voor een vreemde, want u weet niet wat hij baren zal. 22 Verklaar uw hart niet aan ieder mens, en laat u geen valse dank vergelden. ### Jezus Sirach 9 1 ZIJT niet jaloers op de vrouw van uw schoot, en leer haar tegen uzelf geen boze onderwijzing. 2 Geef uw ziel de vrouw niet, dat zij over uw ziel zou opklimmen. 3 Ga geen hoerachtige vrouw tegemoet opdat u niet te eniger tijd in haar strikken valt. 4 Ga niet om met een snarenspeelster, dat u niet te eniger tijd gevangen wordt in haar handelingen. 5 Aanschouw een maagd niet te zeer, dat u niet misschien ten val komt in haar bestraffingen. 6 Geef uw ziel de hoeren niet over, opdat u uw erfdeel niet verliest. 7 Zie niet om in de straten van de stad, en dwaal niet om in de woeste plaatsen daarvan. 8 Wend uw oog af van een schone vrouw, en beschouw geen vreemde schoonheid. 9 Want door de schoonheid van de vrouw zijn velen verleid geworden, en uit deze wordt de liefde als een vuur aangestoken, en leg u niet neer met haar in de armen. 10 Bij een getrouwde vrouw zit geheel en al niet. 11 En maak geen gelag met haar bij de wijn; dat niet te eniger tijd uw ziel tot haar neigt, en u met uw geest niet valt in het verderf. 12 Verlaat een oude vriend niet, want de nieuwe is hem niet zoals. 13 Een nieuwe vriend is zoals nieuwe wijn: als hij zal oud geworden zijn, drink hem met verheuging. 14 Benijd de zondaar zijn eer niet, want u weet niet welke zijn verandering is. 15 Heb geen welbehagen aan dat, waarin de goddelozen wel behagen hebben; gedenk dat zij tot in het dodenrijk toe niet zullen gerechtvaardigd worden. 16 Verwijder van de mens die macht heeft om te doden, en u zult de vrees van de dood niet vermoeden. 17 En als u tot hem komt zo vergrijp u niet, opdat bij u niet meteen uw leven beneme. 18 Weet, dat u in het midden van de strikken doorgaat, en op de tinnen van de stad wandelt. 19 Merk op uw naaste, naar al uw vermogen, en beraad u met de wijzen; spreek met de verstandigen, en al wat u vertelt, zij naar de wet van de Allerhoogste. 20 Laat rechtvaardige mannen uw tafelgenoten zijn, en laat uw roem zijn in de vrees voor de Heere. 21 Door de hand van de kunstenaren zal een werk geprezen worden, en een wijs voorganger van het volk, door zijn woord. 22 Een klapachtig man is verschrikkelijk in zijn stad, en die te voortvarend is in zijn rede, zal gehaat worden. ### Jezus Sirach 10 1 EEN wijs rechter onderwijst zijn volk, en de heerschappij van de verstandige is ordelijk aangesteld. 2 Zoals de rechter van het volk is, zo zijn ook zijn dienaren; en zoals de voorganger van de stad is, zo zijn allen die deze bewonen. 3 Een koning, die niet onderwezen is, zal zijn volk verderven, maar een stad zal door verstand van de machtigen bewoond worden. 4 De macht op aarde is in de hand van Heere, en Hij zal te zijner tijd over haar verwekken een, die nuttig is. 5 In de hand van Heere is de voorspoed van de mens, en op het aangezicht van de schriftgeleerde zal Hij Zijn heerlijkheid stellen. 6 Vergram u niet op uw naaste over enig onrecht, en doe niets door smadelijke werken. 7 Trots is hatelijk voor God en de mensen, en bij beide is hatelijk de misdaad van de ongerechtigheid. 8 Een koninkrijk wordt van het ene volk tot het andere overgebracht, vanwege ongerechtigheden en moedwilligheden en rijkdommen, die door bedrog verkregen zijn; wat verhovaardigt zich toch aarde en as? 9 Daar is werkelijk niets onrechtvaardiger dan een geldgierige. 10 Want deze biedt ook zijn eigen ziel te koop, want zijn ingewanden werpen deze weg, terwijl hij nog leeft. 11 De dokter houdt een lange ziekte af, en vandaag is iemand koning, en morgen zal hij sterven. 12 Want wanneer een mens sterft, zo beërft hij kruipende en wild gedierte en wormen. 13 Het begin van de trots is, wanneer een mens van Heere afwijkt, en zijn hart afwijkt van degene die hem gemaakt heeft. 14 Want trots is een begin van de zonde, en die daarbij blijft, die bedrijft zeer gruwelijke moedwil, maar op het einde zal hij omgekeerd worden. 15 Daarom heeft Heere zeldzame straffen over hen gebracht, en heeft hen eindelijk omgekeerd. 16 Heere heeft de tronen van de regeerders ternedergedrukt, en heeft zachtmoedigen in hun plaats daarin gezet. 17 Heere rukt de wortels van de hoogmoedige volken uit, en plant de nederigen in hun plaats met heerlijkheid. 18 De landen van de volken keert Heere om, en verderft ze tot op de grond van de aarde. 19 Hij heeft ze daaruit weggenomen, en heeft ze verdorven. 20 En heeft hun herinnering doen ophouden van de aarde. 21 De trots is niet geschapen in de mensen, noch de grimmige toorn in degenen, die van vrouwen geboren zijn. 22 Die Heere vrezen zijn een zeker zaad, en die Hem liefhebben een kostelijke plant; daarentegen die op de wet niet achten, zijn een schandelijk zaad; die de geboden overtreden een afdwalend zaad. 23 In het midden van de broers is degene geëerd, die hun leidsman is, en die Heere vrezen worden geëerd voor Zijn ogen. 24 De vrees voor de Heere is een heerschappij ook voor het lot, maar hardheid en trots is een wegwerping van de heerschappij. 25 De roem van een rijke, en heerlijken, en armen, is de vrees voor de Heere. 26 Het is niet recht dat men een arme onteert die verstandig is, en het past niet dat men een zondaar eert. 27 De groten, en de rechters, en de machtigen worden geëerd, maar geen van hun is meerder dan die Heere vreest. 28 Een verstandige huisknecht zullen de vrijen dienen; en een man van wetenschap zal niet morren als hij onderwezen wordt. 29 Denk niet wijs te zijn als u uw werk doet, en poch niet in de tijd van uw benauwdheid. 30 Want het is beter dat iemand werkt, en in alles overvloed heeft, dan dat iemand pocht en gebrek aan brood heeft. 31 Mijn kind verheerlijk uw ziel door uw zachtmoedigheid, en geef haar eer naar haar waardigheid. 32 Wie zal die rechtvaardigen die tegen zijn ziel zondigt en wie zal die eren, die zijn leven onteert? 33 Een arme wordt verheerlijkt vanwege zijn wetenschap, en een rijke wordt verheerlijkt vanwege zijn rijkdom. 34 Die geëerd wordt in armoede, hoeveel te meer ook in rijkdom. En die in rijkdom ongeëerd is, hoeveel te meer in armoede. ### Jezus Sirach 11 1 DE wijsheid van de nederige zal zijn hoofd verheffen, en hem in het midden van de groten zetten. 2 Prijs niemand vanwege zijn schoonheid, en heb geen gruwel aan iemand, om zijn voorkomen. 3 De bij is klein onder de vliegende gedierten, en haar vrucht is het voornaamste van de zoetigheden. 4 Pronk niet met de kleren die u aandoet, en in de dag van de heerlijkheid verhef u niet, want wonderlijk zijn de werken van Heere en Zijn werken zijn de mensen verborgen. 5 Vele koningen hebben op de vloer gezeten en waar men niet op verdacht was, heeft de kroon gedragen. 6 Vele machtigen zijn enorm onteerd geworden, en vele heerlijke mensen zijn overgeleverd in handen van anderen. 7 Berisp niet voordat u onderzocht hebt, verneem eerst en bestraf dan. 8 Antwoord niet voordat u gehoord hebt, en in het midden van de woorden spreek niet tussenbeide. 9 Twist niet om een zaak die u niet betreft; en zit niet bij in het gericht van de zondaren. 10 Mijn kind, bemoei u niet met vele dingen, want als u veel aanneemt, u zult niet onschuldig zijn; en als u ze nastreeft, zo zult u ze niet bereiken; en u zult in geen geval ontvluchten als u vlucht. 11 Menigeen is er die moeite doet, en arbeidt, en zich haast, en heeft toch des te meer gebrek. 12 Menigeen is er die traag is, hebbende hulp nodig, het ontbreekt hem aan sterkte, en hij heeft grote armoede, en het oog van Heere ziet op hem ten goede, en richt hem op uit zijn nederigheid; 13 En verheft zijn hoofd van het verderven; en velen dat aanschouwende, verwonderen zich over hem. 14 Goede en kwade dingen, leven en dood, armoede en rijkdom zijn van Heere. 15 Wijsheid en wetenschap, en kennis van de wet is van Heere; liefde en wegen van de goede werken zijn van Hem. 16 Dwaling en duisternis zijn met de zondaren geschapen, en die over kwade dingen pochen, met die veroudert de boosheid. 17 De gave van Heere blijft bij de godvrezenden, en zijn welbehagen maakt voorspoedig in de eeuwigheid. 18 Menigeen is er die rijk wordt door zijn opmerken en spaarzaamheid, en dit is nu zijn deel van zijn loon. 19 Wanneer hij zegt: Ik heb rust gevonden, nu zal ik van mijn goederen eten zonder ophouden, en hij weet niet wat tijd hem overkomen zal, en hij zal ze anderen nalaten en sterven. 20 Sta in uw verbond, en verkeer daarin, en word oud doende uw werk. 21 Verwonder u niet in de werken van de zondaar, maar vertrouw Heere, en blijf in uw arbeid. 22 Want het is in de ogen van Heere licht, snel en onvoorziens een arme rijk te maken. 23 De zegen van Heere is in het loon van de godvrezende; en in een korte tijd doet Hij zijn zegen uitspruiten. 24 Zeg niet: Wat heb ik nodig te behagen, en voor wie zullen nu voortaan mijn goederen zijn? 25 Zeg niet: Ik heb genoeg, en wat ik heb is veel, en wat zal mij voortaan in dit leven voor kwaad gebeuren? 26 In de goede dagen vergeet men het kwade, en in de kwade dagen wordt aan het goede niet gedacht. 27 Want het is voor Heere licht, in de dag van de dood de mens te vergelden naar zijn werken. 28 Een kwaad uur maakt dat men de hartstocht vergeet, en aan het einde van de mens is de ontdekking van zijn werken. 29 Spreek niemand zalig voor zijn dood; ook aan zijn kinderen wordt een man gekend. 30 Leid niet een ieder in uw huis, want de hinderlagen van de lasteraar zijn vele. 31 Zoals een gevangen veldhoen in een kooi, zo is het hart van de hoogmoedige, en zoals een bespieder die daarover komt om te doen vallen. 32 Want hij loert verkerende het goede in het kwade; ja in uitgelezen dingen zal hij u een schandvlek opleggen. 33 Van een kleine vonk wordt de gloeiende kool vermenigvuldigd, en een mens die een zondaar is loert op bloed. 34 Wees op uw hoede voor een boosdoener, want hij smeedt boze dingen; dat hij u niet te eniger tijd een eeuwige schandvlek geve. 35 Laat een vreemde in uw huis wonen, en hij zal u door onrust verstoren, en zal u van enige van uw eigen goederen ontvreemden. ### Jezus Sirach 12 1 ALS u weldoet, zo weet aan wie u het doet, en u zult dank voor uw weldaden hebben. 2 Doe wel aan de godvrezende, en u zult vergelding vinden, en is het niet bij hem, immers bij de Allerhoogste. 3 Die in het kwade voortgaat, die zal het niet wèl gaan, noch degene, die geen liefdegaven ter zijde legt. 4 Geef degene die God vreest, en neem u de zondaar niet aan. 5 Doe de nederige goed, en geef de goddeloze niet. Onthoud hem uw brood, en geef hem niet, opdat hij u daardoor niet overweldige, want dubbel kwaad zal u overkomen voor al het goede, dat u hem gedaan zult hebben. 6 Want ook de Allerhoogste haat de zondaars, en de godvrezende zal Hij wreken, maar anderen bewaart Hij tot de krachtige dag van de wraak. Geef degene die vroom is, en neem u de zondaar niet aan. 7 In voorspoed wordt de vriend niet uitgeworpen, en de vijand wordt niet verborgen in tegenslag. 8 Als het iemand wèl gaat, dan zijn zijn vijanden in verdriet, en als het hem kwalijk gaat, dan scheidt ook de vriend van hem af. 9 Betrouw uw vijand in de eeuwigheid niet. 10 Want zoals het koper verroest, zo ook zijn boosheid. 11 Als hij zou vernederd worden, en gekromd gaan, bedwing uzelf, en wees op uw hoede voor hem, en u zult hem zijn als die een spiegel heeft afgeveegd, en zult bemerken, dat hij die niet tot het einde toe verroest maken kan. 12 Stel hem niet naast u, opdat hij niet te eniger tijd u omgekeerd hebbende, zichzelf stelle op uw plaats, en zet hem niet aan uw rechterzijde, dat hij niet te eniger tijd zoeke uw zitplaats in te nemen, en u ten laatste mijn woorden bemerkt, en vanwege mijn rede doorstoken wordt. 13 Wie zal zich ontfermen over een bezweerder, die van een slang gebeten is? en over allen die tot de wilde dieren naderen? zo gaat het met hem die zich ophoudt bij een zondaar, en zich vermengt in zijn zonden. 14 Hij zal een uur bij u blijven in een gerechte staat, en als u zou uitwijken, zo zal hij niet volharden. 15 En de vijand zal wel met zijn lippen zoet spreken, maar in zijn hart zal hij beraadslagen om u in een gracht te werpen. 16 Met zijn ogen zal hij huilen, en als hij gelegen tijd zal vinden, zo zal hij niet verzadigd kunnen worden van uw bloed. 17 Als u iets kwaads zou ontmoeten, u zult hem daar eerder vinden dan uzelf, en zich stellende als een mens die helpen wil, zal hij uw hiel doorklieven. 18 Hij zal zijn hoofd schudden, en met de handen klappen, en veel murmelen, en zijn aangezicht veranderen. ### Jezus Sirach 13 1 DIE pek aanroert, wordt daarmee besmet, en die met de hoogmoedige gemeenschap heeft, wordt hem gelijk. 2 Neem in uw leven geen last op, die u te zwaar is, en heb geen gemeenschap met degene, die sterker en rijker is dan u. 3 Wat gemeenschap zal de aarden pot met een ketel hebben? deze zal daaraan stoten, en de andere zal verbrijzeld worden. 4 Een rijke doet onrecht, en men smeekt hem; een arme doet onrecht, en hij wordt bedreigd. 5 Als u hem kunt bevorderlijk zijn, zal hij u te werk stellen, maar als u verachtert, zal hij u onderdrukken. 6 Als u wat zult hebben, zo zal hij met u leven, en zal u uitledigen, en zelf zal hij niet arbeiden. 7 Heeft hij u nodig, zo zal hij u bedriegen, en aanlokken, en zal u hoop geven; hij zal schoon met u spreken, en zeggen: Wat hebt u nodig? 8 Hij zal u met zijn voedsel beschaamd maken, totdat hij u uitledige tot twee of drie keer, en op het laatste zal hij u bespotten, en daarin zal hij u aanzien, en u verlaten, en zal zijn hoofd tegen u schudden. 9 Pas op dat u niet verleid wordt door uw gedachten, 10 En niet vernederd wordt in de verheuging van uw hart. 11 Als u een machtig heer tot zich nodigt, zo maak u ter zijde, en hij zal u zo veel te meer en te vaker tot zich noden. 12 Val niet in iemands rede, opdat u niet zonder kennis van de zaak verstoten wordt, en sta ook niet te ver af, opdat u niet vergeten wordt. 13 Tracht niet met hem te spreken, en betrouw op zijn vele woorden niet, want met veel te spreken zal hij u verzoeken, en al toelachende zal hij uw geheime zaken onderzoeken. 14 Onbarmhartig is hij die zijn woorden niet houdt, en hij zal in geen geval plagen en banden aan u sparen. 15 Bewaar uzelf, en neem vlijtig acht als u hem hoort, want u wandelt met uw val. 16 Als u deze dingen hoort, zo waak zelfs in uw slaap. 17 Heb Heere lief al uw leven lang, en roep Hem aan tot uw behoudenis. 18 Ieder dier heeft zijn gelijke lief, en ieder mens heeft zijn naaste lief. 19 Alle vlees verzamelt zich naar zijn geslacht, en een man hangt zijn gelijke aan. 20 Wat gemeenschap zal een wolf hebben met een lam? zo is een zondaar tegen degene, die Heere vreest. 21 Wat vrede zal een hyëna hebben met een hond? en wat vrede zal een rijke hebben met een arme? 22 Zoals de wilde ezels van de leeuwen jacht zijn in de woestijn, zo zijn de armen van de rijken weide. 23 Zoals de nederigheid is van de hoogmoedigen gruwel, zo is ook de arme voor de rijke een gruwel. 24 Wanneer een rijke bewogen wordt, zo wordt hij van zijn vrienden onderstut; maar wanneer een arme valt, zo wordt hij daarenboven van zijn vrienden verstoten. 25 Wanneer een rijke struikelt, zo heeft hij velen, die hem ophelpen; heeft hij onbetamelijke dingen gesproken, men rechtvaardigt hem evenwel. 26 Een nederige struikelt, en men bekijft hem nog daartoe; hij heeft verstandige rede gesproken, en men geeft hem geen plaats. 27 De rijke spreekt, en zij zwijgen allen, en verhogen zijn rede tot aan de wolken. 28 De arme spreekt, en men zegt: Wie is deze? en als hij aanstoot, men zal hem verder omstoten. 29 De rijkdom is goed, bij welke geen zonde is, en de armoede is kwaad in de mond van de goddeloze. 30 Het hart van de mens verandert zijn aangezicht, het zij ten goede of ten kwade, en een hart in genoegen groenende maakt een vrolijk aangezicht. 31 Een groenend aangezicht is een teken van een hart dat wel gesteld is, en vinding van de gelijkenissen in overlegging met moeite. ### Jezus Sirach 14 1 ZALIG is de man die niet faalt met zijn mond, en niet doorprikkeld wordt met de menigte van de zonden. 2 Zalig is hij, die zijn ziel niet verdoemt, en die niet vervalt van zijn hoop, die hij op Heere heeft. 3 De rijkdom voegt geen karig mens wel, en waartoe dient geld een nijdig mens? 4 Wie verzamelt onttrekkende van zijn ziel, die verzamelt voor anderen, en vreemden zullen van zijn goederen lekker leven. 5 Die tegen zichzelf kwaad is, wie zal hij goed zijn? zelfs zal hij zich niet verheugen in zijn goederen. 6 Daar is geen bozer mens dan die zichzelf wangunstig is, en dat is een vergelding van zijn boosheid. 7 Als hij wel doet, hij doet het ongaarne, en op het laatst zal hij zijn boosheid doen blijken. 8 Het is een boos mens, die met het oog afgunstig is, die het aangezicht afwendt, en veracht de zielen. 9 Het oog van de gierigaard wordt met geen deel verzadigd, en de ongerechtigheid van de boze doet zijn ziel uitdrogen. 10 Een boos oog is nijdig over brood, en lijdt gebrek aan zijn tafel. 11 Mijn kind, doe uzelf goed naar dat u kunt, en breng Heere offergaven toe, zoals behoort. 12 Gedenk dat de dood niet zal talmen, en het verbond van het graf is u niet getoond. 13 Doe uw vriend goed, voordat u sterft, en strek naar uw vermogen uw hand uit en geef hem. 14 Onttrek uzelf niet van de goede dag, en laat het deel van de goede begeerte u niet voorbijgaan. 15 Zult u niet uw arbeid een ander moeten nalaten? en uw moeite tot verdeling van het lot? 16 Geef en neem, en heilig uw ziel. 17 Want men behoeft in het graf geen voedsel te zoeken. 18 Alle vlees veroudert zoals een kleed, want het verbond van de eeuw aan is dit: U zult de dood sterven. 19 Zoals een groenend blad op een dichte boom; enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; zo is het met het geslacht van het vlees en van het bloed, het ene sterft en het andere wordt geboren. 20 Alle werk, dat verrotting onderworpen is, bezwijkt, en die het gewerkt heeft zal met hetzelfde ook weggaan. 21 Zalig is de man die met wijsheid betracht wat eerlijk is, en die met zijn verstand van heilige dingen spreekt. 22 Die zijn wegen in zijn hart bezint, die zal ook in haar geheimen verstandig worden; ga uit achter haar zoals een naspeurder, en loer op haar wegen. 23 Wie door haar vensters heenziet, en bij haar deuren toehoort, 24 Wie nabij haar huis herberg neemt en in haar muren zijn paal slaat, zijn tabernakel naar haar hand stelt, 25 Zal herberg hebben in een herberg vol goeds, en zal zijn kinderen stellen onder haar bescherming, en onder haar takken zal hij overnachten. 26 Hij zal van haar beschermd worden voor de hitte, en in haar heerlijkheid zal hij herberg hebben. ### Jezus Sirach 15 1 DIE Heere vreest zal dat doen en die de kennis van de wet verkregen heeft zal haar vinden. 2 En zoals een moeder zal zij hem tegemoet gaan, en zoals een vrouw die hij als zij maagd was getrouwd heeft, zal zij hem ontvangen. 3 Zij zal hem spijzen met brood van het verstand, en met water van de wijsheid zal zij hem drenken. 4 Hij zal op haar gevestigd worden, en zal niet wankelen, en hij zal zich aan haar houden, en niet beschaamd worden. 5 En zij zal hem verhogen boven zijn naaste, en zij zal in het midden van de vergadering zijn mond openen. 6 Hij zal vrolijkheid en een kroon van de verheuging vinden, en zij zal hem een eeuwige naam doen beërven. 7 Onverstandige mensen zullen haar niet begrijpen. 8 Zondaars zullen haar in geen geval zien; zij is ver van trots, en leugenaars gedenken aan haar geheel niet. 9 De lof in de mond van de zondaar voegt niet wel, omdat hij hem van Heere niet is gezonden. 10 Want met wijsheid zal lof gesproken worden, en Heere zal die voorspoedig maken. 11 Zeg niet: Heere is oorzaak, dat ik afgevallen ben; want wat Hij haat moet u niet doen. 12 Zeg niet, hij heeft mij gemaakt, want hij heeft de zondaar niet nodig. 13 Heere haat allerlei gruwel, en ze is niet geliefd bij degenen die Hem vrezen. 14 Hij heeft van de beginne de mens gemaakt, en hem gelaten in de hand van zijn raad. 15 En heeft gezegd: Als u wilt, u zult de geboden houden en het geloof om te doen wat mij behaagt. 16 Hij heeft u vuur en water voorgesteld; strek uw hand waarheen u wilt. 17 Het leven en de dood zijn voor de mens, en wat hem behagen zal, dat zal hem gegeven worden. 18 Want groot is de wijsheid van Heere, en Hij is sterk in kracht, en ziet alle dingen. 19 En zijn ogen zijn op degenen die hem vrezen, en hij zal kennis nemen van alle werken van de mens. 20 Hij heeft niemand geboden goddeloos te zijn, en heeft niemand verlof gegeven te zondigen. ### Jezus Sirach 16 1 VERLANG niet naar een onnutte menigte van kinderen, en verheug u niet over goddeloze zonen; als zij vermenigvuldigen verheug u over hen niet, zo de vrees voor de Heere bij hen niet is. 2 Vertrouw op hun leven niet, en acht hun menigte niet. 3 Want één rechtvaardige is beter dan duizend zulken. 4 En het is beter zonder kinderen te sterven, dan goddeloze kinderen te hebben. 5 Want van een verstandige zal een stad met inwoners bezet worden; maar het geslacht van de goddelozen zal haastig woest worden. 6 Vele dergelijke dingen heeft mijn oog gezien, en mijn oor heeft sterker dingen gehoord dan deze. 7 In de vergadering van de zondaren zal een vuur aangestoken worden, en toorn is ontstoken geweest onder een ongehoorzaam volk. 8 Hij is niet verzoend geworden over al de oude reuzen, die afgevallen zijn door de kracht van hun dwaasheid. 9 Hij spaarde die niet, bij wie Lot woonde; aan wie hij een gruwel had, vanwege hun trots. 10 Hij ontfermde zich niet over het volk van het verderf, die uitgingen in hun zonden, die zij deden. 11 En zo heeft Heere zeshonderd duizend mannen te voet, die samen verzameld waren in de hardheid van hun harten, door ontferming en vergelding behouden, geselende, ontfermende, slaande, genezende; als dan een hardnekkige zou zijn onder het volk, het was een wonder dat die ongestraft zou blijven. 12 Want ontferming en toorn is bij hem; hij is een machtig Heere, die haastig verzoend wordt, en toorn uitstort. 13 Zoals zijn barmhartigheid groot is, zo is ook zijn vergelding; hij zal een ieder oordelen naar zijn werken. 14 De zondaar zal niet ontvluchten met zijn roof; en de verwachting van de godzalige zal niet achterblijven. 15 Maak plaats voor allerlei liefdegaven, want een ieder zal vinden naar zijn werken. Heere heeft Farao verhard, dat hij hem niet kende, opdat zijn werken zouden bekend worden bij het geslacht onder de hemel; zijn barmhartigheid is alle schepselen openbaar, en zijn licht en duisternis heeft hij onderscheiden met een diamantsteen. 16 Zeg niet: Ik zal mij voor Heere verbergen, en wie zal aan mij gedenken uit de hoogte? 17 Onder een groot volk zal men aan mij niet gedenken, want wat is mijn ziel onder de onmetelijke schepselen? 18 Zie, de hemel, en de hemel van de hemel, de afgrond en de aarde, en wat daarin is, zullen in zijn bezoeking bewogen worden; de hele wereld die geweest is, en is, die is door zijn wil. 19 De bergen en de fundamenten van de aarde worden tegelijk geschud onder elkaar door beving, als Heere daarop ziet. 20 En het hart overdenkt deze dingen niet behoorlijk. 21 En wie kan zijn wegen bedenken? zij zijn zoals een stormwind, die de mens niet zien kan; en het meerderdeel van zijn werken is voor ons verborgen. 22 Wie zal de werken van zijn gerechtigheid verkondigen, of wie zal ze verdragen? Want het verbond is ver, en onderzoeking alle dingen is in het einde. 23 Die klein geworden is overlegt deze dingen, maar een dwaas man, verdwaald zijnde, overlegt dwaze dingen. 24 Hoor mij, mijn kind en leer wetenschap, en let met uw hart op mijn woorden. 25 Ik zal onderwijzing tevoorschijn brengen van gewicht, en zijn wetenschap verkondigen met ijver. 26 Want door het oordeel van Heere zijn Zijn werken van het begin en van dat zij gemaakt zijn, heeft Hij hun delen onderscheiden. 27 Hij heeft zijn werken versierd in eeuwigheid, hun beginselen door zijn hand in alle geslachten; zij hebben geen honger gehad, en zijn niet vermoeid geweest in zijn maakselen, en zijn niet bezweken van zijn werken, niet één heeft zijn naaste verdrukt; 28 En tot in eeuwigheid zullen zij zijn woord niet ongehoorzaam zijn. 29 En na deze heeft Heere op aarde gezien, en heeft ze vervuld met zijn goederen. 30 Hij bedekt het leven van alle gedierte, en in haar keren zij weer. ### Jezus Sirach 17 1 DE Heere heeft de mens uit aarde geschapen, en heeft hem weer daarin doen terugkeren. 2 Hij heeft hun een getal van dagen, en een bestemde tijd gegeven, en heeft hun macht gegeven over de dingen die daarop zijn. 3 Hij heeft hen bekleed met sterkte, naar hun gelegenheid, en heeft hen naar zijn evenbeeld gemaakt. 4 Hij heeft hun vrees gelegd op alle vlees, en gegeven dat hij zou heersen over de dieren en vogels, naar zijn gelijkenis. 5 En voor het zesde heeft hij hun het vernuft geschonken, uitdelende zijn gaven, en voor het zevende, de spraak, die is een uitlegging van zijn werken. 6 Hij heeft hun gegeven raad, en tong, en ogen, oren, en een hart om te overleggen; met wetenschap van het verstand heeft hij hen vervuld, en hun wat goed en kwaad is getoond. 7 Hij heeft zijn ogen op hun harten gelegd; hij heeft hun gegeven in eeuwigheid te mogen roemen in zijn wonderen, opdat zij zijn werken verstandig zouden verhalen; 8 En de uitverkorenen zullen de naam van zijn heiligmaking prijzen. 9 Hij heeft hun nog toegelegd wetenschap, en hun de wet van het leven tot een erfdeel gegeven, opdat zij zouden verstaan, dat zij nu sterfelijk zijn. 10 Een eeuwig verbond heeft hij met hen opgericht, en hun getoond zijn oordelen. 11 Hun ogen hebben zijn heerlijke majesteit gezien, en hun oor heeft gehoord de heerlijkheid van zijn stem, en heeft tot hen gezegd: 12 Wees op uw hoede voor alle ongerechtigheid, en heeft hun geboden gegeven, elk één van zijn naaste. 13 Hun wegen zullen niet verborgen zijn voor zijn ogen, zijnde altijd voor hem, maar ieder mens is van de jeugd af geneigd tot het kwade, en, zij hebben hun harten in plaats van steen en geen vlesen kunnen maken. 14 Want in de verdeling van de volken van de hele aarde heeft Hij over elk volk een overste gesteld, maar Israël nam hij tot zijn deel aan, die, zijnde zijn eerstgeborene, de tucht opvoedt, en hij deelt hem mee het licht van de liefde, en begeeft hem niet. 15 Daarom zijn al hun werken voor hem zoals de zon, en zijn ogen zien steeds op hun wegen. 16 Hun ongerechtigheden zijn niet verborgen voor hem, en al hun zonden zijn voor Heere, maar Heere zijnde goedertieren, en zijn maaksel kennende, heeft hen noch begeven noch verlaten, maar heeft hen gespaard. 17 Want de barmhartigheid tegen de man is zoals een zegel bij hem, en zal de genade tegen de mens bewaren als zijn oogappel, gevende zijn zonen en dochters bekering, daarna zal hij opstaan en hen weer vergelden, en hun vergelding zal hij op hun hoofd vergelden. 18 Maar de boetvaardige heeft Hij gegeven weer te keren, en heeft tot zich geroepen die de volharding verlieten. 19 Bekeer u dan tot Heere, en verlaat de zonden; smeek voor Zijn aangezicht, en verminder de aanstoot. 20 Ga weer tot de Allerhoogste, en keer u af van ongerechtigheid, want Hij zal u geleiden uit de duisternis in een verlichting van de gezondheid. 21 En haat zeer de gruwel. 22 Wie zal de Allerhoogste prijzen in het graf, in plaats van de levenden, en van degenen die dankzegging spreken? 23 Van een dode, als die van een die niet meer is, gaat de dankzegging verloren. 24 Maar die leeft en gezond van hart is, zal Heere prijzen. 25 Hoe groot is de ontferming van Heere onze God, en de verzoening voor degenen die zich heilig tot Hem bekeren. 26 Want alle dingen kunnen in de mensen niet zijn, omdat geen mensenzoon onsterfelijk is. 27 Wat is klaarder dan de zon, en toch bezwijkt ze; zo ook de mens die vlees en bloed betracht. 28 Hij ziet aan de kracht van de hoge hemel, en alle mensen zijn maar aarde en as. ### Jezus Sirach 18 1 DIE in eeuwigheid leeft, heeft alle dingen gezamenlijk geschapen. 2 Heere is alleen rechtvaardig, en daar is geen ander dan Hij; Hij heeft de wereld gebouwd met de span van Zijn hand, en alle dingen zijn Zijn wil gehoorzaam. Want hij is een koning van alle dingen door zijn kracht, onderscheiden daarin wat heilig is van het onheilige. 3 Wie heeft hij macht gegeven zijn werken te verkondigen en wie heeft zijn grote daden uitgespeurd? 4 Wie zal de kracht van zijn majesteit uitrekenen? en wie zal nog daarbij zijn barmhartigheden verhalen? 5 De wonderen van Heere zijn niet te verminderen noch te vermeerderen, en zijn niet uit te speuren. 6 Wanneer de mens zal hebben voltooid, dan begint hij, en wanneer hij zal opgehouden hebben, dan zal hem nog ontbreken. 7 Wat is de mens? en waartoe is hij nut? wat is zijn goed en wat is zijn kwaad? 8 Het getal van de dagen van de mens aangaande honderd jaren zijn vele, maar het ontslapen van een ieder kan van niemand berekend worden. 9 Zoals een druppel water is te rekenen tegen het water van de zee, en een greintje zand tegen het zand aan de zee, zo zijn duizend jaren tegen de dagen van de eeuwigheid. 10 Daarom is Heere geduldig over hen, en giet Zijn barmhartigheid op hen uit. 11 Hij heeft gezien en verstaan hun einde dat het kwaad is, daarom heeft hij zijn verzoening vermenigvuldigd. 12 De barmhartigheid van de mens gaat over zijn naaste, maar de barmhartigheid van Heere over alle vlees. 13 Hij bestraft, en onderwijst, en leert, en bekeert zoals een herder zijn kudde. 14 Hij ontfermt zich over degenen, die onderwijzing aannemen, en die zich zeer haasten tot zijn oordelen. 15 Mijn kind, wanneer het u wèl gaat, zo geef geen oorzaak tot berisping, en bedroef niemand met boze woorden, als u om iets gebeden wordt. 16 Zal niet de dauw de hitte doen ophouden? zo is een woord beter dan een gave. 17 Zie, is een woord niet boven een goed geschenk? en beide zijn ze bij de mens aangenaam. 18 Een zot verwijt zijn weldaad onbeleefd, en de gift van een nijdig mens doet hem de ogen uitdrogen. 19 Leer voordat u spreekt, en gebruik medicijn voordat u ziek wordt. 20 Voordat u geoordeeld wordt, bereid uzelf tot weldoen, en u zult verzoening vinden in het uur van de bezoeking. 21 Verneder u door matigheid, voordat u ziek wordt, en bewijs in de tijd van de zonden uw bekering. 22 Laat u niet hinderen uw belofte te betalen op de juiste tijd, en verwijl niet tot aan de dood rechtvaardig te worden. 23 Bereid uzelf voordat u uw gelofte doet, en wees niet zoals een die Heere verzoekt. 24 Gedenk aan de toorn die komen zal in de dagen van de dood, en aan de tijd van de wraak, als Heere Zijn aangezicht zal afkeren. 25 Gedenk aan de tijd van de honger, in de tijd van de volheid, aan armoede en gebrek in de dag van de rijkdom. 26 Van 's morgens vroeg tot op de avond verandert de tijd, en al deze dingen zijn haastig voor Heere. Een wijs mens vreest altijd, en in de dagen van de zonden wacht hij zichzelf voor mishandeling, maar een dwaas zal de tijd niet waarnemen. 27 Een ieder die verstandig is kent wijsheid en onderwijzing. 28 En wie ze vindt, die zal zij geven dat openbaar te belijden. 29 Die verstandig zijn in woorden, die handelen ook wijs; en gieten uit, als een regen, scherpzinnige spreuken tot het leven. Beter is het betrouwen op Heere alleen, daar het dode hart hangt aan wat dat dood is. 30 Ga uw lusten niet na, maar bedwing u van uw begeerten. 31 Als u uw ziel toereikt de lust van haar welbehagen, zo zult u uw vijanden die u benijden een vreugde maken. 32 Verheug u niet in de veelheid van uw lekkernijen, en wees niet begerig naar haar raad. 33 Word niet arm, makende gelagen van ontleend geld, daar u niets hebt in de beurs, want anders zult u een spion zijn van uw eigen leven, waar men van spreken zal. ### Jezus Sirach 19 1 EEN arbeider, die een dronkaard is, zal niet rijk worden, en die het weinig versmaadt, zal gaandeweg vervallen. 2 Wijn en vrouwen doen de verstandigen afvallen, en wie de hoeren aanhangt, die wordt stout. 3 Die zullen de maden en wormen tot erfdeel hebben, en hij zal uitdrogen tot een zeer schandelijk voorbeeld. 4 Wie haar licht vertrouwt die is lichtvaardig van hart, en die tegen zijn ziel zondigt, zal zo mishandelen. 5 Wie zich verheugt in het kwaaddoen, zal verdoemd worden, maar wie de hartstochten wederstaat, die kroont zijn leven. 6 Wie zijn tong bedwingt, zal met degene die niet twistig is, leven; en wie klappen haat, die neemt af in boosheid. 7 Herhaal een rede nimmermeer, en het zal u niet wezen tot vermindering. 8 En vertel noch bij vriend noch bij vijand het leven van anderen, en als het u geen zonde is, zo openbaar het niet. 9 Want hij heeft u gehoord en u waargenomen, en ter gelegener tijd zal hij u haten. 10 Heb u wat gehoord, laat het bij u sterven, en wees welgemoed, want het zal u niet doen barsten. 11 Een dwaas zal smarten lijden vanwege een woord, zoals een barende vrouw vanwege het kind. 12 Zoals een pijl, die in de heup van het vlees vaststeekt, zo is een woord in de buik van een dwaas. 13 Bestraf uw vriend, misschien heeft hij het niet gedaan, en zo hij het gedaan heeft, dat hij het niet te eniger tijd meer doe. 14 Bestraf uw naaste, misschien heeft hij het niet gezegd, en zo hij het gezegd heeft, dat hij het voor de tweede keer niet zeg. 15 Bestraf uw vriend, want dikwijls gebeurt er ijdele lastering. 16 Laat uw hart niet elk woord geloven; menigeen struikelt in een woord en niet van harte, en wie is er die met zijn tong niet struikelt? 17 Bestraf uw naaste voordat u dreigt, en geef de wet van de Allerhoogste plaats, en word niet boos. 18 De vrees voor de Heere is een begin van de aanneming, en de wijsheid die van hem komt verkrijgt liefde; kennis van de geboden van Heere is onderwijzing van het leven, en die doen wat Hem behagelijk is, zullen de boom van de onsterfelijkheid tot vrucht genieten. 19 De vrees voor Heere komende, is de hele wijsheid, en in alle wijsheid is de onderhouding van de wet, en kennis van zijn almogendheid. Een huisknecht zeggende tot zijn heer: Zoals het u behaagt zal ik niet doen, als hij het daarna doet, vertoornt degene, die hem voedt. 20 De wetenschap van de boosheid is geen wijsheid, en daar is geen kloekheid waar de raad van de zondaren is. 21 Daar is boosheid en die is een gruwel, en daar is een onverstandige, die het aan wijsheid ontbreekt. 22 Die het aan verstand ontbreekt, en bevreesd is, die is beter dan degene, die overvloedig is in kloekheid, en de wet van de Allerhoogste overtreedt. 23 Daar is een vlijtige sluwheid, en ze is onrechtvaardig, en menigeen is er die de genade verandert, om het recht te doen blijken, en menigeen is er die rechtvaardig oordeelt, en die is wijs. 24 Menigeen is er die boosheid doet, gaande gebukt in zwarte kleren, en het binnenste van hem is vol van vurig bedrog. 25 Hij bukt het aangezicht, en maakt de dove; als u hem niet bemerkt, zal hij u voorkomen om kwaad te doen. 26 En als hij bij gebrek van sterkte verhinderd wordt te zondigen, zo zal hij toch kwaad doen als hij gelegener tijd vindt. 27 Een mens wordt aan het gezicht gekend, en een verstandige wordt aan de ontmoeting van zijn aangezicht gekend. 28 De kleding van de man, en het lachen van de tanden, en de gang van de mensen, verkondigen wat hij voor een is. 29 Daar is een bestraffing die ontijdig is, en daar is een die zwijgt, en hij is wijs. ### Jezus Sirach 20 1 HOE veel beter is het te bestraffen dan in het geheim gram te zijn; en wie zijn zonde bekent, die zal voor schade bewaard worden. 2 Zoals de lust van een gesnedene is om een meisje te onteren, zo is hij die geweld oefent in het gericht. 3 Menigeen is er die zwijgende wijs wordt bevonden, en menigeen is er die gehaat wordt vanwege zijn veel klappen 4 Menigeen is er die zwijgt, want hij heeft niet te antwoorden, en menigeen is er die zwijgt, wetende de gelegen tijd. 5 Een wijs mens zal zwijgen totdat het gelegen tijd is, maar een pocher en onwijze gaat de gelegen tijd voorbij. 6 Die te veel woorden heeft, van die heeft men een gruwel, en die zichzelf te veel macht aanneemt, wordt gehaat. 7 Hoe fraai is het, dat degene die bestraft is geworden, boetvaardigheid bewijst? want zo zal hij de vrijwillige zonden vluchten. 8 De zondaar heeft een welbehagen in boze dingen, en menige vond strekt tot schade. 9 Daar is menige gave die u niet bevorderlijk zal zijn, en daar is menige gave die tweevoudige vergelding heeft. 10 Menigeen is er die vernederd wordt uit oorzaak van de pracht; en menigeen is er die uit de vernedering het hoofd opheft. 11 Menigeen is er die veel voor weinig geld koopt, en betaalt het zevenvoudig. 12 De wijze zal zichzelf met woorden lieftallig maken, maar de aangenaamheid van de dwazen zal uitgestort worden. 13 De gave van een onwijze zal u, die ze ontvangen hebt niet bevorderlijk zijn, en evenzo ook van een nijdige, vanwege zijn behoeftigheid, want zijn ogen zien, om voor een veel te ontvangen. 14 Weinig zal hij geven, en veel verwijten, en zal zijn mond open doen als een uitroeper. 15 Vandaag zal hij u lenen, en morgen wedereisen; zo iemand is van Heere en van de mensen gehaat. 16 Een dwaas zal zeggen: Ik heb geen vriend; ik heb geen dank voor mijn weldaden; die mijn brood eten spreken kwalijk van mij. 17 Hoe dikwijls, en hoe velen zullen hem bespotten! want hij heeft het bezit van zijn goederen met geen rechte kennis ontvangen, en het ontberen daarvan is hem evenzo evenveel. 18 Het is beter op een vloer te vallen dan door een tong; zo zal de val van de kwade mensen haastig komen. 19 Een onaangenaam mens is als een ontijdige klucht, in de mond van de ongeschikten zal hij steeds zijn. 20 Een spreuk komende uit de mond van een dwaas zal verworpen worden, want hij spreekt die niet op de juiste tijd. 21 Menigeen wordt gehinderd te zondigen vanwege gebrek, en wordt in zijn rust niet doorprikkeld. 22 Menigeen verliest zijn leven door schaamte, en verliest het omdat hij de persoon aanneemt. 23 Menigeen belooft zijn vriend uit schaamte, en krijgt hem tot een vijand zonder oorzaak. 24 De leugen is een lelijke schandvlek in een mens, en in de mond van de ongeschikten is zij steeds. 25 Een dief is te kiezen voor een die steeds liegt, maar beiden zullen zij de verderfenis beërven. 26 De manieren van een leugenachtig mens zijn hem een oneer, en zijn schande is steeds bij hem. 27 Een wijze bevordert zichzelf door woorden, en een voorzichtig mens behaagt de groten. 28 Die zijn land bouwt, verhoogt zijn hoop, en die de groten behaagt, verzoent zijn misdaad. 29 Gaven en geschenken verblinden de ogen van de wijzen, en zoals een toom in de mond, keren zij de bestraffingen af. 30 Wijsheid die verborgen is, en een schat die niet bekend is, wat nut is in beide? 31 Een mens die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens die zijn wijsheid verbergt; beter is een onvermijdelijke verdraagzaamheid in degene, die Heere zoekt, dan zonder Heere een bestuurder te zijn van zijn eigen leven. ### Jezus Sirach 21 1 MIJN kind, hebt u gezondigd, doe daar geen zonde meer bij, en bid de vorige af. 2 Vlucht voor de zonde zoals voor een slang, want als u tot haar naakt, zo zal zij u steken. 3 Haar tanden zijn leeuwentanden, en doden de zielen van de mensen. 4 Alle ongerechtigheid is zoals een tweesnijdend zwaard, en geen genezing is er voor haar wonde. 5 Slagen en smaad verwoesten rijkdom; zo zal het huis van de hoogmoedigen verwoest worden. 6 De smeking van de arme gaat uit de mond tot aan zijn oren, en zijn oordeel komt haastig. 7 Wie bestraffing haat, die staat in de voetstappen van de zondaar, en wie Heere vreest, die bekeert zich van harte. 8 Wie machtig is met de tong, die is van verre bekend, maar een verstandige merkt wel wanneer hij struikelt. 9 Wie zijn huis met geld van andere mensen bouwt, die is zoals een die voor zichzelf stenen verzamelt tot een tombe op zijn graf. 10 De vergadering van de goddelozen is zoals werk dat bijeen verzameld is, en haar voleinding is een vlam van vuur tot verderf. 11 De weg van de zondaar is van stenen geëffend, maar aan het uiterste daarvan is de gracht van het dodenrijk. 12 Wie de wet van Heere bewaart, die heerst over zijn gedachten. 13 Maar de voleinding van de vrees voor de Heere is de aanneming van de wijsheid. 14 Wie niet kloek is, die zal niet onderwezen worden, hoewel er een kloekheid is die bitterheid vermeerdert. 15 De kennis van een wijze zal vermeerderd worden als een watervloed, en zijn raad zoals een zuivere fontein van het leven. 16 Het binnenste van de dwaas is zoals een gebroken kruik, het zal geen kennis vatten, zo lang hij leeft. 17 Als de verstandige een wijs woord hoort, zo prijst hij dat, en doet daar nog toe. 18 Heeft het een onverstandige gehoord, zo mishaagt het hem, en hij werpt het achter zijn rug. 19 De vertelling van een dwaas is zoals een last op de weg, maar op de lippen van de verstandige wordt aangenaamheid gevonden. 20 De mond van de voorzichtige wordt in de gemeente gezocht, en elk overdenkt zijn woorden in zijn hart. 21 Zoals een huis dat vergaan is, zo is de vrijheid van de dwaas, en de kennis van de onverstandige niets anders dan woorden, die men niet onderzoeken kan. 22 De tucht is de onwetende als boeien aan de voeten, en als duimijzers aan de rechterhand. 23 Een dwaas verheft zijn stem in het lachen, maar een kloek man zal nauwelijks stilletjes lachen. 24 De tucht is de voorzichtige man zoals een gulden versiersel, en zoals een armband aan de rechterarm. 25 De voet van de dwaas is haastig tot een huis in te gaan, maar een mens, die veel ervaren heeft, wordt daarvan beschaamd. 26 De onwijze zal over de deur in het huis kijken, maar een man die wel opgevoed is, zal buiten blijven staan. 27 Het is een ongeschiktheid van de mens te luisteren aan de deur, maar een voorzichtige bezwaart zich over deze oneer. 28 De lippen van de veelsprekers verhalen dingen die hun niet aangaan, maar de woorden van de voorzichtigen zijn op de waag gewogen. 29 Het hart van de dwazen is in hun mond, maar de mond van de wijzen is in hun hart. 30 Wanneer een goddeloze de Satan vervloekt, zo vervloekt hij zijn eigen ziel. 31 Een oorblazer besmet zijn eigen ziel, en waar hij ook zou mogen gaan wonen, daar zal hij gehaat worden. ### Jezus Sirach 22 1 DE luiaard is te vergelijken bij een beslijkte steen, en een ieder schuift hem weg om zijn oneer. 2 Een luie is zoals koeienmest op de mesthoop; wie hem opneemt, schudt de hand af. 3 Het is de schande van de vader wanneer hij een ongeschikte zoon gewonnen heeft, en zulk een dochter wordt hem tot verkleining. 4 Een voorzichtige dochter zal erfgenaam zijn van haar man, maar een die beschaamd maakt, is tot verdriet van degene die haar gegenereerd heeft. 5 Een stoute dochter maakt vader en man beschaamd, en van beiden zal zij ongeëerd blijven. 6 Een ontijdig verhaal is zoals muziek in rouw, maar geselen en tuchtiging op de juiste tijd is een werk van wijsheid. 7 Kinderen, die in een goed leven worden opgevoed, verbergen de slechte afkomst van hun ouders; kinderen die in verachting en ongeschiktheid zich beroemen, die bevlekken de edele afkomst van hun geslacht. 8 Wie een dwaas leert, die lijmt scherven aaneen, en wekt de slapende uit een diepe slaap. 9 Wie een dwaas wat vertelt, die vertelt het een sluimerende, en in het einde zal hij zeggen: Wat is het? 10 Ween over een dode, want het licht heeft hem begeven. Beween ook een dwaas, want het verstand heeft hem begeven. 11 Ween over een dode zachter, omdat hij rust. 12 Want het leven van een dwaas is boven de dood. 13 De rouw over een dode duurt zeven dagen, maar over een dwaas en goddeloze al de dagen van zijn leven. 14 Spreek niet lang met een onwijze, en ga niet tot een onverstandige, want ongevoelig zijnde zal hij al uw dingen voor niets achten. 15 Hoed u voor hem, opdat u geen moeite hebt, en niet bezoedeld wordt, als hij zijn vuilheid uitschudt. 16 Wijk van hem, en u zult rust vinden, en u zult niet verluieren in zijn zinneloosheid. 17 Wat is er zwaarder dan lood, en wat naam zal hij hebben anders dan lood. 18 Zand en zout en een klomp ijzer zijn lichter om te dragen, dan een onverstandig mens. 19 Zoals een houten band, vast ingebonden in een gebouw, niet los gaat door een schudding, zo wordt een hart steunende op welbedachte raad, nimmer door vrees bevangen. 20 Een hart dat op verstandige gedachten gevestigd is, is zoals een versierd pleisterwerk aan de muur van een pand. 21 Palen omhoog gezet tegen de wind, kunnen niet blijven, 22 Zo kan een bevreesd hart in de gedachte van de dwaas tegen geen vrees bestaan. 23 Wie in een oog steekt, brengt daar tranen uit, en die in het hart steekt brengt het gevoelen te voorschijn. 24 Wie een steen onder de vogels werpt, die jaagt ze weg, en wie zijn vriend scheldt, die maakt de vriendschap los. 25 Als u het zwaard getrokken hebt tegen uw vriend, zo wanhoop niet, want daar is wederkering. 26 Als u de mond tegen uw vriend opengedaan hebt, zo vrees niet, want daar is verzoening, behalve in versmading en trots, en openbaring van wat verborgen is, en bedriegelijke verwonding, want om deze dingen vlucht ieder vriend weg. 27 Bewijs trouw tegenover uw naaste in zijn armoede; opdat u zich verheugen mag als het hem wèl gaat. 28 In de tijd van de verdrukking blijf bij hem, opdat u zijn erfdeel mag erven, want de geringe staat is niet altijd te verachten, noch de rijke, die geen verstand heeft, in waarde te houden. 29 Zoals de damp van de oven en de rook gaan voor het vuur, zo gaan scheldwoorden voor de doodslag. 30 Een vriend te beschermen zal ik mij niet schamen, en voor zijn aangezicht zal ik mij niet verbergen, zelfs zo mij iets kwaads overkomt om zijnentwil, een ieder die het hoort zal zich voor hem wachten. 31 Wie zal mij een wacht aan mijn mond stellen, en een scherpzinnig zegel op mijn lippen, opdat ik niet plotseling valse vanwege mijn tong, en zij mij niet verderve? ### Jezus Sirach 23 1 O Heere, Vader en Heerser van het hele leven, verlaat mij niet in hun raad, en laat mij niet vallen onder hen. 2 Wie zal geselen bestellen over mijn gedachte, en een onderrichting van de wijsheid in mijn hart? opdat U Heere mijn onwetendheden niet ontziet, en de moedwil van de openbare zondaren niet voorbijgaat; 3 Opdat mijn onwetendheden niet vermenigvuldigd worden, en mijn zonden niet vermeerderen tot verplettering, en ik niet valle voor degenen die mij tegen zijn, en mijn vijand over mij verblijd wordt, waarvan de hoop van Uw barmhartigheid verre is. 4 O Heere, Vader en God van mijn leven, geef mij geen verheffing van de ogen, en wend een stout gemoed altijd van Uw knechten af. 5 Weer van mij af ijdele hoop en begeerte, en behoud hem die U altijd wil dienen; laat mij de begeerte van de buik, en de bijslaap niet innemen, en geef mij, Uw knecht, niet over aan een onbeschaamd gemoed. 6 Hoor, mijn kinderen, de onderwijzing van een waarachtige mond, en wie zij bewaart, die zal in zijn lippen niet gevangen worden. 7 De zondaar zal in zijn onvoorzichtigheid gevat worden, en een schimper en hoogmoedige zullen zich daaraan stoten. 8 Gewen uw mond niet tot zweren, en gewen u niet de heilige te noemen. 9 Want zoals een huisknecht, die steeds met geselen onderzocht wordt, geen gebrek heeft van striemen, zo wordt die zweert en doorgaans de heilige noemt, van de zonde niet gereinigd. 10 Een man die veel zweert, is vol ongerechtigheid, en de gesel zal van zijn huis niet wijken. 11 Als hij mishandelt, zijn zonde is op hem, en als hij het niet acht, zo zondigt hij dubbel. 12 En zo hij ijdel gezworen heeft, hij zal niet gerechtvaardigd worden, want zijn huis zal vervuld worden met aangehaalde straffen. 13 Het is een wijze van spreken rondom met de dood bekleed; laat die niet gevonden worden in het erfdeel van Jakob. 14 Want al deze dingen zullen verre zijn van de godvrezende, en zij zullen in de zonden niet ingewikkeld worden. 15 Gewen uw mond niet tot onmatig eedzweren, want daarin is schuld van de zonde. 16 Gedenk aan uw vader en moeder; want in het midden van de groten zult u bijzitten. 17 Dat u niet te eniger tijd bij hen wordt vergeten, en door uw gewone omgang verwelkt, en u zou willen dat u niet geboren was geweest, en zou de dag van uw geboorte vervloeken. 18 Een mens die gewend is tot scheldwoorden, die zal al de dagen van zijn leven niet onderwezen worden. 19 Tweeërlei soort van mensen vermenigvuldigen de zonden, en de derde brengt de toorn mee. 20 Een hittige ziel is zoals een brandend vuur; het wordt niet uitgeblust tot het verslonden is. 21 Een ontuchtpleger, die met het lichaam van zijn vlees hoererij bedrijft, rust niet voordat hij een vuur ontstoken heeft. 22 Een ontuchtpleger is allerlei brood zoet; hij zal niet aflaten voordat hij zijn einde neemt. 23 Een mens die aftreedt van zijn bed, zegt bij zichzelf: Wie ziet mij? 24 Duisternis is rondom mij, en de muren bedekken mij, en niemand ziet mij, wat vrees ik? De Allerhoogste zal aan mijn zonden niet gedenken, en de ogen van de mensen zijn alleen zijn vrees; 25 En hij verstaat niet, dat de ogen van de Allerhoogste Heere tienduizend maal klaarder zijn dan de zon. 26 Die zien op alle wegen van de mensen, en merken op de verborgen delen. 27 Eer alle dingen geschapen waren, is hem alles bekend geweest; zo ook, nadat ze zijn voltooid, doorziet hij ze alle. 28 Deze zal op de straten van de stad gewroken worden, en gegrepen worden waar hij het niet heeft gemeend. 29 Evenzo ook een vrouw, die haar man verlaat, en een erfenis van een ander bekomt. 30 Want allereerst is zij de wet van de Allerhoogste ongehoorzaam geweest, en ten tweede heeft zij kwalijk gehandeld tegenover haar man, en ten derde heeft zij in hoererij overspel bedreven, en uit een andere man kinderen voortgebracht. 31 Deze zal in de gemeente uitgestoten worden, en over haar kinderen zal onderzoeking gebeuren. 32 Haar zonen zullen geen wortel uitspreiden, en de takken van haar zullen geen vrucht dragen. 33 Haar herinnering zal zij tot een vervloeking nalaten, en haar versmaadheid zal niet uitgewist worden. 34 En de nagelatenen zullen bekennen, dat er niets beter is dan de vrees voor de Heere, en niets zoeter dan dat iemand acht neemt op de geboden van God. 35 Het is een grote heerlijkheid God te volgen, en een lang leven, dat u van Hem aangenomen wordt. ### Jezus Sirach 24 1 DE wijsheid prijst zichzelf, en in het midden van haar volk beroemt zij zich. 2 Zij doet haar mond open in de gemeente van de Allerhoogste, en beroemt zich in aanwezigheid van zijn kracht, zeggende: 3 Ik ben van de mond van de Allerhoogste uitgegaan, en zoals een nevel heb ik de aarde bedekt. 4 Ik heb mijn tent in de hoogste plaatsen opgeslagen, en mijn troon in een wolkkolom. 5 Ik alleen heb de rondte van de hemel omgegaan, en heb in de diepte van de afgronden gewandeld. 6 In de golven van de zee, en op de hele aarde, en bij alle volken en natiën heb ik bezittingen. 7 Bij deze allen heb ik rust gezocht, om in iemands erfenis te huis te zijn. 8 Toen beval mij de schepper van alle dingen, en die mij geschapen heeft, deed mijn tent rusten, en zei: 9 In Jakob zult u uw tent opslaan, en te Jeruzalem zult u erfgenaam zijn. 10 Vóór de wereld, van de beginne heeft hij mij geschapen, en tot in eeuwigheid neem ik niet af; in een heilige tabernakel heb ik in zijn aanwezigheid gediend; 11 En zo ben ik in Sion bevestigd. In een geheiligde stad heeft hij mij ook doen rusten, en in Jeruzalem is mijn macht. 12 En ben ingeworteld in een verheerlijkt volk, in het deel van Heere, dat is zijn erfdeel. 13 Ik ben verhoogd geworden als een cederboom op Libanon, en zoals een cypresseboom op de bergen van Hermon. 14 Ik ben verhoogd geworden zoals een dadelboom te Engedi, en zoals een rozeboom te Jericho. 15 Zoals een schone olijfboom in een fraai veld, en zoals de boom Platanus ben ik uit het water verhoogd. 16 Ik heb een goede reuk van mij gegeven, zoals kaneel en zoals een reukbal, en zoals uitgelezen mirre. 17 Zoals Galbanum, en Onyx, en Stacte, en zoals de damp van de wierook in de tabernakel. 18 Ik heb mijn takken uitgestrekt zoals een terpentijnboom, en mijn takken zijn heerlijk en aangenaam. 19 Ik heb, zoals een wijnstok uitspruitende, een goede reuk voortgebracht, en mijn bloemen zijn een vrucht van de heerlijkheid en van de rijkdom. 20 Ik ben een moeder van de schone liefde, en van de vrees, en van de kennis, en van de heilige hoop; 21 En geef met al mijn kinderen deze eeuwigblijvende dingen, namelijk die mij van hem toegezegd worden. 22 Kom herwaarts tot mij, u die mij begeert, en verzadigt u van mijn gewas. 23 Want mijn herinnering is zoeter dan honing, en mijn erfenis dan honigraat. 24 Die mij eten, zullen niet hongeren, en die mij drinken, zullen niet dorsten. 25 Die naar mij luistert zal nimmermeer beschaamd worden, en die naar mij arbeiden zullen niet zondigen. 26 Al deze dingen leert het boek van het verbond van God de Allerhoogste, de wet, die Mozes bevolen heeft tot een erfdeel in de vergaderingen van Jakob, zeggende: Bezwijkt niet, maar wees sterk in Heere, opdat Hij u krachtig make; kleeft Hem aan; de Almachtige Heere is alleen God, en daar is geen Zaligmaker naast Hem. 27 Hij vervult alle dingen met zijn wijsheid, zoals de Pison, en zoals de Tigris in de dagen van de nieuwe vruchten. 28 Die vervult het verstand zoals de Eufraat, en zoals de Jordaan in de dagen van de oogst. 29 Die de leer van de kennis doet uitschijnen zoals een licht, en zoals de Gihon in de tijd wanneer men de druiven leest. 30 De eerste heeft haar niet volkomen gekend, en zo heeft de laatste haar niet uitgespeurd. 31 Want meer dan de zee zijn haar gedachten vermenigvuldigd, en haar raad dan een grote afgrond. 32 Ik, de Wijsheid, ben zoals een gedolven gracht van een rivier; 33 En zoals een waterloop ben ik uitgegaan in het paradijs. 34 Ik heb gezegd: Ik zal mijn beste hof wateren, en mijn oprechte tuinbeddeken begieten. 35 En ziet de gedolven gracht is mij geworden tot een rivier, en mijn rivier is geworden tot een zee. 36 Want ik doe de onderwijzing lichten als de dageraad, en doe ze schijnen tot in verre landen. 37 Want ik giet onderwijzing uit zoals een profetie, en laat ze na tot eeuwige geslachten. 38 Zie u dan, dat ik niet voor mij alleen heb gewerkt, maar voor al degenen die ze zoeken. ### Jezus Sirach 25 1 DOOR drie dingen word ik schoon, en sta schoon voor Heere, ja voor Heere en de mensen. 2 Door eendracht van de broers en vriendschap van de naaste, en wanneer man en vrouw zich samen verdragen. 3 Drieërlei soort van mensen haat mijn ziel, en op hun leven ben ik zeer verstoord: 4 Namelijk een arme, die hoogmoedig is, en een rijke, die een leugenaar is, en een oude die een overspeler is, en aan verstand afgenomen heeft. 5 In uw jeugd hebt u niet verzameld, en hoe zou u wat vinden in uw ouderdom? 6 Wat een schone zaak is het dat grijze haar zitten om te oordelen, en dat oude mannen kennis hebben tot raad? 7 Hoe schoon staat de oude wijsheid, en degenen die verheerlijkt zijn, bedachtzaamheid en raad! 8 Grote ervarenheid is een kroon van de ouden, en hun roem is de vrees voor de Heere. 9 Aan negen dingen heb ik gedacht, en ze zalig geprezen in mijn hart, en het tiende zal ik met mijn tong zeggen: 10 Een mens die verheugd wordt aan zijn kinderen, terwijl hij nog leeft, en die de val van zijn vijanden ziet. 11 Hij is zalig die bij een verstandige vrouw woont, en die met de tong niet struikelt, en die niet dient degene, die hem niet waard is. 12 Hij is zalig die kloekheid gevonden heeft, en ze verhaalt in de oren van de toehoorders. 13 Hoe groot is hij die wijsheid vindt! maar hij is niet boven degene, die Heere vreest. 14 Maar de liefde van Heere overtreft alles, tot verlichting. 15 Wie ze houdt, bij wie zal hij vergeleken worden? 16 De vrees voor de Heere is het begin van zijn liefde, maar het geloof het begin van zijn aankleving. 17 Alle plaag is te verdragen, maar niet de plaag van het hart, en alle boosheid, maar niet de boosheid van een vrouw; 18 Alle inval, maar niet de inval van degenen die haten, en alle wraak, maar niet de wraak van de vijanden. 19 Daar is geen hoofd boven het hoofd van de slang, en daar is geen toorn boven de toorn van de vijand. 20 Ik heb liever te wonen bij een leeuw en draak, dan te wonen bij een slechte vrouw. 21 De boosheid van een vrouw verandert haar aangezicht, en verdonkert haar aangezicht, dat zij ziet zoals een beer. 22 In het midden van zijn naasten zal haar man aanzitten en zal ongaarne zuchten om harentwil. 23 Alle boosheid is klein tegen de boosheid van een vrouw; en het lot van de zondaar valle haar toe. 24 Zoals een zandachtige opgang voor de voeten van een oud man, zo is een praatzieke vrouw voor een stil man. 25 Geef u niet over aan de schoonheid van een vrouw, en begeer geen vrouw tot hartstocht. 26 Toorn en onbeschaamdheid en grote schande is bij een vrouw, als zij haar man toereikt dat hij nodig heeft. 27 Een slechte vrouw veroorzaakt een neergebogen hart, en een droevig aangezicht, en een harteplaag. 28 Die haar man niet troost in zijn benauwdheid, die maakt trage handen en slappe knieën. 29 Van de vrouw is het begin van de zonde, en om harentwil sterven wij allen. 30 Geef het water geen doortocht, noch de slechte vrouw vrijheid om uit te gaan. 31 Gaat zij niet naar uw hand, zo snijd haar af van uw vlees, geef een scheidbrief en laat haar gaan. ### Jezus Sirach 26 1 GELUKKIG is de man, die een goede vrouw heeft; het getal van zijn dagen wordt dubbel. 2 Een kloeke vrouw verheugt haar man, en vervult de jaren van zijn leven met vrede. 3 Een goede vrouw is een goed erfdeel, en wordt tot een deel gegeven degenen, die Heere vrezen. 4 En het hart van zo'n man is goed tot Heere, hetzij dat hij rijk of arm is, altijd heeft hij een vrolijk aangezicht en is blijmoedig. 5 Drie dingen ontziet mijn hart, en voor het vierde word ik in mijn aangezicht bevreesd: 6 De lastering van een stad, en de vergadering van het volk, en leugen tegen iemand opgemaakt, al deze zijn zwaarder dan de dood. 7 Maar een vrouw die op een andere vrouw jaloers is, en met de tong geselt, en bij allen overbrengt, die is een hartzeer en verdriet. 8 Een slechte vrouw is zoals een juk ossen dat ginds en weer bewogen wordt; wie ze neemt, is zoals degene, die een schorpioen aangrijpt. 9 Een dronken vrouw, en die ginds en weer loopt veroorzaakt grote toorn, en kan haar schande niet bedekken. 10 De hoererij van een vrouw wordt bekend aan de verheffingen van de ogen en aan haar wenkbrauwen. 11 Bewaar een onbeschaamde dochter zeer nauw, opdat zij niet, wanneer zij ruimte vindt, deze voor zich gebruikt. 12 Neem acht op haar onbeschaamd oog, en verwonder u niet, als zij verkeerd tegen u zou handelen. 13 Zoals een reizende man dorstende, de mond opent als hij een fontein vindt, en van alle water dat nabij is drinkt, zo zal zij zich tegenover elke paal neerzetten en de pijlkoker voor de pijl opendoen. 14 De aantrekkingskracht van de vrouw vermaakt haar man, en haar wetenschap maakt zijn benen vet. 15 Een vrouw die weinig spreekt, en van een goed gemoed is, is een gave van Heere, en daar is niets waartegen men een wel onderwezen ziel verwisselen kan. 16 Een schaamachtige en getrouwe vrouw, is genade op genade, en daar is geen ding van zulk gewicht dat waard is haar reine ziel. 17 Zoals de zon opgaande in de hoogste plaatsen van Heere, zo is ook de schoonheid van een goede vrouw in het sieraad van haar huis. 18 Zoals het licht op de heilige kandelaar glinstert, zo is ook de schoonheid van haar aangezicht in de staande ouderdom. 19 Zoals gouden pilaren op zilveren voetstukken, zo zijn ook haar schone voeten aan een vaste borst. 20 Mijn kind, bewaar de beste kracht van uw leven in gezondheid, en geef de vreemde uw sterkte niet. 21 Als u uit alle velden een vruchtbaar deel zult uitgezocht hebben, zo zaai uw eigen zaad, vertrouwende op uw edel geslacht. 22 Zo zullen uw vruchten overblijvende, en vrijmoedigheid van het edele geslacht hebbende, groot worden. 23 Een vrouw die loon neemt, wordt een mestvarken gelijk geacht, maar die een man heeft, zal een toren van de dood geacht worden, degenen die haar gebruiken. 24 Een goddeloze vrouw zal de onrechtvaardige tot een deel gegeven worden, maar een godvrezende vrouw wordt gegeven hem, die Heere vreest. 25 Een schandelijke vrouw wrijft haar man oneer aan; maar een eerbare dochter zal ook de man ontzien. 26 Een onbeschaamde vrouw zal geacht worden als een hond, maar die schaamte heeft, zal Heere vrezen. 27 Een vrouw, die haar eigen man eert, zal door allen voor wijs gehouden worden, maar die de man onteert, zal van allen gekend worden, dat zij door trots goddeloos is. 28 Gelukzalig is de man die een goede vrouw heeft, want het getal van zijn jaren zal dubbel zijn. 29 Een vrouw die groot getier maakt, en de tong dapper weet te roeren, zal beschouwd worden als bekwaam tot afwering van de vijanden; en de ziel van ieder mens die haar in zeden gelijk is, zal zijn leven in de oproeren van de oorlog doorbrengen. 30 Over twee dingen is mijn hart bedroefd geworden, en over het derde is mij toorn aangekomen: 31 Als een soldaat ten laatste armoe gaat lijden; en als verstandige mannen als mest geacht worden; 32 Als iemand van de gerechtigheid terugkeert tot zonde; Heere zal hem tot het zwaard bereiden. 33 Een koopman is nauwelijks vrij van mishandeling; en een waard zal niet gerechtvaardigd worden van zonde. ### Jezus Sirach 27 1 VELEN hebben gezondigd om een middelmatige zaak, en die zoekt zijn goed te vermeerderen, zal zijn oog afwenden. 2 Zoals een nagel tussen de voegen van de stenen vastgestoken wordt, zo ook zal de zonde tussen verkopen en kopen worden gewreven. 3 Als iemand zich niet ijverig aan de vrees voor de Heere houdt, zo zal zijn huis haastig omgekeerd worden. 4 Als men een zeef schudt, zo blijft de vuiligheid daarin; zo blijft de vuiligheid van de mens in zijn uitspraak. 5 De oven proeft de voorwerpen van de pottenbakker, maar de mens wordt beproefd in zijn samenspreking. 6 Zoals de vrucht van de boom doet blijken hoe men die heeft verpleegd, zo doet ook de uitspraak van de gedachten blijken wat in het hart van de mens is. 7 Prijs niemand voordat hij spreekt, want hieraan worden de mensen beproefd. 8 Als u wat recht is nastreeft, zo zult u het achterhalen, en zult het aantrekken als een lange heerlijke tabberd. 9 Het gevogelte nestelt bij zijn gelijken, en de waarheid komt weer tot degenen, die haar betrachten. 10 Een leeuw loert op de jacht, zo loert de zonde op degenen, die boosheid werken. 11 Het verhaal van de godvrezende is altijd wijs, maar de dwaas verandert zoals de maan. 12 Neem onder de onverstandigen de tijd waar, maar houd u steeds onder de bedachtzamen. 13 Het verhaal van de zotten is verdriet, en hun lachen bestaat in dartelheid van de zonde. 14 De spraak van degene die veel zweert, doet de haar overeind staan, en hun strijd maakt dat men de oren toestoppen moet. 15 De twist van de hoogmoedigen brengt bloedvergieting, en hun schelden is moeilijk om te horen. 16 Wie geheime dingen openbaart, die verliest zijn geloof, en zal geen vriend vinden naar zijn hart. 17 Heb uw vriend hartelijk lief en wees hem getrouw. 18 Maar als u zijn geheime zaken zou geopenbaard hebben, zo volg hem niet na. 19 Want zoals een mens zijn vijand verliest, zo heeft hij zijn naaste verloren. 20 En zoals alsof u een vogel uit uw hand losgelaten had, zo hebt u uw naaste verlaten, en zult hem niet weer vangen. 21 Volg hem niet, want hij is ver van u weg, en is het ontvlucht zoals een ree uit de strik. 22 Want een wond kan men verbinden, en voor een scheldwoord is verzoening, maar die geheime zaken openbaart, heeft zijn geloof verloren. 23 Wie met het oog wenkt, die smeedt boze dingen, en wie die kent zal van hem afwijken. 24 Voor uw ogen zal zijn mond zoet spreken, en hij zal zich over uw woorden verwonderen, maar daarna zal hij anders spreken, en maken dat in uw woorden aanstoot is. 25 Ik haat zulk een zeer, en vergelijk niemand bij hem, en Heere zal hem haten. 26 Wie een steen in de hoogte werpt, die werpt hem op zijn eigen hoofd; zo maakt ook een bedriegelijke slag de wond wijd. 27 Wie een kuil graaft, die zal daarin vallen, en die een strik voor anderen legt, zal daarmee gevangen worden. 28 Wie kwaad doet, bij die zal dat kwaad herberg nemen, en hij zal niet weten vanwaar het hem komt. 29 De hoogmoedigen bespotten en verwijten, en de wraak loert op hen zoals een leeuw. 30 Die zich verheugen in de val van de godvrezenden zullen in een strik gevangen worden, en smart zal hen verteren voor hun dood; haat en toorn en dergelijke zijn gruwelijke dingen, en een zondaar zal daarmee bevangen worden. ### Jezus Sirach 28 1 WIE zichzelf wreekt, die zal van Heere wraak vinden, en Hij zal zijn zonden zeker bewaren. 2 Vergeef uw naaste het onrecht dat hij u gedaan heeft, en wanneer u dan zult gebeden hebben, zullen u uw zonden vergeven worden. 3 De ene mens houdt tegen de andere mens toorn, en bij Heere zoekt hij genezing. 4 En hij heeft geen barmhartigheid over een mens die hem gelijk is, en bidt om zijn zonden. 5 Hij, vlees zijnde, behoudt vijandschap en wie zal zijn zonden verzoenen? 6 Gedenk aan uw uiterste, en houd op vijandschap te oefenen. 7 Pleeg geen vijandschap tegen uw naaste tot zijn verderf en dood, maar blijf in de geboden. 8 Gedenk aan de geboden, en oefen geen vijandschap tegen de naaste, en aan het verbond van de Allerhoogste, en overzie zijn onwetendheid. 9 Onthoud u van strijd, en u zult de zonden verminderen, want een boos mens ontsteekt de strijd. 10 Een zondaar ontroert vrienden, en onder degenen die vrede hebben, werpt hij laster in. 11 Hoe meer hout men in het vuur legt, hoe meer het brandt; hoe meer de ruzie wordt gesterkt, hoe meer het vuur toeneemt; hoe sterker de mens is, hoe sterker zijn toorn is; en hoe rijker de mens is, hoe meer hij zijn toorn verheft. 12 Een haastige twist ontsteekt het vuur, en een haastend gevecht vergiet bloed. 13 Als u in een vonk blaast, zo zal zij branden, maar als u daarop spuwt, zo zal zij uitgaan; en dit komt beide uit uw mond. 14 Vervloek een oorblazer, en een tweetongig mens want zij hebben velen verdorven, die in vrede leefden. 15 De dubbele tong heeft velen bewogen, en heeft hen van het ene volk in het andere verzet, 16 En heeft versterkte steden vernield, en huizen van de groten omgekeerd. 17 De dubbele tong heeft mannelijke vrouwen verdreven, en heeft haar beroofd van haar arbeid. 18 Wie naar haar luistert, die zal geen rust vinden, noch met stilheid wonen. 19 De slag van de gesel maakt striemen, maar de slag van de tong vermorzelt het gebeente. 20 Velen zijn gevallen door de scherpte van het zwaard, maar niet zo velen als er gevallen zijn door de tong. 21 Zalig is hij die voor haar beschermd is, die door haar toorn niet is gegaan; 22 Die haar juk niet getrokken heeft, en met haar banden niet is gebonden geweest. 23 Want haar juk is een ijzeren juk, en haar banden zijn metalen banden. 24 Haar dood is een boze dood, en het graf is nuttiger dan zij. 25 Zij zal over de godvrezenden geheel geen macht hebben, en door haar vlam zullen zij niet verbranden. 26 Die Heere verlaten, zullen in haar vallen en in hen zal zij worden ontstoken, en niet uitgeblust worden; 27 Zij zal over hen gezonden worden als een leeuw, en zoals een luipaard zal zij ze verwoesten. 28 Zie toe, omtuin wat u bezit met doornen, en maak voor uw mond deuren en grendels. 29 Bind uw goud en uw zilver samen, en maak voor uw woorden een weegschaal, en voor uw mond een deur en grendel. 30 Neem acht dat u niet enigszins daarin struikelt, opdat u niet valt in aanwezigheid van degene, die op u loert. ### Jezus Sirach 29 1 WIE barmhartigheid oefent, die leent zijn naaste en wie hem sterkt met zijn hand, die houdt de geboden. 2 Leen uw naaste in de tijd van zijn behoefte, en opnieuw, geef het uw naaste weer te zijner tijd. 3 Bevestig uw woord en wees hem getrouw en u zult hem altijd uw behoefte vinden. 4 Velen menen dat het geleende als gevonden is, en doen degenen moeite aan, die hen geholpen hebben. 5 Zolang als hij ontvangt, kust hij zijn naastens handen, en om het geld van de naaste vernedert hij zijn stem. 6 Maar wanneer hij het behoort weer te geven, dan stelt hij de tijd uit, en geeft reden van zijn zorgeloosheid en wijt het de tijd. 7 En als hij het vermag te geven, zo zal hij nauwelijks de helft brengen, en zal het rekenen als gevonden. 8 Maar als niet, zo berooft hij hem van zijn geld, en maakt hem tot een vijand zonder oorzaak. 9 Hij betaalt hem met vloeken en scheldwoorden, en voor eer vergeldt hij hem oneer. 10 Velen dan vanwege zulke boosheid, wenden zich van de mens af, en vrezen dat zij van het hunne mochten beroofd worden. 11 Evenwel in de vernedering van uw naasten wees geduldig, en stel hem niet uit met uw liefdegave. 12 Neem u de arme aan vanwege het gebod, en keer u niet af van zijn behoeftigheid. 13 Verlies uw geld omwille van uw vriend en broer, en verberg dat niet onder een steen tot verderfenis. 14 Leg uw schat naar de geboden van de Allerhoogste, en hij zal u voordeliger zijn dan goud. 15 Sluit uw liefdegave in uw schatkamers, en ze zal u redden uit alle jammer. 16 Zij zal meer dan een sterk schild, en meer dan een harde speer, tegen uw vijand voor u strijden. 17 Een goed man zal voor zijn naaste borg worden, maar die de schaamte verloren heeft, zal hem verlaten. 18 Vergeet de weldaden niet van degene die voor u borg geworden is, want hij heeft zijn ziel voor u gesteld. 19 De zondaar keert een goede borgschap om. 20 De zondaar, wanneer men voor hem borg geworden is, zal vluchten, en een onnut mens zal in zijn gedachten verlaten degene, die hem verlost heeft. 21 Borgschap heeft er velen verdorven, die welgesteld waren, en heeft hen bewogen zoals een golf van de zee. 22 Machtige mannen heeft zij doen verhuizen, die onder vreemde volken zijn gaan dwalen. 23 Een zondaar overtredende de geboden van Heere zal in borgschap vervallen, en die aanneming van zware werken nastreeft, zal in het gericht vallen. 24 Neem u de naaste aan naar uw vermogen, en heb acht op uzelf dat u niet valt. 25 Het voornaamste van het leven van de mens is water en brood en een kleed, en een huis dat bedekt wat niet wel voegt. 26 Het leven van de arme onder een deksel van planken, is beter dan heerlijk voedsel onder de vreemden. 27 Heb een welbehagen zo wel aan het kleine als aan het grote, opdat u niet hoort het verwijt van uw huis. 28 Het is een ellendig leven uit het ene huis in het andere te vertrekken, want waar u bij wonen zult, daar zult u de mond niet durven opendoen. 29 U zult gasten hebben en de ondankbaren te drinken geven, en nog daartoe bittere woorden horen. 30 Namelijk, inwoner ga heen, bereid de tafel, en zo u wat hebt, voedsel mij. 31 Ga uit, inwoner, van dat heerlijk aangezicht, ik heb het huis nodig, mijn broer is bij mij geherbergd. 32 Deze dingen zijn zwaar voor een die verstand heeft. De bestraffing vanwege het huis, en het verwijt van die hem geleend heeft. ### Jezus Sirach 30 1 DIE zijn zoon liefheeft, die zal de roeden altijd aan hem bezigen, opdat hij eindelijk van hem verheugd wordt. 2 Wie zijn zoon tuchtigt, zal over hem verblijd worden, en in het midden van de beroemde mensen zal hij van hem roemen. 3 Wie zijn zoon leert, die zal zijn vijand tot jaloersheid verwekken en in aanwezigheid van de vrienden zal hij over hem vrolijk zijn. 4 Is zijn vader gestorven, zo is het alsof hij niet gestorven was, want hij heeft achter zich gelaten een die hem gelijk is. 5 In zijn leven zag hij hem, en was over hem verheugd, en in zijn dood was hij niet bedroefd. 6 Hij heeft een nagelaten, die zich aan de vijanden wreken zal, en de vrienden weer dankbaar zal zijn. 7 Wie zijn zoon afstrijkt, die verbindt zijn wonden, en op elk roepen worden zijn ingewanden ontroerd. 8 Een ongetemd paard wordt koppig, en een ongebonden zoon wordt moedwillig. 9 Streel uw kind, en het zal u verschrikken; speel met hem, en het zal u bedroeven. 10 Lach niet met hem, opdat u geen smart overkome, en u ten laatste op uw tanden bijt. 11 Geef hem geen macht in de jeugd, en overzie zijn onwetendheden niet. 12 Buig hem zijn hals in de jeugd, en breek zijn lendenen, terwijl hij nog een kind is, opdat hij niet te eniger tijd verhard zijnde, u ongehoorzaam, en uw ziel een smart zij. 13 Onderwijs uw zoon, en maak uw werk van hem, opdat u zich niet stoot aan zijn ongeregeldheid. 14 Een arme die gezond en sterk van lijf en leden is, die is beter dan een rijke die aan zijn lichaam geslagen is. 15 Gezondheid en welgesteld te zijn van lichaam, is beter dan al het goud, en een goed sterk lichaam dan onmetelijke rijkdom. 16 Daar is geen rijkdom beter dan gezondheid van het lichaam, en daar is geen vreugde boven blijdschap van het hart. 17 De dood is beter dan een bitter leven, of bijblijvende zwakheid. 18 Opgesloten goederen bij een gesloten mond zijn zoals spijsgerechten bij een graf gelegd. 19 Wat is het brandoffer voor de afgod nut? want hij eet niet, en hij ruikt niet; zo gaat het hem die door Heere vervolgd wordt. 20 Hij ziet de ogen, en zucht zoals een gesnedene, die een maagd omvat, en zucht. 21 Begeef uw ziel niet tot verdriet, en kwel uzelf niet door uw eigen raad. 22 Vreugde van het hart is het leven van de mens zelf, en vrolijkheid van de man verlengt hem zijn dagen. 23 Heb uw ziel lief, en troost uw hart, en stel verdriet verre van u. 24 Want het verdriet heeft er velen verdorven en gedood. 25 Afgunst en toorn verminderen de dagen, en zorgen brengen ouderdom voor de tijd. 26 Een lustig en goed hart is bezorgd over de spijzen, die hij eten zal. ### Jezus Sirach 31 1 HET waken vanwege de rijkdom doet het vlees verdwijnen, en daarover bezorgd zijn, vermindert de slaap. 2 Deze wakende bezorgdheid vereist sluimeren, maar de slaap ontnuchtert een zware ziekte. 3 De rijke bemoeit zich met veel geld te verzamelen, en wanneer hij rust heeft, vult hij zich op met zijn lekkernijen. 4 De arme bemoeit zichzelf als zijn leeftocht vermindert, en als hij rust wordt hij behoeftig. 5 Wie goud liefheeft die zal niet gerechtvaardigd worden; en wie zijn verderving nastreeft, deze zal daarvan verzadigd worden. 6 Velen zijn gebonden geworden vanwege het goud, en hun verderf is geweest voor hun ogen. 7 Het is een hout van de aanstoot voor degenen die het offeren, en alle onwijze wordt daardoor gevangen. 8 Zalig is de rijke, die onberispelijk gevonden wordt, en die naar het goud niet gaat. 9 Wie is deze? en wij zullen hem zalig prijzen; want hij heeft wonderlijke dingen gedaan onder zijn volk. 10 Wie is daardoor beproefd en volmaakt bevonden? en hij zal zijn tot een roem. Wie heeft kunnen overtreden, en heeft niet overtreden? en kwaad doen, en heeft het niet gedaan? 11 Daarom zullen zijn goederen bevestigd worden, en de gemeente zal zijn liefdegaven vertellen. 12 Als u aan een grote tafel zit, zo doe uw keel over deze niet wijd open; 13 En zeg niet: Daar is veel opgezet. 14 Gedenk dat een nijdig oog een kwaad ding is. 15 Is er wat bozer geschapen dan zulk een oog? daarom weent het vanwege alles wat het ziet. 16 Steek uw hand niet uit daar hij heenziet, en wrijf ze met hem niet in de schotel. 17 Meet bij uzelf af wat uw naaste behaagt, en let op alle dingen. 18 Eet zoals een mens van wat u voorgezet wordt, en wees niet vraatzuchtig, opdat u niet gehaat wordt. 19 Houd eerst op, omdat u onderwezen bent, en wees niet onverzadigbaar, opdat u niet te eniger tijd aanstoot geeft. 20 En zo u onder velen aanzit, steek uw hand niet eerder uit dan zij. 21 Hoe weinig is genoeg voor een mens die wel onderwezen is; en hij hijgt niet op zijn bed, hij heeft een gezonde slaap, met een matig binnenste, hij staat vroeg in de morgen weer op, en zijn vernuft is bij hem. 22 Moeilijk waken, en buikpijn, en pijn in de darmen, is bij een onverzadigbaar mens. 23 En zo u met kost overladen bent, sta op midden door heengaande; geef over, en u zult weer rust hebben. 24 Hoor mij, mijn kind, en veracht mij niet, en u zult ten laatste de waarheid van mijn woorden bevinden. 25 Wees in al uw werken wakker, en geen ziekte zal u ontmoeten. 26 Degene die heerlijk is in voedsel, zegenen de lippen, en de getuigenis van zijn heerlijkheid is getrouw. 27 Die karig is in voedsel, over die mort de stad, en de getuigenis van zijn karigheid is scherp. 28 Toon u geen man in de wijn, want de wijn heeft er velen in het verderf gebracht. 29 De oven beproeft wat door indompeling verstaald is, zo doet ook de wijn in het hart van de hoogmoedigen als zij dronken zijn. 30 De wijn is de mensen zoals het leven; als u deze matig drinkt. 31 Wat voor een leven heeft hij die het aan wijn ontbreekt? Want hij is geschapen om de mensen te verheugen. 32 De wijn maakt vrolijkheid van het hart en verheuging van de ziel, op de juiste tijd, en zoveel genoeg is gedronken. 33 Maar veel wijn gedronken veroorzaakt bitterheid van de ziel door twist en ongeval. 34 De dronkenschap van de onwijze vermeerdert zijn toorn tot aanstoot, vermindert sterkte, en brengt wonden. 35 Bestraf uw naaste niet in het wijngelag, en veracht hem niet in zijn verheuging. 36 En zeg hem geen verwijtend woord, en verdruk hem niet, wanneer hij u ontmoet. ### Jezus Sirach 32 1 HEBBEN zij u tot een overste gesteld, verhef u niet, maar wees bij hen als een van hen. 2 Bezorg hen, en zet u zo neer. 3 En doe al wat nodig is te doen, en als u zult geprezen zijn, zo rust, opdat u van hunnentwege verheugd bent, en om wel versierd te wezen een kroon mag ontvangen. 4 Spreek, u die oud bent, want dat past u, maar met ernstige wetenschap, en u zult het snarenspel verhinderen. 5 Waar men toeluistert, giet daar uw rede niet uit, en wees niet wijs buiten tijds. 6 De samenstemming van de muzikanten in een wijngelag is zoals een zegel van een karbonkel op een gulden sieraad. 7 Het gezang van de muzikanten bij zoete wijn, is als een zegel in een smaragd op een gulden stuk werk. 8 Spreek, jongeling, als het u nodig is, en dat nauwelijks, als u tweemaal gevraagd wordt. 9 Maak uw rede kort, zeg met weinig woorden veel; wees zoals een die verstaat en evenwel zwijgt. 10 Zijnde onder de groten, maak u hun niet gelijk, en waar oude mensen zijn, heb niet veel gekakel. 11 De bliksem gaat haast voor de donder heen, en voor een eerbaar mens gaat aangenaamheid. 12 Word bij tijds wakker, en wees niet van de laatsten; loop heen naar huis, en vertraag niet. 13 Speel daar, en doe wat u voorgenomen hebt, maar niet met zonden en hoogmoedige woorden. 14 En dank hiervoor hem die u gemaakt heeft, en u dronken maakt van zijn goederen. 15 Wie Heere vreest, die zal zijn onderwijzing aannemen, en die zich vroeg tot Hem maken, zullen vinden wat hun wel behaagt. 16 Wie de wet zoekt, die zal daarvan vervuld worden; maar wie geveinsd is, zal daarover struikelen. 17 Die Heere vrezen, zullen vinden dat recht is, en zullen gerechtigheden aansteken als een licht. 18 Een goddeloos mens ontwijkt de bestraffing, en naar zijn wil vindt hij uit wat hem behaagt. 19 Een welberaden man veracht de bedenking niet, maar een vreemde en hoogmoedige is voor vrees niet bevreesd, en nadat hij iets gedaan heeft, is hij bij zichzelf zonder raad. 20 Doe niets zonder raad, en als u het gedaan hebt, laat het u niet berouwen. 21 Ga niet op de weg waarop men licht valt, en u zult tegen geen steenachtige plaatsen aanstoten. 22 Vertrouw op de weg niet, die zonder aanstoot is, en wees op uw hoede voor uw kinderen. 23 Vertrouw uzelf in alle goede werken, want ook dat is een onderhouding van de geboden. 24 Wie Heere gelooft, die let op het gebod, en wie zijn betrouwen op Hem zet, die zal geen gebrek hebben. ### Jezus Sirach 33 1 HEM die Heere vreest, zal geen kwaad ontmoeten, maar Hij zal Hem in verzoeking ook weer daaruit verlossen. 2 Een wijs man zal de wet niet haten maar wie daarin geveinsd is, die is zoals een schip in een storm van vele golven. 3 Een verstandig mens vertrouwt de wet, en de wet is hem getrouw. 4 Zoals de vraag klaar is, zo bereid de rede, en zo zult u gehoord worden; bind de onderwijzing samen en antwoord dan. 5 Het binnenste van de zot is zoals het rad aan een wagen, en zijn overlegging is zoals een as die omloopt. 6 Een vriend, die een bespotter is, is zoals een springhengst, hij briest onder een ieder, die op hem zit. 7 Waarom overtreft de ene dag de andere dag, zo toch al het licht van de dagen in het jaar van de zon komt? 8 Zij zijn in de kennis van Heere onderscheiden, en Hij heeft de tijden en de feesten veranderd. 9 Van deze heeft hij sommige verhoogd en geheiligd, en uit hen sommige gesteld tot het getal van de gemene dagen. 10 En alle mensen komen van de aardbodem, en uit de aarde is Adam geschapen. 11 Evenwel heeft hen Heere door Zijn grote wetenschap onderscheiden, en hun wegen veranderd. 12 Enige uit hen heeft hij gezegend en verhoogd, en enige uit hen heeft hij geheiligd, en tot hem doen naderen, enige uit hen heeft hij vervloekt en vernederd en ze van hun staat af gestort. 13 Zij zijn in zijn hand zoals het leem van een pottenbakker, al zijn wegen zijn naar zijn welbehagen. 14 Zo is ook de mens in de hand van degene, die hem gemaakt heeft, dat hij hen vergelde naar zijn oordeel. 15 Zoals het goede staat tegen het kwade, en het leven tegen de dood, zo staat de godvrezende tegen de zondaar, zo ook de zondaar tegen de godvrezende man; en ingelijks, aanschouw al de werken van de Allerhoogste, zij zijn alle twee, het één tegen het ander. 16 En ik ben de laatste ontwaakt zoals een die achter de wijnlezers de druiven naleest, toch ben ik door de zegen van Heere bevorderd, en heb de wijnpers gevuld zoals een wijnlezer. 17 Merk dat ik niet voor mij alleen heb gewerkt, maar voor al degenen, die onderwijzing zoeken. 18 Hoor u groten, en u die de gemeente regeert, laat het tot uw oren ingaan. 19 Geef uw zoon een vrouw, broer en vriend geen macht over u, zo lang u leeft, en geef uw goederen aan geen ander, opdat u niet berouw hebbende daarom behoeft te smeken. 20 Zolang als u nog leeft en adem in u is, geef uzelf in niemands macht over. 21 Want het is beter dat de kinderen u smeken, dan dat u naar de handen van uw zonen ziet. 22 Maak, dat u in al uw werken anderen te boven gaat, en hang geen schandvlek aan uw eer. 23 Verdeel uw erfgoed in de dag van de voleinding van de dagen van uw leven, en in de tijd van uw dood. 24 Voor een ezel behoort voer, en een stok en last; voor een huisknecht voedsel, en tuchtiging, en werk. 25 Doe hem werken door tuchtiging, en hij zal rust zoeken; laat hem de handen leeg zijn, en hij zal vrijheid zoeken. 26 Het juk en touw buigen voor de hals van een os, maar de pijnbank en pijniging zijn voor een kwade huisknecht. 27 Drijf hem tot het werk, opdat hij niet leeg ga, want de nietsdoen leert veel kwaads. 28 Stel hem aan het werk, zoals hem past. 29 Als hij niet gehoorzaam is, verzwaar zijn boeien, maar wees niet te streng tegenover iemands lichaam, en doe niets zonder oordeel. 30 Heb u een huisknecht, dat hij u zij zoals uw ziel, omdat u hem door bloed verkregen hebt; zo u een huisknecht hebt, behandel hem zoals een broer, want hij is zoals uw ziel, u zult hem behoeven. 31 Als u hem onrechtvaardig zou mishandelen, en hij oprijzende weg zou lopen, waar zult u hem zoeken? ### Jezus Sirach 34 1 DE hoop van een onverstandige man is ijdel en leugenachtig, en dromen maken vleugels voor de onwijze. 2 Zoals een die naar de schaduw grijpt, en de winden nastreeft, zo is hij die de dromen gadeslaat. 3 Wat men in de dromen ziet, is dit na dat, evenals de gelijkheid van het aangezicht tegen het aangezicht over. 4 Van het onreine, wat zal daarvan gereinigd worden? en van de leugenaar, welke waarheid zal daarvan komen? 5 Waarzeggerij en vogelgeschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, zoals het hart van een vrouw die in barensnood is. 6 Als ze door de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet. 7 Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop hoopten, zijn gevallen. 8 Zonder leugen wordt de wet volbracht, en wijsheid is de volkomenheid van een getrouwe mond. 9 Een man, die gedwaald heeft, weet vele dingen, en die veel ervaren heeft, zal verstandige dingen verhalen. 10 Die niet ervaren is, weet weinig, maar die gedwaald heeft, is meerder in schranderheid. 11 Ik heb veel dingen gezien in mijn afdwaling, en het is mijn verstand, dat mijn rede gedaante geeft. 12 Dikwijls ben ik in gevaar geweest tot de dood toe, en om deze dingen behouden. 13 De geest van degenen, die Heere vrezen, zal leven. 14 Want hun hoop is op hem, die hen behouden heeft. 15 Wie Heere vreest, die zal geen ding vrezen, en zal niet bevreesd wezen, want Hij is zijn hoop. 16 Zalig is de ziel van degene, die Heere vreest, aan wie houdt hij, en wie is zijn steunsel? 17 De ogen van Heere zien op degenen die Hem liefhebben; Hij is hun een krachtig schild en sterk steunsel; een bescherming tegen de hitte, en een bescherming tegen de middag; een bewaring voor de aanstoot, en een hulp tegen de val. 18 Hij verhoogt de ziel, en verlicht de ogen, hij geeft genezing, leven en zegen. 19 Die van onrechtvaardig goed offert, diens offergave is bespottelijk, en de gaven van de goddelozen behagen God niet. 20 De Allerhoogste heeft geen welbehagen aan de offergaven van de goddelozen, en wordt over de zonde door de menigte van de slachtoffers niet verzoend. 21 Hij slacht de zoon in aanwezigheid van zijn vader, die een slachtoffer toebrengt van het geld van de armen. 22 Het brood van de behoeftigen is het leven van de armen, wie hen daarvan berooft, is een moordenaar. 23 Hij doodt zijn naaste, die hem zijn leeftocht afneemt. 24 En hij vergiet bloed, die het loon van de dagloner rooft. 25 Als de één bouwt en de andere afbreekt, wat winnen zij meer dan moeite? 26 Als de één bidt en de andere vloekt, van wie zal de Heere de stem verhoren? 27 Als iemand is gewassen nadat hij een dode heeft aangeraakt, en die weer aanraakt, welk nut heeft hij van zijn wassing? 28 Zo is het met een mens die vast vanwege zijn zonden, en weer heengaat en hetzelfde doet; wie zal zijn gebed verhoren? en wat is hij daarmee gevorderd dat hij zichzelf vernederd heeft? ### Jezus Sirach 35 1 WIE de wet bewaart, die doet offergaven genoeg; wie op de geboden acht heeft, die offert een slachtoffer van het heil. 2 Wie een weldaad vergeldt, is zoals die meelbloem offert, en wie een liefdegave doet, die offert een dankoffer. 3 Het is het welbehagen van Heere dat men afsta van boosheid, en afstaan van ongerechtigheid is verzoening. 4 Verschijn niet leeg voor het aangezicht van Heere. 5 Want al deze dingen moet men doen vanwege het gebod. 6 De offergave van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de goede reuk daarvan komt voor de Allerhoogste. 7 Het slachtoffer van een rechtvaardige man is aangenaam, en de herinnering daarvan zal niet vergeten worden. 8 Verheerlijk Heere met een goed oog, en verminder de eerstelingen van uw handen niet. 9 Heb een vrolijk aangezicht in al uw gaven, en heilig uw tiende met verheuging. 10 Geef de Allerhoogste naar wat Hij u gegeven heeft, en met een goed oog wat uw hand gevonden heeft. 11 Want Heere is een vergelder, en Hij zal het zevenvoudig vergelden. 12 Besnoei uw gave niet, want hij zou ze niet aannemen, en bemoei u met geen onrechtvaardig slachtoffer. 13 Want Heere is een rechter, en bij Hem is geen achting van het aangezicht. 14 Heere zal het aangezicht van degene die zich tegen de arme stelt niet aannemen, maar de smeking van degene die onrecht lijdt zal Hij verhoren. 15 Hij zal het smeken van de wezen niet verachten, noch de weduwe als zij haar klaagrede tot hem uitstort. 16 Stromen niet de tranen van de weduwe af op de wang? en haar geschrei tegen hem, die ze heeft doen neerkomen? 17 Die God dient met welbehagen zal aangenomen worden, en zijn gebed zal tot aan de wolken raken. 18 Het gebed van de nederige gaat door de wolken, en hij wordt niet getroost, voordat hij nabij gekomen is, en laat niet af voordat de Allerhoogste het zal ingezien hebben, die de rechtvaardige zal oordelen en recht doen. 19 Ook zal Heere niet vertragen, en de machtige zal niet geduldig zijn over hen, voordat Hij de lendenen van de onbarmhartigen verbroken zal hebben. 20 Ja, hij zal de volken wraak vergelden, totdat hij de menigte van de smaders zal weggenomen, en de scepters van de onrechtvaardigen verbroken zal hebben. 21 Totdat hij de mens vergelde naar zijn handelingen, en de werken van de mensen naar hun gedachten. 22 Totdat hij zal hebben geoordeeld het recht van zijn volk, en hen doen verheugen in zijn barmhartigheid. 23 Hoe tijdig is de barmhartigheid in de tijd van de verdrukking; zij is zoals de wolken in de tijd van de droogte. ### Jezus Sirach 36 1 ONTFERM U over ons, Heere, God van alle dingen, en zie ons aan. 2 En zend Uw vrees over al de volken die U niet zoeken. 3 Verhef Uw hand over de vreemde volken, laat hun Uw vermogen zien. 4 Zoals U voor hun ogen geheiligd bent geweest in ons, dat U ook voor ons groot gemaakt mag worden in hen. 5 Dat zij U mogen kennen zoals ook wij U kennen, want daar is geen God behalve U, o Heere. 6 Vernieuw Uw tekenen, en verander Uw wonderen. 7 Verheerlijk Uw hand en rechterarm, opdat zij Uw wonderen mogen vertellen. 8 Verwek Uw toorn, en giet Uw toorn uit. 9 Neem de tegenstander weg, en verbrijzel de vijand. 10 Maak dat de tijd haast kome, en gedenk aan de toorn, en laat Uw wonderen verteld worden. 11 Die behouden is geweest, wordt door een vurige toorn verslonden, en die Uw volk kwellen, laat die het verderf vinden. 12 Verbrijzel de hoofden van de oversten van de volken, die zeggen: Daar is niemand behalve wij. 13 Vergader alle stammen van Jakob, en stel hen in hun erfdeel, zoals van het begin. 14 Ontferm U over Uw volk, Heere, dat naar Uw naam genoemd is; en over Israël, dat U Uw eerstgeborene genoemd hebt. 15 Bewijs barmhartigheid aan Uw heilige stad Jeruzalem, die de plaats van Uw rust is. 16 Vervul Sion om Uw woorden te verheffen, en Uw volk met Uw heerlijkheid. 17 Geef getuigenis degenen die van de beginne af Uw bezittingen zijn, en verwek profeten in Uw naam. 18 Geef loon degenen die U verwachten, en maak dat Uw profeten geloofd worden. 19 Verhoor, Heere, de smekingen van Uw knechten, naar de zegen van Aäron over Uw volk, en allen die op aarde wonen zullen bekennen dat U een Heere van de eeuwen bent. 20 De buik eet alle voedsel, toch is het ene voedsel beter dan het andere. 21 De keel smaakt het voedsel van het stuk wild, zo onderkent een verstandig hart leugenachtige redenen. 22 Een verdraaid hart zal verdriet geven, maar een mens, die veel ervaren heeft, zal hem vergelden. 23 Een vrouw neemt iedere man aan, maar de ene dochter is schoner dan de andere. 24 De schoonheid van de vrouw verblijdt het aangezicht, en gaat alle lust van de mens te boven. 25 Is dan op haar tong barmhartigheid, en zachtmoedigheid, en genezing, zo is haar man niet zoals andere mensenkinderen. 26 Die een goede vrouw krijgt, die begint goederen te bezitten, aangezien hij een hulp heeft, die hem gelijk is, en een pilaar waar hij op rusten mag. 27 Waar geen heining is, daar wordt wat men bezit verscheurd, en waar geen vrouw is, daar zal de man zuchten en dwalen. 28 Want wie zal een toegeruste moordenaar betrouwen, die uit de ene stad in de andere sluipt; zo betrouwt men een mens niet, die geen nest heeft, en neemt herberg waar hij ’s avonds ook is. ### Jezus Sirach 37 1 IEDER vriend zal wel zeggen: Ik heb ook vriendschap gehouden, maar menige vriend is alleen vriend met de naam. 2 Blijft het verdriet niet tot de dood toe wanneer een metgezel en een vriend tot vijanden worden? 3 O boze gedachte, vanwaar komt u gerold om de aarde met bedriegerij te bedekken? 4 Een metgezel leeft met zijn vriend in verheuging, en in de tijd van verdrukking zal hij hem tegen zijn. 5 Een metgezel arbeidt met zijn vriend vanwege de buik, en neemt een schild tegen de vijand. 6 Vergeet uw vriend niet in uw hart, en stel hem niet in vergetelheid, wanneer u geld hebt. 7 Beraad u niet met hem die u overdwars aanziet, en verberg uw raad voor degenen die u benijden. 8 Een ieder die raad geeft, verheft zijn raad, maar menigeen geeft voor zichzelf raad. 9 Bewaar uw ziel voor de raadgever, en verneem eerst wat zijn behoefte is, want hij zal zichzelf raad geven, opdat hij niet misschien het lot over u werpe, 10 En zeg tot u: Uw weg is goed, en stelle zich tegenover u om te zien wat u overkomen zal. 11 Beraad u niet met hem, die u overdwars aanziet, en verberg uw raadslag voor degenen, die u benijden; 12 Noch met een vrouw, aangaande degene waartegen zij jaloers is; noch met een vreesachtige over de oorlog; noch met een koopman over de wissel; noch met degene, die koopt over de verkoop; noch met een nijdig mens over de dankbaarheid, noch met een onbarmhartige over de goedertierenheid; noch met een luie over enig werk; noch met een huurling, die u een jaar gehuurd hebt over de voleinding van het werk, noch met een trage huisknecht over veel arbeid. 13 Acht op deze niet in een van al uw beraadslagingen, maar houdt u steeds bij een godvrezende man, van wie u weet dat hij de geboden van Heere bewaart, die gezind is zoals u, en als u zou komen te struikelen, die met u bedroefd is. 14 Blijf vast bij de raadslag van uw hart, want u hebt niemand getrouwer dan hem. 15 Want de ziel van de man pleegt soms wat beters te verkondigen, dan zeven wachters die op een hoge wachttoren zitten. 16 En in alle deze bid de Allerhoogste, opdat de waarheid uw weg recht make. 17 Het begin van het werk is de rede, en beraadslaging gaat voor alle handeling heen. 18 Het aangezicht is een teken van de verandering van de vreugde. 19 Vier soorten van dingen vertonen zich: namelijk het goede, het kwade, het leven en de dood en de tong is het, die steeds daarover heerst. 20 Daar is menig sluw man, een onderwijzer van velen, en hij is zijn ziel niet nut. 21 Daar is menigeen die wijsheid voorgeeft met woorden en is hatelijk; deze ontbreekt het aan alle wijsheid. 22 Want hem is door Heere die genade niet gegeven, omdat hij van alle wijsheid beroofd is. 23 Menigeen is wijs voor zichzelf, en de vruchten van zijn verstand in zijn mond zijn prijzenswaardig. 24 Een wijs man onderwijst zijn eigen volk, en de vruchten van zijn verstand zijn zeker. 25 Een wijs man zal vervuld worden met zegen, en allen die hem zien, zullen hem gelukzalig prijzen. 26 Het leven van een man heeft een getal van de dagen, maar de dagen van Israël zijn ontelbaar. 27 Een wijze zal heerlijkheid beërven onder zijn volk, en zijn naam zal in eeuwigheid blijven. 28 Mijn kind beproef uw ziel terwijl u leeft, en zie wat voor haar schadelijk is, en geef het haar niet. 29 Want alle dingen zijn allen niet nut, en ieder neemt geen vermaak in alles. 30 Wees niet onverzadigbaar in alle lekkernijen, en stort u niet heen op de spijzen. 31 Want door veel voedsel komt ziekte, en de onverzadigbaarheid nadert tot buikpijn. 32 Door de onverzadigbaarheid zijn er velen gestorven, maar die daarop let zal zijn leven verlengen. ### Jezus Sirach 38 1 EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft Heere geschapen. 2 Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd. 3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering. 4 Heere heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet. 5 Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden? 6 Hij heeft de mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te worden. 7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn ziekte weg. 8 De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem. 9 Mijn kind, in uw ziekte verzuim het niet, maar bid Heere, en Hij zal u genezen. 10 Sta af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde. 11 Geef Heere een aangename geur, en een herinnering van meelbloem, en breng Hem een vette offergave, als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats. 12 Want Heere heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want u behoeft hem. 13 Daar is misschien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is. 14 Want ook zij zelf bidden Heere, dat Hij hun geve rust en genezing om te mogen leven. 15 Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen. 16 Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te huilen als die zware dingen geleden hebt; maar omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet. 17 Ween bitter, en wees vurig in het geklag; 18 En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, vanwege de lastering, en troost u vanwege de droefenis. 19 Want van verdriet komt de dood, en verdriet van het hart kromt de sterken. 20 Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook het verdriet, en het leven van een arme is een vervloeking van het hart. 21 Begeef uw hart niet tot verdriet, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde; 22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult u geen voordeel doen, en uzelf zult u kwellen. 23 Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u vandaag. 24 Als de dode rust, zo laat ook zijn herinnering rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is. 25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden. 26 Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken daarvan, en die van jonge stieren weet te spreken? 27 Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voer te geven. 28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht zoals de dag met zijn werk doorbrengt. 29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken. 30 Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken, en waakt om het werk te voltooien. 31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte van de oven te strijden. 32 De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het voorwerp. 33 Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voltooien, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voltooid zijn. 34 Evenzo een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; die altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal. 35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid. 36 Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen. 37 Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk. 38 Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, maar tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan. 39 Op de stoel van de rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn. 40 Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit van de wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen. 41 In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet van de Allerhoogste. ### Jezus Sirach 39 1 DEZE onderzoekt de wijsheid van alle ouden, en is bezig in de profetieën. 2 De vertelling van de beroemde mannen onthoudt hij, en in kloeke spreuken gaat hij met hen om. 3 Hij onderzoekt verborgen spreekwoorden, en in raadselen van de spreuken oefent hij zich. 4 Midden onder de groten dient hij, en onder de vorsten wordt hij gezien. 5 Het land van vreemde volken doorreist hij, want hij heeft wat goed en kwaad is onder de mensen beproefd. 6 Hij begeeft zijn hart tot Heere, om vroeg te komen tot degene die Hem gemaakt heeft, en tot de Allerhoogste smeekt hij. 7 En doet zijn mond open tot het gebed, en smeekt voor zijn zonden. 8 Als die grote Heere wil, zo zal hij met de geest van het verstand vervuld worden. 9 Hij zal de woorden van zijn wijsheid als een regen uitgieten, en in zijn gebed dankt hij Heere. 10 Hij maakt zijn raadslag en wetenschap recht, en overlegt zijn verborgen dingen. 11 Hij brengt de onderwijzing van zijn leer te voorschijn, en in de wet van het verbond van Heere roemt hij. 12 Velen zullen zijn verstand prijzen, en dat zal in eeuwigheid niet uitgewist worden. 13 Zijn herinnering zal niet vergaan, en zijn naam zal leven tot in alle geslachten. 14 Zijn wijsheid vertellen de volken, en de gemeente verkondigt zijn lof. 15 Als hij in het leven blijft, zo zal hij een betere naam nalaten dan duizend anderen; en als hij komt te rusten, zo verkrijgt hij die voor zich. 16 Nog zal ik vertellen wat ik bedacht heb, want ik ben vervuld zoals de volle maan. 17 U heiligen hoort mij, en spruit uit zoals een roos, die geplant is aan een stromend water; 18 En brengt een bloem voort zoals een lelie; geef een reuk van u, en zingt een lofzang. 19 Loof Heere over al Zijn werken met gezang van de lippen, en met citers; en zegt zo in uw dankzegging: 20 De werken van Heere zijn alle zeer schoon, en al wat Hij gebiedt gebeurt in zijn tijd; men mag niet zeggen: Wat is dit? want al deze dingen zullen op hun tijd onderzocht worden. 21 Door zijn woord stond het water zoals één hoop, en door het woord van zijn mond de boezem van de wateren. 22 Al zijn welbehagen is in zijn gebod, en daar is niemand die verminderen zal wat hij behouden wil. 23 De werken van alle vlees zijn voor zijn aangezicht, en daar kan niets verborgen worden voor zijn ogen. 24 Van eeuw tot eeuw ziet hij daarop, en daar is niets te wonderlijk voor hem. 25 Men mag niet zeggen: Wat is dit? want alle dingen zijn tot hun gebruik geschapen. 26 Zijn zegen bedekt de aarde zoals een rivier, en zoals een watervloed het droge land dronken maakt; 27 Zo erven de volken zijn toorn, zoals hij de wateren in pekel verkeert. 28 Zijn wegen zijn de heiligen recht, zoals zij de goddelozen tot aanstoot zijn. 29 Goede dingen zijn in het begin voor de goede mensen geschapen, zo de kwade dingen voor de zondaars. 30 Het voornaamste dat tot het leven van de mens nodig is, is water, en vuur, en ijzer, en zout, en tarwemeel, en melk en honing, druivenbloed, en olie, en een kleed. 31 Alle deze zoals ze de godvrezende goede dingen zijn, zo worden ze de zondaar in kwaad verkeerd. 32 Daar zijn de geesten die tot wraak geschapen zijn, en door hun toorn bevestigt God hun geselen, als de tijd voltooid is, dan gieten zij hun sterkte uit, en stillen de toorn van degene die ze gemaakt heeft. 33 Het vuur en de zee, en de honger, en de dood; al deze dingen zijn tot wraak geschapen. 34 De tanden van de wilde dieren, en de schorpioenen, en adders, en het zwaard doende wraak aan de goddelozen tot hun verderf. 35 In zijn bevel verheugen zij zich, 36 En op de aarde zijn zij gereed tot zijn diensten, en wanneer hun tijd gekomen is, zo overtreden zij het woord niet. 37 Daarom ben ik van het begin af hierin bevestigd geworden, en heb deze dingen overdacht en in geschrift nagelaten. 38 Al de werken van Heere zijn goed, en al wat nodig is verleent Hij als het tijd is. 39 En men mag niet zeggen: Dit is bozer dan dat, want alle dingen zullen op hun tijd goed gekend worden. 40 En nu, lofzingt met uw hele hart en mond, en looft de naam van Heere. ### Jezus Sirach 40 1 VOOR een ieder mens is een grote onrust geschapen en een zwaar juk op de kinderen van Adam; van die dag af dat zij uit hun moeders lichaam gekomen zijn, tot op de dag dat zij terugkeren in de moeder van allen. 2 Voor wat betreft hun gedachten, en de vrees van het hart, zo is de betrachting van wat zij te verwachten hebben, de dag van de dood; 3 Zo wel bij hem, die op de troon van de heerlijkheid zit, als bij degene, die vernederd is, zittende in aarde en as. 4 Zo wel bij hem, die een purperen kleed en een kroon draagt, als bij degene, die met grof lijnwaad gekleed is. 5 Hij bekomt toorn en afgunst, ontroering en beweging, en vrees van de dood, en haat en twist, en wanneer het tijd is om te rusten op het bed verandert de slaap van de nacht zijn kennis. 6 Hij heeft weinig, als het ware geen rust, en daarna slaapt hij zoals in de dagen van de schildwacht. 7 Hij wordt ontroerd door het visioen van zijn hart, zoals een die uit de oorlog ontvlucht is, en ontwakende in de tijd van zijn behoudenis, is hij verwonderd dat hij om niet gevreesd heeft. 8 Zo gaat het met alle vlees, van de mens af tot op het vee, maar over de zondaars komt tot deze dingen zevenvoudig meer. 9 Dood en twist, en zwaard, en bloed; invoering van de honger, en van de verplettering, en van de gesel; deze dingen alle zijn tegen de goddelozen geschapen, en om hunnentwil is de zondvloed gekomen. 10 Al wat van aarde is, keert opnieuw tot aarde, en al wat van water is, wendt zich weer naar de zee. 11 Alle geschenk en ongerechtigheid zal uitgewist worden, maar geloof zal in eeuwigheid bestaan. 12 De goederen van de onrechtvaardigen zullen als een stroom uitdrogen, en zoals een grote donder met regen zal God geluid daartegen geven. 13 Als hij de handen opendoet, zo wordt de rechtvaardige verheugd; zoals degenen die overtreden, vernietigd worden tot het uiterste. 14 De nakomelingen van de goddelozen zullen niet vele takken uitschieten, want de onreine wortels liggen op een steile steenrots. 15 Hun groente aan alle water en oever van een stroom zal voor alle ander gras uitgeplukt worden. 16 Weldadigheid is zoals een lusthof met zegeningen, en een liefdegave blijft in eeuwigheid. 17 Het leven van degene, die zich genoegen laat, en van de arbeider, is zoet, maar die een schat vindt gaat beide te boven. 18 Kinderen, en opbouw van de stad onderstutten de naam. 19 Wijn en muziek verheugen het hart, maar de liefde tot wijsheid meer dan beide. 20 De fluit en het snarenspel geven een zoete toon, maar een liefelijke tong meer dan beide. 21 Het oog verheugt zich in wat aangenaam en schoon is, maar in de groente van het gezaaide meer dan in beide. 22 Een vriend en zijn gezel komen elkaar tegemoet ter gelegener tijd, maar een vrouw met haar man meer dan beide. 23 Broeders en hulp zijn goed in de tijd van de verdrukking, maar een liefdegave verlost meer dan beide. 24 Goud en zilver stellen de voet vast, maar raad wordt meer geacht dan beide. 25 Geld en sterkte verhogen het hart, maar de vrees voor de Heere meer dan beide. 26 Daar is in de vrees voor de Heere geen vermindering, en hij behoeft voor zichzelf geen hulp te zoeken. 27 De vrees voor de Heere is zoals een gezegende lusthof, en boven alle heerlijkheid bedekt hij die. 28 Mijn kind, leef geen bedelaarsleven; het is beter sterven dan bedelen. 29 Een man die naar een vreemde tafel ziet, diens leven is voor geen leven te rekenen; hij besmet zijn ziel met vreemde spijzen. 30 Maar een verstandig man, en die onderwezen is, wacht zich daarvan. 31 In de mond van de onbeschaamde is de bedelarij zoet, maar in zijn buik zal een vuur branden. ### Jezus Sirach 41 1 O dood, hoe bitter is de herinnering van u, voor een mens, die in vrede leeft bij zijn goederen. 2 Voor een man die goede rust heeft, en die het welgaat in alles, en nog sterk is om voedsel te nemen. 3 O dood, uw oordeel is aangenaam voor een mens, die behoeftig is en die aan sterkte afgenomen heeft. 4 Voor een die in zijn uiterste ouderdom is, en ongeveer alle dingen bezig is, en zichzelf mistrouwt, en de volharding verloren heeft. 5 Vrees het oordeel van de dood niet; gedenk aan degenen die voor u geweest zijn, en die na u komen zullen, want dit is het oordeel aan uw vlees door Heere opgelegd. 6 En wat wilt u weigerend zijn in wat de Allerhoogste wel behaagt? 7 Of u tien, of honderd, of duizend jaren leeft, in het graf is geen bestraffing van het leven. 8 De kinderen van de zondaren worden gruwelijke kinderen, en die in de gebuurschappen van de goddelozen samen verkeren. 9 Het erfdeel van de kinderen van de zondaars vergaat, en bij hun zaad blijft steeds versmaadheid. 10 Een goddeloze vader schelden zijn kinderen, omdat zij om zijnentwil gesmaad worden. 11 Wee u, u goddeloze mannen, u die de wet van de Allerhoogste verlaten hebt. 12 Want als u vermenigvuldigt, het is tot verderfenis, en als u geboren wordt, zo wordt u tot een vloek geboren, en als u sterft, zo wordt u de vloek tot een deel. 13 Al wat uit de aarde is, zal weer in de aarde keren; zo gaan de goddelozen naar het verderf. 14 De mensen dragen rouw vanwege hun lichamen, maar de boze naam van de mensen zal uitgewist worden. 15 Draag zorg om een goede naam te verkrijgen, want die zal u bijblijven meer dan duizend grote schatten goud. 16 Een goed leven heeft een zeker getal van de dagen, maar een goede naam blijft in eeuwigheid. 17 Mijn kinderen, bewaart de tucht in vrede. 18 De wijsheid, die verborgen is, en een schat, die niet te voorschijn komt, wat nut heeft men van beide? 19 Een mens, die zijn dwaasheid verbergt, is beter dan een mens, die zijn wijsheid verbergt. 20 Dat men zich dan ontzie voor mijn woord, want het is niet goed in alle dingen schaamte te houden, en alle dingen worden niet door allen in getrouwheid goed gekend. 21 Schaam u voor vader en moeder vanwege hoererij, en voor een vorst en machtige vanwege de leugen; 22 Voor een rechter en overste vanwege mishandeling, voor een vergadering en voor het volk, vanwege overtreding van de wet. 23 Voor een metgezel en vriend vanwege ongerechtigheid, en voor de plaats, waar u als vreemdeling woont, vanwege dieverij; 24 Schaam u voor verachting van Gods waarheid en verbond; en met de elleboog te liggen op het brood, en voor schandelijke afwijzing in het ontvangen en uitgeven. 25 Schaam u ook voor degene, die u groet vanwege uw stilzwijgen; vanwege het aanschouwen van een lichte vrouw; en dat u uw aangezicht afwendt van een mens die edel is. 26 Schaam u iemands deel weg te nemen, en wat hem gegeven is, en te letten op een vrouw die een man heeft. 27 Van te veel u met anderen te bemoeien, en van een dienstmaagd, stelt u niet bij haar bed. 28 Schaam u ook voor uw vriend vanwege woorden van de verwijting, en als u hem wat gegeven hebt verwijt hem dat niet. 29 Schaam u van weer te gaan zeggen wat u gehoord hebt, en te openbaren verborgen zaken; 30 U zult recht schaamachtig zijn, en gunst vinden bij alle mensen. ### Jezus Sirach 42 1 SCHAAM u niet vanwege deze navolgende dingen, en neem geen persoon aan om te zondigen. 2 Vanwege de wet van de Allerhoogste en het verbond, en vanwege het oordeel, om een goddeloze te rechtvaardigen; 3 Noch om te horen spreken uw metgezel, en die met u over weg reizen; noch de vrienden hun erfdeel te geven. 4 En schaam u niet, dat u nauw let op de waag en het gewicht; noch dat u veel of weinig bezit; 5 Noch dat u aan de kooplieden verscheidenlijk verkoopt, en dat u de kinderen wel tuchtigt; 6 Noch dat u een slechte huisknecht zijn zijde doet bloeden. 7 Bij een slechte vrouw is verzegelen goed, en waar veel handen zijn sluit daar toe. 8 Als u wat overgeeft, doe het bij getal en gewicht, en stel alles, uitgifte en ontvangst, in geschrift. 9 En schaam u niet dat u een onverstandige en dwaas onderwijst, en een geheel oude, die met de jonge mensen twist; 10 En u zult recht onderwezen, en bij een ieder, die leeft, geacht worden. 11 Een dochter is haar vader een in het geheim waken, en zijn zorg voor haar beneemt de slaap. 12 En in haar jeugd vreest hij dat zij misschien niet veroude, en is zij getrouwd, dat zij misschien niet gehaat wordt. 13 Is zij maagd, dat zij niet misschien ontreinigd, en in het huis van haar vader zwanger wordt, en hebbende een man, dat zij niet misschien overtrede, en getrouwd zijnde, niet misschien onvruchtbaar zij. 14 Houd scherpe wacht over een eigenzinnige dochter, dat zij niet misschien make dat uw vijanden over u vrolijk zijn, dat men in de stad van u spreke en het volk u naroepe, en zij u beschame in de menigte van mensen. 15 Zie niet op de schoonheid van enig mens, en zit niet in het midden van de vrouwen. 16 Want van de kleren komt de mot voort, en van de vrouw de boosheid van de vrouw. 17 De boosheid van een man is beter dan een goeddadige vrouw, namelijk een vrouw die beschaamd maakt tot versmaadheid. 18 Nu zal ik gedenken de werken van Heere, en wat ik gezien heb zal ik vertellen: in de woorden van Heere ziet men Zijn werken. 19 De zon ziet, terwijl zij verlicht, op alle dingen, en haar werk is vol van de heerlijkheid van Heere. 20 Heere heeft Zijn heiligen niet gegeven al zijn wonderen te vertellen. 21 Heere, de Almachtige heeft de hele wereld gevestigd, dat zij onderstut wordt door Zijn heerlijkheid. 22 De afgrond en het hart onderzoekt hij, en is bedacht op de boze aanslagen daarvan. 23 Want de Allerhoogste kent alle wetenschap, en ziet op de tekenen van de eeuw. 24 Hij verkondigt de dingen die voorbijgegaan zijn, en die nog worden zullen, en hij ontdekt de voetstappen van de verborgen dingen. 25 Geen gedachte gaat hem voorbij; daar is voor hem ook niet één woord verborgen. 26 Hij heeft de heerlijke werken door zijn wijsheid versierd; hij die is vóór de wereld en in de eeuwigheid. 27 Hij wordt noch vermeerderd, noch verminderd; en behoeft geen raadgever. 28 Hoe waard zijn al zijn werken om te begeren! en om aanschouwd te worden tot op een vonkje toe! 29 Al deze dingen leven en blijven in de eeuwigheid in al hun gebruik en zijn hem alle gehoorzaam. 30 Alle dingen zijn dubbel, het een tegenover het ander, en hij heeft niets gebrekkigs gemaakt. 31 Het een bevestigt het goede van het andere, en wie zal verzadigd worden aanschouwende de heerlijkheid van God? ### Jezus Sirach 43 1 HET zuivere uitspansel is een roem van de hoogte; de gedaante van de hemel is heerlijk om aan te zien. 2 De zon wanneer men haar aanschouwt, verkondigt God in haar opgang; zij is een wonderlijk instrument, een werk van de Allerhoogste. 3 Als zij op de middag is, verdroogt zij het land, en wie zal tegen haar hitte bestaan? 4 Men blaast een oven aan tot werken van de hitte, maar de zon verhit drie keer meer; die de bergen aansteekt, en vurige dampen uitblaast, en met het glinsteren van haar stralen de ogen verduistert. 5 Heere is groot, die ze gemaakt heeft, en die haar loop door woorden heeft doen stilstaan. 6 Ook heeft hij de maan gemaakt, dat zij staan zou in haar tijd, tot een aanwijzing van de tijden, en tot een teken van de eeuw. 7 Van de maan heeft men een teken van het feest, zij is een licht dat geheel afneemt. 8 De maand heeft haar naam naar haar; groeiende is zij wonderbaar in haar verandering. 9 Zij is een voorwerp dat legerplaats heeft in de hoogte, schijnende in het uitspansel van de hemel. 10 De schoonheid van de hemel is dat heerlijk gesternte, een sieraad lichtende in de hoogste plaatsen van Heere. 11 Door de woorden van de heilige worden zij gesteld tot een veroordeling, en worden niet verhinderd in haar wacht. 12 Zie de regenboog, en loof hem die hem gemaakt heeft, die zeer schoon is in zijn schijnsel. 13 Hij omvat de hemel met een heerlijke kring, de handen van de Allerhoogste spannen hem uit. 14 Door zijn bevel doet hij de sneeuw ophouden, en verhaast de bliksem van zijn oordeel. 15 Daarom worden de schatten geopend, en de wolken vliegen uit, zoals de vogels. 16 Door zijn grote heerlijkheid versterkt hij de wolken, en de hagelstenen worden verbroken. 17 De stem van zijn donder brengt de aarde in barensnood, en door zijn aanschouwen worden de bergen bewogen. 18 Door zijn wil blaast de zuidenwind, en de buiige noordenwind, en de wervelwind. 19 Hij verspreidt de sneeuw zoals vogels, die naar beneden vliegen, en ze daalt af zoals de sprinkhanen, die zich neerzetten op enig land. 20 Het oog is verwonderd over de schoonheid van haar witheid, en het hart wordt ontsteld over haar regen. 21 En hij giet de rijm op de aarde zoals zout, die bevroren zijnde wordt zoals de punten van de grenzen. 22 Wanneer de koude noordenwind blaast, en het water tot ijs bevriest, zo zet hij zich op alle vergadering van het water neer, en trekt het water zoals een pantser aan. 23 Hij verteert de bergen en verbrandt de woestijn, en blust het groene gras uit, zoals het vuur. 24 Maar een haastige genezing van al deze dingen is de nevel, de dauw die door de hitte ontstaat, verblijdt ze. 25 Door de raad van Heere staat de afgrond stil, en die heeft daarin eilanden geplant. 26 Die de zee bevaren vertellen het gevaar daarvan, en wij zijn verwonderd als wij het met onze oren horen. 27 Want daar zijn ongelofelijke en wonderlijke werken; verscheidenheid van alle gedierten en onderscheid van de walvissen. 28 Door hem is zijn bode voorspoedig, en door zijn woord bestaan al die dingen. 29 Wij zouden wel veel dingen zeggen, maar wij zouden het niet kunnen bereiken, en opdat ik mijn woorden voleindige, hij is het Al. 30 Willen wij hem verheerlijken, waar zullen wij het vermogen? Want hij is groot boven al zijn werken. 31 Verschrikkelijk is Heere, en zeer groot, en zijn vermogen is wonderbaar. 32 Verheerlijk Heere en verhoogt Hem zoveel u kunt; evenwel zal Hij het nog overtreffen. 33 Verhoog hem en brengt hem veel sterkte toe; maar vermoeit u niet, want u zult het niet bereiken. 34 Wie heeft hem gezien, en zal het vertellen? en wie zal hem groot maken zoals hij is? 35 Daar zijn nog vele verborgen dingen meer dan deze; wij hebben van zijn werken weinig gezien. 36 Want Heere heeft alle dingen gemaakt, en heeft de godvrezende wijsheid gegeven. ### Jezus Sirach 44 1 LAAT ons nu de heerlijke mannen prijzen, en onze vaders van geslachten. 2 Heere heeft door hen voor Zijn majesteit veel eer teweeg gebracht van de eeuwen af. 3 Zij hebben geheerst in hun koninkrijken, en zijn beroemde mannen geweest in vermogen; 4 Die raad gaven met verstand, en verkondigd hebben van profetieën. 5 Leiders van het volk in de raadslagen, en in het verstand van de beschreven wetten van het volk. 6 Wijze redenen zijn geweest in hun onderwijzing, en zij zochten liefelijke gezangen uit van muziek, en verhaalden beschreven gedichten. 7 Rijke mannen, voorzien met sterkte, en vreedzaam levende in hun woningen. 8 Al deze zijn onder hun geslachten verheerlijkt geweest en in hun dagen beroemd. 9 Enige zijn er onder hen, die een naam nagelaten hebben, waardoor hun grote lof verteld wordt. 10 Maar enige zijn er waarvan geen herinnering is, en die vergaan zijn alsof zij niet geweest waren; en zijn geworden alsof zij nooit geboren waren; evenzo hun kinderen na hen. 11 Maar deze zijn mannen van de barmhartigheid, van wie de gerechtigheden niet zijn vergeten. 12 Bij hun zaad blijft een goed erfdeel; hun nakomelingen zijn in de verbonden. 13 Hun zaad is in de verbonden, en hun kinderen na hen. 14 Tot in de eeuwigheid blijft hun zaad, en hun heerlijkheid zal niet uitgewist worden. 15 Hun lichamen zijn in vrede begraven, en hun naam leeft van geslacht tot geslacht. 16 De volken zullen hun wijsheid vertellen, en de gemeente zal hun lof verkondigen. 17 Henoch behaagde God Heere, en werd weggenomen, om het geslacht een voorbeeld van de boetvaardigheid te zijn. 18 Noach werd volkomen bevonden en rechtvaardig, in de tijd van de toorn gebeurde hem vergelding. 19 Daarom gebeurde de zondvloed, en eeuwige verbonden werden met hem opgericht, opdat niet alle vlees door de zondvloed zou vernietigd worden. 20 Abraham is geweest een grootvader van een menigte volken, en daar is niemand gevonden hem gelijk in zijn heerlijkheid, die de wet van de Allerhoogste bewaard heeft, en met hem in een verbond geweest is. 21 In zijn vlees heeft Heere het verbond opgericht, en in de verzoeking werd hij getrouw bevonden. 22 Daarom heeft hij hem met een eed beloofd, dat hij de volken zou zegenen in zijn zaad; 23 En hem zou vermenigvuldigen zoals het stof van de aarde; en dat zij een erfdeel zouden bezitten van de ene zee tot aan de andere, en van de rivier tot aan het uiterste van de aarde. 24 En zo heeft hij ook in Izaäk gesteld, omwille van Abraham, zijn vader, de zegen van alle mensen, en het verbond, en heeft het doen rusten op het hoofd van Jakob. 25 Die heeft hij gekend in zijn zegeningen, en hem een erfdeel gegeven, en heeft zijn deel gescheiden in stammen, die hij verdeeld heeft in twaalf. 26 En heeft uit hem voortgebracht een man van de barmhartigheid, die gunst gevonden heeft in de ogen van alle vlees. ### Jezus Sirach 45 1 NAMELIJK Mozes, door God en de mensen geliefd, van wie de herinnering is in zegening. 2 Hij heeft hem aan de heerlijkheid van de heiligen gelijkgemaakt, en heeft hem door de vrees van de vijanden groot gemaakt; door zijn woorden heeft hij de tekenen doen ophouden; en heeft hem verheerlijkt voor het aangezicht van de koningen. 3 Hij heeft hem bevel gegeven aan zijn volk, en heeft hem zijn heerlijkheid getoond. 4 Door zijn geloof en zachtmoedigheid heeft hij hem geheiligd; hij heeft hem uit alle vlees uitverkoren. 5 Hij heeft hem zijn stem laten horen, en heeft hem ingevoerd in het donker; 6 En heeft hem van aangezicht tot aangezicht bevelen gegeven, de wet van het leven en van de wetenschap; deze heeft Jakob het verbond geleerd, en Israël zijn rechten. 7 Aäron, zijn broer, uit de stam van Levi, heeft hij verhoogd, dat hij heilig en hem gelijk was. 8 Hij heeft met hem een eeuwig verbond opgericht, en hem gegeven het priesterdom onder zijn volk, en verheerlijkt met schoon sieraad. 9 En heeft hem omgord met een kleed van de heerlijkheid, en hem aangetrokken een volkomen roem, en hem gesterkt met uitrusting van de sterkte; 10 Met onderbroeken, lange rok, en lijfrok; 11 En heeft hem rondom behangen met granaatappels, en zeer veel gouden belletjes rondom heen, om geluid te maken met geklank in het gaan; en een gerucht te maken dat men horen kon in de tempel, en dat tot een herinnering mocht dienen de kinderen van zijn volk. 12 Met een heilige gouden, en hemelsblauwe en purperen rok, het werk van een borduurwerker; met de lap van het gericht, openbare tekenen van de waarheid; 13 Gemaakt van getweernd scharlaken zijde, zeer kunstig gewerkt, van kostelijke stenen gegraveerd, als een zegel in goud ingevat, een werk van de graveerder; waarin tot een herinnering geschreven en gegraveerd was het getal van de Israëlieten. 14 Hij heeft hem versierd met een gouden kroon boven op de hoed, een uitgedrukt zegel van de heiligheid, een heerlijke roem, machtige werken, verlustigingen van de ogen, schone versieringen. 15 Vóór hem zijn dergelijke dingen niet geweest; 16 En niemand deed ooit deze kleren aan, die uit een ander geslacht was, behalve alleen zijn zonen, en die uit hem geboren waren altijd. 17 Hun slachtoffers werden tweemaal per dag gedurig geheel verbrand. 18 Mozes heeft zijn handen gevuld, en heeft hem met heilige olie gezalfd. 19 Dit is hem geweest tot een eeuwig verbond, en zijn zaad zolang de hemel dagen zal hebben; om tegelijk zijn dienst waar te nemen, en het priesterschap te bedienen, en het volk in zijn naam te zegenen. 20 Uit alle levenden heeft hij hem uitverkoren, om Heere offergaven toe te brengen; reukwerk en aangename geur tot herinnering, om verzoening te doen voor het volk. 21 Hij heeft hem zijn bevelen gegeven, en macht in de voorschriften van de rechten, om Jakob zijn getuigenissen te leren, en Israël door zijn wet te verlichten. 22 Vreemden zijn tegen hem opgestaan, en hebben hem benijd in de woestijn; mannen die het met Dathan en Abiram hielden, en de vergadering van Korach, met woede en toorn. 23 Maar Heere zag het, en had geen behagen daaraan, en zij zijn vernield in de woede van Zijn toorn. 24 Hij heeft aan hen wonderen gedaan, en heeft hen verteerd door het vlammig vuur. 25 Hij heeft Aärons heerlijkheid vermeerderd, en hem een erfdeel gegeven, de eerstelingen van de eerstgeborenen heeft hij hem ten deel gegeven. 26 Vooral heeft hij hem brood toebereid in verzadiging; want zij eten de slachtoffers van Heere, die Hij hem en zijn zaad gegeven heeft. 27 Maar in het land van het volk had hij geen erfdeel, en kreeg geen deel onder het volk, want hij zelf was het deel van zijn erfenis. 28 En Pinehas, de zoon van Eleazar, is de derde in heerlijkheid, omdat hij had geijverd in de vrees voor de Heere. 29 En gestaan had als zich het volk had afgekeerd, met een goede toegenegenheid van zijn gemoed, en voor Israël verzoend had. 30 Daarom heeft Heere met hem en zijn volk opgericht een verbond van de vrede, dat hij zou zijn een voorstander van de heilige dingen, en dat hij en zijn zaad de grote heerlijkheid van het priesterdom zou hebben in de eeuwigheid. 31 En zoals, volgens het verbond opgericht met David, een zoon uit de stam van Juda het erfdeel van de koning heeft, en komt van de ene zoon alleen tot de andere; zo is het erfdeel van het priesterdom Aäron toegelegd en zijn zaad. 32 Hij geve u wijsheid in uw hart om te richten zijn volk in gerechtigheid, opdat hun goederen niet verdwijnen, en geve zijn heerlijkheid in hun generaties. ### Jezus Sirach 46 1 JOZUA de zoon van Nun, was sterk in de oorlog, en kwam in Mozes' plaats in de profetieën. 2 Die groot werd, volgens zijn naam, in de verlossing van zijn uitverkorenen; om wraak te doen aan de vijanden die tegen hen opstonden, en om Israël te brengen tot de bezitting van zijn erfdeel. 3 Hoe is hij verheerlijkt geworden, als hij zijn handen ophief, en het zwaard tegen de steden uittrok? 4 Wie heeft eer dan hij zo gestaan? want de oorlogen van Heere heeft hij gevoerd. 5 En is de zon niet door zijn hand achteruit gegaan? En is niet één dag als twee geworden? 6 Hij riep de Allerhoogste God aan als hij de vijanden rondom onderdrukte, en de grote Heere verhoorde hem, en hielp door geweldige sterke hagelstenen. 7 Hij brak uit met oorlog tegen de volken, en in het afkomen tot hen vernielde hij die tegenstonden. 8 Opdat de volken al hun wapentuig zouden kennen, dat namelijk zijn oorlog voor Heere was, want ook volgde hij de machtige na. 9 En ten tijde van Mozes deed hij barmhartigheid, hij en Kaleb de zoon van Jefune, als zij de gemeente wederstonden, om het volk te verhinderen dat het niet zou zondigen en om de boze geklaag te stillen. 10 En deze twee zijn behouden geweest, van zeshonderdduizend te voet, om hen te brengen in het erfdeel, in het land dat van melk en honing vloeit. 11 Heere gaf Kaleb sterkte, die hem bijbleef tot in zijn ouderdom, dat hij opklom op het hoogste van het land, en zijn zaad heeft dat erfdeel behouden. 12 Opdat al de Israëlieten zouden zien, dat het goed is Heere na te volgen. 13 En de richters, elk met zijn naam, van wie aller hart niet heeft gehoereerd, en zo velen niet zijn afgekeerd van Heere, hun herinnering is ook gezegend. 14 Dat hun gebeente opnieuw spruit in hun plaats, en hun naam door verwisseling vernieuwd worde in de zonen van hun beroemde ouders. 15 Samuël, geliefd door zijn Heere, zijnde een profeet van Heere, heeft koninkrijken ingesteld, en vorsten gezalfd over zijn volk. 16 Hij richtte de vergadering naar de wet van Heere, en Heere bezocht Jakob. 17 Door zijn geloof is hij ten volle bevonden een profeet, en is bekend geworden door zijn woord. 18 En hij riep Heere, de machtige, aan, als hem zijn vijanden rondom drukten, en offerde een melklam; 19 En Heere donderde van de hemel; en maakte dat Zijn stem gehoord werd door de grote weerklank van de donder; 20 En vernietigde de vorsten van de Tyriërs, en alle oversten van de Filistijnen. 21 En voordat hij ontsliep betuigde hij voor Heere, en zijn gezalfde, zeggende: Geld, ook tot schoenen toe, heb ik van niemand ontvangen; en geen mens klaagde over hem. 22 En nadat hij ontslapen was profeteerde hij, en voorzeide de koning zijn einde, en verhief zijn stem uit de aarde, met een profetie, dat de ongerechtigheid van het volk zou vernietigd worden. ### Jezus Sirach 47 1 NA deze stond Nathan, de profeet, op in de dagen van David. 2 Zoals het vette is afgezonderd geweest van het dankoffer, zo is David afgezonderd uit de Israëlieten. 3 Onder leeuwen verkeerde hij zoals onder geitebokjes, en onder beren, zoals onder lammeren. 4 In zijn jeugd bracht hij een reus om, en nam de versmaadheid uit het volk weg. 5 Toen hij zijn hand ophief om met de steen van de slinger de trots van Goliath terneder te werpen. 6 Want hij riep de Allerhoogste Heere aan, en die gaf hem in zijn rechterhand kracht dat hij wegnam een mens, die machtig was in de oorlog, om de hoorn van zijn volk te verhogen. 7 Zodat het hem verheerlijkte onder tienduizenden, en prees hem met zegeningen van Heere, als hem de kroon van de heerlijkheid gebracht werd. 8 Hij vernietigde de vijanden rondom, en bracht tot niet de Filistijnen die tegen hem waren, tot op de huidige dag toe heeft hij hun hoorn verbroken. 9 In al wat hij deed gaf hij God, de heilige en Allerhoogste, de eer, met heerlijke woorden. 10 Uit geheel zijn hart zong hij lofzangen, en had degene lief die hem gemaakt had. 11 En heeft zangers ingesteld voor het altaar, om uit zijn geluid een zoete toon te maken, en dagelijks God te prijzen met hun gezangen, 12 Hij heeft op de feesten ingesteld dingen die wel staan, en de bestemde tijden volkomen versierd, opdat zij zouden prijzen zijn heilige naam, en vroeg in de morgen aan zijn heiligdom weerklank zouden doen geven. 13 Heere heeft zijn zonden weggenomen, en zijn hoorn verhoogd in eeuwigheid; en heeft hem gegeven het verbond van het koninkrijk, en de troon van de heerlijkheid in Israël. 14 Na hem stond op zijn zoon zijnde een wijs man, en door hem heeft het volk in ruimte gewoond. 15 Salomo regeerde in de tijd van de vrede, en is beroemd geworden, zoals God rondom hem rust gegeven had, opdat hij voor Zijn naam een huis zou oprichten, en een heiligdom bereiden in de eeuwigheid. 16 Hoe wijs was hij in zijn jeugd? en werd vervuld met verstand zoals een stroom. 17 Uw ziel heeft de hele aarde bedekt, en met scherpzinnige spreuken vervuld. 18 Uw naam is ver tot in de eilanden gekomen, en u bent geliefd geweest in uw vrede. 19 De gewesten waren verwonderd over uw gezangen, en spreuken, en gelijkenissen, en uitleggingen. 20 In de naam van Heere, de God van de hele aarde, die bijgenaamd wordt de God van Israël, bracht u goud samen zoals tin, en zoals lood vermenigvuldigde u het zilver; maar u hebt uw hart geneigd tot de vrouwen; 21 En bent met uw lichaam in haar macht gekomen. 22 Zo hebt u uw heerlijkheid een schandvlek aangehangen, en uw zaad ontheiligd, en over uw kinderen toorn gebracht, en dat zij zijn gekweld geworden vanwege uw dwaasheid, als de heerschappij in twee gescheurd werd, en uit Efraïm een ongehoorzaam koninkrijk ontstond. 23 Maar Heere verliet Zijn barmhartigheid niet, en werd geheel niet afgewend van Zijn werken. 24 Hij wiste uit de nakomelingen van zijn uitverkorenen ook niet uit, en nam het zaad van degene, die hem had liefgehad, niet weg. 25 En gaf Jakob een overblijfsel, en David een wortel uit hem gesproten. 26 En Salomo rustte met de vaders, en liet na van zijn zaad een zeer dwaze onder het volk, en gering van verstand, namelijk Rehabeäm, die het volk deed afvallen door zijn raad. 27 Toen kwam Jerobeam, de zoon van Nebat, die maakte Israël zondigende, en gaf Efraïm een weg van de zonde, en hun zonden vermenigvuldigden zeer; 28 Dat zij afvallig werden van het land, totdat de toorn en wraak over hen zouden komen. ### Jezus Sirach 48 1 DAARNA stond Elia de profeet op zoals een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel. 2 Die over hen bracht een zware honger, en door zijn ijver maakte hij dat van hun weinig werd. 3 Door het woord van Heere hield hij de hemel op, en deed drie keer vuur uit de hemel neerkomen. Hoe bent u verheerlijkt geworden Elia, door uw wonderdaden! 4 En wie is u gelijk om te roemen! 5 U, die een dode uit de dood hebt opgewekt, en een ziel uit het graf door het woord van de Allerhoogste. 6 U hebt koningen afgevoerd in het verderf, en die verheven waren tot eer, van hun bed. 7 U, die op Sinaï gehoord hebt de bestraffing van Heere, en op Horeb de oordelen van de wraak. 8 U, die koningen hebt gezalfd, dat zij het zouden vergelden, en profeten die na u zouden volgen. 9 U, die opgenomen bent geweest door een vurige draaiwind, in een wagen met vurige paarden. 10 U bent opgeschreven om te doen bestraffingen te zijner tijd, en te stillen de toorn van het grimmige oordeel van Heere; te keren het hart van de vader tot de zoon, en te bestellen de stammen van Jakob. 11 Zalig zijn zij die u gezien hebben, en die in liefde ontslapen zijn. 12 Want ook wij zullen zeker leven. 13 Elia is het, die bedekt werd met een draaiwind; en Elisa werd vervuld met de Heilige Geest; en in zijn dagen werd hij niet bewogen door de oversten, en niemand heeft hem met geweld onderdrukt. 14 Geen ding ging hem te boven, en als hij ontslapen was profeteerde zijn lichaam; 15 En in zijn leven deed hij wonderen, en in zijn dood waren zijn werken wonderlijk. 16 Door al deze dingen bekeerde zich het volk niet, en stond van hun zonden niet af voordat zij als een roof zijn weggevoerd uit hun land, en verstrooid door de hele aarde. 17 En daar bleef een klein volk over, en een overste in het huis van David. 18 Enigen van hen deden wel wat God behagelijk was, maar enigen vermenigvuldigden de zonden. 19 Hiskia maakte zijn stad vast, en leidde water in het midden daarvan; hij groef de spitse rotssteen met ijzer, en bouwde fonteinen om water te hebben. 20 In zijn dagen trok Sanherib op, en zond Rabsake van Lachis, en verhief zijn hand tegen Sion, en pochte zeer in zijn hoogmoed. 21 Toen werden hun harten en handen bewogen, en kregen smart zoals de barende vrouwen. 22 En zij riepen Heere, de ontfermer, aan, en breidden hun handen tot Hem uit. 23 En de heilige uit de hemel verhoorde hen, en verloste hen door de hand van Jesaja. 24 Hij sloeg het leger van de Assyriërs, en zijn engel vermorzelde hen. 25 Want Hiskia deed wat Heere behaagde, en hield vast aan de wegen van David, zijn vader, zoals Jesaja die grote en eerwaardige profeet in zijn visioen geboden had. 26 In zijn dagen ging de zon achteruit, en Heere verlengde de koning het leven. 27 Hij zag door een grote geest de laatste dingen, en troostte degenen die treurden in Sion. 28 Hij wees aan de toekomende dingen tot in eeuwigheid, en de verborgen dingen voordat ze gebeurden. ### Jezus Sirach 49 1 DE herinnering van Josia, is als een samen gemengd reukwerk, toebereid door de kunst van de apotheker. 2 Zij is zoet in de mond van een ieder als honing, en als een muziekspel op een wijnbanket. 3 Hij heeft zich recht gedragen in de bekering van het volk, en heeft weggenomen de gruwelijke dingen van de ongerechtigheid. 4 Hij richtte zijn hart tot Heere; in de dagen van de onrechtvaardigen versterkte hij de godvrezendheid. 5 Uitgezonderd David en Hiskia, en Josia, hebben zij allen misdaden begaan. 6 Want zij hebben de wet van de Allerhoogste verlaten; de koningen van Juda zijn bezweken. 7 Daarom heeft hij hun troon anderen gegeven, en hun heerlijkheid aan een vreemd volk. 8 Die hebben de uitverkoren, heilige stad verbrand, en haar wegen woest gemaakt door de hand van Jeremia. 9 Want zij hebben hem kwalijk behandeld, hoewel hij in moeders lichaam was geheiligd tot een profeet, om uit te roeien, en kwalijk te handelen, en te verderven; van gelijken om te bouwen en te planten. 10 Ezechiël is het, die een heerlijk visioen zag, dat Heere hem toonde in de wagen van de cherubim. 11 Want ook gedacht hij de vijanden in de plasregen, en bracht terecht die hun wegen recht maakten. 12 Ook de herinnering van de twaalf profeten zij in zegening. 13 Hoe zullen wij Zerubbabel genoeg verheffen! want hij was zoals een zegelring aan de rechterhand. 14 Zo Jesua de zoon van Josadak, die in hun dagen het huis weer hebben gebouwd, en de heilige tempel opgericht, die Heere werd toebereid tot een eeuwige heerlijkheid. 15 Onder de uitverkorenen was ook Nehemia, van wie de herinnering vele keren wordt verhaald, die ons de vervallen muren heeft opgericht, en de poorten en richelen heeft gesteld, en de vloeren van onze huizen wederopricht. 16 Zo iemand is er geen geschapen geweest op aarde als Henoch, want hij is opgenomen van de aarde. 17 En daar is geen man geweest als Jozef, een leidsman zijn broers, 18 Een steunsel van het volk, en zijn gebeenten zijn bezocht door Heere. 19 Sem en Seth zijn verheerlijkt geweest onder de mensen, en Adam boven alles in de schepping. ### Jezus Sirach 50 1 SIMON, de zoon van Onias, de hogepriester, die in zijn leven het huis van Heere heeft vermaakt, heeft ook in zijn dagen het volk bevestigd. 2 Onder hem is het fundament gelegd van de dubbele verheven hoogte, de hoge omgang van de tempel. 3 In zijn dagen waren de watervaten te klein, en werd gemaakt een metalen bekken zoals de zee, houdende drie keer zo veel. 4 Hij droeg zorg voor zijn volk, dat het niet viel. 5 U hebt de stad sterk gemaakt en omgekeerd, u bent verheerlijkt door uw verkeer met het volk, en door de uitgang uit het huis waar het voorhangsel voorhangt. 6 U was zoals de morgenster in het midden van de wolken, zoals de maan als zij vol is op haar tijd, en zoals de regenboog de heerlijke wolken verlicht. 7 Zoals de zon uitschijnende op de tempel van de Allerhoogste; zoals de bloem van de rozen in de tijd van de nieuwe bloemen; zoals de leliën aan de oorsprong van het water; zoals een spruit van Libanon in de dagen van de zomer; 8 Zoals vuur en wierook op een vuurpan; 9 Zoals een gouden voorwerp, dat met de hamer dicht geslagen, en met allerlei kostelijk gesteente versierd is; 10 Zoals een schone olijfboom, die vruchten voortspruit; en zoals een cypresseboom, die verhoogd is tot aan de wolken; als hij het kleed van de heerlijkheid nam, en als hij de volmaakte roem aantrok. 11 In het opklimmen tot het heilige altaar verheerlijkte hij de heilige kleding. 12 En als hij de gedeelten van de offergaven uit de hand van de priester ontving, zo stond hij zelf bij de haard van het altaar. 13 Rondom hem was een omstaande menigte van zijn broers, zoals spruiten van cederbomen op de Libanon, en omsingelden hem zoals scheuten van palmbomen; namelijk al de zonen van Aäron in hun heerlijkheid, en de offergave van Heere was in hun handen, in aanwezigheid van de hele gemeente van Israël; 14 En voleindigende de diensten op het altaar, om te versieren de offergave van de Allerhoogste en van de Almachtige, 15 Strekte hij zijn handen uit tot de offerbeker, en offerde van het druivenbloed, 16 Uitgietende op de fundamenten van het altaar een aangename geur voor de Allerhoogste, die koning is over alles. 17 Toen riepen de zonen van Aäron, met dun gesmede trompetten een weerklank gevende; en maakten dat er gehoord werd een groot geschal, tot een herinnering voor de Allerhoogste. 18 Dan haastte heel het volk gezamenlijk, en viel op hun aangezicht ter aarde, om hun Heere, de almachtige en Allerhoogste God, aan te bidden. 19 En de zangers prezen God met hun stemmen, en in het meeste geluid was een zoet gezang. 20 En het volk van Heere, van de Allerhoogste, smeekte in hun gebed, voor het aangezicht van de ontfermer, totdat voleindigd was het versiersel van Heere, en zij zijn dienst geëindigd hadden. 21 Dan hief Simon, de Hogepriester, afklimmende, zijn handen op over de hele gemeente van de Israëlieten, om hun te geven de zegen van Heere met zijn lippen, en om in Zijn naam te roemen. 22 En zij baden voor de tweede keer aan, om de zegen van de Allerhoogste te verkrijgen. 23 En nu dankt de God van alle dingen, die alleen grote dingen doet overal, die onze dagen verhoogt van moeders schoot af, en die met ons handelt naar Zijn barmhartigheid. 24 En bidt dat het vrede worde in onze dagen in Israël, zoals het in de dagen van de vorige eeuw geweest is; dat hij getrouw aan ons bewijze zijn barmhartigheid, en ons verlosse in onze dagen. 25 Over twee volken is mijn ziel verstoord, en het derde is geen volk: 26 Die hun zitplaats hebben op de berg van Samaria, en mensen die in het land van de Filistijnen wonen, en het dwaze volk dat te Sichem woont. 27 Jezus, de zoon van Sirach, van Jeruzalem heeft in dit boek op schrift gesteld een onderwijzing van het verstand en van de wetenschap; die de wijsheid als een plasregen uit zijn hart heeft doen vloeien. 28 Zalig is hij, die zich in deze dingen oefenen zal, en die ze ter harte neemt, zal wijs worden. 29 Want als hij ze doet, zal hij tot alle dingen bekwaam zijn, omdat het licht van Heere zijn voetstap is, en Hij geeft de godvrezenden wijsheid. 30 Geprezen zij Heere in de eeuwigheid. Dat gebeure, dat gebeure! ### Jezus Sirach 51 1 Een Gebed van Jezus, de zoon van Sirach. IK zal U belijden Heere, Koning, en ik zal U prijzen, o God, die mijn zaligmaker bent. 2 Ik belijd Uw Naam, dat U mij een beschermer en helper geweest bent, en hebt mijn lichaam uit de verderfenis verlost; 3 En van de strik van de lasterende tong; van de lippen van degenen die leugens oefenen; en tegen degenen die zich tegen mij stelden, bent U mij een helper geweest. 4 U hebt mij verlost naar de menigte van de barmhartigheid van Uw Naam, uit de tanden die bereid waren om mij te verslinden; 5 Uit de hand van degenen die mijn ziel zochten; uit de vele verdrukkingen, die ik gehad heb; 6 Van de verstikking van het vuur rondom; uit het midden van het vuur, dat ik niet verbrand ben; 7 Uit de diepte van de buik, en van de onreine tong, van het leugenachtige woord, door de lastering bij de koning, en van een onrechtvaardige tong. 8 Mijn ziel was nabij de dood gekomen; en mijn leven was nabij het diepste graf. 9 Zij hadden mij van alle zijden omzet, en daar was geen helper; ik zag om naar bijstand van de mensen, en daar was geen. 10 Toen gedacht ik aan Uw barmhartigheid, Heere, en aan Uw werken van alle tijden. 11 Dat U degenen die volhardende verwachten uithelpt, en hen verlost uit de hand van de vijanden. 12 En heb van de aarde mijn ootmoedig gebed opgeheven, en gesmeekt om verlossing van de dood. 13 Ik riep Heere de vader van mijn Heer aan, dat Hij mij niet wilde verlaten in de dag van de verdrukking, ten tijde als ik geen hulp had tegen de hoogmoedigen. 14 Ik zal Uw naam prijzen zonder ophouden, en U lofzingen met dankzegging, en mijn smeking is verhoord geweest. 15 Want U hebt ons verlost uit het verderf, en mij getrokken uit de boze tijd. 16 Daarom zal ik U belijden, Heere, en zal U prijzen, en zal Uw naam danken. 17 Als ik nog jong was, voordat ik dwaalde, heb ik de wijsheid openbaar gezocht door mijn gebed. 18 Voor de tempel heb ik om haar gebeden, en tot het uiterste toe zal ik haar ijverig zoeken. 19 Mijn hart is in haar verheugd geweest, zoals over een druif die na het bloeisel rijp wordt. 20 Mijn voet is recht heengegaan; van mijn jeugd af heb ik haar nagespeurd. 21 Ik heb mijn oor een weinig geneigd, en heb haar aangenomen; 22 En heb voor mijzelf veel onderwijzing gevonden, ik ben door haar toegenomen. 23 Degene die mij wijsheid geeft, die zal ik macht toeschrijven. 24 Want ik heb gedacht om haar in het werk te stellen, en te beijveren het goede, en zal in geen geval te schande worden. 25 Mijn ziel heeft om haar zeer gestreden, en in mij honger verwekt hebbende, heb ik haar ijverig doorzocht. 26 Ik heb mijn handen uitgerekt tot de hoogte, en mijn onwetendheden van haar bemerkt. 27 Ik heb mijn ziel naar haar gericht, en in reiniging heb ik haar gevonden. 28 Ik heb van het begin af tot haar een hart gekregen, daarom zal ik niet verlaten worden. 29 Mijn hart is ontroerd geworden om haar te zoeken, daarom heb ik een goede bezitting verkregen. 30 Heere heeft mij een tong gegeven tot mijn loon, en met deze zal ik Hem prijzen. 31 Gemaakt tot mij, u die niet onderwezen bent, en overnacht in het huis van de onderwijzing. 32 Wat vertraagt u? of wat zegt u hiertoe? zo toch uw zielen zeer dorsten. 33 Ik heb mijn mond geopend en heb gesproken, koopt u wijsheid zonder geld. 34 Leg uw hals onder het juk, en uw ziel neme onderwijzing aan, zij is nabij om te vinden. 35 Zie met uw ogen dat ik weinig moeite gehad heb, en heb voor mijzelf veel rust gevonden. 36 Wees deelachtig de onderwijzing met een groot getal gelds, en veel goud zult u in haar bezitten. 37 Uw ziel verheuge zich over de barmhartigheid van Heere, en schaamt u niet Hem te prijzen. 38 Werk uw werk voor de tijd, en hij zal u te zijner tijd loon geven. ## Baruch ### Baruch 1 1 DIT zijn de redenen van het boek, die Baruch, de zoon van Neria, de zoon Mahasia, de zoon van Zedekia, de zoon Asadia, de zoon van Chelkia, geschreven heeft in Babylonië. 2 In het vijfde jaar, de zevende dag van de maand, op die tijd, waarin de Chaldeeën Jeruzalem ingenomen, en het met vuur verbrand hebben. 3 En Baruch las de redenen van dit boek voor de oren van Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda; 4 En voor de oren van het hele volk, dat tot dat boek kwam; en voor de oren van de machtigen, en van de zonen van de koningen; en voor de oren van de oudsten, en voor de oren van het hele volk, van de kleinen tot de groten, voor allen die woonden in Babylonië bij de rivier Sud. 5 En zij huilden en vastten, en baden tot Heere; 6 En zij verzamelden geld, naar dat een ieders hand kon dragen. 7 En zij zonden het naar Jeruzalem, aan Jojakim, de zoon van Chelkia, de zoon van Salom, de priester; en aan de priesters, en aan al het volk, dat met hem te Jeruzalem gevonden werd; 8 Wanneer hij de voorwerpen van het huis van Heere ontvangen had, die uit de tempel weggevoerd waren; om die weer te brengen in het land Juda, op de tiende dag van de Maand Sivan; namelijk de zilveren voorwerpen, die Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, gemaakt had. 9 Nadat Nabuchodonosor, de koning te Babel, van Jeruzalem weggevoerd had, Jechonia en de oversten, en de gevangenen, en de machtigen, en het volk van het land, en het naar Babel gebracht had. 10 En zij zeiden: Ziet wij zenden u geld over; koopt met dit geld brandoffer, en zondoffer, en wierook, en bereidt voedseloffer, en offert op het altaar van Heere onze God. 11 En bidt voor het leven van Nabuchodonosor, de koning van Babel, en om het leven van Balthazar, zijn zoon; opdat hun dagen zijn mogen zoals de dagen van de hemel op de aarde. 12 Zo zal Heere ons sterkte geven, en zal onze ogen verlichten, en wij zullen leven onder de schaduw van Nabuchodonosor, de koning te Babel, en onder de schaduw van Balthazar, zijn zoon, en zullen hen vele dagen dienen, en genade voor hen vinden. 13 Bid ook voor ons, tot Heere onze God, want wij hebben tegen Heere onze God gezondigd, en de toorn van Heere en Zijn gramschap is van ons niet afgewend tot op deze dag. 14 En u zult dit boek lezen, dat wij tot u gezonden hebben, om in het huis van Heere openlijk voor te lezen, op de feestdag en op het juiste tijdstip. 15 En spreekt zo: Bij Heere onze God is gerechtigheid, maar bij ons is schaamte van het aangezicht, zoals het te deze dage gaat de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem: 16 En onze koningen, en onze oversten, en onze priesters, en onze profeten, en onze vaders; 17 Vanwege de zonden, die wij voor Heere begaan hebben; 18 En wij zijn Hem ongehoorzaam geweest, en hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, om te wandelen naar de bevelen van Heere, die Hij voor ons aangezicht gegeven had. 19 Van de dag af, op welke Heere onze vaders uit Egypte land geleid heeft, tot op deze dag toe, zijn wij ongehoorzaam geweest tegen Heere onze God, en zijn snel geweest om Zijn stem niet te horen. 20 En aan ons zijn gekleefd de ellenden, en de vervloeking, die Heere bestemd had door Mozes, Zijn knecht, op de dag, waarop Hij onze vaders uitgeleid heeft uit het land van Egypte, om ons te geven een land dat vloeide van melk en honing, zoals het op deze dag is. 21 En wij hebben de stem van Heere onze God niet gehoord, naar al de woorden van de profeten, die Hij tot ons heeft gezonden. 22 Maar een ieder van ons is voortgegaan, in de gedachten van zijn boos hart, om andere goden te offeren, en kwaad te doen voor de ogen van Heere onze God. ### Baruch 2 1 EN Heere heeft Zijn Woord bevestigd, dat Hij over ons gesproken had, en over onze rechters, die Israël gericht hebben, en over onze koningen, en over onze oversten, en over de mannen van Israël en Juda. 2 Dat Hij over ons grote ellende liet komen, zoals Hij niet heeft gedaan onder de hele hemel, zoals Hij gedaan heeft te Jeruzalem, naar dat geschreven is in de wet van Mozes; 3 Zodat wij eten zouden, de één het vlees van zijn zoon, en de ander het vlees van zijn dochter. 4 Hij heeft hen overgegeven om knechten te zijn in al de koninkrijken, die rondom ons liggen; tot een versmaadheid en verwoesting onder alle volken die rondom ons zijn, waaronder Heere hen verstrooid heeft. 5 Zij zijn ten onder gekomen, en niet boven; omdat wij ons verzondigd hebben aan Heere onze God, zodat wij Zijn stem niet hebben gehoord. 6 Bij Heere onze God is de rechtvaardigheid, maar bij ons en onze vaders de schaamte van de aangezichten, zoals deze dag zelf uitwijst. 7 Al wat Heere over ons gesproken heeft, dat kwaad is over ons gekomen. 8 En wij hebben het aangezicht van Heere niet gesmeekt, dat zich een ieder zou afgekeerd hebben van de gedachten van zijn boze harten. 9 En Heere is wakker geweest in de straffen, en Heere heeft die over ons gebracht, want Heere is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij ons heeft geboden. 10 Maar wij hoorden Zijn stem niet, om te wandelen in de bevelen van Heere, die Hij gegeven had voor ons aangezicht. 11 En nu Heere, U God van Israël, die Uw volk uit Egypteland geleid hebt met sterke hand, en met tekenen, en met wonderen, en met grote kracht, en met hoge arm, en hebt U een naam gemaakt, zoals deze dag uitwijst. 12 Wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest, wij hebben onrecht gedaan, Heere onze God, tegen al Uw voorschriften. 13 Laat Uw toorn van ons keren, want wij zijn weinigen overgebleven onder de heidenen, waarheen U ons verstrooid hebt. 14 Verhoor, Heere, ons gebed en onze smeking, en trek ons hieruit om Uwentwil, en geef ons genade voor het aangezicht van degenen, die ons weggevoerd hebben. 15 Opdat de hele aardbodem wete, dat U Heere onze God bent, en dat Israël en zijn geslacht naar Uw naam genoemd wordt. 16 Heere zie neer uit Uw heilig huis, en gedenk aan ons, en neig, Heere, Uw oor, en hoor. 17 Doe Uw ogen open Heere, en zie, want de doden in het graf, van wie de geest van hun ingewanden weggenomen is, zullen Heere de prijs van de heerlijkheid en rechtvaardigheid niet geven. 18 Maar de ziel, die enorm bedroefd is, de geest die gebogen en zwak daarheen gaat, de ogen die bezwijken, en de ziel die hongerig is, zullen U, Heere, de prijs van de heerlijkheid en van de gerechtigheid geven. 19 Want wij storten ons erbarmelijk gebed, o Heere onze God, niet uit voor Uw aangezicht, vanwege de rechtvaardigheid van onze vaders en van onze koningen. 20 Want U hebt Uw toorn en gramschap over ons gebracht, zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knechten, de profeten zeggende: 21 Zo spreekt Heere: Neig uw schouder om de koning van Babylonië te dienen, zo zult u blijven zitten in het land dat Ik uw vaders gegeven heb. 22 En als u de stem van Heere niet zult horen, om de koning van Babylonië te dienen, 23 Zo zal Ik maken, dat uit de steden van Juda en buiten Jeruzalem ophoude de stem van de vreugde, en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom, en de stem van de bruid, en het hele land zal woest worden van inwoners. 24 Maar wij hebben Uw stem niet gehoord, om de koning van Babylonië te dienen; daarom hebt U Uw woorden bevestigd, die U gesproken had door de dienst van Uw knechten, de profeten, dat de gebeenten van onze koningen, en de gebeenten van onze vaders zouden gebracht worden uit hun plaats. 25 Zie, zij zijn uitgeworpen voor de hitte van de dag en voor de koude van de nacht, en zij zijn gestorven in zware moeiten, door honger en door zwaard, en door wegvoering. 26 U hebt het huis, waarin Uw naam was aangeroepen, gemaakt zoals het te deze dage is, vanwege de boosheid van het huis van Israël, en van het huis van Juda. 27 U hebt met ons gedaan, Heere onze God, naar al Uw eerlijkheid, en naar al Uw grote barmhartigheid. 28 Zoals U gesproken hebt door de dienst van Uw knecht Mozes, in die dag als U hem bevolen hebt Uw wet te schrijven voor de Israëlieten, zeggende: 29 Als u Mijn stem niet zult horen, zo zal werkelijk deze hoop, die groot en veel is, veranderen in weinigen onder de heidenen, waarheen Ik hen verstrooien zal. 30 Want Ik weet dat zij Mij niet zullen horen, omdat het een hardnekkig volk is. 31 Maar zij zullen tot zichzelf inkeren in het land van hun wegvoering, en zij zullen erkennen, dat Ik Heere hun God ben, en Ik zal hun een hart geven, en oren die horen. 32 Zij zullen Mij prijzen in het land van hun wegvoering, en zullen aan Mijn naam denken. 33 En zij zullen zich bekeren van hun hardnekkigheid, en van hun boze werken, want zij zullen gedenken aan de weg van hun vaders, die gezondigd hebben voor Heere. 34 En Ik zal hen doen terugkeren in het land dat Ik hun vaders Abraham, en Izaäk, en Jakob gezworen heb, en zij zullen daarover heersen, en Ik zal hen vermenigvuldigen, en zij zullen niet verminderen. 35 En Ik zal hun een eeuwig verbond bevestigen, namelijk dat Ik hun zal zijn tot een God, en zij zullen Mij zijn tot een volk; en Ik zal Mijn volk Israël niet meer verdrijven uit het land, dat Ik hun gegeven heb. ### Baruch 3 1 ALMACHTIGE Heere, U God van Israël, een ziel die in benauwdheid is, en een angstige geest roept tot U. 2 Hoor Heere, en wees genadig, want wij hebben voor U gezondigd. 3 Want U bent gezeten in alle eeuwen, en wij vergaan in alle eeuwen. 4 Almachtige Heere, U God van Israël, hoor toch het gebed van de gestorvenen van Israël, en van de kinderen die voor U gezondigd hebben, die de stem van Heere hun God niet gehoord hebben, daarom hebben ons ook deze ellenden aangekleefd. 5 Gedenk niet de ongerechtigheden van onze vaders, maar gedenk aan Uw hand en aan Uw naam te dezer tijd. 6 Want U bent Heere onze God, en wij zullen U loven, Heere. 7 Want daarom hebt U Uw vrees gegeven in onze harten, opdat wij Uw naam zouden aanroepen, en wij zullen U loven in onze vreemdelingschap, en wij hebben ter harte genomen al de ongerechtigheden van onze vaders, die tegen U gezondigd hebben. 8 Zie, wij zijn vandaag in onze vreemdelingschap waarheen U ons verstrooid hebt, tot een smaad en tot een vloek, en tot een schuldvordering naar al de ongerechtigheden van onze vaders, die van Heere onze God afgeweken zijn. 9 Hoor Israël, de geboden van het leven, laat ze ter ore ingaan, opdat u wijsheid mag weten. 10 Wat is er Israël, dat u in het land van de vijanden bent? 11 U bent verouderd geworden in een vreemd land, u bent verontreinigd geworden onder de doden, u bent gerekend met degenen, die in het graf zijn. 12 U hebt de fontein van de wijsheid verlaten. 13 Als u op de weg van God had gewandeld, u zou eeuwig met vrede gewoond hebben. 14 Leer waar wijsheid is, waar sterkte is, waar vernuft is, opdat u meteen mag weten waar een lang leven en een zalig leven is, waar het licht van de ogen is, en vrede. 15 Wie heeft haar plaats gevonden, en wie is in haar schatkamers ingegaan? 16 Waar zijn de oversten van de heidenen, en die heersen over de wilde dieren, die op aarde zijn? 17 Die spotten met de vogels van de hemel, en het zilver tot een schat verzamelen, en het goud, waar de mensen op betrouwen, en hun bezitting is geen einde. 18 Want die het zilver bewerken, en daarvoor zorgvuldig zijn, waarvan geen uitvinding van hun werken is, 19 Die zijn verdwenen en in het graf neergedaald, en anderen zijn in hun plaats opgestaan. 20 De nakomelingen hebben het licht gezien, en hebben op de aarde gewoond, maar de weg van de wetenschap hebben zij niet gekend. 21 En hebben haar paden niet verstaan, en hebben die niet aangenomen; hun kinderen zijn ver van haar weggebleven. 22 Zij is in Kanaän niet gehoord, noch in Theman gezien geworden. 23 De kinderen van Hagar doorzoeken de wetenschap wel op aarde, de kooplieden van Merran en Theman, en de fakkeldichters en andere onderzoekers van de wetenschap, maar de weg van de wijsheid hebben zij niet gekend, noch gedacht aan haar paden. 24 O Israël hoe groot is het huis van God! en hoe hoog de plaats van Zijn woning! 25 Zij is groot, en heeft geen einde, hoog, en onmetelijk. 26 Daar waren de reuzen, beroemde mensen, die van de beginne geweest zijn; groot waren zij van lichaam, en ervaren in de oorlog. 27 Deze heeft Heere niet gekozen, noch hun de weg van de kennis te verstaan gegeven. 28 Zij zijn vergaan, omdat zij de wetenschap niet gehad hebben, zij zijn vergaan vanwege hun onberadenheid. 29 Wie is ten hemel opgevaren, en heeft haar gevat, en haar uit de wolken neergebracht? 30 Wie is getogen over de zee, en heeft haar gevonden, en zal haar brengen voor uitverkoren goud? 31 Daar is niemand die haar weg weet, noch haar pad bedenkt. 32 Maar die alle dingen weet, die kent haar; Hij heeft haar gevonden door Zijn vernuft, die de aarde bereid heeft tot een eeuwige tijd, die ze vervuld heeft met viervoetige gedierten. 33 Die het licht zendt, en het gaat voort; Hij roept het, en het is Hem gehoorzaam met beven. 34 En de sterren lichten in haar nachtwaken, en zijn verheugd. 35 Hij heeft geroepen, en zij hebben gezegd: Wij zijn hier; zij hebben geschenen met vrolijkheid voor Hem, die haar gemaakt had. 36 Deze is onze God, en geen ander is tegen Hem te achten. 37 Hij heeft al de weg van de wetenschap gevonden, en Hij heeft die gegeven aan Jakob Zijn knecht, en aan Israël, dat door Hem geliefd geweest is. Daarna is zij op aarde gezien en heeft onder de mensen mee verkeerd. ### Baruch 4 1 DEZE wijsheid is het boek van de geboden van God, en de wet die in eeuwigheid bestaat. Allen die haar onderhouden is zij ten leven, maar die haar verlaten zullen sterven. 2 Bekeer u, Jakob, en neem haar aan; wandel tot verlichting voor het licht van deze. 3 Geef aan een ander uw heerlijkheid niet, noch wat u nuttig is, aan een vreemd volk. 4 Zalig zijn wij Israël, want wat God behaagt is ons bekend. 5 Heb goede moed mijn volk, u herinnering van Israël. 6 U bent de heidenen verkocht, maar niet ten verderve; en omdat u God vertoornd hebt, bent u de vijanden overgegeven. 7 Want u hebt Hem die u gemaakt heeft tot toorn verwekt, als u de demonen hebt geofferd, en niet God. 8 U hebt de eeuwige God vergeten die u geteeld heeft, en u hebt Jeruzalem bedroefd die u gevoedsterd heeft. 9 Want zij heeft gezien de toorn die van God over u komen zou, en heeft gezegd: Hoor toe, u buren van Sion, want God heeft groot leed over mij gebracht. 10 Want ik heb gezien de gevangenis van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen gebracht heeft. 11 Want ik heb hen opgevoed met vreugde, maar ik heb hen heengezonden met huilen en rouw. 12 Niemand verblijde zich over mij, die een weduwe en van velen verlaten ben; ik ben tot een woestijn geworden, om de zonden van mijn kinderen, omdat zij van de wet van God zijn afgeweken; 13 En hebben Zijn rechten niet gekend, en hebben niet gewandeld op de weg van de geboden van God, en zijn niet gegaan op de paden van de tuchtiging in Zijn gerechtigheid. 14 Kom u buren van Sion, en gedenkt de gevangenis van mijn zonen en dochters, die de Eeuwige over hen heeft gebracht. 15 Want Hij heeft over hen gebracht een volk van verre, een onbeschaamd volk, en van een andere taal. 16 Want zij hebben geen schaamte gehad voor de oude, en van het kind hebben zij zich niet ontfermd, en de eenzame hebben zij van haar dochters beroofd. 17 Maar ik? waarin kan ik u te hulp komen? 18 Maar die dit kwaad over u gebracht heeft, zal u verlossen uit de hand van uw vijanden. 19 Ga heen, kinderen, gaat heen, maar ik ben verwoest gelaten. 20 Ik heb het kleed van de vrede uitgetogen, en heb de zak van mijn smeking aangedaan, ik zal tot de Eeuwige roepen in mijn dagen. 21 Heb moed, kinderen, roept tot God, en Hij zal u verlossen uit het geweld, en uit de hand van de vijanden. 22 Want ik heb nu van de Eeuwige uw verlossing gehoopt, en mij is vreugde toegekomen van de Heilige; omwille van de barmhartigheid, die u haastig zal komen van onze eeuwige Verlosser. 23 Ik heb u uitgezonden met treuren en huilen, maar God zal u mij wedergeven met blijdschap en vrolijkheid in de eeuwigheid. 24 Want zoals nu de buren van Sion uw gevangenis gezien hebben, zo zullen zij haast zien uw verlossing door onze God, die u over u komen zal, met grote heerlijkheid en glans van de Eeuwige. 25 U kinderen, lijdt geduldig de toorn, die van God over u is gekomen, want uw vijand heeft u zeer vervolgd, maar u zult haast zijn verderf zien, en u zult op hun halzen treden. 26 Mijn tedere kinderen zijn door scherpe wegen heengegaan; zij zijn weggerukt als een kudde, die door de vijanden geroofd is. 27 Heb moed, kinderen, en roept tot God, want die dit over u gebracht heeft zal aan u gedenken. 28 Want zoals uw gedachte is geweest om van God te verdwalen, zo doet tienmaal meer ijver om, bekeerd zijnde, Hem te zoeken. 29 Want die dit kwaad over u gebracht heeft, zal over u brengen een eeuwige vreugde met uw verlossing. 30 Heb moed, Jeruzalem, want Hij die u genoemd heeft, zal u troosten. 31 Onzalig zijn zij, die u het kwaad aangedaan hebben, en die zich verheugd hebben over uw val. 32 Onzalig zijn de steden, die uw kinderen gediend hebben; onzalig de stad, die uw kinderen ontvangen heeft. 33 Want zoals zij zich verheugd heeft over uw val, en zich vervrolijkt heeft over uw ongeval, zo zal zij zich bedroeven over haar eigen verwoesting. 34 En ik zal rondom van haar wegnemen de menigte van het volk waarover zij zich verheugt, en haar roem zal in rouw veranderen. 35 Want een vuur zal over haar uitgaan van de Eeuwige, vele dagen lang, en zij zal door de demonen bewoond worden, een lange tijd. 36 Zie om u, Jeruzalem tegen de opgang, en zie de vreugde die u van God komt. 37 Zie, uw kinderen, die u hebt uitgezonden, komen; zij komen verzameld van het oosten tot het westen door het woord van de Heilige, en verheugen zich over de heerlijkheid van God. ### Baruch 5 1 JERUZALEM, doe het kleed van uw treuren en van uw verdriet uit, en doe aan het versiersel, dat u door Gods heerlijkheid gegeven is in eeuwigheid. 2 Doe om de rok van de gerechtigheid, die u door God gegeven is, en zet op uw hoofd de tulband van de heerlijkheid van de Eeuwige. 3 Want God zal uw heerlijkheid tonen aan al het volk, dat onder de hemel is. 4 Want uw naam zal door God in de eeuwigheid genoemd worden, namelijk vrede van de gerechtigheid en heerlijkheid, lof van de Godzaligheid. 5 Sta weer op Jeruzalem, en zet u op de hoogte, en zie rondom naar het oosten; en zie uw kinderen verzameld van de ondergang van de zon tot de opgang, door het woord van de Heilige, die zich verheugen dat God hun weer gedacht heeft. 6 Want zij zijn van u uitgegaan, zij zijn te voet weggeleid door de vijanden; maar God brengt die weer tot u in, opgenomen in heerlijkheid als kinderen van het koninkrijk. 7 Want God heeft besloten, alle hoge bergen te vernederen, en de duinen aan de zee altijd durende; en alle dalen te vervullen in gelijkheid van de aarde; opdat Israël zeker wandele in de heerlijkheid van God. 8 En de bossen, en alle geurende bomen, zullen Israël beschaduwen, door Gods bevel. 9 Want God zal Israël uitvoeren met vreugde door het licht van Zijn heerlijkheid, met barmhartigheid en gerechtigheid, die van Hem komt. ### Baruch 6 1 VANWEGE de zonden waarmee u gezondigd hebt tegen God, zult u van Nabuchodonosor, de koning van de Babyloniërs, naar Babel als gevangene weggevoerd worden. 2 In Babylonië gekomen zijnde, zult u daar vele jaren en lange tijd blijven, namelijk tot zeven geslachten toe, maar daarna zal Ik u van daar weer uitvoeren met vrede. 3 Maar nu zult u in Babylonië op de schouders zien dragen de zilveren, en gouden, en houten goden, die de heidenen vrees aandoen. 4 Zie dan wel voor u, dat ook u niet op enige wijze de vreemden gelijk gemaakt wordt, en u een vrees voor hen bevange. 5 Als u zult zien dat een schaar voor en achter hen gaande ze aanbidt, zo zegt in uw gedachten: U moet men aanbidden, Heere. 6 Want Mijn engel is bij u, en Hij zal uw zielen onderzoeken. 7 Want hun tong is van de werkmeester wel fijn gesneden, en zij zijn rondom met goud en zilver versierd, maar zij zijn leugenachtig en kunnen niet spreken. 8 En als voor een maagd, die graag versierd is, nemen zij goud en bereiden kronen voor de hoofden van hun goden. 9 Soms ook onttrekken de priesters het goud en zilver aan hun goden, en brengen het door voor zichzelf; 10 En geven daarvan ook de hoeren, die onder hun dak zijn. Zij versieren ook de zilveren en gouden en houten goden, met kleren als mensen. 11 Maar zij kunnen zichzelf niet bewaren voor roest en mot. 12 Wanneer zij bekleed zijn met een purperkleed, zo veegt men hun aangezicht, vanwege het stof van het huis, dat zeer veel op hen is. 13 En hij heeft een scepter als een mens, die rechter van het land is, en kan die niet ombrengen, die tegen hem zondigt. 14 Hij heeft ook een zwaard in zijn rechterhand, en een bijl, maar hij zal zichzelf van de oorlog en de rovers niet verlossen, daaraan kent men dat zij geen goden zijn. 15 Zo vreest hen dan niet, want zoals een voorwerp van een mens dat gebroken is, onnut is, zo zijn ook hun goden. 16 Wanneer zij in hun huizen vastgezet zijn, zo zijn hun ogen vol stof van de voeten van degenen die daarin gaan. 17 En zoals voor iemand, die zich aan de koning heeft vergrepen, als die ter dood zal geleid worden, de zalen rondom bezet zijn, zo verzekeren ook de priesters hun tempels met deuren, sloten en grendels, opdat zij van de rovers niet geroofd worden. 18 Zij ontsteken hun kaarsen, en dat meer in getal dan voor zichzelf, waarvan zij geen zien kunnen; want zij zijn als één van de balken, die aan het huis zijn; 19 En men zegt dat hun harten worden uitgeknaagd van de kruipende dieren van de aarde; en wanneer zij deze en hun kleding vereten, zo gevoelen zij het niet. 20 Zij zijn zwart geworden aan hun aangezicht van de rook, die uit het huis komt. 21 Op hun lichaam en op hun hoofd vliegen de nachtuilen, zwaluwen en andere vogels, evenzo ook de katten. 22 Daaraan zult u weten dat zij geen goden zijn, zo vreest hen dan niet. 23 Want als niet iemand de roest afwist van het goud, dat om hen hangt tot versiering, zo zullen zij niet blinken, en zij voelden het ook niet als zij gegoten werden. 24 Zij zijn voor grote prijs gekocht, waar toch geen geest in is. 25 Zonder voeten zijnde, draagt men hen op de schouders, vertonende zo de mensen hun oneer. 26 Die hen dienen worden ook beschaamd, omdat zij, als zij mogelijk op de aarde vallen, van zichzelf niet weer opstaan; en zo iemand ze opricht, zij zich niet zullen bewegen; en zo men hen neerlegt, zij zich niet zullen oprichten, maar zoals voor doden zo zet men hun gaven voor. 27 Hun offergaven verkopen hun priesters en verteren die onnut; evenzo ook hun vrouwen leggen daarvan in het zout, en delen noch de armen, noch de zieken daarvan mee. 28 Hun offergaven raken de maandstondige en kraamvrouwen aan. Zie dan daaruit dat zij geen goden zijn, en vreest voor hen niet. 29 Want waarvan zouden zij goden heten? namelijk omdat de vrouwen, de zilveren, gouden, en houten goden offer voor zetten; 30 En de priesters zitten in hun tempels, hebbende gescheurde rokken aan, en hun hoofden en baarden kaal afgeschoren, en hun hoofden zijn ongedekt? 31 Zij brullen, en roepen voor hun goden, zoals sommigen in de maaltijden over de doden. 32 Hun priesters nemen van hun kleren, en kleden daarmee hun vrouwen en kinderen. 33 En hetzij zij kwaad van iemand lijden, of goed, zij kunnen het niet vergelden; zij kunnen een koning aanstellen noch afzetten. 34 Evenzo kunnen zij ook noch rijkdom geven, noch geld. Als iemand hun een belofte doet, en houdt die niet, zo eisen zij die niet. 35 Zij zullen een mens van de dood niet verlossen, noch een zwakke bevrijden van een sterke. 36 Zij zullen een blinde niet weer tot het gezicht brengen, noch een mens, die in nood is, daaruit helpen. 37 Zij ontfermen zich niet van de weduwe, en doen geen goed aan de wees. 38 Sommige zijn van hout, sommige verguld en sommige verzilverd, en zijn de stenen gelijk, die men uit de gebergten houwt; maar die hen dienen zullen beschaamd worden. 39 Hoe zal men hen dan goden achten of heten? 40 Bovendien onteren zich de Chaldeeën zelf, die wanneer zij een stomme zien, die niet spreken kan, zo brengen zij hem tot Bel, 41 Verzoekende dat hij zou spreken, alsof het hem mogelijk was te verstaan, en hoewel zij het tegendeel bemerken, zo kunnen zij dat niet nalaten, want zij hebben geen gevoel. 42 Nu de vrouwen met biezenbanden omgord, zitten op de wegen, om rookwerk van zemelen te offeren. 43 En wanneer één van hen, weggerukt door iemand van degenen die daar voorbijgaan, beslapen wordt, zo verwijt zij degene die naast haar gezeten is, dat zij niet zo waardig geacht is als zij, en dat haar biesband niet is verbroken. 44 Alles wat onder hen gebeurt is leugen, hoe zal men hen dan goden achten of heten? 45 Zij zijn van de werkmeesters en goudsmeden toebereid, en daar wordt anders niets van dan de kunstenaars willen dat zij zijn. 46 En zijzelf, die hen gemaakt hebben, leven geen lange tijd, hoe zullen dan deze goden zijn die door hen gemaakt zijn? 47 Want zij hebben leugens en schande de nakomelingen nagelaten. 48 Want zo wanneer strijd of een ander kwaad over hen komt, zo beraadslagen de priesters onder elkaar, hoe zij zich samen met hun goden verbergen zullen. 49 Hoe kan men dan niet tasten, dat het geen goden zijn, die zichzelf noch van strijd, noch van ander kwaad kunnen verlossen? 50 Want omdat zij maar houten, vergulde en verzilverde goden zijn, zo zal het daarna aan alle volken bekend worden, dat zij leugens zijn; en aan alle koningen zal duidelijk worden dat zij geen goden zijn, maar werken van mensenhanden, en dat geen werk van God in hen is. 51 Waaraan zal men dan weten, dat zij geen goden zijn? 52 Want zij kunnen geen koning van het land verwekken, en kunnen de mensen geen regen geven. 53 Zij houden geen gericht onder hen, en bewaren niemand voor onrecht, omdat zij onmachtig zijn. Zij zijn als kraaien, die tussen hemel en aarde zweven. 54 Want ook, als het vuur valt in het huis van deze houten, vergulde en verzilverde goden, zo zullen hun priesters wel kunnen ontvluchten en ontkomen, maar zij zullen als balken midden daarin verbrand worden. 55 Zij weerstaan noch koning, noch vijanden, hoe kan men dan achten of aannemen, dat zij goden zijn? 56 Noch voor dieven, noch voor rovers, kunnen de houten en verzilverde, en vergulde goden zichzelf beschermen. 57 Want de sterken onder hen halen rondom deze het goud en het zilver af, en de kleding die hun omhangt, en gaan weg als zij het hebben, en zij kunnen zichzelf niet helpen; 58 Zodat een koning, die zijn eigen kloekheid bewijst, veel beter is, of een voorwerp dat nuttig is in huis, dat de bezitter gebruikt, dan die versierde goden; of ook een deur in het huis die bewaart wat daarin is, dan die versierde goden; en een houten pilaar in het koninklijk paleis dan die versierde goden. 59 Want de zon, en de maan, en de sterren, die blinken als zij uitgezonden worden tot hun gebruik zijn gehoorzaam; 60 Evenzo de bliksem, als hij schijnt, is licht te zien, en zo waait ook de wind in alle landen. 61 En de wolken, als haar door God bevolen is dat zij zullen drijven over de hele wereld, volbrengen wat bevolen is. 62 En het vuur, als het van boven is afgezonden om de bergen en bossen te verteren, doet wat bevolen is; maar deze zijn die noch in gestalte, noch in kracht gelijk. 63 Daarom moet men noch houden, noch zeggen, dat zij goden zijn, daar zij niet machtig zijn de mensen straf te oefenen noch wel te doen. 64 Wetende dan dat zij geen goden zijn, zo vreest hen niet. 65 Want zij kunnen de koningen vloeken noch zegenen. 66 Zij kunnen ook geen tekenen in de hemel onder de heidenen vertonen. Zij kunnen niet schijnen als de zon, noch lichten als de maan. 67 De wilde gedierten zijn beter dan zij, die in een hol vluchtende zichzelf kunnen helpen. 68 Op geen wijze dan is het ons openbaar dat zij goden zijn. 69 Want zoals een vogelverschrikker in een komkommerhof niet bewaren kan, zo zijn ook hun houten, vergulde en verzilverde goden; op dezelfde wijze zijn zij zoals de doornenboom in een hof, waar allerlei gevogelte op zit. 70 Evenzo zijn hun houten, en vergulde, en verzilverde goden een dode gelijk, die in het donker geworpen ligt. 71 Men kan ook bemerken dat zij geen goden zijn, aan het scharlaken en purper dat zij aanhebben, en dat verrot; zij zullen ook zelf eindelijk opgegeten worden van de wormen; en zij zullen een spot worden in het land. 72 Zo is dan de rechtvaardige mens beter, die geen afgoden heeft, want hij is ver van bespotting. ## Esther (apocrief) ### Esther (apocrief) 10 4 En Mordechai zei: Deze dingen zijn van God geschied. 5 Want ik gedenk aan de droom, die ik van deze dingen gezien heb, want geen van deze is voorbijgegaan. 6 De kleine fontein is een rivier geworden, en daar was licht, en een zon en veel water. Deze rivier is Esther, die de koning getrouwd en tot koningin gemaakt heeft. 7 De twee draken nu zijn ik en Haman. 8 En de heidenen die samen gekomen waren om de naam van de Joden te vernietigen; 9 En mijn volk is het volk van Israël, die tot God riepen en behouden zijn, en Heere heeft zijn volk behouden, en Heere heeft zijn volk verlost uit al deze ongevallen, en God heeft deze grote tekenen en wonderen gedaan, die onder de heidenen niet geschied zijn. 10 Daarom heeft hij twee loten gemaakt, het ene voor het volk van God, en het andere voor al de heidenen. 11 En deze twee loten zijn voor God gekomen op het uur en tijd en dag van het gericht, dat onder alle heidenen is bestemd; 12 En God is zijn volk gedachtig geworden, en heeft zijn erfdeel gerechtvaardigd. 13 Daarom zullen deze dagen hun tot vierdagen zijn, in de maand Adar, op de veertiende dag van de maand, met vergadering, en vreugde, en vrolijkheid voor God, door elk geslacht in eeuwigheid onder zijn volk. ### Esther (apocrief) 11 1 IN het vierde jaar toen Ptolomeüs en Cleopatra regeerden, brachten Dositheus, die zei dat hij een priester en Leviet was, en zijn zoon Ptolomeüs deze tegenwoordige brief van de Purim; en zeiden dat hij deze was, en dat Lysimachus, de zoon van Ptolomeüs, te Jeruzalem die overgezet had; 2 In het tweede jaar van de regering van Artaxerxes de grote, op de eerste dag van de maand Nisan, heeft Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, uit de stam van Benjamin, een droom gezien. Deze was een Joods man, wonende in de stad Susan, een aanzienlijk man en een dienaar aan het hof van de koning; 3 En was één uit de gevangenen, die Nabuchondonosor de koning te Babel weggevoerd had van Jeruzalem, met Jechonias, de koning van Juda; en dit was zijn droom: 4 Zie daar was een stem van geluid en donderslagen, en aardbeving en beroering op de aarde; en ziet twee grote draken kwamen beide voort, bereid om te strijden, en hun stem werd groot. 5 En door hun stem werden alle volken ten oorlog bereid, om het volk van de rechtvaardigen te bevechten; 6 En ziet het was een dag van duisternis en donkerheid, verdrukking en benauwdheid, grote jammer en beroering was op aarde. 7 En al het rechtvaardige volk werd beroerd, vrezende hun ongeval, en zij bereidden zich om te sterven. 8 En zij riepen sterk tot God, en van hun geroep, als van een kleine fontein, kwam een grote rivier en veel water voort. 9 En het licht en de zon gingen op, en de nederigen werden verhoogd, en verslonden de heerlijken. 10 En Mordechai, die deze droom had gezien, wakker wordende, bedacht wat God doen wilde, en behield deze droom in zijn hart, en wilde die op alle manieren verstaan, tot op die nacht. ### Esther (apocrief) 12 1 EN Mordechai rust in het hof met Gabatha en Tharra, de twee kamerlingen van de koning, die het hof bewaarden; 2 En hoorde hun samenspraak, en lette op hun bekommering, en vernam dat zij zich bereidden om de handen te slaan aan Artaxerxes, de koning, en waarschuwde de koning voor hen. 3 En de koning deed onderzoek over zijn twee kamerlingen, en nadat zij het bekend hadden, werden zij opgehangen. 4 En de koning schreef deze dingen in zijn gedenkboek, en Mordechai schreef ook van deze dingen. 5 En de koning beval dat Mordechai aan zijn hof zou dienen en gaf hem hierover geschenken. 6 Haman, de zoon van Ammedatha van Buga was heerlijk voor de koning, en zocht Mordechai en zijn volk leed te doen, om de twee kamerlingen van de koning. ### Esther (apocrief) 13 1 DE grote koning Artaxerxes van Indië tot aan Morenland, schrijft dit aan de oversten van de honderdenzevenentwintig provinciën, en aan de landvoogden die hun onderworpen zijn: 2 Daar ik over vele volken heers, en de hele aardbodem onder mijn macht heb, zo heb ik mij evenwel op het vertrouwen van mijn macht niet willen verheffen, maar bescheiden en met zachtmoedigheid altijd regerende, heb ik mijn onderzaten in hun leven altijd willen rust doen hebben, en mijn koninkrijk in stilte houden, en tot de uiterste palen toe tot reizen veilig, en zo de gewenste vrede voor alle mensen weer vernieuwen. 3 Als ik nu mijn raadsheren vroeg hoe dat zou mogen tot een goed einde gebracht worden, zo heeft Haman, die bij ons in voorzichtigheid uitmunt, en door zijn onveranderlijke goedwilligheid en standvastige getrouwheid beproefd is, en de tweede plaats van eer in onze koninkrijken verkregen heeft, ons vertoond, 4 Dat onder alle geslachten die op de aardbodem zijn, een zeker hatelijk volk gemengd was, dat in wetten alle volken tegenstrijdig was, en de instellingen van de koningen steeds verachtte, zodat onze onberispelijke aangerichte regering niet kan voltrokken worden. 5 Omdat wij dan vernomen hebben hoe dit enig volk tegen alle andere mensen altijd in tweespalt ligt, veranderende hun zeden door een vreemde invoering van wetten, en hoe het van onze zaken vijand zijnde zeer kwade stukken begaat, ook zo dat ons koninkrijk zijn welstand niet verkrijgt; 6 Zo bevelen wij, dat degenen die aangewezen worden door de schriften van Haman, die over onze zaken is gesteld, en ons een tweede vader is, allen samen met vrouwen en kinderen tot de laatste toe omgebracht worden door het zwaard van hun vijanden, zonder enig medelijden en verschoning, en dat op de veertiende dag van de twaalfde maand Adar van het tegenwoordige jaar. 7 Opdat zij, die vroeger vijandig gezind waren, en nu nog zijn, op één dag door geweld in het graf gekomen zijnde, onze zaken tegen de toekomende tijd in volmaakte welstand en stilheid mogen laten. 8 Maar Mordechai bad Heere, gedenkende aan al de werken van Heere, en zei: Heere, Heere, U almogende Koning, want het is alles in Uw macht; 9 En daar is niemand die tegen U kan zijn, wanneer U Israël wilt verlossen; 10 U hebt de hemel en de aarde geschapen, en alles wat wonderlijk is onder de hemel; 11 En U bent een Heere van alles, en niemand kan U, die een Heere bent, weerstaan; 12 U kent alle dingen, U weet, Heere, dat ik niet uit spijtigheid, noch uit trots, noch uit eergierigheid, dit heb gedaan, dat ik de hoogmoedige Haman niet heb aangebeden. 13 Want ik zou gewillig zijn geweest, ook de voetstappen van zijn voeten te kussen, tot behoudenis van Israël. 14 Maar ik heb dit gedaan, opdat ik de eer van een mens niet zou stellen boven de eer van God; 15 En ik zal niemand aanbidden dan U, die mijn Heere bent, en ik zal dat niet doen uit trots; 16 En nu, Heere God, U Koning en God van Abraham, spaar Uw volk, omdat zij ons aanzien om ons te verderven, en begerig zijn om Uw erfenis uit te roeien, die U van de beginne gekozen hebt; 17 En veracht Uw deel niet, dat U voor Uzelf uit Egypteland hebt verlost. 18 Verhoor mijn gebed, en wees Uw erfdeel genadig, en wend ons treuren in vreugde, opdat wij leven en Uw naam prijzen, Heere, en vernietig de mond niet van degenen, die U loven. 19 En het hele Israël riep uit alle kracht, want hun dood was voor hun ogen. ### Esther (apocrief) 14 1 EN de koningin Esther nam ook haar toevlucht tot Heere, met doodstrijd bevangen zijnde. 2 En legde haar heerlijke kleren af, en trok kleren van de benauwdheid en van het treuren aan, en in plaats van prachtige en welriekende zalven, vervulde zij haar hoofd met as en vuiligheid, en vernederde haar lichaam zeer; en alle plaatsen waar zij tevoren versierd en vrolijk was geweest, vervulde zij met haar uitgeplukt haar. 3 En zij bad Heere, de God van Israël, en zei: 4 Heere, U bent alleen onze Koning, help mij, die nu alleen ben en geen helper heb dan U, en mijn gevaar is voor de hand. 5 Ik heb van mijn jeugd af gehoord in mijn vaderlijke stam, dat U Israël uit al de volken, en onze vaders uit al hun voorzaten hebt aangenomen tot een eeuwig erfdeel, en hebt hun gehouden al wat U hun gesproken had. 6 Nu hebben wij gezondigd voor U, en U hebt ons overgegeven in de handen van onze vijanden, omdat wij hun goden hadden geëerd. 7 U bent rechtvaardig, Heere, en nu zijn zij niet tevreden, dat zij ons in bittere dienstbaarheid houden. 8 Maar zij hebben zich bij handslag verplicht in de handen van hun afgoden, 9 Om het besluit van Uw mond weg te nemen, en Uw erfenis uit te roeien, en de mond toe te stoppen van degenen die U loven, en de heerlijkheid van Uw huis en van Uw altaar uit te blussen; 10 En om de mond van de heidenen te openen, tot verheffing van de deugden van de ijdele afgoden, en een vleselijke koning te roemen in eeuwigheid. 11 Geef, Heere, Uw scepter niet over aan degenen die niet zijn, en laat hen niet lachen over onze val, maar wend hun raad tegen hen, en stel die ten toon, die dat tegen ons heeft bedacht. 12 Gedenk aan ons Heere, en maak U bekend in de tijd van onze verdrukking, en sterk mij, o Koning van alle volken, en heerser over alle vorsten. 13 Geef mij passende woorden in mijn mond om te spreken voor de leeuw, en wend zijn hart tot haat tegen hem, die ons bekrijgt; opdat hij teniet wordt, en degenen die met hem eensgezind zijn. 14 Verlos ons door Uw hand, en help mij die eenzaam ben, en niemand heb dan U, Heere. 15 U hebt kennis van alle dingen, en weet dat ik de eer van de goddelozen haat, en een afschuw heb van het bed van de onbesnedenen, en van alle vreemden. 16 U weet, dat ik het doen moet, en dat ik een afschuw heb van het teken van mijn hoogmoed, dat op mijn hoofd is, in de dagen dat ik mij moet laten zien; en heb een afschuw daarvan, als van een onreine doek, en draag het niet wanneer ik in stilte ben. 17 Uw dienstmaagd heeft ook niet gegeten aan de tafel van Haman, noch de maaltijd van de koning verheerlijkt, noch gedronken van de offerwijn. 18 En Uw dienstmaagd heeft geen vreugde gehad van de dag af dat ik hier ben gebracht tot nu toe, dan in U, o Heere, God van Abraham. 19 Verhoor de stem van de verlatenen, U sterke God boven allen, en verlos ons van de hand van degenen die kwaad aanrichten, en verlos mij uit mijn vrees. ### Esther (apocrief) 15 1 EN het gebeurde op de derde dag dat zij ophield van bidden, en legde haar treurklederen af, en trok haar heerlijke kleren aan. 2 En zeer sierlijk opgetooid zijnde, riep zij de Verlosser aan, en die alle dingen ziet; en nam haar twee dienaressen met zich. 3 En leunde op de ene, als zich zeer sierlijk houdende. 4 En de andere volgde haar, oplichtende de sleep van haar kleding. 5 Zij was blozende in de jeugd van haar schoonheid, en haar aangezicht was vrolijk, en als vriendelijk, maar haar hart was benauwd van vrees. 6 En als zij al de deuren ingegaan was, stond zij stil voor de koning, daar hij was gezeten op zijn koninklijke stoel, en bekleed was met al de kleding van zijn heerlijkheid, geheel in het goud en kostelijke gesteenten, en was zeer verschrikkelijk. 7 En zijn aangezicht opheffende, dat van heerlijkheid glinsterde, zag hij haar met hevige toorn aan, en de koningin zonk neer, en haar kleur veranderde, en zij viel in onmacht, en boog zich neer op het hoofd van de dienstmaagd die voorging. 8 En God veranderde het hart van de koning tot goedheid, en hem werd bange, en hij sprong af van zijn troon, en omving haar met zijn armen, totdat zij tot zichzelf kwam, en troostte haar met woorden van de vrede, en zei tot haar: Wat is u Esther? ik ben uw broer, heb goede moed, u zult niet sterven, want dit gebod geldt ook voor ons. 9 Kom hierheen; en zijn gouden scepter opheffende, legde die op haar hals, 10 En omhelsde haar, en zei: Spreek tot mij. 11 En zij zei tot hem: Ik zag u aan, heer, als een engel van God, en mijn hart werd beroerd uit vrees van uw heerlijkheid; 12 Want u bent wonderlijk, heer, en uw aangezicht is vol genade. 13 En als zij dat zei, viel zij weer in onmacht. 14 En de koning werd beroerd, en al zijn dienaren troostten haar. ### Esther (apocrief) 16 1 DE grote koning Artaxerxes aan de honderdzevenentwintig Vorsten, gesteld over de gewesten, die van Indië tot aan Morenland zijn, en ook degenen, die onze zaken daar verzorgen, zij onze groet! 2 Velen, die door de meeste goedertierenheid van hun weldoeners, dikwijls zijn geëerd geworden, hebben zich daarover hoogmoedig gemaakt; 3 En zoeken niet alleen degenen, die ons onderdanig zijn, leed aan te doen, maar ook, hun weelde niet kunnende dragen, pogen zelfs hun weldoeners hinderlagen te leggen. 4 En nemen niet alleen de dankbaarheid uit de mensen weg, maar ook door de pracht van de ongewone goederen zich verheffende, menen zij de wraak van God, die het kwade haat en altijd alles doorziet, te ontvluchten. 5 Dikwijls gebeurt het ook, dat velen van degenen die in macht zijn gesteld, en die betrouwd is de zaken van de vrienden te verrichten, door hun raad deze willende stellen tot metgezellen van onnozel bloedvergieten, in ongeneeslijke zwarigheden zichzelf hebben ingewikkeld. 6 Omdat zij door hun boze, leugenachtige aard de eenvoudige goedwilligheid van hun heren met valse schijnredenen bedriegen. 7 Dit kan opgemerkt worden niet zozeer uit de oude historiën, zoals wij verhaald hebben, als wel uit wat ons voor de voeten is, zo u onderzoekt wat onrechtvaardig is volbracht, door het valse beleid van degenen, die de macht onbehoorlijk hebben gebruikt. 8 Daarom moeten wij acht nemen op het toekomende, dat wij ons koninkrijk voor alle mensen onberoerd en in vrede mogen richten; 9 Veranderingen gebruikende, en de zaken die ons onder ogen komen, alleen onderscheidende, met redelijke bejegening. 10 Want als nu Haman, de zoon van Ammedatha, een Macedoniër, werkelijk vreemd van het bloed van de Perzen, en zeer verschillend van onze goedheid, en bij ons tot een gast ontvangen zijnde, de beleefdheid, die wij alle natiën bewijzen, in zulk een mate had ervaren, dat wij hem ook onze vader noemden, 11 En dat hij door allen aangebeden werd, en wij hem lieten blijven de tweede persoon van ons koninkrijk. 12 Zo heeft hij zulke hoogmoed niet kunnen dragen, maar heeft voorgenomen ons van ons rijk en leven te beroven, 13 En Mordechai, die ons altijd een behoeder en weldoener is, en de onberispelijke metgezellin van ons koninkrijk Esther met haar hele volk, door veelvuldige en bedriegelijke listen tot verderf te brengen. 14 Want op deze wijze heeft hij gemeend ons nu berooid zijnde aan te tasten, en het rijk van de Perzen aan de Macedoniërs te brengen. 15 Maar wij bevinden dat de Joden, die deze booswicht overgegeven had om uitgeroeid te worden, geen kwaaddoeners zijn, maar dat zij door zeer rechtvaardige wetten gericht worden; 16 En dat zij kinderen zijn van de hoogste, grootste, en levende God, die dit ons koninkrijk voor ons, en onze voorouders tot een zeer heerlijke stand heeft gebracht. 17 U zult dan weldoen, dat u de brieven die door Haman, de zoon van Ammedatha, zijn gezonden, niet gebruikt. 18 Omdat hij, die dat teweeg had gebracht, aan de poorten van Susan met zijn hele huis is gekruisigd, en zeer haastig een oordeel, zoals hij waard was, door God, die alle dingen regeert, heeft ontvangen. 19 Het afschrift nu van deze brief zult u op alle plaatsen aanslaan, en zult de Joden toelaten hun wetten vrij te gebruiken. 20 En zult hun samen behulpzaam zijn, dat zij degenen, die in de tijd van de verdrukking hen zullen overvallen, wreken mogen; namelijk op de dertiende dag van de twaalfde maand, genoemd Adar, op dezelfde dag. 21 Want deze blijdschap heeft hun God, die over allen heerst, teweeggebracht, in plaats van de ondergang van het uitverkoren geslacht. 22 Zo zult u dan, onder andere van uw befaamde feesten, ook deze heerlijke dag met alle vrolijkheid vieren; 23 Opdat het zowel, nu als hierna, ons wel ga, en ook degenen, die de Perzen gunstig zijn, maar degenen, die ons hinderlagen leggen, zij het een gedenkteken van ondergang. 24 Maar alle stad of land dat hiernaar niet zal hebben gedaan, zal door zwaard en vuur geheel vernietigd worden, zonder genade, en zal niet alleen de mensen ontoegankelijk, maar ook de wilde dieren en vogels voor altijd vijand gemaakt worden. ## Gebed van Azarja ### Gebed van Azarja 1 24 EN zij wandelden in het midden van de vlam, zingende God, en lovende Heere. 25 En Azaria stond en bad, en zijn mond geopend hebbende in het midden van het vuur, zei hij: 26 Geloofd bent U, Heere, U God van onze vaders, Uw Naam zij geprezen en verheerlijkt in de eeuwigheid. 27 Want U bent rechtvaardig in alles, wat U ons gedaan hebt; en al Uw werken zijn waarachtig, en Uw wegen zijn recht, en al Uw oordelen zijn waarheid. 28 U hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat U over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad van onze vaders, want U hebt in waarheid en gericht deze dingen over ons gebracht, vanwege onze zonden. 29 Omdat wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van U afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd. 30 En wij hebben Uw geboden niet gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan zoals U ons geboden had, opdat het ons goed zou gaan. 31 En al wat U over ons gebracht hebt, en al wat U ons hebt gedaan, dat hebt U in een waarachtig gericht gedaan; 32 En hebt ons overgegeven in de handen van de goddeloze vijanden, en van de allervijandigste afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die de booste is op de hele wereld. 33 En nu durven wij onze mond niet opendoen, wij zijn een schande en spot geworden voor Uw knechten, en voor allen die U dienen. 34 Maar geef ons niet over ten einde toe omwille van Uw Naam, en verstoot Uw verbond niet. 35 En neem Uw barmhartigheid niet van ons, omwille van Abraham, die door U geliefd is, en omwille van Izaäk, Uw knecht, en omwille van Israël, Uw heilige; 36 Tot wie U gesproken hebt, dat U hun zaad zult vermenigvuldigen zoals de sterren van de hemel, en zoals het zand dat aan de oever van de zee is. 37 Want, Heere, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn vandaag vernederd op de hele aarde, vanwege onze zonden. 38 En wij hebben in deze tijd, noch vorst noch profeet, noch voorganger, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch voedseloffer, noch reukoffer; 39 Noch plaats om van onze vrucht voor U te offeren, en genade te vinden. 40 Maar neem ons aan, in een verbroken hart, en in een vernederde geest; zoals in brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo zij vandaag onze offergave voor U, en zij volmaakt bij U, want zij zullen niet beschaamd worden, die op U betrouwen. 41 En nu, wij volgen U na met heel ons hart, en vrezen U, en zoeken Uw aangezicht. 42 Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar Uw goedertierenheid, en naar de menigte van Uw barmhartigheid. 43 En verlos ons hieruit naar Uw wonderdaden en geef, Heere, Uw Naam eer. 44 En laat beschaamd worden allen die Uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden. 45 En doe hun gewaarworden, dat U Heere bent, de enige God, die heerlijk is op de hele aarde. 46 De dienaren nu van de koning, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs. 47 En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog. 48 En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, die zij rondom de oven vond. 49 En de engel van Heere daalde neer bij Azaria en zijne gezellen in de oven; 50 En stootte de vlam van het vuur uit de oven, en maakte het middelste van de oven alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen geheel niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bezorgdheid aan. ## Gezang in de vuuroven ### Gezang in de vuuroven 1 51 TOEN zongen de drie als uit één mond, en loofden en prezen God in de oven, zeggende: 52 Geloofd bent U, Heere, U God van onze vaders, die moet geprezen en hoog geroemd zijn in de eeuwigheid. Geloofd zij Uw heerlijke naam die heilig is en hoog te prijzen en te roemen in de eeuwigheid. 53 Geloofd bent U in de tempel van Uw heilige heerlijkheid, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt bent U in de eeuwigheid. 54 Geloofd bent U die daar zit op de Cherubim en ziet de diepten aan, en hoog geprezen en hoog geroemd bent U in de eeuwigheid. 55 Geloofd bent U, op de troon van de heerlijkheid van Uw koninkrijk, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt bent U in de eeuwigheid. 56 Geloofd bent U in de vastheid van de hemel en hoog geprezen en verheerlijkt in de eeuwigheid. 57 Alle werken van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 58 Engelen van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 59 Hemelen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 60 Alle wateren, die boven de hemel zijn, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 61 Loof Heere, alle heerkrachten van Heere, prijst Hem en roemt Hem. 62 Loof Heere, zon en maan, prijst Hem en roemt Hem. 63 Loof Heere, gesternten van de hemel, prijst Hem en roemt Hem in de eeuwigheid. 64 Regen en dauw, looft Heere, prijst Hem en roemt Hem in de eeuwigheid. 65 Alle winden, looft Heere, prijst Hem en looft Hem in de eeuwigheid. 66 Vuur en hitte, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 67 Koude en hitte looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 68 Dauw en rijm looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 69 Nachten en dagen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 70 Licht en duisternis looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 71 Vorst en koude looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 72 IJs en sneeuw looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 73 Bliksem en wolken looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 74 De aarde love Heere, zij prijze en roeme Hem in de eeuwigheid. 75 Bergen en heuvelen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 76 Alles wat in de aarde groeit love Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 77 Fonteinen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 78 Zeeën en rivieren, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 79 Walvissen en al wat zich roert in de wateren, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 80 Alle vogels des hemels, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 81 Alle wilde gedierten en vee, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 82 Kinderen van de mensen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 83 Israël, looft Heere; prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 84 Priesters van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 85 Knechten van Heere, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 86 Geesten en zielen van de rechtvaardigen, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 87 Heiligen en deemoedigen van hart, looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid. 88 Ananias, Azaria, Misaël looft Heere, prijst en roemt Hem in de eeuwigheid, want Hij heeft ons getrokken uit het dodenrijk en heeft ons verlost uit de hand van de dood, en heeft ons behouden uit het midden van de brandende vlam van de oven, en heeft ons behouden uit het midden van het vuur. 89 Dank Heere want Hij is vriendelijk, want Zijn barmhartigheid duurt in de eeuwigheid. 90 Allen die Heere vrezen, looft de God van de goden, prijst Hem en dankt Hem, want Zijn barmhartigheid duurt in alle eeuwigheid. ## Susanna ### Susanna 1 1 Daar was een man in Babylon, van wie de naam Jojakim was. 2 Die nam een vrouw genoemd Susanna, een dochter van Chelkias, die zeer schoon was, en Heere vrezende. 3 Want haar ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen naar de wet van Mozes. 4 En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem samen, omdat hij de aanzienlijkste was van hen allen. 5 En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van wie Heere gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren. 6 Deze waren steeds in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden. 7 En het gebeurde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man. 8 En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken. 9 En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten. 10 En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkaar hun pijn niet; 11 Omdat zij zich schaamden hun lusten te vertellen, en dat zij met haar wilden te doen hebben. 12 En zij namen haar dagelijks ijverig waar om haar te zien; 13 En zeiden de één tot de ander: Nu dan, laat ons naar huis gaan, want het is het uur van het middagmaal. 14 En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkaar, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkaar naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkaar hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij samen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden. 15 En het gebeurde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna zoals zij dagelijks gewoon was, met twee dienaressen alleen en wilde zich in de hof wassen, omdat het zeer heet was. 16 En daar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen. 17 En zij zei tot haar maagden: Haal mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen. 18 En zij deden als zij zei, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen wat haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstopt hadden. 19 En het gebeurde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden: 20 Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en wees bij ons. 21 Maar zo niet zullen wij tegen u getuigen dat een jongeman bij u is geweest, en dat u daarom uw dienaressen van u hebt weggezonden. 22 En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want als ik dat doe, zo ben ik de dood schuldig; en als ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvluchten. 23 Maar het is mij raadzamer dat niet doende in uw handen te vallen, dan te zondigen tegen Heere. 24 En Susanna riep met luide stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar. 25 En de ene van hen toelopende deed de deuren van de hof open. 26 Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar gebeurd was. 27 Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken. 28 En het gebeurde op de andere dag, als het volk samen kwam in het huis van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden; 29 En zeiden tot het volk: Zend om Susanna, de dochter van Chelkias, de huisvrouw van Jojakim, en zij zonden om haar. 30 En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar familie. 31 Maar Susanna was zeer teder en schoon van gezicht. 32 Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen. 33 En die bij haar waren, en allen die haar zagen, huilden. 34 En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd. 35 Maar zij huilde, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op Heere. 36 En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienaressen, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg; 37 Een jongeman kwam tot haar, die verstopt was, en legde zich bij haar. 38 Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe; 39 En ziende hen bij elkaar, konden wij de jongeman niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg. 40 Maar deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons dat niet zeggen. Dit getuigen wij. 41 En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven. 42 Maar Susanna riep uit met luide stem, en zei: O eeuwige God, die een kenner bent van de verborgen dingen, en die alle dingen weet voordat zij zijn, 43 U weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van wat deze tegen mij boos getuigen. 44 En God hoorde haar stem. 45 En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genoemd was Daniël. 46 En hij riep met luide stem: Ik ben rein van dit bloed; 47 En het hele volk wendde zich om naar hem, en zei: Wat rede is dit die u gesproken hebt? 48 Maar hij staande in het midden van hen, zei: Bent u Israëlieten zo dwaas, dat u een dochter van Israël veroordeelt, voordat u de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt? 49 Keer weer naar het gericht, want deze hebben valse dingen tegen haar getuigd. 50 En het hele volk keerde met haast weer; en de oudsten zeiden tot hem: Kom hierheen, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, omdat God u het rechterambt heeft gegeven. 51 En Daniël sprak tot hen: Scheid de één ver van de ander, en ik zal hen ondervragen. 52 Als nu de één van de ander gescheiden was, zo riep hij de één van hen, en zei tot hem: U, die oud geworden bent in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die u te voren hebt gedaan. 53 Als u onrechtvaardige oordelen oordeelde, en de onschuldige veroordeelde, maar de schuldige losliet; daar Heere zegt: U zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden. 54 Nu dan, als u deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom u hen bij elkaar hebt zien verkeren, en hij zei: Onder een mastiekboom. 55 Toen zei Daniël: Zeer wel, u hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel van Heere zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven. 56 En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zei tot hem: U zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkheid heeft uw hart verkeerd. 57 Zo hebt u de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen. 58 Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt u haar gegrepen, daar zij met elkaar verkeerden, en hij zei: Onder een eik. 59 Toen zei Daniël tot hem: Zeer wel, u hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel van God, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij u uitroeie. 60 En de hele vergadering riep uit met luide stem, en loofden God, die een Verlosser is van degenen die op Hem hopen, 61 En stonden op tegen de twee oudsten, omdat Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd. 62 En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op dezelfde wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden. 63 Maar Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar hele familie, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden. 64 En Daniël werd groot voor het volk, van die dag aan en daarna. ## Bel en de draak ### Bel en de draak 1 1 En de koning Astyages werd verzameld tot zijn vaders, en Cyrus uit Perzië nam zijn koninkrijk over, en Daniël was altijd met de koning, en was heerlijker dan alle vrienden van de koning. 2 De Babyloniërs hadden een afgod, die genoemd was Bel; aan deze werden alle dagen ten koste gelegd twaalf schepel meel, en veertig schapen, en zes metreten wijn. 3 En de koning eerde die, en ging dagelijks heen, om die te aanbidden, maar Daniël aanbad God. En de koning zei tot hem: Waarom bidt u Bel niet aan? 4 En hij zei: Omdat ik geen afgoden, die met handen gemaakt zijn, aanbid, maar de levende God, die de hemel geschapen heeft, en de aarde, en die heerschappij heeft over alle vlees. 5 En de koning sprak tot hem: Denkt u dan niet dat Bel een levende god is? of ziet u niet hoe veel hij dagelijks eet? 6 Maar Daniël lachte en zei: Laat u niet verleiden, o koning; want deze Bel is van binnen leem, maar van buiten koper, en hij heeft nooit gegeten noch gedronken. 7 En de koning vertoornd zijnde, deed zijn priesters roepen en zei tot hen: Als u mij niet zegt wie deze kost opeet, zo zult u sterven. 8 Maar als u bewijzen zult, dat Bel deze dingen opeet, zo zal Daniël sterven, want hij heeft tegen Bel gelasterd; en Daniël zei tot de koning: Het gebeure naar uw woord. 9 En de priesters van Bel waren zeventig, zonder de vrouwen en kinderen en de koning ging met Daniël in het huis van Bel. 10 De priesters zeiden: Zie, wij gaan heen uit; en u heer koning, zet zelf het voedsel daar, en stel de drank daar, nadat hij ingeschonken is, en sluit de deur toe, en verzegel die, met uw ring; 11 En kom morgen vroeg, en als u niet vindt dat alles door Bel opgegeten is, zo zullen wij sterven, of Daniël zal sterven die tegen ons heeft gelogen. 12 Zij nu verachtten dit, omdat zij een geheime toegang onder de tafel gemaakt hadden, en door deze gingen zij altijd, en verteerden die dingen. 13 En het gebeurde als zij uitgegaan waren, zo zette de koning de spijzen voor Bel, en Daniël beval zijn dienaren, dat zij as zouden brengen en bestrooide de hele tempel in de aanwezigheid van de koning; en uitgaande sloten zij de deur toe, en verzegelden die met de ring van de koning en gingen weg. 14 De priesters nu kwamen 's nachts, naar hun gewoonte, en ook hun vrouwen en hun kinderen, en aten het alles op en gingen uit. 15 En de koning was 's morgens zeer vroeg op, en Daniël met hem; 16 En de koning zei: Daniël, zijn de zegels nog geheel? en hij zei: Ja heer koning, zij zijn geheel. 17 En het gebeurde, zo haast de koning de deuren open gedaan had, en op de tafel zag, dat hij met luide stem uitriep: Bel u bent groot, en geen bedrog is bij u. 18 En Daniël lachte, en hield de koning op, dat hij niet binnengaan zou, en zei: Zie op de vloer, en merk op van wie deze voetstappen zijn. 19 En de koning zei: Ik zie de voetstappen van mannen, en van vrouwen, en van kinderen. 20 En de koning werd boos, en liet de priesters grijpen, met hun vrouwen, en kinderen, en zij toonden hem de verborgen deuren, waardoor zij ingegaan waren, en verteerd hadden wat op de tafel geweest was. 21 En de koning liet hen doden, en gaf Daniël de Bel over; deze vernielde hem en zijn tempel. 22 En in die plaats was een grote draak, en de Babyloniërs aanbaden hem. 23 En de koning zei tot Daniël: Zegt u ook dat deze van koper is? Zie hij leeft, en hij eet en drinkt, u kunt niet zeggen dat deze geen levende god is; daarom bid hem aan. 24 En Daniël zei: Heere mijn God zal ik aanbidden, want die is de levende God. 25 Maar u, heer koning, veroorloof het mij, zo zal ik deze draak ombrengen zonder zwaard of stok. En de koning zei: Ja, ik geef u verlof. 26 En Daniël nam pek, vet en haar, en kookte dit samen, en maakte daar koeken van, en gaf die de draak in de muil, en de draak barstte daarvan, en hij zei: Zie uw goden. 27 En het gebeurde, als de Babyloniërs dat hoorden, dat zij het zeer kwalijk namen, en maakten een oploop tegen de koning, en zeiden: Onze koning is een Jood geworden, hij heeft Bel verstoord, en de draak gedood, en de priesters heeft hij omgebracht. 28 En zij kwamen tot de koning en zeiden: Geef ons Daniël over; anders zullen wij u doden en uw huis. 29 En de koning zag, dat zij zeer op hem aandrongen, en werd gedwongen hun Daniël over te geven. 30 Deze nu wierpen hem in de kuil van de leeuwen, en hij was daar zes dagen. 31 En daar waren zeven leeuwen in de kuil, en hun werden dagelijks gegeven twee lichamen, en twee schapen; maar toen werd hun dat niet gegeven, opdat zij Daniël verslinden zouden. 32 En Habakuk, de profeet was in Judea, en had een pap gekookt, en had brood gebrokkeld in een diepe schotel, en ging in het veld om het de maaiers te dragen. 33 En de engel van Heere zei tot Habakuk: Draag het middageten, dat u hebt, naar Babylon tot Daniël in de kuil van de leeuwen. 34 En Habakuk zei: Heere, ik heb Babylon nooit gezien, en weet niet waar de kuil is. 35 Toen vatte de engel van Heere hem bij het hoofd, en dragende hem met het haar van zijn hoofd, voerde hem over naar Babylon op de kuil, door de drijving van Zijn Geest. 36 En Habakuk riep en zei: Daniël, Daniël, neem dit middageten, dat u God gezonden heeft. 37 En Daniël zei: U gedenkt mij dan Heere, en verlaat niet degenen die U liefhebben! 38 En Daniël stond op en at, en de engel van Heere bracht Habakuk meteen weer aan zijn plaats. 39 En de koning kwam op de zevende dag, om rouw te tonen over Daniël, en kwam aan de kuil, en zag daarin, en ziet Daniël zat daar. 40 En de koning riep met luide stem en zei: U bent groot, o Heere, God van Daniël, en daar is niemand dan U, en trok hem er weer uit, 41 En die oorzaak waren van zijn verderf, liet hij in de kuil werpen, en zij werden meteen verslonden in zijn aanwezigheid. ## Gebed van Manasse ### Gebed van Manasse 1 1 Heere, almachtige God, U God van onze vaders Abraham, Izaäk, en Jakob, en van hun zaad. 2 Die de hemel en de aarde gemaakt hebt met al hun sieraad. 3 Die de zee verzegeld hebt met Uw gebiedend woord, en de afgrond besloten en verzegeld hebt door Uw schrikkelijke en heerlijke naam. 4 Voor Wie alle dingen schrikken, en sidderen voor Uw machtig aangezicht. 5 Want de majesteit van Uw heerlijkheid is onverdragelijk, en het dreigen van Uw toorn tegen de zonde is onduldbaar. 6 Maar de barmhartigheid van Uw beloften is onmetelijk, en ondoorgrondelijk; want U, Heere, bent de Allerhoogste, U bent geduldig, van grote goedheid, en zeer genadig, en het berouwt U over de kinderen van de mensen. 7 U, Heere, die naar de grootte van Uw goedheid hebt beloofd, dat het U berouwen zal, en dat U vergeven zult degenen die tegen U hebben gezondigd, en door de menigte van Uw ontfermingen, naar Uw besluit, geeft U de zondaren boetvaardigheid tot zaligheid. 8 U, Heere, die een God bent van de rechtvaardigen, hebt de boetvaardigheid niet opgelegd aan de rechtvaardige Abraham, Izaäk en Jakob, die tegen U niet hebben gezondigd; maar U hebt mij boetvaardigheid opgelegd, die een zondaar ben. 9 Want mijn zonden zijn meer dan het zand aan de zee; mijn ongerechtigheden, Heere, zijn zeer vele; mijn ongerechtigheden zijn zeer vele; en ik ben niet waard dat ik de hoge hemel met mijn ogen aanzie, vanwege de menigte van mijn overtredingen. 10 Ik ben gekromd in zware ijzeren banden, en ik kan mijn hoofd niet opheffen, en heb geen rust, omdat ik Uw toorn verwekt, en kwaad voor Uw ogen gedaan heb; omdat ik Uw wil niet heb gedaan, en Uw geboden niet heb gehouden, maar heb gruwelijke dingen opgericht, en veel aanstoot gegeven. 11 Nu buig ik dan de knieën van mijn hart, en bid U om genade; ik heb gezondigd, Heere, ik heb gezondigd, en beken mijn misdaden. 12 Daarom bid en smeek ik U, vergeef het mij, Heere, vergeef het mij, en verderf mij niet in mijn zonden, en toorn niet eeuwig over mij, en behoud het kwade niet tegen mij, en verdoem mij niet in de onderste delen van de aarde, want U bent God, een God van de boetvaardigen. 13 Maar bewijs mij al Uw goedheid, en behoud mij onwaardige, naar Uw grote barmhartigheid. 14 En ik zal U loven al de dagen van mijn leven, want ook al de kracht van de hemelen looft U, en U komt toe de heerlijkheid in alle eeuwigheid. ## 1 Makkabeeën ### 1 Makkabeeën 1 1 En het gebeurde, nadat Alexander, de zoon van Filippus, de Macedoniër, die uit het land Chittim uittrok, Darius de koning van de Perzen en Meden geslagen had, en in zijn plaats als koning regeerde, nadat hij tevoren in Griekenland geregeerd had; 2 Dat hij vele veldslagen voerde, en vestingen bemachtigde, en vele koningen van de aarde versloeg; 3 En doortrok tot aan het uiterste van de aarde, en grote buit verkreeg van menigte van de volken, en dat het land voor hem stil was. 4 En zijn hart werd zeer verhoogd en verheven. 5 En hij verzamelde een zeer sterke krijgsmacht bijeen, en veroverde landen, volken, en heerschappijen; en zij werden hem schatplichtig. 6 En na deze viel hij te bed; en wetende dat hij sterven zou, 7 Riep hij zijn dienaren, de edelsten, die van de jeugd aan met hem opgevoed waren en deelde hun zijn koninkrijk uit terwijl hij nog leefde. 8 En Alexander regeerde als koning twaalf jaren, en stierf; en zijn dienaren regeerden een ieder in zijn plaats. 9 En nadat hij gestorven was zetten zij allen koninklijke hoeden op, en hun zonen na hen, vele jaren; 10 En zij vermenigvuldigden de ellenden in het land. 11 En uit hen is voortgekomen een zondige spruit namelijk Antiochus Epifanes, de zoon van de koning Antiochus, die binnen Rome gijzelaar geweest was; en hij regeerde als koning in het honderdenzevenendertigste jaar van het rijk van de Grieken. 12 In deze dagen gingen uit Israël enige slechte kinderen, die velen aanrieden, zeggende: Laat ons heentrekken, en een verbond oprichten met de heidenen, die rondom ons zijn. 13 Want van die dag af dat wij van hen gescheiden zijn, hebben ons vele ellenden getroffen. En dit woord dacht hun goed voor hun ogen. 14 En sommigen van het volk waren bereidwillig en trokken naar de koning, en hij gaf hun macht om van de heidenen voorschriften te plegen. 15 En zij bouwden te Jeruzalem een school naar de wetten van de heidenen. 16 En zij maakten zichzelf voorhuiden, en vielen af van het heilig verbond, en voegden zich bij de heidenen, en waren verkocht om het kwade te doen. 17 En als het koninkrijk van Antiochus was bevestigd, nam hij ook voor te heersen over Egypte, om koning te zijn over twee koninkrijken. 18 En hij kwam in Egypte met een grote menigte, met wapens, en olifanten, en ruiters, en met een grote vloot. 19 En hij stelde de oorlog aan tegen Ptolomeüs, de koning van Egypte; en Ptolomeüs vreesde voor zijn aangezicht, en vluchtte. 20 En daar vielen vele gewonden, en zij namen de sterke steden in het land van Egypte in, en hij kreeg de roof van Egypte. 21 En Antiochus, nadat hij Egypte geslagen had, keerde weer in het honderdendrieënveertigste jaar; 22 En trok op naar Israël en Jeruzalem, met een grote menigte. 23 En hij ging met grote trots in het heiligdom, en nam het gouden altaar, en de kandelaar van het licht, en alle gereedschap, en de tafel van de toonbroden, en de sprengbekers, en de schalen, en de gouden wierookschalen, en het voorhangsel, en de kronen, en het gouden sieraad, dat in de tempel gezien werd, en hij trok het alles af. 24 Hij nam het zilver en het goud, en de kostelijke voorwerpen; en hij nam ook de verborgen schatten, die hij vond, en dit alles genomen hebbende trok hij naar zijn land. 25 En hij liet vele mensen vermoorden, en sprak met grote hoogmoedigheid. 26 En daar gebeurde grote rouw in Israël, in al hun plaatsen. 27 Want de oversten en ouderlingen zuchtten; de maagden en de jongemannen werden verzwakt, en de schoonheid van de vrouwen werd veranderd. 28 Alle bruidegoms namen rouw aan, en die in haar bruidskamer zat was in rouw. 29 En het land beefde over degenen die het bewoonden, en het hele huis van Jakob deed smaad kleren aan. 30 Na twee volle jaren zond de koning de oversten over de belastingen in de steden van Juda, en hij kwam te Jeruzalem met een zeer grote menigte. 31 En hij sprak tot hen vreedzame woorden, met bedrog, en zij geloofden hem. 32 En hij viel onvoorzien in de stad, en sloeg hen met een grote nederlaag, en vernielde veel volk in Israël. 33 En hij plunderde de stad, en verbrandde ze met vuur, en hij brak haar huizen en muren rondom af; 34 En zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, en verkregen al hun vee. 35 En zij bouwden de stad van David op met een grote en sterke muur, en met sterke torens; en deze was hun tot een burcht. 36 En stelden daarin een zondig volk, mannen die de wet niet hielden, en werden sterk daarin. 37 En brachten daarin wapenen en voedsel; en de plundering van Jeruzalem bijeengebracht hebbende, stelden die daar; en zij werden tot een grote schrik; 38 En deze burcht was om altijd het heiligdom hinderlagen te leggen, en om tegen Israël een boos beschuldiger te zijn. 39 En zij vergoten onschuldig bloed rondom het heiligdom, en verontreinigden het heiligdom. 40 En de inwoners van Jeruzalem vluchtten om hunnentwil; 41 En de stad werd een woonplaats van vreemdelingen, en werd een vreemde stad voor degenen, die in haar geboren waren, en haar kinderen verlieten haar. 42 Haar heiligdom is verwoest als een woestijn; haar feestdagen werden verkeerd tot rouw, haar sabbatten tot versmaadheid, en haar eer tot verachting. 43 Haar ontering is geweest naar dat haar heerlijkheid was, en haar hoogheid is verkeerd in rouw. 44 En de koning schreef aan zijn hele koninkrijk, dat zij allen zouden tot één volk zijn, en dat een ieder zijn wetten zou verlaten. 45 En alle volken namen het aan, naar het woord van de koning. 46 En velen van Israël hadden een welgevallen aan zijn godsdienst, en offerden de afgoden, en ontheiligden de sabbat. 47 En de koning zond brieven door de hand van zijn boden aan Jeruzalem, en aan de steden van Juda, dat zij wandelen zouden naar de vreemde wetten van het land; 48 Dat zij de brandoffers, de offergave en het drankoffer uit het heiligdom weren zouden. 49 Dat zij de sabbatten en de feestdagen zouden ontheiligen; 50 Dat zij het heiligdom en de heilige plaatsen ontreinigen zouden. 51 Dat zij altaren, bossen en afgodshuizen zouden bouwen, en varkens en andere onreine beesten slachten. 52 Dat zij hun zonen onbesneden zouden laten, en dat zij hun zielen gruwelijk zouden maken door al wat onrein en onheilig was, zodat zij de wet zouden vergeten, en al de rechten veranderen. 53 Zo wie niet zou doen naar dit woord van de koning, die zou moeten sterven. 54 Naar al deze woorden heeft hij geschreven aan zijn hele koninkrijk, en heeft opzichters gemaakt over al het volk. 55 En hij beval de steden van Juda, dat zij offeren zouden van stad tot stad. 56 En velen van het volk verzamelden tot hen, een ieder die de wet verliet, en zij deden veel kwaad in het land; 57 En maakten dat Israël zich zette in holen, in al hun schuilplaatsen. 58 En de vijftiende dag van de maand Chasleu in het honderdenvijfenveertigste jaar, bouwden zij een gruwel van de verwoesting op het reukaltaar, en rondom in alle steden van Juda bouwden zij altaren. 59 En in de deuren van de huizen, en op de straten offerden zij reukwerk; 60 En verbrandden de boeken van de wet, die zij vonden, nadat zij ze verscheurd hadden. 61 En waar bij iemand gevonden werd het boek van het verbond, en zo iemand de wet toestond, die doodden zij naar het bevel van de koning, door hun geweld. 62 Zo deden zij aan Israël, aan al degenen, die gevonden werden van maand tot maand in al de steden. 63 En zij offerden de vijfentwintigste dag van de maand op het altaar, dat op het reukaltaar was. 64 En de vrouwen, die haar kinderen lieten besnijden, doodden zij naar het bevel van de koning; 65 En zij hingen de kleine kinderen op aan de halzen van de moeder, en doodden haar huisgezinnen, en degenen die hen besneden hadden. 66 Maar velen in Israël zijn versterkt geworden, vast voornemende niet te eten enige onreine dingen; 67 En gekozen liever te sterven, opdat zij zich niet zouden besmetten met de spijzen, noch het heilig verbond ontheiligen en zijn gestorven. 68 En de toorn van de koning was zeer groot over Israël. ### 1 Makkabeeën 2 1 In die dagen stond op Mattathias, de zoon van Johannes, de zoon van Simeon, een priester, van de kinderen Joarib, van Jeruzalem, en had zijn woonplaats in Modin. 2 En hij had vijf zonen, Johannes die toegenaamd was Jaddis, 3 Simon, die genoemd was Thassi, 4 Judas, die genoemd was Makkabeüs, 5 Eleazar, die genoemd was Auäran, en Jonathan, die genoemd was Sapfus. 6 En hij zag de godslasteringen, die in Juda en Jeruzalem gebeurden, 7 En zei: Ach mij, waarom ben ik daartoe geboren, om te zien de overlast van mijn volk, en de overlast van de heilige stad, en om daar te zitten, daar ze overgegeven is in de hand van de vijanden? 8 Het heiligdom is in de hand van de vreemdelingen. De tempel is geworden als een man die ongeëerd is. 9 De heerlijke voorwerpen zijn genomen en weggevoerd; de kleine kinderen zijn gedood in haar straten, en haar jongemannen door het zwaard van de vijand. 10 Wat volk is er dat haar koninkrijk niet heeft geërfd, en van haar roof niet gekregen heeft? 11 Al haar sieraad is weggenomen, waar zij tevoren vrij was, is zij nu een slavin geworden. 12 En ziet, onze heiligdommen en onze schoonheid, en onze heerlijkheid zijn verwoest, en de heidenen hebben deze ontheiligd. 13 Waarom zouden wij nog willen leven? 14 En Mattathias en zijn zonen scheurden hun kleren, en deden zakken aan, en bedreven zeer grote rouw. 15 En daar kwamen enige van de koning wege, in de stad Modin, die de mensen dwongen af te vallen, dat zij moesten de afgoden offeren. 16 En velen van Israël kwamen tot hen, en Mattathias en zijn zonen werden daar ook gebracht. 17 En die van de koning wege daar waren, antwoordden en spraken tot Mattathias, zeggende: U bent een overste en wetgeleerde, en een groot man in deze stad, en zeer sterk van zonen en broers; 18 Nu dan, komt u het eerst tot ons, en doe het bevel van de koning, zoals al de volken gedaan hebben, en de mannen van Juda, en die in Jeruzalem overgelaten zijn, en u zult, alsook uw huis, van de vrienden van de koning zijn, en u en uw zonen zullen verheerlijkt worden met zilver en goud, en vele geschenken. 19 En Mattathias antwoordde en zei met een luide stem: Al was het dat alle volken, die in het huis en koninkrijk van de koning zijn, hem gehoorzaamden, dat een ieder van hen afviel van de godsdienst van zijn vaders, en zijn geboden aannam; 20 Zo zullen ik en mijn zonen en mijn broers wandelen in het verbond van onze vaders; 21 Heere wil ons genadig zijn, dat wij niet verlaten de wet en de rechten. 22 Het woord van de koning zullen wij niet horen, dat wij zouden overtreden onze godsdienst ter rechterhand of ter linkerhand. 23 En als hij ophield deze woorden te spreken, zo kwam een Joodse man, om voor de ogen van allen te offeren op het altaar te Modin, naar het bevel van de koning. 24 En Mattathias zag dat, en ijverde, en zijn nieren beefden, en hij ontstak met toorn zoals het recht is, en toelopende doodde hem op het altaar. 25 En de man van de koning, die de mensen dwong te offeren, doodde hij ook op dezelfde tijd, en verbrak het altaar. 26 En hij ijverde voor de wet, zoals vroeger Pinehas deed tegen Zambri, de zoon van Salom. 27 En Mattathias riep uit in de stad met een luide stem, zeggende: Een ieder die ijvert voor de wet, en het verbond vasthoudt, die ga uit achter mij. 28 En hij en zijn zonen vluchtten naar de bergen, en lieten al wat zij hadden in de stad. 29 Toen gingen velen, die de gerechtigheid en het recht zochten, heen naar de woestijn; 30 Om zich daar neer te zetten, zij en hun kinderen, en hun vrouwen, en hun vee, omdat het kwaad over hen vermenigvuldigd was. 31 En de mannen van de koning, en de oorlogsmachten, die te Jeruzalem in de stad van David waren, werd geboodschapt dat er mannen, die het gebod van de koning hadden verbroken, in de holen in de woestijn waren gegaan, en dat velen hun toe liepen. 32 En als zij hen achterhaald hadden, hebben zij hun leger tegen hen gelegd, en zij vingen tegen hen de oorlog aan op de dag van de sabbat, en zeiden tot hen: 33 Het is nog tijd dat u uitkomt, en doet naar het woord van de koning, en u zult het leven behouden. 34 En deze zeiden: Wij zullen niet uitkomen, en wij zullen het woord van de koning niet doen, om te ontheiligen de dag van de sabbat. 35 En zij haastten met de strijd tegen hen. 36 En deze antwoordden hun niet, en wierpen niet één steen tegen hen, en stopten de holen niet toe, zeggende: 37 Laat ons allen sterven in onze eenvoud. De hemel en aarde getuigen over ons, dat u ons ten onrechte ombrengt. 38 En zij stonden op tegen hen om te strijden op de sabbat, en zij werden doodgeslagen, zij, en hun huisvrouwen, en hun kinderen, en hun vee, tot duizend zielen van de mensen. 39 En Mattathias en zijn vrienden dit verstaande, hebben zeer grote rouw over hen gemaakt. 40 En een man zei tot zijn naaste: Als wij allen zouden doen, zoals onze broers gedaan hebben, en wij niet zouden strijden tegen de heidenen voor ons leven en voor onze rechten, zo zouden zij ons nu haastig van de aarde vernielen. 41 En zij besloten een raad op die dag, zeggende: Zo daar enig mens zal komen tegen ons te strijden op de dag van de sabbat, laat ons tegen hem ook strijden, en laat ons niet allen sterven zoals onze broers in de holen gestorven zijn. 42 Toen verzamelde zich bij hen de vergadering van de Asideeën, die sterk van macht waren, en van Israël een ieder die gewillig de wet hield. 43 En allen die deze rampen ontvlucht waren, voegden zich bij hen, en werden hun tot een versterking. 44 En zij brachten hun macht samen, en sloegen de zondaren in hun toorn, en de slechte mannen in hun woede; en de overgeblevenen vluchtten naar de heidenen om behouden te worden. 45 En Mattathias en zijn vrienden trokken rondom en verbraken hun altaren. 46 En zij besneden met kracht al de kinderen die onbesneden waren, zo velen zij vonden in het gebied van Israël; 47 En vervolgden de kinderen van de hoogmoed, en dit werk werd voorspoedig in hun hand. 48 Zij bevrijdden de wet uit de hand van de heidenen, en uit de hand van de koningen, en gaven de hoorn van de overwinning niet aan die zondaar. 49 En als de dagen naderden dat Mattathias zou sterven, zei hij tot zijn zonen: Nu is de hoogmoed gevestigd, en de vergelding, en nu is de tijd van de verwoesting, en de grimmige toorn. 50 Nu dan mijn kinderen, ijvert voor de wet en stelt uw zielen voor het verbond van uw vaders. 51 Gedenk onze vaders, wat daden zij gedaan hebben in hun tijden, en u zult grote heerlijkheid ontvangen, en een eeuwige naam. 52 Is Abraham in de verzoeking niet getrouw gebleven, en het is hem tot gerechtigheid gerekend? 53 Jozef heeft in de tijd van zijn benauwdheid het gebod gehouden, en werd een heer van Egypte. 54 Pinehas, onze vader, als hij met een ijver heeft geijverd, heeft het verbond van een eeuwig priesterdom ontvangen. 55 Jozua, als hij het woord heeft volbracht, is een rechter in Israël geworden. 56 Kaleb, als hij getuigenis heeft gegeven in de gemeente, heeft het erfdeel van het land gekregen. 57 David, in zijn barmhartigheid, heeft de troon van een eeuwig koninkrijk geërfd. 58 Elia, als hij met een ijver voor de wet heeft geijverd, is opgenomen in de hemel. 59 Ananias, Azaria, Misaël, als zij geloofd hebben, zijn uit de vlammen behouden. 60 Daniël is in zijn eenvoud gerukt uit de mond van de leeuwen. 61 En overdenkt zo van geslacht tot geslacht, en dat al degenen die op hem hopen, niet zullen verzwakt worden. 62 En vreest niet voor de woorden van de zondige man, want zijn heerlijkheid zal tot mest en wormen worden. 63 Vandaag zal hij verhoogd worden en morgen zal hij niet gevonden worden, want hij zal terugkeren tot stof, en zijn overleggingen zullen vergaan. 64 En u, mijn kinderen, wordt gesterkt, en houdt u als mannen in de wet, want u zult in deze verheerlijkt worden. 65 En ziet, Simon, uw broer, ik weet dat hij een man van raad is, hoort hem al uw dagen, hij zal u tot een vader zijn. 66 En Judas Makkabeüs is sterk van kracht, van zijn jeugd aan, deze zal uw krijgsoverste wezen, en u zult de oorlog van de volken voeren. 67 En u zult tot u brengen allen die de wet doen, en zult de wraak van uw volk uitvoeren. 68 Vergeld de heidenen de vergelding, en houdt u aan de geboden van de wet. 69 En hij zegende hen, en werd bij zijn vaders gesteld. 70 En hij stierf in het honderdenzesenveertigste jaar, en zijn zonen begroeven hem in de graven van zijn vaders in Modin, en het hele Israël maakte over hem zeer grote rouw. ### 1 Makkabeeën 3 1 En Judas, die genoemd werd Makkabeüs, zijn zoon, stond op in zijn plaats; 2 En hem hielpen al zijn broers, en allen die zijn vader aangehangen hadden, en voerden de oorlog van Israël met vreugde. 3 En hij heeft de eer van zijn volk verbreid; en hij deed zijn pantser aan als een reus; en gordde zijn krijgswapenen aan, leverde vele veldslagen, zijn leger met het zwaard beschermende. 4 Hij is in zijn werken een leeuw gelijk geworden, en als een jonge leeuw, die ter jacht loopt. 5 En hij, de goddelozen ijverig zoekende, vervolgde hen, en verbrandde degenen, die het volk beroerden; 6 Zodat de goddelozen uit vrees voor hem zich introkken, en dat alle werkers van de ongerechtigheid samen beroerd werden, en dat de behoudenis voorspoedig verliep door zijn hand. 7 Hij heeft vele koningen verbitterd, en hij verheugde Jakob in zijn werken, en zijn herinnering is in zegening tot in de eeuwigheid. 8 Hij doortrok de steden van Juda, en vernietigde uit haar de goddelozen en keerde de toorn van God van Israël af. 9 Zijn naam werd verbreid tot het uiterste van de aarde, en hij verzamelde degenen, die verloren gingen. 10 Waarom Apollonius de volken verzamelde, en van Samarië een grote macht, om tegen Israël strijd te voeren. 11 En Judas verstond dit, en hem tegemoet trekkende, heeft hem geslagen en gedood, en vele gewonden zijn gevallen, en de overigen zijn gevlucht. 12 En hij heeft hun buit bekomen, en Judas kreeg het zwaard van Apollonius, en hij streed daarmee al zijn dagen. 13 En Seron, de overste van de oorlogsmachten van Syrië, hoorde dat Judas een hoop en vergadering van getrouwe mensen bij zich verzameld had, die met hem ten strijde uittrokken, en zei: 14 Ik zal mijzelf een naam maken, en zal verheerlijkt worden in het koninkrijk, en ik zal bestrijden Judas, en die met hem zijn, en die het woord van de koning verachten. 15 En hij voer voort, en met hem trok op een sterk leger van goddelozen, om hem te helpen, dat hij wraak zou nemen over de Israëlieten. 16 En hij naderde tot aan de opgang van Bethoron, en Judas ging hem tegemoet met weinig volk. 17 En toen zij het leger hun tegemoet zagen komen, zeiden zij tot Judas: Hoe zullen wij, die zo weinigen zijn, kunnen strijden tegen zulk een sterke menigte, wij, die vermoeid zijn en deze dag niet gegeten hebben? 18 En Judas zei: Het is licht dat velen besloten worden in de handen van weinigen, en daar is geen onderscheid voor de hemel, te behouden door velen of door weinigen. 19 Want de overwinning in de oorlog bestaat niet in de menigte van de macht, maar de kracht uit de hemel geeft ze. 20 Deze komen tegen ons, om door een menigte van smaad en ongerechtigheid te vernietigen ons en onze huisvrouwen, en onze kinderen, en om ons te beroven. 21 Maar wij strijden voor onze zielen, en voor onze wetten. 22 En God zal hen vermorzelen voor onze aangezichten; u dan wilt hen niet vrezen. 23 Als hij ophield met spreken, zo viel hij meteen op hen aan, en Seron en zijn leger werd door hem vermorzeld. 24 En zij vervolgden hen in de neergang van Bethoron tot het veld toe, en van hen zijn gevallen ongeveer achthonderd mannen, en de overigen zijn gevlucht naar het land van de Filistijnen. 25 En de vrees voor Judas en zijn broers en een verschrikking begon te vallen op de volken, die rondom hen waren. 26 Zijn naam kwam tot de koning toe, en alle volken verhaalden van de veldslagen van Judas. 27 En toen Antiochus, de koning, deze woorden hoorde, werd hij in zijn gemoed zeer boos, en zond heen en verzamelde al de oorlogsmachten van zijn koninkrijk, een zeer sterk leger. 28 En hij opende zijn schatkamer, en gaf zijn krijgsmachten soldij voor een jaar, en gebood hun dat zij gereed zouden zijn een jaar lang tot alle noden. 29 En toen hij zag dat het geld in zijn schatten ontbrak, en dat degenen die in het land de belastingen verzamelden, weinigen waren; omdat de tweespalt, en de plaag die hij in het land had aangericht; waarmee hij de wetten, die van de eerste dagen af geweest waren, had weggenomen; 30 En vrezende dat hij niet genoeg zou hebben, om nog eens of tweemaal de onkosten te doen, en om de geschenken te geven, die hij tevoren met een milde hand gegeven had, zodat hij de vorige koningen in mildheid had overtroffen; 31 Zo is hij in zijn ziel zeer twijfelmoedig geworden; en nam een raad, om te reizen naar Perzië, en de belastingen van die landen te ontvangen, en veel geld te verzamelen. 32 En hij liet Lysias, een geëerd man, en van koninklijk geslacht, over de zaken van de koning, van de rivier Eufraat af tot het gebied van Egypte toe; 33 En om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij zou terugkeren. 34 En hij gaf hem over de helft van zijn krijgsmachten, en de olifanten; en hij gaf hem bevel van alles wat hij wilde gedaan hebben; ook van de inwoners van Judea en Jeruzalem; 35 Dat hij de soldaten zou zenden tegen hen, om de sterkte van Israël te vermorzelen, en het overgeblevene van Jeruzalem uit te roeien, en om hun herinnering van die plaats weg te nemen. 36 En dat hij vreemde kinderen zou doen wonen in al hun gebied, en dat hij hun land door het lot zou uitgeven. 37 En de koning nam bij zich de helft van de oorlogsmachten die overig waren, en vertrok van Antiochië, van zijn koninklijke stad, in het jaar honderdenzevenenveertig; en over de rivier Eufraat gegaan zijnde, doortrok hij de bovenlanden. 38 Lysias nu verkoos Ptolomeüs, de zoon van Dorymenis, en Nicanor, en Gorgias, machtige mannen onder de vrienden van de koning; 39 En zond met hen veertigduizend mannen en zevenduizend ruiters, om te vallen in het land van Juda, en het te verderven, naar het woord van de koning. 40 En zij trokken uit met al hun macht, en kwamen en sloegen hun kamp op nabij Emmanaüs, in het vlakke land. 41 En de kooplieden van die landstreek van hun naam horende, namen zeer veel zilver en goud, en dienaren, en zijn in hun leger gekomen, om de Israëlieten tot dienaren te verkrijgen, en de macht van Syrië en van het land van de vreemdelingen is bij hen gekomen. 42 Judas en zijn broers ziende dat de ellenden vermenigvuldigden, en dat de oorlogsmachten zich legerden in hun gebied, en verstaan hebbende de woorden van de koning, waarmee hij bevolen had het volk geheel te verderven en te vernielen, zo zei een ieder tot zijn naaste: 43 Laat ons ons volk uit deze vernedering weer oprichten, en laat ons vechten voor ons volk, en voor het heiligdom. 44 En de vergadering kwam bijeen, om gereed te zijn tot de strijd, en om te bidden, en barmhartigheid en ontferming te verzoeken. 45 En daar Jeruzalem onbewoond was als een woestijn, en daar niemand van degenen, die daar geboren waren, in ging of uitging, en het heiligdom vertreden werd, en de kinderen van de vreemdelingen op de burcht waren, en de heidenen daar hun woonplaats hadden, en alle vermaak weggenomen was uit Jakob, en de fluit en citer ophielden, 46 Zo zijn zij verzameld en gekomen te Mizpa, tegenover Jeruzalem, omdat de plaats van het gebed tevoren te Mizpa voor Israël was geweest. 47 En zij vastten op die dag, en deden zakken aan, en strooiden as op hun hoofden, en verscheurden hun kleren; 48 En breidden de boeken van de wet uit, waarnaar de heidenen ijverig zochten, om daarin het beeld van hun afgoden te schrijven. 49 En zij brachten daar de kleren van het priesterdom, en de eerstelingen, en de tienden, en zij verwekten de Nazireeën, die hun dagen vervuld hadden. 50 En zij riepen met hun stem tot de hemel, zeggende: Wat zullen wij dezen doen, en waar zullen wij hen heenbrengen? 51 Uw heiligdom is vertreden en ontheiligd en uw priesters zijn in rouw en vernedering. 52 En zie, de heidenen zijn tegen ons verzameld om ons te vernielen. U weet wat zij tegen ons denken. 53 Hoe zullen wij kunnen bestaan voor hun aangezicht, zo u ons niet helpt? 54 En zij bliezen de trompetten en riepen met een luide stem. 55 En na deze stelde Judas oversten van het volk, oversten over duizend, en oversten over honderd, oversten over vijftig, en oversten over tien. 56 En zij zeiden tot degenen, die huizen bouwden, en die eerst huisvrouwen getrouwd hadden, en wijngaarden hadden geplant, en die vreesachtig waren, dat een ieder van deze zou terugkeren naar zijn huis, volgens de wet. 57 En zo is het leger opgebroken, en zij sloegen hun kamp op tegen het zuiden van Emmaüs. 58 En Judas zei: Omgord u, en wees sterke mannen, en wees gereed tegen de morgenstond om te vechten tegen deze heidenen, die verzameld zijn tegen ons, om ons te vernielen en ons heiligdom. 59 Want het is beter dat wij in de strijd sterven, dan dat wij zouden aanzien de ellenden van ons volk en van ons heiligdom. 60 Maar zoals de wil van God in de hemel zal zijn, zo doe Hij met ons. ### 1 Makkabeeën 4 1 En Gorgias nam tot zich vijfduizend man te voet, en duizend uitgelezen ruiters, en dit leger brak op in de nacht; 2 Opdat zij vallen zouden op het leger van de Joden, en hen onvoorziens zouden slaan; en de mannen van de burcht waren zijn wegwijzers. 3 En Judas, dit horende, brak op, hij en zijn machtigen, om te slaan de oorlogsmacht van de koning, die in Emmaüs was; 4 Terwijl zijn soldaten nog verstrooid waren van het leger. 5 En Gorgias kwam in het leger van Judas in de nacht, en vond niemand, en zocht hen op de bergen; want, zei hij, deze vluchten voor ons. 6 En zo haast het dag was, is Judas gezien in het vlakke veld met drieduizend man; maar zij hadden geen deksels noch zwaarden, zo zij graag wilden. 7 En als zij nu het leger van de heidenen zagen, dat sterk en welgewapend was, en de ruiterij, die daarom stond, (en deze waren in de oorlog wèl ervaren), 8 Zo zei Judas tot de mannen die met hem waren: Vrees hun menigte niet, en schroomt u niet voor hun aanval. 9 Gedenk hoe onze vaders zijn behouden in de Rode Zee toen Farao met grote macht hen vervolgde. 10 En nu, laat ons roepen naar de hemel, dat God ons wil barmhartig zijn, en gedenke aan het verbond van de vaders; en Hij zal op deze dag dit leger voor ons aangezicht vermorzelen. 11 En al de volken zullen verstaan dat er één is, die Israël verlost en behoudt. 12 En de vreemde volken hieven hun ogen op, en zagen dat zij tegen hen aankwamen; 13 En zij trokken uit hun leger om te strijden, en die bij Judas waren bliezen de trompetten. 14 En zij kwamen aan elkaar, en de heidenen werden geslagen, en vluchtten over het vlakke veld. 15 Maar al de laatsten vielen voor het zwaard, en zij vervolgden hen tot Assaremoth toe, en tot de vlakke velden van Idumeä toe, en tot Azote en Jamnia, en van hen vielen tot drieduizend man. 16 En Judas en zijn soldaten keerden weer van hen te vervolgen; 17 En hij zei tot het volk: Begeer hun plundering niet, want onze bestrijders zijn nog tegen ons; 18 Gorgias en zijn soldaten zijn op de berg nabij ons, maar staat nu tegen onze vijanden, en bestrijdt hen, en plundert hen daarna met vrijmoedigheid. 19 Als Judas dit nog voltooide te zeggen, zo openbaarde zich een deel uitziende van de berg; 20 En zag dat de hunnen in de vlucht waren, en dat de Joden het leger in brand hadden gestoken, want de rook, die gezien werd, openbaarde wat er gebeurd was. 21 En deze, dit ziende, vreesden zeer, en ook ziende dat het leger van Judas in het vlakke veld gereed stond om te vechten. 22 Zo zijn allen gevlucht naar het land van de vreemdelingen. 23 En Judas keerde zich tot de plundering van het leger, en zij kregen veel goud en zilver, en vele kleren van hyacintenkleur, en zeepurper en grote rijkdom. 24 En teruggekeerd zijnde, zongen zij een lofzang en dankzegging tot God in de hemel, want dat is goed, omdat Zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid. 25 En op die dag is Israël een grote verlossing gebeurd. 26 En zo velen als er uit de vreemdelingen behouden waren, gingen heen en boodschapten aan Lysias al wat er gebeurd was. 27 En hij dit horende, werd verslagen, en verloor de moed, omdat Israël niet was overkomen wat hij graag gewild had, en het niet was uitgevallen, zoals hem de koning bevolen had. 28 En hij verzamelde in het volgende jaar zestigduizend uitgelezen mannen, en vijfduizend ruiters om hen te bestrijden. 29 En zij, in Idumeä gekomen zijnde, sloegen hun kamp op te Bethsura, en Judas kwam hen tegen met tienduizend mannen. 30 En hun sterk leger ziende, bad hij God, en zei: Gezegend bent U, o behouder van Israël, U, die de aanval van de machtige door de hand van Uw dienaar David gebroken hebt, en het leger van de vreemdelingen gegeven hebt in de handen van Jonathan, de zoon van Saul, en van zijn wapendrager. 31 Besluit dit leger in de hand van Uw volk Israël, en laat hen beschaamd worden in hun macht en paarden. 32 Geef hun versaagdheid, en doe de onverschrokkenheid van hun sterkte smelten, en laat hen bewogen worden door hun vermorzeling. 33 Werp hen terneer door het zwaard van degenen, die U liefhebben, en laat allen, die Uw Naam kennen, U loven met lofzangen. 34 Toen vielen zij op elkaar aan, en daar bleven van het leger van Lysias tot vijfduizend mannen, en vielen voor hen dáár neer. 35 Lysias nu, ziende de vlucht van zijn slagorden, en de onverschrokkenheid van Judas' leger, die getoond was, en hoe bereid de Joden waren om eerlijk of te leven of te sterven, trok op naar Antiochië, nam vreemd volk aan, en zijn leger, dat hij had, vermeerd hebbende, besloot hij, weer gesterkt zijnde, in Judea te komen. 36 Judas en zijn broers zeiden: Zie onze vijanden zijn vermorzeld, laat ons opgaan om het heiligdom te reinigen, en het opnieuw in te wijden. 37 En het hele leger werd verzameld, en zij gingen op naar de berg Sion. 38 En zij zagen het heiligdom verwoest, en het altaar ontheiligd, en de poorten verbrand, en in de voorhoven struiken gewassen, als in een kreupelbos of als op één van de bergen, en de kamers van de priester verwoest; 39 En zij verscheurden hun kleren, en maakten zeer grote rouw, en wierpen stof op hun hoofden; 40 En zij vielen op hun aangezicht op de aarde, en bliezen met de bazuinen alarm, en riepen tot God in de hemel. 41 Toen gebood Judas de mannen, dat zij bestrijden zouden degenen, die op de burcht waren, totdat hij het heiligdom zou gereinigd hebben. 42 En hij verkoos onberispelijke priesters, die de wet liefhadden. 43 En zij reinigden het heiligdom, en namen de stenen van de besmetting weg, en brachten ze in een onreine plaats. 44 En als zij raad hielden wat zij zouden doen met het altaar van het brandoffer, dat ontheiligd was. 45 Zo is hun een goede raad ingevallen, om het weg te nemen, opdat hij hun niet tot smaad wordt, daar de heidenen dat besmet hadden, en zij namen dit altaar weg; 46 En zij brachten de stenen op de berg van het huis, in een geschikte plaats, totdat er een profeet zou komen, om te antwoorden wat men met deze doen zou. 47 En zij namen hele stenen naar de wet, en zij bouwden een nieuw altaar, naar de gedaante van het eerste. 48 En zij bouwden het heiligdom, en het binnenste van het huis, en zij heiligden de voorhoven. 49 En zij maakten nieuwe heilige voorwerpen, en zij brachten in de tempel de kandelaar, en het altaar van het brandoffer, en van de reukwerken, en de tafel. 50 En rookten op het altaar, en ontstaken de lampen op de kandelaar, en zij gaven licht in de tempel. 51 En zij zetten broden op de tafel, en hingen de voorhangsels op, en volbrachten al deze werken, die zij waren begonnen te maken. 52 En zij stonden vroeg in de morgen op, de vijfentwintigste van de negende maand (deze is de maand Chasleu) in het honderdenachtenveertigste jaar; 53 En zij offerden, naar de wet, op het nieuwe altaar van het brandoffer, dat zij gemaakt hadden; 54 Op de tijd, en op de dag, waarop de heidenen dat ontheiligd hadden, op deze is het weer ingewijd, met gezangen, en citers, en harpen, en met cimbalen. 55 En al het volk neervallende op hun aangezichten, aanbaden, en dankten God in de hemel, die hun voorspoed gegeven had. 56 En zij hielden deze inwijding van het altaar acht dagen lang, offerende met vreugde brandoffers, en slachtende offergaven van de behoudenis en van de lof. 57 En versierden het voorste deel van de tempel, met gouden kronen en schilden, en vernieuwden de poorten, en de kamers van de priester, en maakten daar deuren aan. 58 En daar was een zeer grote vreugde onder het volk, en de smaad van de heidenen is afgekeerd. 59 En Judas met zijn broers, en de hele vergadering van Israël, bepaalden dat de dagen van de inwijding van het altaar, op hun tijden, jaar na jaar, acht dagen lang, van de vijfentwintigste dag van de maand Chasleu, zouden gehouden worden met vreugde en blijdschap. 60 En zij bouwden in die tijd rondom op de berg Sion hoge muren en sterke torens, opdat de heidenen niet te eniger tijd zouden komen en ze weer vertreden, zoals zij tevoren gedaan hadden. 61 En zij zetten daar soldaten in, om ze te bewaren, en maakten ze sterk, om Bethsura te bewaren, opdat het volk een vesting zou hebben tegen Idumeä. ### 1 Makkabeeën 5 1 Het gebeurde, als de heidenen daar rondom hoorden dat het altaar opgebouwd en het heiligdom weer ingewijd was als tevoren, dat zij zeer boos werden. 2 En zij namen een besluit, om het geslacht van Jakob te vernietigen; allen die in het midden van hen waren, en begonnen onder het volk enige te doden en te vernietigen. 3 Waarom Judas de kinderen van Ezau in Idumeä beoorloogde, het land van Acrabattane, omdat zij Israël als belegerd hadden, en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en benauwde hen en kreeg al hun buit. 4 En indachtig wordende de boosheid van de kinderen van Bajan, die het volk geweest waren tot een strik en aanstoot, doordat zij hun op de wegen hinderlagen hadden gelegd; 5 Besloot hij hen in de torens, en sloeg zijn kamp op tegen hen, en hij sloeg hen met de ban, en verbrandde hun torens met vuur, met allen die daarin waren. 6 En vandaar trok hij naar de kinderen van Ammon, en hij vond daar een grote macht, en veel volk, en Timotheüs, hun overste. 7 En hij leverde hun vele veldslagen, en vermorzelde hen voor zijn aangezicht, en sloeg hen. 8 En Jazer met haar plaatsen ingenomen hebbende, keerde hij weer in Judea. 9 En de heidenen die in Galaäd waren, verzamelden samen tegen de Israëlieten, die in hun gebied waren, om hen te vernietigen. 10 Daarom vluchtten zij tot de vesting van Dathema, en zonden brieven aan Judas en zijn broers, zeggende: 11 De heidenen, die rondom ons zijn, zijn tegen ons samen verzameld, om ons te verderven, en zij bereiden zich om te komen, en in te nemen de vesting, waarin wij gevlucht zijn, en Timotheüs voert hun leger aan. 12 Kom dan nu, en verlost ons van hun hand, want daar is al een menigte van ons gevallen; 13 En al onze broers, die in de plaatsen van Toubin waren, zijn gedood, en zij hebben hun vrouwen gevangen genomen, en hun kinderen, en hun huisraad, en hebben daar vernield ongeveer duizend mannen. 14 Toen deze brieven nog gelezen werden, ziet, andere boden kwamen uit Galilea, hun kleren verscheurd hebbende, en boodschapten volgens deze woorden. 15 Zeggende, dat tegen hem velen verzameld waren uit Ptolomaïs, en Tyrus, en Sidon, met het hele Galilea van de vreemdelingen, om ons uit te roeien. 16 Als nu Judas en het volk deze woorden hoorden, zo werd daar verzameld een grote vergadering om te beraadslagen, wat zij zouden doen voor hun broers, die in de verdrukking waren, en die van hen werden bestreden. 17 En Judas zei tot Simon, zijn broer: Verkies u mannen, en trek heen om uw broers te verlossen, die daar in Galilea zijn; maar ik en mijn broer Jonathan zullen in Galaäditis trekken. 18 En hij liet Jozef, de zoon van Zacharias en Azaria tot oversten van het volk met de overige soldaten in Judea tot bewaring daarvan. 19 En hij beval hun, zeggende: Wees over dit volk, en begin de strijd niet tegen de heidenen, voordat wij zullen teruggekeerd zijn. 20 En Simon werden toegedeeld drieduizend man, om naar Galilea te trekken, en Judas achtduizend man om te trekken naar Galaäditis. 21 En Simon trok naar Galilea, en hij leverde vele veldslagen tegen de heidenen, en hij vermorzelde de heidenen voor zijn aangezicht, en hij vervolgde hen tot de poorten van Ptolomaïs toe. 22 En daar vielen van de heidenen tot drieduizend man, en zij kregen hun buit. 23 Zij namen tot zich die van Galilea, en ook die van Arbatten, met vrouwen en kinderen, en alles wat zij hadden, en brachten hen in Judea met grote vreugde. 24 En Judas de Makkabeeër, en Jonathan, zijn broer, trokken over de Jordaan, en reisden de weg van drie dagen in de woestijn; 25 En ontmoetten de Nabatheeën, die hen vreedzaam bejegenden, en hun vertelden al wat met hun broers in Galaäditis gebeurd was; 26 En dat velen van hen gekregen waren te Bosorra, en Bosor in Aleme, te Chaskor, te Maked, en Karnaïn; al deze steden waren sterk en groot; 27 En dat zijn ook in al die overige steden van Galaäditis gekregen waren; en dat zij geboden hadden zich op de andere dag te legeren tegen de vestingen, en die in te nemen, en hen allen te vernielen op één dag. 28 Daarom keerde Judas weer met zijn leger de weg naar de woestijn naar Bosorra, met spoed, en nam de stad in, en doodde al wat mannelijk was door de scherpte van het zwaard, en hij kreeg al hun roof en verbrandde deze stad met vuur. 29 En hij vertrok van daar in de nacht, en trok alsof hij naar de vesting wilde gaan. 30 En als de morgenstond aankwam, en zij hun ogen opsloegen, ziet, daar was veel volk, dat men niet tellen kon, dragende ladders en andere gereedschappen om de vesting in te nemen, en zij bestreden ze. 31 En Judas zag dat de strijd was aangevangen, en het geroep van de stad ging op tot de hemel toe, met trompetten en met een luide stem, en hij zei tot de mannen van zijn leger: 32 Strijd deze dag voor uw broers. 33 En uitgaande achter hen met drie slagorden, bliezen zij de trompetten, en riepen in het gebed. 34 En het leger van Timotheüs ontdekte dat het Makkabeüs was, en zij vluchtten voor zijn aangezicht; en hij sloeg hen met een grote nederlaag, en van hen vielen op die dag tot achtduizend man. 35 En hij week naar Mizpa, en hij bestreed haar, en nam haar in, en doodde al wat mannelijk daarin was, plunderde haar en verbrandde haar met vuur. 36 En hij trok vandaar, en nam in Chasfon, Maked, Bosor, en de overige steden van Galaäditis. 37 En na deze zaken verzamelde Timotheüs een ander leger, en sloeg zijn kamp op tegenover Rafon over de beek. 38 En Judas zond om het leger te bespioneren; en zij boodschapten hem zeggende: Al de volken, die rondom ons zijn, zijn bij hen verzameld, een zeer grote macht. 39 En hij heeft de Arabieren gehuurd om hen te helpen, en zij hebben hun leger opgeslagen over de beek, en zijn gereed tot u te komen om te strijden. En Judas trok hen tegemoet. 40 En Timotheüs zei tot de oversten van zijn soldaten, toen Judas naderde, en zijn leger bij de beek van het water: Als hij eerst zal overkomen tot ons, zo zullen wij tegen hem niet kunnen bestaan, want hij zal veel machtiger zijn dan wij. 41 Maar als hij zal vrezen, en zijn leger opslaan over de rivier, zo zullen wij overtrekken tot hem, en wij zullen hem te machtig zijn. 42 Als nu Judas nabij de beek van het water kwam, zo stelde hij de schrijvers van het volk, en hij beval hun, zeggende: Laat geen mens zich neerzetten, maar dat zij allen komen ten strijde. 43 En hij was de eerste die over de beek tegen hen trok, en al zijn volk trok hem achterna. En al de heidenen werden vermorzeld voor zijn aangezicht, en zij wierpen hun wapenen weg, en vluchtten in het bos, dat te Karnaïn was. 44 En zij namen de stad in, en zij staken het bos in brand, en verbrandden het met vuur, met allen die daarin waren. En de stad Karnaïn werd omgekeerd, en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht van Judas. 45 En Judas verzamelde al de Israëlieten, die in Galaäditis waren, van de kleinen tot de groten toe, en hun vrouwen, en hun kinderen, en hun huisraad, een zeer groot leger, om te komen in het land van Juda. 46 En als zij gekomen waren tot Efron toe (dit is, een grote stad op de ingang van het land, zeer sterk, en men kon ze noch ter rechterhand noch ter linkerhand voorbij trekken, maar men moest midden daardoor trekken), 47 Zo sloten die van de stad hen buiten, 48 En stopten de poorten toe met stenen. 49 En Judas zond tot hen, zeggende met vreedzame rede: 50 Ik zal maar door uw land doortrekken om te komen in ons land, en niemand zal u enig kwaad doen, wij zullen alleen te voet daardoor gaan; maar zij wilden hem niet opendoen. 51 En Judas gebood dat men in het leger zou uitroepen, dat een ieder zich zou legeren in de plaats waar hij was, en de mannen van de soldaten sloegen hun kamp op, en bestreden de stad die hele dag en de hele nacht, en de stad werd in zijn handen overgeleverd. 52 En hij vernielde al wat mannelijk was door de scherpte van het zwaard, en heeft de stad geheel uitgeroeid, en plunderde haar en hij ging door de stad boven over de gedoden. En vandaar trokken zij over de Jordaan in het grote vlakke veld tegenover Bethsan. 53 En Judas, leidende de achtersten, vermaande het volk op de hele weg, totdat hij kwam in het land van Juda. 54 En zij gingen op naar de berg Sion, met vreugde en blijdschap, en zij offerden brandoffers, omdat van hen niet één gevallen was, voordat zij in vrede waren teruggekeerd. 55 En in die dagen toen Judas en Jonathan in Galaäd waren, en Simon, zijn broer, in Galilea tegenover Ptolomaïs, 56 Hoorde Jozefus, de zoon van Zacharias, en Azaria, oversten van de soldaten, de mannelijke daden en de oorlogen die zij uitgericht hadden, en zeiden: 57 Laat ons ook onszelf een naam maken, en laat ons heentrekken om te bevechten de heidenen, die rondom ons zijn. 58 En nadat zij de soldaten die bij hen waren bevel hadden gegeven, trokken zij op tegen Jamnia. 59 En Gorgias en zijn mannen trokken uit de stad hun tegemoet, om tegen hen te strijden. 60 En Jozefus en Azaria werden op de vlucht gedreven, en vervolgd tot het gebied van Judea; en daar vielen op die dag van het volk van Israël tot tweeduizend man, en daar werd een grote vlucht onder het volk Israël; 61 Daar zij niet hoorden naar Judas en zijn broers, menende dat zij ook een mannelijke daad zouden doen. 62 Maar zij waren niet van het zaad van die mannen, door wier hand Israël behoudenis is gegeven. 63 En Judas en zijn broers zijn zeer verheerlijkt voor het hele Israël, en al de volken, waar hun naam gehoord werd; 64 Zodat zij zich gezamenlijk verzamelden bij hen, wensende hun veel geluk. 65 En Judas en zijn broers trokken uit en bestreden de kinderen van Ezau, in het land dat tegen het zuiden ligt, en hij sloeg Chebron, en haar plaatsen. 66 En heeft haar vesting vernield, en al haar torens rondom verbrand; en is opgebroken en getrokken in het land van de vreemdelingen, en trok door Samaria. 67 En die dag vielen de priesters in de strijd, daar zij een mannelijke daad wilden doen, omdat zij ten strijde trokken zonder raad. 68 En Judas week naar Azote, in het land van de vreemdelingen, en verbrak hun altaren, en de beelden van hun goden verbrandde hij met vuur, en hij plunderde de roof van de steden, en keerde weer naar het land Juda. ### 1 Makkabeeën 6 1 En de koning Antiochus, doorreizende de bovenlanden, horende dat in Elimaïs, in Perzië, een stad was, beroemd van rijkdom, van zilver en van goud; 2 En dat de tempel, die daarin was, zeer rijk was; en dat daar gouden bedekselen, en pantsers, en wapenen waren, die Alexander, de zoon van Filippus, de koning van Macedonië, die het eerste had geregeerd onder de Grieken, daar gelaten had; 3 Zo is hij gekomen zoekende de stad in te nemen, en ze te plunderen, maar hij kon niet, omdat deze zaak de mensen van die stad bekend werd. 4 En zij zijn tegen hem opgestaan om te strijden, en hij vluchtte, en vertrok vandaar met groot verdriet, en keerde weer naar Babylon. 5 En daar kwam een die hem boodschapte in Perzië, dat de legers, die naar het land van Juda vertrokken waren, op de vlucht waren geslagen; 6 En dat Lysias met een sterke macht onder de voorsten getrokken was, en voor hun aangezicht op de vlucht was gebracht, en dat de Joden versterkt waren met wapenen, en soldaten, en veel buit, die zij bekomen hadden van de legers, die zij geslagen hadden; 7 En dat zij verbroken hadden de gruwel, die zij op het altaar hadden gebouwd te Jeruzalem, en dat zij het heiligdom, zoals het eerst was, hadden omringd met hoge muren, en Bethsura, zijn stad. 8 En het gebeurde, als de koning deze woorden hoorde, dat hij zeer verbaasd en ontroerd werd, zodat hij te bed vallende uit verdriet in een ziekte is vervallen, omdat het hem niet was gegaan zoals hij gedacht had. 9 En hij was daar vele dagen, omdat over hem de grote droefenis vernieuwd werd, en hij meende dat hij zou sterven. 10 Waarom hij al zijn vrienden riep, en zei tot hen: De slaap houdt op van mijn ogen, en mijn hart vervalt vanwege de zorgen. 11 En ik heb gezegd in mijn hart: Tot wat een verdrukking ben ik gekomen, en tot wat een grote vloed, waarin ik nu ben! Och, of ik goedertieren en geliefd was geweest in mijn heerschappij! 12 Maar nu gedenk ik aan het kwaad dat ik in Jeruzalem heb gedaan; en dat ik al de gouden en zilveren voorwerpen, die daarin waren, genomen heb, en dat ik gezonden heb om de inwoners van Juda zonder oorzaak uit te roeien. 13 Ik beken dat vanwege deze dingen mij deze ellenden getroffen hebben; en ziet, ik verga van groot verdriet in een vreemd land. 14 En hij riep Filippus, één van zijn vrienden, en stelde hem over zijn hele koninkrijk; 15 En hij gaf hem zijn kroon, en zijn koninklijk kleed, en zijn ring, dat hij zijn zoon Antiochus zou halen, en hem opvoeden om koning te zijn. 16 En de koning Antiochus stierf daar, in het honderdnegenenveertigste jaar. 17 En Lysias, verstaande dat de koning gestorven was, stelde Antiochus, zijn zoon, om koning te zijn in zijn plaats, die hij in zijn jeugd opgevoed heeft, en noemde zijn naam Eupator. 18 Toen nu degenen die op de burcht waren, de Israëlieten rondom het heiligdom besloten, en altijd zochten veel kwaad te doen, en een vesting waren voor de heidenen; 19 Zo nam Judas zich voor deze te vernietigen, en verzamelde al het volk om hen te belegeren. 20 Die, samen verzameld zijnde, belegerden hen in het honderdenvijftigste jaar, en hij maakte tegen hen stormgereedschap en andere instrumenten van geweld. 21 En enige van die besloten waren kwamen uit, en enige goddelozen uit Israël voegden zich bij hen, en zij reisden naar de koning en zeiden: 22 Hoe lang zult u geen recht oefenen, en zult onze broers niet wreken? 23 Wij hebben goed gevonden uw vader te dienen, en te wandelen in wat door hem geboden werd, en na te komen zijn bevelen, waardoor de mensen van dit volk van ons vervreemd werden. 24 Ja ook al degenen van ons, die gevonden werden, die werden gedood, en onze erfgoederen werden geroofd; 25 En zij strekten hun handen uit niet alleen tegen ons, maar ook tegen al hun gebied. 26 En ziet, zij hebben op deze dag hun leger geslagen tegen de burcht van Jeruzalem, om deze en het heiligdom in te nemen, en zij hebben Bethsura sterk gemaakt. 27 En als u hun niet haastig voorkomt, zo zullen zij nog meerdere dingen doen dan deze, en u zult hen niet kunnen tegenhouden. 28 En de koning werd boos toen hij dit hoorde, en verzamelde al zijn vrienden, de oversten van zijn soldaten, en die over de ruiterij waren. 29 En van andere koningen en van de eilanden van de zee kwamen veel soldaten tot hem, die gehuurd waren. 30 Zodat het getal van zijn soldaten was honderdduizend voetknechten, en twintigduizend ruiters, en tweeëndertig olifanten, ten oorlog geleerd. 31 En zij kwamen door Idumeä, en sloegen hun kamp op tegen Bethsura, dat zij vele dagen bevochten, en maakten instrumenten van geweld, maar die van binnen vielen uit en verbrandden die met vuur, en vochten mannelijk. 32 En Judas brak op van de burcht en sloeg zijn kamp op in Bethzacharia tegenover het leger van de koning. 33 En de koning stond op, vroeg in de morgen, en verplaatste het leger; het in grote haast brengende tegen de weg van Bethzacharia, en het leger verdeeld zijnde om te vechten, zo bliezen zij de trompetten. 34 En zij toonden de olifanten het sap van wijndruiven, en van moerbeziën, om hen tot de strijd te moediger te maken. 35 En zij verdeelden de beesten onder de slagorden, en zij stelden bij elke olifant duizend mannen te voet, voorzien met pantsers van ijzeren maliënkolders, en die koperen helmen op hun hoofden hadden, en vijfhonderd uitgelezen ruiters werden bestemd bij elk beest. 36 Deze waren altijd daar, waar het beest was, en waar het ging, daar gingen zij mee, en weken van hetzelfde niet. 37 En op deze olifanten waren houten en sterke torens, die een ieder beest bedekten, daarop gegord met instrumenten, en op elk waren tweeëndertig vechtende mannen en een Indiaan, die het beest regeerde. 38 En de overige soldaten stelden de oversten aan de twee delen van het leger, ter weerszijden, bewegende deze, en in slagorden besluitende. 39 Zodat als de zon op de gouden schilden scheen, de bergen daarvan blonken, en lichtten zoals lampen van vuur. 40 En een deel van het leger van de koning werd uitgebreid tot de hoge bergen en sommige naar de laagten, en trokken in verzekerdheid en goede orde. 41 En zij werden allen ontroerd, die het geluid van hun menigte, en het geluid van de wapenen hoorden, want het leger was zeer groot en sterk. 42 En Judas en zijn leger naderden om te slaan, en daar vielen van het leger van de koning zeshonderd mannen. 43 En Eleazar Auäran zag één van de beesten met koninklijke pantsers geharnast, en het was uitstekend boven al de beesten, en hij dacht dat de koning daarop was; 44 En hij begaf zich om zijn volk te behouden, en om zichzelf een eeuwige naam te verkrijgen. 45 En hij liep zeer dapper op hem toe, midden in de slagorden, en hij sloeg dood ter rechterhand en ter linkerhand, en zij verdeelden zich ter weerszijden van hem. 46 En hij ging onder de olifant, en hij zette zich onder deze, en doodde hem, en hij viel ter aarde op hem, zodat hij daar stierf. 47 En als zij zagen de sterkte van de koning, en de aanval van de soldaten, weken zij van hen af. 48 En die van het leger van de koning waren, trokken hen tegemoet naar Jeruzalem, en de koning sloeg zijn leger in Judea, en op de berg Sion. 49 En hij maakte vrede met degenen, die uit Bethsura waren; en zij trokken uit de stad, omdat zij daar geen leeftocht meer hadden, om in de stad besloten te blijven, en het een sabbats jaar van het land was. 50 En de koning nam Bethsura in, en stelde daar een bezetting om ze te bewaren. 51 En hij sloeg zijn leger tegen het heiligdom vele dagen, en hij stelde daar stormgereedschap en instrumenten van geweld om vuur en stenen te werpen; en schorpioenen, om pijlen te werpen en te slingeren. 52 En zij maakten ook instrumenten van geweld tegen hun instrumenten, en vochten vele dagen. 53 En zij hadden geen eetwaren in hun kruiken, omdat het het zevende jaar was, en die behouden en van de heidenen in Judea gevlucht waren, hadden het overige, dat weggelegd was, gegeten. 54 En daar waren weinig mannen over in de heilige plaatsen, omdat de honger hen had overweldigd, en zij waren verstrooid, een ieder in zijn plaats. 55 Maar als Lysias hoorde dat Filippus, die de koning Antiochus, toen hij nog leefde, gesteld had om zijn zoon Antiochus op te voeden, totdat hij koning zou zijn, 56 Weergekeerd was van Perzië en Medië, met de oorlogsmachten van de koning die met hem getrokken waren, en dat hij zocht het rijk aan zich te trekken met de zaken daarvan, 57 Zo hebben zij zich zeer gehaast en elkaar aangespoord dat zij van de burcht zouden aftrekken, en zeggen tot de koning, en tot de oversten van de soldaten, en tot de mannen: Wij nemen dagelijks af, en onze leeftocht is zeer weinig, en de plaats die wij belegeren is sterk, en wij moeten de zaken van het koninkrijk verzorgen. 58 Laat ons dan nu deze mannen de rechterhand geven, en laat ons vrede met hen maken, en met al hun volk. 59 En laat ons hun toelaten, dat zij mogen wandelen naar hun wetten, zoals tevoren. Want vanwege hun wetten, die wij verbroken hebben, zijn zij boos geworden, en hebben al deze dingen gedaan. 60 Deze rede behaagde de koning en de oversten, en hij zond tot hen om de vrede aan te bieden, en zij namen hem aan. 61 En de koning en de oversten zwoeren hun deze dingen, en zij trokken uit de vesting; 62 En de koning ging op de berg Sion, en bezag de vesting van de plaats, en verbrak de eed, die hij gezworen had, en gebood dat men de muur rondom zou wegnemen. 63 En is haastig vertrokken, en keerde weer naar Antiochië, en hij vond daar Filippus, die over de stad regeerde, en hij streed tegen hem, en nam de stad in met geweld. ### 1 Makkabeeën 7 1 In het honderdeenenvijftigste jaar kwam Demetrius, Seleucus' zoon, van Rome, en ging op met enige mannen, naar een stad aan de zee gelegen en regeerde daar als koning. 2 En het gebeurde, toen hij ging naar het koninklijke huis van zijn vaders, dat de soldaten Antiochus en Lysias grepen, om die tot hem te brengen. 3 En als hem deze zaak bekend werd, zei hij: Toon mij hun gezichten niet. 4 De soldaten doodden hen, en Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk. 5 En tot hem kwamen alle verbrekers van de wet, en goddeloze mannen in Israël, en Alcimus was hun leidsman, en wilde het hogepriesterschap hebben. 6 En zij beschuldigden het volk bij de koning, zeggende: Judas en zijn broers hebben al uw vrienden vernield, en hebben ons uit ons land verstrooid. 7 Zend dan nu een man, die u vertrouwt, die daar heenreizende, beziet al de verderving, die hij aan ons gedaan heeft, en aan het land van de koning, en dat hij hem, en allen, die hem geholpen hebben, straffe. 8 En de koning verkoos Bacchides, een vriend van de koning, die regeerde aan de overzijde van de rivier, en groot was in het koninkrijk, en de koning getrouw. 9 En hij zond deze; en meteen de goddeloze Alcimus, en hij gaf hem het hogepriesterschap, en hij gebood hem wraak te doen over de Israëlieten. 10 En zij trokken uit en kwamen met een grote krijgsmacht in het land van Juda, en hij zond boden tot Judas en zijn broers, vreedzame woorden sprekende met bedrog. 11 Maar zij luisterden naar hun woorden niet, want zij wisten dat zij met grote krijgsmacht gekomen waren. 12 En een vergadering van schriftgeleerden verzamelde zich bij Alcimus en Bacchides om enige redelijke zaken te verzoeken. 13 En de Asideeën waren de eerste onder de kinderen van Israël, en zij vroegen hun vrede. 14 Want zij zeiden: Een man, die een priester is uit het zaad van Aäron, is gekomen met de soldaten, en die zal ons geen ongelijk aandoen. 15 En hij sprak met hen vreedzame woorden, en zwoer hun zeggende: Wij zullen u, en onze vrienden geen kwaad toebrengen. 16 En zij geloofden hem; maar zij namen uit hen zestig mannen, en hij doodde hen op één dag, naar de woorden die de Psalmist geschreven heeft: 17 Zij hebben het vlees van uw heiligen, en hun bloed vergoten rondom Jeruzalem; en zij hadden niemand die hen begroef. 18 En een vrees voor hen, en een beving viel op het hele volk, zodat zij zeiden: Daar is geen waarheid, noch recht onder hen, want zij hebben het verbond en de eed, die zij gezworen hadden, verbroken. 19 En Bacchides trok op van Jeruzalem, en sloeg zijn kamp op te Bezeth, en zond heen, en greep velen van de mannen die tot hem overgelopen waren, en enige van het volk, en hij doodde hen, en wierp hen in een grote put. 20 En hij stelde Alcimus over het land, en hij liet bij hem soldaten, die hem zouden helpen; en Bacchides trok heen naar de koning. 21 En Alcimus streed om het hogepriesterschap. 22 En tot hem werden verzameld allen die hun volk ontroerden, en zij bemachtigden het land van Juda, en brachten een grote nederlaag te Jeruzalem. 23 En Judas, als hij zag al de boosheid, die Alcimus en die met hem waren onder de Israëlieten deden meer dan de heidenen, 24 Trok uit in al het gebied van Judea rondom, en deed wraak over al de mannen, die overgelopen waren, en zij werden tegengehouden, dat zij in het land niet mochten komen. 25 En als Alcimus zag, dat Judas en die met hem waren de sterkste waren, en verstond dat hij ze niet zou kunnen tegenstaan, zo keerde hij weer tot de koning, en beschuldigde hen van slechte dingen. 26 En de koning zond Nicanor, één van zijn vermaardste oversten, die Israël haatte en vijandig was, en beval hem dat hij het volk zou uitroeien. 27 En Nicanor kwam te Jeruzalem met een grote macht, en hij zond aan Judas en zijn broers, met bedrog sprekende, vreedzame woorden; 28 Zeggende: Laat geen strijd zijn tussen mij en u. Ik zal komen met weinig mannen, opdat ik uw gezichten mag zien met vrede. 29 En hij kwam tot Judas; en zij groetten elkaar vreedzaam. En de vijanden waren gereed om Judas met geweld weg te nemen. 30 En deze zaak werd Judas bekend, dat hij met bedrog tot hem gekomen was, en hij werd door hem verschrikt, en hij wilde zijn aangezicht niet meer aanschouwen. 31 En Nicanor, wetende dat zijn raad ontdekt was, is hem tegemoet getrokken te Cafarsarama. 32 En daar vielen aan de zijde van Nicanor ongeveer vijfhonderd mannen, en zij vluchtten in de stad van David. 33 En na deze zaak ging Nicanor op naar de berg Sion, en daar gingen enige van de priesters uit het heiligdom, en enige van de ouderlingen van het volk, om hem vreedzaam te begroeten, en om hem te tonen het brandoffer, dat voor de koning opgeofferd werd. 34 Maar hij bespotte hen en belachte hen, en ontreinigde hen, en sprak hoogmoedig. 35 En hij zwoer met toorn, zeggende: Als Judas en zijn leger nu niet wordt overgeleverd in mijn handen, zo zal het gebeuren, als ik met vrede wederkere, dat ik dit huis zal verbranden. En hij ging heen met grote toorn. 36 En de priesters gingen in de tempel, en stonden voor het altaar en de tempel, en huilden en zeiden: 37 Heere, U hebt dit huis uitverkoren, dat Uw Naam daarin zou aangeroepen worden, en dat het Uw volk zou zijn een huis van het gebed en van de smeking; 38 Doe toch wraak over deze mens, en over zijn leger, en laat hen door het zwaard vallen. Gedenk aan hun lasteringen, en geef hun geen verblijf te hebben. 39 En Nicanor trok uit Jeruzalem en sloeg zijn kamp op te Bethoron, en daar ontmoetten hem de soldaten van Syrië. 40 En Judas sloeg zijn kamp op in Adasa met drieduizend man, en Judas bad God, en zei: 41 Vroeger als degenen die door de koning Sanherib gezonden waren, lasterlijk spraken, zo is uw engel uitgegaan, en sloeg onder hen honderdvijfentachtigduizend. 42 Vermorzel dan zo dit leger vandaag voor ons, opdat de overgeblevenen mogen leren, dat zij tegen uw heiligdom kwalijk hebben gesproken, en oordeel hem naar zijn boosheid. 43 En de legers kwamen met elkaar te strijden, op de dertiende dag van de maand Adar, en het leger van Nicanor werd vermorzeld, en hij zelf was de eerste, die in deze strijd viel. 44 Als nu zijn leger zag dat Nicanor dood was, zo wierpen zij hun wapenen weg en vluchtten. 45 En zij vervolgden hen een dagreis van Adasa af, totdat zij kwamen te Gazara, en zij bliezen achter hen de alarmtrompetten. 46 En uit alle plaatsen van Judea kwamen de inwoners, en bezetten hen, en zij keerden zich, deze tot anderen, en zij vielen allen door het zwaard, en daar werd van hen niet één overgelaten. 47 En zij kregen de buit en de roof, en het hoofd van Nicanor, en zijn rechterhand, die hij hoogmoedig had uitgestrekt, afgehouwen hebbende, brachten zij mee en hingen ze op bij Jeruzalem. 48 En het volk was zeer verheugd, en zij vierden die dag als een dag van grote verheuging. 49 En zij bepaalden dat die dag alle jaren zo zou gehouden worden, de dertiende van de maand Adar. 50 En het land van Juda was enige dagen in rust. ### 1 Makkabeeën 8 1 En Judas hoorde de naam van de Romeinen, dat zij machtig waren in sterkte, en dat zij licht toestonden al wat hun voorgesteld werd, en dat zij vriendschap maakten met al degenen, die tot hen kwamen, en dat zij machtig waren in sterkte. 2 Want hem werden verhaald hun oorlogen, en mannelijke daden, die zij gedaan hadden tegen de Galaten, en dat zij hen overwonnen hadden, en hen onder belasting hadden gebracht. 3 En wat zij gedaan hadden in het land van Spanje, om te bemachtigen de metaalmijnen van zilver en van goud, dat daar is, en dat zij alle plaatsen hadden bemachtigd door hun goede raad en geduld, hoewel de plaatsen zeer ver van hen gelegen waren. 4 En de koningen, die van het uiterste van de aarde tegen hen gekomen waren, totdat zij hen vermorzeld hadden, en hen met een grote nederlaag geslagen, en dat de overgeblevenen hun jaarlijks belasting gaven; 5 En dat zij Filippus, en Perseus, koningen van Macedonië, die tegen hen opgestaan waren in de strijd, vermorzeld en hen overwonnen hadden; 6 En onder deze Antiochus de Grote, koning van Azië, die tegen hen ten strijde was getrokken, hebbende honderdentwintig olifanten, en ruiterij, en wagens, en zeer veel soldaten, en dat die ook door hen was vermorzeld. 7 En dat zij hem levend gekregen hadden, en hem, en die na hem koningen zouden zijn, hadden opgelegd hun een grote belasting te geven, en gijzelaars te stellen, en een scheiding te maken; 8 En te geven het land van Indië, en Medië, en Lydië, en andere van hun beste landen, en dat zij, die van hem ontvangen hebbende, de koning Eumenes gegeven hadden. 9 En als die van Griekenland in hun raad besloten hadden, te komen en hen te vernielen, en deze zaak door de Romeinen was verstaan, 10 Dat zij een krijgsoverste tegen hen hadden gezonden, en hen zo hadden bestreden, dat vele gekwetsten van hen waren gevallen, en velen gevangen genomen, met hun vrouwen en hun kinderen, en hen geplunderd hebbende, hun land hebben bemachtigd, en hun vestingen verbroken, en hen uitgeplunderd hebbende, tot slavernij hadden gebracht, tot op deze dag toe; 11 En dat zij de overige koninkrijken en eilanden, die hen enigszins tegenstonden, verwoest en tot slavernij gebracht hadden; 12 Maar dat zij met hun vrienden, en die met hen tevreden waren, vriendschap hielden, en dat zij zo alle koninkrijken, die nabij, en die verre waren, bemachtigd hadden, en dat allen, die hun naam hoorden, voor hen vreesden; 13 En dat allen, die zij wilden helpen en laten regeren, dat die regeerden; en dat zij degenen, die zij wilden, afzetten, en dat zij zeer verheven waren; 14 En dat in deze allen niemand van hen een kroon opzette, noch een purperen kleed aantrok, om zich daarin voortreffelijk te vertonen; 15 Maar dat zij zichzelf een Raad hadden gemaakt, en dat dagelijks driehonderdentwintig Raadslieden van het volk raad hielden, om het wel te regeren; 16 En dat zij één man vertrouwden om over hen te regeren voor een jaar, en te heersen over al hun land; en dat zij allen deze ene gehoorzaam waren, en dat onder hen geen afgunst noch jaloëzie was. 17 En Judas verkoos Eupolemus, de zoon van Johannes de zoon van Accos, en Jason, de zoon van Eleazar, en hij zond hen naar Rome, om met hem vriendschap en gemeenschap van wapenen te maken. 18 En om van hen het juk weg te nemen, omdat zij zagen dat het rijk van de Grieken Israël tot een dienstbaarheid in slavernij bracht. 19 En zij reisden naar Rome, en de weg was zeer lang, en gingen in de raad, en antwoordden en zeiden: 20 Judas Makkabeüs en zijn broers en de menigte van de Joden hebben ons tot u gezonden, opdat wij met u gemeenschap van wapenen zouden maken, en vrede, en dat wij opgeschreven mogen worden onder uw medestrijders en vrienden. 21 En deze rede was aangenaam voor hen. 22 En dit was het afschrift van de brief, die zij schreven in koperen tafels, en naar Jeruzalem zonden, om hen daar te zijn een gedenkteken van de vrede en van de gemeenschap van wapenen: 23 Dat het de Romeinen en het volk van de Joden moet welgaan, te water en te land, in eeuwigheid. En het zwaard en de vijand moet ver van hen zijn. 24 Maar als enige oorlog zou mogen ontstaan eerst tegen Rome, of tegen enige, die gemeenschap van de wapenen met hen hebben, in hun gebied, 25 Zo zal het volk van de Joden met volle genegenheid van het hart de Romeinen in de oorlog bijstaan, zoals de gelegenheid van de tijd hun zal voorschrijven. 26 En zij zullen degenen, die met hen oorlogen, geen proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen geven noch bestellen; zo heeft de Romeinen goedgedacht, en zij zullen deze hun artikelen onderhouden, zonder daarvoor iets te ontvangen. 27 En volgens deze, zo het volk van de Joden eerst oorlog zou mogen overkomen, zo zullen de Romeinen hen in de oorlog bijstaan van harte, zoals hun de tijd zal voorschrijven. 28 En die met hen strijden zal niets gegeven worden, noch proviand, noch wapenen, noch geld, noch schepen; zo heeft het de stad Rome goed gedacht, en zij zullen deze artikelen onderhouden, en dat zonder bedrog. 29 Volgens deze woorden maakten de Romeinen met het volk van de Joden een verbond. 30 En als na deze woorden de één of de ander iets zullen willen daarbij doen of afdoen, zo zullen zij dat doen mogen naar hun eigen goedvinden; en al wat zij daarbij zullen doen of daar afdoen, dat zal bondig wezen. 31 Verder voor wat betreft het kwaad, dat de koning Demetrius tegen hen doet, hebben wij aan hem geschreven, zeggende: Waarom hebt u uw juk verzwaard op onze vrienden en bondgenoten de Joden? 32 Als zij dan ons weer zullen verzoeken tot hulp tegen u, zo zullen wij hun recht doen, en tegen u oorlog aannemen te water en te land. ### 1 Makkabeeën 9 1 Als Demetrius hoorde hoe Nicanor en zijn soldaten de oorlog gevoerd hadden, zo voer hij voort Bacchides en Alcimus voor de tweede keer te zenden naar het land Juda, en met de rechtervleugel van zijn soldaten. 2 En zij trokken de weg, die naar Galgala leidt, en sloegen hun kamp op te Masaloth, dat in Arbele ligt, en zij namen het in, en vernielden vele zielen van mensen. 3 En in de eerste maand van het honderdtweeënvijftigste jaar sloegen zij hun leger bij Jeruzalem op. 4 En zij braken op en trokken naar Berea, met twintigduizend man te voet, en tweeduizend ruiters. 5 En Judas was gelegerd te Eleasa, en drieduizend uitgelezen mannen met hem. 6 En zij zagen de menigte van het oorlogsvolk, dat zij velen waren, en zij vreesden zeer en velen liepen weg uit het leger, zodat er uit hen maar achthonderd man overbleven. 7 Judas dan, ziende dat zijn leger verlopen was, en dat de oorlog hem drong, werd in zijn hart benauwd, omdat hij geen tijd had om hen weer bijeen te verzamelen, en hij werd zeer verslagen; 8 En zei tot de overgeblevenen: Laat ons opstaan, en optrekken tegen onze vijanden, of wij hen mochten slaan. 9 Maar zij hielden hem daarvan af, zeggende: Wij zullen dat niet kunnen doen, laat ons liever onze zielen behouden, keert nu weer, want onze broers zijn weggelopen, en zouden wij tegen hen strijden, wij die zo weinig zijn? 10 En Judas zei: Volstrekt niet van mij, dat ik zulk een zaak zou doen, dat ik voor hen zou vluchten; zo onze tijd nabij gekomen is, laat ons dan mannelijk sterven om onze broers wil, en laat ons niet achterlaten enige beschuldiging tegen onze eer. 11 Ondertussen braken de soldaten van Bacchides op uit hun leger, en stonden tegen hen, en de ruiterij was verdeeld in twee delen, en die met slingers en met bogen vochten hadden de voortocht voor de soldaten, en al de machtigen waren gesteld om eerst te strijden. 12 En Bacchides was bij de rechtervleugel van het oorlogsvolk, en de slagorden, bestaande uit die twee delen, naderden, en zij bliezen de trompetten. 13 En die met Judas waren bliezen ook zelf de trompetten, zodat de aarde van het geluid van het leger beefde, en zij vochten tegen elkaar vroeg in de morgen tot de avond toe. 14 En Judas zag dat Bacchides, en het sterkste van het leger aan de rechterhand waren, en al degenen, die kloek van hart waren, voegden zich bij hem. 15 En de rechtervleugel werd geslagen door deze, en hij vervolgde hen tot de berg van Azote toe. 16 En die in de linkervleugel waren, ziende dat de rechtervleugel vermorzeld was, hebben zich omgekeerd, en Judas met de zijnen van achteren op de hielen gevolgd. 17 En de strijd werd geweldig, en daar vielen vele gekwetsten aan de ene en de andere zijde. 18 En Judas viel ook, en de overigen namen de vlucht. 19 En Jonathan en Simon namen Judas, hun broer, op en begroeven hem in het graf van zijn vaders te Modin. 20 En geheel Israël beweende hem en bedreef grote rouw over hem vele dagen, en zeiden: 21 Hoe is de machtige gevallen, die Israël verloste? 22 En wat nog overig is te zeggen van Judas en van zijn oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan heeft, en de voortreffelijkheid daarvan, is niet beschreven, want zij waren zeer vele. 23 En het gebeurde na de dood van Judas, dat alle verbrekers van de wet in het gebied van Israël tevoorschijn kwamen, en dat allen die ongerechtigheid werkten, opstonden. 24 In die dagen werd daar een zeer grote hongersnood, en het land viel af met hen. 25 En Bacchides verkoos goddeloze mannen en stelde hen tot heren van het land. 26 En zij zochten de vrienden van Judas, en spoorden hen op, en brachten hen tot Bacchides, die hen strafte en bespotte. 27 Daar was in Israël een zo grote verdrukking, als er geen was geweest van de dag af, dat er geen profeet meer onder hen gezien was. 28 Waarom al de vrienden van Judas bijeenvergaderden, en zeiden tot Jonathan: 29 Van dat uw broer Judas gestorven is, is geen man geweest hem gelijk, om uit te trekken tegen de vijanden, en tegen Bacchides, en tegen degenen, die vijanden zijn van ons volk. 30 Nu dan wij hebben u vandaag uitverkoren om onze overste te zijn in zijn plaats, en veldoverste, om onze oorlog te voeren. 31 En Jonathan nam, in die gelegenheid van de tijd, het ambt van overste aan, en hij stond op in de plaats van zijn broer. 32 En Bacchides dat vernemende, zocht hem te doden. 33 En Jonathan en zijn broer Simon, en allen die met hem waren, dat vernemende, vluchtten in de woestijn Thekoa, en sloegen hun kamp op bij het water van het meer Asfar. 34 Bacchides dit vernemende, kwam op de dag van de sabbat, met al zijn soldaten over de Jordaan. 35 En Jonathan zond zijn broer, die overste was over de menigte, om aan de Nabatheeën, zijn vrienden, te verzoeken, dat zij hun bagage, die veel was, bij hen mochten zetten. 36 En de kinderen van Ambri deden een uitval uit Medeba, en kregen Johannes, en al wat hij had, en dat hebbende, zijn zij weer vertrokken. 37 En na deze zaken werd aan Jonathan en zijn broer Simon geboodschapt, dat de kinderen van Ambri een grote bruiloft hielden, en dat zij met grote staat de bruid, die een dochter was van één van de grote heren van Kanaän, geleidden van Nabadath. 38 Waarom zij, gedenkende aan hun broer Johannes, optrokken en zich verborgen in een hol van de berg. 39 En hun ogen opslaande, zagen zij, en ziet, daar kwam een geluid, en grote toebereiding, en de bruidegom en zijn vrienden en broers gingen uit hun tegemoet, met vele trommelen, muziek en wapenen. 40 En zij rezen op uit hun hinderlaag tegen hen, en doodden hen, en vele gekwetsten vielen, en de overgeblevenen vluchtten naar de berg; en zij kregen al hun buit. 41 En zo werd de bruiloft veranderd in treuren, en het geluid van hun muziek in klagen. 42 En zij deden zo wraak over het bloed van hun broer, en keerden weer aan de kant van de Jordaan. 43 Bacchides, dit horende, kwam op de dag van de sabbat tot de oever van de Jordaan, met veel soldaten. 44 En Jonathan zei tot degenen die met hem waren: Laat ons nu opstaan, en vechten voor onze zielen, want het is vandaag niet zoals gisteren en eergisteren. 45 Want ziet, wij hebben de oorlog voor ons en achter ons, en het water van de Jordaan is aan de ene en aan de andere zijde, alsook het moeras en kreupelbos, en daar is geen plaats om te ontwijken. 46 Roep dan nu tot God in de hemel, dat u uit de handen van de vijanden mag behouden worden. 47 En de strijd ving aan, en Jonathan strekte zijn hand uit om Bacchides te slaan, en hij ontweek hem naar achteren. 48 En Jonathan, en die met hem waren, sprongen in de Jordaan, en zwommen over, en zij gingen niet over de Jordaan tegen hen. 49 En aan de zijde van Bacchides vielen die dag ongeveer duizend man, en hij keerde weer naar Jeruzalem. 50 En hij bouwde sterke steden in Judea, en de vesting in Jericho, en Bethel, en Thamnasa Faratoni, en Tefo, met hoge muren, poorten, en grendels. 51 En zij stelden daarin bezetting, om Israël vijandig te bestrijden. 52 En hij maakte de stad van Bethsura sterk, en Gazara, en Acram, en hij stelde daarin soldaten en voorraad van voedsel. 53 En hij nam de zonen van de overste van het land tot gijzelaars, en hij zette hen in de burcht te Jeruzalem om te bewaren. 54 En in het honderdendrieënvijftigste jaar, in de tweede maand, gebood Alcimus dat de muur van de binnenste voorhof van het heiligdom zou afgebroken worden, en hij verbrak de werken van de profeten, en hij begon het te verbreken. 55 En in dezelfde tijd werd Alcimus met beroering geslagen en zijn werken werden verhinderd, en zijn mond werd toegesloten, en hij werd geheel lam, en hij kon niet één enig woord meer spreken, noch over zijn huis enige bevelen geven. 56 En Alcimus stierf in dezelfde tijd met grote pijn. 57 En als Bacchides zag dat Alcimus gestorven was, keerde hij weer tot de koning, en het land Juda was in rust twee jaren. 58 En al de verbrekers van de wet hielden raad, en zeiden: Zie, Jonathan en die met hem zijn wonen in rust, zijnde zeker, laat ons dan nu Bacchides wederhalen, en hij zal hen allen samen in één nacht grijpen. 59 En zij reisden heen en beraadslaagden met hem. 60 En hij brak op en kwam met een grote krijgsmacht, en hij zond in het geheim brieven aan al zijn medekrijgers in Judea, dat zij Jonathan en die met hem waren zouden grijpen, maar zij konden niet, omdat hun raad aan deze bekend werd. 61 En zij grepen van de mannen van het land, die bewerkers waren van deze boosheid, vijftig mannen en zij doodden hen. 62 En Jonathan, en Simon, en die met hen waren, vertrokken naar Bethbasi, in de woestijn gelegen, en hij bouwde op wat daar afgebroken was, en maakte de stad sterk. 63 Als Bacchides dat vernam, zo verzamelde hij al zijn menigte, en ontbood ook die in Judea waren. 64 En hij kwam en sloeg zijn kamp op tegen Bethbasi, en hij bestreed het vele dagen, en maakte instrumenten van geweld. 65 En Jonathan liet zijn broer Simon in de stad, en hij trok uit in het land, en kwam weer met een groot getal. 66 Hij sloeg Odomer en zijn broers, en de zonen van Fasiron in hun tenten; en als hij begon te slaan, en met zijn soldaten op te trekken, 67 Zo zijn Simon en die met hem waren uitgevallen uit de stad, en verbrandden de instrumenten van geweld. 68 En zij vochten tegen Bacchides, en hij werd door hen geslagen, en zij drukten hem geheel zeer, zodat zijn raad en uittocht ijdel was. 69 En zij werden boos in hun gemoed over deze goddeloze mannen, die hem geraden hadden, dat hij in het land zou komen, en zij doodden er velen uit hen; en hij nam ook een raad om uit hun land te trekken. 70 En Jonathan dit verstaande, zond tot hem gezanten, om met hem vrede te maken, en dat de gevangenen hun mochten vrij gegeven worden. 71 En Bacchides nam de vrede aan, en deed naar zijn woorden, en hij zwoer hem, dat hij hem niet zou zoeken enig kwaad te doen al de dagen van zijn leven. 72 En hij gaf hem de gevangenen over, die hij tevoren in het land van Juda gevangen had genomen; en teruggekeerd zijnde trok hij naar zijn land, en hij heeft nooit weer ondernomen in hun gebied te komen. 73 En zo rustte het zwaard in Israël; en Jonathan ging wonen in Michmas; en Jonathan begon het volk te richten, en maakte dat de goddelozen in Israël niet verschenen. ### 1 Makkabeeën 10 1 En in het honderdenzestigste jaar trok Alexander de zoon van Antiochus, toegenaamd Epifanes, op en nam in Ptolomaïs, en zij ontvingen hem, en hij regeerde daar als koning. 2 En de koning Demetrius dat horende, verzamelde een grote krijgsmacht, en trok hem tegen om te strijden. 3 En Demetrius zond Jonathan brieven met vreedzame woorden, om hem enorm te verheffen. 4 Want hij zei: Laat ons hem voorkomen om met hem vrede te maken, voordat hij vrede make met Alexander tegen ons; 5 Want hij zal gedachtig zijn al het kwaad, dat wij tegen hem gedaan hebben, en tegen zijn broers, en tegen zijn volk. 6 En hij gaf hem macht om soldaten te verzamelen, en de wapenen gereed te maken; en dat hij zijn metgezel in de wapenen zou zijn; en de gijzelaars, die op de burcht waren, gebood hij hem over te geven. 7 En Jonathan kwam te Jeruzalem, en hij las deze brieven voor de oren van al het volk, en van degenen, die op de burcht waren. 8 En zij vreesden met grote vrees, als zij hoorden dat de koning hem macht gegeven had om soldaten te verzamelen. 9 En die op de burcht waren gaven de gijzelaars over aan Jonathan, en hij gaf ze weer aan hun ouders. 10 En Jonathan woonde te Jeruzalem, en hij begon de stad op te bouwen, en te vernieuwen. 11 En hij gebood de arbeiders, dat zij de muren zouden opbouwen en de berg Sion rondom met vierkante stenen, tot een vesting, en zij deden zo. 12 En de vreemdelingen, die in de vesting waren, die Bacchides had gebouwd, vluchtten; 13 En een ieder verliet zijn plaats, en trok naar zijn land. 14 Alleen in Bethsura zijn enige overgebleven van degenen, die de wet en de geboden verlaten hadden, want dit was hun toevlucht. 15 En Alexander, de koning, horende de beloften, die Demetrius aan Jonathan gezonden had, als zij hem hadden verhaald de oorlogen en mannelijke daden, die hij gedaan had en zijn broers, en de arbeid, die zij uitgestaan hadden. 16 Zo zei hij: Zouden wij ook zo iemand vinden? Laat ons dan nu hem tot een vriend maken, en tot onze bondgenoot. 17 En hij schreef aan hem brieven en zond die aan hem, van deze inhoud: 18 De koning Alexander wenst zijn broer Jonathan voorspoed. 19 Wij hebben van u gehoord, dat u een machtig man bent in sterkte, en dat u bekwaam bent om onze vriend te zijn. 20 En nu wij stellen u op deze dag tot hogepriester van uw volk, en om een vriend van de koning genoemd te worden, en hij zond hem een purperen kleed, en een gouden kroon, zeggende: Dat u het met ons houdt, en dat u met ons vriendschap onderhoudt. 21 En Jonathan trok de heilige rok aan in de zevende maand van het honderdenzestigste jaar, op het feest van de Loofhutten, en hij verzamelde oorlogsvolk, en maakte vele wapenen gereed. 22 Demetrius hoorde deze dingen, en werd bedroefd, en zei: 23 Waarom hebben wij dit gedaan, dat Alexander ons voorgekomen is om vriendschap te maken met de Joden, om zich daarmee te sterken? 24 Ik zal ook aan hen schrijven woorden van terechtwijzing, en van hoogheid, en van geschenken, opdat zij tot mijn hulp mogen zijn. 25 En hij schreef hun met deze woorden: De koning Demetrius wenst het volk van de Joden voorspoed. 26 Dat u de verbonden met ons hebt gehouden, en gebleven bent in onze vriendschap, en u tot onze vijanden niet hebt begeven, hebben wij gehoord, en zijn daarover verblijd geweest. 27 En nu blijft nog daarin, dat u ons trouw houdt, en wij zullen u alles goeds vergelden voor wat u ons doet. 28 Wij zullen u vele lasten kwijtschelden, en u geschenken geven. 29 En nu stel ik u vrij, en ik ontsla, u ten gevalle, al de Joden, van de tollen, en van de accijns van het zout, en van de kroongelden, en van het derde deel van het gezaaide. 30 En van de helft van de boomvruchten, die ik behoor te ontvangen, ontsla ik u van deze dag af en voortaan, opdat u die ontvangt van het land Juda, en van die streken, die daarbij gevoegd zijn van het land Samarië en van Galilea, en dat van deze huidige dag af ten eeuwigen tijde. 31 En Jeruzalem zij heilig, en vrij met haar gebied, en tienden, en tollen. 32 Ik geef ook de macht van de burcht te Jeruzalem over, en geef die aan de hogepriester, dat hij daarin mag stellen zulke mannen, als hijzelf zal verkiezen, om die te bewaren. 33 En alle ziel van de Joden, die uit het land Juda gevangen zijn in mijn hele koninkrijk, laat ik vrij om niet, en allen zullen de belastingen kwijtgescholden worden, ook van hun beesten. 34 En alle feestdagen, en sabbatten en nieuwe maanden, en andere vastgestelde dagen, en drie dagen voor het feest, en drie dagen na het feest, al deze dagen zullen al de Joden, die in mijn rijk zijn, dagen van tolvrijheid en kwijtschelding wezen. 35 Niemand zal macht hebben iets tegen hen te doen, of iemand van hen moeite aan te doen, over enigerlei zaak. 36 En uit de Joden zullen tot de soldaten van de koning aangeschreven worden tot dertigduizend man; en men zal hun gaven geven, zoals past de soldaten van de koning. En uit hen zullen gesteld worden enige in de grote vestingen van de koning; 37 En uit deze zullen ook gesteld worden over de zaak van het koninkrijk, waar trouw in gelegen is; en die daarover zijn en hun oversten zullen daaruit gesteld worden, en zij zullen wandelen naar hun wetten, zoals ook de koning bepaald heeft in het land Juda. 38 En voor wat betreft de drie streken, die van het land van Samarië aan Judea gevoegd zijn, zullen aan Judea gevoegd blijven, dat zij gerekend worden onder één te zijn, om geens anderen macht onderworpen te zijn, dan van de hogepriester. 39 De stad Ptolomaïs, en het land daartoe behorende, schenk ik aan het heiligdom te Jeruzalem, tot de onkosten, die aan het heiligdom moeten gedaan worden. 40 En ik geef ook jaarlijks vijftienduizend sikkels zilver van de rekeningen van de koning uit de plaatsen die hem toebehoren. 41 En al dat nog overschiet, dat zij nog niet hebben gegeven van de behoeften, zoals in de eerste jaren, dat zullen zij van nu aan geven tot de werken van de tempel. 42 En boven deze, de vijfduizend sikkels zilver, die zij ontvingen uit de inkomsten, zoals in de eerste jaren van de jaarlijkse rekeningen van het heiligdom, die worden ook kwijtgescholden, omdat ze de priesters toebehoren, die de dienst doen. 43 En allen, die in de tempel te Jeruzalem zullen vluchten, en die in al het gebied daarvan het recht van de koning, of enige andere zaken, schuldig zijn, zullen losgelaten worden; en al wat zij in mijn koninkrijk hebben. 44 En tot het opbouwen en vernieuwen van de werken van het heiligdom zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning. 45 Ook om de muren van Jeruzalem op te bouwen, en rondom sterk te maken, zullen de kosten gegeven worden uit de rekening van de koning; en ook tot het opbouwen van de muren, die in Judea zijn. 46 Als nu Jonathan en het volk deze woorden hoorden, geloofden zij ze niet, en namen ze niet aan, omdat zij gedachten aan dat grote kwaad, dat hij in Israël gedaan had, en dat hij hen zeer verdrukt had. 47 Maar het dacht hun goed dat zij het houden zouden met Alexander, omdat hij hun de eerste aanleider tot woorden van vrede was geweest; en zij hielden het met hem al die tijd. 48 En de koning Alexander verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op tegen Demetrius. 49 En deze twee koningen begonnen te strijden, en het leger van Demetrius nam de vlucht, en Alexander vervolgde het, en kreeg de overhand over hen. 50 En als hij zeer sterk aanhield in de slag, tot de ondergang van de zon toe, zo viel Demetrius op die dag. 51 En Alexander zond aan Ptolomeüs de koning van Egypte, gezanten, die volgens deze woorden zeiden: 52 Omdat ik teruggekeerd ben in het land van mijn koninkrijk, en gezeten ben op de troon van mijn vaders, en het gebied bemachtigd heb, en Demetrius verslagen hebbende, onze landen weer heb veroverd; 53 En tegen hem heb gestreden, en hij en zijn leger door ons verslagen is, en wij gezeten zijn op de troon van zijn koninkrijk; 54 Laat ons dan nu met elkaar vriendschap maken, en geef nu uw dochter mij ten huwelijk, en ik zal uw schoonzoon zijn, en ik zal u en haar geschenken geven, die uw waard zijn. 55 En de koning Ptolomeüs antwoordde, en zei: Gelukkig is de dag, waarop u bent teruggekeerd in het land van uw vaders, en gezeten bent op de troon van hun koninkrijk. 56 En nu ik zal u doen wat u geschreven hebt; maar kom mij tegemoet tot Ptolomaïs, opdat wij elkaar mogen zien, en ik zal u tot mijn schoonzoon nemen, zoals u gezegd hebt. 57 En Ptolomeüs trok uit Egypte, hij en zijn dochter Cleopatra; en zij kwamen te Ptolomaïs in het honderdentweeënzestigste jaar. 58 En de koning Alexander ontmoette hem, en hij gaf hem Cleopatra, zijn dochter, en hield haar bruiloft in Ptolomaïs, zoals de koningen, in grote heerlijkheid. 59 En de koning Alexander schreef aan Jonathan, dat hij hem zou ontmoeten. 60 En hij reisde met grote heerlijkheid naar Ptolomaïs, en ontmoette beide de koningen, en gaf hun en hun vrienden, zilver en goud, en vele gaven, en hij vond genade bij hen. 61 En daar verzamelden tegen hem enige boosaardige mannen uit Israël, verbrekers van de wet, om hem te beschuldigen. Maar de koning lette op hen niet. 62 Maar de koning gebood dat men Jonathan zijn kleren zou uittrekken, en hem een purperen kleed zou aandoen, dat zij deden; en de koning zette hem bij zich; 63 En zei tot zijn oversten: Ga uit met hem in het midden van de stad, en laat hem uitroepen, dat niemand hem van enige zaak beschuldige, en dat niemand hem moeite aandoe over enige zaak. 64 En het gebeurde, als zijn beschuldigers zijn heerlijkheid zagen, zoals uitgeroepen was, en dat hem een purperen kleed was aangedaan, zo vluchtten zij allen. 65 En de koning verheerlijkte hem, en schreef hem onder zijn voornaamste vrienden, en hij stelde hem tot een overste van de soldaten, en tot een metgezel in de regering. 66 En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem met vrede, en met vreugde. 67 En in het honderdenvijfenzestigste jaar kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, van het eiland Creta, in het land van zijn vaders. 68 En Alexander, dat horende, werd zeer bedroefd, en keerde weer naar Antiochië. 69 En Demetrius stelde Apollonius, die over Celo-Syrië was gezet, en verzamelde een grote krijgsmacht, en sloeg zijn kamp op in Jamnia, en zond tot Jonathan, de hogepriester, zeggende: 70 Zult u alleen u verheffen tegen ons, en ben ik om uwentwil tot een spot en smaad geworden; waarom maakt u de meester tegen ons in de bergen? 71 Nu dan, als u zich vertrouwt op uw krijgsmacht, kom af tot ons in het vlakke veld, en laat ons daar met elkaar strijden, want bij mij is de macht van de steden. 72 Vraag daarnaar, en leer wie ik ben, en wie de anderen zijn die ons helpen; en zij zullen u zeggen, dat uw voeten voor ons niet zullen kunnen vaststaan; daar uw vaders tweemaal op de vlucht zijn geslagen in hun eigen land. 73 En nu, u zult niet kunnen bestaan tegen de ruiterij, en een zo grote krijgsmacht, in dit vlakke veld, waar geen steen, noch rots, noch plaats is om te vluchten. 74 Als nu Jonathan deze woorden van Apollonius hoorde, zo werd hij ontroerd in zijn gemoed; en hij verkoos tienduizend mannen, en trok uit Jeruzalem, en Simon, zijn broer, ontmoette hem, om hem te helpen. 75 En hij sloeg zijn kamp op tegen Joppe, en zij sloten hem uit de stad, omdat de bezetting van Apollonius binnen Joppe was, en zij bestormden haar. 76 En die van de stad, vrezende, deden open en Jonathan vermeesterde Joppe. 77 Apollonius, dit horende, kwam met een leger van drieduizend ruiters en veel soldaten; 78 En hij trok naar Azote, alsof hij daar door wilde reizen, en meteen trok hij naar het vlakke veld, omdat hij een grote menigte had van ruiterij, en op haar vertrouwde. 79 En Jonathan vervolgde hem van achteren naar Azote, en de legers raakten met elkaar ten strijde achter hem. 80 En Apollonius liet achter hen in het verborgene duizend ruiters. 81 En Jonathan vernam dat achter hem een hinderlaag gelegd was, en zij omsingelden zijn leger, en zij schoten hun pijlen op het volk vroeg in de morgen tot de avond, en het volk stond stil zoals Jonathan bevolen had; en hun paarden waren vermoeid. 82 En Simon, zijn soldaten voortgebracht hebbende, viel aan op de slagorden, want de ruiterij was vermoeid, en zij werden door hem geslagen en zij vluchtten; 83 En de ruiterij werd verstrooid in het vlakke veld, en vluchtte naar Azote, en begaf zich in Beth-Dagon, dat was de tempel van hun afgod, om daar behouden te zijn. 84 En Jonathan verbrandde Azote en al de steden rondom haar, en nam al haar roof en verbrandde ook de tempel van Dagon, met allen, die daarin gevlucht waren, met vuur. 85 En die met het zwaard waren omgebracht, met die verbrand werden, waren tot achtduizend man. 86 En Jonathan trok vandaar op, en sloeg zijn kamp op tegen Askalon, en die van de stad gingen uit hem tegemoet met grote heerlijkheid. 87 En Jonathan keerde weer naar Jeruzalem, met degenen die bij hem waren, hebbende grote buit. 88 En het gebeurde, toen de koning Alexander deze dingen gehoord had, dat hij voortvoer om Jonathan te verheerlijken. 89 En hij zond hem een gouden gesp, zoals de gewoonte is, dat de bloedvrienden van de koningen gegeven worden, en hij gaf hem de stad Accaron met al haar gebied tot een erfgift. ### 1 Makkabeeën 11 1 De koning van Egypte verzamelde veel soldaten, zoals daar is het zand aan de oever van de zee en vele schepen, en hij zocht het koninkrijk van Alexander te bemachtigen met bedrog, en het te brengen aan zijn koninkrijk. 2 En hij trok in Syrië met vreedzame woorden, en die van de steden openden hem de poorten, en gingen hem tegemoet, daar het bevel van de koning Alexander was, dat men hem zou tegemoet gaan, omdat hij zijn schoonvader was. 3 En als Ptolomeüs nu in de steden kwam, stelde hij in iedere stad soldaten tot bezetting. 4 En toen hij nabij Azote kwam, zo toonden zij hem de tempel van Dagon met vuur verbrand, en Azote met haar voorsteden verwoest, en de dode lichamen weggeworpen, en de verbrande mensen, die Jonathan verbrand had in de oorlog. Want zij hadden ze tot hopen gemaakt in zijn weg. 5 En zij vertelden de koning wat Jonathan gedaan had, om hem veracht te maken; en de koning zweeg, 6 En Jonathan kwam de koning tegemoet tot Joppe met grote heerlijkheid, en zij groetten elkaar en zij sliepen daar. 7 En Jonathan reisde met de koning tot de rivier, genoemd Eleutherus, en keerde weer naar Jeruzalem. 8 De koning Ptolomeüs nu, de heerschappij verkregen hebbende over de zeesteden tot Seleucië toe, dat aan de zee gelegen is, dacht tegen Alexander kwade overdenkingen. 9 En hij zond gezanten aan de koning Demetrius, zeggende: Nu dan, laat ons met elkaar een verbond maken, en ik zal u mijn dochter geven die Alexander heeft, en u zult koning zijn over het koninkrijk van uw vader. 10 Want het berouwt mij dat ik hem mijn dochter heb gegeven, want hij heeft mij gezocht te doden. 11 En hij maakte hem veracht, omdat hij zijn koninkrijk begeerde. 12 En hij nam zijn dochter weg, en gaf haar aan deze Demetrius, en hij werd van Alexander vervreemd, en hun vijandschap werd openbaar. 13 En Ptolomeüs kwam te Antiochië, en zette op zijn hoofd twee koninklijke hoeden, één van Azië, en één van Egypte. 14 En de koning Alexander was op die tijd in Cilicië, omdat de inwoners van deze plaats afvielen. 15 En Alexander, dit horende, kwam om tegen hem te oorlogen; en Ptolemeüs trok uit, en ontmoette hem met een sterke macht, en hij sloeg hem in de vlucht. 16 En Alexander vluchtte naar Arabië, opdat hij daar mocht beschermd zijn. Maar de koning Ptolomeüs werd verhoogd. 17 En Zabdiël, de Arabier, sloeg Alexander het hoofd af, en zond dat aan Ptolomeüs. 18 En de koning Ptolomeüs stierf de derde dag daarna, en degenen, die in zijn vestingen waren, werden omgebracht door degenen, die in die vestingen waren. 19 En Demetrius werd koning in het honderdenzevenenzestigste jaar. 20 In die dagen verzamelde Jonathan die uit Judea, om de burcht te Jeruzalem in te nemen, en maakte tegen deze vele instrumenten van geweld. 21 En sommigen, die hun eigen volk haatten, mannen, die de wet verbraken, reisden heen naar de koning, en boodschapten hem dat Jonathan de burcht belegerde. 22 En hij, dit horende, werd gram; en zodra hij het hoorde, spande hij meteen aan, en kwam te Ptolomaïs, en schreef aan Jonathan dat hij met het beleg zou ophouden, en dat hij op het allerspoedigste hem tegemoet zou komen tot Ptolomaïs, om met hem te spreken. 23 Dat Jonathan, verstaan hebbende, beval dat men met de belegering zou voortgaan, en hij verkoos enige van de ouderlingen van Israël, en van de priesters, en begaf zichzelf in het gevaar. 24 En hij nam met zich zilver, en goud en kostelijke kleren, en andere geschenken zeer vele, en hij reisde naar de koning te Ptolomaïs, en hij vond genade bij hem. 25 En enige goddelozen uit het volk van de Joden beschuldigden hem. 26 Maar de koning deed hem, zoals hem gedaan hadden de koningen, die voor hem waren geweest, en hij verhoogde hem in aanwezigheid van al zijn vrienden. 27 En hij bevestigde hem in het hogepriesterschap, en in alle andere zaken, waarmee hij tevoren was vereerd geweest; en hij maakte hem tot een opperste van zijn voornaamste vrienden. 28 En Jonathan verzocht de koning dat hij Judea, en de drie streken, en het land van Samarië vrij zou maken, en beloofde hem driehonderd talenten. 29 En de koning vond dat goed, en hij schreef aan Jonathan brieven over al deze dingen, zijnde van deze inhoud: 30 De koning Demetrius wenst zijn broer Jonathan, en het volk van de Joden, voorspoed. 31 Het afschrift van de brief, die wij geschreven hebben aan Lasthenes, onze neef, van u, schrijven wij ook aan u, opdat u het mag zien. 32 Wij hebben voorgenomen aan het volk van de Joden, die onze vrienden zijn, en die aan ons houden wat recht is, goed te doen, vanwege hun goedwillendheid tegenover ons. 33 Daarom hebben wij hun toegelegd het gebied van Judea; de drie streken, Aferema, Lydda en Ramatha, die van het land van Samarië gevoegd zijn bij Judea; en al wat daaraan behoort, geven wij aan allen die te Jeruzalem offeren; en dat in plaats van de koninklijke renten, die de koning tevoren jaarlijks van hen ontving van het gewas van de aarde, en van de boomvruchten. 34 En al de andere inkomsten, die ons toebehoren, zo van tienden als van tollen, die ons toebehoren, en de zoutpannen, en de kroongelden die ons toebehoren, al deze dingen vergunnen wij hun, van nu af. 35 En geen ding van deze alle zal van nu aan tot enige tijd teniet gedaan worden. 36 Zo bezorg dan nu dat een afschrift van deze alle gemaakt wordt, en laat het aan Jonathan geven, en gesteld worden op de heilige berg in een bekwame en beroemde plaats. 37 En Demetrius ziende dat het land voor hem in stilte was, en dat daar niets was dat zich tegen hem stelde, zo heeft hij al zijn soldaten laten gaan, een ieder naar zijn plaats; uitgezonderd het vreemde oorlogsvolk, dat hij van de vreemde eilanden en volken had aangenomen; daarom zijn al de soldaten, die hij van zijn vaders ontvangen had, hem hatende geworden. 38 En daar was een zekere Tryfon onder degenen die vroeger aan Alexanders zijde waren, die ziende dat al de soldaten tegen Demetrius morden, reisde naar Simalkuë, de Arabier, die het kind Antiochus, de zoon van Alexander, opvoedde; 39 En hij hield bij hem aan, dat hij deze aan hem zou overgeven, opdat hij in de plaats van zijn vader koning zou zijn; en verhaalde hem ook wat Demetrius uitgericht had, en hoe dat zijn soldaten hem vijandig waren, en hij bleef daar vele dagen. 40 En Jonathan zond brieven tot de koning Demetrius, dat hij degenen, die op de burcht van Jeruzalem en in de vestingen waren, zou willen uitwerpen, want zij streden tegen Israël. 41 En Demetrius zond aan Jonathan, zeggende: Ik zal niet alleen dat doen aan u en uw volk, maar ik zal u met grote heerlijkheid verheerlijken, en ook uw volk, zo wanneer ik goede gelegenheid zal verkrijgen. 42 U zult dan nu wel doen, dat u mij mannen zendt, die mij helpen strijden, omdat al mijn soldaten mij zijn afgevallen. 43 En Jonathan zond hem naar Antiochië drie duizend kloeke en dappere mannen, en die kwamen tot de koning, en de koning werd verheugd over hun komst. 44 En die van de stad verzamelden in het midden van de stad, ongeveer honderdentwintigduizend man, en wilden de koning doden. 45 En de koning vluchtte op het koninklijke hof, en die van de stad namen de toegangen van de stad in, en begonnen hem te bestrijden. 46 En de koning riep de Joden te hulp, en zij verzamelden allen samen bij hem, en verstrooiden zich door de stad. 47 En zij doodden in de stad op die dag honderdduizend man, en staken de stad in brand, en zij kregen op die dag grote buit, en verlosten de koning. 48 En die van de stad ziende dat de Joden de stad bemachtigd hadden, zoals zij wilden, zijn in hun gemoed verslagen geworden, en riepen tot de koning met smeking, 49 Zeggende: Geef ons de rechterhand, en laat de Joden ophouden ons en de stad te bestrijden. 50 En zij wierpen hun wapenen weg, en maakten vrede; en de Joden bekwamen grote eer, zo bij de koning als bij allen die in zijn rijk waren; en zij keerden weer naar Jeruzalem, hebbende grote buit. 51 En de koning Demetrius ging zitten op de troon van zijn koninkrijk, en het land was voor hem in stilte. 52 En hij hield zich niet aan wat hij beloofd had, en werd vervreemd van Jonathan, en hij vergold hem niet naar de weldaden, die hij hem bewezen had, maar hij heeft hem zeer verdrukt. 53 En na deze is Tryfon teruggekeerd, en Antiochus, het jonge kind, met hem, en dat werd koning, en hij zette hem de kroon op. 54 En tot hem verzamelden zich al de soldaten, die Demetrius afgedankt had, en die streden tegen hem, en hij vluchtte, en werd op de vlucht gedreven. 55 En Tryfon kreeg de beesten, en bemachtigde de stad van Antiochië. 56 En de jonge Antiochus schreef aan Jonathan, zeggende: Ik bevestig u in het hogepriesterschap, en stel u over de vier streken, en dat u één van de vrienden van de koning zult zijn. 57 En hij zond hem veel goudwerk tot zijn dienst, en hij gaf hem macht om te mogen drinken uit goudwerk, en om een purperkleed te dragen, en om een gouden gesp te hebben. 58 En hij stelde zijn broer Simon tot een overste van de gewesten van Tyrus af, tot het gebied van Egypte toe. 59 En Jonathan trok uit, en reisde over de rivier, door de steden, en al de oorlogsmachten van Syrië verzamelden zich bij hem om hem te helpen strijden, en hij kwam tot Askalon, en die van de stad kwamen hem zeer statig tegemoet. 60 En hij vertrok vandaar naar Gaza, en van die van Gaza uitgesloten zijnde, belegerde hij haar rondom, en verbrandde haar voorsteden met vuur, en plunderde ze. 61 En die van Gaza baden Jonathan, en hij gaf hun de rechterhand, en hij nam de zonen van hun oversten tot gijzelaars, en zond hen naar Jeruzalem, en doorreisde dat land tot Damascus toe. 62 Jonathan, horende dat de oversten van Demetrius te Kades in Galilea waren, met veel soldaten, willende hem uit dat land verdrijven; 63 Is hun tegemoet getrokken; en liet zijn broer Simon in het land. 64 En Simon belegerde Bethsura, en hij bestormde de stad vele dagen, en hield haar besloten. 65 En zij baden hem dat zij de rechterhand mochten hebben, en hij gaf ze hun; en hij verdreef hen vandaar, en nam de stad in, en bestelde bezetting daarin. 66 Maar Jonathan sloeg zijn kamp op met zijn leger tegen het meer Gennesareth, en vroeg in de morgen trokken zij naar het vlakke veld Nazor. 67 En ziet, het leger van de vreemden ontmoette hem in dat veld, en zij zonden een hinderlaag tegen hem uit in de bergen, en zij ontmoetten hen van voren. 68 En de hinderlaag brak op uit haar plaatsen, en leverde hun slag. 69 En allen die bij Jonathan waren, namen de vlucht, en daar was niet één van deze bij hem gebleven, dan Mattathias, de zoon van Absalom, en Judas de zoon van Calfi, die oversten waren van de soldaten van het leger. 70 En Jonathan verscheurde zijn kleren, en legde aarde op zijn hoofd, en bad God. 71 En hij keerde weer tot hen, en streed, en hij dreef hen op de vlucht, en zij vluchtten. 72 Dat ziende degenen, die van hem gevlucht waren, keerden weer tot hem, en vervolgden hen met hem tot Kades toe, tot hun leger toe, en zij sloegen hun kamp op daar. 73 En daar vielen van de vreemden op die dag, tot drieduizend man, en Jonathan keerde weer naar Jeruzalem. ### 1 Makkabeeën 12 1 Jonathan zag dat de gelegenheid van de tijd hem gunstig was; hij verkoos mannen, en zond hen naar Rome, om de vriendschap met hen te bevestigen, en weer te vernieuwen. 2 En hij zond ook aan de Spartiaten, en andere plaatsen brieven van dezelfde inhoud. 3 En zij reisden naar Rome, en kwamen in de raad, en zeiden: Jonathan, de hogepriester, en het volk van de Joden hebben ons gezonden, om weer voor hen te vernieuwen de vriendschap en gemeenschap van wapenen, zoals tevoren. 4 En zij gaven hun brieven aan de inwoners van elke plaats, dat zij hen met vrede zouden geleiden in het land Juda. 5 En dit is het afschrift van de brieven, die Jonathan geschreven heeft aan de Spartiaten: 6 Jonathan de hogepriester, en de raad van het volk, en de priesters, en het andere volk van de Joden wensen de Spartiaten, hun broers, voorspoed. 7 Daar ook tevoren brieven zijn gezonden aan Onias, de hogepriester, door Areüs, die toen koning onder u was, dat u onze broers bent, zoals het afschrift hier onder gesteld bewijst, 8 En daar Onias de man, die daarmee gezonden was, zeer eerlijk heeft ontvangen, en de brieven aangenomen, in welke verklaring werd gedaan van gemeenschap van wapenen, en vriendschap; 9 Hoewel wij dan dit nu niet nodig hebben, als die tot onze troost hebben de heilige boeken, die in onze handen zijn; 10 Zo hebben wij toch ons onderwonden aan u te zenden, om de broerschap en vriendschap, die wij met u hebben, weer te vernieuwen, opdat wij van u niet zouden vervreemd worden; want daar is een lange tijd tussen gekomen, sinds u aan ons hebt gezonden. 11 Wij dan zullen in alle gelegenheid zonder ophouden aan u gedenken, zo op onze feestdagen, als andere gevoegelijke dagen, in de offergaven die wij offeren, en ook in onze gebeden, zoals het behoort en passend is de broers gedachtig te zijn. 12 En wij verheugen ons ook over uw heerlijkheid. 13 Wat ons betreft, vele verdrukkingen en vele oorlogen omringen ons, en al de koningen, die rondom ons zijn, doen ons oorlog aan. 14 Wij hebben dan u en onze andere bondgenoten en vrienden in deze oorlogen niet willen lastig zijn. 15 Want wij hebben hulp uit de hemel, die ons te hulp komt, en wij zijn verlost van onze vijanden, en onze vijanden zijn vernederd. 16 Zo hebben wij dan gekozen Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, en hebben hen gezonden aan de Romeinen, om de voorgaande vriendschap en gemeenschap van wapenen met hen weer te vernieuwen. 17 En wij hebben hun bevolen, dat zij ook tot u zouden reizen, en u groeten, en u overleveren onze brieven van de vernieuwing van onze broerschap. 18 En verder zult u wel doen, dat u ons hierop antwoordt. 19 Dit is het afschrift van de brieven, die zij aan Onias gezonden hebben; 20 Areüs, de koning van de Spartiaten, wenst de hogepriester Onias alle voorspoed. 21 Daar is in de schriften gevonden, aangaande de Spartiaten en de Joden, dat zij broers zijn, en dat zij zijn uit het geslacht van Abraham. 22 En nu nadat wij deze dingen verstaan hebben, zo zult u wel doen, dat u ons schrijft van uw welstand. 23 En wij schrijven u weer, uw vee en al wat u hebt, is ons, en al wat wij hebben, is van u. Wij hebben dan enige bevolen, dat zij u dit zouden aanzeggen, naar deze inhoud. 24 En Jonathan, horende dat de oversten van de koning Demetrius wederkwamen met een grote macht, meer dan tevoren, om tegen hem te strijden, 25 Vertrok uit Jeruzalem, en hij ontmoette hen in het land Amathitis want hij gaf hun geen tijd om in zijn land te vallen. 26 En hij zond spionnen in zijn leger, die, teruggekeerd zijnde, boodschapten hem, dat zij het zo geschikt hadden, om hen in de nacht te overvallen. 27 Als nu de zon ondergegaan was, gebood Jonathan, dat degenen die met hem waren zouden waken, en in de wapenen zijn, en zich gereed houden tot de strijd, de hele nacht; en hij stelde buitenwachten rondom het leger. 28 En de vijanden hoorden dat Jonathan en die met hem waren tot de strijd gereed waren, en vreesden, en werden in hun hart verslagen, en ontstaken vuren in hun leger, en vertrokken. 29 En Jonathan en die met hem waren wisten het niet tot de morgenstond, want toen zagen zij de vuren branden. 30 En Jonathan vervolgde hen achterna, en achterhaalde hen niet, want zij waren al over de rivier Eleutherus getrokken. 31 En Jonathan week heen naar de Arabieren genoemd Zabadeeën, en hij sloeg hen, en kreeg hun buit. 32 En optrekkende, kwam hij naar Damascus, en trok door het hele land. 33 En Simon trok uit, en doortrok het land af tot Askalon toe, en tot de naaste vestingen, en week heen naar Joppe, en nam het in. 34 Want horende, dat zij de vesting wilden overgeven aan die het met Demetrius hielden, zo stelde hij daar een bezetting in, om ze te bewaren. 35 En Jonathan keerde weer, en riep de ouderlingen van het volk bijeen, en hield met hen raad, om vestingen te bouwen in Judea; 36 En om de muren van Jeruzalem hoger op te trekken, en om een grote hoogte op te maken midden tussen de burcht en de stad, om die van de stad te scheiden, dat hij alleen zou zijn, en opdat zij niet zouden kunnen kopen, noch verkopen. 37 En zij verzamelden om de stad op te bouwen, en hij kwam bij de muur aan de beek, die aan het oosten is, en zij vermaakten de plaats, genoemd Cafenatha. 38 En Simon bouwde Adida in Sefala, en sterkte de deuren en grendels. 39 En Tryfon zocht in Azië als koning te regeren, en een kroon op te zetten, en zijn hand te slaan aan de koning Antiochus. 40 En vrezende, dat Jonathan hem dat mogelijk niet zou toelaten, en dat hij te eniger tijd tegen hem oorlog zou voeren, zo zocht hij middelen om hem te krijgen en om te brengen. 41 En opbrekende, kwam hij tot Bethsan, en Jonathan kwam hem tegemoet met veertigduizend man, ten strijd uitgelezen, en hij kwam ook tot Bethsan. 42 En Tryfon ziende dat hij daar met een grote krijgsmacht was vreesde tegen hem de handen uit te strekken. 43 Maar ontving hem met grote eer, en beval hem aan al zijn vrienden, en gaf hem geschenken, en gelastte al zijn vrienden, dat zij hem zouden gehoorzamen als hemzelf. 44 En hij sprak Jonathan zo aan: Waarom hebt u al dit volk zo gekweld, daar tussen ons geen oorlog is ontstaan? 45 Nu dan zend deze weer naar hun huizen, en verkies uzelf enige weinig mannen, die met u zullen wezen, en kom met mij herwaarts tot Ptolomaïs, en ik zal u overgeven die stad en al de andere vestingen, en de andere krijgsmachten, en allen die over de inkomsten gesteld zijn, en ik zal terugkeren en vertrekken, want vanwege deze oorzaak ben ik hier. 46 En hij, hem gelovende, deed zoals hij zei, en hij zond de soldaten heen, en zij trokken naar het land van Juda. 47 En hij liet bij zich blijven drieduizend man, waarvan hij tweeduizend liet gaan in Galilea, en duizend trokken met hem. 48 Maar zodra Jonathan binnen Ptolomaïs was gekomen, sloten die van Ptolomaïs de poorten toe, grepen hem, en zij doodden met het zwaard allen, die met hem ingekomen waren. 49 En Tryfon zond krijgsmachten en ruiterij naar het land van Galilea, en naar het grote vlakke veld, om te vernietigen allen, die met Jonathan waren geweest. 50 Maar zij, verstaan hebbende, dat hij gegrepen en omgekomen was, en die met hem waren, zo vermaanden zij elkaar, en zij trokken dicht aaneengesloten, bereid om te strijden. 51 En degenen, die hen vervolgden, ziende dat het hun leven gold, zijn teruggekeerd. 52 En zij kwamen allen in het land van Juda, en beweenden Jonathan, en die met hem waren geweest, en zij vreesden zeer, en het hele Israël bedreef zeer grote rouw. 53 Want alle heidenen, die rondom hen waren, zochten hen te vernietigen, 54 Want zij zeiden: Zij hebben noch overste, noch helper; laat ons hen nu dan bestrijden, en laat ons hun herinnering uit de mensen uitroeien. ### 1 Makkabeeën 13 1 En Simon, horende dat Tryfon een grote krijgsmacht bijeenvergaderde, om te komen naar het land van Juda, en het te verdrukken; 2 En ziende dat het volk zeer angstig en bevreesd was, ging hij op naar Jeruzalem, en verzamelde het volk, 3 En vermaande hen, en zei tot hen: U weet zelf, wat ik en mijn broers, en het huis van mijn vader gedaan hebben voor de wetten en voor het heiligdom, en de oorlogen en de benauwdheden, die wij gezien hebben. 4 Daarom zijn al mijn broers omgekomen, om Israëls wil, en ik alleen ben overgebleven. 5 En nu het zij verre van mij, dat ik mijn ziel zou sparen in enige tijd van de verdrukking, want ik ben niet beter dan al mijn broers. 6 Maar ik zal wraak doen voor mijn volk, en voor het heiligdom, en voor uw vrouwen en kinderen; daar al de heidenen samen gekomen zijn om ons vanwege de vijandschap te vermorzelen. 7 En hij wekte de geest van het volk op, doordat zij deze woorden hoorden. 8 En zij antwoordden met een luide stem zeggende: U bent onze overste, in plaats van Judas en Jonathan, uw broers. 9 Voer onze oorlog, en wij zullen alles doen wat u ons zult zeggen. 10 En hij verzamelde alle strijdbare mannen, haastte zich de muren van Jeruzalem op te bouwen, en hij versterkte de stad rondom. 11 En hij zond Jonathan, de zoon van Absalom, en met hem een grote macht, naar Joppe; en hij verdreef daaruit degenen die daarin waren, en hij bleef daar. 12 En Tryfon brak op van Ptolomaïs, om met grote macht in het land van Juda te komen; en Jonathan was bij hem in bewaring. 13 Simon nu sloeg zijn kamp op in Adidis, tegenover het vlakke veld. 14 En Tryfon, verstaan hebbende dat Simon was opgestaan in plaats van zijn broer Jonathan, en dat hij tegen hem zou strijden, zond tot hem gezanten. 15 Zeggende: Wij houden uw broer Jonathan gevangen, om het geld dat hij aan de schatkamer van de koning schuldig is, vanwege de zaken die hij te bedienen heeft gehad. 16 Zend dan nu honderd talenten zilver, en twee van zijn zonen tot gijzelaars, opdat, als hij losgelaten zal zijn, hij van ons niet afvalle, en wij zullen hem loslaten. 17 En Simon, hoewel hij wist dat zij tot hem bedrog spraken, zond het geld, en de twee zoontjes, opdat hij misschien bij het volk niet grote vijandschap op zich zou laden. 18 Die zeggen zouden: Omdat hij hem het geld en de kinderen niet gezonden heeft, zo is zijn broer omgekomen. 19 Hij zond dan de zoontjes en honderd talenten; maar hij bedroog hem met leugen, en liet Jonathan niet los. 20 En na deze kwam Tryfon, om in het land te vallen, en om dat te verwoesten, en hij nam zijn weg in het ronde naar Adora; en Simon en zijn leger trokken hem tegen in alle plaatsen, waar hij heentrok. 21 En die in de burcht waren zonden gezanten aan Tryfon, om hem te doen haasten, dat hij tot hen zou willen komen door de woestijn, en hun proviand toezenden. 22 Tryfon dan maakte al zijn ruiterij gereed, om daarheen te trekken; en in die nacht had het zeer gesneeuwd, en hij trok vanwege de sneeuw niet, maar brak op, en trok naar Galaäditis. 23 En toen hij tot Bascama naderde, doodde hij Jonathan, en hij werd daar begraven. 24 En Tryfon keerde weer, en trok naar zijn land. 25 En Simon, enige zendende, nam de beenderen van zijn broer Jonathan, en zij begroeven hem te Modin, de stad van zijn vaders. 26 En geheel Israël maakte een zeer grote rouw over hem, en beweende hem vele dagen. 27 En Simon bouwde over het graf van zijn vader, en van zijn broers, een gebouw, en trok het op met geslepen stenen, van achteren en van voren zeer sierlijk. 28 En hij stelde daarop zeven pyramiden, de ene recht over de andere, voor zijn vader, zijn moeder, en zijn vier broers. 29 En bij deze maakte hij enige instrumenten, rondom stellende enige grote pilaren, en hij maakte op de pilaren allerlei soort van wapenen, tot een eeuwige naam; en bij deze wapenen schepen ingehouwen, om gezien te worden door allen, die op de zee varen. 30 Dit is het graf, dat hij maakte te Modin, dat nog is tot op deze dag. 31 En Tryfon ging bedriegelijk om met de jonge koning Antiochus, en doodde hem. 32 En regeerde als koning in zijn plaats; en zette de kroon van Azië op, en bracht een grote plaag over het land. 33 En Simon bouwde de vestingen van Judea op, en bemuurde ze met hoge torens, en grote muren en torens, en poorten, en grendels; en bestelde proviand in de vestingen. 34 En Simon verkoos enige mannen, die hij zond naar de koning Demetrius, dat hij het land vrijstelling zou willen geven, omdat al de handelingen van Tryfon enkel roverijen waren geweest. 35 En Demetrius, de koning, zond aan hem volgens deze woorden, en antwoordde hem, en schreef aan hem dusdanige brief: 36 De koning Demetrius wenst de hogepriester Simon, de vriend van de koningen, en de ouderlingen, en het hele Joodse volk, voorspoed. 37 De gouden kroon, en het bruine purperen kleed, die u mij gezonden hebt, hebben wij ontvangen; en wij zijn bereid om met u te maken een grote vrede, en te schrijven aan degenen, die over de belastingen gesteld zijn, dat zij u vrijstelling verlenen. 38 Al wat wij u beloofd hebben, dat zal vast zijn, en de vestingen, die u gebouwd hebt, zullen van u zijn. 39 Wij schelden u kwijt de mishandelingen en misdaden, tot op de dag van vandaag, en de kroongelden die u schuldig bent; en zo er iets anders is te Jeruzalem, dat tol betaald heeft, dat zal voortaan geen tol meer betalen. 40 En zo er enige onder u zijn bekwaam om onder ons volk opgeschreven te worden, dat zij opgeschreven worden, en laat tussen ons vrede zijn. 41 In het honderdenzeventigste jaar is het juk van de heidenen van Israël weggenomen. 42 En het volk van Israël begon te schrijven in hun handschriften en koophandelingen: In het eerste jaar dat Simon de grote hogepriester was, en veldoverste, en leidsman van de Joden. 43 In die dagen bracht Simon zijn leger voor Gaza, en hij belegerde de stad rondom, en hij maakte een stormtoren, en bracht die aan de stad, en brak daarmee een toren, en nam hem in. 44 En die in deze stormtoren waren sprongen uit in de stad, en daar gebeurde een grote onrust in de stad. 45 En die van de stad kwamen op de muren met vrouwen en kinderen, hun kleren verscheurende, en riepen met een luide stem, biddende Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven. 46 En zeiden: Wil met ons niet handelen naar onze boosheid, maar naar uw barmhartigheid. 47 En Simon liet zich bewegen over hen, en vernietigde hen niet, maar wierp hen uit de stad; en hij zuiverde de huizen waarin afgoden waren, en zo trok hij in de stad, voor God lofzingende en dankende. 48 En hij wierp uit haar alle onreinheid, en stelde daarin om te wonen mannen, die de wet onderhielden, en hij versterkte haar, en bouwde zichzelf daarin een woonplaats. 49 Die op de burcht te Jeruzalem waren, werden verhinderd uit en in te gaan in het land, te kopen en te verkopen, en zij leden grote hongersnood, en velen van hen stierven van honger. 50 En zij riepen tot Simon, dat hij hun de rechterhand wilde geven, en hij gaf hun haar, en dreef hen vandaar uit, en hij reinigde de burcht van de besmettingen. 51 En hij deed zijn intocht daarin op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het honderdeenenzeventigste jaar, met lofzegging en palmtakken, en met citers, en met cimbalen, en met snarenspel, en met lofzangen en liederen, dat een zo groot vijand uit Israël was uitgeroeid. 52 En hij stelde in, dat die dag jaarlijks met verheuging zou gevierd worden. 53 En hij versterkte de berg van de tempel, die bij de burcht was, en hij ging daar wonen met al de zijnen. 54 Simon, ziende dat zijn zoon Johannes nu tot een man geworden was, heeft hem gesteld tot een veldoverste over al de soldaten, en hij woonde in Gazara. ### 1 Makkabeeën 14 1 In het honderdtweeënzeventigste jaar verzamelde de koning Demetrius zijn krijgsmacht, en trok naar Medië, om hulp bijeen te trekken, om Tryfon te bevechten. 2 Als Arsaces, de koning van Perzië en Medië, hoorde dat Demetrius in zijn gebied was gekomen, zond hij één van zijn oversten om hem levend te krijgen. 3 Deze trok heen en sloeg het leger van Demetrius, en hij kreeg hem, en bracht hem tot Arsaces, en die stelde hem in de gevangenis. 4 Het land was in rust al de dagen van Simon, want hij zocht het welvaren van zijn volk, en zijn macht en zijn heerlijkheid was hun aangenaam al de dagen. 5 En hij kreeg, boven al zijn heerlijkheid, Joppe tot een haven, en hij maakte dat de eilanden van de zee een ingang vonden. 6 En hij verbreidde zijn volk hun gebied, en bemachtigde het land. 7 En hij verzamelde vele gevangenen, en vermeesterde Gazara en Bethsura, en de burcht; en hij nam de onreinheden daaruit weg, en er was niemand, die zich tegen hem stelde. 8 Maar een ieder bouwde zijn land met vrede, en het land gaf zijn gewas, en de bomen van het veld hun vruchten. 9 De oude zaten op de straten, en spraken allen met elkaar van goede dingen, en de jongemannen deden heerlijke oorlogskledingen aan. 10 De steden voorzag hij van proviand, en hij voorzag hen met allerlei gereedschap om haar te versterken, zodat zijn heerlijke naam genoemd werd tot het uiterste van de aarde. 11 Hij maakte vrede in het land en Israël verheugde zich met grote verheuging. 12 En een ieder zat onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, en er was niemand die hen deed vrezen. 13 Want die hen bestreden hielden op in het land, en de koningen waren vermorzeld in die dagen. 14 Hij versterkte al de nederigen van zijn volk; hij onderzocht ijverig de wet, en nam weg alle verbrekers van de wet en alle bozen. 15 Het heiligdom verheerlijkte hij, en vermenigvuldigde de voorwerpen van het heiligdom. 16 Als men hoorde te Rome, en tot Sparta toe, dat Jonathan dood was, zo zijn zij zeer bedroefd geworden. 17 En horende, dat Simon, zijn broer, in zijn plaats hogepriester was geworden, en dat hij het land bemachtigd had, en de steden die daarin waren; 18 Schreven zij aan hem in koperen platen, om de vriendschap en gemeenschap van wapenen met hem weer te vernieuwen, die zij gemaakt hadden met Judas en Jonathan, zijn broers. 19 En deze brieven werden gelezen voor de hele gemeente te Jeruzalem. En dit is het afschrift van de brieven, die de Spartiaten zonden: 20 De overste en de stad van de Spartiaten wensen Simon, de hogepriester, en de ouderlingen, en de priesters, en het andere volk van de Joden, hun broers, voorspoed. 21 De gezanten, die tot ons volk zijn afgezonden, hebben ons verhaald van uw heerlijkheid en eer, en wij zijn verheugd geweest over hun komst. 22 En wij hebben geschreven wat zij gezegd hebben in de Raad van ons volk, zo: Numenius, Antiochus' zoon, en Antipater, Jasons zoon, gezanten van de Joden, zijn tot ons gekomen om de vriendschap, die zij met ons hadden, te vernieuwen. 23 En het heeft ons volk behaagd, dat men die mannen eerlijk zou ontvangen, en het afschrift van hun rede stellen in de boeken, voor ons volk daartoe bestemd, opdat het volk van de Spartiaten daarvan herinnering hebbe. En het afschrift hiervan schreven zij aan Simon, de hogepriester. 24 Na deze zond Simon Numenius naar Rome, hebbende met zich een groot gouden schild van duizend ponden gewichts, om met hen het verbond van gemeenschap van de wapenen te bevestigen. 25 Als nu het volk deze zaken hoorde, zeiden zij: Wat dank zullen wij aan Simon en zijn zonen vergelden? 26 Want hij, en zijn broers, en zijn vaders huis, hebben Israël bevestigd, en hebben de vijanden van Israël ten onder gebracht, en van hen verdreven, en hebben aan hun vrijheid besteld; en zij schreven dit in koperen platen, en stelden het op aan kolommen op de berg Sion. 27 En dit is het afschrift van het geschrift: Op de achttiende dag van de maand Elul, in het honderdtweeënzeventigste jaar, zijnde dit het derde jaar dat Simon hogepriester was. 28 In Sarameli, in de grote vergadering van de priesters en van het volk, en van de oversten van het volk, en van de ouderlingen van het land, is ons bekend geworden, omdat in het land dikwijls oorlogen zijn ontstaan: 29 Dat Simon, de zoon van Mattathias, van de kinderen van Jarib, en zijn broers, zichzelf hebben begeven in bezwaar, en de vijanden van hun volk hebben tegen gestaan, opdat hun heiligdom en de wet zouden staande gehouden worden, en dat zij hun volk met zeer grote eer hebben verheerlijkt. 30 Nadat Jonathan hun volk verzameld had en hun hogepriester geworden was, en tot zijn volk gevoegd was; 31 Als hun vijanden in hun land wilden invallen, om hun land te verwoesten, en hun handen uit te strekken tegen hun heiligdom; 32 Zo is dan Simon opgestaan, en oorloogde voor zijn volk, en hij maakte grote onkosten van zijn eigen geld, en bestelde wapenen voor de mannen van de oorlogsmacht van zijn volk, en gaf hun soldij. 33 En versterkte de steden van Judea, en Bethsura op de grenzen van Judea, waar tevoren de wapenen van de vijanden geweest waren, en hij zette daarin Joodse mannen tot bezetting. 34 En hij versterkte ook Joppe, aan de zee gelegen, en Gazara in het gebied van Azote, waarin de vijanden tevoren hadden gewoond, en hij stelde daar Joden om te wonen, en al wat dienstig was tot hun wederoprichting stelde hij daarin. 35 Het volk zag de getrouwheid van Simon, en de heerlijkheid, die hij zijn volk wilde aandoen, en zij stelden hem tot hun overste, en tot een hogepriester, omdat hij al deze dingen had gedaan, om de gerechtigheid en trouw, die hij zijn volk had bewezen, en omdat hij gezocht had op alle manieren zijn volk te verhogen. 36 Zodat in zijn tijd alles voorspoedig is geweest onder zijn handen, en dat de heidenen uit hun land weggedaan zijn, en die in de stad van David waren te Jeruzalem; die zichzelf een burcht hadden gemaakt, waaruit zij uitrukkend alles rondom het heiligdom besmetten, en een grote plaag brachten onder de geheiligden. 37 En in deze burcht stelde Simon Joodse mannen om te wonen, en versterkte deze tot verzekering van het land en van de stad, en hij trok de muren van Jeruzalem op. 38 En de koning Demetrius bevestigde hem het hogepriesterambt in alles; 39 En hij maakte hem één van zijn vrienden, en hij verheerlijkte hem met grote heerlijkheid. 40 Want hij had gehoord, dat de Joden door de Romeinen genoemd waren hun vrienden en bondgenoten, en dat zij de gezanten van Simon zeer heerlijk tegemoet gegaan waren. 41 En dat het de Joden en de priesters behaagd had, dat Simon hun overste en hogepriester zou zijn in eeuwigheid, totdat daar een getrouw profeet zou opstaan. 42 Dat hij hun veldoverste zou zijn, en dat hij zorg zou dragen dat door hem gesteld zouden worden, die in het heiligdom hun dienst zouden doen, en dat bij hem gesteld zouden worden die over het land en over de wapenen en over de vestingen de wacht zouden houden. 43 Dat hij ook zou verzorgen wat het heiligdom betreft, en dat hij door allen zou gehoorzaamd wezen, en dat alle handschriften in het land op zijn naam zouden geschreven worden, en dat hij een purperen kleed zou mogen aandoen, en dat hij goud zou mogen dragen. 44 En niemand van het volk en uit de priesters zal geoorloofd zijn iets van deze teniet te doen, of tegen te spreken wat van hem zal worden gezegd, of enige vergadering in het land te verzamelen zonder hem, of versierd te worden met een purperen kleed en met een gouden gesp. 45 Zo daar nu iemand tegen deze dingen iets zal gedaan hebben, of iets zal teniet gedaan hebben, die zal strafbaar zijn. 46 En het werd goedgevonden door al het volk, te bepalen dat men Simon naar al deze woorden zou doen. 47 En Simon nam dit aan, en hij vond goed, dat hij hogepriester zou zijn, en veldoverste, en overste van het volk van de Joden, en van de priesters, en over allen te gebieden. 48 En zij geboden dat dit schrift zou worden gesteld in koperen platen, en dat men die zou zetten in de omgang van het heiligdom, in een aanzienlijke plaats. 49 En dat het afschrift gelegd zou worden in de schatkist, opdat Simon en zijn zonen dat zouden mogen hebben. ### 1 Makkabeeën 15 1 En Antiochus, de zoon van de koning Demetrius, zond brieven van de eilanden van de zee aan Simon, de priester en overste van de Joden, en aan al het volk; 2 En deze waren van de volgende inhoud: De koning Antiochus wenst Simon, de grote priester en overste, en het volk van de Joden voorspoed. 3 Omdat enige slechte mannen het koninkrijk van onze vader bemachtigd hebben, zo heb ik voorgenomen het weer te verkrijgen, om dat te herstellen, zoals het tevoren was, en heb daartoe een grote menigte van vreemde soldaten aangenomen, en heb vele oorlogsschepen toebereid. 4 En ik wil in het land komen, opdat ik degenen, die ons land verdorven, en vele steden in het koninkrijk verwoest hebben, mag bekomen 5 Nu dan ik bevestig u al de vrijstellingen, die u vrijgelaten hebben de koningen, die voor mij geweest zijn, en al de andere geschenken, die zij u kwijtgescholden hebben. 6 En ik laat u toe, dat u een eigen munt mag slaan voor uw land. 7 Dat Jeruzalem, en het heiligdom zullen vrij zijn, en al de wapenen, die u bereid hebt, en de vestingen, die u gebouwd en die u nu hebt, die zullen van u blijven. 8 En al wat u de koning schuldig bent, en al wat de koning zal toebehoren, zij u kwijtgescholden, van nu af en altijd. 9 En als wij ons koninkrijk zullen bevestigd hebben, zo zullen wij u, en uw volk, en de tempel, verheerlijken met grote heerlijkheid, zodat uw heerlijkheid openbaar zal worden in alle landen. 10 In het honderdvierenzeventigste jaar is Antiochus opgetrokken naar het land van zijn vaders, en al de oorlogsmachten kwamen samen bij hem, zodat er weinigen bij Tryfon waren. 11 En de koning Antiochus vervolgde hem, en hij kwam vluchtende te Dora, een stad aan de zee. 12 Want hij zag dat de ellenden op hem samengebracht werden, en dat hem de soldaten verlieten. 13 En Antiochus sloeg zijn kamp op tegen Dora, en met hem waren honderdentwintigduizend strijdbare mannen, en achtduizend ruiters. 14 En hij omsingelde de stad, en voegde schepen uit de zee samen, en benauwde de stad te land en ter zee, en liet niemand daar uit of in trekken. 15 Numenius, en die met hem waren, kwamen van Rome, hebbende brieven aan de koningen en aan de landen, waarin deze dingen geschreven waren: 16 Lucius, burgemeester van de Romeinen, wenst aan koning Ptolomeüs voorspoed. 17 De gezanten van de Joden zijn tot ons gekomen, zijnde onze vrienden en bondgenoten, om te vernieuwen de oude vriendschap en gemeenschap van de wapenen, gezonden door Simon, de hogepriester, en door het volk van de Joden; 18 En hebben ons gebracht een schild van duizend ponden. 19 Zo heeft ons dan goedgedacht te schrijven aan de koningen, en aan de landen, dat zij hun niet zoeken enig kwaad te doen, en niet bestrijden, noch hen noch hun steden, noch hun landen, en dat zij geen gemeenschap van wapenen aannemen met degene, die hen bevechten. 20 En wij hebben goedgevonden van hen het schild te ontvangen. 21 Als er dan enige slechte mensen uit hun landen tot u gevlucht zijn, levert ze over aan Simon, de hogepriester, opdat hij hen straffe naar hun wet. 22 Dezelfde dingen heeft hij ook geschreven aan de koning Demetrius, en aan Attalus, en Arathas, en aan Arsaces; 23 En in alle landen, aan Sampsames, aan de Spartiaten, en aan Delos, en aan Myndos, en aan de Sicionen en aan Karië, en aan Samos, en aan Pamfilië, en aan Lycië, en aan Halicarnassus, en aan Koös, en aan Side, en aan Aradus, en aan Faselis, en aan Gortyna, en aan Knidus, en aan Cyprus, en aan Cyrene. 24 En het afschrift daarvan schreven zij aan Simon de hogepriester. 25 En de koning Antiochus belegerde Dora in de tweede dag, alleszins zijn macht tegen haar aanvoerende, en makende instrumenten van geweld, en hij besloot Tryfon zo, dat niemand uit of in kon komen. 26 En Simon zond hem tweeduizend uitgelezen mannen, om hem te helpen strijden, en zilver, en goud, en vele voorwerpen. 27 En hij wilde dit niet ontvangen, maar verbrak al wat hij met hem tevoren gemaakt had, en werd van hem vervreemd. 28 En hij zond aan hem Athenobius, één van zijn vrienden, om met hem te handelen, en zei: U hebt bemachtigd Joppe, en Gazara, en de burcht te Jeruzalem, steden van mijn koninkrijk. 29 U hebt het gebied daarvan verwoest, en hebt over het land een grote plaag gebracht, en u hebt vele plaatsen vermeesterd in mijn koninkrijk. 30 Nu dan geeft weer over de steden, die u ingenomen hebt, en de tollen van de plaatsen, die u vermeesterd hebt op de grenzen, die buiten Judea zijn. 31 Zo niet, geef in plaats van die vijfhonderd talenten zilver, en voor de verwoesting, waarmee u verwoest hebt, en voor de tollen van de plaatsen, nog andere vijfhonderd talenten. Zo niet, zo zullen wij komen en u de oorlog aandoen. 32 En Athenobius, de vriend van de koning, kwam te Jeruzalem, en zag de heerlijkheid van Simon, zijn verzameling drinkbekers, met zijn goudwerk, en zijn zilverwerk, en vele toerusting, en hij ontzette zich, en verkondigde hem de woorden van de koning. 33 En Simon, antwoordende, zei tot hem: Wij hebben het land van een ander niet ingenomen, en hebben van een ander goed niet bemachtigd, maar de erfenis van onze vaders, die door onze vijanden onrechtmatig bij zekere gelegenheid bemachtigd was. 34 En wij hebben gelegenheid gekregen, en de erfenis van onze vaders weer tot ons gebracht. 35 En wat betreft Joppe en Gazara, die u eist, die hebben onder het volk een grote plaag gebracht, en ook aan ons land, toch zullen wij voor deze geven honderd talenten; en Athenobius antwoordde hem niet één woord; 36 En hij keerde weer tot de koning met toorn, en verhaalde hem deze woorden, en ook de heerlijkheid van Simon, en al wat hij gezien had; en de koning werd vertoornd met grote toorn. 37 Tryfon nu begaf zich in een schip, en vluchtte naar Orthosias. 38 En de koning stelde Cendebeüs tot een overste van de zeekant, en gaf hem soldaten, te voet en te paard. 39 En hij beval hem, dat hij zich zou legeren tegen Judea; en hij beval hem ook dat hij Kedron zou opbouwen, en de poorten versterken, en dat hij het volk zou bevechten. En de koning vervolgde Tryfon. 40 En Cendebeüs kwam tot Jamnia, en begon het volk te tergen, en in Judea in te vallen, en het volk gevangen te nemen, en te doden, en hij bouwde Kedron, 41 En stelde daarin op ruiters en soldaten, opdat zij uitrukkend de wegen van Judea zouden doorlopen, zoals de koning hem bevolen had. ### 1 Makkabeeën 16 1 En Johannes kwam van Gazara, en verhaalde zijn vader Simon, wat Cendebeüs uitrichtte. 2 En Simon riep zijn twee oudste zonen, Judas en Johannes, en zei tot hen: Ik en mijn broers, en het huis van mijn vader hebben de vijanden van Israël beoorloogd van de jeugd aan, tot op de huidige dag toe; en het is ons welgelukt, dat wij Israël door onze handen dikwijls verlost hebben. 3 Maar ik ben nu oud geworden, en u bent nu in deze uw jaren bekwaam tot dit werk van de barmhartigheid. Wees dan in mijn plaats en in de plaats van mijn broer, en trek op en strijd voor ons volk. En de hulp uit de hemel zij met u. 4 En hij verkoos uit het land twintigduizend strijdbare mannen, en enige ruiters, en zij trokken tegen Cendebeüs, en sliepen te Modin. 5 En vroeg in de morgen opstaande, trokken zij naar het vlakke veld; en ziet, een grote macht te voet en te paard ontmoette hen, en tussen hen beiden was een beek. 6 Hij en zijn volk sloegen hun kamp op recht tegenover hen; en als hij zag dat het volk vreesde over de beek te trekken, trok hij zelf eerst over en de mannen het ziende trokken ook over achter hem. 7 En hij deelde het volk, en stelde de ruiters in het midden van het voetvolk, maar de ruiterij van de vijanden was zeer veel. 8 En hij liet de trompetten blazen, en Cendebeüs met zijn leger werd op de vlucht geslagen, en daar vielen van hen vele gewonden, en de overgeblevenen vluchtten naar de vesting. 9 Toen werd Judas, de broer van Johannes, gekwetst; maar Johannes vervolgde hen, totdat hij kwam te Kedron, dat Cendebeüs gebouwd had. 10 En zij vluchtten tot in de torens, die in het land van Azote waren; en hij stak de stad met vuur in brand, en van deze vielen tot tweeduizend man, en hij keerde weer naar het land Juda met vrede. 11 En Ptolomeüs, de zoon van Abubus, was gesteld tot een overste over het vlakke land van Jericho, en hij had veel zilver en goud, 12 Want hij was de schoonzoon van de hogepriester. 13 En zijn hart werd hoogmoediger, en hij wilde het land bemachtigen, en hij wilde bedrog gebruiken tegen Simon en zijn zonen, om hen om te brengen. 14 En Simon was trekkende door de steden van het land, om te bezorgen wat zij nodig hadden, en hij kwam te Jericho, hij en zijn zonen Mattathias en Judas, in het honderdenzevenenzeventigste jaar, in de elfde maand, deze is de maand Sabat. 15 En de zoon van Abubus ontving hen met bedrog, in een kleine vesting, genoemd Dok, die hij gebouwd had; en bereidde hun een grote maaltijd, en verborg daar mannen. 16 En als Simon en zijn zonen wel gedronken hadden, stond Ptolomeüs op, en die met hem waren en hun wapenen nemende, overvielen zij Simon in de maaltijd, en doodden hem, en zijn twee zonen, en enige van zijn knechten. 17 En beging zo grote ontrouw en vergold kwaad voor goed. 18 Ptolomeüs schreef deze dingen, en zond aan de koning, dat hij hem soldaten te hulp wilde zenden, en dat hij hem het land en de steden zou overleveren. 19 En hij zond anderen naar Gazara, om Johannes om te brengen; en hij zond brieven aan de oversten over duizend, dat zij bij hem zouden komen, opdat hij hun zilver en goud en geschenken zou geven. 20 En hij zond anderen om Jeruzalem in te nemen, en de berg van de tempel. 21 En één, vooruitlopende, boodschapte aan Johannes te Gazara, dat zijn vader was omgebracht, en zijn broers, en dat hij gezonden had om hem ook om te brengen. 22 En hij, dit horende, werd zeer ontsteld, en hij greep de mannen die gekomen waren om hem om te brengen, en doodde hen, want hij verstond dat zij hem zochten te doden. 23 Wat nu Johannes verder gedaan heeft, en zijn oorlogen, en zijn mannelijke daden, die hij mannelijk uitgericht heeft, en het opbouwen van de muren, die hij opgebouwd heeft, en zijn andere daden, 24 Zie, deze zijn geschreven in de boeken van de dagen van zijn hogepriesterschap, van de tijd af dat hij na zijn vader hogepriester is geworden. ## 2 Makkabeeën ### 2 Makkabeeën 1 1 De broers, de Joden, die te Jeruzalem, en die in het land van Judea zijn, wensen de broers, de Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en goede vrede. 2 God doe u goed en gedenke aan Zijn verbond dat Hij gemaakt heeft met Abraham, Izaäk en Jakob, zijn getrouwe dienaren. 3 En geve u allen een hart om hem te dienen, en om zijn wil te doen met een goed hart, en gewillige ziel. 4 En opene uw hart in zijn wet, en in zijn geboden, en geve u vrede. 5 En verhore uw gebeden, en zij met u verzoend, en verlate u niet in de kwade tijd. 6 Nu zijn wij ook hier voor u biddende. 7 Toen Demetrius koning was in het honderdnegenenzestigste jaar, hebben wij, Joden, u geschreven in de verdrukking en uiterste nood, die ons overkomen is in deze jaren, van de tijd af dat Jason en die met hem waren van het heilige land en het koninkrijk zijn afgeweken. 8 Dat zij de voorpoort verbrand, en onschuldig bloed vergoten hebben; en wij de Heere baden, en verhoord zijn, en offerden slachtoffers, en zemelmeel, en ontstaken de lampen, en zetten de toonbroden voor. 9 Houd dan nu de dagen van de Loofhutten in de maand Chasleu. 10 In het jaar honderdachtentachtig, die in Jeruzalem en in Judea zijn, en de raad van de ouden, en Judas, wensen Aristobulus, de leermeester van de koning Ptolomeüs, zijnde uit het geslacht van de gezalfde priesters, en de andere Joden, die in Egypte zijn, voorspoed en gezondheid. 11 Uit grote gevaren door God verlost zijnde, danken wij hem enorm alsof wij tegen de koning hadden gestreden. 12 Want hij heeft degenen, die in de heilige stad ons bestreden, van ons uitgedreven. 13 Want de overste, komende in Perzië, en zijn krijgsmacht, die onwederstandelijk scheen te wezen, zijn geslagen in de tempel van Nanea, door de bedriegelijke woorden, die de priesters van Nanea gebruikten. 14 Want als Antiochus, en zijn vrienden met hem, in die plaats gekomen waren, opdat hij met haar zou trouwen, opdat hij het geld tot een huwelijksgift ontvangen mocht; 15 Dat hem de priesters van Nanea voorstelden, en als hij met enige weinigen gekomen was in de omgang van de tempel, zo sloten zij de tempel toe. 16 En Antiochus ging in, en zij openden een geheime deur van het gewelf, en werpende met stenen, doodden zij als door een bliksem de overste met de zijnen, en ontleedden hen, en hun hoofden afgehouwen hebbende, wierpen die tot degenen die buiten waren. 17 In alles zij onze God geprezen, die de goddelozen tot straf heeft gegeven. 18 Wij dan op de vijfentwintigste van de maand Chasleu de reiniging van de tempel zullende houden, hebben behoorlijk geacht u dit bekend te maken, opdat u het ook houdt als het feest van de loofhutten, en van het vuur wanneer Nehemia de tempel van het altaar gebouwd hebbende, slachtoffer geofferd heeft. 19 Want toen onze vaders in Perzië werden gevoerd, zo namen de godvruchtige priesters, die toen waren, in het geheim van het vuur van het altaar, en verbergden het in de holte van een put, die een droge grond had, en hebben het daarin verzekerd, zodat die plaats allen onbekend was. 20 En als er vele jaren verlopen waren, toen God het goedvond, zo heeft Nehemia, gezonden door de koning van Perzië, de nakomelingen van de priester, die het verborgen hadden, gezonden naar dat vuur; en als zij ons hadden te kennen gegeven dat zij geen vuur hadden gevonden, maar dik water, 21 Zo gebood hij hun, dat zij zouden putten, en brengen; en als wat tot de offergaven behoorde geofferd was, gebood Nehemia de priesters het hout, en wat daarop lag, te besprengen met dat water. 22 Dat gedaan zijnde, als de tijd kwam dat de zon, tevoren met wolken bedekt zijnde, weer scheen, zo werd daar een groot vuur ontstoken, dat zij zich allen verwonderden. 23 En als de offergave verteerd werd, deden de priesters een gebed, en al het volk, Jonathan beginnende, en de anderen, met Nehemia, mee eenstemmig dat volgende. 24 En het gebed gebeurde op deze wijze: Heere, Heere God, die een schepper bent van alle dingen, U die vreselijk bent, en sterk, en rechtvaardig, en een Ontfermer, U die alleen koning bent, en goedertieren. 25 U die alleen milddadig bent, alleen rechtvaardig, en almachtig, en eeuwig, U die Israël behoudt van alle kwaad, U die onze vaders hebt gemaakt tot uitverkorenen, en hebt geheiligd; 26 Ontvang deze offergave voor al Uw volk Israël, en bewaar Uw deel, en heilig hen. 27 Vergader weer onze verstrooiing; maak vrij die onder de heidenen dienen; zie aan degenen, die als niets geacht zijn, en als een gruwel gehouden worden; en laat de heidenen bekennen dat U onze God bent. 28 Pijnig hen, die ons overheersen, en die ons in trots smaad aandoen. 29 Plant Uw volk in deze Uw heilige plaats, zoals Mozes gesproken heeft. 30 En de priesters zongen ondertussen lofzangen. 31 En als de offergave verteerd was, zo gebood Nehemia het water, dat nog overgebleven was, te gieten op grote stenen. 32 Dat gedaan zijnde, is daar een vlam ontstoken, en als het licht van het altaar daartegen aan scheen, werd het water verteerd. 33 En als dit openbaar werd, en de koning van Perzië geboodschapt, dat in de plaats, waar de weggevoerde priesters het vuur verborgen hadden, water was te voorschijn gekomen, waarmee ook Nehemia de offergave had geheiligd; 34 En de koning voor goed kennende deze zaak, heeft die plaats omheind en heilig gemaakt. 35 En degenen, wie hij gunstig was, heeft hij vele en verscheidene gaven genomen en medegedeeld. 36 En Nehemia noemde het Neftar, dat overgezet wordt reiniging; en het wordt door velen nog genoemd Neftar. ### 2 Makkabeeën 2 1 Daar wordt in de schriften gevonden, dat de profeet Jeremia degenen, die weggevoerd werden, geboden heeft van het vuur te nemen, zoals verklaard is, en zoals de profeet degenen, die weggevoerd zouden worden, bevolen had; 2 Hun gevende de wet, dat zij niet zouden vergeten de geboden van de Heere, en dat zij niet zouden dwalen in hun verstand, ziende de gouden en zilveren beelden, en hun versiering. 3 En andere dergelijke dingen hun aanzeggende, vermaande hij hen, dat zij met hun harten niet zouden afwijken van de wet, 4 En in hetzelfde schrift was ook, dat de profeet geboden heeft, dat de tabernakel en de ark, zoals hij door Goddelijke aanspraak was onderricht, hem zou volgen; en hoe hij uitging naar de berg, op welke Mozes geklommen was, en het erfdeel van God zag. 5 En dat Jeremia daar komende, een woning in de grot gevonden heeft, en dat hij de tabernakel, en de ark, en het reukaltaar daar ingebracht en de deur toegesloten heeft. 6 En dat enige, die hem gevolgd en heengegaan waren, om de weg te tekenen, deze niet hebben kunnen vinden. 7 En hoe Jeremia, dit verstaande, hen bestraffende gezegd heeft, dat die plaats onbekend zou zijn, en dat hij zou verzoend wezen. 8 En dat de Heere dan deze dingen zou tonen, en de heerlijkheid van de Heere, en de wolk gezien zou worden, zoals die ook aan Mozes is geopenbaard, en zoals Salomo gebeden heeft dat deze plaats enorm zou worden geheiligd. 9 Want het is openbaar, hoe dat hij, met wijsheid begaafd zijnde, een offergave geofferd heeft tot inwijding en heiliging van de tempel. 10 Hoe ook Mozes tot de Heere een gebed heeft gedaan, en dat het vuur van de hemel viel, en de offergave verslond; en dat zo ook Salomo gebeden heeft, en dat het vuur neerkomende de brandoffers heeft verteerd. 11 En hoe Mozes zei: Opdat de offergave voor de zonde niet zou gegeten worden, daarom is zij verteerd. 12 Evenzo heeft ook Salomo die acht dagen gevierd. 13 En deze zelfde dingen worden verhaald in die schriften en in de aantekeningen van Nehemia; en hoe hij een bibliotheek aanleggende, bijeen heeft verzameld de schriften van de koningen en profeten, en de schriften van David, en de brieven van de koningen aangaande de heilige geschenken. 14 Evenzo heeft ook Judas al de dingen, die door de oorlog, die ons aangedaan was, vervallen waren, bijeenvergaderd; en die zijn bij ons. 15 Als u ze nodig hebt, zendt mensen aan ons, die ze u mogen brengen. 16 Omdat wij dan zullen houden het feest van de reiniging, zo hebben wij u dat geschreven, en u zult dan wel doen, dat u deze dagen viert. 17 En God, die al zijn volk heeft behouden, en allen heeft gegeven het erfdeel, en het koninkrijk, en het priesterschap en de heiliging; 18 Zoals hij beloofd heeft door de wet, zo hopen wij op hem, dat hij zich over ons zal ontfermen, en dat hij ons van alle landen, die onder de hemel zijn, weer zal bijeenbrengen in deze heilige plaats. 19 Want hij heeft ons uit grote ellenden verlost en heeft deze plaats gereinigd. 20 Verder, wat betreft de zaken van Judas Makkabeüs, en zijn broers, en de reiniging van de grote tempel, en de inwijding van het altaar; 21 En voor wat betreft de oorlogen, die wij gehad hebben tegen Antiochus Epifanes, en zijn zoon Eupator, 22 En de verschijningen, die van de hemel gebeurd zijn aan degenen, die voor het Jodendom met eergierigheid zich mannelijk gekweten hebben, zodat zij weinigen zijnde het hele land afgelopen hebben, en menigte van de barbaren hebben vervolgd; 23 En dat de tempel, die door de hele bewoonde wereld beroemd is, weer door hen gebouwd is, en de stad in vrijheid gesteld; en dat de wetten, die haast zouden zijn teniet gegaan, weer opgericht zijn; omdat de Heere met alle goedertierenheid hun genadig was geworden; 24 Deze dingen, zijnde door Jason van Cyrene verklaard in vijf boeken, zullen wij ondernemen in een boek kort te vervatten. 25 Want wij, ziende de verwarring in de getallen, en de zwarigheid, die er is voor degenen, die de historische verhalen te enen keer willen doorlezen, om de menigte van het stof, 26 Hebben getracht om degenen, die lezen willen, enig vermaak te geven, en degenen die begerig zijn om wel te onthouden, enige hulp, en allen, wie dit boek zal voorkomen, enig nut toe te brengen. 27 Het is voor ons, die de moeite hebben genomen om dit kort begrip te maken, niet licht geweest, maar een zaak vol zweten en waken. 28 Zoals het iemand, die een grote maaltijd toebereidt, en die een ieder wel zoekt te dienen, niet licht is, om van velen goede dank te behalen, zo zullen wij toch graag deze moeite nemen. 29 Latende dan de schrijver de bredere verhandeling van iedere zaak, zullen wij slechts voortgaan met dit kort begrip in het kort af te malen. 30 Zoals een, die een nieuw huis wil bouwen, zich moet bezighouden met het hele gebouw, en een, die met inbranden voorneemt iets te schilderen, ijverig moet onderzoeken wat tot sieraad nodig is, zo acht ik dat wij ook moeten doen. 31 Maar wijdlopig alles te verhandelen, vele redenen te gebruiken, en bezig te zijn in het verhaal van alle bijzondere stukken, dit behoort tot het werk van de schrijver van de geschiedenis. 32 Maar een kort begrip van wat te zeggen is te vervolgen, en een bredere verklaring van de zaken te vermijden, dat behoort men toe te laten degene, die een kort begrip van enig schrift maakt. 33 Laat ons dan van hier ons verhaal beginnen, zo veel tot onze voorrede nog bijvoegende. Want het zou een dwaze zaak zijn, dat iemand, die een kort begrip van een geschiedenis schrijft, meer overvloedig in woorden zou zijn dan de geschiedenis zelf. ### 2 Makkabeeën 3 1 Als de heilige stad in alle vrede bewoond werd, en als de wetten op het best werden onderhouden, om van de hogepriester Onias' godzaligheid en haat van de boosheid. 2 Zo is het gebeurd, dat ook zelfs de koningen deze plaats eerden, en de tempel met voortreffelijke gaven verheerlijkten. 3 Zodat ook Seleucus, koning van Azië uit zijn eigen inkomsten al de onkosten betaalde die gedaan werden in de dienst van de offergaven. 4 En een zekere Simon, uit de stam van Benjamin, die tot een overste van de tempel was gesteld, streed tegen de hogepriester, vanwege de ongerechtigheid, die in de stad gepleegd werd. 5 En als hij Onias niet kon overwinnen, kwam hij tot Apollonius, de zoon van Thraseüs, die in die tijd overste was van Celo-Syrië en Fenicië. 6 En heeft hem geboodschapt, dat de schatkist te Jeruzalem vol was van geld, zodat de menigte van de kostelijke dingen ontelbaar was, en dat ze niet behoorden tot de rekening van de offergaven, en dat het mogelijk was, dat deze zouden kunnen vallen in de macht van de koning. 7 Apollonius dan, komende bij de koning, heeft hem geopenbaard wat hem van het geld te kennen gegeven was, die Heliodorus gekozen hebbende, die over zijn geld gesteld was, gezonden heeft, hem last gevende, dat hij het voormelde geld nemen zou. 8 En Heliodorus ving meteen de reis aan, onder de schijn, alsof hij de steden van Celo-Syrië en van Fenicië wilde doorreizen, maar inderdaad om het voornemen van de koning te volbrengen. 9 Hij dan gekomen zijnde te Jeruzalem, en zeer vriendelijk door de hogepriester van de stad ontvangen zijnde, heeft meegedeeld wat te kennen gegeven was, en heeft verklaard om wat oorzaak hij daar was, en hij vraagde of deze dingen zo in waarheid waren. 10 De hogepriester toonde aan, dat dit geld weggelegd was voor de weduwen en wezen; 11 En dat een deel daarvan ook toebehoorde aan Hyrcanus, de zoon van Tobias, een man die in zeer grote hoogheid gesteld was, zodat het niet was zoals de goddeloze Simon lasterlijk had aangebracht; en dat er alles samen waren vierhonderd talenten zilver en tweehonderd talenten goud. 12 En dat men ongelijk zou doen aan degenen, die vertrouwd hebben op de heiligheid van de plaats, en op de eerwaardigheid en vrijstelling van de tempel, die door de hele wereld geëerd is, en dat dit daarom geheel ondoenlijk was. 13 Maar Heliodorus, om de bevelen, die hij van de koning had, zei, dat dit geld immers in de schatkamer van de koning moest gebracht worden. 14 En een dag gesteld hebbende, is hij ingegaan om het geld te overzien, en daarop orde te stellen; en daar was geen kleine benauwdheid in de hele stad. 15 En de priesters in hun priesterlijke kleren, wierpen zich neer voor het altaar, en riepen naar de hemel, tot hem, die wetten heeft gemaakt van de toevertrouwde goederen onbeschadigd te bewaren voor degenen, die zij daar vertrouwd hadden, 16 En wie het aangezicht van de hogepriester aanzag, die werd in zijn gemoed verwonderd, want zijn aangezicht en de kleur, die veranderd waren, gaven te kennen de benauwdheid, die in zijn ziel was. 17 Want vrees en verschrikking van het lichaam had de man bevangen, waaruit klaar de weemoed die in zijn hart was degenen, die hem aanzagen, bleek. 18 En deze liepen met hopen uit de huizen naar het gezamenlijke gebed, omdat deze plaats in verachting zou komen. 19 En de vrouwen, zijnde met zakken omgord onder haar borsten, vervulden de wegen, en van de maagden, die opgesloten waren, liepen sommigen samen naar de poorten, sommigen op de muren, en sommigen zagen naar beneden uit de vensters, 20 En zij allen, de handen naar de hemel uitgestrekt hebbende, deden het gebed. 21 Het was erbarmelijk te zien, hoe de menigte onder elkaar gemengd neerviel, en in welke verwachting de grote hogepriester in zijn benauwdheid was. 22 Deze dan riepen tot de Heere Almachtig, dat Hij dit geld, dat toevertrouwd was in alle zekerheid onbeschadigd bewaren wilde, voor degenen, die het toevertrouwd hadden. 23 Maar Heliodorus zocht te volbrengen wat besloten was; en als hij nu daar bij de schatkist met de hellebaardiers tegenwoordig was, 24 Zo heeft de prins van de geesten en van alle macht een grote openbaring gedaan, zodat allen, die zich verstout hadden daar samen te komen, door de kracht van God verslagen zijnde, bezweken en in vrees neervielen. 25 Want door hen werd een paard gezien, met een zeer schoon dek versierd, waarop een zat, die schrikkelijk was, dat sterk rennende zijn voorste voeten op Heliodorus geworpen heeft, en die daarop zat scheen een gouden harnas aan te hebben. 26 En daar verschenen voor hem nog twee andere jongemannen, uitmuntend in sterkte, en zeer schoon in heerlijkheid, en sierlijk in kleding, die ook staande elk aan één van zijn zijden, hem zonder ophouden geselden, hem vele slagen gevende. 27 En als hij snel ter aarde viel, en met grote duisternis bevangen was, namen zij hem samen op, en zetten hem in een draagstoel; 28 En hem, die tevoren met veel toeloop en al de hellebaardiers in de voorzeide schatkamer was ingegaan, droegen zij weg, zo gesteld, dat hij met de wapenen niet kon geholpen worden, en openlijk de heerschappij Gods bekende. 29 En hij lag daar, door de Goddelijke kracht, zonder spraak, en verstoken van alle hoop en behoudenis. 30 Maar deze prezen de Heere, dat Hij deze zijn plaats verheerlijkt had, en de tempel, die een weinig tevoren vol vrees, en onrust was, doordat de Heere Almachtig daar verschenen was, werd vervuld met blijdschap en vreugde. 31 En sommigen van Heliodorus' vrienden hebben in haast Onias gebeden, dat hij de Allerhoogste zou aanroepen, dat Hij hem, die nu geheel in de uiterste adem lag, het leven zou willen schenken. 32 En de hogepriester, beducht zijnde dat de koning te eniger tijd zou denken, dat tegen Heliodorus door de Joden enig kwaad stuk bedreven was, heeft voor de gezondheid van de man offergave gedaan. 33 En als de hogepriester de verzoening deed, zijn dezelfde jongemannen weer verschenen aan Heliodorus, bekleed zijnde met dezelfde kleding, en zeiden daar staande: Dank de hogepriester Onias enorm, want om zijnentwil heeft u de Heere het leven geschonken. 34 En u, uit de hemel gegeseld zijnde, vertelt aan allen de overgrote kracht van God. En als zij deze dingen gezegd hadden, zijn zij verdwenen. 35 En Heliodorus, als hij God offergave had geofferd, en zeer grote beloften had beloofd aan hem, die hem het leven had wedergegeven, en als hij Onias gegroet had, trok het leger weer naar de koning; 36 En hij getuigde aan allen de werken van de grote God, die hijzelf met Zijn ogen gezien had. 37 En als de koning Heliodorus vraagde, wie bekwaam zou zijn om nog eens naar Jeruzalem gezonden te worden, zei hij: 38 Als u een vijand hebt, of een die uw zaken hinderlagen legt, zendt die daar, en u zult hem wel gegeseld weer krijgen, als hij behouden ontkomt, omdat in waarheid in die plaats een kracht van God is. 39 Want hij, die de hemelse woonstede heeft, is de opziener en helper van die plaats, en hij slaat en verderft die daar komen om kwaad te doen. 40 En dit is wat gebeurd is aangaande Heliodorus, en de bewaring van de schatkamer. ### 2 Makkabeeën 4 1 De voorzeide Simon, die een verrader was geworden van het geld en van zijn vaderland, sprak kwalijk van Onias, alsof hijzelf Heliodorus geslagen had, en aanstichter was geweest van al dit kwaad. 2 En hij durfde zeggen van hem, die de stad veel goeds gedaan had, en die voor zijn volk grote zorg droeg, en ijverig in de wet was, dat hij zich met de zaken van het rijk listig bemoeide. 3 En als de vijandschap zover toegenomen was, dat ook door een van degenen, die Simon voor zijn vertrouwde vrienden hield, doodslagen gedaan werden; 4 Onias, bemerkende de hevigheid van de twist, en hoe Apollonius raasde, als zijnde overste van Celo-Syrië en Fenicië, en die de boosheid van Simon vermeerderde, is hij getrokken naar de koning. 5 Niet om te zijn een beschuldiger van zijn burgers, maar ziende op wat al de menigte, zowel in het algemeen als in het bijzonder, dienstig zou zijn. 6 Want hij zag dat het onmogelijk was, dat zonder de voorzorg van de koning de zaken tot vrede zouden kunnen gebracht worden, en dat Simon niet zou ophouden van zijn razernij. 7 Als Seleucus het leven met de dood verwisseld had, en Antiochus, toegenaamd Epifanes, het koninkrijk had aangenomen, zo heeft Jason, de broer van Onias, onbehoorlijk gestaan naar het hogepriesterschap. 8 En om dat te verkrijgen beloofde hij de koning driehonderdenzestig talenten zilver, en nog tachtig talenten uit een ander inkomen. 9 En daarenboven beloofde hij ook nog andere honderdenvijftig talenten te zullen aanschrijven, als hem zou toegelaten worden, dat hij door zijn macht zichzelf een school en een oefenperk van de jeugd zou mogen oprichten, en dat hij die van Jeruzalem zou mogen opschrijven onder de burgers van Antiochië. 10 Dat, als de koning hem had toegestaan, en hij het gebied gekregen had, zo heeft hij meteen zijn volk gebracht tot de wijze van de Grieken; 11 En heeft de voorrechten afgeschaft, die namens de koningen de Joden goedertieren waren gegund door Johannes, de vader van Eupolemus, die een gezant was geweest, om met de Romeinen een verbond van vriendschap en van gemeenschap van wapenen te maken; en heeft de wettige regering verbroken, en een nieuwe onwettige wijze van regering ingevoerd. 12 En als hij willekeurig een school had opgericht, dicht bij de burcht zelf, en de sterkste jongemannen daartoe had bestemd, leidde hij hen onder de hoed. 13 Zo was er onder de Joden een grote lust tot de Griekse zeden, en een grote voortgang van de vreemde wijzen van doen, om de overgrote onreinheid van de goddeloze Jason, die geen rechte hogepriester was. 14 Zodat de priesters niet meer bereidwillig waren om de dienst te doen bij het altaar, maar de tempel verachtende, en de offergaven nalatende, beijverden zich, om deel te nemen aan de onwettelijke oefeningen, die in de worstelplaats gebeurden, nadat zij anderen beroepen hadden, om met de bal te spelen; 15 En de eerlijke wijzen van de vaders als niets achtende, hielden zij dat de Griekse eer de beste was. 16 Vanwege deze oorzaak is over hen een zware ellende gekomen, dat zij hen tot vijanden en straffers hebben gekregen, van wie de leidingen zij naijverden, en aan wie zij zich in alles gelijk wilden maken. 17 Want goddeloosheid te bedrijven, tegen de Goddelijke wetten is geen lichte zaak, maar de volgende tijd zal het openbaren. 18 Als nu het vijfjarig strijdspel te Tyrus gehouden werd, en de koning daar tegenwoordig was. 19 Zond deze goddeloze Jason toeschouwers van Jeruzalem, alsof zij van Antiochië waren, medebrengende driehonderd drachmen zilver tot een offergave van de afgod Herkules; waarvan die ze brachten toch baden, dat ze tot die offergave niet zouden gebruikt worden. 20 En om degenen die ze brachten, heeft hij ze besteed aan de toerusting van de galeien. 21 En als Apollonius, de zoon van Menestheüs, in Egypte was gezonden, vanwege de eerste beroeping van de koning Filometor, zo heeft Antiochus, vernemende dat hij van zijn zaken vervreemd was, zorg gedragen voor zijn verzekerdheid; waarom hij te Joppe gekomen zijnde, verder gereisd is naar Jeruzalem. 22 En zeer heerlijk door Jason en de hele stad ontvangen, en met toortsen en gejuich ingehaald zijnde, zo is hij daarna met zijn soldaten getrokken naar Fenicië. 23 En na de tijd van drie jaar zond Jason Menelaüs, van de voorgemelde Simon broer, om de koning het geld te brengen, en om hen in herinnering te brengen enige noodwendige zaken. 24 Deze de koning zeer aangenaam geworden zijnde, als hij in zijn aangezicht zijn macht zeer verheven had, heeft voor zichzelf het hogepriesterschap verkregen, driehonderd talenten zilver meer daarvoor gevende dan Jason. 25 En de bevelen van de koning ontvangen hebbende, kwam hij te Jeruzalem, niets meebrengende dat van het hogepriesterschap waard was; maar een grimmig gemoed van een wrede tiran en een toorn van een wild barbaars beest hebbende. 26 En Jason, die zijn eigen broer met bedrog uitgeworpen had, werd door een ander weer met bedrog uitgeworpen en gedwongen te vluchten naar het land Ammonitis. 27 En Menelaüs heeft wel het opperste gezag verkregen, maar hij stelde geheel geen orde aangaande het geld, dat hij de koning beloofd had, hoewel Sostrates, de overste van de burcht het eiste. 28 Want hij was gesteld om het geld van de belasting te ontvangen. Als zij beiden nu om deze oorzaak door de koning ontboden waren, 29 Zo heeft Menelaüs tot een verzorger van het hogepriesterschap Lysimachus, zijn broer, gelaten, en Sostrates liet in zijn plaats Crates, de overste over die van Cyprus. 30 En als deze dingen zo gesteld waren, is het gebeurd dat die van Tarsus en Mallo in oproer geraakten, omdat zij tot een geschenk gegeven waren aan Antiochus, het bijvrouw van de koning. 31 Zo is dan de koning in grote haast daar gekomen, om de zaken te stillen, latende in zijn plaats tot een voorzorger Andronicus, een van degenen die in hoogheid gesteld waren. 32 En Menelaüs, achtende, dat hij nu een welgelegen tijd bekomen had, heeft enige gouden voorwerpen van de tempel genomen, en die geschonken aan Andronicus, en heeft ook enige andere verkocht te Tyrus, en in de steden daar rondom. 33 Onias, als hij deze dingen wel verstaan had, bestrafte hem, nadat hij vertrokken was in een vrije plaats, te Dafne, gelegen bij Antiochië. 34 Waarom Menelaüs, hebbende Andronicus op zijn zijde gekregen, hem vermaand heeft, dat hij Onias zou willen ombrengen; die, komende bij Onias, en hem met bedrog verzekerd, en met ede hem de hand gegeven hebbende (hoewel toen hij de hand gaf, niet zonder kwaad nadenken zijnde) heeft hem bewogen, dat hij zich uit de vrije plaats begaf, en hij heeft hem meteen rondom besloten, zonder dat hij de rechtvaardigheid ontzag. 35 Om welke oorzaak niet alleen de Joden, maar ook vele van andere volken, het zeer kwalijk namen, en konden het niet verdragen, dat die man zo onrechtvaardig was gedood. 36 En als de koning wedergekomen was van de plaatsen van Cilicië, hebben hem de Joden, die in de stad waren, aangesproken, zoals ook de Grieken, die dit kwaad stuk ook haatten en geklaagd dat Onias tegen alle reden gedood was. 37 Antiochus, hierover van harte bedroefd zijnde, en tot barmhartigheid geneigd, heeft gehuild over de matigheid en grote geschiktheid van de overledene. 38 En in zijn gemoed met toorn ontstoken zijnde, heeft deze meteen Andronicus het purperen kleed afgenomen, en zijn rokken verscheurd en hem door de hele stad omgevoerd hebbende tot de plaats, waar hij de goddeloosheid aan Onias begaan had, heeft daar de moordenaar van het leven beroofd, en zo heeft de Heere hem de verdiende straf vergolden. 39 En als door Lysimachus vele kerkroverijen in de stad gebeurden, met raad van Menelaüs, en als het gerucht daarvan openlijk verbreid was, zo verzamelde de menigte tegen Lysimachus, nadat weer veel goudwerk van verscheidene plaatsen weggebracht was. 40 En als de menigten op de been geraakt en vol toorn waren, wapende Lysimachus tot drieduizend man, en begon met onrechtvaardige handen, door een overste, die een tiran en oud van jaren was, en ook niet min van verstand. 41 En deze, ziende de aanval van Lysimachus, grepen stenen en andere dikke stokken, en sommigen ook uit het slijk dat daar was, met hun handen samen geperst, en wierpen het op degenen, die met Lysimachus waren. 42 Om deze oorzaak hebben zij velen van hen gewond, sommigen ook terneder geworpen, en hebben hen allen op de vlucht gedreven; en de kerkrover zelf doodden zij bij de schatkist. 43 En over deze zaken werd recht gehouden tegen Menelaüs. 44 En als de koning gekomen was te Tyrus, stelden drie mannen, die door de raad gezonden waren, hun aanklacht aan bij hem. 45 En Menelaüs, nu verlaten zijnde, beloofde veel geld aan Ptolomeüs, de zoon van Dorymeüs, opdat hij de koning zou overreden. 46 Ptolomeüs dan hetzelfde ontvangen hebbende, heeft de koning, die in een galerij was gegaan om zich te verversen, overgehaald, 47 En heeft Menelaüs, die oorzaak was van al deze boosheid, ontslagen van al de beschuldigingen, en heeft deze ellendigen, die, zo zij ook bij de Scythen gepleit hadden, als onschuldigen zouden vrijgesproken zijn, tot de dood verwezen. 48 Zo hebben dan haastig een onrechtvaardige straf geleden degenen, die voor de stad, en het volk, en voor de heilige voorwerpen deze beschuldiging aangebracht hadden. 49 Waarom ook de Tyriërs, dit boze stuk hatende, zeer voortreffelijk besteld hebben wat tot hun begrafenis nodig was. 50 En Menelaüs bleef door de gierigheid van degenen die de macht hadden, in het opperste gezag, toenemende in boosheid, en is geworden een groot verrader van de burgers. ### 2 Makkabeeën 5 1 Omstreeks dezelfde tijd deed Antiochus zijn tweede tocht naar Egypte. 2 En het gebeurde dat door de hele stad, bijna veertig dagen lang in de lucht gezien werden ruiters rijdende met gouden rokken, bij troepen, met lansen gewapend, en met blote zwaarden; 3 En hopen paarden in slagorde gesteld, en treffen dat op elkaar gebeurde, en aanlopen tegen elkaar, en beweging van de schilden, een grote menigte van speren, en schieten van pijlen, en blinken van de gouden versierselen en allerlei borstwapenen. 4 Waarom zij allen baden dat dit visioen ten goede mocht gebeuren. 5 En als er een vals gerucht gekomen was, dat Antiochus het leven met de dood verwisseld had, Jason niet minder dan duizend mannen verzameld hebbende, heeft meteen een inval gedaan in de stad; en als zij op de muren gedreven waren, en eindelijk de stad ingenomen was, zo vluchtte Menelaüs op de burcht. 6 En Jason sloeg zijn eigen burgers dood, zonder iemand te sparen, niet denkende dat de voorspoed tegen zijn eigen bloedverwanten de grootste tegenslag was; en hij dacht dat hij tekenen van overwinning oprichtte, niet van zijn medeburgers, maar van zijn vijanden. 7 Maar hij verkreeg het oppergezag niet; maar als einde van zijn bedriegelijkheid schande behalende, vluchtte hij, en trok weer in het land Ammonitis. 8 Ten laatste dan kreeg hij zijn loon bij Aretas de koning van Arabië, zo nagejaagd zijnde, dat hij vluchtte van de ene stad in de andere, door allen vervolgd zijnde en gehaat, als een die van de wet was afgevallen; en vervloekt als een beul van zijn vaderland en zijn burgers, is hij naar Egypte uitgeworpen. 9 En hij, die velen uit hun vaderland in ballingschap verdreven had, is in ballingschap omgekomen, tot de Lacedemoniërs getrokken zijnde, alsof hij bij hen omwille van de familie in bescherming zou worden genomen. 10 En hij, die een menigte onbegraven had weggeworpen, over die heeft niemand rouw gedragen, en heeft geen uitvaart, noch van zijn vaders graf mogen genieten. 11 De koning, als hij verstaan had dat deze dingen zo gebeurd waren, vermoedde dat Judea van hem wilde afvallen; waarom hij uit Egypte trok, vergrimd in zijn gemoed, en heeft de stad met wapenen ingenomen. 12 En gebood de soldaten, dat zij allen die hun tegenkwamen zouden slaan, zonder iemand te sparen, en dat zij al degenen, die op de huizen zouden klimmen zouden doodslaan. 13 En er gebeurde een grote moord van jongen en van ouden; en mannen, en vrouwen, en kinderen werden omgebracht, en de maagden en kleine kinderen gedood. 14 Zodat in drie dagen tachtigduizend omgebracht werden; veertigduizend werden met de hand gevangen en er werden niet minder verkocht dan er gedood waren. 15 En daarmee niet tevreden zijnde, heeft hij zich verstout in te gaan in de allerheiligste tempel van de hele aardbodem, hebbende tot een leidsman Menelaüs, die een verrader was geworden, zo van de wetten als van het vaderland. 16 En met zijn onreine handen de heilige voorwerpen nemende, en wat door andere koningen tot vermeerdering, heerlijkheid en eer van de plaats geschonken was, met zijn goddeloze handen wegrovende, 17 Zo werd Antiochus in zijn gemoed zeer hoogmoedig, niet beschouwende, dat vanwege de zonden van degenen, die in de stad woonden, de Heere een kleine tijd vertoornd was geweest, en dat Hij daarom de plaats niet aanzag. 18 Want was het niet gebeurd, dat zij tot vele zonden gebracht waren, evenals Heliodorus, die gezonden was van de koning Seleucus, om de schatkamer te bezichtigen, zo zou ook deze meteen, als hij ingekomen was, gegeseld zijnde, van zijn onverschrokkenheid afgekeerd geweest zijn. 19 Maar de Heere heeft het volk niet om de plaats, maar de plaats om het volk uitverkoren. 20 En daarom is dezelfde plaats, die deelachtig was geworden de ongelukken, die over dit volk gekomen waren, daarna ook deelachtig geworden de goedertierenheden, en het volk dat door de almachtige toorn was verlaten geweest, is weer door de verzoening met de grote Heere, in alle heerlijkheid opgericht. 21 Antiochus dan, hebbende uit de tempel duizendenachthonderd talenten weggenomen, is haastig vertrokken naar Antiochië, menende naar zijn hoogmoed de aarde te maken, dat men daarop zou kunnen varen met schepen, en de zee, dat men daarop zou kunnen gaan, door de trots van zijn hart. 22 En hij heeft ook enige oversten daar gelaten, om het volk te kwellen: Filippus te Jeruzalem, die van afkomst een Frygiër was, en veel barbaarser dan degene, die hem gesteld had, 23 En in Garizin Andronicus, en naast deze Menelaüs, die veel erger dan de anderen zich verhief tegen de burgers. 24 En hij had tegen de Joodse burgers een vijandig hart, en zond een gehate overste, Apollonius, met een leger van tweeentwintigduizend man, gelastende dat hij allen, die tot mannelijke ouderdom gekomen waren, zou doden, en de vrouwen en jongemannen verkopen. 25 Deze, als hij gekomen was te Jeruzalem, veinzende, dat hij vreedzaam was, heeft zich stilgehouden tot de heilige dag van de Sabbat; op welke, daar hij de Joden vond, vierdag houdende, zo gebood hij die onder hem stonden, dat zij zich zouden in de wapenen begeven. 26 En heeft allen, die uitgegaan waren om de schouwspelen te zien, laten doorsteken, en door de stad met wapenen lopende, heeft een grote menigte vermoord. 27 En Judas, de Makkabeeër, is met negen anderen vertrokken naar het gebergte, en leefde met degenen die bij hem waren, naar de wijze van de wilde dieren, en zij aten als voedsel gras, en bleven daar, om geen deel te hebben aan de ontreiniging. ### 2 Makkabeeën 6 1 En niet lang daarna zond de koning een oud man van Athene, om de Joden te noodzaken dat zij zouden afwijken van de wetten van hun vaders, en niet zouden wandelen naar de wetten van God. 2 En ook om de tempel te Jeruzalem te ontreinigen, en deze te noemen de tempel van Jupiter Olympius, en de tempel te Garizin te noemen, (zoals degenen, die in die plaats woonden, begeerden), de tempel van Jupiter Xenius. 3 De invoering van deze boosheid was het volk zwaar en moeilijk. 4 Want de tempel werd vervuld met overdadigheid, en brasserijen van de heidenen, die met de hoeren daar in luiheid leefden, en in de heilige galerijen zich vermengden met de vrouwen; en daarenboven dingen daarin brachten die niet betaamden. 5 En het altaar werd ook met onbehoorlijke dingen, die de wet verboden had, vervuld. 6 En men mocht geen sabbatten vieren, noch de feestdagen van de vaders onderhouden, noch ook enigszins bekennen een Jood te wezen. 7 En zij werden door een bittere noodwendigheid gedwongen, om de geboortedag van de koning alle maanden te houden, met het eten van de geofferde ingewanden; en als de feestdag van Bacchus gekomen was, werden zij gedwongen wijnloofkransen dragende, in het Bacchusfeest om te gaan. 8 En in de naburige Griekse steden, is door bestelling van Ptolomeüs, een plakkaat uitgegaan, dat de Joden ook zouden eten van de ingewanden van de beesten, de afgoden opgeofferd. 9 En dat al degenen, die niet zouden willen verkiezen tot deze Griekse wijzen over te gaan, zouden gedood worden; men kon daaraan zien de tegenwoordige ellende. 10 Want twee vrouwen werden voorgebracht, die haar kinderen hadden besneden, die zij, haar kinderen aan haar borsten gehangen hebbende, door de stad openlijk omvoerden, en van de muren afstieten. 11 En enige anderen, samen lopende in de naaste grotten, opdat zij daar verborgen de zevende dag zouden houden, bij Filippus aangebracht zijnde, werden met vuur verbrand, omdat zij er een gewetenszaak van maakten zichzelf te hulp te komen, vanwege de heerlijkheid van deze eerwaardige dag. 12 Ik bid dan degenen, die dit boek zullen lezen, dat zij niet ontsteld worden over deze ellendigheden, maar dat zij willen achten, dat deze straffen niet zijn tot verderf, maar tot vergelding van ons geslacht. 13 Want het is een teken van grote goeddadigheid, dat degenen, die zondigen, geen lange tijd wordt toegelaten, maar dat zij spoedig vervallen in straf. 14 Want de Heere doet hun niet zoals de andere volken, dat Hij geduldig blijft, totdat Hij hen ontmoet om hen te straffen, als hun zonden vervuld zijn. 15 Zo heeft hij ook goedgevonden tegen ons te zijn; opdat niet, wanneer onze zonden tot het einde gekomen zijn, hij ten laatste wraak over ons doe. 16 Daarom neemt hij zijn barmhartigheid nimmer van ons weg, en zijn eigen volk met tegenslag straffend, verlaat hij het niet. 17 Maar dit zij door ons gezegd tot terechtwijzing, en wij zullen met weinig woorden terugkeren tot ons verhaal. 18 Een zekere Eleazar, een van de voornaamste schriftgeleerden, een man die verre op zijn dagen gekomen was, en zeer schoon was van aangezicht, werd genoodzaakt zijn mond open te doen, en varkensvlees te eten. 19 Deze, liever hebbende een dood met ere, dan het leven met haat, kwam zelf tot de pijnigingsplaats, 20 Voor zich uitspuwende, op zulk een wijze als het degenen past, die zich willen blijven verdedigen tegen die dingen, die niet geoorloofd zijn te proeven, om de liefde van het leven te behouden. 21 En degenen, die gesteld waren om deze onwettige ingewanden te eten, om de kennis, die zij met de man van oude tijden hadden gehad, hem terzijde nemende, vermaanden hem dat hij vlees zou willen brengen, dat hem geoorloofd was te gebruiken, door hemzelf tevoren toebereid, en dat hij zou willen veinzen, alsof hij at wat door de koning was bestemd, namelijk het vlees van de offergaven. 22 Opdat hij, dat doende, van de dood zou vrijgelaten worden, en opdat hij, om de oude vriendschap met hen, genade zou mogen verkrijgen. 23 Maar hij nemende een eerlijk besluit, dat zijn jaren en voortreffelijkheid van de ouderdom betaamde, en zijn grijze haar, die hij met ere had verkregen, en zijn eerlijke opvoeding, die hij van zijn jeugd aan had gehad, ja ook veel meer de heilige en van God ingestelde wetgeving, heeft vervolgens geantwoord, zeggende dat zij hem haastig naar het graf wilden zenden. 24 Want, zei hij, het past onze ouderdom niet te veinzen, opdat vele jonge mensen, menende dat Eleazar nu negentig jaar oud zijnde, overgegaan is tot het heidendom, 25 Zij ook door mijn veinzen, en door deze kleine en snel vergaande levenstijd, door mij zouden verleid worden; en ik zo een vloek en een schandvlek op mijn ouderdom zou halen. 26 Want als ik voor het tegenwoordige zou verlost worden van de straf van de mensen, zo zou ik toch niet ontvluchten, noch levende noch stervende, de handen van de Almachtige. 27 Waarom ik nu het leven moedig verwisselende met de dood, zo zal ik schijnen deze ouderdom waard te zijn, 28 En zal de jongelieden een heerlijk voorbeeld nalaten, om voor de eerwaardige en heilige wetten gewillig en kloek een eerlijke dood te sterven. En als hij dit gezegd had, is hij meteen gegaan naar de pijnigingsplaats. 29 En die hem leidden, veranderden hun goedwilligheid, die zij een weinig tevoren tot hem gehad hadden, in kwaadwilligheid, om de voorzegde woorden, die zij achtten waanzin te zijn. 30 En als hij nu door de slagen sterven zou, zei hij al zuchtende: Aan de Heere, die een heilige wetenschap heeft, is bekend dat ik, kunnende van de dood bevrijd worden, zware pijnen in mijn lichaam verdrage, gegeseld zijnde, en dat ik naar de ziel dit gewillig lijde, omwille van zijn vrees. 31 En op deze wijze is hij gestorven, zijn dood niet alleen de jongelieden, maar ook het merendeel van zijn volk, tot een voorbeeld van kloekmoedigheid, en tot een herinnering van de deugd nalatende. ### 2 Makkabeeën 7 1 Het gebeurde ook dat zeven broers, met de moeder gegrepen zijnde, door de koning gedwongen werden varkensvlees, dat ongeoorloofd is, te proeven; en werden met geselen en pezen geslagen. 2 En een van hen, die voor de anderen sprak, zei zo: Wat wilt u ons vragen, en van ons weten? want wij zijn bereid liever te sterven, dan de wetten van onze vaders te overtreden. 3 En de koning zeer gram wordende, gebood dat men pannen en ketels heet zou maken; en als die meteen heet gemaakt waren, 4 Zo gebood hij dat men deze, die voor de anderen gesproken had, de tong zou afsnijden, en hem de huid rondom aftrekken, en zijn uiterste leden afhouwen, en dat de andere broers en de moeder dit zouden aanzien. 5 Als hem nu alle leden onbruikbaar waren gemaakt, zo beval de koning dat men hem, die nog zijn adem haalde, aan het vuur zou brengen, en in de pan braden; en als de damp uit de pan zich zeer verspreidde, zo vermaanden zij elkaar met de moeder kloekmoedig te sterven; 6 Sprekende zo: God de Heere ziet het aan, en zal in de waarheid over ons vertroost worden; zoals Mozes in zijn lied, dat hij tegen hen in het aangezicht heeft betuigd, verklaart, zeggende: en over zijn dienaren zal hij vertroost worden. 7 En als de eerste op deze wijze gestorven was, zo leidden zij de tweede tot de bespotting; en de huid van het hoofd met het haar rondom afgetrokken hebbende, vraagden zij hem: Zult u nog geen zwijnenvlees eten, voordat het lichaam van lid tot lid gestraft wordt? 8 Maar hij antwoordde in zijn vaderlijke taal, en zei tot hen: In geen geval. Waarom deze ook dezelfde pijniging is aangedaan, zoals de eerste. 9 En als hij nu in de uiterste adem was, zei hij: U booswicht, u beneemt ons wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons, die voor zijn wetten sterven, tot een eeuwige opstanding van het leven weer opwekken. 10 Na deze werd ook de derde bespot, en als zij zijn tong eisten, stak hij die meteen uit, en hij strekte zijn handen zeer vrijmoedig uit; 11 En sprak kloekmoedig: Dit alles heb ik van God uit de hemel verkregen, en dit veracht ik om Zijn wetten, en ik hoop dat ik dit van Hem zal wederkrijgen. 12 Zodat de koning zelf, en die bij hem waren, zich zeer verwonderden over de kloekmoedigheid van deze jongeling, dat hij deze pijnen voor niets achtte. 13 En als ook deze overleden was, hebben zij evenzo de vierde gepijnigd en geslagen. 14 En als hij sterven zou, sprak hij zo: Het is beter de hoop, die van mensen is, te verwisselen, en de hoop die van God is te verwachten, om van hem weer opgewekt te worden, maar voor u zal geen opstanding ten leven zijn. 15 Daarna brachten zij de vijfde voor, en sloegen hem, en deze de koning aanziende, zei tot hem: 16 U hebt macht onder de mensen, en hoewel u vergankelijk bent, zo doet u toch wat u wilt, maar denkt niet dat ons geslacht van God verlaten is. 17 Maar u, verwacht en aanschouw Gods grote kracht, hoe Hij u en uw zaad zal pijnigen. 18 Na deze brachten zij de zesde voor, en als hij sterven zou, zei hij: Dwaal niet tevergeefs, want wij lijden deze dingen om ons zelfs wil, omdat wij tegen onze God gezondigd hebben; want daar zijn aan ons dingen gebeurd die verwondering waard zijn. 19 En u, meen niet dat u onschuldig zult zijn, omdat u het gewaagd hebt tegen God te strijden. 20 Maar de moeder is bovenmate zeer te bewonderen, en aller goede herinnering waard, als die kloekmoedig verdragen heeft te aanschouwen, dat haar zeven zonen op één dag zijn omgebracht, om de hoop die zij hadden op de Heere; 21 Want zij vermaande een ieder van hen in haar moedertaal, vervuld zijnde met een kloekmoedig verstand, haar vrouwelijke overlegging met een mannelijk gemoed opwekkende; 22 Zeggende tot hen: Ik weet niet hoe u in mijn lichaam bent voortgebracht, noch heb ik u de geest en het leven gegeven, noch heb ik de eerste beginselen, waaruit een ieder van u bestaat, bijeengeschikt; 23 Daarom de Schepper van de wereld, die de geboorte van de mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt, zal u de geest en het leven wedergeven met barmhartigheid, zoals u uzelf niet acht omwille van Zijn wetten. 24 Antiochus, menende, dat hij veracht werd, en het daarvoor houdende, dat deze stem hem smaad aandeed, als de jongste nog overig was, deed niet alleen met woorden een terechtwijzing aan hem, maar hij verzekerde hem ook met ede, dat hij hem meteen rijk en gelukzalig zou maken, zo hij wilde afstaan van de vaderlijke wetten, en dat hij hem voor een vriend zou houden, en ambten toevertrouwen. 25 En daar de jongeling in geen geval daarnaar luisterde, zo riep de koning en vermaande de moeder, dat zij de jongeling zou raden tot zijn behoudenis. 26 En als hij met vele woorden haar vermaand had, heeft zij aangenomen haar zoon daartoe te bewegen. 27 En de moeder naar hem toebukkende, en de wrede tiran bespottende, zei zo in haar vaderlijke taal: Mijn zoon, ontferm u over mij, die u negen maanden in mijn lichaam gedragen, en u drie jaar gezoogd heb, en die u opgevoed, en u tot deze ouderdom gebracht, en de moeite van uw opvoeding gedragen heb, 28 Ik bid u, mijn kind, dat u ziende naar de hemel, en naar de aarde, en aanziende al wat daarin is, wilt erkennen dat God deze dingen uit niet gemaakt heeft, en dat het menselijk geslacht zo geworden is. 29 Vrees deze beul niet, maar wil u zo gedragen dat u uw broers waard bent, en ontvang de dood, opdat ik in barmhartigheid u weer mag verkrijgen met uw broers. 30 En als zij nog sprak, zo zei de jongeling: Wat verwacht u nog? Ik zal het gebod van de koning niet gehoorzaam zijn, maar ik zal gehoorzaam zijn aan het gebod van de wet, die onze vaders gegeven is door Mozes. 31 Maar u, koning die een vinder bent van alle kwaad tegen de Hebreeën, zult de handen Gods niet ontvluchten. 32 Want wij lijden om onze zonden. 33 Als onze Heere, die daar leeft, vanwege de tuchtiging en vergelding, een korte tijd boos is, Hij zal toch weer met zijn dienaren verzoend worden. 34 Maar u goddeloze en onreinste van alle mensen, wil u niet tevergeefs verhovaardigen, trots zijnde op onzekere hoop, om uw hand op te heffen, tegen de hemelse kinderen. 35 Want u bent nog niet ontvlucht het oordeel van de almachtige God, die over alles de wacht houdt. 36 Want onze broers, een korte pijn geleden hebbende, zijn gestorven onder het verbond Gods van het eeuwig leven, maar u zult door het oordeel van God rechtvaardige straffen van deze trots wegdragen. 37 En ik, zoals mijn broers, geef mijn lichaam en ziel over voor de wetten van de vaders, aanroepende God, dat Hij haast ons volk wil genadig zijn, en dat u door pijnigingen en geselen mag bekennen dat Hij alleen God is; 38 En dat in mij en mijn broers ophoude de toorn van de Almachtige, die op al ons geslacht rechtvaardig gebracht is. 39 En de koning zeer gram geworden zijnde, en zeer kwalijk nemende dat hij zo bespot werd, heeft deze veel kwalijker bejegend dan de anderen. 40 En deze is dan zo rein gestorven, geheel op de Heere vertrouwende. 41 En de moeder is ook ten laatste na de zonen gestorven. 42 En dit zij dan dusverre verklaard aangaande het eten van de geofferde ingewanden, en aangaande de overgrote pijnigingen. ### 2 Makkabeeën 8 1 En Judas de Makkabeeër, en die met hem waren, in het geheim in de plaatsen inkomende, riepen hun bloedverwanten tot zich; en die in de Joodse godsdienst gebleven waren tot zich nemende, verzamelden zesduizend man; 2 En riepen de Heere aan, dat Hij zou willen zien op het volk dat van alle kanten overlast werd aangedaan, en dat Hij zich wilde ontfermen over de tempel, die door de goddeloze mensen ontheiligd was; 3 En dat hij zich erbarmen wilde over de stad die nu verdorven was, en tot de aarde toe geslecht zou worden, en dat hij al het bloed, dat tot hem riep, zou willen verhoren; 4 En dat Hij zou willen gedenken aan het onrechtvaardig ombrengen van de onschuldige kleine kinderen, en dat Hij om de lasteringen, die tegen Zijn naam gebeurd waren, Zijn haat wilde betonen tegen de boosheid. 5 En als Judas Makkabeüs een leger verzameld had, werd hij onverdraaglijk voor de heidenen, daar de toorn van God in barmhartigheid was veranderd. 6 De steden en plaatsen, onverwachts overkomende, stak hij in brand, en nam de welgelegen plaatsen in, en dreef niet weinigen van de vijanden op de vlucht. 7 En hij nam vooral de nachten waar tot zulke hinderlagen; en het gerucht van zijn dapperheid verspreidde zich alleszins. 8 Filippus ziende dat deze man gaandeweg tot grote voortgang kwam, en dat hij in voorspoed toenam, schreef aan Ptolomeüs, de overste van Celo-Syrië en Fenicië, dat hij de zaak van de koning zou te hulp komen. 9 Deze verkoos meteen Nicanor, de zoon van Patroclus, een van de voornaamste vrienden, en zond hem, stellende onder hem niet minder dan twintigduizend man uit allerlei natiën, om het hele Joodse volk uit te roeien; en heeft hem toegevoegd Gorgias, een man die een overste was, goede ervaring hebbende in krijgszaken. 10 Nicanor nu had de koning beloofd de belasting, die hij de Romeinen schuldig was, zijnde tweeduizend talenten, uit de gevangen Joden te vervullen. 11 En hij zond meteen naar de zeesteden, hen nodende om Joodse slaven te kopen, belovende dat hij negentig slaven zou geven voor een talent; niet verwachtende de straf die hem zou overkomen van de Almachtige. 12 En Judas was verwittigd van de aantocht van Nicanor. 13 En als hij aan degenen, die met hem waren, verklaard had dat het leger daar was gekomen, zo vreesden zij, en vertrouwden niet op de gerechtigheid van God, maar zijn herwaarts en daarheen gevlucht, en verlieten de plaats. 14 En anderen verkochten alles wat overgelaten was, en baden de Heere, dat Hij zou willen verlossen degenen die door de goddeloze Nicanor, voordat zij bijeenkwamen, verkocht waren; 15 En zo hij het niet deed om hunnentwil, dat hij het wilde doen om de verbonden, die hij met hun vaders gemaakt had, en omdat zij naar zijn eerwaardige en voortreffelijke naam genoemd waren. 16 En Judas Makkabeüs, verzameld hebbende die bij hem waren, zesduizend in getal, vermaande hen dat zij vanwege de vijanden niet verslagen zouden zijn, de grote menigte van de heidenen, die onrechtvaardig tegen hen kwamen, niet zouden vrezen, maar dat zij kloekmoedig zouden strijden, zichzelf voor ogen stellende de smaad, die zij onrechtvaardig volbracht hadden tegen de heilige plaats; 17 En de mishandeling tegen de stad, die door hen bespot was; en ook de verbreking van de regering, die bij hun voorouders geweest was. 18 En hij zei: Deze vertrouwen op hun wapenen en onverschrokkenheid, waar wij vertrouwen op de almachtige God, die machtig is deze, die tegen ons komen, en ook de hele wereld, met één wenk ter neer te werpen. 19 En hij verhaalde hun de hulp, die aan hun voorouders gebeurd was, en hoe dat de honderdvijfentachtigduizend onder Sanherib omgebracht waren; 20 En de slag, die in Babylonië tegen de Galaten gedaan was, hoe dat allen die tot noodweer gekomen waren, maar achtduizend waren, met vierduizend Macedoniërs, en als de Macedoniërs begonnen twijfelmoedig te worden, dat die achtduizend honderdtwintigduizend hebben omgebracht door de hulp die hun van de hemel gebeurde, en dat zij groot voordeel verkregen. 21 Waarmee hij hen dapper gemaakt hebbende, en bereid om voor de wetten en het vaderland te sterven, 22 Heeft hij zijn soldaten in vier hopen gesteld, en zijn broers aangesteld tot leiders van elke slagorde, namelijk Simon en Jozef, en Jonathan, stellende onder elk van hen duizendenvijfhonderd man, en daarboven ook Eleäzar. 23 En als hij hun voorgelezen had het heilig boek, en hun tot een leus gegeven had: DOOR DE HULPE GODS, hij zelf, zijnde leider van de eerste slagorde, leverde met Nicanor slag. 24 Daar de Almachtige met hen streed, versloegen zij van de vijanden over de negenduizend, verwondden en verminkten het merendeel van Nicanors soldaten, en dwongen hen allen te vluchten; 25 En kregen het geld van degenen die gekomen waren om hen te kopen; en lange tijd hen vervolgd hebbende kwamen zij weer, daar zij door de tijd belet waren. 26 Want het was de dag voor de Sabbat; waarom zij hen niet langer naliepen. 27 En als zij de wapenen verzameld, en de vijanden de roof uitgetrokken hadden, hielden zij de Sabbat; en zij dankten en loofden de Heere zeer, die hen behouden had tot die dag toe, die het begin was van de barmhartigheid, die over hen kwam. 28 En na de Sabbat deelden zij uit aan de zieken, de weduwen, en de wezen van de buit, en het overige deelden zij onder zichzelf en onder hun knechten. 29 En als zij deze dingen verricht hadden, hielden zij een algemene biddag, en baden de barmhartige Heere, dat Hij tot het einde toe zijn dienaren zou willen genadig zijn. 30 En hun macht samen gebracht hebbende, vernielden zij van degenen, die bij Timotheüs en Bacchides waren, over de twintigduizend, en veroverden zeer gelukkig de hoge vestingen, en deelden een grote buit, makende gelijke gedeelten voor hen, en voor de zieken, en de wezen, en de weduwen, en ook voor de oude mensen. 31 En hun wapenen verzameld hebbende, stelden zij die alle zorgvuldig in gelegene plaatsen; en het overige van de buit brachten zij te Jeruzalem. 32 En zij versloegen ook Filarches, die bij Timotheüs was, een zeer goddeloos man, die de Joden veel verdriet aangedaan had. 33 En als zij in het vaderland een dankdag hielden over de overwinning, hebben zij Callisthenes, die de heilige poorten in brand had gestoken, vluchtende in een huisje, verbrand; en zo heeft hij het verdiende loon van zijn goddeloosheid verkregen. 34 En de overgoddeloze Nicanor, die duizend kooplieden bijeen gebracht had om de Joden aan hen te verkopen, 35 Vernederd zijnde door degenen, die naar zijn achting de minste waren, door de hulp van de Heere, legde zijn heerlijke kleding af, en zichzelf eenzaam makende, vluchtte over de Middellandse zee, zoals een slaaf die zijn heer ontloopt, en kwam te Antiochië, boven alles gelukkig zijnde na het verlies van zijn leger. 36 En hij, die aangenomen had de Romeinen de belasting te betalen uit de gevangenen, die hij te Jeruzalem zou krijgen, verkondigde dat de Joden God tot een voorvechter hadden; en dat op deze wijze de Joden niet kunnen gewond worden, omdat zij navolgen de wetten die door Hem bestemd zijn. ### 2 Makkabeeën 9 1 Omstreeks deze tijd gebeurde het dat Antiochus met schande wederkwam uit de plaatsen rondom Perzië. 2 Want als hij was ingegaan in de stad genoemd Persepolis en gewaagde het heilige te beroven, en de stad te bezetten, zo is het volk te wapen gelopen en brachten hen op de vlucht; en het gebeurde, als Antiochus door de inwoners op de vlucht gedreven was, dat hij op een schandelijke wijze vertrok. 3 En als hij te Ecbatana was, werd hem tijding gebracht van wat Nicanor en Timotheüs overkomen was. 4 Waarom hij, in zijn gemoed toornig wordende, dacht dat hij het kwaad, dat hem aangedaan hadden degenen die hem verjaagd hadden, op de Joden zou verhalen; en daarom gelastte hij zijn voerman, dat hij zonder ophouden zou voortgaan, en de reis volbrengen; het oordeel uit de hemel hem reeds persende. Want hij sprak in trots: Ik zal Jeruzalem maken tot een begraafplaats van de Joden, als ik daar zal gekomen zijn. 5 Maar de almachtige Heere, de God van Israël, sloeg hem met een ongeneeslijke en onzichtbare plaag; want toen hij deze woorden geëindigd had, heeft hem een ongeneeslijke pijn van de ingewanden en bittere inwendige pijnigingen bevangen; 6 Zeer rechtvaardig, als die met vele en vreemde ellendigheden de ingewanden van anderen gepijnigd had. 7 Maar hij liet daarom niet af van zijn hoogspreken, maar hij was nog met hoogmoed vervuld, vuur blazende in zijn toorn tegen de Joden, en gebood dat men de reis zou verhaasten; en het gebeurde dat hij ook van de wagen viel, die zeer snel voortreed, en dat hij een zware val doende, al de leden van zijn lichaam verdraaid werden. 8 Hij, die kort tevoren de golven van de zee scheen te willen gebieden, met een overmoed, die de menselijke gedachten te boven ging, en die meende dat hij de hoogste bergen met een schaal zou wegen, als hij op de aarde was, werd in een rosbaar gedragen, de openbare macht Gods in zich voor allen betonende, 9 Zodat ook uit het lichaam van deze goddeloze levende wormen voortkwamen, en dat zijn vlees, terwijl hij nog in smarten en pijnen leefde, van hem afviel; en dat van zijn reuk het hele leger bezwaard werd, vanwege de verrotting. 10 Zodat hem, die een weinig tevoren de sterren van de hemel scheen te raken, niemand kon dragen, om de onverdraaglijke stank. 11 Hier begon hij dan, zo verwond zijnde, van de grootheid van zijn hoogmoed terug te komen, en door deze Goddelijke geseling tot kennis te komen, alle ogenblikken zwaarder met pijnen aangetast wordende. 12 En zijn eigen stank ook niet kunnende verdragen, zei hij deze woorden: Het is recht dat men zich God onderwerpe, en dat iemand, een sterfelijk mens zijnde, niet denke aan God gelijk te zijn. 13 En deze booswicht bad de Heere, die hem nu geen barmhartigheid meer bewees, zo zeggende, 14 Dat hij de heilige stad, tot welke hij haastte te komen, om ze ten gronde uit te roeien, en tot een grafplaats te maken, vrij zou stellen; 15 En dat hij de Joden, die hij voorgenomen had zelfs niet met een begrafenis te verwaardigen, maar de vogels tot een aas, en de wilde beesten, met de kleine kinderen, voor te werpen, allen samen met die van Athene gelijk zou maken; 16 En dat hij de heilige tempel, die hij tevoren beroofd had, met zeer schone geschenken zou versieren, en dat hij al de heilige voorwerpen veelvoudig zou weergeven, en dat hij uit zijn eigen inkomsten de onkosten, die tot de offergaven behoorden, zou bestellen; 17 En dat hij daarenboven ook een Jood zou zijn, en dat hij zou gaan door alle bewoonde plaatsen, om de kracht van God te verkondigen. 18 Maar als de pijnen in geen geval ophielden, (want het rechtvaardig oordeel van God was over hem gekomen) aan zichzelf wanhopende, schreef hij aan de Joden deze ondergeschreven brief, hebbende een wijze van afbidding, van deze inhoud: 19 De koning en veldoverste Antiochus, de Joden, aan zijn burgers, voorspoed, gezondheid en welvaren. 20 Als u welvarend bent, en uw kinderen, en uw eigen zaken naar uw zin gaan, dat is ons aangenaam. 21 In de hemel mijn hoop hebbende, gedenk ik goedertieren aan uw eer en aan uw goedgunstigheid. 22 Terugkomende uit de plaatsen van Perzië, en gevallen zijnde in een ziekte, die haar zwarigheid heeft, heb ik nodig geacht zorg te dragen voor de algemene verzekerdheid van allen; niet wanhopende aan mijzelf, maar grote hoop hebbende dat ik deze ziekte zal ontvluchten. 23 Maar beschouwende, dat mijn vader, in die tijden, als hij ook in die bovenplaatsen een leger voerde, verklaarde wie in zijn plaats zou komen; 24 Opdat zo daar iets, buiten verwachting zou mogen gebeuren, of ook enige zwarigheid mocht geboodschapt worden, de inwoners van het land mochten weten, wie de zaken van het rijk gelaten zijn, en zij niet ontroerd worden. 25 Daarenboven ook overdenkende, dat de prinsen die hierbij gelegen en buren van het rijk zijn, op de gelegen tijden letten en verwachten wat gebeuren zal, zo heb ik tot koning verklaard mijn zoon Antiochus, die ik, dikwijls in de bovenprovinciën reizende, bij het merendeel van u vertrouwd en bevolen heb, en ik heb aan hem geschreven wat hieronder is geschreven. 26 Zo vermaan ik u dan, en verzoek, dat u gedachtig zijnde van de goedertierenheden aan u in het algemeen en bijzonder gedaan, een ieder van u behoude de goedgunstigheid, die u hebt tot mij, en tot mijn zoon. 27 Want ik ben verzekerd, dat hij, mijn voornemen navolgende, u in alles redelijk en vriendelijk zal gelieven. 28 Zo heeft dan deze mensenmoordenaar en godslasteraar, als hij het allerkwaadste geleden had, zoals hij anderen ook had aangedaan, in een vreemd land, in het gebergte, door een zeer ellendige dood, het leven afgelegd. 29 En Filippus, die met hem opgevoed was, heeft het lichaam met zich genomen; die ook, vrezende de zoon van Antiochus, getrokken is naar Egypte, tot Ptolomeüs Filometor. ### 2 Makkabeeën 10 1 En Makkabeüs, en die met hem waren, hebben, daar de Heere hen geleidde, de tempel en de stad wedergekregen. 2 En hebben de altaren, die door de vreemde heidenen op de markt opgebouwd waren, en bovendien ook de tempel van de afgoden weggenomen. 3 En als zij de tempel hadden gereinigd, hebben zij een ander altaar gemaakt, en als zij uit stenen vuur hadden geslagen, en het vuur daaruit hadden ontvangen, hebben zij offergave geofferd, na de tijd van twee jaren; en hebben het reukwerk, en de lampen, en de toonbroden verzorgd. 4 Dit gedaan hebbende, baden zij de Heere, op hun buik neervallende, dat zij niet weer mochten vallen in zulke zwarigheden, maar als zij ook te eniger tijd kwamen te zondigen, dat zij door Hem met goedertierenheid mochten worden gekastijd, en niet de godslasterlijke en barbaarse heidenen overgegeven worden. 5 En de reiniging van de tempel gebeurde op dezelfde dag dat de tempel door de vreemde heidenen ontheiligd was, namelijk op de vijfentwintigste van de maand, die Chasleu is. 6 En zij vierden met vreugde acht dagen, naar de wijze van de loofhutten, herinnering hoe zij een korte tijd tevoren op het feest van de loofhutten, op de bergen en in de grotten, zoals de wilde beesten, in eenzaamheid geweest waren. 7 Daarom dragende ranken van wijngaarden en schone takken, en ook palmtakken, offerden zij lofzangen aan hem, die voorspoed had gegeven, dat deze zijn plaats zou gereinigd worden. 8 En maakten een besluit, door een algemeen gebod en toestemming voor het hele volk van de Joden, dat deze dagen alle jaren zouden gevierd worden. 9 En de uitgang van het leven van Antiochus, die toegenaamd was Epifanes, is dusdanig geweest. 10 Maar nu zullen wij verklaren wat onder Antiochus Eupator, de zoon van deze goddeloze, gebeurd is, kortelijk saamvattende de voortdurende ellende van de oorlogen. 11 Want deze, het koninkrijk ontvangen hebbende, stelde over zijn zaken een zekere Lysias, die de opperste veldoverste was over Celo-Syrië en Fenicië. 12 Want Ptolomeüs, die toegenaamd was Macron, willende liever voor de Joden het recht bewaren, vanwege het ongelijk dat gedaan was, trachtte wat hun aanging vreedzaam te bestellen. 13 Waarom hij door de vrienden bij Eupator beschuldigd zijnde, en dikwijls moetende horen dat hij een verrader was, omdat hij Cyprus, hem door Filometor toevertrouwd, verlaten had, en tot Antiochus Epifanes geweken was, en dat hij die edele macht niet zo voortreffelijk had bediend, zichzelf vergeven hebbende, heeft het leven verlaten. 14 En Gorgias, veldoverste geworden zijnde van die plaatsen, onderhield vreemde soldaten, en voerde steeds de oorlog tegen de Joden. 15 En tegelijk met hem ook de Idumeeën, welgelegen vestingen in hun macht hebbende, oefenden de Joden, en tot zich genomen hebbende degenen, die uit Jeruzalem gebannen waren, trachtten de oorlog te voeden. 16 En die met Makkabeüs waren, een biddag gehouden en God gebeden hebbende, dat Hij hen wilde helpen strijden, deden een aanval op de vestingen van de Idumeeën. 17 Die zij ook met geweld aantastende, de plaats vermeesterden, en verdreven allen die op de muren vochten, en sloegen dood allen die hen ontmoetten, en brachten niet minder dan twintigduizend man om. 18 En als er niet minder dan negenduizend gevlucht waren in twee torens, die zeer sterk waren en wel voorzien van alles wat nodig was om een belegering te doorstaan, 19 Zo liet Makkabeüs, Simon en Jozef, en daarenboven Zacheüs, en velen met hem om deze belegering te doen, en hij week zelf naar de plaatsen, die meer nood hadden. 20 Maar die met Simon waren, geldgierig zijnde, lieten zich door sommigen, die in de torens waren, met geld omkopen, en zevenduizend drachmen ontvangen hebbende, lieten toe dat enige ontkwamen. 21 En als wat daar gebeurd was, de Makkabeeër geboodschapt was, verzamelde hij de oversten van het volk, en beschuldigde hen, dat zij hun broers voor geld hadden verkocht, daar zij de vijanden tot hun nadeel hadden losgelaten. 22 En heeft hen, daar zij verraders waren, omgebracht, en meteen die twee torens ingenomen. 23 En door de wapenen, die hij in handen had, alleszins voorspoedig zijnde, bracht hij in die twee vestingen om meer dan twintigduizend mensen. 24 En Timotheüs, die tevoren door de Joden overwonnen was, verzameld hebbende een zeer grote menigte van vreemde soldaten, en bijeengebracht hebbende de ruiters, die van Azië waren, niet weinig in getal, kwam aanrukken, alsof hij Judea met de wapenen zou innemen. 25 Die met Makkabeüs waren, als hij met hen naderde tot het gebed van God, aarde op hun hoofden strooiende, en hun lendenen met zakken omgordende, 26 En neervallende op de rand, die tegenover het altaar is, baden dat hij hun wilde genadig zijn, en dat hij vijandig zou willen zijn tegen hun vijanden, en degenen tegenstaan die hen tegenstonden, zoals de wet verklaart. 27 Als zij van het gebed gekomen waren, namen zij de wapenen, en trokken ver van de stad, en als zij de vijanden naderden, bleven zij stil staan. 28 En als de zon opgegaan was, leverden zij met elkaar slag; deze hadden tot een waarborg van de voorspoed en overwinning met de kloekmoedigheid, de toevlucht tot de Heere, en anderen stelden daartegen hun moed tot een overste van de strijd. 29 Als er nu een zeer hevige strijd was, zijn de vijanden uit de hemel verschenen vijf voortreffelijke mannen, zittende op paarden met gouden tomen, en twee van hen waren leidslieden van de Joden. 30 Deze nemende Makkabeüs midden tussen hen, beschermden hem met hun wapenen, en bewaarden hem dat hij niet gewond werd, en wierpen op de vijanden pijlen en bliksemen, waardoor ze door blindheid in verwarring gebracht zijnde, geslagen en met verbaasdheid vervuld werden. 31 En er werden verslagen twintigduizendenvijfhonderd man te voet en zeshonderd ruiters. 32 En Timotheüs zelf vluchtte in een zeer wel bezette vesting, genoemd Gazara, waar Cherea de overste was. 33 Die met Makkabeüs waren, kloekmoedig zijnde, belegerden de vesting vierentwintig dagen. 34 En die daar binnen waren, vertrouwende op de vastheid van de plaats, lasterden bovenmate zeer, en wierpen gruwelijke woorden uit. 35 En als de vijfentwintigste dag begon aan te lichten, zo hebben enige jongemannen, die met Makkabeüs waren, in hun gemoed ontstoken zijnde door de Godslasteringen, op de muren aangevallen en zeer manmoedig en met een ontstoken gemoed allen die hun voorkwamen doodgeslagen. 36 En de anderen evenzo opklimmende in de omgang tot hen, die binnen waren, staken de torens in brand, en vuren ontstoken hebbende, verbrandden al die godslasteraars levend. 37 En de anderen verbraken de poorten; en weer anderen, slagorde ingelaten hebbende, namen de stad in, en zij sloegen Timotheüs, verscholen in een kuil, en zijn broer Chereas en Apollofanes. 38 En deze dingen verricht hebbende, dankten zij met lofzangen en dankzeggingen de Heere, die Israël zo grote weldaad had bewezen, en die hun deze overwinning gegeven had. ### 2 Makkabeeën 11 1 En een zeer korte tijd daarna, Lysias, de hofmeester van de koning en bloedverwant, en die over de zaken van de koning gesteld was, zich zeer ontevreden houdende over wat gebeurd was, 2 En verzameld hebbende ongeveer tachtigduizend man voetvolk, en de hele ruiterij, trok op tegen de Joden, voorgenomen hebbende de stad te maken tot een woonplaats van de heidenen; 3 En de tempel tot geldgewin te gebruiken, zoals de andere tempels van de heidenen, en het hogepriesterschap alle jaren voor geld te verkopen, 4 In geen geval overleggende de macht Gods, maar hoogmoedig zijnde op zijn vele duizenden te voet, en duizenden te paard, en de tachtig olifanten, 5 Kwam in Judea, en naderde Bethsura, zijnde een vaste plaats, gelegen van Jeruzalem ongeveer vijf stadiën en hij benauwde het. 6 En als die met Makkabeüs waren verstonden, dat hij hun vestingen belegerd had, zo baden zij en de menigten, met kermen en tranen de Heere, dat Hij een goede engel wilde zenden tot behoud van Israël. 7 En Makkabeüs zelf nam eerst de wapenen op, en vermaande de anderen, dat zij met hem zich in gevaar wilden begeven, om hun broers te hulp te komen. 8 En zij deden gezamenlijk een kloekmoedige aanval; en als zij nog bij Jeruzalem waren, is hun een te paard zittende verschenen, die hun voorreed, in witte kleding, en zijn gouden wapenrusting schuddende. 9 En allen prezen de barmhartige God eendrachtig, en werden in hun zielen zeer gesterkt, bereid zijnde niet alleen de mensen, maar ook de allerwildste dieren, en ijzeren muren te doorsteken. 10 En zij trokken in slagorde, hebbende één uit de hemel, die hen zou helpen vechten, daar God zich over hen ontfermde. 11 En als leeuwen op hun vijanden aanvallende, hieuwen zij daarvan terneder elfduizend voetknechten, en duizendenzeshonderd ruiters; 12 En al de anderen dwongen zij te vluchten, en velen van hen gewond zijnde ontkwamen naakt, en Lysias, zelf met schande vluchtende, ontkwam het ook. 13 En daar hij niet dwaas was, bij zichzelf overleggende de nederlaag die hem gebeurd was, en verstaande dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, omdat de alvermogende God met hen streed, zo zond hij aan hen, 14 En verzekerde hun, dat hij op alle redelijke voorwaarden met hen wilde handelen, en dat hij daarom ook de koning zou bewegen, ja noodzaken hun vriend te worden. 15 Makkabeüs nu, zorgdragende voor wat raadzaam was, stond toe al wat Lysias verzocht, want al wat Makkabeüs aan Lysias bij geschrift had overgegeven voor de Joden, dat stond de koning toe. 16 Want de brieven van Lysias aan de Joden geschreven, waren van deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed. 17 Johannes en Absalom, die door u afgezonden zijn, als zij de ondergeschreven antwoorden overgegeven hadden, hebben verzocht dat wij zouden inwilligen wat daarin te kennen gegeven wordt. 18 Zo heb ik dan al wat aan de koning moest gebracht worden, hem verklaard, die al wat behoorlijk was toegestaan heeft. 19 Daarom, als u de goedgunstigheid tot onze zaken zult behouden, zo zal ik ook voortaan trachten om een oorzaak te zijn van uw welvaren. 20 Maar van deze dingen in het bijzonder heb ik last gegeven zo aan deze, als aan mijn afgezondenen, om u het te verklaren. 21 Vaart wel in het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag van de maand van Jupiter Corinthius. 22 En de brief van de koning was van deze inhoud: De koning Antiochus wenst zijn broer Lysias voorspoed. 23 Nadat onze vader tot de goden opgenomen is, wij willende dat degenen, die in ons koninkrijk zijn, buiten alle onlusten hun eigen zaken mogen verzorgen; 24 Gehoord hebbende, dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waardoor hij hen wilde brengen tot de Griekse wijze van godsdienst, maar dat zij hun eigen wijze liever willen volgen, en daarom verzoeken dat hun toegelaten worde hun eigen wetten te mogen volgen; 25 Zo is het, dat wij goedgevonden hebben dat dit volk ook buiten de onrust zal zijn, en bevelen, dat hun de tempel zal worden wedergegeven, en dat zij voortaan wandelen mogen naar de gebruiken van hun voorouders. 26 U zult dan weldoen, dat u tot hen zendt, hun gevende de rechterhand, opdat zij ons goedvinden wetende, goedsmoeds mogen zijn, en met vreugde hun eigen dingen mogen verrichten. 27 En de zendbrief van de koning aan het Joodse volk was dusdanig: De koning Antiochus wenst de raad van de Joden, en al de andere Joden, voorspoed. 28 Zo u welvarend bent, dat zal zijn zoals wij willen; wij zijn in goede gezondheid. 29 Menelaüs heeft ons verklaard, dat u begeert, wedergekomen zijnde, uw eigen zaken te plegen. 30 Degenen dan, die tot ons afgekomen zijn tot de dertigste dag van de maand van Xanthicus, zal de rechterhand gegeven worden met alle verzekerdheid. 31 Dat de Joden gebruiken mogen hun eigen spijzen en wetten, zoals van tevoren, en dat niemand van hen op enigerlei wijze moeite zal aangedaan worden, om van wat onvoorzichtig zou mogen gedaan zijn. 32 Ik heb ook Menelaüs aan u gezonden, om u te troosten. 33 Vaartwel. De vijftiende dag van de maand van Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. 34 De Romeinen hebben ook een zendbrief aan hen geschreven, van deze inhoud: Quintus Memmius, en Titus Manlius, gezanten van de Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed. 35 Wat Lysias, de bloedvriend van de koning, u toegestaan heeft, dat vinden wij ook goed. 36 Maar voor wat betreft wat hij goedgevonden heeft tot de koning te brengen, zendt meteen iemand die daarover mag handelen, opdat wij mogen verklaring doen van wat u dienstig is. Want wij trekken naar Antiochië. 37 Daarom spoedt u, en zendt enige, opdat wij ook mogen weten hoe u gezind bent. 38 Vaart wel. De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig. ### 2 Makkabeeën 12 1 En als deze verbonden zo gemaakt waren, zo vertrok Lysias naar de koning en de Joden begaven zich om het land te bouwen. 2 Maar de oversten van die plaatsen, Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en bovendien ook Hieronymus, en Demofon, en naast deze Nicanor, overste van Cyprus, lieten hun niet toe, dat zij in rust mochten blijven, en hun dingen in stilte doen. 3 En die van Joppe bedreven aan de Joden dit schelmstuk. Zij baden de Joden, die bij hen woonden, dat zij met vrouwen en kinderen met hen zouden gaan in enige schuiten door hen besteld, alsof daar geen vijandschap tegen hen ontstaan was. 4 En als zij, volgens het algemeen besluit van de stad, dit aannamen, als die in vrede wilden leven, en geen kwaad vermoeden hadden, nadat zij in zee gevaren waren, hebben die van Joppe hen in de zee verdronken, zijnde niet minder dan tweehonderd. 5 En Judas, verstaande dat deze wreedheid tegen zijn landslieden begaan was, gebood de mannen, die bij hem waren, de wapenen op te nemen; en God aanroepende tot een rechtvaardige rechter, 6 Trok heen tegen de moordenaars van de broers, en stak bij nacht de haven in brand, en verbrandde de schuiten, en doorstak hen, die daar gevlucht waren. 7 En als de plaats ingesloten was, zo vertrok hij, als die weer zou komen, en de hele burgerschap van Joppe uitroeien. 8 Als hij verstaan had, dat die van Jamnia ook op dezelfde wijze wilden handelen met de Joden, die bij hen woonden, 9 Zo overviel hij die van Jamnia in de nacht, en verbrandde hun haven en vloot, zodat het licht van de vlam gezien werd tot Jeruzalem toe, zijnde tweehonderdenveertig stadiën ver. 10 En als zij vandaar vertrokken waren negen stadiën, en hun reis tegen Timotheüs maakten, zo zijn de Arabieren, sterk zijnde niet minder dan vijfduizend te voet, en vijfhonderd ruiters, hem aangevallen; 11 En als er een hevig gevecht gebeurde, en die met Judas waren, door de hulp, die van God kwam, voorspoedig vochten, zo baden de Nomaden van Arabië, overwonnen zijnde, dat Judas hun wilde de rechterhand geven, belovende dat zij hem hun vee geven zouden, en hun bevorderlijk zijn in alles. 12 En Judas, achtende dat zij hem werkelijk in vele zaken zouden dienstig zijn, heeft toegestaan dat men vrede met hen zou maken; en als zij de rechterhand ontvangen hadden, zijn zij vertrokken in hun tenten. 13 En hij ondernam ook een brug te slaan tegen een sterke stad, die met muren omsingeld was, en die van allerlei volk, ondereen gemengd, bewoond werd, met de naam Caspin. 14 Maar die van binnen vertrouwende op de vastheid van haar muren, en de voorraad van proviand, gedroegen zich onachtzaam, scheldende die met Judas waren en daarenboven hen lasterende, en sprekende onbehoorlijke dingen. 15 Maar die met Judas waren, aanroepende de grote prins van de wereld, die zonder stormrammen en andere instrumenten van geweld, de muren van Jericho ternedergeworpen heeft, ten tijde van Jozua, vielen aan op de muren als wilde mensen. 16 En de stad door Gods wil ingenomen hebbende, doodden zij een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer, dat daarbij lag, de breedte hebbende van twee stadiën, van bloed scheen te vloeien, en daarmee vervuld te zijn. 17 En als zij vandaar zevenhonderdenvijftig stadiën voortgetrokken waren, kwamen zij in Charax tot de Joden, genoemd Tubianen. 18 En zij vonden Timotheüs niet in die plaatsen; en toen van die plaatsen, zonder iets uitgericht te hebben, vertrokken zijnde, heeft hij een bezetting gelaten in zekere plaats, die zeer sterk was. 19 Dositheüs en Sosipater, zijnde van de oversten van degenen die met Makkabeüs waren, uittrekkende, vernielden van degenen, die van Timotheüs daar gelaten waren in de vesting, meer dan tienduizend man. 20 En Judas Makkabeüs, zijn leger in slag-orden gesteld hebbende, bij hopen, stelde hen over die hopen, en viel op Timotheüs aan, die bij zich had honderdentwintigduizend te voet, en tweeduizendvijfhonderd te paard. 21 Timotheüs nu, vernemende de komst van Judas, zond tevoren weg al de vrouwen en kinderen, en al de bagage naar een plaats genoemd Karnion, want deze plaats was moeilijk te belegeren en bij te komen, om de engte van al die plaatsen. 22 Als nu de eerste hoop van Judas zich vertoonde, en een verbaasdheid over de vijanden kwam door de verschijning van degene, die alle dingen ziet, zo begaven zij zich met een geluid op de vlucht, de ene herwaarts, en de andere daarheen vluchtende, zodat zij dikwijls door hun eigen volk gekwetst, en door de scherpte van de zwaarden doorstoken werden. 23 En Judas vervolgde hen heftig, en doorstak deze booswichten, en vernielde van hen dertigduizend man. 24 En Timotheüs zelf, als hij gevallen was in de handen van Dositheüs en Sosipater, bad met grote bedriegelijkheid, dat men hem bij het leven wilde behouden en loslaten, omdat hij velen van hun ouders en hun broers had, en het gebeuren zou dat men anders op hen geen acht zou hebben. 25 En als hij met vele woorden zijn toezegging verzekerd had, namelijk dat hij ze zonder enige hinder leveren zou, zo hebben zij hem losgelaten, om de behoudenis van de broers. 26 En Judas vandaar trekkende naar Karnion en Atergation, heeft daar vijfentwintigduizend man doodgeslagen. 27 En na de vlucht en nederlaag van deze, heeft hij ook zijn leger gebracht voor Efron, een sterke stad, waarin een grote menigte van allerlei volk woonde; de dappere jongemannen, staande voor de muren, vochten zeer kloek, en daar was een grote voorraad van instrumenten en pijlen. 28 Maar zij, aanroepende God de prins, die met kracht van de vijanden macht verbreekt, hebben de stad ingenomen en onderdanig gemaakt, en sloegen van degenen, die daarin waren, tot vijfentwintigduizend. 29 En vandaar optrekkende, begaven zij zich naar de stad Scythopolis, gelegen van Jeruzalem zeshonderd stadiën. 30 Maar als de Joden, die daar woonden, getuigden van de goedgunstigheid, die de burgers van Scythopolis hun toegedragen hadden, en hoe beleefd zij hen hadden bejegend in tijden van tegenslag. 31 Zo dankten zij hen, en vermaanden hen, dat zij ook voortaan hun volk goedgunstig zouden zijn, en als het wekenfeest aanstaande was, zijn zij te Jeruzalem wedergekomen. 32 En als het feest, genoemd Pinksteren, voorbij was, zo trokken zij op tegen Gorgias, de veldoverste van Idumea. 33 En trokken uit met drieduizend te voet, en vierhonderd ruiters. 34 En als zij tegen hem streden, gebeurde het dat er weinigen van de Joden vielen. 35 En een zekere Dositheüs, een ruiter van die van Bakenor, een kloek man, had Gorgias vast, en hem bij zijn rok vattende, leidde hem kloek heen; en als hij deze levend wilde vangen, zo kwam daar een vervloekt mens van de Thracische ruiters op hem aanvallen, en zijn schouder afhouwende, ontvluchtte Gorgias naar Marisa. 36 En als degenen, die bij Esdrin waren, lang vochten, en vermoeid waren, zo riep Judas de Heere aan, dat Hij als een medestrijder en een voorganger in de strijd wilde verschijnen; 37 En beginnende in zijn vaderlijke taal een geroep met lofzangen, viel hij onverwachts op de soldaten van Gorgias, en dreef hen op de vlucht. 38 En Judas, zijn soldaten bijeen verzameld hebbende, kwam in de stad Odollam; en daar de zevende dag hun overkwam, hebben zij, naar gewoonte geheiligd zijnde, daar de sabbat doorgebracht. 39 En de volgende dag, kwamen degenen die met Judas waren, ongeveer de tijd als het nodig is dat te doen, om de lichamen van degenen die gevallen waren weg te nemen, en met hun bloedvrienden te stellen in de graven van hun vaders. 40 En zij vonden onder de rokken van een ieder van de doden enige dingen, die aan de afgoden van Jamnia geheiligd waren, wat de wet de Joden verbiedt; en het werd een ieder openbaar, dat zij om deze oorzaak gevallen waren. 41 Zo hebben zij dan allen de Heere, de rechtvaardige rechter, die alle verborgen dingen openbaar maakt, geprezen. 42 En tot het gebed gekeerd zijnde, baden zij dat de zonde, die daar begaan was, volkomen mocht uitgewist worden; en de kloekhartige Judas vermaande de menigte, dat zij zich wilden bewaren, dat zij zonder zonde mochten zijn, als die voor hun ogen hadden gezien wat gebeurd was, vanwege de zonden van degenen, die gevallen waren. 43 En enige voorraad gemaakt hebbende uit een hoofdschatting, van tweeduizend drachmen zilver, zond die naar Jeruzalem om offergave te doen voor de zonde; geheel wel en edel doende, daar hij dacht aan de opstanding. 44 (Want als hij niet had verwacht, dat degenen die gevallen waren, weer zouden opstaan, zo zou het tevergeefs en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden) 45 Daarbenevens dat hij beschouwde dat degenen, die godzalig ontslapen zijn, een zeer schone genade weggelegd is. 46 Een heilige en godzalige gedachte! Waarom hij voor de gestorvenen de verzoening deed, opdat zij van de zonden zouden ontslagen worden. ### 2 Makkabeeën 13 1 In het honderdnegenenveertigste jaar kwam aan degenen die bij Judas waren ter ore, dat Antiochus Eupator met grote menigte aankwam tegen Judea. 2 En met hem Lysias, zijn hofmeester en die over zijn zaken gesteld was, een ieder hebbende een Griekse macht van honderdentienduizend te voet, en vijfduizendendriehonderd ruiters, en tweeëntwintig olifanten, en driehonderd wagens met zeisen gewapend. 3 En bij deze voegde zich ook Menelaüs, die Antiochus met veel schimpen vermaande, niet om het welvaren van het vaderland, maar omdat hij meende, dat hij in het oppergezag zou gesteld worden. 4 Maar de Koning van de koningen verwekte het gemoed van Antiochus tegen deze booswicht, en als Lysias betoonde dat hij oorzaak was van al dit kwaad, zo gebood hij dat men hem zou brengen naar Berea, om daar omgebracht te worden, zoals het gebruikelijk was in die plaats. 5 Daar was in die plaats een toren, vijftig ellen hoog, vol as; in deze was een rond instrument, waarvan men aan alle kanten afviel in de as. 6 Zij stootten daarvan af een ieder, die aan kerkroof schuldig was, of die anders enig ander bijzonder kwaad gedaan had, dat hij omkwam. 7 Met zulk een dood gebeurde het dat deze goddeloze Menelaüs stierf, en de aarde niet mocht bekomen. 8 En dat zeer rechtvaardig, want hij had vele zonden gedaan tegen het altaar, waar het heilig vuur was, en de as, en daarom heeft hij zijn dood in de as gevonden. 9 En de koning door deze gedachten een barbaars gemoed gekregen hebbende, kwam om de Joden veel meer kwaad te doen, als hun ooit in de tijd van zijn vader gebeurd was. 10 Maar Judas, dit vernemende, gebood het volk, dat zij dag en nacht de Heere zouden aanroepen, dat Hij, zo Hij ooit of immer, nu wilde te hulp komen degenen die in gevaar waren van de wet, en van hun vaderland, en van de heilige tempel te verliezen; 11 En dat hij het volk, dat nu een weinig adem had geschept, niet wilde laten vallen in de handen van de schandelijke heidenen. 12 Als zij dit allen gezamenlijk deden, en de barmhartige Heere baden, met klagen en vasten, voor hem zonder ophouden drie dagen neergevallen liggende, heeft Judas hen vermaand en geboden, dat zij zouden bij hem komen. 13 En hij, met de ouderlingen alleen zijnde, nam met hen raad, voordat de soldaten van de koning in Judea zouden invallen, en zij de stad zouden bemachtigen, dat zij hem zouden tegentrekken, en dat zij de zaken zouden wagen, steunende op de hulp van de Heere. 14 Hij dan, de zorg bevolen hebbende aan de schepper van de wereld en vermaand hebbende degenen die met hem waren, dat zij kloekmoedig tot de dood toe wilden strijden voor de wetten, tempel, stad, vaderland en regering sloeg ongeveer Modin zijn leger op. 15 En zijn volk tot leus gegeven hebbende: VAN GOD IS DE OVERWINNING, is hij met enige van de beste en uitgelezen jongemannen bij nacht, bij het hof van de koning, aangevallen op het leger, en heeft ongeveer tweeduizend man verslagen, en heeft daarbij geveld de voornaamste olifant, met de menigte van degenen, die daar in het huis waren. 16 En eindelijk het leger met vrees en verwarring vervuld hebbende, zijn zij met voorspoed vertrokken. 17 En dit was gebeurd als de dag aanlichtte, door de bescherming van de Heere, die hem hielp. 18 De koning nu, een proef gekregen hebbende van de onverschrokkenheid van de Joden, beproefde de plaatsen met list te bemachtigen. 19 En als hij kwam tegen Bethsura, een sterke bezetting van de Joden, werd hij op de vlucht gebracht, gestuit en verminderd. 20 En Judas zond aan degenen, die daar binnen waren, wat zij nodig hadden. 21 En Rodocus, een van de Joodse soldaten, boodschapte de geheime zaken aan de vijanden, waarom hij gezocht, gegrepen en in de gevangenis gesloten is. 22 De koning hield voor de tweede keer overleg met die van Bethsura, en de rechterhand gegeven en ontvangen hebbende, vertrok. 23 En slag leverende met degenen die met Judas waren, ontving hij de nederlaag. En als hij vernomen had dat Filippus, die hij te Antiochië gelaten had om zijn zaken te doen, afgevallen was, is hij verslagen geworden; en de Joden gebeden hebbende, onderwierp hij zich aan hen, en zwoer hun op alle redelijke voorwaarden; en met hen verenigd zijnde, offerde hij offergaven, en vereerde de tempel, en betoonde aan de plaats grote eer. 24 En omhelsde Makkabeüs, en benoemde hem tot een opperste veldoverste, van Ptolomaïs af tot de Gerzenen. 25 En als hij te Ptolomaïs gekomen was, waren die van Ptolomaïs zeer ontevreden over de verbonden, want zij namen het zeer kwalijk dat zij de verbonden wilden verbreken. 26 Maar Lysias, klimmende op de rechterstoel, verantwoordde dat op gepaste wijze, en stelde hen tevreden, en stilde hen, en maakte hen goedgunstig, zodat hij vertrekken kon naar Antiochië. En zo is het gegaan met de aankomst en vertrek van de koning. ### 2 Makkabeeën 14 1 Na de tijd van drie jaar gebeurde het, dat Demetrius, de zoon van Seleucus, in de haven van Tripolis was ingevaren, met een sterke menigte en vloot; 2 En dat hij dat land bemachtigde, nadat hij Antiochus en zijn hofmeester Lysias had omgebracht. 3 En een zekere Alcimus, die tevoren hogepriester was geweest, en zichzelf vrijwillig besmet had in de tijden van de vermenging, overleggende dat voor hem in geen enkele wijze behoud was, en dat hij geen toegang meer zou mogen hebben tot het heilig altaar, 4 Kwam tot de koning Demetrius, in het honderdeenenvijftigste jaar, hem brengende een gouden kroon, en een palmtak en bovendien ook enige takken, die men meende van de tempel te zijn, en hield zich stil op die dag. 5 En gelegen tijd verkregen hebbende om zijn dwaasheden uit te voeren, geroepen zijnde door Demetrius in de raad, en gevraagd zijnde naar de toestand en het voornemen van de Joden, 6 Zei daarop: Die onder de Joden genoemd worden de Asideeën, van wie Judas Makkabeüs de overste is, die voeren steeds oorlogen en verwekken oproeren, en laten niet toe dat het koninkrijk een goede stand verkrijgt. 7 Waarom ik, beroofd zijnde van de heerlijkheid van mijn voorouders, namelijk van het hogepriesterschap, ben nu hier gekomen: 8 Als eerste omdat ik het oprecht meen met de zaken, die de koning aangaan, en ten tweede opdat ik mijn eigen burgers een dienst zou doen, want door de onredelijkheid van degenen, waarvan tevoren gesproken is, lijdt ons hele geslacht geen kleine zwarigheid. 9 Daarom u, o koning, dit alles verstaan hebbende, wil zorgdragen zowel voor het land als voor ons geslacht dat rondom bezet is, naar uw bekende goedertierenheid, die u allen bewijst. 10 Want zo lang als Judas zal leven, is het onmogelijk dat de zaken tot vrede gebracht worden. 11 En als deze dingen door hem gezegd waren, hebben de andere vrienden van de koning, die tegen Judas kwalijk gezind waren, gemakkelijk Demetrius nog meer ontstoken. 12 En hij riep meteen Nicanor, die over de olifanten gesteld was, en hem gemaakt hebbende tot overste over Judea, zond hem daarheen; 13 Hem brieven gevende, dat hij Judas zou ombrengen, en degenen die met hem waren verstrooien, en dat hij Alcimus zou stellen tot hogepriester van de grootste tempel. 14 En de heidenen, die voor Judas uit Judea waren gevlucht, vermengden zich als kudden met Nicanor, achtende dat van de Joden tegenslag en ellenden hun eigen voorspoed zou zijn. 15 En de Joden verstaan hebbende de aankomst van Nicanor, en dat de heidenen zich bij hem voegden, strooiden aarde op hun hoofden, en baden hem, die tot in eeuwigheid zijn volk had bevestigd, en die altijd zijn erfdeel met verschijning heeft aangenomen. 16 En als de overste bevel gegeven had, trok het leger meteen van daar, en leverde slag bij de plaats Dessau. 17 En Simon, de broer van Judas, sloeg Nicanor, en werd een weinig verbaasd daarover, dat de vijanden zo spoedig waren verdwenen. 18 Evenzo Nicanor, horende wat dapperheid degenen hadden die met Judas waren, en wat voorspoed zij hadden als zij streden voor hun vaderland, zo vreesde hij het te wagen door een slag. 19 Daarom zond hij Posidonius, en Theodotus, en Mattathias, om de rechterhand te geven en te ontvangen. 20 En als hierover vele raadplegingen gehouden werden, en de overste aan de menigte de zaak had medegedeeld, en als het bleek dat de stemmen eenparig waren, zo stonden zij de verbonden toe. 21 En zij stelden een dag, waarop zij in het bijzonder zouden komen op een plaats, en van beide zijden werd er een stoel gebracht en men zette de stoelen bijeen. 22 En Judas stelde enige, die in de wapenen waren, op geschikte plaatsen, om gereed te zijn, opdat van de vijanden niet te eniger tijd onvoorziens een schelmstuk zou gebeuren; en zo hebben zij een gevoegelijke samenspreking gehad. 23 En Nicanor verkeerde te Jeruzalem, en hij deed niets ongerijmds, en hij dankte de menigten af, die bij menigten tot hem verzameld waren. 24 En hij hield Judas zeer in waarde, van harte tot de man geneigd zijnde. 25 En hij vermaande hem, dat hij een huisvrouw zou trouwen en kinderen winnen; en hij trouwde, en leefde in stilheid en leidde een gewoon leven. 26 Alcimus nu, ziende de goedwilligheid van de enen tegen de ander, en de verbonden die zij gemaakt hadden, zo nam hij deze en vertrok naar Demetrius, en zei dat Nicanor dingen voorhad die vijandig waren aan de zaken van de koning; want, zei hij, hij heeft Judas, die het koninkrijk hinderlagen legt, bestemd dat hij in zijn plaats zal komen. 27 De koning zeer boos geworden en door de laster van deze grote booswicht opgeruid zijnde, schreef aan Nicanor, zeggende, dat hij deze verbonden zeer kwalijk nam; en gebood dat men Makkabeüs meteen gevangen zou zenden naar Antochië. 28 Als nu Nicanor deze dingen ter ore gekomen waren, is hij zeer verbaasd geworden, en nam het zeer kwalijk, dat hij de verbonden moest teniet doen; daar de man geen onrecht gedaan had. 29 En daar het niet doenlijk was de koning tegen te staan, zo nam hij een gelegen tijd waar, om het met een krijgslist te volbrengen. 30 Maar Makkabeüs, bemerkende dat Nicanor met hem strenger handelde, en dat hij in de gewone omgang onvriendelijker was; en achtende dat deze strengheid niet uit de beste oorzaak voortkwam, verzameld hebbende niet weinigen van de zijnen, heeft zich voor Nicanor verborgen. 31 De andere nu, merkende dat hij door de man met een behendige krijgslist bedrogen was, ging naar de grootste en heiligste tempel, als de priesters de behoorlijke offergaven opofferden, en gebood hun, dat zij hem de man zouden uitleveren. 32 En als zij met ede verklaarden, dat zij niet wisten waar hij was, die gezocht werd, zo heeft hij, zijn hand uitstrekkende naar de tempel, dit gezworen: 33 Als u mij Judas niet gevangen overlevert, zo zal ik deze tempel van God tot een vlak veld maken en ik zal het altaar ondergraven, en zal daar weer bouwen een glorierijke tempel ter ere van Bacchus. 34 En als hij zulke dingen gezegd had, is hij weggegaan, maar de priesters hun handen naar de hemel uitstekende, riepen hem aan die altijd geweest was een voorvechter van ons volk, dit zeggende: 35 U, o Heere van allen, die geen ding nodig hebt, U hebt gewild dat de tempel van Uw woning bij ons zou zijn. 36 Nu dan, o U heilige Heere aller heiligmaking, bewaar in eeuwigheid onbesmet dit huis, dat onlangs gereinigd is. 37 En een zekere Razis, van de ouderlingen te Jeruzalem, een man die de stad en burgers liefhad, en die van een zeer goede naam was, en vanwege zijn goedertierenheid een vader van de Joden was genoemd, werd beschuldigd bij Nicanor. 38 Want in de voorgaande tijden werd hij geoordeeld, dat hij een oprecht Jood was, en hij had zijn lichaam en ziel gesteld voor het Jodendom, met alle standvastigheid. 39 Nicanor nu willende openbaar maken de vijandschap, die hij had tegen de Joden, zond over de vijfhonderd soldaten om hem te vangen. 40 Want hij meende, als hij hem zou gevangen hebben, dat hij de Joden daarmee groot leed zou doen. 41 Maar als de menigte de toren zou innemen, en geweld deden op de deur van het voorhof, en als hun geboden werd dat zij vuur zouden brengen, en de deuren in brand steken, als hij nu rondom bezet was, heeft hij zichzelf met het zwaard doorstoken; 42 Willende liever kloekmoedig sterven, dan vallen in de handen van deze schelmen, en smaad lijden, die zijn eerlijk geslacht onbetamelijk was. 43 En als hij, door al te grote haast van de strijd, de steek niet recht gegeven had, en de menigten door de deuren binnenvielen, zo liep hij kloekmoedig op de muur, en wierp zichzelf mannelijk van de steilte af op de menigten, 44 Die meteen achteruit wijkende en plaats makende, kwam hij in het midden te vallen op zijn buik. 45 En als hij nog ademhaalde, en in zijn gemoed zeer ontstoken was, stond hij op, zijn bloed als een fontein vloeiende, en zeer zwaar gewond zijnde, kwam met een loop door de menigten heen. 46 En staande op een steile steenrots, en zijnde nu geheel zonder bloed geworden, trok hij zijn ingewanden uit, en die met beide handen nemende, wierp hij ze onder de menigten; en aanroepende de Heere van leven en geest, dat Hij hem die wilde wedergeven, zo is hij op deze wijze gestorven. ### 2 Makkabeeën 15 1 Nicanor, nu verstaande dat degenen die met Judas waren, zich onthielden in de plaatsen van Samarië, heeft raad genomen, dat hij hen op de rustdag met alle zekerheid zou overvallen. 2 En als de Joden, die hem uit nooddwang volgden, tot hem zeiden: Wil hen in geen geval zo wreed en barbaars ombrengen, maar wil die dag, die vroeger met heiligheid geëerd is door hem, die alle dingen aanziet, in ere houden, 3 Zo vroeg deze schelmachtigste mens, of daar ook een Heere in de hemel was, die geboden zou hebben, dat men de dag van de sabbat zou houden. 4 En als deze antwoordden: Daar is een Heere die leeft, deze is in de hemel een machtig prins, die gebeden heeft dat men de zevende dag zal vieren. 5 En de ander zei: Ik ben ook een machtig prins op de aarde, die u gebied de wapenen te nemen, en de diensten van de koning te volbrengen. En toch kon hij zijn ellendigen raadslag niet uitvoeren. 6 En deze Nicanor, met alle trots zijn hals opstekende, had gedacht een algemeen teken van overwinning over degenen, die met Judas waren, op te richten. 7 Maar Makkabeüs vertrouwde zonder ophouden met alle hoop, dat hij hulp zou krijgen van de Heere. 8 En vermaande degenen die met hem waren, dat zij de aankomst van de heidenen niet zouden vrezen, maar dat zij in herinnering zouden houden de hulp, die hun telkens van de hemel toegekomen was, en nu van de Almachtige de overwinning verwachten, die Hij hun zou geven. 9 En hen getroost hebbende uit de wet en de profeten, en hun ook in herinnering brengende de gevaren, die zij reeds hadden uitgestaan, zo heeft hij hen bemoedigd. 10 En hen in hun gemoederen opgewekt hebbende, heeft hen vermaand, en meteen getoond de ontrouw van de heidenen, en de overtreding van de eden. 11 En wapende zo een ieder van hen, niet zozeer met zekerheid van schilden en speren, als met terechtwijzing van goede woorden en hun daarbij verhaald hebbende een geloofwaardige droom, maakte hij hen allen samen zeer verheugd. 12 En zo was zijn visioen: dat Onias, die het hogepriesterschap had bediend, een eerlijk en goed man, eerbaar van omgang, van manieren zachtzinnig, en passend zijn rede voortbrengende, en die van kindsbeen af zich geoefend had in alle dingen, die tot de deugd behoren, dat deze de handen uitstak, en bad voor de vergadering van de Joden. 13 En dat zo ook verschenen was een man met grijs haar en heerlijk uitblinkende, en dat zijn uitnemendheid, die bij hem was, zeer was te bewonderen, en geheel voortreffelijk; 14 En dat Onias, antwoordende, zou gezegd hebben: Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broers liefheeft, en die veel bidt voor het volk en voor de heilige stad; 15 En dat Jeremia de rechterhand uitstekende, aan Judas een gouden zwaard gaf, en dit gevende daarbij zei: 16 Neem dit heilige zwaard, een geschenk van God, waarmee u de vijanden zult verwonden. 17 Zij dan vermaand zijnde door deze woorden van Judas, die zeer goed waren, en zeer krachtig om tot kloekmoedigheid aan te sporen, en de harten van de jongemannen manhaftig te maken, namen voor geen leger op te slaan, maar kloekmoedig aan te vallen, en met alle mannelijke dapperheid onder de vijanden vallende, het uiterste te wagen, daar de stad, en het heiligdom, en de tempel in gevaar waren. 18 Want het gevaar van huisvrouwen, en kinderen en ook van broers, en bloedverwanten, was bij hen in minder achting, maar de grootste en eerste vrees was voor de geheiligde tempel. 19 En degenen, die in de stad gelaten waren, hadden geen kleine benauwdheid; de slag, die onder de blote hemel zou gebeuren, hen ontroerende. 20 En als zij nu allen verwachtten dat het treffen zou aangaan, en de vijanden aanvielen, en hun leger in slagorde gesteld was, en de beesten op een geschikte plaats waren besteld, en de ruiterij bij de vleugels gesteld, 21 Zo heeft Makkabeüs, ziende de grote menigte, en de menigerlei toerusting van de wapenen, en de wildheid van de beesten, opheffende zijn handen naar de hemel, de Heere aangeroepen, die wonderlijke dingen doet, als die wist dat de overwinning niet verkregen wordt door de wapenen, maar dat ze van Hem gegeven wordt degenen, die Hij oordeelt dit waard te zijn. 22 En als hij bad, sprak hij deze woorden: U, o Heere, hebt Uw engel gezonden ten tijde van Hiskia, de koning van Juda, die in het leger van Sanherib gedood heeft tot honderdvijfentachtigduizend man. 23 En nu, U prins van de hemelen, wil Uw goede engel voor ons heenzenden, tot vrees en beving. 24 Dat door de grootte van Uw arm mogen geslagen worden degenen, die met godslastering gekomen zijn tegen Uw heilig volk. En met deze woorden heeft hij opgehouden te bidden. 25 Degenen nu, die met Nicanor waren, kwamen aan met trompetten en triomfliederen. 26 Maar die met Judas waren, vielen onder de vijanden met aanroeping en gebeden. 27 En zij vechtende met de handen, maar met hun harten tot God biddende, sloegen niet minder dan vijfendertigduizend man, enorm verheugd zijnde over deze verschijning van God. 28 En als zij uit deze nood gered waren, en met vreugde aftrokken, zo verstonden zij dat Nicanor tevoren gevallen was met zijn wapenrusting. 29 En een groot geroep en getier daar gemaakt zijnde, prezen zij de Heere, in hun vaderlijke taal. 30 En hij, die alleszins de eerste voorvechter is geweest van zijn medeburgers, met lichaam en ziel, die in zijn jaren de goedgunstigheid tegenover zijn eigen volk altijd bewaard had, heeft geboden dat men het hoofd van Nicanor, en zijn hand met de schouder zou afsnijden en te Jeruzalem brengen. 31 En als hij daar gekomen was, en samen geroepen had zijn volk, en de priesters, staande voor het altaar, zond hij heen naar degenen, die in de burcht waren. 32 En hun tonende het hoofd van de schelmachtige Nicanor, en de hand van deze godslasteraar, die hij uitgestrekt had tegen het heilige huis van de Almachtige, en die de hals had opgestoken, 33 En de tong van de goddeloze Nicanor afgesneden hebbende, zei hij, dat hij die bij stukken zou geven aan de vogels, en dat hij deze als beloningen van zijn dwaasheid tegenover de tempel zou ophangen. 34 En zij allen opziende naar de hemel dankten de glorierijke Heere, zeggende: Gezegend moet Hij zijn, die zijn plaats onbesmet heeft bewaard. 35 En hij hing het hoofd van Nicanor uit de burcht, om voor allen te zijn een bekend en openbaar teken van de hulp van de Heere. 36 En zij allen bepaalden met een algemeen besluit, dat zij deze dag in geen geval ongeëerd zouden laten; 37 Maar dat zij de dertiende dag van de twaalfde maand, die Adar genoemd wordt in de Syrische taal, zouden vieren, van de dag voor de feestdag van Mordechai. 38 Omdat dan de zaken van Nicanor zo afgelopen zijn, en van die tijden af de Hebreeën de stad in hun macht gehad hebben, zo zal ik ook hier mijn rede afbreken. 39 En als ik dit wel, en zoals het in een historie behoort, bijeen gesteld heb, dat is mijn wil geweest; maar als ik het slecht en onvolledig heb gedaan, dat is wat ik heb kunnen doen. 40 Want zoals het ongezond is wijn alleen te drinken, en ook evenzo water alleen, en zoals de wijn met water gemengd een zoete aangenaamheid geeft, en aangenaam is te drinken wijn met water gemengd, zo is ook een goed geschreven beschrijving van de historie aangenaam voor de oren van de lezers. En dit zij dan het einde. ## 3 Makkabeeën ### 3 Makkabeeën 1 1 Als de koning Filopator verstond van degenen die teruggekeerd waren, dat de plaatsen, die hij bezet had, hem door Antiochus ontnomen waren, zo heeft hij al zijn soldaten, zowel te voet als te paard, ontboden; 2 En nam zijn zus Arsinoë met zich, en spoedde zich naar de plaatsen langs Rafia gelegen, waar Antiochus en zijn soldaten hun leger hadden. 3 En een zekere Theodotus, trachtende de aanslag te voltooien, nam tot zich de beste uit de wapenen van Ptolomeüs, die hem tevoren betrouwd waren, en begaf zich in de nacht tot de tent van Ptolomeüs, opdat hij alleen hem zou ombrengen, en op die wijze een einde aan de oorlog maken. 4 Maar Dositheüs, genoemd de zoon van Drimylus, van geboorte een Jood, maar die daarna de wet verlaten had, en vervreemd was geworden van de vaderlijke voorschriften, had hem weggevoerd, en een onbeduidend mens in de tent in zijn plaats gesteld, en het gebeurde, dat deze zijn straf droeg. 5 En als er een bloedige slag gebeurde, en de zaken meer voorspoedig waren aan de zijde van Antiochus, zo ging Arsinoë ijverig toe, en bad de soldaten met gekerm en geween, met loshangend haar, dat zij zichzelf en haar kinderen, en vrouwen kloek te hulp zouden komen, en zij beloofde de overwinnaars ieder twee pond goud te geven. 6 En zo is het gebeurd, dat de vijanden in het gevecht hand aan hand vernield werden, en dat ook velen gevangen genomen werden. 7 En als Ptolomeüs de bedriegelijke aanslag overwonnen had, zo nam hij voor tot de naastgelegene steden te gaan, en hen te vermanen. En als hij dit gedaan, en de tempelen met gaven beschonken had, zo heeft hij zijn onderdanen moedig gemaakt. 8 Als nu de Joden enige uit de raad en uit de oudsten tot hem hadden afgezonden om hem te begroeten, en geschenken te brengen, en over wat gebeurd was hem geluk te wensen, gebeurde het dat hij temeer voornam ten spoedigste tot hen te reizen. 9 En als hij te Jeruzalem kwam, en de hoogste God had geofferd en gedankt, en wat verder op die plaats was gewend te gebeuren, gedaan had; 10 En als hij ook tot de heilige plaats kwam, en zich over de kunst en sierlijkheid ontzette, ja ook over de schone orde van de tempel verwonderde, zo nam hij voor en was van zins in het binnenste van de tempel in te gaan. 11 Maar als deze hem zeiden, dat dat niet betaamde, omdat het noch aan die van hun volk, noch aan al de priesters geoorloofd was daarin te gaan, maar alleen aan de hogepriester, de opperste van alle priesters, en dat maar eenmaal in het jaar, zo liet hij zich toch in geen geval bewegen. 12 Ja de wet, die hem voorgelezen werd, verachtende, hield hij in geen geval op zichzelf daar in te dringen, zeggende, dat hij daar moest ingaan; en hoewel zij van de eer beroofd zijn, zo behoort het toch mij niet te gebeuren; en hij vroeg, waarom niemand van die daar tegenwoordig waren hem verhinderd had, in de hele tempel in te gaan. 13 En een antwoordde: Het is onvoorzichtig gedaan en dat het iets kwaads beduidde. Als dat gebeurd is, zei de koning, om welke oorzaak zou ik dan niet geheel ingaan, hetzij hun lief of leed? 14 Maar als de priesters met hun geheel gewaad neervielen en de hoogste God baden, om hen in die aanstaande nood te willen helpen, en het geweld van de koning, die boos indrong, te bedwingen; als zij ook de tempel met geroep en geween vervulden, toen verschrikten degenen die hier en daar in de stad overgebleven waren en kwamen uitgelopen, denkende dat het iets verborgens was wat daar gedaan was. 15 Ook zijn de dochters, die in haar kamers besloten waren, met haar moeders uitgelopen, en bestrooiden het haar met stof, en lieten het hangen, en vervulden de straten met klagen en zuchten. 16 En die ook onlangs uitgelaten waren, verlieten niet alleen degenen, die bestemd waren om de koning tegemoet te gaan, maar ook haar passende schaamte, en zij maakten een onordentelijk geloop in de stad. 17 Ja daarenboven zowel moeders als voedstervrouwen verlieten de jonggeboren kindertjes hier en daar, sommigen in de huizen, sommigen op de straten, en zij liepen zonder ophouden te hoop in het hoogste van de tempel. 18 En daar was menigerlei gesmeek van degenen, die daarin samen gekomen waren, tegen wat onheilig door hem onderstaan werd. 19 Daarbenevens sommigen van de burgers verstoutten zich en wilden het niet toestaan; als hij eindelijk aanhield, en zijn voornemen dacht te volbrengen, riepen zij dat men de wapenen grijpen en mannelijk voor de vaderlijke wet sterven zou, en zij maakten aan die plaats een grote verbittering. 20 En als zij ternauwernood door de raad en de oudsten gestild waren, zo begaven zij zich weer tot dezelfde plicht van het gebed. 21 Het gemene volk nu was intussen, zoals tevoren, bezig met bidden, maar de oudsten, die om de koning stonden, beproefden alleszins zijn hoogmoedig gemoed van de voorgenomen opzet af te wenden. 22 Maar hij, zich verstoutende, en alles in de wind slaande, trad toe, en meende een einde te maken aan wat tevoren gezegd is. 23 Waarom degenen, die om de koning stonden, als zij dit zagen hebben zij zich omgekeerd, om met de onzen Hem aan te roepen, die alle kracht heeft, dat Hij in de tegenwoordige nood te hulp wilde komen, en deze onwettige en hoogmoedige daad niet gedogen. 24 En uit het zeer sterk, en moeilijk samen gebracht geschreeuw van het volk, ontstond een geroep dat niet was te vergelijken, 25 Want het scheen, dat niet alleen de mensen, maar ook de muren, ja de hele vloer een weerklank gaven, alsof zij allen de dood liever hadden dan de besmetting van die plaats. ### 3 Makkabeeën 2 1 Simon dan, de hogepriester, tegenover het binnenste van de tempel de knieën buigende, en de handen uitstrekkende tot de hemel, deed zulk een gebed: 2 O Heere, Heere, o Koning van de hemelen en Heerser van alle schepselen, U Heilige in het heiligdom, U enige Heerser, U Almachtige zie ons aan, die verdrukt worden door een onheilig en goddeloos mens, die zichzelf in onverschrokkenheid en sterkte verhovaardigt. 3 Want U, die alles geschapen, en macht over alle dingen hebt, U bent een rechtvaardig vorst, en die uit wrevel en hoogmoed iets doet, oordeelt U. 4 U hebt degenen die in vorige tijden onrechtvaardigheid bedreven, (onder wie ook de reuzen waren, die op hun sterkte en onverschrokkenheid vertrouwden) vernield, over hen brengende een onmetelijk water van de zondvloed. 5 U hebt de Sodomieten, toen zij allen trots werkten, en door hun boosheden zeer bekend waren, met vuur en zwavel verbrand, hen stellende tot een voorbeeld aan de komende eeuwen. 6 U hebt de trotse Farao, die Uw heilig volk Israël in dienstbaarheid gebracht had, met verscheidene en vele straffen beproefd, en Uw mogendheid zo bekend gemaakt. 7 Na welke straffen U Uw grote kracht bekend maaktet, en hem, toen hij Israël nastreefde met wagens en menigte van de volken, deed zinken in de diepte van de zee, maar die op U, die alle schepselen Heere bent, betrouwden, hebt U behouden daardoor gevoerd; die de werken van Uw handen erkennende, U de Almachtige geprezen hebben. 8 U hebt, o Koning, die de oneindige en onmetelijke aarde geschapen hebt, deze stad uitverkoren, en deze plaats geheiligd U ten naam, hoewel U geen ding behoeft; en hebt die verheerlijkt met een zeer heerlijke verschijning, die beroemd makende ter ere van Uw grote en dierbare naam. 9 En uit liefde tot het huis van Israël hebt U beloofd, als wij ons van U afkeerden, en ons enige benauwdheid zou mogen aangrijpen, en wij in deze plaats kwamen, en aanbaden, dat U ons gebed zou verhoren. 10 Nu werkelijk, U bent getrouw en waarachtig, aangezien U dikwijls, als onze vaders verdrukt waren, hen geholpen hebt in hun vernedering, en hen verlost hebt uit grote ellende. 11 Maar nu, o heilige Koning, zie wij worden vanwege onze vele grote zonden onderdrukt, en wij zijn onze vijanden onderworpen, en worden in onze machteloosheid door U voorbijgegaan. 12 En in deze onze val poogt deze stoute en onreine koning deze heilige plaats, die op de aarde Uw heerlijke naam toegeëigend is, smaad aan te doen. 13 Want tot Uw woning werkelijk, namelijk de hemel van de hemelen, kunnen de mensen niet komen, maar omdat het Uw welbehagen is geweest, dat Uw heerlijkheid onder het volk Israël zij, zo hebt U deze plaats geheiligd. 14 Wreek ons niet door de onreinheid van deze mensen, en straf ons niet door hun onheiligheid, opdat de ongerechtigen in hun gemoed niet roemen, noch in de hoogmoed van hun tongen vrolijk zijn, zeggende: Wij hebben het huis van het heiligdom met voeten getreden, zoals de huizen van de gruwelijke dingen vertreden worden. 15 Wis onze zonden uit, en verstrooi onze dwalingen, en betoon Uw barmhartigheid in deze tijd. Laat Uw ontferming snel ons overkomen, en geef lof in de mond van degenen die neergevallen en gebroken zijn van hart, ons namelijk vrede gevende. 16 Hier heeft God, die alles ziet, en boven alles heilig is, in het heiligdom dit rechtvaardig gebed verhoord, en heeft hem gegeseld, die zichzelf met smaad en trotsheid enorm verheven had, hem aan alle zijden slingerende zoals het riet van de wind, zodat hij nu op de vloer lag, machteloos, en ook lam aan zijn leden, noch spreken kon, omdat hij door het rechtvaardig oordeel van God geheel verstrikt was. 17 Daarom werden zowel zijn vrienden als lijfwachten, als zij de snelle straf zagen, die hem had aangegrepen, met zeer grote vrees verslagen, en vrezende, dat hij ook het leven zou verliezen, trokken zij hem meteen uit de tempel. 18 Maar als hij een tijd daarna weer tot zichzelf kwam, hoewel door God gestraft zijnde, kwam hij in geen geval tot berouw, maar hij trok weg met scherpe dreigementen. 19 Toen hij nu in Egypte kwam, en zijn boosheid vermeerderde, en met hulp van zijn medehelpers en metgezellen, die tevoren aangewezen zijn, en van alle gerechtigheid afgezonderd waren, zo heeft hij niet alleen zichzelf met ontelbare ontuchten verzadigd, maar hij is ook tot zo grote overmoed voortgegaan, dat hij lasteringen in alle plaatsen tegen het volk zaaide, en dat velen van de vrienden, lettende op het voorstel van de koning, ook zelf zijn wil volgden. 20 En hij nam voor openlijk dit volk smaad aan te doen; in een toren bij het hof liet hij een pilaar oprichten en dit schrift insnijden, dat niemand onder hen die niet offerde, in hun tempels zou ingaan, maar dat al de Joden, onder het volk beschreven, tot een slaafse staat weggevoerd zouden worden; en zo wie zou mogen tegenspreken, dat men die met geweld zou aantasten, en van het leven beroven. 21 Dat men ook, die opgeschreven werden, zou tekenen, en dat met vuur aan hun lichaam, namelijk met een klimopblad, het wapen van Bacchus, die men ook zou afzonderen tot de vrijheid, hun tevoren bestemd. 22 En opdat hij niet zou schijnen op alle Joden verstoord te zijn, zo liet hij daaronder schrijven, dat zo enigen onder hen verkozen om te gaan met de priesters, dezen hetzelfde burgerrecht zouden hebben als de burgers van Alexandrië. 23 Sommigen nu, die in de stad de trappen van de godzalige stad haatten, gaven zich licht over, alsof zij enige grote eer zouden deelachtig worden, om de gemeenschap, die zij zouden hebben met de koning. 24 Maar de meesten bleven standvastig, en weken niet af van de godzaligheid; en voor het leven onbeschroomd geld in de plaats biedende, poogden zij zichzelf van het opschrijven te bevrijden, en zij hadden goede hoop, en vertrouwen dat zij hulp zouden verkrijgen. 25 En die van hen afweken waren hun een gruwel, en zij hielden hen als vijanden van hun volk, en beroofden hen beiden van hun gemeenzame omgang en voorrechten. ### 3 Makkabeeën 3 1 En als de goddeloze tiran dit vernam, werd hij zo boos, dat hij niet alleen vergramd was tegen Alexandrië, maar ook de anderen, die in het hele land waren, meer tegenstond, en dat hij gelastte dat men zou haasten, en in één plaats alle Joden verzamelen, en hen met de snoodste dood van het leven beroven. 2 Als nu deze dingen bestemd waren, zo werd een gruwelijk gerucht tegen dit volk uitgestrooid, zijnde de slechte mensen, die tot het kwaaddoen eensgezind waren, tot dit voornemen oorzaak gegeven, alsof de Joden hen verhinderden in het onderhouden van hun wetten. 3 Maar de Joden onderhielden wel tot de koningen een onveranderlijke goedwilligheid en trouw, maar omdat zij God dienden, en in Zijn wet wandelden, zo hebben zij enige Joden afgezonderd, en van hun gemeenschap afgekeerd; waarom zij door sommigen voor vijanden gehouden werden; maar omdat zij hun handel en wandel met de goede werken van de gerechtigheid versierden, zo waren zij bij alle mensen geprezen. 4 Deze vreemden dan verhaalden niet de goede wandel van ons geslacht, die onder allen geroemd was, maar het verschil nopens de aanbidding en andere gebruiken, dat maakten zij overal bekend, zeggende, dat die mensen noch met de koning, noch met zijn machten verzoenbaar waren, maar dat zij gruwelijk waren, en grote vijanden van het welvaren van het koninkrijk; zo bezwaarden zij hen rondom met geen gewone verachting. 5 Maar de Grieken, die in de stad waren, wie geheel geen leed gebeurd was, als zij dit onverhoopt oproer zagen tegen deze mensen, en dat er een onverwachte toeloop gebeurde, konden wel geen hulp doen (want het was een tirannieke handelwijze), 6 Maar zij hebben hen getroost, en namen het zeer kwalijk, en meenden dat die dingen zouden veranderen, want zeiden zij, die God, aan Wie alles bekend is, zal zulk een besluit niet zo gedogen. 7 Ja ook trokken sommige buren en vrienden, en die met hen handelden, in het geheim enigen tot zich en deden beloften, dat zij hen mee wilden beschermen, en alles toebrengen tot hun hulp. 8 Verder de koning, door de tegenwoordige voorspoed zich verhovaardigende, gaf geen acht op de kracht van de grote God, maar meende dat hij gestadig bij hetzelfde voornemen zou blijven, ja schreef tegen hen deze brief: 9 De koning Ptolomeüs Filopator wenst alle stadhouders en soldaten in Egypte, en de andere plaatsen geluk en voorspoed; ik zelf, en onze zaken varen wel. 10 Nadat wij onze krijgstocht in Azië gedaan hadden, die u ook zelf weet, die door de onverhinderlijke bijstand van de goden naar onze wil ten einde gebracht is, zo hebben wij gedacht, niet met geweld van wapen maar met zachtheid en veel vriendelijkheid de volken, die in Celo-Syrië en Fenicië wonen, goedertieren te behandelen, en hen graag goed te doen. 11 En als wij aan de tempels in de steden vele renten uitgedeeld hadden, zo zijn wij ook te Jeruzalem gekomen, en opgegaan om de tempel van die booswichten, die nooit ophouden van hun onzinnigheid, te vereren; 12 Maar zij hebben wel met woorden onze aanwezigheid vriendelijk ontvangen, maar inderdaad met valse harten; want toen wij voorgenomen hadden in het binnenste van hun tempel in te gaan, en die met zeer passende en zeer schone geschenken te vereren, zo hebben zij, gedreven zijnde door hun oude opgeblazenheid, ons verhinderd daarin te gaan. 13 Daar zij toch onze sterkte niet konden weerstaan, waardoor wij met alle mensen vriendschap hebben, maar hun vijandig gemoed tegenover ons openbaar bewijzende, willen zij niet wat redelijk en behoorlijk is verdragen, als die alleen onder de volken hun hals opheffen tegen de koningen, en hun eigen genadige heren. 14 Wij toch zijn hun waanzin ontweken, en zijn met overwinning gekomen, en hebben in Egypte alle volken met vriendelijkheid bejegend, en gedaan zoals het ons betaamde. 15 Intussen maakten wij aan allen bekend bij hun landslieden, dat wij het ongelijk wilden vergeten, en dat wij willens waren, zowel om het bondgenootschap, als ook omdat hun van overoude tijden talloos vele zaken door eenvoud toevertrouwd waren, hun staat in beter te veranderen, en hen wilden aannemen, in de gemeenschap van het altijddurende priesterdom, en hen verwaardigden met het burgerschap van de burgers van Alexandrië. 16 Maar zij het tegendeel hopende, en het goede door de aangeboren boosaardigheid verwerpende, en tot het kwaad altijd genegen zijnde, hebben niet alleen dit onwaardeerbaar recht van burgerschap verstoten, maar zij hebben ook een afkeer, zowel met woorden, als met stilzwijgen, van die weinigen onder hen, die ons oprecht welgezind zijn, en zij hopen altijd, dat wij door dit hun zeer oneerlijk leven onze goede wetten snel zullen neerwerpen. 17 Daarom zijn wij door zekere merktekenen wel verzekerd, dat deze op alle manier ons kwalijk gezind zijn, en voorziende, dat mogelijk hierna enig oproer tegen ons mocht ontstaan, wij deze goddeloze mensen van achteren tot verraders zouden hebben, en tot barbaarse vijanden. 18 Zo gelasten wij, zodra deze brief zal ontvangen zijn, dat men op dat moment, allen die daarin getekend zijn met vrouwen en kinderen in ijzeren banden zal sluiten, en met smaad en plagen ons toezenden, tot een onafbiddelijke en schandelijke dood, die zulke vijanden waard zijn. 19 Want als deze allen tegelijk gestraft zullen zijn, zo achten wij, dat in toekomende tijden, voor ons de zaken van het rijk in een goede stand en zeer goede orde volmaakt gesteld zullen worden. 20 En zo wie iemand van de Joden beschermen zal, van de oudste tot de jongste, ja tot de zuigende toe, die zal met zijn hele huisgezin met de schandelijkste folteringen gepijnigd worden. 21 En wie dat zal willen aanbrengen, die zal daarvoor ontvangen het goed van degene, die in deze straf valt, en nog uit de schatkamer van de koning tweeduizend drachmen zilver, ja hij zal ook met vrijheid gekroond worden. 22 Verder elke plaats, waar men enigszins zal bevinden dat een Jood verborgen wordt, die worde verwoest en verbrand, en geheel onnut ten eeuwigen tijde voor het hele menselijke geslacht. Zo was de inhoud en schrift van deze brief. ### 3 Makkabeeën 4 1 En overal waar dit bevel bekend werd gemaakt, hielden de heidenen een gemeenschappelijke maaltijd met juichen en blijdschap, omdat de vijandschap nu met onverschrokkenheid zich blijkbaar openbaarde, die in vorige tijden hun in het gemoed als vereeld was geweest. 2 Maar de Joden waren in een voortdurend verdriet, en hun hulpgeroep was jammerlijk, met tranen en zuchten, hun hart brandde alleszins, en zuchtte over dat onverwacht verderf, dat tegenover hen zo plotseling besloten was. 3 Wat gewest of stad, of om in het algemeen te spreken welke bewoonde plaats, of welke straten werden niet om hunnentwil met geklag en gekerm vervuld? 4 Want zo werden zij met een bitter en onbarmhartig gemoed door de stadhouders in de steden tegelijk weggezonden, dat ook sommigen van de vijanden, die om de ongewone straffen voor ogen namen de algemene barmhartigheid, en bedachten de onzekere verandering van dit leven, hun zeer ellendige wegzending beweenden. 5 Want daar ging vooraan een menigte van oude mannen met grijs haar bedekt, en zij misbruikten de benen, die van oudheid traag en krom waren en dreven die met een geweldig voortstuwen, zonder enige schaamte, om snel op de weg voort te gaan. 6 Daarna de jonge vrouwen, die zich onlangs tot de huwelijke staat begeven hadden, ontvingen, in plaats van vermaak, verdriet, en het haar met geurende zalf te voren gezalfd, was met as bestrooid, en zij werden ongedekt weggevoerd, en begonnen gezamenlijk in plaats van bruiloftsliederen, een jammerlijk geschrei, als die door de vreemde volken gedrukt en gekweld werden; en gebonden zijnde, werden zij openlijk tot binnen in het schip met geweld getrokken. 7 En haar mannen waren in hun bloeiende jeugd om de halzen met stroppen gebonden, inplaats van kronen; en brachten de overgebleven dagen van de bruiloft door met jammerlijk geschrei, inplaats van vreugde en jeugdige vrolijkheid, als die reeds de dood voor hun ogen gesteld zagen. 8 En zij werden gedreven als beesten, getrokken en gedwongen met ijzeren banden; sommigen werden met de halzen aan de boorden van de schepen gespijkerd, en sommigen met vaste boeien aan de benen verzekerd; en daarenboven werd een dicht luik boven het hoofd gelegd, opdat hun ogen alleszins zouden verblind worden, en zij in de hele scheepvaart het geleide van deze moordenaars zouden uitstaan. 9 Als nu deze in dat voormelde schip gebracht waren, en het overvoeren voltrokken was, zoals het door de koning was geboden, zo heeft hij bevolen dat zij hen zouden legeren op het rijveld voor de stad, zijnde groot in omvang, en bovenmate wel gelegen voor degenen, die daar voorbij naar de stad kwamen, en voor degenen onder hen, die buiten naar het land reisden om dit voorbeeld van de straf te zien; opdat zij noch met zijn soldaten gemeenschap zouden hebben noch enigszins waard geacht van de stadsmuren. 10 Als dit gebeurd was, en de koning hoorde, dat van de Joden landslieden in het geheim en dikwijls uit de stad uitgingen, om te bewenen de schandelijke ellende hun broers, zo werd hij zeer verstoord, en gelastte, dat men ook deze eveneens op dezelfde wijze zorgvuldig zou behandelen, zoals de anderen, en in geen enkele wijze minder straffen dan de anderen; en dat men het hele geslacht van de Joden met hun namen zou beschrijven. 11 Omdat hij hen niet wilde belasten met de dienst een weinig tevoren aan hen bekend gemaakt, maar pijnigen met de gedreigde straffen, en zo eindelijk op een bestemde dag uitroeien. 12 Zo gebeurde dan hun beschrijving met veel ijver, en gestadig zitten van de opgang van de zon tot de ondergang daarvan, en in veertig dagen hadden zij nog geen einde. 13 Intussen was de koning enorm en gestadig vervuld met blijdschap, en hield maaltijden voor alle afgoden; zijn hart was ver van de waarheid afgedwaald, en met zijn onheilige mond prees hij de stomme afgoden, die hem niet konden toespreken of helpen; maar tegen de hoogste God sprak hij dingen die niet passen. 14 Na de voormelde tijd boodschapten de schrijvers de koning, dat zij de beschrijving van de Joden niet langer konden doen, om hun ontelbare menigte, omdat daar nog veel meer hier en daar in het land waren, sommigen nog blijvende bij huis, sommigen zijnde in andere plaatsen, zodat het ook alle stadhouders in Egypte onmogelijk was te doen. 15 En als hij hen te harder dreigde, alsof zij met giften omgekocht waren om de Joden te doen ontvluchten, zo gebeurde het dat zij hem klaar bericht deden, als zij hem zeiden en bewezen, dat zowel papier als schrijfpennen, die zij zouden gebruiken hun reeds ontbraken. 16 Maar dit was een krachtig werk van de onoverwinnelijke voorzienigheid Gods, die uit de hemel de Joden hulp bood. ### 3 Makkabeeën 5 1 Toen heeft de koning, vol van grote toorn, en door woede geheel onverzettelijk, Hermon, wie de zorg van de olifanten bevolen was, tot zich geroepen, en geboden dat hij de volgende dag al de olifanten, die vijfhonderd in getal waren, vele handen vol wierook zou te drinken geven en veel ongemengde wijn; en als zij door het overvloedig geven van die drank verwoed zouden zijn, dat men hen de Joden tegemoet zou voeren om hen te doden. 2 En als hij dit bevolen had, begaf hij zich weer tot goede sier te maken, en verzamelde de voornaamsten van zijn vrienden en krijgsoversten, die tegen de Joden vijandig gezind waren; de overste nu van de olifanten, Hermon, volbracht vaardig wat hem belast was. 3 Daarenboven gingen tegen de avond de dienaren uit, en bonden de handen van de ellendige Joden, en bedachten verder wat te doen was om hen te verzekeren, menende dat dit geslacht tegelijk van de morgen een einde zou nemen en uitgeroeid worden. 4 Maar de Joden, die voor de heidenen van alle hulp schenen berooid te zijn, omdat zij overal met banden en benauwdheid omvangen waren, hebben allen de almachtige Heere, en de heerser over alle macht, hun barmhartige God en Vader, met tranen, zonder ophouden met hun stemmen aangeroepen, biddende dat Hij de goddeloze raad tegen hen genomen wilde afkeren, en hen uit de dood, die voor hun voeten bereid was, met een heerlijke verschijning verlossen. 5 En hun voortdurende gebed klom op in de hemel. Hermon nu, als hij de wrede olifanten drinken had gegeven, en met het geven van veel wijn vervuld, en met wierook verzadigd had, kwam vroeg in de morgen tot de hof van de koning, om de koning deze zaken te kennen te geven. 6 Maar God heeft een slaap (de goede beschikking van het begin van de wereld aan, die bij nacht en bij dag door Hem bestuurd wordt, als Hij die aan allen schenkt wie Hij wil) gezonden tot de koning. 7 En door de krachtige werking van de Heere werd hij met een zeer zoete en diepe slaap bevangen, en zijn onrechtvaardig voornemen mislukte hem zeer, en in zijn onverzettelijk besluit werd hij enorm bedrogen. 8 Als nu de Joden die tevoren betekende uur ontkomen waren, prezen zij hun heilige God; en zij baden Hem weer, die zich licht laat verzoenen, dat Hij de sterkte van Zijn machtige hand aan de hoogmoedige heidenen wilde tonen. 9 Als het nu ongeveer half tien was, en als degene die gesteld was om gasten te noden, zag dat de genodigden sterk aankwamen, ging hij in tot de koning, en stootte hem aan, en hem nauwelijks opgewekt hebbende, vertoonde hij hem, dat de bestemde tijd van de maaltijd voorbijging, terwijl hij met hem woorden hierover wisselde; welke rede, de koning bedenkende, keerde zich ter maaltijd, en deed degenen, die ter maaltijd gekomen waren, tegenover hem aanzitten. 10 En dit gedaan zijnde, vermaande hij hen zichzelf goed te verheugen, en de tegenwoordige maaltijd zeer blij te houden, en in vrolijkheid door te brengen. 11 Als nu het gesprek meer en meer voortging, zo riep de koning Hermon tot zich; en hij vroeg hem met een bitter dreigement, waarom men de Joden die dag nog in het leven had gelaten. 12 En toen hij aanwees, dat hij diezelfde nacht het bevel had volbracht, en zijn vrienden dat ook getuigden, sprak hij, die meerder wreedheid had dan Falaris, dat zij dit aan de huidige slaap mochten toeschrijven. 13 Maar zei hij: Bereid zonder oponthoud op gelijke wijze tegen de volgende dag de olifanten tot het verderf van de gruwelijke Joden. 14 Toen nu de koning dit gezegd had, prezen allen die daar tegenwoordig waren hem tegelijk, graag en met blijdschap, en keerden een ieder weer naar zijn eigen huis; en zij gebruikten de tijd van die nacht niet zozeer om te slapen, als wel om allerlei bespottingen tegen deze, zo men meende, ellendige te bedenken. 15 Zodra nu de haan vroeg in de morgen kraaide, wapende Hermon die grote beesten, en bewoog ze in die grote plaats; en het volk uit de hele stad verzamelde tot dit zeer ellendig schouwspel, en verwachtte met verlangen de morgenstond. 16 Maar de Joden waren die hele tijd in hun gemoed bezorgd; met vele tranen, met gebeden, en met weemoedige gezangen strekten zij de handen uit tot de hemel, en baden de opperste God, dat Hij hen weer haastig wilde helpen. 17 De stralen van de zon verspreidden zich nog niet, en Hermon, als de koning de vrienden ontving, stond bij hem, en riep om uit te gaan, en wees aan, dat het voornemen van de koning nu gereed was. 18 Maar als hij dit vernam en in het goddeloos uitgaan terneder geslagen werd, zo vroeg hij (als die in alles door God met onwetendheid bevangen was) wat dat voor een zaak was, waarom hij dit met zulk een haast verricht had; maar dit was de krachtige werking Gods, die over alles heerst, die in het verstand een vergetelheid gelegd had van wat tevoren bij hem bedacht was. 19 Hermon en al de vrienden toonden hem en zeiden: O koning, de grote beesten en het heer zijn naar uw heftig voornemen bereid. 20 Maar hij werd vanwege deze woorden vervuld met grote woede, omdat al zijn gedachten over deze dingen door Gods voorzienigheid verstrooid waren, en op hem de ogen houdende, sprak hij met veel dreigen. 21 Zo vele ouders, of kleinkinderen als er bij mij komen zullen, die zullen zichzelf voor de wrede beesten tot een overvloedige voedsel bereid hebben, en slaan inplaats van de onschuldige Joden, die hun gestadige en standvastige trouw aan mij, en mijn voorouders, uitnemend bewezen hebben; hoewel (als ik het niet liet om de liefde van dat wij samen opgevoed zijn, en om uw dienst) u Hermon in hun plaats van uw leven nul behoort beroofd te worden. 22 Zo verdroeg Hermon zulk een onverwacht en vervaarlijk dreigement; en hij ontzette zich in zijn gezicht en aangezicht; en de één voor, de ander na van de vrienden werden droevig van gezicht, en schaamrood, en lieten degenen, die daar verzameld waren, heengaan, een ieder tot zijn arbeid. 23 En de Joden, deze dingen van de koning verstaan hebbende, prezen de heerlijke God, de Heere en Koning van de koningen, als die ook deze hulp van God verkregen hadden. 24 Als nu de koning naar deze zijn wijze van doen weer een maaltijd aangericht had, zo vermaande hij dat men zich zou begeven tot vrolijkheid, en hij riep Hermon tot zich, en sprak met dreigen: O u ellendige, hoe dikwijls moet men één en hetzelfde gelasten? wapen immers nu eenmaal tegen morgen de olifanten tot het verderf van de Joden. 25 Maar de bloedvrienden, die daar mee aanzaten, over zijn onstandvastig gemoed zich verwonderende, spraken deze woorden: O koning, hoelang verzoekt u ons als onverstandigen? u hebt nu voor de derde keer bevolen hen uit te roeien, en weer op de daad zo herroept u, uit verandering, wat u bevolen hebt; 26 Waarom de stad door het verwijlen in oproer is, en vol van samenscholing, zodat zij dikwijls in gevaar is geweest van geplunderd te worden. 27 Zo heeft de koning, die in alles een tweede Falaris was, vol onverstand zijnde, en niets achtende de veranderingen van zijn gemoed, die in hem door God, tot verschoning van de Joden, waren gebeurd, 28 Met een zeer onreine eed vast gezworen, dat hij niet alleen deze zonder enig verwijl wilde straffen, met de knieën en voeten van deze wrede beesten, en zo naar het graf zenden, maar ook tegen Judea een heerleger voeren, en het land snel te vuur en te zwaard te gronde werpen, en hun heiligdom, waar zij de offergaven offerden en waar wij niet mogen ingaan, zei hij, in allerijl met vuur verbranden, en altijd in de as laten liggen. 29 Toen zijn de vrienden en familieleden zeer blij geworden en met vertrouwen vertrokken, en zij bestelden de soldaten op al de geschiktste plaatsen van de stad tot bewaring. 30 En de overste van de olifanten heeft de beesten met zeer geurende dranken, en wijn met wierook gemengd, bijna om zo te zeggen in een razende gestalte gebracht, ze schrikkelijk, omstreeks de morgenstond, versierende en toebereidende; en toen nu de stad langs de rijplaatsen met talloze menigten van mensen vervuld was, is hij naar het hof gegaan, en heeft de koning tot de voorgenomen zaak aangepord. 31 Toen is hij, zijn goddeloos hart met grote woede vervullende, in allerijl met de beesten uitgelopen, als die zelf met een wreed gemoed, en met zijn ogen wilde aanschouwen de moeilijke en jammerlijke ondergang van degenen, waarvan tevoren gesproken is. 32 Als nu de Joden het stof van de olifanten, die de poort uitkwamen, en van het gewapende heerleger, dat volgde, en van het gaan van het volk zagen, en een gruwelijk geluid en getuimel hoorden, zo meenden zij, dat dit voor hen het laatste ogenblik van hun leven was, en het einde van de ellendige verwachting. 33 En zij keerden zich tot geklag en kusten en omhelsden elkaar, en vielen de bloedverwanten, de vaders, namelijk hun zonen, en de moeders haar dochters, om de hals; 34 En anderen hadden de jonggeboren kinderen aan de borsten, om de laatste melk te zuigen. 35 Maar opnieuw, als zij gedachten de verlossingen, die hun uit de hemel tevoren gebeurd waren, zijn zij eendrachtig op hun aangezichten gevallen, en deden de kinderen van de borsten, en riepen met zeer luide stem, en baden de Heere van alle schepselen, dat Hij zich over hen met een heerlijke verschijning wilde ontfermen, die nu in de poorten van de dood gesteld waren. ### 3 Makkabeeën 6 1 En een zekere Eleazar, een voortreffelijk man, één uit de priesters van het land, die nu in ouderdom tot zijn jaren gekomen, en met alle deugd in dit leven versierd was, stelde de ouden rondom zich, om de heilige God met hem aan te roepen, en bad zo: 2 O machtige Koning, U opperste en almachtige God, die alle geschapen dingen in ontferming regeert, aanzie het zaad van Abraham, en zie op de kinderen van de geheiligde Jakob, het volk van Uw geheiligd erfdeel, dat in een vreemd land een vreemdeling is, en onrechtvaardig vernield wordt, o Vader! 3 U hebt Farao, die vele wagens had, en in vorige tijden heer was van dit Egypte (als hij zich verhief met een onbarmhartige onverschrokkenheid, en met een grootsprekende tong) in de zee gestort met zijn hoogmoedige heerkracht en vernietigd, en het geslacht van Israël een licht van Uw barmhartigheid betoond. 4 U hebt de machtige koning van Assyrië, Sanherib, die op zijn talloze heerkrachten pochte en met de speer het hele land onder zijn gebied gekregen had, en zich verhief tegen Uw heilige stad, en uit opgeblazenheid, en onverschrokkenheid lasterlijke woorden sprak, U, Heere, hebt hem gebroken en aan vele heidenen Uw macht openlijk bewezen. 5 U hebt de drie metgezellen, die in Babylonië waren, en hun lichamen gewillig aan het vuur overgaven, om niet te dienen de ijdele afgoden, verlost, en de zeer doorgloeide oven als met een dauw begoten, dat niet één haar aan hen gekrenkt is, maar U zond de vlam tot al hun tegenstanders. 6 U hebt Daniël, die door nijdige beschuldigingen in de kuil de leeuwen voorgeworpen was, tot voedsel van de wilde dieren, onbeschadigd weer in het licht gebracht; en U hebt, o Vader, Jona, die in de buik van een walvis, die zich in de diepte ophoudt, gestadig als versmolt, ongekwetst aan al zijn huisgenoten vertoond. 7 Nu dan, o God, U vijand van overlast, U barmhartige, U beschermer van alle dingen, verschijn haastig aan degenen, die van het geslacht van Israël zijn, dat door deze gruwelijke en goddeloze heidenen smaad aangedaan wordt. 8 En als ons leven met ongodsdienstigheid in onze vreemdelingschap bevangen is, verlos ons toch van de hand van deze vijanden, en U zelf, Heere, verderf ons met de dood, zoals het U believen zal. 9 Laat hen, die maar zinloosheid bedenken, niet zegenen de ijdele afgoden, als U Uw geliefden verderft, en zeggen: Ook hun God heeft hen niet verlost. 10 Maar U eeuwige Heere, U die macht hebt, zie ons nu aan. 11 Ontferm U over ons, wij die door de goddelozen, alsof wij verraders waren, worden. 12 U heerlijke God, laat toch de verwinnelijke macht met verschrikken zich verwonderen, U die macht hebt over het behouden van het geslacht van Jakob. 13 U bidt de hele menigte van de jonge kinderen, en hun ouders, en dat met tranen; laat het alle volken blijken, dat U met ons bent, Heere, en dat U Uw aangezicht van ons niet hebt afgewend; 14 Maar zoals U gezegd hebt, dat U hen, ook zijnde in het land van hun vijanden, niet veracht hebt, zo volbreng het, o Heere. 15 Toen nu Eleazar van het gebed ophield, kwam de koning met de beesten, en het gruwelijk heerleger aan het renperk. 16 En de Joden, dat aanschouwende, hieven een groot geroep op naar de hemel, zodat de bijliggende valleien mee een weerklank gaven, en het hele heer tot een onbedwingelijk huilen bewogen werd. 17 Toen heeft de zeer heerlijke, almachtige, en waarachtige God zijn heilig aangezicht vertoond, en de poorten van de hemel geopend; uit welke twee heerlijke engelen, schrikkelijk in gedaante, afkwamen, die van allen gezien werden, naast de Joden. 18 En zij deden weerstand, en zij vervulden het heerleger van de vijanden met ontroering en verschrikking, en verstrikten hen met onbewegelijke boeien, en ook het lichaam van de koning werd geheel sidderende, en hij vergat zijn toornige en grote onverschrokkenheid. 19 En de beesten keerden zich om naar de volgende gewapende heerlegers, en vertrapten en vernielden hen. 20 En de toorn van de koning werd veranderd in barmhartigheid en tranen, vanwege de dingen, die hij tevoren tegen hen bedacht had. 21 Want als hij het geschreeuw hoorde en beschouwde dat zij allen ten verderve voorover vielen, zo huilde hij en dreigde met toorn zijn vrienden, zeggende: alle sterkheid en alle onredelijk ongelijk van de van ons leven beroofd heidenen over uw on 22 U misbruikt de koning, en hebt de tirannen in wreedheid overtroffen, en u neemt voor ook mijzelf, die uw genadige heer ben, mijn rijk en leven te benemen, in het geheim aanrichtende wat het rijk niet bevorderlijk is. 23 Wie heeft deze, die de vestingen van ons land getrouw bewaarden, zo onredelijk een ieder van zijn huis afgevoerd en herwaarts verzameld? 24 Wie heeft deze, die van het begin af in goedwilligheid tot ons in alles alle volken te boven gaan, en dikwijls de ergste gevaren van de mensen uitgestaan hebben, met zulke ongeoorloofde straffen beladen? 25 Ontbind, ontbindt de onrechtvaardige handen, zendt hen terug met vrede naar hun plaatsen, en bidt af wat door u tegenover hen tevoren gedaan is. Laat los de kinderen van die almachtige, hemelse en levende God, die van onze voorouders af tot nu toe onze zaken een voorspoedige en heerlijke welstand verleent. 26 En dit sprak de koning; en zij werden van stonden aan ontbonden, en loofden de heilige God, hun behouder, als zij de dood ontkomen waren. 27 Daarna keerde de koning weer in de stad, en riep tot zich de ontvanger van zijn inkomsten en gelastte aan hen, zeven dagen lang, wijn en wat verder om feest te houden nodig was, uit te reiken; goedvindende dat zij in die plaats, waarin zij meenden het verderf te gevoelen nu met alle vrolijkheid de feestdagen van hun behoud zouden houden. 28 Toen hielden zij (die tevoren versmaadheid leden, en nabij het graf, ja veel meer daarin gegaan waren), in plaats van een bittere en zeer beklagelijke dood te sterven, een maaltijd van het behoud, en vervuld met blijdschap, deelden zij de plaats af, die hun ten val en naar het graf bereid was, in verscheidene gezelschappen. 29 En zij hielden op van het droevig klaaglied, en hieven weer aan de lofzangen van hun vaders, God de behouder en wonderwerker prijzende; en zij weerden van zich al het treuren en zuchten, en stelden vrolijke reien aan tot een teken van de vreedzame blijdschap. 30 Evenzo hield ook de koning omwille van deze zaken een grote maaltijd, en loofde God in de hemel zonder ophouden en zeer heerlijk, over die onverwachte verlossing, die hem gebeurd was. 31 En degenen, die tevoren hen ten verderve, en om te zijn een aas van de vogels gesteld en met blijdschap opgeschreven hadden, die zuchtten nu, en waren met schaamte in zichzelf vervuld, omdat hun snorkende onverschrokkenheid met oneer uitgeblust was. 32 Maar de Joden zoals wij tevoren gezegd hebben, hielden de voorzegde reien met vreugde, en brachten de tijd door met vrolijke dankzeggingen en psalmen. 33 En zij maakten daarvan een algemene wet, en besloten dat men in al hun woningen van eeuw tot eeuw de voornoemde dagen, in vreugde zou houden, niet om enige drinkerij en brasserij, maar om de verlossing, die hun van God gebeurd was. 34 Daarna gingen zij tot de koning en vroegen verlof om naar huis te gaan. 35 De dienaren nu van de koning hadden hen beschreven van de vijfentwintigste dag van de maand Pachon tot de vierde van de maand Epif toe, veertig dagen lang; en zij hadden besloten, hen om te brengen van de vijfde van de maand Epif tot de zevende toe, drie dagen lang; waarin ook de heerser van alle schepselen zijn barmhartigheid zeer heerlijk bewezen, en hen allen samen ongedeerd verlost heeft. 36 Zij hebben dan de maaltijd gehouden, en alles is hun door de koning toegereikt, tot de veertiende dag toe; 37 Op welke zij ook met hem gesproken hebben over hun vertrek; en de koning hen prijzende, schreef met grootmoedigheid voor hen de volgende brief, aan de stadhouders in elke stad, hebbende deze inhoud: ### 3 Makkabeeën 7 1 De koning Ptolomeüs Filopator wenst de stadhouders in Egypte, en allen die over de zaken van het land gesteld zijn, geluk en voorspoed; wij en onze kinderen varen ook nog wel. 2 Als de grote God voor ons de zaken gelukkig bestuurde zoals wij wensten, zo hebben sommigen van onze vrienden, gedreven door boosaardigheid, zeer dikwijls bij ons aangehouden, en ons ook overreed, dat wij de Joden die in ons koninkrijk zijn, op één hoop zouden doen bijeenkomen en hen met vreemde straffen, zoals afvalligen, straffen. 3 En zij gaven voor, dat onze zaken nimmer een goede stand zouden hebben, om de vijandschap, die deze tegen alle volken hebben, totdat dit zou volbracht zijn. 4 Die hen ook gebonden, en met veel overlast herwaarts gebracht hebben, zoals slaven, ja veel meer zoals verraders, en gepoogd, zonder enige ondervraging en onderzoeking, te doden zijnde verstrikt met onstuimige wreedheid, als de Scyten plegen te gebruiken. 5 En wij, hoewel hen over deze zaken zeer hard dreigende, als wij naar de goedertierenheid, die wij hebben tegenover alle mensen, hun nauwelijks het leven konden schenken, en erkenden, dat de hemelse God zeker de Joden beschermde, en altijd voor hen, als een vader voor zijn kinderen, streed; ook overleggende de vriendschap, waarmee zij ons en onze voorouders een vaste goedwilligheid bewijzen, zo hebben wij hen met recht vrijgesproken en spreken hen vrij van alle beschuldiging, hoe die ook zij. 6 En wij hebben een ieder bevolen, en gelasten dat zij tot al het hunne mogen terugkeren, en dat niemand in enige plaats hun enigszins leed doe, noch iets verwijte over wat hun buiten recht en reden overkomen is. 7 Want u zult weten, is het dat wij tegen hen iets kwaads zullen bedenken of hen enigszins zullen bedroeven, dat wij niet één mens, maar de hoogste God, de heerser aller mogendheid, altijd in alles onvermijdelijk tot onze tegenstander zullen hebben, tot wraak van zulk een doen. Vaartwel. 8 Als de Joden deze brief ontvangen hadden, haastten zij zich niet om meteen te vertrekken, maar zij baden de koning, dat degenen, die uit het geslacht van de Joden willens en wetens de heilige God en de wet van God verlaten hadden, door hen mochten ontvangen behoorlijke straf. 9 En zij wendden voor, dat die omwille van de buik de Goddelijke geboden overtreden hadden, nimmer welgezind zouden zijn tot de geboden van de koning. 10 En hij begreep, dat zij de waarheid zeiden, en prees hen ook, en gaf hun macht over al zulke mensen, dat zij degenen, die de wet van God overtreden hadden, in alle plaatsen van zijn koninkrijk vrij zonder enige verdere koninklijke macht of onderzoek, zouden uitroeien. 11 Toen hebben zij de koning (zoals het betaamde) gedankt; en hun priesters, en de hele menigte riepen: Hallelujah, en zij vertrokken met blijdschap. 12 En zo straften zij hun medeburgers, die zich verontreinigd hadden, en die op de weg in hun handen vielen, en zij sloegen hen dood na hen vele openbare smaadheden aangedaan te hebben. 13 En op die dag sloegen zij over de driehonderd mannen dood, en maakten vreugde, met blijdschap de onheiligen dodende. 14 Maar zij, die tot de dood toe zich aan God hadden gehouden, als zij nu de volkomen genieting van hun behoudenis verkregen hadden vertrokken zoals uit de stad met allerlei zeer geurende bloemen bekroond, met blijdschap en gejuich; en zij dankten met lofliederen en zoete lofzangen de God van hun vaders, de heilige verlosser van Israël. 15 Als zij nu gekomen waren tot de stad Ptolomaïs, die vanwege de eigenschap van de plaats Rhodoforos genoemd werd, waar een vloot naar hun algemeen goedvinden zeven dagen lang op hen wachtte, hielden zij daar een vreugdemaaltijd van hun behoud, want de koning beschikte goedwillig aan een ieder alle behoefte tot de reis, totdat zij thuis kwamen. 16 En toen zij te Ptolomaïs met vrede gekomen waren, in behoorlijke dankzegging, zo hebben zij daar ook besloten, dat zij op gelijke wijze daar met vrolijkheid die dagen wilden vieren, zolang zij als vreemdeling leefden. 17 Aan welke zij ook tot een heilig gebruik een herinneringspilaar gewijd hebben, die in de plaats van de maaltijd oprichtende, en met het gebed zegenende. En zo vertrokken zij te land en ter zee, en over de rivieren, een ieder naar zijn huis ongedeerd, vrij en zeer vrolijk, als die door het gebod van de koning behouden waren en zij hadden meer macht tegen hun vijanden, dan tevoren, met heerlijkheid en vrees. 18 En zij werden door niemand enigszins van hun goederen verstoten, maar zij kregen allen het hunne uit de aantekening weer, zodat die iets van het hunne hadden, het aan hen met zeer grote vrees wedergaven, omdat de opperste God grote daden tot hun behoud gedaan had. 19 De Verlosser van Israël zij te prijzen in de eeuwigheid. Amen. # Ethiopische boeken ## Henoch ### Henoch 1 1 De woorden van de zegen van Henoch, waarmee hij de uitverkorenen en de rechtvaardigen zegende die er zullen zijn op de dag van benauwdheid, wanneer alle bozen en goddelozen weggedaan zullen worden. 2 En hij hief aan en zei — Henoch, een rechtvaardig man van wie de ogen door God geopend waren, zag een heilig gezicht dat in de hemelen is, dat de engelen mij toonden; en ik hoorde van hen alles, en ik verstond wat ik zag, maar niet voor dit geslacht, maar voor een geslacht dat komen zal, een geslacht dat verre is. 3 Aangaande de uitverkorenen sprak ik, en ik hief mijn gelijkenis aan over hen, over de Heilige en Grote die uit Zijn woning zal voortkomen, ja, de God van de eeuwigheid. 4 En vandaar zal Hij treden op de berg Sinaï, en Hij zal verschijnen in Zijn legerplaats, en Hij zal verschijnen in de sterkte van Zijn kracht vanuit de hemel. 5 En allen zullen vrezen, en de wachters zullen sidderen, en vrees en grote beving zal hen aangrijpen tot aan de einden van de aarde. 6 En de hoge bergen zullen geschud worden, en de hoge heuvels zullen vernederd worden, en zij zullen wegsmelten als was voor de vlam. 7 En de aarde zal vaneen scheuren, en alles wat op de aarde is, zal vergaan; en er zal een oordeel zijn over allen en over alle rechtvaardigen. 8 Maar voor de rechtvaardigen zal Hij vrede maken, en Hij zal de uitverkorenen bewaren, en barmhartigheid zal over hen zijn; en zij zullen allen van God zijn, en zij zullen voorspoedig zijn en gezegend worden, en het licht van God zal over hen schijnen. 9 En zie, Hij komt met de tienduizenden van Zijn heiligen, om over hen het oordeel te voltrekken, en om de goddelozen te verderven, en om te twisten met alle vlees over alles wat de zondaren en de goddelozen tegen Hem gedaan en bedreven hebben. ### Henoch 2 1 Aanschouwt alles wat in de hemel is, het werk: hoe de lichten die in de hemel zijn hun banen niet veranderen; hoe zij alle opgaan en ondergaan, elk in orde, ieder op zijn tijd, en niet afwijken van hun inzetting. 2 Aanschouwt de aarde, en let op het werk dat daarop gedaan wordt, van het begin tot aan zijn voleinding, hoe geen van Gods werken verandert, maar alles zichtbaar blijft. 3 Aanschouwt de zomer en de winter, hoe de hele aarde vervuld is met water, en hoe wolk en dauw en regen daarop rusten. ### Henoch 3 1 Aanschouwt, en ik zag hoe alle bomen verdord schijnen te zijn, en al hun bladeren afgevallen, uitgezonderd veertien bomen die hun loof niet afwerpen, maar het oude behouden totdat het nieuwe komt, van twee tot drie jaar. ### Henoch 4 1 En opnieuw, aanschouwt de dagen van de zomer, hoe de zon boven haar staat, haar recht tegenover. En u zoekt schaduw en beschutting vanwege de hitte van de zon, en ook de aarde brandt van de gloed van de hitte; en u kunt de aarde niet betreden, noch een rots, vanwege haar hitte. ### Henoch 5 1 Aanschouwt hoe de bomen zich met groen loof bekleden en vrucht dragen; let daarom op alles, en erkent hoe Hij die eeuwig leeft dit alles voor u gemaakt heeft. 2 En Zijn werken staan voor Hem, elk jaar dat komt, en al Zijn werken dienen Hem en veranderen niet, maar zoals God het verordend heeft, zo wordt het alles gedaan. 3 En ziet hoe de zeeën en de rivieren tezamen hun werk volbrengen. 4 Maar u — u bent niet standvastig geweest, en u hebt het gebod van de Heere niet gedaan, maar u hebt overtreden en met grote en harde woorden gesmaald met uw onreine mond tegen Zijn grootheid; u, hardvochtigen, er zal voor u geen vrede zijn. 5 En daarom zult u uw dagen vervloeken, en de jaren van uw leven zullen vergaan, en de eeuwige vervloeking zal talrijk worden, en er zal voor u geen barmhartigheid zijn. 6 In die dagen zult u uw naam tot een eeuwige vervloeking maken voor alle rechtvaardigen, en bij u zullen de zondaren voor altijd vervloeken, en voor u tezamen met de zondaren zal er een vloek zijn. 7 Maar voor de uitverkorenen zal er licht en vreugde en vrede zijn, en zij zullen de aarde beërven; maar voor u, goddelozen, zal er een vervloeking zijn. 8 En ook zal aan de uitverkorenen wijsheid gegeven worden, en zij allen zullen leven en niet meer zondigen, noch door goddeloosheid noch door hoogmoed; maar zij die wijsheid hebben, zullen ootmoedig zijn, en zij zullen de zonde niet meer herhalen. 9 En zij zullen niet veroordeeld worden al de dagen van hun leven, en zij zullen niet sterven door plaag noch door toorn, maar zij zullen het getal van de dagen van hun leven voleindigen; en hun leven zal opwassen in vrede, en de jaren van hun vreugde zullen vermenigvuldigd worden in blijdschap en eeuwige vrede, al de dagen van hun leven. ### Henoch 6 1 En het gebeurde, toen de kinderen van de mensen zich vermenigvuldigd hadden, dat in die dagen aan hen schone en welgevallige dochters geboren werden. 2 En de engelen, de kinderen van de hemel, zagen hen en begeerden hen, en zeiden onder elkander: Komt, laat ons uit de kinderen van de mensen vrouwen voor ons kiezen en ons kinderen verwekken. 3 En Semjaza, die hun aanvoerder was, zei tot hen: Ik vrees dat u deze daad wellicht niet zult willen volbrengen, en dat ik alleen de boeter van deze grote zonde zal zijn. 4 En zij allen antwoordden hem en zeiden: Laat ons allen een eed zweren en ons onderling door vervloekingen verbinden, dat wij van dit voornemen niet zullen afwijken, maar dit voornemen tot een daad zullen maken. 5 Toen zwoeren zij allen tezamen en verbonden zich allen onderling door vervloekingen daaraan. 6 En zij waren in het geheel tweehonderd; en zij daalden neder op Ardis, dat de top is van de berg Hermon; en zij noemden hem de berg Hermon, omdat zij daarop gezworen en zich onderling door vervloekingen verbonden hadden. 7 En dit zijn de namen van hun aanvoerders: Semjaza, die hun aanvoerder was, Urakibarameël, Akibeël, Tamiël, Ramuël, Danël, Ezekeël, Sarakujal, Asaël, Armars, Batreal, Anani, Zakebe, Samsaweël, Sartaël, Turël, Jomjaël, Arazjal. 8 Dezen waren de aanvoerders van de tweehonderd engelen, en al de overigen waren met hen. ### Henoch 7 1 En zij namen zich vrouwen, en een ieder koos voor zich één na één, en zij begonnen tot haar in te gaan en zich met haar te verenigen, en zij leerden haar toverijen en bezweringen en het snijden van wortels, en maakten haar bekend met de planten. 2 En dezen werden zwanger en baarden grote reuzen, van wie de gestalte drieduizend el bedroeg. 3 Dezen verteerden al de opbrengst van de mensen, totdat de mensen hen niet meer konden voeden. 4 En de reuzen keerden zich tegen hen om de mensen te verslinden. 5 En zij begonnen te zondigen tegen de vogels en de dieren en het kruipend gedierte en de vissen, en zij verslonden elkaars vlees onder elkander, en dronken daarvan het bloed. 6 Toen bracht de aarde een aanklacht in tegen de goddelozen. ### Henoch 8 1 En Azazel leerde de mensen zwaarden en messen en schilden en borstharnassen te maken, en toonde hun wat achter hen ligt en de bewerking daarvan: armbanden en sieraden, en het gebruik van oogzwartsel en het opschminken van de oogleden, en allerlei kostbare en uitgelezen stenen uit alle gesteente, en al de kleurstoffen en de verandering van de wereld. 2 En er ontstond grote goddeloosheid en veel hoererij; en zij dwaalden af, en al hun wegen werden verdorven. Amezarak leerde al de bezweerders en de wortelsnijders; Armaros de ontbinding van de bezweringen; en Barakal de sterrenwichelaars; en Kokabeël de tekenen; en Tumeël leerde het waarnemen van de sterren; en Asradeël leerde de loop van de maan. 3 En bij het verderf van de mensen riepen zij, en hun stem bereikte de hemel. ### Henoch 9 1 En toen zagen Michaël en Gabriël en Suryan en Uryan uit de hemel neder, en zij zagen veel bloed dat op de aarde vergoten werd, en al het onrecht dat op de aarde bedreven werd. 2 En zij zeiden onder elkander: De stem van hun geroep — de aarde, ontledigd, schreeuwt tot aan de poorten van de hemel. 3 En nu, tot u, o heiligen van de hemel, brengen de zielen van de mensen hun aanklacht, zeggende: Brengt onze zaak voor de Allerhoogste. 4 En zij zeiden tot hun Heere, de Koning: Want U bent de Heere van de heren en de God van de goden en de Koning van de koningen; en de troon van Uw heerlijkheid is tot in alle geslachten van de wereld, en Uw naam is heilig en geprezen tot in alle geslachten van de wereld, en gezegend en geprezen bent U. 5 U hebt alles gemaakt, en de heerschappij over alles is bij U, en alles ligt ontbloot en openbaar voor U, en U ziet alles, en er is niets dat zich voor U verbergen kan. 6 U hebt gezien wat Azazel gedaan heeft, hoe hij alle onrecht op de aarde geleerd heeft en de eeuwige verborgenheden geopenbaard heeft die in de hemelen gebeuren. 7 En Semjaza heeft de bezweringen bekendgemaakt, hij aan wie U macht hebt gegeven om te heersen over hen die met hem zijn, tezamen. 8 En zij zijn tezamen tot de dochters van de mensen gegaan en hebben bij haar gelegen, bij die vrouwen, en hebben zich verontreinigd, en hebben haar die zonden geopenbaard. 9 En de vrouwen hebben reuzen gebaard, en daardoor is de hele aarde vervuld geworden met bloed en onrecht. 10 En nu, zie, de zielen van hen die gestorven zijn roepen en brengen hun aanklacht tot aan de poorten van de hemel, en hun gejammer stijgt op, en zij kunnen niet ontkomen aan het aangezicht van het onrecht dat op de aarde bedreven wordt. 11 En U weet alles voordat het gebeurt, en U weet dit en wat hen betreft, en toch zegt U ons niets; en wat behoren wij hun aangaande dit te doen? ### Henoch 10 1 En toen sprak de Allerhoogste, de Grote en Heilige, en Hij zond Arsjelaljur tot de zoon van Lamech, en zei tot hem: 2 Zeg tot hem in Mijn naam: Verberg u! En openbaar hem het einde dat komende is: dat de hele aarde vernietigd zal worden, en dat de wateren van een vloed op de hele aarde zullen komen, en dat al wat daarop is vernietigd zal worden. 3 En nu, onderwijs hem hoe hij ontkomen kan, en dat zijn zaad voor de hele aarde behouden blijve. 4 En opnieuw zei de Heere tot Rafaël: Bind Azazel aan zijn handen en zijn voeten, en werp hem in de duisternis; en maak een opening in de woestijn die in Dudaël is, en werp hem daarin. 5 En leg op hem ruwe en scherpe stenen, en bedek hem met duisternis, en laat hem daar in eeuwigheid wonen, en bedek zijn aangezicht, opdat hij het licht niet zie. 6 En op de grote dag des oordeels zal hij in de vuurgloed geworpen worden. 7 En genees de aarde die de engelen verdorven hebben, en verkondig de genezing van de aarde, dat Ik de aarde genezen zal, en dat niet al de kinderen van de mensen vernietigd worden door de verborgenheid van alles wat de wachters gedood en aan hun kinderen geleerd hebben. 8 En de hele aarde is verdorven door de leer van de werken van Azazel; en aan hem, schrijf al de zonde toe. 9 En tot Gabriël zei God: Ga tegen de bastaarden en de verworpenen en tegen de kinderen van de hoererij, en verdelg de kinderen van de hoererij en de kinderen van de wachters uit het midden van de mensen; en breng hen voort en zend hen tegen elkander, opdat zij zelf elkander in de strijd verdelgen; want lengte van dagen hebben zij niet. 10 En al smeken zij u allen, het zal hun vaderen te hun behoeve niet gegeven worden; want zij hopen het eeuwige leven te leven, en dat een ieder van hen vijfhonderd jaren leven zal. 11 En tot Michaël zei God: Verkondig aan Semjaza en aan de anderen die met hem zijn, die zich met de vrouwen verenigd hebben om zich met haar in al haar onreinheid te verontreinigen. 12 Wanneer al hun zonen elkander doden en wanneer zij het verderf van hun geliefden zien, bind hen dan zeventig geslachten lang onder de heuvelen van de aarde, tot de dag van hun oordeel en van hun voleinding, totdat het oordeel dat tot in alle eeuwigheid is, voleindigd is. 13 En in die dagen zullen zij weggevoerd worden naar de vuurpoel, in verwelken, en in het gevangenhuis zullen zij opgesloten worden tot in alle eeuwigheid. 14 En al wie van nu af aan verbrand en verdorven wordt, zal met hen tezamen gebonden worden tot de voleinding van geslacht op geslacht. 15 En verdelg al de zielen van de wellustigen en de kinderen van de wachters, omdat zij de mensen verdrukt hebben. 16 Verdelg alle verdrukking van het aangezicht van de aarde, en laat elk boos werk een einde nemen; en laat de plant van de gerechtigheid en van de waarheid verschijnen, en het zal een werk van de zegening worden; gerechtigheid en waarheid zullen in blijdschap geplant worden in eeuwigheid. 17 En nu, al de rechtvaardigen zullen ontkomen, en zij zullen leven totdat zij duizend kinderen verwekken, en al de dagen van hun jeugd en hun sabbatten zullen zij in vrede voleindigen. 18 En in die dagen zal de hele aarde in gerechtigheid bebouwd worden, en zij zal geheel en al met bomen beplant worden en met zegen vervuld zijn. 19 En allerlei begeerlijke bomen zullen daarop geplant worden, en zij zullen daarop wijnstokken planten, en de wijnstok die daarop geplant wordt zal vrucht dragen tot verzadiging toe; en van al het zaad dat daarop gezaaid wordt zal één maat tienduizend voortbrengen, en één maat olijven zal tien persingen olie voortbrengen. 20 En reinig u de aarde van alle verdrukking, en van alle onrecht, en van alle zonde, en van alle goddeloosheid, en van alle onreinheid die op de aarde bedreven wordt; verdelg hen van de aarde. 21 En al de kinderen van de mensen zullen rechtvaardig worden, en al de heidenen zullen Mij aanbidden en Mij zegenen, en zij allen zullen zich voor Mij nederbuigen. En de aarde zal gereinigd worden van alle bederf, en van alle zonde, en van alle plaag, en van alle verwelken; en Ik zal niet opnieuw een vloed daarop zenden, tot in geslacht op geslacht en tot in eeuwigheid. ### Henoch 11 1 En in die dagen zal Ik de schatkamers van de zegen openen, die in de hemel zijn, om ze neer te zenden op de aarde, over het werk en de arbeid van de kinderen van de mensen. 2 Vrede en gerechtigheid zullen samen verbonden zijn al de dagen van de wereld en in alle geslachten van de wereld. ### Henoch 12 1 En vóór al deze dingen werd Henoch verborgen, en niemand van de kinderen van de mensen wist waar hij verborgen was, en waar hij verbleef, en wat er van hem geworden was. 2 En al zijn werk was met de heiligen en met de wachters in zijn dagen. 3 En ik, Henoch, was bezig de grote Heere en de Koning van de eeuwen te loven, en zie, de wachters riepen mij — mij, Henoch de schrijver — en zeiden tot mij: 4 Henoch, u schrijver van de gerechtigheid, ga, zeg aan de wachters van de hemel, die de hoge hemel verlaten hebben en de heilige, eeuwige verblijfplaats, en zich met de vrouwen verontreinigd hebben, en gedaan hebben zoals de kinderen van de mensen doen, en zich vrouwen genomen hebben, en groot verderf op de aarde aangericht hebben: 5 Er zal voor hen op de aarde geen vrede zijn en geen vergeving van zonde, want zij zullen zich niet verblijden in hun kinderen. 6 De moord op hun geliefden zullen zij zien, en over het verderf van hun kinderen zullen zij weeklagen, en zij zullen smeken tot in eeuwigheid, maar voor hen zal er geen barmhartigheid en geen vrede zijn. ### Henoch 13 1 En Henoch ging heen en zei tot Azazel: Er zal voor u geen vrede zijn; een zwaar oordeel is over u uitgegaan om u te binden. 2 En er zal voor u geen verdraagzaamheid en geen verzoek en geen barmhartigheid zijn, vanwege het geweld dat u geleerd hebt, en vanwege al de werken van godslastering en geweld en zonde, die u aan de kinderen van de mensen getoond hebt. 3 Toen ging ik heen en sprak tot hen allen tezamen; en zij vreesden allen, en vrees en beving greep hen aan. 4 En zij verzochten mij een gedenkschrift van smeking voor hen op te stellen, opdat er voor hen vergeving zou zijn, en opdat ik het gedenkschrift van hun smeking zou opdragen aan God in de hemel. 5 Want zij konden van toen af niet meer spreken, en zij konden hun ogen niet opheffen naar de hemel vanwege de schaamte over hun overtredingen, waarom zij veroordeeld waren. 6 En toen schreef ik het gedenkschrift van hun smeking en hun smeekbede aangaande hun geesten en aangaande elk van hun daden, en aangaande dat wat zij verzochten, opdat er voor hen vergeving en verlenging van dagen zou zijn. 7 En ik ging heen en zette mij neer bij de wateren van Dan, in Dan, dat ten zuiden van het westen van Hermon ligt; en ik las het gedenkschrift van hun smeking, totdat ik in slaap viel. 8 En zie, een droom kwam tot mij, en gezichten daalden op mij neer, en ik zag een gezicht van kastijding, en het beval mij het aan de zonen van de hemel te vertellen en hen te bestraffen. 9 En toen ik ontwaakte, kwam ik tot hen, en zij zaten allen bijeenvergaderd, terwijl zij weeklaagden te Abelsjaïl, dat tussen Libanon en Sénésér ligt, met bedekte aangezichten. 10 En ik verhaalde voor hun aangezicht al de gezichten die ik in mijn slaap gezien had, en ik begon de woorden van de gerechtigheid te spreken en de wachters van de hemel te bestraffen. ### Henoch 14 1 Dit is het boek van de woorden van de gerechtigheid en van de bestraffing van de eeuwige wachters, naar het gebod van de Heilige en Grote, in dat gezicht. 2 Ik zag in mijn slaap wat ik nu zal spreken met een tong van vlees en met de adem van mijn mond, die de Grote aan de mensen gegeven heeft, om daarmee te spreken en met het hart te verstaan. 3 Zoals Hij geschapen heeft en aan de mensen gegeven heeft het woord van de kennis te verstaan, zo heeft Hij ook mij geschapen en mij gegeven de wachters, de zonen van de hemel, te bestraffen. 4 Ik heb uw verzoekschrift geschreven, en in mijn gezicht verscheen het zo, dat uw verzoek u niet ingewilligd zal worden al de dagen van de eeuwigheid, en dat het oordeel over u onherroepelijk geveld is, en het zal u niet ingewilligd worden. 5 En van nu af zult u niet opklimmen naar de hemel tot in alle eeuwigheid, en op de aarde is het besluit uitgegaan u te binden al de dagen van de wereld. 6 En vóór dat zult u het verderf van uw geliefde zonen gezien hebben, en u zult geen behagen in hen hebben, maar zij zullen voor uw aangezicht vallen door het zwaard. 7 En uw verzoek voor hen zal niet ingewilligd worden, en ook niet voor uzelf; en u, terwijl u weent en smeekt, zult zelfs niet één woord kunnen spreken uit het boek dat ik geschreven heb. 8 En aan mij werd een gezicht getoond, zo: zie, wolken riepen mij in het gezicht, en een nevel riep mij, en de loop van de sterren en de bliksemschichten dreven mij aan en drongen mij voort, en de winden deden mij in het gezicht vliegen en voerden mij omhoog. 9 En zij droegen mij op naar de hemel, en ik ging naar binnen totdat ik naderde tot een muur die gebouwd was van kristalstenen, en een tong van vuur omringde hem, en die begon mij schrik aan te jagen. 10 En ik ging binnen in de tong van vuur en naderde tot een groot huis dat gebouwd was van kristalstenen; en de wanden van dat huis waren als een vloer van steentegels, van kristalstenen, en de bodem daarvan was kristal. 11 Het gewelf daarvan was als de loop van de sterren en de bliksemschichten, en daartussen waren cherubim van vuur, en hun hemel was water. 12 En een brandend vuur omringde de wanden, en de deuren daarvan laaiden van vuur. 13 En ik ging binnen in dat huis, en het was heet als vuur en koud als ijs; er was geen vreugde en geen leven daarin; vrees overdekte mij en beving greep mij aan. 14 En terwijl ik beefde en sidderde, viel ik op mijn aangezicht, en ik zag in een gezicht. 15 En zie, er was een ander huis, groter dan dat, en heel zijn deur stond voor mij open, en het was gebouwd van tongen van vuur. 16 En in alles overtrof het zozeer in heerlijkheid en eer en grootheid, dat ik u zijn heerlijkheid en zijn grootheid niet kan verhalen. 17 En zijn bodem was vuur, en daarboven waren bliksem en de loop van de sterren, en zijn gewelf was eveneens laaiend vuur. 18 En ik zag toe en ik zag daarin een hoge troon; en zijn aanzien was als kristal, en zijn wielen als de zon die schijnt, en het geluid van cherubim. 19 En van onder de grote troon gingen stromen van laaiend vuur uit, en men kon die niet aanschouwen. 20 En de Grote Heerlijkheid zat daarop, en Zijn gewaad was blinkender dan de zon en witter dan alle sneeuw. 21 En geen van de engelen kon binnengaan, en geen die van vlees is kon het aanzien van het aangezicht van de Geëerde en Verheerlijkte aanschouwen of Hem zien. 22 Een laaiend vuur was rondom Hem, en een groot vuur stond voor Hem, en niemand van hen die rondom Hem waren kon tot Hem naderen; tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem, maar Hij had geen raad nodig. 23 En de heiligen die tot Hem naderden, weken niet bij nacht en bij dag, en zij verlieten Hem niet. 24 En ik lag tot dan toe op mijn aangezicht, bedekt en bevend; en de Heere riep mij met Zijn mond en zei tot mij: Kom hier, Henoch, en hoor Mijn heilig woord. 25 En Hij richtte mij op en bracht mij tot aan de deur; maar ik, ik hield mijn aangezicht naar beneden gericht. ### Henoch 15 1 En Hij antwoordde en zei tot mij met Zijn stem: Hoor, vrees niet, Henoch, u rechtvaardige man en schrijver van de gerechtigheid; kom hier en hoor Mijn stem. 2 En ga, zeg tot de wachters van de hemel, die u gezonden hebben om voor hen te bidden: U behoort voor de mensen te bidden, en niet de mensen voor u. 3 Waarom hebt u de hoge, heilige en eeuwige hemel verlaten, en bij de vrouwen gelegen, en u met de dochters van de mensen verontreinigd, en u vrouwen genomen, en gedaan zoals de kinderen van de aarde, en reuzen als zonen verwekt? 4 En u, hoewel u geestelijk was, heilig, levend het eeuwige leven, hebt u met de vrouwen verontreinigd, en met het bloed van vlees kinderen verwekt, en naar het bloed van de mensen begeerd, en gedaan zoals zij die vlees en bloed voortbrengen, die sterven en vergaan. 5 En daarom heb Ik hun vrouwen gegeven, opdat zij in haar zouden zaaien en kinderen uit haar geboren zouden worden, opdat zo een werk gedaan zou worden op de aarde. 6 Maar u was van den beginne geestelijk, levend het eeuwige leven, dat niet sterft in alle geslachten van de wereld. 7 En daarom heb Ik voor u geen vrouwen gemaakt, want de woning van de geestelijke wezens is in de hemel. 8 En nu, de reuzen, die geboren zijn uit geest en vlees, zullen boze geesten genoemd worden op de aarde, en op de aarde zal hun woning zijn. 9 En boze geesten zijn uit hun lichamen uitgegaan, omdat zij van boven geschapen zijn; uit de heilige wachters was hun begin en hun eerste oorsprong; zij zullen boze geesten zijn op de aarde, en boze geesten zullen zij genoemd worden. 10 En de geesten van de hemel, in de hemel zal hun woning zijn; maar de geesten van de aarde, die op de aarde geboren zijn, op de aarde zal hun woning zijn. 11 En de geesten van de reuzen, die verdrukken, verderven, aanvallen, strijden en op de aarde verbrijzelen, en verdriet veroorzaken; en zij eten geen voedsel, en dorsten niet, en worden niet waargenomen. En deze geesten zullen zich niet oprichten tegen de kinderen van de mensen en tegen de vrouwen, omdat zij uitgegaan zijn in de dagen van moord en verderf. ### Henoch 16 1 En vanaf de dagen van de slachting en het verderf en de dood, uit de zielen van wie de geesten uit het vlees zijn uitgegaan, zullen zij verderf aanrichten zonder oordeel te ondergaan. Zo zullen zij verderven tot de dag van het grote oordeel, waarop de grote wereld voleindigd zal worden, over de wachters en de goddelozen; ja, zij zal geheel voleindigd worden. 2 En nu, wat betreft de wachters die u gezonden hebben om voor hen te pleiten, die vroeger in de hemel waren: 3 En nu, u was wel in de hemel, maar de verborgenheden waren u nog niet geopenbaard, en een verachtelijke verborgenheid kende u; en deze hebt u aan de vrouwen bekendgemaakt in de hardheid van uw hart, en door deze verborgenheid vermenigvuldigen vrouwen en mannen het kwaad op de aarde. 4 Zeg hun daarom: U hebt geen vrede. ### Henoch 17 1 En zij namen mij mee naar een plaats waar zij die daar waren als brandend vuur waren, en wanneer zij wilden, verschenen zij als mensen. 2 En hij bracht mij naar een plaats van duisternis, en naar een berg waarvan de top tot in de hemel reikte. 3 En ik zag de plaatsen van de lichten en van de donder, in de uiterste einden, waar in de diepte een boog van vuur was, en pijlen en hun pijlkoker, en een zwaard van vuur, en alle bliksemschichten. 4 En zij namen mij mee tot het water des levens, dat spreekt, en tot het vuur van het westen, dat elke ondergang van de zon opneemt. 5 En ik kwam tot een rivier van vuur, waarin het vuur vloeit als water en zich uitstort in de grote zee die naar het westen ligt. 6 En ik zag alle grote rivieren, en ik kwam tot de grote duisternis, en ik ging naar de plaats waar geen wezen van vlees wandelt. 7 En ik zag de bergen van de donkerheid van de winter en de plaats waar het water van heel de afgrond uitstroomt. 8 En ik zag de monden van alle rivieren van de aarde en de mond van de afgrond. ### Henoch 18 1 En ik zag de schatkamers van alle winden, en ik zag hoe Hij daarmee heel de schepping en de grondvesten van de aarde had toegerust. 2 En ik zag de hoeksteen van de aarde, en ik zag de vier winden die de aarde en het uitspansel van de hemel dragen. 3 En ik zag hoe de winden de hoogten van de hemel uitspannen, en zij staan tussen hemel en aarde; zij zijn de pilaren van de hemel. 4 En ik zag de winden die de hemel doen wentelen, die de schijf van de zon en alle sterren doen ondergaan. 5 En ik zag de winden op de aarde die de wolken dragen; en ik zag de paden van de engelen; ik zag aan het einde van de aarde het uitspansel van de hemel daarboven. 6 En ik trok voort naar het zuiden, en het brandt daar dag en nacht, waar zeven bergen zijn van kostbaar gesteente, drie naar het oosten en drie naar het zuiden. 7 En die naar het oosten waren, waren van gekleurd gesteente, en één van parel, en één van jacint; en die naar het zuiden waren van rood gesteente. 8 Maar de middelste reikte tot aan de hemel, als de troon van God, van albast, en de top van de troon was van saffier. 9 En ik zag een brandend vuur, en wat er in al die bergen was. 10 En ik zag daar een plaats aan de overzijde van de grote aarde; daar verzamelen zich de wateren. 11 En ik zag een diepe kloof van de aarde, met pilaren van hemels vuur, en ik zag daarin de pilaren van de hemel, die van vuur waren en nederdaalden, en zij waren zonder getal, zowel naar de hoogte als naar de diepte. 12 En boven die kloof zag ik een plaats die geen uitspansel van de hemel boven zich had en geen grondvest van de aarde onder zich; er was geen water op en geen vogels, maar het was een woeste plaats. 13 En iets vreselijks zag ik daar: zeven sterren als grote brandende bergen, en als een geest die mij ondervroeg. 14 De engel zei: Dit is de plaats van de voleinding van hemel en aarde; deze is tot een gevangenis geworden voor de sterren van de hemel en voor het leger van de hemel. 15 En de sterren die over het vuur rollen, dat zijn zij die het gebod van God hebben overtreden vanaf het begin van hun opgang, omdat zij niet op hun bestemde tijd tevoorschijn kwamen. 16 En Hij werd toornig op hen en bond hen tot de tijd van de voleinding van hun zonde, in het jaar van de verborgenheid. ### Henoch 19 1 En Uriël zei tot mij: Hier zullen de geesten staan van de engelen die zich met de vrouwen verbonden hebben; en allerlei van gedaante geworden, hebben zij de mensen verontreinigd en de mensen doen dwalen, zodat zij aan de demonen offeren als aan goden, tot op de dag van het grote oordeel, waarop zij geoordeeld zullen worden totdat zij weggedaan zijn. 2 En ook hun vrouwen, die de engelen van de hemel hebben doen dwalen, zullen als sirenen worden. 3 En ik, Henoch, zag als enige het gezicht, de einden van alles; en niemand van de mensen heeft gezien zoals ik gezien heb. ### Henoch 20 1 En dit zijn de namen van de heilige engelen die waken. 2 Uriël, een van de heilige engelen, want hij is over de donder en de aardbeving. 3 Rafaël, een van de heilige engelen, die over de geesten van de mensen is. 4 Raguël, een van de heilige engelen, die wraak oefent over de wereld en over de lichten. 5 Michaël, een van de heilige engelen, want hij is gesteld over het beste deel van de mensen, gebiedend over het volk. 6 Saraqaël, een van de heilige engelen, die gesteld is over de geesten van de mensenkinderen die met hun geest zondigen. 7 Gabriël, een van de heilige engelen, die gesteld is over de slangen en over het paradijs en over de cherubim. ### Henoch 21 1 En ik ging voort tot een plaats waar niets gemaakt was. 2 En ik zag daar een verschrikkelijk werk: geen hoge hemel, en geen gegronde aarde, maar een woeste plaats, verlaten en gruwelijk. 3 En daar zag ik zeven sterren van de hemel, samen gebonden op die plaats, als grote bergen en als met vuur brandende. 4 Toen zei ik: Om welke zonde zijn zij gebonden, en waarom zijn zij hierheen geworpen? 5 En Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was — hij was het die mij leidde — zei tot mij: Henoch, waarover vraagt u, en waarover verlangt u de waarheid, en vraagt en zoekt u met ijver? 6 Dezen zijn van de sterren die het gebod van El Elyon overtreden hebben, en zij zijn hier gebonden, totdat de tienduizend jaren van de wereld voleindigd zijn, het getal van de dagen van hun zonde. 7 En vandaar ging ik naar een andere plaats, nog gruwelijker dan deze, en ik zag een verschrikkelijk werk: een groot vuur dat daar brandde en vlamde, en er was een kloof in, en die reikte tot aan de afgrond, vol grote pilaren van vuur die neerdaalden; en noch de omvang, noch de grootte daarvan kon ik aanschouwen, en ik was niet in staat het met het oog te aanschouwen. 8 Toen zei ik: Hoe verschrikkelijk is deze plaats, en hoe pijnlijk om aan te zien! 9 Toen antwoordde mij Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was; hij antwoordde mij en zei tot mij: Henoch, wat is deze vrees van u, en deze ontsteltenis, vanwege deze verschrikkelijke plaats en voor het aangezicht van deze pijn? 10 En hij zei tot mij: Deze plaats is de gevangenis van de engelen, en daar worden zij vastgehouden tot in eeuwigheid. ### Henoch 22 1 En vandaar ging ik naar een andere plaats, en hij toonde mij in het westen een grote en hoge berg, en een harde rots, en vier schone plaatsen. 2 En daarin waren er die diep en wijd en zeer glad waren, glad als iets dat rolt, en diep en donker om aan te zien. 3 Toen antwoordde mij Rafaël, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot mij: Deze schone plaatsen zijn ertoe gemaakt, opdat de geesten, de zielen van de doden, zich daarop verzamelen; voor hen zijn dezen geschapen, opdat hier alle zielen van de mensenkinderen zich verzamelen. 4 En deze plaatsen, waar men hen neerlegt, heeft men gemaakt tot de dag van hun oordeel en tot de tijd van hun bestemde einde; en die tijd is groot, tot het grote oordeel over hen komt. 5 En ik zag de geesten van de mensenkinderen die gestorven waren, en hun stem reikte tot aan de hemel en klaagde aan. 6 Toen vroeg ik Rafaël, de engel die bij mij was, en zei tot hem: Deze geest, van wie is die, van wie de stem zo omhoog reikt en aanklaagt? 7 En hij antwoordde mij en zei: Dit is de geest die van Abel is uitgegaan, die Kaïn zijn broer gedood heeft; en die klaagt tegen hem aan, totdat zijn zaad vernietigd wordt van het aangezicht van de aarde, en zijn zaad uit het zaad van de mensen te niet gaat. 8 En daarom vroeg ik toen over hem en over het oordeel over allen, en ik zei: Waarom is de een van de ander gescheiden? 9 En hij antwoordde mij en zei: Deze drie zijn gemaakt, opdat de geesten van de doden gescheiden zouden worden; en zo is de ziel van de rechtvaardigen afgezonderd — dit is de waterbron waarop licht is. 10 Evenzo is er een gemaakt voor de zondaren, wanneer zij sterven en in de aarde begraven worden en het oordeel bij hun leven niet aan hen voltrokken is. 11 En hier worden hun zielen afgezonderd in deze grote pijn, tot aan de grote dag van het oordeel en de gesel en de verwelken voor hen die vervloeken tot in eeuwigheid, en de wraak over hun zielen; en daar bindt Hij hen tot in eeuwigheid. 12 En dit is zelfs van vóór de wereld af; en zo is er een afgezonderd voor de zielen van hen die aanklagen en die openbaar maken wat hun verderf betreft, toen zij gedood werden in de dagen van de zondaren. 13 Zo is er geschapen voor de zielen van de mensen die niet rechtvaardig waren, maar zondaren, die volkomen in overtreding waren; en met de overtreders zullen zij zijn, hun gelijk. Maar hun zielen zullen op de dag van het oordeel niet gedood worden, en zij zullen vandaar niet opstaan. 14 Toen zegende ik de Heere van de heerlijkheid en zei: Gezegend is mijn Heere, de Heere van de heerlijkheid en gerechtigheid, Die over alles heerst tot in eeuwigheid. ### Henoch 23 1 En vandaar ging ik naar een andere plaats, naar het westen, tot aan de einden van de aarde. 2 En ik zag een brandend vuur dat liep, zonder te rusten en zonder in zijn loop op te houden, dag en nacht, maar altijd op dezelfde wijze. 3 En ik vroeg, zeggende: Wat is dit, dat geen rust heeft? 4 Toen antwoordde mij Raguël, een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot mij: Dit wat u gezien hebt, de loop naar het westen, is het brandende vuur; het is dat wat al de lichten van de hemel voortdrijft. ### Henoch 24 1 En vandaar ging ik naar een andere plaats van de aarde, en hij toonde mij een berg van vuur, die dag en nacht vlamde. 2 En ik ging tot voorbij die berg en zag zeven heerlijke bergen, alle verschillend, de een van de ander, en kostbare en schone stenen, en alles was heerlijk; en glansrijk was hun aanblik en schoon hun aangezicht: drie naar het oosten, vast gegrond de een op de ander, en drie naar het noorden, vast gegrond de een op de ander, en diepe en kronkelende dalen, waarvan er geen aan een ander grensde. 3 En de zevende berg was in het midden van deze, en in hoogte geleken zij alle op de zetel van een troon; en geurende bomen omringden hem. 4 En daaronder was een boom, waarvan ik nog nooit de geur geroken had, en geen enkele van hen, en ook geen andere, was als deze; hij geurde welriekender dan alle geur, en zijn bladeren en zijn bloesem en zijn hout verwelken niet tot in eeuwigheid; en zijn vrucht is goed — zijn vrucht is als de trossen van een palmboom. 5 En toen zei ik: Zie, dit is een schone boom, en schoon om aan te zien, en lieflijk zijn zijn bladeren, en zijn vrucht zeer aangenaam voor het oog. 6 En toen antwoordde mij Michaël, een van de heilige en geëerde engelen die bij mij was, en hij was hun aanvoerder. ### Henoch 25 1 En hij zei tot mij: Henoch, waarom vraagt u mij naar de geur van deze boom, en verlangt u de waarheid te vernemen, opdat u het zou weten? 2 En toen antwoordde ik, Henoch, hem, zeggende: Ik verlang naar alles te weten, maar bovenal aangaande deze boom. 3 En hij antwoordde mij, zeggende: Deze hoge berg die u gezien hebt, waarvan de top gelijkt op de troon van de Heere, is Zijn troon, waar de Heilige en Grote, de Heere van de heerlijkheid, de eeuwige Koning, zal zitten, wanneer Hij zal neerdalen om de aarde met goedheid te bezoeken. 4 En aangaande deze geurende boom: geen mens van vlees heeft macht om hem aan te raken, tot aan het grote oordeel, wanneer Hij aan alles wraak zal oefenen en het voleindigd zal worden tot in eeuwigheid; dan zal hij gegeven worden aan de rechtvaardigen en de nederigen. 5 Van zijn vrucht zal aan de uitverkorenen leven gegeven worden; naar het noorden zal hij geplant worden, op een heilige plaats, bij het huis van de Heere, de eeuwige Koning. 6 Dan zullen zij zich verheugen met vreugde en blij zijn; in het heiligdom zullen zij ingaan, en zijn geur zal in hun gebeente doordringen, en zij zullen een lang leven leven op de aarde, zoals uw vaderen geleefd hebben; en in hun dagen zullen verdriet en pijn en moeite en gesel hen niet aanraken. 7 Toen zegende ik de Heere van de heerlijkheid, de eeuwige Koning, omdat Hij zulke dingen bereid heeft voor de rechtvaardige mensen, en zo geschapen heeft, en gezegd heeft dat men ze hun geven zou. ### Henoch 26 1 En vandaar ging ik naar het midden van de aarde, en ik zag een gezegende en welbesproeide plaats, waarin takken waren die uitliepen en bloeiden, ontsproten uit een boom die was afgehouwen. 2 En daar zag ik een heilige berg, en onder de berg, aan de oostzijde, was water, en zijn stroom liep naar het noorden. 3 En ik zag naar het oosten een andere berg, hoger dan deze, en tussen hen een diep dal, dat geen breedte had; en ook daarin liep water naar de berg toe. 4 En aan de westzijde daarvan was er nog een berg, lager dan deze, en van geringe hoogte, en een dal beneden tussen hen; en andere diepe en droge dalen waren aan de uiteinden van de drie bergen. 5 En al zijn dalen waren diep en hadden geen breedte, gehouwen uit harde rots; en geen boom was daarop geplant. 6 En ik verwonderde mij over de rots, en ik verwonderde mij over het dal, ja, ik verwonderde mij zeer. ### Henoch 27 1 In die tijd zei ik: Waartoe dient dit gezegende land, dat geheel vol bomen is, en dit vervloekte dal in hun midden? 2 In die tijd antwoordde mij Uriël, een van de heilige engelen die bij mij was, en hij zei tot mij: Dit vervloekte dal is voor de vervloekten tot in eeuwigheid. Hier zullen allen verzameld worden die met hun mond tegen God woorden spreken die niet passen, en over Zijn heerlijkheid harde dingen spreken; hier zal men hen verzamelen, en hier zal hun oordeel zijn. 3 En in de laatste dagen zal over hen het schouwspel van het rechtvaardige oordeel komen, voor het aangezicht van de rechtvaardigen, tot in eeuwigheid; al de dagen zullen hier de barmhartigen de Heere van de heerlijkheid loven, de eeuwige Koning. 4 En in de dagen van hun oordeel zullen zij Hem loven om de barmhartigheid, waarnaar Hij hun heeft toebedeeld. 5 In die tijd loofde ook ik de Heere van de heerlijkheid, en ik sprak tot Hem en gewaagde van Hem, zoals het Zijn grootheid past. ### Henoch 28 1 En vandaar ging ik naar het oosten, tot in het midden van het bergland van de woestijn, en ik zag een wildernis, die geheel eenzaam was. 2 Maar zij was vol bomen uit dit zaad, en water welde van boven op haar op. 3 Er verscheen een waterloop, als een overvloedige die stroomde naar het noordwesten, en van alle kanten deed hij water en dauw opstijgen. ### Henoch 29 1 En ik ging naar een andere plaats, weg van de woestijn, en ik naderde tot het oosten van die berg. 2 En daar zag ik bomen des oordeels, die overvloedig de geur van wierook en mirre uitwasemden, en de bomen waren aan geen andere gelijk. ### Henoch 30 1 En daarbovenuit, boven deze, boven de berg in het oosten, en niet ver weg, zag ik een andere plaats, een dal met water als een dat niet opdroogt; en ik zag een schone boom, 2 en zijn geur was als die van de mastikboom. 3 En aan de zijden van die dalen zag ik geurige kaneel; en daaraan voorbij ging ik verder naar het oosten. ### Henoch 31 1 En ik zag een andere berg, waarop bomen stonden, en er stroomde water uit voort; en het vloeide uit hem als nectar, waarvan de naam sarira en galbanum is. 2 En op die berg zag ik nog een andere berg, en daarop stonden aloëbomen; en die bomen waren vol, zoals de amandelboom, en stevig. 3 En wanneer men van die vrucht nam, gaf zij een liefelijker geur dan alle reukwerk. ### Henoch 32 1 En na deze geuren, naar het noorden toe, terwijl ik over de bergen keek, zag ik zeven bergen, vol uitgelezen nardus en geurende bomen en kaneel en peper. 2 En vandaar ging ik over de toppen van die bergen, ver naar het oosten, en ik trok voort over de Rode Zee heen, en ik kwam er ver vandaan, en ik ging voorbij aan de engel Zutiël. 3 En ik kwam in de hof van de gerechtigheid, en aan de overzijde van die bomen zag ik vele en grote bomen daar groeien; en hun geur was goed en sterk, en hun schoonheid groot en heerlijk, en de boom van de wijsheid, waarvan zij die ervan eten grote wijsheid leren kennen. 4 En hij geleek op de johannesbroodboom, en zijn vrucht was als de trossen van de wijnstok, zeer schoon; en de geur van die boom ging uit en drong ver door. 5 En ik zei: Schoon is deze boom, en hoe schoon en verkwikkend is zijn aanblik! 6 En de heilige engel Rafaël, die bij mij was, antwoordde mij en zei: Dit is de boom van de wijsheid, waarvan uw vader, de bejaarde, en uw moeder, de oude vrouw, die vóór u waren, gegeten hebben; en zij leerden de wijsheid kennen, en hun ogen werden geopend, en zij bemerkten dat zij naakt waren, en zij werden uit de hof verdreven. ### Henoch 33 1 En vandaar ging ik tot aan de einden van de aarde, en ik zag daar grote dieren, en het ene verschilde van het andere; en ook de vogels verschilden in hun gedaante en schoonheid en stem, het ene van het andere. 2 En aan de oostzijde van deze dieren zag ik de einden van de aarde, waarop de hemel rust, en de poorten van de hemel stonden open. 3 En ik zag hoe de sterren van de hemel tevoorschijn kwamen, en ik telde de poorten waaruit zij tevoorschijn kwamen, en ik schreef al hun uitgangen op, van elke afzonderlijke ster naar hun getal; en hun namen, naar hun rangorde, en hun standplaatsen, en hun tijden, en hun maanden, zoals de engel Uriël, die bij mij was, mij getoond had. 4 En hij toonde mij alles en schreef het op; en bovendien schreef hij voor mij hun namen op, en hun voorschriften, en hun verrichtingen. ### Henoch 34 1 En vandaar ging ik naar het noorden toe, tot aan de einden van de aarde, en daar zag ik een groot en heerlijk wonder aan de einden van de hele aarde. 2 En daar zag ik de poorten van de hemel geopend in de hemel, drie; door elk van hen gaan de winden uit naar het noorden toe. Wanneer zij waaien, is er koude en hagel en vorst en sneeuw en dauw en regen. 3 En uit één poort waait het ten goede; maar wanneer zij door de twee poorten waaien, dan is het met geweld, en er komt verwelken over de aarde, en met geweld waaien zij. ### Henoch 35 1 En vandaar ging ik naar het westen toe, tot aan de einden van de aarde, en ik zag daar drie geopende poorten, gelijk ik in het oosten gezien had, hetzelfde getal poorten en hetzelfde getal van hun uitgangen. ### Henoch 36 1 En vandaar ging ik naar het zuiden, naar de einden van de aarde, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel, en daaruit gingen de zuidenwind uit, en dauw, en regen, en wind. 2 En vandaar ging ik naar het oosten, naar de einden van de hemel, en daar zag ik drie geopende poorten van de hemel naar het oosten, en boven hen kleine poorten. 3 Door elk van die kleine poorten trekken de sterren van de hemel voorbij, en zij gaan naar het westen op de weg die hun getoond is. 4 En telkens als ik dit zag, prees ik, en te allen tijde zal ik de Heere van de heerlijkheid prijzen, Die grote en heerlijke wonderen heeft gedaan, om de grootheid van Zijn werk te tonen aan Zijn engelen en aan de zielen van de mensen, opdat zij Zijn werk zouden prijzen en heel Zijn schepping, opdat zij het werk van Zijn kracht zouden zien en het grote werk van Zijn handen zouden prijzen, en Hem zouden loven tot in eeuwigheid. ### Henoch 37 1 Het gezicht dat hij zag, een tweede gezicht van wijsheid, dat Henoch zag, de zoon van Jared, de zoon van Mahalaleël, de zoon van Kenan, de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van Adam. 2 En dit is het begin van de woorden van wijsheid, die ik verhief om te spreken en te zeggen tot hen die op de aarde wonen: Hoort, u die van ouds bent, en ziet, u die na komt, de heilige woorden die ik spreek voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 3 Voor dezen die van ouds zijn is het beter ze te verkondigen, maar ook aan hen die na komen zullen wij het begin van de wijsheid niet onthouden. 4 Tot op de dag van vandaag is mij, van voor het aangezicht van de Heere van de geesten, nooit zulk een wijsheid gegeven als ik ontvangen heb naar mijn inzicht, naar het welbehagen van de Heere van de geesten, door Wie mij het deel van het eeuwige leven gegeven is. 5 En er waren drie gelijkenissen voor mij, en ik verhief mijn stem terwijl ik ze sprak tot hen die op de aarde wonen. ### Henoch 38 1 De eerste gelijkenis. Wanneer de vergadering van de rechtvaardigen zal verschijnen, en de zondaren om hun zonden geoordeeld zullen worden, en zij van het aangezicht van de aarde verdreven zullen worden; 2 en wanneer de Rechtvaardige zal verschijnen voor de ogen van de rechtvaardigen, van wie de uitverkoren werken hangen aan de Heere van de geesten, en het licht zal verschijnen voor de rechtvaardigen en de uitverkorenen die op de aarde wonen: waar zal dan de woning van de zondaren zijn, en waar de rustplaats van hen die de Heere van de geesten verloochend hebben? Het ware beter voor hen geweest als zij niet geboren waren. 3 En wanneer de verborgen dingen van de rechtvaardigen geopenbaard zullen worden, zullen de zondaren geoordeeld worden, en de goddelozen verdreven worden van het aangezicht van de rechtvaardigen en uitverkorenen. 4 En van die tijd af zullen zij die de aarde bezitten niet meer machtig en verheven zijn, en zij zullen het aangezicht van de heiligen niet kunnen aanschouwen, want de Heere van de geesten heeft Zijn licht doen verschijnen op het aangezicht van de heiligen en rechtvaardigen en uitverkorenen. 5 En de machtige koningen zullen in die tijd te gronde gaan, en overgegeven worden in de handen van de rechtvaardigen en heiligen. 6 En van dan af aan is er niemand die voor zichzelf ontferming zal zoeken bij de Heere van de geesten, want hun leven is ten einde. ### Henoch 39 1 En het zal gebeuren in die dagen dat uitverkoren en heilige kinderen zullen neerdalen uit de hoge hemelen, en hun zaad zal één worden met de kinderen van de mensen. 2 In die dagen ontving Henoch boeken van ijver en toorn, en boeken van onrust en verdrijving; en hun zal geen ontferming bewezen worden, zegt de Heere van de geesten. 3 En in die tijd nam een wolk en een wervelwind mij weg van het aangezicht van de aarde, en zette mij neer aan het einde van de hemelen. 4 En daar zag ik een ander gezicht: de woningen van de rechtvaardigen en de rustplaatsen van de heiligen. 5 Daar zagen mijn ogen hun woningen bij de engelen, en hun rustplaatsen bij de heiligen; en zij baden en pleitten en smeekten voor de kinderen van de mensen, en de gerechtigheid vloeide voor hen als water, en de ontferming als dauw op de aarde; zó is het onder hen tot in alle eeuwigheid. 6 En in die dagen zagen mijn ogen de plaats van de uitverkorenen van gerechtigheid en van geloof; en de gerechtigheid zal zijn in hun dagen, en de rechtvaardigen en uitverkorenen zullen zonder getal zijn voor Zijn aangezicht tot in alle eeuwigheid. 7 En ik zag hun woningen onder de vleugels van de Heere van de geesten, en al de rechtvaardigen en uitverkorenen zullen voor Zijn aangezicht schitteren als de glans van vuur; en hun mond zal vol zijn van zegening, en hun lippen zullen de Naam van de Heere van de geesten prijzen, en de gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht niet ophouden. 8 Daar wenste ik te wonen, en mijn ziel begeerde die woning; daar was tevoren mijn deel, want zó is het aangaande mij vastgesteld voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 9 En in die dagen prees en verhief ik de Naam van de Heere van de geesten met zegeningen en lofprijzingen, want Hij heeft mij bestemd tot zegen en heerlijkheid naar het welbehagen van de Heere van de geesten. 10 Lange tijd zagen mijn ogen die plaats, en ik zegende Hem en prees Hem, zeggende: Gezegend is Hij, en gezegend zij Hij van den beginne en tot in eeuwigheid. 11 En voor Zijn aangezicht is er geen ophouden; Hij weet, voordat de wereld geschapen werd, wat er in eeuwigheid is en wat van geslacht tot geslacht zal zijn. 12 U zegenen zij die niet sluimeren; zij staan voor Uw heerlijkheid en zegenen en loven en verheffen, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere van de geesten; Hij vervult de aarde met geesten. 13 En daar zagen mijn ogen allen die niet sluimeren; zij staan voor Zijn aangezicht en zegenen en zeggen: Gezegend bent U, en gezegend is de Naam van de Heere tot in alle eeuwigheid. 14 En mijn aangezicht werd veranderd, totdat ik niet meer kon aanschouwen. ### Henoch 40 1 En daarna zag ik duizenden van duizenden en tienduizend maal tienduizend, zonder getal en zonder telling, die stonden voor de heerlijkheid van de Heere van de geesten. 2 Ik zag, en aan de vier zijden van de Heere van de geesten zag ik vier aangezichten, onderscheiden van hen die daar staan, en ik leerde hun namen kennen; want de engel die met mij ging, maakte mij hun namen bekend en toonde mij alle verborgen dingen. 3 En ik hoorde de stemmen van die vier aangezichten, terwijl zij lofprijzingen zongen voor het aangezicht van de Heere van de heerlijkheid. 4 De eerste stem zegent de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. 5 En de tweede stem hoorde ik de Uitverkorene zegenen, en de uitverkorenen die hangen aan de Heere van de geesten. 6 En de derde stem hoorde ik bidden en pleiten voor hen die op de aarde wonen, en smeken in de Naam van de Heere van de geesten. 7 En de vierde stem hoorde ik de satans afweren, en hun verbieden voor de Heere van de geesten te komen om hen die op de aarde wonen aan te klagen. 8 En daarna vroeg ik de engel des vredes, die met mij ging en die mij alles toonde wat verborgen is, en ik zei tegen hem: Wie zijn deze vier aangezichten die ik gezien heb en van wie de stemmen ik gehoord en opgeschreven heb? 9 En hij zei tegen mij: Deze eerste is de barmhartige en lankmoedige, de heilige Michaël; en de tweede, die gesteld is over alle ziekten en alle wonden van de kinderen van de mensen, is Rafaël; en de derde, die gesteld is over alle machten, is de heilige Gabriël; en de vierde, die gesteld is over de bekering tot hoop van hen die het eeuwige leven beërven, is Fanuël. En dit zijn de vier engelen van El Elyon, en de vier stemmen die ik in die dagen hoorde. ### Henoch 41 1 En daarna zag ik alle geheimen van de hemelen, en hoe het koninkrijk verdeeld wordt, en hoe de daden van de mensen in de weegschaal gewogen worden. 2 Daar zag ik de woningen van de uitverkorenen en de woningen van de heiligen; en mijn ogen zagen daar al de zondaren, die de Naam van de Heere van de geesten verloochenen, terwijl zij vandaar verdreven en weggesleept werden; en zij konden niet standhouden vanwege de straf die uitgaat van de Heere van de geesten. 3 En daar zagen mijn ogen de verborgenheden van de bliksem en de donder, en de verborgenheden van de winden, hoe zij verdeeld worden om over de aarde te waaien, en de verborgenheden van de wolken en de dauw; en daar zag ik vanwaar zij in die plaats uitgaan, en hoe zij vandaar het stof van de aarde verzadigen. 4 En daar zag ik gesloten schatkamers, waaruit de winden verdeeld worden, de schatkamer van de hagel en de schatkamer van de nevel; en die van de wolken, en de wolk daarvan zweeft boven de aarde van het begin van de wereld af. 5 En ik zag de schatkamers van de zon en de maan, vanwaar zij uitgaan en waarheen zij terugkeren, en hun terugkeer is heerlijk; en hoe de één meer geëerd wordt dan de ander, en hun baan is voornaam, en zij wijken niet van hun baan, en zij voegen er niets aan toe en nemen er niets van af, en zij houden trouw de één met de ander, naar de eed waardoor zij verbonden zijn. 6 En eerst gaat de zon uit en maakt haar baan naar het gebod van de Heere van de geesten, en machtig is Zijn Naam tot in alle eeuwigheid. 7 En daarna zag ik de verborgen en de openbare baan van de maan, en zij volbrengt de loop van haar baan in die plaats, bij dag en bij nacht — de één ziet naar de ander voor het aangezicht van de Heere van de geesten; en zij danken en loven en rusten niet, want hun danken is hun rust. 8 Want de heldere zon heeft veel wending, tot zegen en tot vervloeking; en de loop van de baan van de maan is licht voor de rechtvaardigen en duisternis voor de zondaren, in de Naam van de Heere, Die scheiding gemaakt heeft tussen het licht en de duisternis, en de geesten van de mensen verdeeld heeft, en de geesten van de rechtvaardigen versterkt heeft in de Naam van Zijn gerechtigheid. 9 Want geen engel verhindert het, en geen macht kan het verhinderen, want de Heerser over hen allen ziet toe, en Hij oordeelt hen allen voor Zijn aangezicht. ### Henoch 42 1 De wijsheid vond geen plaats waar zij mocht wonen, en haar woning was in de hemelen. 2 De wijsheid ging uit om te wonen onder de kinderen van de mensen, en vond geen woning; de wijsheid keerde terug naar haar plaats, en nam haar zetel in te midden van de engelen. 3 En het onrecht ging uit uit haar schatkamers; wie zij niet zocht, die vond zij, en het woonde onder hen als regen in een woestijn, en als dauw op een dorstig land. ### Henoch 43 1 En ik zag andere bliksemen en de sterren van de hemel, en ik zag hoe Hij hen allen bij hun namen riep, en zij hoorden naar Hem. 2 En ik zag hoe zij in een rechtvaardige weegschaal gewogen worden naar hun lichtglans, naar de breedte van hun plaatsen en de dag van hun verschijnen en hun omwenteling; de bliksem baart de bliksem; en hun omwenteling gebeurt naar het getal van de engelen, en zij houden trouw onder elkander. 3 En ik vroeg de engel die met mij ging, die mij toonde wat verborgen was: Wat zijn deze? 4 En hij zei tot mij: De Heere van de geesten heeft u hun gelijkenis getoond; dit zijn de namen van de rechtvaardigen die op de aarde wonen en die in de Naam van de Heere van de geesten geloven, tot in alle eeuwigheid. ### Henoch 44 1 En nog iets anders zag ik aangaande de bliksem: hoe sommige van de sterren opkomen en tot bliksem worden, en zich daarvan niet meer kunnen losmaken. ### Henoch 45 1 En dit is de tweede gelijkenis aangaande hen die de Naam van de woning van de heiligen en van de Heere van de geesten verloochenen. 2 Naar de hemel zullen zij niet opklimmen, en op de aarde zullen zij niet komen; zo zal het lot zijn van de zondaren die de Naam van de Heere van de geesten verloochenen, die zo bewaard worden voor de dag van smart en benauwdheid. 3 Op die dag zal Mijn Uitverkorene zitten op de troon van de heerlijkheid, en Hij zal hun werken beproeven; en hun rustplaatsen zullen zonder getal zijn, en hun geest zal versterkt worden in hun binnenste, wanneer zij Mijn Uitverkorene zien en hen die Mijn heilige en heerlijke Naam hebben aangeroepen. 4 En op die dag zal Ik Mijn Uitverkorene onder hen doen wonen, en Ik zal de hemel veranderen en hem maken tot een eeuwige zegen en licht. 5 En Ik zal de aarde veranderen en haar maken tot een zegen, en Ik zal Mijn uitverkorenen daarop doen wonen; maar zij die zonde en overtreding doen, zullen haar niet betreden. 6 Want Ik heb Mijn rechtvaardigen aangezien en hen met vrede verzadigd, en Ik heb hen voor Mijn aangezicht gesteld; maar voor de zondaren is het oordeel Mij nabij gekomen, opdat Ik hen zou verdelgen van het aangezicht van de aarde. ### Henoch 46 1 En daar zag ik Een die een Hoofd van de dagen had, en Zijn hoofd was als witte wol; en bij Hem was een ander, van wie het aangezicht was als de gedaante van een mens, en zijn aangezicht was vol genade, als een van de heilige engelen. 2 En ik vroeg een van de engelen die met mij ging en die mij alle verborgen dingen toonde, aangaande die Mensenzoon: wie hij was en vanwaar hij was, en waarom hij met het Hoofd van de dagen ging. En hij antwoordde mij en zei tegen mij: 3 Dit is de Mensenzoon, die de gerechtigheid heeft, bij wie de gerechtigheid woont, en die alle schatten van wat verborgen is openbaart; want de Heere van de geesten heeft hem uitverkoren, en zijn deel overtreft alles voor het aangezicht van de Heere van de geesten, in oprechtheid, tot in eeuwigheid. 4 En deze Mensenzoon die u gezien hebt, zal de koningen en de machtigen van hun rustbedden doen opstaan, en de sterken van hun tronen; en hij zal de teugels van de sterken losmaken en de tanden van de zondaren verbrijzelen. 5 En hij zal de koningen van hun tronen en uit hun koninkrijken stoten, omdat zij Hem niet verhogen en niet prijzen, en niet ootmoedig erkennen vanwaar het koninkrijk hun gegeven is. 6 En het aangezicht van de sterken zal hij neerslaan, en schaamte zal hen vervullen; en duisternis zal hun woning zijn, en wormen zullen hun bed zijn; en zij zullen geen hoop hebben om van hun bedden op te staan, omdat zij de Naam van de Heere van de geesten niet verhogen. 7 En dezen zijn het die de sterren van de hemel oordelen, en die hun handen opheffen tegen de Allerhoogste, en die de aarde betreden en daarop wonen; en al hun daden zijn onrecht, en zij tonen hun daden als onrecht; en hun macht rust op hun rijkdom, en hun geloof is in de goden die zij met hun handen gemaakt hebben; en zij verloochenen de Naam van de Heere van de geesten. 8 En zij zullen verdreven worden uit de huizen van Zijn vergadering, en van de gelovigen die aan de Naam van de Heere van de geesten hangen. ### Henoch 47 1 En in die dagen is het gebed van de rechtvaardigen opgeklommen, en het bloed van de rechtvaardige, van de aarde voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 2 In die dagen zullen de heiligen die boven in de hemelen wonen zich met één stem verenigen, en zij zullen smeken en bidden en prijzen en danken en de Naam van de Heere van de geesten loven vanwege het bloed van de rechtvaardigen dat vergoten is, en opdat het gebed van de rechtvaardigen niet tevergeefs zou zijn voor het aangezicht van de Heere van de geesten, opdat hun recht zou worden verschaft en zij niet tot in eeuwigheid zouden hoeven te volharden. 3 En in die dagen zag ik het Hoofd van de dagen, toen Hij zat op de troon van Zijn heerlijkheid, en de boeken van de levenden werden voor Hem geopend, en heel Zijn heerleger dat boven in de hemelen is en Zijn raadslieden stonden voor Hem. 4 En het hart van de heiligen werd vervuld met vreugde, omdat het getal van de rechtvaardigen vervuld was, en het gebed van de rechtvaardigen verhoord was, en het bloed van de rechtvaardige voor het aangezicht van de Heere van de geesten geëist was. ### Henoch 48 1 En op die plaats zag ik de fontein van gerechtigheid, en zij waren niet te tellen: vele fonteinen van wijsheid omringden haar rondom; en alle dorstigen dronken daaruit en werden vervuld met wijsheid, en hun woningen waren bij de rechtvaardigen en de heiligen en de uitverkorenen. 2 En in dat uur werd die Mensenzoon genoemd bij de Heere van de geesten, en zijn naam voor het aangezicht van het Hoofd van de dagen. 3 En voordat de zon en de tekenen geschapen werden, voordat de sterren van de hemel gemaakt werden, werd zijn naam genoemd voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 4 Hij zal een staf zijn voor de rechtvaardigen en de heiligen, opdat zij daarop steunen en niet vallen; en hij is het licht van de heidenen, en hij zal de hoop zijn van hen die lijden in hun hart. 5 Allen die op de aarde wonen, zullen neervallen en zich neerbuigen voor zijn aangezicht; en zij zullen hem zegenen en prijzen, en met psalmen de Naam van de Heere van de geesten bezingen. 6 En daarom was hij uitverkoren en verborgen voor Zijn aangezicht, voordat de wereld geschapen werd; en tot in eeuwigheid voor Zijn aangezicht. 7 En de wijsheid van de Heere van de geesten heeft hem geopenbaard aan de heiligen en de rechtvaardigen; want hij heeft het deel van de rechtvaardigen bewaard, omdat zij deze wereld van onrecht gehaat en veracht hebben, en al haar werken en haar wegen gehaat hebben in de Naam van de Heere van de geesten; want in Zijn Naam worden zij behouden, en naar Zijn welbehagen is het met hun leven gebeurd. 8 En in die dagen zullen de koningen van de aarde en de sterken die de aarde bezitten, neergeslagen van aangezicht zijn vanwege de werken van hun handen; want op de dag van hun angst en van hun nood zullen zij hun ziel niet redden. 9 En Ik zal hen overgeven in de handen van Mijn uitverkorenen; als stro in het vuur en als lood in het water, zo zullen zij branden voor het aangezicht van de rechtvaardigen, en verzinken voor het aangezicht van de heiligen; en geen spoor zal er van hen gevonden worden. 10 En op de dag van hun nood zal er rust zijn op de aarde; en voor zijn aangezicht zullen zij vallen en niet weer opstaan; en er zal niemand zijn die hen met zijn handen opneemt en hen opricht, want zij hebben de Heere van de geesten en Zijn Gezalfde verloochend. Gezegend zij de Naam van de Heere van de geesten. ### Henoch 49 1 Want de wijsheid is uitgegoten als water, en de heerlijkheid faalt niet voor Zijn aangezicht tot in alle eeuwigheid. 2 Want Hij is machtig in alle verborgenheden van de gerechtigheid, en het onrecht zal voorbijgaan als een schaduw en heeft geen bestand; want de Uitverkorene staat voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en zijn heerlijkheid is tot in alle eeuwigheid, en zijn macht van geslacht tot geslacht. 3 En in hem woont de geest van de wijsheid, en de geest die inzicht geeft, en de geest van onderwijs en van kracht, en de geest van hen die in gerechtigheid ontslapen zijn. 4 En hij zal de verborgen dingen oordelen, en niemand zal een leugenachtig woord voor zijn aangezicht kunnen spreken; want hij is de Uitverkorene voor het aangezicht van de Heere van de geesten, naar Zijn welbehagen. ### Henoch 50 1 En in die dagen zal er een verandering plaatsvinden voor de heiligen en de uitverkorenen, en het licht van de dagen zal op hen blijven, en heerlijkheid en eer zullen zich tot de heiligen keren. 2 En op de dag van de benauwdheid, waarop het kwaad tegen de zondaren opgehoopt is, zullen de rechtvaardigen overwinnen in de naam van de Heere van de geesten; en Hij zal het de anderen doen zien, opdat zij zich bekeren en de werken van hun handen laten varen. 3 Zij zullen geen eer hebben voor het aangezicht van de Heere van de geesten, maar door Zijn naam zullen zij behouden worden; en de Heere van de geesten zal Zich over hen ontfermen, want Zijn barmhartigheid is groot. 4 En Hij is rechtvaardig in Zijn oordeel, en voor het aangezicht van Zijn heerlijkheid zal het onrecht niet standhouden; in Zijn oordeel zal wie zich voor Zijn aangezicht niet bekeert, verloren gaan. 5 En van nu af zal Ik Mij niet meer over hen ontfermen, zegt de Heere van de geesten. ### Henoch 51 1 En in die dagen zal de aarde teruggeven wat haar is toevertrouwd, en het dodenrijk zal teruggeven wat het ontvangen heeft, en het verderf zal teruggeven wat het schuldig is. 2 En hij zal de rechtvaardigen en de heiligen uit hun midden uitkiezen, want de dag is nabijgekomen dat zij behouden zullen worden. 3 En de Uitverkorene zal in die dagen op zijn troon zitten, en alle verborgenheden van de wijsheid zullen uit de gedachten van zijn mond voortkomen; want de Heere van de geesten heeft ze hem gegeven en hem verheerlijkt. 4 En in die dagen zullen de bergen opspringen als rammen, en de heuvels zullen huppelen als lammeren, verzadigd van melk, en zij allen zullen tot engelen in de hemel worden. 5 Hun aangezichten zullen stralen van vreugde, want in die dagen is de Uitverkorene opgestaan; en de aarde zal zich verblijden, en de rechtvaardigen zullen daarop wonen, en de uitverkorenen zullen daarop wandelen en er rondgaan. ### Henoch 52 1 En na die dagen, in die plaats waar ik al de gezichten van het verborgene had gezien — want ik was weggevoerd in een wervelwind, en zij hadden mij naar het westen gedragen — 2 daar zagen mijn ogen alle verborgen dingen van de hemel die gebeuren zullen op de aarde: een berg van ijzer, en een berg van koper, en een berg van zilver, en een berg van goud, en een berg van week metaal, en een berg van lood. 3 En ik vroeg de engel die met mij ging, zeggende: Wat zijn deze dingen die ik in het verborgene gezien heb? 4 En hij zei tot mij: Al deze dingen die u gezien hebt, zullen de heerschappij van Zijn Gezalfde dienen, opdat hij gebiede en machtig zij op de aarde. 5 En die engel des vredes antwoordde mij, zeggende: Wacht een weinig, en u zult het zien, en aan u zal geopenbaard worden al het verborgene dat de Heere van de geesten geplant heeft. 6 En deze bergen die u gezien hebt — de berg van ijzer, en de berg van koper, en de berg van zilver, en de berg van goud, en de berg van week metaal, en de berg van lood — deze alle zullen voor het aangezicht van de Uitverkorene zijn als was voor het vuur, en als water dat van boven op die bergen neerdaalt, en zij zullen krachteloos worden voor zijn voeten. 7 En het zal gebeuren in die dagen dat niemand behouden zal worden, noch door goud noch door zilver, en niemand zal kunnen ontkomen en vluchten. 8 En er zal geen ijzer zijn voor de oorlog, noch een kleed voor een borstharnas; het brons zal niet baten, en het tin zal niet baten en niet geacht worden, en het lood zal niet begeerd worden. 9 Deze alle zullen verworpen en vernietigd worden van het aangezicht van de aarde, wanneer de Uitverkorene verschijnt voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ### Henoch 53 1 En daar zagen mijn ogen een diep dal, en zijn mond stond open; en allen die op de aarde en de zee en de eilanden wonen, zullen hem geschenken en gaven en huldeblijken brengen, maar dat diepe dal zal niet vol worden. 2 En hun handen bedrijven ongerechtigheid, en alles waarvoor zij zwoegen verslinden de zondaren in ongerechtigheid; maar de zondaren zullen vernietigd worden van voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en van het aangezicht van Zijn aarde zullen zij verdreven worden, en zij zullen niet blijven bestaan tot in alle eeuwigheid. 3 Want ik zag al de engelen van de straf rondgaan en al de werktuigen van Satan gereedmaken. 4 En ik vroeg de engel des vredes die met mij ging: Voor wie maken zij deze werktuigen gereed? 5 En hij zei tot mij: Zij maken deze gereed voor de koningen en de machtigen dezer aarde, opdat zij daardoor vernietigd zouden worden. 6 En na dezen zal de Rechtvaardige en Uitverkorene het huis van zijn vergadering doen verschijnen; van nu af zullen zij niet meer verhinderd worden in de naam van de Heere van de geesten. 7 En deze bergen zullen voor zijn aangezicht als de vlakke aarde worden, en de heuvels zullen als een bron van water worden, en de rechtvaardigen zullen rust hebben van de verdrukking van de zondaren. ### Henoch 54 1 En ik zag en wendde mij naar een ander deel van de aarde, en ik zag daar een diep dal met brandend vuur. 2 En zij brachten de koningen en de machtigen aan, en wierpen hen in het diepe dal. 3 En daar zagen mijn ogen hun werktuigen, hoe men ketenen van ijzer voor hen maakte, zonder maat. 4 En ik vroeg de engel des vredes die met mij ging, en zei: Deze boeien van de werktuigen, voor wie worden zij bereid? 5 En hij zei tegen mij: Deze worden bereid voor de legerschare van Azazel, opdat men hen zou grijpen en hen zou werpen onder alle veroordeling, en met ruwe stenen zullen zij hun kaken bedekken, zoals de Heere van de geesten geboden heeft. 6 Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, zij zullen hen grijpen op die grote dag en op die dag hen werpen in de brandende oven van vuur, opdat de Heere van de geesten aan hen wraak zou nemen om hun onrecht, omdat zij dienaren geworden waren van de satan en hen die op de aarde wonen hebben verleid. 7 En in die dagen zal de straf van de Heere van de geesten uitgaan, en alle schatkamers van de wateren die boven de hemelen zijn zullen geopend worden, en de bronnen die onder de hemelen en onder de aarde zijn. 8 En al de wateren zullen zich verenigen met de wateren die boven de hemelen zijn; het water dat boven de hemel is, dat is mannelijk, en het water dat onder de aarde is, dat is vrouwelijk. 9 En allen die op de aarde wonen en die onder de einden van de hemel wonen zullen vernietigd worden. 10 En daardoor hebben zij hun onrecht erkend dat zij op de aarde bedreven hebben, en daardoor zullen zij te gronde gaan. ### Henoch 55 1 En daarna kreeg het Hoofd van de dagen berouw en zei: Tevergeefs heb Ik allen vernietigd die op de aarde wonen. 2 En Hij zwoer bij Zijn grote naam dat Hij van nu af aan zo niet meer zou doen aan allen die op de aarde wonen, en Hij zou een teken stellen in de hemelen; en het zal tussen Mij en hen een onderpand van trouw zijn tot in eeuwigheid, zolang als de dagen van de hemel boven de aarde zijn. 3 En hierna is het naar Mijn gebod: wanneer Ik verlangd heb hen te grijpen door de hand van de engelen op de dag van benauwdheid en smart, dan zal om deze reden Mijn toorn en Mijn straf op hen blijven, Mijn toorn en Mijn straf, zegt God, de Heere van de geesten. 4 Koningen en machtigen die op de aarde woont, u zult Mijn Uitverkorene aanschouwen, hoe hij zit op de troon van Mijn heerlijkheid en Azazel oordeelt, en heel zijn vergadering en heel zijn legerschare, in de naam van de Heere van de geesten. ### Henoch 56 1 En ik zag daar de legerschare van de engelen van de straf, terwijl zij voortgingen en gesels van ijzer en koper vasthielden. 2 En ik vroeg de engel des vredes die met mij ging, en zei: Naar wie gaan dezen die de gesels vasthouden? 3 En hij zei tegen mij: Ieder naar hun uitverkorenen en hun geliefden, opdat die geworpen worden in de kloof van de diepte van het dal. 4 En dan zal dat dal gevuld worden met hun uitverkorenen en hun geliefden, en de dagen van hun leven zullen ten einde komen, en de dagen van hun verleiding zullen van nu af aan niet meer geteld worden. 5 En in die dagen zullen de engelen zich verzamelen en zich met hun hoofden naar het oosten werpen, naar het volk van de Parthen en van de Meden; zij zullen de koningen ophitsen, en een geest van onrust zal over hen komen, en zij zullen hen opjagen van hun tronen; en zij zullen uittrekken als leeuwen uit hun holen en als hongerige wolven te midden van hun kudde. 6 En zij zullen optrekken en het land van Zijn uitverkorenen vertrappen, en het land van Zijn uitverkorenen zal voor hen worden tot een dorsvloer en een gebaande weg. 7 Maar de stad van Mijn rechtvaardigen zal een hindernis worden voor hun paarden. En zij zullen onder elkaar strijd verwekken, en hun rechterhand zal sterk zijn tegen henzelf, en niemand zal zijn naaste en zijn broeder kennen, en geen zoon zijn vader en zijn moeder, totdat het getal van de lijken door hun dood en hun slachting groot wordt, en hun straf niet tevergeefs zal zijn. 8 En in die dagen zal het dodenrijk zijn mond openen, en zij zullen daarin verzwolgen worden; en tot hun verderf zal het dodenrijk de zondaren verzwelgen, weg van het aangezicht van de uitverkorenen. ### Henoch 57 1 En het gebeurde hierna dat ik een andere legerschare van wagens zag, en mensen die daarop reden; en zij kwamen aan op de wind, van het oosten en van het westen, tot aan de middag. 2 En het geluid van het geluid van hun wagens werd gehoord; en toen dit rumoer gebeurde, bemerkten het de heiligen uit de hemel, en de pilaar van de aarde werd bewogen van zijn plaats, en het werd gehoord van de einden van de aarde tot de einden van de hemel, op één dag. 3 En zij zullen allen neervallen en de Heere van de geesten aanbidden. En dit is het einde van de tweede gelijkenis. ### Henoch 58 1 En ik begon de derde gelijkenis te spreken over de rechtvaardigen en over de uitverkorenen. 2 Zalig bent u, rechtvaardigen en uitverkorenen, want heerlijk zal uw deel zijn. 3 En de rechtvaardigen zullen zijn in het licht van de zon, en de uitverkorenen in het licht van het eeuwige leven; en er is geen einde aan de dagen van hun leven, en voor de heiligen is er geen getal van dagen. 4 En zij zullen het licht zoeken en gerechtigheid vinden bij de Heere van de geesten; vrede zij de rechtvaardigen bij de Heere van de eeuwigheid. 5 En hierna zal tot de heiligen gezegd worden dat zij in de hemel de verborgenheden van de gerechtigheid zullen zoeken, het deel des geloofs; want het is opgegaan als de zon boven de aarde, en de duisternis is voorbijgegaan. 6 En er zal een licht zijn dat niet te tellen is, en zij zullen niet ingaan tot een getal van dagen; want de duisternis is eerst vernietigd, en het licht blijft bestaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en het licht van de oprechtheid blijft in eeuwigheid bestaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ### Henoch 59 1 En in die dagen zagen mijn ogen de verborgenheden van de bliksemschichten en van de lichten, en hun oordeel; en zij lichten tot een zegen en tot een vervloeking, naardat de Heere van de geesten het wil. 2 En daar zag ik de verborgenheden van de donder, en hoe zij, wanneer zij daarboven aan de hemel weerklinkt, met haar geluid gehoord wordt; en de woningen van de aarde werden mij getoond, en het geluid van de donder, tot vrede en tot zegen, of tot vervloeking, naar het woord van de Heere van de geesten. 3 En daarna werden mij al hun verborgenheden getoond, van de lichten en van de bliksemschichten; tot zegen en tot verzadiging lichten zij. ### Henoch 60 1 In het jaar vijfhonderd, in de zevende maand, op de veertiende dag van de maand, in het leven van Henoch. In diezelfde gelijkenis zag ik hoe de hemel van de hemelen beefde met een grote beving, en de heerschare van de Allerhoogste, en de engelen, duizenden van duizenden en tienduizend maal tienduizend, in grote beroering werden gebracht. 2 En toen zag ik het Hoofd van de dagen zitten op de troon van Zijn heerlijkheid, en de engelen en de rechtvaardigen stonden rondom Hem. 3 En een grote siddering greep mij aan, en vrees bevangde mij, en mijn lendenen bezweken en werden losgemaakt, en heel mijn wezen versmolt, en ik viel op mijn aangezicht. 4 En de heilige Michaël zond een andere heilige engel, een uit de heilige engelen, en die richtte mij op; en toen hij mij had opgericht, keerde mijn geest in mij terug, want ik was niet in staat geweest het aanzien van die heerschare te verdragen, en haar beroering en het schudden van de hemel. 5 En de heilige Michaël zei tot mij: Waarom bent u zo ontsteld over zulk een gezicht? Tot op deze dag heeft de dag van Zijn barmhartigheid geduurd, en Hij is barmhartig en geduldig geweest tegenover hen die op de aarde wonen. 6 Maar wanneer de dag komt, en de macht, en de gesel, en het oordeel dat de Heere van de geesten heeft bereid voor hen die zich voor het rechtvaardige oordeel neerbuigen, en voor hen die het rechtvaardige oordeel loochenen, en voor hen die Zijn Naam ijdel gebruiken — die dag is bereid, voor de uitverkorenen een verbond, maar voor de zondaren een onderzoek. 7 En op die dag zullen twee monsters gescheiden worden, een vrouwelijk monster, welks naam Leviathan is, om te wonen in de diepten van de zee, boven de bronnen van de wateren. 8 En het mannelijke, zijn naam is Behemoth, dat met zijn borst een woestijn bezet die niet gezien wordt, en haar naam is Dendaïn, ten oosten van de hof waar de uitverkorenen en de rechtvaardigen wonen, waar mijn grootvader werd opgenomen, die de zevende was van Adam af, de eerste van de mensen die de Heere van de geesten gemaakt heeft. 9 En ik vroeg die andere engel dat hij mij de kracht van die monsters zou tonen, hoe zij op één dag gescheiden werden en geworpen, het ene in de diepten van de zee en het andere op het droge land van de woestijn. 10 En hij zei tot mij: U, mensenkind, hierin zoekt u te weten wat verborgen is. 11 En de andere engel die met mij ging, sprak tot mij en toonde mij in het verborgene wat het eerste en wat het laatste is: in de hemel in zijn hoogte, en in de aarde in de diepte, en aan de einden van de hemel, en aan het fundament van de hemel, en in de schatkamers van de winden; 12 en hoe de winden verdeeld worden, en hoe zij gewogen worden, en hoe de bronnen en de winden geteld worden naar de kracht van de wind; en de kracht van het licht van de maan, en naar de kracht van de gerechtigheid; en de verdelingen van de sterren naar hun namen, en hoe elke verdeling verdeeld wordt. 13 En de donderslagen naar hun inslagplaatsen, en elke verdeling die verdeeld wordt, opdat het bliksemt met de bliksem, en hun heerschare, opdat zij snel gehoorzamen. 14 Want de donder heeft rustplaatsen die hem gegeven zijn, terwijl hij in geduld op zijn slag wacht; en donder en bliksem worden niet gescheiden, en zij zijn niet één; door de geest gaan zij beide samen en worden niet verdeeld. 15 Want wanneer de bliksem bliksemt, geeft de donder zijn geluid, en de geest laat op zijn tijd een pauze intreden, en verdeelt gelijkelijk tussen hen beide; want de schatkamer van hun tijden is als het zand, en ieder van hen wordt op zijn tijd met een breidel ingehouden en door de kracht van de geest teruggewend, en zo voortgedreven naar de vele streken van de aarde. 16 En de geest van de zee is mannelijk en sterk, en naar de macht van zijn sterkte trekt hij haar met een teugel terug, en zo wordt zij voortgedreven en verstrooid onder al de bergen van de aarde. 17 En de geest van de rijp is zijn eigen engel, en de geest van de hagel is een goede engel. 18 En de geest van de sneeuw heeft zijn kamers verlaten om zijner kracht wil; en er is daarin een bijzondere geest, en wat daaruit opstijgt is als rook, en zijn naam is Dedek. 19 En de geest van de nevel is niet met hen verenigd in hun kamers, maar heeft een kamer voor zichzelf; want zijn loop is in heerlijkheid, en in licht, en in duisternis, en in de winter en in de zomer; en zijn kamer is licht, en zijn engel. 20 En de geest van de dauw heeft zijn woning aan de einden van de hemel, en is verbonden met de kamers van de regen; en zijn loop is in de winter en in de zomer, en zijn wolk en de wolk van de nevel zijn samengevoegd, en de een geeft aan de ander. 21 En wanneer de geest van de regen zich vanuit zijn kamer beweegt, komen de engelen en openen de kamer en leiden hem naar buiten; en wanneer hij verstrooid wordt over al het droge land, en wanneer hij zich te allen tijde verenigt met het water dat op het droge land is — 22 want de wateren zijn voor hen die op het droge land wonen, want zij zijn voedsel voor het droge land van de Allerhoogste die in de hemel is; daarom is er een maat voor de regen, en de engelen nemen die in bewaring. 23 Al deze dingen zag ik tot aan de hof van de rechtvaardigen. 24 En de engel des vredes die met mij was, zei tot mij: Deze twee monsters, bereid naar de grootheid van God, zullen gevoed worden, opdat de straf van God niet tevergeefs zij; en de kinderen zullen gedood worden met hun moeders, en de zonen met hun vaders. 25 Wanneer de straf van de Heere van de geesten op hen zal rusten, zal zij rusten, opdat de straf van de Heere van de geesten niet tevergeefs over dezen kome; daarna zal het oordeel gebeuren in Zijn barmhartigheid en in Zijn geduld. ### Henoch 61 1 En ik zag in die dagen hoe aan die engelen lange koorden gegeven werden, en zij namen zich vleugels en vlogen, en gingen naar het noorden. 2 En ik vroeg de engel, zeggende: Waarom hebben dezen die lange koorden genomen en zijn heengegaan? En hij zei tot mij: Zij zijn heengegaan om te meten. 3 En de engel die met mij ging, zei tot mij: Dezen zullen de maten van de rechtvaardigen en de koorden van de rechtvaardigen brengen, opdat zij zich zouden verlaten op de Naam van de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. 4 De uitverkorenen zullen beginnen, en de uitverkorenen zullen wonen met de uitverkorenen; en dit zijn de maten die aan het geloof gegeven zullen worden, en die het woord van de gerechtigheid versterken. 5 En deze maten zullen al de verborgenheden van de diepte van de aarde openbaren, en hen die door de woestijn vernietigd zijn, en hen die verslonden zijn door de vissen van de zee en door de wilde dieren, opdat zij zouden wederkeren en zich verlaten op de dag van de Uitverkorene; want niemand wordt vernietigd voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en niemand kan vernietigd worden. 6 En allen die daarboven in de hemelen zijn, ontvingen een gebod, en één macht en één stem en één licht als vuur werd hun gegeven. 7 En Die Ene zegenden zij met hun eerste woord, en verhieven en verheerlijkten Hem met wijsheid, en zij waren wijs in het spreken en in de geest des levens. 8 En de Heere van de geesten zette de Uitverkorene op de troon van Zijn heerlijkheid, en hij zal al de werken van de heiligen daarboven in de hemel oordelen, en in de weegschaal zullen hun daden gewogen worden. 9 En wanneer hij zijn aangezicht zal opheffen om hun verborgen wegen te oordelen naar het woord van de Naam van de Heere van de geesten, en hun pad naar de weg van het rechtvaardige oordeel van El Elyon, dan zullen zij allen met één stem spreken, en zegenen en verheerlijken en verhogen en prijzen de Naam van de Heere van de geesten. 10 En Hij zal heel de heerschare van de hemelen bijeenroepen, en al de heiligen daarboven, en de heerschare Gods — de cherubim en de serafim en de ofannim, en al de engelen van de macht, en al de engelen van de heerschappijen, en de Uitverkorene, en de andere machten die op het droge land, boven het water zijn. 11 Op die dag zullen zij één stem verheffen, en zegenen en verheerlijken en prijzen en verhogen in de geest des geloofs, en in de geest van de wijsheid en des geduld, en in de geest van de barmhartigheid, en in de geest des oordeels en des vredes, en in de geest van de goedheid; en zij zullen allen met één stem zeggen: Gezegend is Hij, en gezegend zij de Naam van de Heere van de geesten van eeuwigheid tot eeuwigheid. 12 Allen die daarboven in de hemel niet sluimeren, zullen Hem zegenen; al Zijn heiligen die in de hemel zijn, zullen Hem zegenen, en al de uitverkorenen die wonen in de hof des levens, en elke geest van licht die in staat is Uw heilige Naam te zegenen en te verheerlijken en te verhogen en te heiligen; en alle vlees zal bovenmate Uw Naam verheerlijken en zegenen tot in alle eeuwigheid. 13 Want groot is de barmhartigheid van de Heere van de geesten, en Hij is geduldig; en al Zijn werken en al Zijn macht, zoveel als Hij gemaakt heeft, heeft Hij aan de rechtvaardigen en aan de uitverkorenen geopenbaard in de Naam van de Heere van de geesten. ### Henoch 62 1 En zo gebood de Heere aan de koningen en aan de machtigen en aan de verhevenen en aan hen die op de aarde wonen, en Hij zei: Opent uw ogen en heft uw horens op, of u wellicht in staat bent de Uitverkorene te kennen. 2 En de Heere van de geesten zette hem op de troon van Zijn heerlijkheid, en de geest van de gerechtigheid werd over hem uitgestort, en het woord van zijn mond doodt al de zondaren en al de onrechtvaardigen, en van zijn aangezicht worden zij vernietigd. 3 En op die dag zullen al de koningen en de machtigen en de verhevenen en zij die het droge land in bezit houden, opstaan, en zij zullen hem zien en erkennen hoe hij zit op de troon van zijn heerlijkheid, en de rechtvaardigen in gerechtigheid voor hem geoordeeld worden, en dat geen ijdel woord voor hem gesproken wordt. 4 En pijn zal over hen komen als over een vrouw in barensnood, en het baren zal haar benauwen, wanneer haar kind aan de mond van de baarmoeder komt, en zij pijn heeft in het baren. 5 En zij zullen elkander aanzien, en verschrikt worden, en hun aangezicht neerslaan, en pijn zal hen aangrijpen, wanneer zij die zoon van de vrouw zien zitten op de troon van zijn heerlijkheid. 6 En de koningen, de machtigen en allen die de aarde in bezit houden, zullen hem verheerlijken en zegenen en verhogen, die over alles heerst, die verborgen was. 7 Want van het begin af was de Mensenzoon verborgen, en de Allerhoogste bewaarde hem in de aanwezigheid van Zijn macht, en openbaarde hem aan de uitverkorenen. 8 En de gemeente van de heiligen en van de uitverkorenen zal gezaaid worden, en al de uitverkorenen zullen op die dag voor hem staan. 9 En al de koningen, de machtigen en de verhevenen, en zij die het droge land regeren, zullen voor hem op hun aangezicht neervallen, en aanbidden en hun hoop stellen op die Mensenzoon, en hem smeken en barmhartigheid van hem afbidden. 10 Toch zal de Heere van de geesten hen zozeer verdringen, dat zij zich haasten om van voor Zijn aangezicht heen te gaan, en hun aangezicht zal met schaamte vervuld worden, en duisternis zal zich over hun aangezicht vermeerderen. 11 En de engelen van de straf zullen hen in ontvangst nemen, om wraak aan hen te oefenen, omdat zij Zijn kinderen en Zijn uitverkorenen verdrukt hebben. 12 En zij zullen een schouwspel zijn voor de rechtvaardigen en voor Zijn uitverkorenen; dezen zullen zich over hen verblijden, omdat de toorn van de Heere van de geesten op hen rust, en het zwaard van de Heere van de geesten dronken is van hen. 13 En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen op die dag behouden worden, en zij zullen van toen af het aangezicht van de zondaren en de onrechtvaardigen niet meer zien. 14 En de Heere van de geesten zal over hen blijven, en met die Mensenzoon zullen zij wonen en eten en zich neerleggen en opstaan tot in alle eeuwigheid. 15 En de rechtvaardigen en de uitverkorenen zullen van de aarde opgestaan zijn, en opgehouden hebben hun aangezicht neer te slaan, en zij zullen het kleed des levens aangedaan hebben. 16 En dit zal het kleed des levens zijn van de Heere van de geesten; en uw kleren zullen niet verouderen, en uw heerlijkheid zal niet vergaan voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ### Henoch 63 1 In die dagen zullen de koningen en de machtigen die het droge land in bezit houden, de engelen van Zijn straf smeken, aan wie zij overgeleverd waren, dat Hij hun een kleine rust zou geven, en opdat zij zouden neervallen en aanbidden voor de Heere van de geesten, en hun zonden voor Hem belijden. 2 En zij zullen de Heere van de geesten zegenen en verheerlijken, en zeggen: Gezegend is Hij, de Heere van de geesten en de Heere van de koningen, de Heere van de machtigen en de Heere van de rijken, en de Heere van de heerlijkheid en de Heere van de wijsheid. 3 En alle verborgen ding wordt verlicht; en Uw macht is van geslacht tot geslacht, en Uw heerlijkheid tot in alle eeuwigheid; diep zijn al Uw verborgenheden en zonder getal, en Uw gerechtigheid is niet te berekenen. 4 Nu hebben wij ingezien dat wij de Heere van de koningen behoren te verheerlijken en te zegenen, en Hem die over alle koningen regeert. 5 En zij zullen zeggen: Och, dat iemand ons rust gegeven had, opdat wij Hem zouden verheerlijken en danken en zegenen, en geloven zouden voor Zijn heerlijkheid! 6 En nu verlangen wij naar een kleine rust, maar vinden haar niet; wij jagen haar na en grijpen haar niet; en het licht is van voor ons weggegaan, en de duisternis is onze woonplaats tot in alle eeuwigheid. 7 Want wij hebben voor Zijn aangezicht niet geloofd, en de Naam van de Heere van de koningen niet verheerlijkt, en wij hebben de Heere niet verheerlijkt in al Zijn werk; maar onze hoop was op de scepter van ons koninkrijk en op onze heerlijkheid. 8 En op de dag van onze verwelken en onze benauwdheid verlost Hij ons niet, en wij vinden geen rust om te belijden dat onze Heere waarachtig is in al Zijn werk en in al Zijn oordeel en Zijn gerechtigheid, en dat Zijn oordeel geen aanzien des persoons kent. 9 En wij gaan van Zijn aangezicht weg vanwege onze werken, en al onze zonden worden in gerechtigheid opgeteld. 10 Nu zullen zij tot zichzelf zeggen: Onze ziel is verzadigd van goederen van onrecht, maar dat weerhoudt ons niet neer te dalen in de vlam van de zwaarte van het dodenrijk. 11 En daarna zal hun aangezicht met duisternis en schaamte vervuld worden voor die Mensenzoon, en van voor zijn aangezicht zullen zij verdreven worden, en het zwaard zal voor zijn aangezicht in hun midden verblijven. 12 En zo zei de Heere van de geesten: Dit is de inzetting en het oordeel over de machtigen en de koningen en de verhevenen en over hen die het droge land in bezit houden, voor het aangezicht van de Heere van de geesten. ### Henoch 64 1 En andere gedaanten zag ik, verborgen op die plaats. 2 Ik hoorde de stem van de engel, die zei: Dit zijn de engelen die van de hemel op de aarde zijn neergedaald, en die wat verborgen was aan de mensenkinderen openbaarden, en die de mensenkinderen verleidden, opdat zij zonde zouden doen. ### Henoch 65 1 En in die dagen zag Noach dat de aarde was ingezonken en dat haar verderf nabij was. 2 En hij hief zijn voeten op vandaar en ging tot aan de einden van de aarde, en riep tot zijn grootvader Henoch; en Noach zei met bittere stem: Hoor mij, hoor mij, hoor mij — driemaal. 3 En hij zei tot hem: Vertel mij wat het is dat op de aarde gebeurt, want zo zwoegt de aarde en wordt zij geschud; misschien zal ik met haar vergaan. 4 En na die tijd was er een grote beroering op de aarde, en er werd een stem uit de hemel gehoord, en ik viel op mijn aangezicht. 5 En Henoch, mijn grootvader, kwam en stond bij mij, en zei tot mij: Waarom hebt u tot mij geroepen met een bitter geroep en geween? 6 En een gebod is uitgegaan van voor het aangezicht van de Heere over hen die wonen op het droge, dat hun einde zal komen, omdat zij alle verborgenheden van de engelen hebben leren kennen, en al het geweld van de satans, en al hun verborgen kracht, en alle kracht van hen die toverijen bedrijven, en de kracht van de bezweringen, en de kracht van hen die gegoten beelden gieten voor de hele aarde; 7 en hoe zilver wordt voortgebracht uit het stof van de aarde, en hoe week metaal op de aarde ontstaat. 8 Want lood en tin worden niet uit de aarde voortgebracht zoals het eerste: het is een bron die ze voortbrengt, en een engel staat daarin, en die engel is uitnemend. 9 En hierna nam mijn grootvader Henoch mij bij zijn hand en richtte mij op, en zei tot mij: Ga, want ik heb de Heere van de geesten gevraagd aangaande deze beroering die op de aarde is. 10 En Hij zei tot mij: Vanwege hun onrecht is hun oordeel voltooid, en het zal voor Mijn aangezicht niet weerhouden worden, vanwege de maanden die zij hebben nagevorst en geleerd, en zij hebben geweten dat de aarde vergaan zal, en zij die op haar wonen. 11 En voor dezen is er geen terugkeer in eeuwigheid, omdat zij hun getoond hebben wat verborgen was, en zij zijn de veroordeelden; maar niet u, u, mijn zoon — de Heere van de geesten weet dat u rein en goed bent, vrij van deze smaad aangaande de verborgenheden. 12 En Hij heeft uw naam bevestigd te midden van de heiligen, en zal u bewaren voor hen die wonen op het droge, en Hij heeft uw zaad in gerechtigheid bevestigd voor het koningschap en voor grote heerlijkheden; en uit uw zaad zal een bron van rechtvaardigen en heiligen voortkomen, en zij hebben geen getal, in eeuwigheid. ### Henoch 66 1 En hierna toonde hij mij de engelen van de plaag, die gereed zijn om te komen en alle kracht van de wateren die onder de aarde zijn los te laten, opdat het zou zijn tot oordeel en tot verderf voor allen die wonen en verblijven op het droge. 2 En de Heere van de geesten gebood de engelen die uitgingen, dat zij de handen zouden opheffen en waken, want die engelen waren gesteld over de kracht van de wateren. 3 En ik ging uit van voor het aangezicht van Henoch. ### Henoch 67 1 En in die dagen kwam het woord van God tot mij, en Hij zei tot mij: Noach, zie, uw lot is voor Mij opgekomen, een lot dat geen blaam heeft, een lot van liefde en oprechtheid. 2 En nu maken de engelen een houten bouwwerk, en wanneer zij dat werk voltooid hebben, zal Ik Mijn hand daarop leggen en het bewaren, en daaruit zal een zaad des levens voortkomen, en een verandering zal intreden, opdat het droge niet leeg zal blijven. 3 En Ik zal uw zaad voor Mij bevestigen tot in alle eeuwigheid; en Ik zal hen die met u wonen over het aangezicht van het droge verspreiden, en het zal gezegend worden en zich vermenigvuldigen op het droge, in de naam van de Heere. 4 En zij zullen die engelen die onrecht bedreven hebben opsluiten in dat dal dat brandt, dat mijn grootvader Henoch mij tevoren getoond had in het westen, bij de bergen van goud en zilver en ijzer en week metaal en tin. 5 En ik zag dat dal, waarin een grote beroering was, en een beroering van de wateren. 6 En dit alles, toen het gebeurde uit dat gesmolten vuur, en de beroering die hen beroerde op die plaats, werd er een reuk van zwavel voortgebracht, en het werd verbonden met die wateren; en dat dal van de engelen die verleid hadden, brandt onder dat land. 7 En door zijn dalen komen stromen van vuur voort, waar die engelen gestraft worden die hen verleid hebben die op het droge wonen. 8 En die wateren zullen in die dagen zijn voor de koningen en de machtigen en de verhevenen, en voor hen die op het droge wonen, tot genezing van ziel en lichaam, maar tot oordeel van de geest; en hun geest is vol wellust, opdat hun lichaam gestraft zou worden, omdat zij de Heere van de geesten verloochend hebben en hun oordeel dagelijks zien, en toch niet in Zijn naam geloven. 9 En naar de mate dat het branden van hun lichaam heviger wordt, zo zal er in hun geest een verandering zijn tot in alle eeuwigheid; want voor de Heere van de geesten is er niemand die een ijdel woord spreekt. 10 Want het oordeel zal over hen komen, omdat zij in de wellust van hun lichaam geloven en de Geest van de Heere verloochenen. 11 En diezelfde wateren zullen in die dagen een verandering ondergaan; want wanneer die engelen in die dagen gestraft worden, verandert de hitte van die waterbronnen, en wanneer de engelen opstijgen, verandert dat water van de bronnen en wordt koud. 12 En ik hoorde de heilige Michaël antwoorden en zeggen: Dit oordeel, waarmee de engelen geoordeeld worden, is een getuigenis voor de koningen en de machtigen en voor hen die het droge bezitten. 13 Want deze wateren van het oordeel zijn tot genezing van hen, maar voor de engelen tot de dood van hun lichaam; en zij zien het niet en geloven niet dat deze wateren zullen veranderen en een vuur zullen worden dat in eeuwigheid brandt. ### Henoch 68 1 En hierna gaf mijn grootvader Henoch mij het onderricht van al de verborgenheden in een boek, en de gelijkenissen die hem gegeven waren, en hij voegde ze voor mij samen in de woorden van het boek van de gelijkenissen. 2 En op die dag antwoordde de heilige Michaël, zeggende tot Rafaël: De kracht van de geest grijpt mij aan en doet mij beven, vanwege de zwaarte van het oordeel van de verborgenheden, het oordeel van de engelen: wie is er die het zware oordeel kan verdragen dat voltrokken is en blijft bestaan, en voor wie zij wegsmelten? 3 En de heilige Michaël antwoordde opnieuw en zei tot Rafaël: Wie is er van wie het hart niet verzacht wordt daarover, en van wie de nieren niet ontsteld worden door dit woord? Het oordeel is over hen uitgegaan vanwege dezen die hen zo hebben uitgeleid. 4 En het gebeurde, toen hij voor de Heere van de geesten stond, dat de heilige Michaël zo tot Rafaël zei: Ik zal hun partij niet opnemen voor het oog van de Heere; want de Heere van de geesten is over hen vertoornd, omdat zij handelen alsof zij de Heere waren. 5 Daarom zal het verborgen oordeel over hen komen tot in alle eeuwigheid; want geen engel en geen mens zal zijn deel daarin ontvangen, maar zij alleen hebben hun oordeel ontvangen tot in alle eeuwigheid. ### Henoch 69 1 En na dit oordeel zullen zij hen verschrikken en doen sidderen, omdat zij dit hebben getoond aan hen die op de aarde wonen. 2 En zie, de namen van die engelen; en dit zijn hun namen: de eerste van hen is Semjaza, de tweede Artaqifa, de derde Armen, de vierde Kekabaël, de vijfde Turaël, de zesde Rumjaël, de zevende Danaël, de achtste Nuqaël, de negende Baraqaël, de tiende Azazaël, de elfde Armaros, de twaalfde Batarjaël, de dertiende Basasaël, de veertiende Ananaël, de vijftiende Turjaël, de zestiende Simapesiël, de zeventiende Jetaraël, de achttiende Tumaël, de negentiende Taraël, de twintigste Rumaël, de eenentwintigste Izizeël. 3 En dezen zijn de hoofden van hun engelen, en hun namen, en de oversten over honderd van hen, en de oversten over vijftig van hen, en de oversten over tien van hen. 4 De naam van de eerste is Jequn; deze is het die al de zonen van de heilige engelen verleidde en hen op de aarde deed neerdalen en hen verleidde door de dochters van de mensen. 5 En de tweede werd Asbeël genoemd; deze gaf de zonen van de heilige engelen een boze raad en verleidde hen, opdat zij hun lichamen zouden verontreinigen met de dochters van de mensen. 6 En de derde werd Gadreël genoemd; hij is het die aan de kinderen van de mensen al de slagen des doods toonde, en hij verleidde Eva, en hij toonde de kinderen van de mensen de wapenen des doods: het pantser en het schild en het zwaard ten strijde, en alle wapenen des doods aan de kinderen van de mensen. 7 En uit zijn hand zijn zij uitgegaan over hen die op de aarde wonen, van die tijd af en tot in eeuwigheid. 8 En de vierde werd Penemue genoemd; deze toonde aan de kinderen van de mensen het bittere en het zoete, en toonde hun al de verborgenheden van hun wijsheid. 9 Hij onderwees de mensen in het schrijven met inkt en papier, en daardoor zijn velen afgedwaald, van eeuwigheid tot eeuwigheid en tot op deze dag. 10 Want de mens werd niet daartoe geboren, dat hij met pen en inkt zijn geloof zou bevestigen. 11 Want de mens werd geschapen juist gelijk de engelen, opdat zij rechtvaardig en rein zouden blijven, en de dood, die alles verderft, zou hen niet hebben aangeraakt; maar door deze hun kennis vergaan zij, en door deze macht verslindt het mij.[^1] 12 En de vijfde werd Kasdeja genoemd; deze toonde aan de kinderen van de mensen al de boze slagen van de geesten en de demonen, en de slagen tegen de vrucht in de moederschoot, opdat zij zou afgaan, en de slagen tegen de ziel, de beet van de slang, en de slag die gebeurt in de middaghitte, het jong van de slang, waarvan de naam Tabaët is. 13 En dit is de taak[^2] van Kasbeël, het hoofd van de eed, die hij aan de heiligen toonde toen de Allerhoogste in heerlijkheid woonde; en zijn naam is Biqa. 14 En deze zei tot de heilige Michaël dat hij hun de verborgen naam zou tonen, opdat zij die verborgen naam zouden aanschouwen en die in de eed zouden noemen, opdat zij zouden beven voor die naam en eed, zij die aan de kinderen van de mensen al het verborgene hadden getoond. 15 En dit is de kracht van deze eed, want hij is machtig en sterk; en hij legde deze eed, Akaë, in de hand van de heilige Michaël. 16 En dit zijn de verborgenheden van deze eed, en zij zijn sterk door zijn eed; en de hemel werd opgehangen eer de wereld geschapen werd, en tot in eeuwigheid. 17 En daardoor werd de aarde gegrond op de wateren, en uit de verborgen plaatsen van de bergen komen liefelijke, levende wateren voort, van de schepping van de wereld en tot in eeuwigheid. 18 En door die eed werd de zee geschapen, en tot haar grondslag heeft Hij haar het zand gesteld tegen de tijd van de toorn, en zij gaat het niet te buiten, van de schepping van de wereld en tot in eeuwigheid. 19 En door die eed zijn de diepten bevestigd, en zij blijven staan en wijken niet van hun plaats, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 20 En door die eed voleindigen de zon en de maan hun loop en wijken niet af van hun inzetting, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 21 En door die eed voleindigen de sterren hun loop, en Hij roept hun namen en zij antwoorden Hem, van eeuwigheid tot in eeuwigheid. 22 En evenzo voor het water: de geesten van de winden en van alle geesten, en hun banen uit al de gewesten van de winden. 23 En daar worden bewaard de schatkamers van de stem van de donder en de glans van de bliksem; en daar worden bewaard de schatkamers van de hagel en de rijp, en de schatkamers van de nevel, en de schatkamers van de regen en de dauw. 24 En al dezen geloven en danken voor het aangezicht van de Heere van de geesten, en verheerlijken Hem met al hun kracht, en hun voedsel is in alle dankzegging; en zij danken en verheerlijken en verhogen de naam van de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. 25 En over hen is deze eed sterk, en zij worden daardoor bewaard, en hun banen worden bewaard, en hun loop wordt niet verdorven. 26 En er was grote blijdschap onder hen, en zij zegenden en verheerlijkten en verhoogden, omdat de naam van die Mensenzoon aan hen geopenbaard was. 27 En hij zat op de troon van zijn heerlijkheid, en de hele macht des oordeels werd hem, de Mensenzoon, gegeven; en hij doet de zondaren voorbijgaan en vernietigt hen van het aangezicht van de aarde, en hen die de wereld verleid hebben. 28 Met ketenen zullen zij gebonden worden, en in hun verzamelplaats des verderfs zullen zij opgesloten worden, en al hun werken zullen voorbijgaan van het aangezicht van de aarde. 29 En van nu aan zal er niets verderfelijks meer zijn, want die Mensenzoon is verschenen en heeft zich gezet op de troon van zijn heerlijkheid, en alle boosheid zal van voor zijn aangezicht voorbijgaan en heengaan; en het woord van die Mensenzoon zal sterk zijn voor het aangezicht van de Heere van de geesten. 30 Dit is de derde gelijkenis van Henoch.[^3] ### Henoch 70 1 En het gebeurde na dit, dat zijn naam, terwijl hij nog leefde, werd verhoogd tot die Mensenzoon en tot de Heere van de geesten, weg uit het midden van hen die op de aarde wonen. 2 En hij werd verhoogd op de wagens van de geest, en zijn naam ging uit hun midden weg. 3 En van die dag af werd ik niet meer in hun midden getrokken; en Hij zette mij tussen twee winden, tussen het noorden en het westen, waar de engelen de meetsnoeren namen om voor mij de plaats af te meten voor de uitverkorenen en de rechtvaardigen. 4 En daar zag ik de eerste vaderen en de rechtvaardigen, die van oudsher op die plaats wonen. ### Henoch 71 1 En het gebeurde na dit, dat mijn geest werd opgenomen en opsteeg in de hemelen; en ik zag de zonen van de engelen, hoe zij op vlammen van vuur traden; en hun kleren waren wit, en ook hun gewaden, en de glans van hun aangezicht was als sneeuw. 2 En ik zag twee stromen van vuur, en de glans van dat vuur straalde als hyacint; en ik viel op mijn aangezicht voor de Heere van de geesten. 3 En de engel Michaël, een van de hoofden van de engelen, greep mij bij mijn rechterhand en richtte mij op en leidde mij uit tot al de verborgenheden van de barmhartigheid en de verborgenheden van de gerechtigheid. 4 En hij toonde mij al de verborgenheden van de einden des hemels, en al de schatkamers van de sterren en van de lichten, vanwaar zij uitgaan voor het aangezicht van de heiligen. 5 En de geest voerde Henoch weg in de hemel van de hemelen; en ik zag daar, in het midden van dat licht, iets dat gebouwd was uit stenen van kristal, en in het midden van die stenen tongen van levend vuur. 6 En mijn geest zag een gordel die dat huis van vuur omgordde; aan zijn vier zijden waren de stromen, vol van levend vuur, en zij omgordden dat huis. 7 En rondom waren serafim en cherubim en ofannim; dezen zijn het die niet slapen en de troon van Zijn heerlijkheid bewaken. 8 En ik zag engelen die niet te tellen waren, duizend maal duizenden en tienduizend maal tienduizenden, die dat huis omringden; en Michaël en Rafaël en Gabriël en Fanuël, en de heilige engelen die boven de hemelen zijn, gingen dat huis in en uit. 9 En uit dat huis kwamen Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, en vele heilige engelen zonder getal. 10 En met hen het Hoofd van de dagen, en Zijn hoofd was wit en rein als wol, en Zijn kleed onbeschrijfelijk. 11 En ik viel op mijn aangezicht, en mijn hele lichaam versmolt en mijn geest werd veranderd; en ik riep met luider stem, in de geest van de kracht, en zegende en verheerlijkte en verhoogde. 12 En deze zegeningen die uit mijn mond uitgingen waren welbehaaglijk voor het aangezicht van dat Hoofd van de dagen. 13 En dat Hoofd van de dagen kwam met Michaël en Gabriël, Rafaël en Fanuël, met duizenden en tienduizend maal tienduizenden engelen zonder getal.[^1] 14 En die engel kwam tot mij en groette mij met zijn stem en zei tot mij: U bent de Mensenzoon, die tot gerechtigheid geboren bent, en de gerechtigheid woont op u, en de gerechtigheid van het Hoofd van de dagen verlaat u niet. 15 En hij zei tot mij: Hij verkondigt u vrede in de naam van de wereld die komen zal; want vandaar is de vrede uitgegaan sinds de schepping van de wereld, en zo zal het u gebeuren tot in eeuwigheid en in alle eeuwigheid. 16 En allen die zullen zijn en die op uw weg wandelen, terwijl de gerechtigheid u nooit verlaat, met u zal hun woning zijn en met u hun deel, en van u zullen zij niet gescheiden worden tot in eeuwigheid en in alle eeuwigheid. 17 En zo zal er lengte van dagen zijn met die Mensenzoon, en er zal vrede zijn voor de rechtvaardigen, en een rechte weg voor de rechtvaardigen, in de naam van de Heere van de geesten tot in alle eeuwigheid. ### Henoch 72 1 Het boek van de loop van de lichten des hemels, de verhouding van elk naar hun klassen, hun heerschappij en hun tijden, naar hun namen en hun plaatsen van oorsprong, en naar hun maanden, dat Uriël, de heilige engel die bij mij was en die hun leidsman is, mij toonde; en hij toonde mij al hun wetten, juist zoals zij zijn, en hoe het is met al de jaren van de wereld en tot in eeuwigheid, totdat de nieuwe schepping voltooid wordt die tot in eeuwigheid duurt. 2 En dit is de eerste inzetting van de lichten: de zon, het licht, heeft haar opgang in de poorten des hemels die naar het oosten zijn, en haar ondergang in de poorten des hemels die naar het westen zijn. 3 En ik zag zes poorten waaruit de zon opgaat, en zes poorten waar de zon ondergaat, en de maan gaat op en onder in die poorten; en de leidslieden van de sterren met hen die zij leiden: zes in het oosten en zes in het westen, en zij volgen alle nauwkeurig na elkander; ook vele vensters aan de rechter- en linkerzijde van die poorten. 4 En eerst gaat het grote licht uit, dat de Zon genoemd wordt, en zijn kring is als de kring des hemels, en hij is geheel vervuld van verlichtend en brandend vuur. 5 De wagen waarop hij opstijgt, drijft de wind voort; en de zon gaat onder van de hemel en keert terug door het noorden om naar het oosten te gaan, en wordt zo geleid dat hij bij die poort ingaat en op het aangezicht des hemels schijnt. 6 Zo gaat hij op in de eerste maand in de grote poort, en hij komt uit door die welke de vierde is van die poorten aan de oostzijde van de zon.[^1] 7 En in die vierde poort, waaruit de zon opgaat in de eerste maand, zijn twaalf vensteropeningen, waaruit een vlam uitgaat wanneer zij op hun tijd geopend worden. 8 Wanneer de zon opgaat aan de hemel, komt hij uit door die vierde poort dertig morgens lang, en in de vierde poort in het westen des hemels gaat hij recht onder. 9 En in die dagen wordt de dag langer van dag tot dag, en de nacht wordt korter van nacht tot nacht, tot de dertigste morgen. 10 En op die dag wordt de dag langer dan de nacht, en de dag wordt nauwkeurig tien delen en de nacht acht delen. 11 En de zon gaat uit uit die vierde poort en gaat onder in de vierde, en keert terug tot de vijfde poort in het oosten, dertig morgens, en gaat daaruit op en onder in de vijfde poort. 12 Dan wordt de dag langer, en de dag wordt elf delen, en de nacht wordt korter en wordt zeven delen. 13 En de zon keert terug tot het oosten en gaat de zesde poort binnen, en gaat op en onder in de zesde poort eenendertig morgens, vanwege haar teken. 14 En op die dag wordt de dag langer dan de nacht, en de dag wordt het dubbele van de nacht, en de dag wordt twaalf delen, en de nacht wordt korter en wordt zes delen.[^2] 15 En de zon rijst op, zodat de dag korter wordt en de nacht langer; en de zon keert terug tot het oosten en gaat de zesde poort binnen, en gaat daaruit op en onder, dertig morgens. 16 En wanneer dertig morgens voleindigd zijn, neemt de dag met nauwkeurig één deel af, en de dag wordt elf delen en de nacht zeven delen. 17 En de zon gaat uit in het westen uit die zesde poort, en gaat naar het oosten en gaat op in de vijfde poort, dertig morgens, en gaat onder in het westen, opnieuw in de vijfde poort in het westen. 18 Op die dag neemt de dag met twee delen af, en de dag wordt tien delen en de nacht acht delen. 19 En de zon gaat uit uit die vijfde poort en gaat onder in de vijfde poort in het westen, en gaat op in de vierde poort eenendertig morgens, vanwege haar teken, en gaat onder in het westen. 20 Op die dag wordt de dag gelijkgemaakt met de nacht, en zij worden gelijk, en de nacht wordt negen delen en de dag negen delen. 21 En de zon gaat uit uit die poort en gaat onder in het westen, en keert terug tot het oosten en gaat op in de derde poort, dertig morgens, en gaat onder in het westen in de derde poort. 22 En op die dag wordt de nacht langer dan de dag, van nacht tot nacht tot de dertigste morgen, en de dag wordt korter van dag tot dag tot de dertigste dag, en de nacht wordt nauwkeurig tien delen en de dag acht delen. 23 En de zon gaat uit uit die derde poort en gaat onder in de derde poort in het westen, en keert terug tot het oosten, en gaat dertig morgens op in de tweede poort in het oosten, en gaat evenzo onder in de tweede poort in het westen des hemels. 24 En op die dag wordt de nacht elf delen en de dag zeven delen. 25 En de zon gaat op die dag uit uit die tweede poort en gaat onder in het westen in de tweede poort, en keert terug tot het oosten in de eerste poort, eenendertig morgens, en gaat onder in het westen in de eerste poort. 26 En op die dag wordt de nacht langer en wordt het dubbele van de dag, en de nacht wordt nauwkeurig twaalf delen en de dag zeven delen.[^3] 27 En de zon heeft zijn afdelingen voleindigd en keert opnieuw over deze zijn afdelingen, en gaat die poort binnen, dertig morgens, en in het westen ook, tegenover haar, gaat hij onder. 28 En op die dag wordt de nacht in lengte korter met één deel, en dit is één deel, en de nacht wordt elf delen en de dag zeven delen. 29 En de zon keerde terug en ging de tweede poort in het oosten binnen, en keert terug over die zijn afdelingen, dertig morgens, opgaande en ondergaande. 30 En op die dag wordt de nacht in lengte korter, en de nacht wordt tien delen en de dag acht delen. 31 En op die dag gaat de zon uit uit die tweede poort en gaat onder in het westen, en keert terug tot het oosten en gaat op in de derde poort, eenendertig morgens, en gaat onder in het westen des hemels. 32 En op die dag neemt de nacht af en wordt negen delen, en de dag wordt negen delen, en de nacht wordt gelijkgemaakt met de dag, en het jaar wordt nauwkeurig driehonderdvierenzestig dagen. 33 En de lengte van de dag en van de nacht, en de kortheid van de dag en van de nacht, worden door de loop van de zon onderscheiden. 34 Door hem wordt zijn loop van dag tot dag langer, en van nacht tot nacht korter. 35 En dit is de inzetting en de loop van de zon, en zijn terugkeer, wanneer hij zestig keer terugkeert en opgaat, hij, het grote licht dat de Zon genoemd wordt, tot in alle eeuwigheid. 36 En dit is het grote licht dat uitgaat, dat naar zijn aanzien genoemd wordt, zoals de Heere geboden heeft. 37 En zo gaat hij op en onder, en neemt niet af en rust niet, maar loopt dag en nacht in de wagen, en zijn licht is zevenvoudig helderder dan dat van de maan; maar wat hun grootte betreft, zijn zij beiden gelijk. ### Henoch 73 1 En na deze inzetting zag ik een andere inzetting, voor het kleine licht, welks naam de Maan is. 2 En haar kring is als de kring des hemels, en haar wagen waarop zij rijdt, drijft de wind voort; en haar wordt het licht naar maat gegeven. 3 En elke maand veranderen haar opgang en haar ondergang, en haar dagen zijn als de dagen van de zon; en wanneer haar licht gelijkmatig is, is haar licht een zevende deel van het licht van de zon; en zo gaat zij op. 4 En haar eerste schijnsel, dat naar het oosten is, komt uit op de dertigste morgen; en op die dag wordt zij zichtbaar en is zij voor u het begin van de maand op de dertigste morgen, samen met de zon in de poort waaruit de zon uitgaat. 5 En de ene helft van haar treedt uit met een zevende deel, en haar hele kring is leeg, zonder licht, behalve een zevende deel daarvan, van de veertien delen van haar licht. 6 En op de dag dat zij een zevende deel en de helft van haar licht ontvangt, wordt haar licht een zevende deel en de helft daarvan. 7 En haar helft gaat onder met de zon. En wanneer de zon opgaat, gaat de maan met hem op en ontvangt de helft van één deel licht; en in die nacht, bij het begin van haar morgen, vóór haar dag, gaat de maan onder met de zon en is duister in die nacht met de veertien delen en de helft van één daarvan. 8 En zij gaat op die dag op met nauwkeurig een zevende deel, en komt uit en wijkt terug van de opgang van de zon, en zij schijnt in het overige van haar dag met de veertien delen.[^1] ### Henoch 74 1 En ik zag nog een andere loop en een inzetting voor haar, waardoor zij naar die inzetting haar loop van de maanden volbrengt. 2 En dit alles toonde Uriël mij, de heilige engel die hun leidsman is over hen allen, en hun standplaatsen; en ik schreef het op zoals hij het mij toonde, en ik schreef hun maanden op zoals zij waren, en de verschijning van hun licht, totdat er vijftien dagen voleindigd waren. 3 In enkele zevende delen volbrengt zij al haar licht in het oosten, en in enkele zevende delen volbrengt zij al haar duisternis in het westen. 4 En in sommige maanden verandert zij haar ondergangen, en in sommige maanden gaat zij haar eigen loop alleen. 5 En in twee maanden gaat zij onder met de zon, in die twee poorten die in het midden zijn, in de derde en in de vierde poort. 6 Zij gaat uit voor zeven dagen en keert om en komt weer terug door de poort waaruit de zon opgaat; en daarin volbrengt zij al haar licht, en zij wijkt van de zon, en zij gaat na acht dagen in door de zesde poort waaruit de zon uitgaat. 7 En wanneer de zon uitgaat uit de vierde poort, gaat zij zeven dagen uit, totdat zij uitgaat uit de vijfde, en zij keert weer in zeven dagen terug in de vierde poort, en zij volbrengt al haar licht, en zij wijkt en gaat in door de eerste poort in acht dagen. 8 En zij keert weer terug in zeven dagen in de vierde poort, waaruit de zon uitgaat. 9 Zo zag ik hun standplaats, hoe naar de orde van hun maanden de zon opgaat en ondergaat. 10 En in die dagen, wanneer vijf jaren worden samengevoegd, komen er voor de zon dertig dagen bij; en al de dagen die haar toevallen voor één jaar uit die vijf jaren, wanneer zij vol zijn, worden driehonderdvierenzestig dagen. 11 En het toevallende van de zon en van de sterren bedraagt zes dagen; in vijf jaren, zes voor elk, komen er dertig dagen bij; en de maan blijft achter bij de zon en bij de sterren dertig dagen. 12 En de maan brengt de jaren nauwkeurig in, zij allen, zodat hun standplaats in eeuwigheid niet vervroegt noch verlaat, ook niet één dag, maar zij wisselen het jaar in gerechtigheid, nauwkeurig, met driehonderdvierenzestig dagen elk. 13 Voor drie jaar zijn haar dagen duizendtweeënnegentig, en voor vijf jaren achttienhonderdtwintig dagen, zodat het voor acht jaren tweeduizendnegenhonderdtwaalf dagen zijn. 14 Voor de maan alleen komen haar dagen voor drie jaar op duizendtweeënzestig dagen, en voor vijf jaren blijft zij vijftig dagen achter, want bij haar uitgaan wordt er bij de zeventienhonderdzeventig nog tweeënzestig dagen toegedaan. 15 En voor vijf jaren zijn er zeventienhonderdzeventig dagen, zodat voor de maan de dagen in acht jaren tweeduizendachthonderdtweeëndertig dagen zijn. 16 Want de mindering voor acht jaren is tachtig dagen, en al de dagen die zij in acht jaren achterblijft, zijn tachtig. 17 En het jaar wordt nauwkeurig voleindigd naar hun wereldstandplaatsen en de standplaatsen van de zon, die opgaan uit de poorten waaruit zij opgaat en ondergaat, dertig dagen. ### Henoch 75 1 En de leidslieden van de hoofden van de duizenden, die over de hele schepping en over al de sterren gesteld zijn, hebben ook te doen met de vier dagen die worden toegevoegd, onafscheidelijk van hun standplaats, naar de hele berekening van het jaar; en dezen verrichten dienst op de vier dagen die niet in de berekening van het jaar worden gerekend. 2 En om hunnentwil dwalen de mensen aangaande hen, want die lichten verrichten werkelijk dienst op de wereldstandplaatsen, één in de eerste poort, en één in de derde poort, en één in de vierde poort, en één in de zesde poort; en de nauwkeurigheid van de wereld wordt voleindigd door haar driehonderdvierenzestig wereldstandplaatsen. 3 Want voor de tekenen en de tijden en de jaren en de dagen toonde Uriël mij, de engel die de Heere van de heerlijkheid, die in eeuwigheid is, gesteld heeft over al de lichten des hemels, in de hemel en in de wereld, opdat zij zouden heersen op het aangezicht des hemels en gezien worden op de aarde, en leidslieden zouden zijn voor de dag en voor de nacht: de zon en de maan en de sterren, en al de dienende menigte die hun omloop maken in al de wagens des hemels. 4 Zó toonde Uriël mij twaalf poorten, geopende, in de kring van de wagen van de zon in de hemel, waaruit de stralen van de zon uitgaan, en waaruit de warmte uitgaat over de aarde, wanneer zij geopend worden op de bestemde tijden. 5 En voor de winden en voor de geest van de dauw, wanneer zij geopend worden op de tijden, staande open in de hemelen aan de einden. 6 Twaalf poorten zag ik in de hemel, aan de einden van de aarde, waaruit de zon en de maan en de sterren en al de werken des hemels uitgaan, van het oosten en van het westen. 7 En vele geopende vensters zijn er aan hun linkerhand en aan hun rechterhand; en één venster brengt op zijn tijd warmte voort, overeenkomstig die poorten waaruit de sterren uitgaan, zoals Hij hun geboden heeft, en waarin zij ondergaan naar hun getal. 8 En ik zag wagens in de hemel, snellende door de wereld, boven die poorten en beneden die poorten, waarin de sterren zich wenden die niet ondergaan. 9 En één is groter dan zij allen, en die maakt zijn omloop door de hele wereld. ### Henoch 76 1 En aan de einden van de aarde zag ik twaalf poorten, geopende, voor al de winden, waaruit de winden uitgaan en over de aarde waaien. 2 Drie ervan zijn geopend aan het aangezicht des hemels, en drie in het westen, en drie aan de rechterhand des hemels, en drie aan de linkerhand. 3 En de drie eerste zijn die naar het oosten, en drie naar het noorden, en drie daarachter, die aan de linkerhand naar het zuiden zijn, en drie in het westen. 4 Door vier ervan gaan winden van zegen en vrede uit, en uit die acht gaan winden van plaag uit; wanneer zij uitgezonden worden, verderven zij de hele aarde, en het water dat daarop is, en allen die daarop wonen, en al wat er is in het water en op het droge. 5 En de eerste wind gaat uit uit die poorten, die de oostenwind heet, door de eerste poort die naar het oosten is, die neigt naar het zuiden; daaruit gaat verwoesting uit, droogte en hitte en verderf. 6 En door de tweede, de middelste poort, gaat uit wat recht is, en daaruit gaan regen en vrucht en vrede en dauw uit; en door de derde poort, die naar het noorden is, gaan koude en droogte uit. 7 En na deze gaan de zuidenwinden uit door drie poorten; door de eerste poort daarvan, die naar het oosten neigt, gaat een hete wind uit. 8 En door de poort die daarnaast is, de middelste, gaat daaruit een goede reuk uit, en dauw en regen en vrede en leven. 9 En door de derde poort, die naar het westen is, gaan daaruit dauw en regen en sprinkhanen en verwoesting uit. 10 En na deze de winden naar het noorden — waarvan de naam "zee" is — uit de zevende poort, die naar het oosten is, die naar het zuiden neigt; daaruit gaan dauw en regen, sprinkhanen en verwoesting uit. 11 En uit de middelste poort, de rechte, gaan daaruit regen en dauw en leven en vrede uit; en door de derde poort, die naar het westen is, die naar het noorden neigt, gaan daaruit wolk en rijp en sneeuw en regen en dauw en sprinkhanen uit. 12 En na deze zijn de vier westenwinden; door de eerste poort, die naar het noorden neigt, en daaruit gaan dauw en regen en rijp en koude en sneeuw en vorst uit. 13 En uit de middelste poort gaan dauw en regen, vrede en zegen uit; en door de laatste poort, die naar het zuiden is, gaan daaruit droogte en verwoesting, brand en verderf uit. 14 En de twaalf poorten van de vier windstreken des hemels zijn voleindigd; en al hun voorschriften en al hun plagen en hun weldaden heb ik u getoond, mijn zoon Methusalah. ### Henoch 77 1 De eerste windstreek noemt men het oosten, omdat zij de eerste is; en de tweede noemt men het zuiden, omdat de Allerhoogste daar neerdaalt, ja, bovenmate daalt daar Hij neder die gezegend is in eeuwigheid. 2 En de windstreek van het westen, haar naam is "de verminderde", omdat daar al de lichten des hemels afnemen en nederdalen. 3 En de vierde windstreek, die het noorden heet, wordt in drie delen gedeeld: het eerste ervan is een woning voor de mensen, en het tweede voor de zeeën van de wateren en voor de afgronden en voor het woud en voor de rivieren en voor de duisternis en voor de nevel, en het derde deel bevat de hof van de gerechtigheid. 4 Zeven hoge bergen zag ik, hoger dan al de bergen die op de aarde zijn, en daaruit gaat de rijp uit; en dagen gaan voorbij, en tijden en jaren gaan heen. 5 Zeven rivieren op de aarde zag ik, groter dan al de rivieren; één ervan komt uit het westen en stort haar water uit in de grote zee. 6 En die twee komen uit het noorden tot de zee, en storten hun water uit in de Erythrese Zee in het oosten. 7 En de vier die overblijven gaan uit aan de zijde van het noorden tot hun eigen zee, de Erythrese Zee; en twee in de grote zee, en worden daar uitgestort — en men zegt: in de woestijn. 8 Zeven grote eilanden zag ik, in de zee en op het vasteland: twee op het vasteland en vijf in de grote zee. ### Henoch 78 1 De namen van de zon zijn deze: de eerste Orjares, en de tweede Tomas. 2 En de maan heeft vier namen: de eerste naam is Asonja, en de tweede Ebla, en de derde Benase, en de vierde Erae. 3 Dit zijn de twee grote lichten; hun kring is gelijk de kring des hemels, en de grootte van hen beiden is gelijk. 4 In de kring van de zon zijn zeven delen van licht, die aan haar worden toegedaan meer dan aan de maan, en met maat wordt het overgebracht, totdat het zevende deel van de zon voorbij is. 5 En zij gaan onder en gaan in door de poorten van het westen, en maken hun omloop langs het noorden, en door de poorten van het oosten gaan zij uit op het aangezicht des hemels. 6 En wanneer de maan opgaat, verschijnt zij in de hemel, en de helft van een zevende deel van licht is in haar; en op de veertiende dag volbrengt zij al haar licht. 7 En vijftien delen van licht worden in haar toegedaan, totdat op de vijftiende dag haar licht voleindigd wordt naar het teken van het jaar; en zij wordt vijftien delen, en de maan wast met de helft van een zevende deel. 8 En bij haar afneming, op de eerste dag, mindert haar licht tot veertien delen, en op de tweede tot dertien delen, en op de derde tot twaalf delen, en op de vierde tot elf delen, en op de vijfde tot tien delen, en op de zesde tot negen delen, en op de zevende tot acht delen, en op de achtste tot zeven delen, en op de negende tot zes delen, en op de tiende tot vijf delen, en op de elfde tot vier delen, en op de twaalfde tot drie delen, en op de dertiende tot twee, en op de veertiende tot de helft van een zevende deel; en al haar licht is op de vijftiende dag verteerd, al wat er van alles was overgebleven. 9 En in sommige maanden heeft de maand negenentwintig dagen elk, en somtijds achtentwintig. 10 En Uriël toonde mij nog een andere inzetting: wanneer het licht in de maan wordt gelegd, en van welke zijde het uit de zon wordt gelegd. 11 Al de tijd dat de maan met haar licht voortgaat, legt zij het in, tegenover de zon, totdat op veertien dagen haar licht voleindigd wordt in de hemel; en wanneer zij geheel gloeit, wordt al haar licht voleindigd in de hemel. 12 En de eerste dag wordt nieuwe maan genoemd, omdat op die dag het licht over haar opgaat. 13 En zij wordt nauwkeurig vol op de dag dat de zon neerdaalt in het westen, en uit het oosten gaat zij op in de nacht, en de maan geeft licht de hele nacht door, totdat de zon voor haar aangezicht opgaat, en de maan gezien wordt tegenover de zon. 14 Van de zijde waaruit het licht van de maan uitgaat, van daar neemt zij opnieuw af, totdat al haar licht verteerd is, en de dagen van de maan voorbijgaan, en haar kring leeg blijft, zonder licht. 15 En drie maanden maakt zij van dertig dagen elk in haar tijd, en drie maanden maakt zij van negenentwintig dagen elk, waarin zij haar afneming maakt, in de eerste tijd en in de eerste poort, in honderdzevenenzeventig dagen. 16 En in de tijd van haar uitgaan verschijnt zij drie maanden met dertig dagen elk, en drie maanden verschijnt zij met negenentwintig dagen elk. 17 Des nachts verschijnt zij, twintig maal elk, als een man, en des daags als de hemel, want er is niets anders in haar dan haar licht. ### Henoch 79 1 En nu, mijn zoon Methuselah, heb ik u alles getoond, en de hele ordening van de sterren des hemels is voleindigd. 2 En hij toonde mij al hun ordening, voor elke dag en in elke tijd en onder elke heerschappij en in elk jaar, en bij zijn uitgang en volgens zijn voorschrift, in elke maand en in alle weken. 3 En de afneming van de maan, die gebeurt in de zesde poort; want in deze zesde poort wordt haar licht voleindigd, en daaruit ontstaat het begin van de maand. 4 En de afneming die gebeurt in de eerste poort in haar tijd, totdat honderdzevenenzeventig dagen voleindigd zijn; en naar de ordening van de weken: vijfentwintig weken en twee dagen. 5 En zij blijft ten aanzien van de zon en de ordening van de sterren juist vijf dagen achter in de loop van één tijdperk, en wanneer deze plaats die u ziet, doorlopen is. 6 Zodanig is het beeld en de gelijkenis van elk lichtend hemellichaam, dat Uriël, de grote engel, mij getoond heeft, die hun leidsman is. ### Henoch 80 1 En in die dagen antwoordde Uriël mij en zei tot mij: Zie, ik heb u alles getoond, o Henoch, en alles heb ik u geopenbaard, opdat u deze zon en deze maan zou zien, en hen die de sterren des hemels leiden, en allen die hen doen wentelen, hun werk en hun tijden en hun uitgangen. 2 En in de dagen van de zondaren zullen de jaren verkort worden, en hun zaad zal te laat komen op hun landen en op hun akkers, en al het gewas dat op de aarde is, zal veranderen en niet verschijnen op zijn tijd; en de regen zal geweerd worden en de hemel zal die inhouden. 3 En in die tijden zal de vrucht van de aarde te laat komen en niet opschieten op haar tijd, en de vrucht van de boom zal geweerd worden op haar tijd. 4 En de maan zal haar ordening veranderen en niet verschijnen op haar tijd. 5 En in die dagen zal de hemel gezien worden, en droogte zal komen aan de rand van de grote wagen in het westen, en hij zal veel feller schijnen dan de ordening van het licht toelaat. 6 En vele hoofden van de sterren, die tot de inzetting behoren, zullen dwalen, en dezen zullen hun banen en hun werk veranderen en niet verschijnen op de tijden die hun geboden zijn. 7 En de hele ordening van de sterren zal voor de zondaren gesloten zijn, en de gedachten van hen die op de aarde wonen, zullen daaromtrent dwalen, en zij zullen afwijken van al hun wegen, en zij zullen dwalen en hen voor goden houden. 8 En het kwaad zal over hen vermenigvuldigd worden, en de plaag zal over hen komen, om hen allen te verderven. ### Henoch 81 1 En hij zei tot mij: O Henoch, aanschouw het boek van het uitspansel des hemels, en lees wat daarop geschreven is, en versta alles, één voor één. 2 En ik aanschouwde alles van het uitspansel des hemels, en ik las alles wat geschreven was, en ik verstond alles; en ik las het boek en alles wat daarin geschreven stond, al de daden van de mensen en al de kinderen des vleses die op de aarde zijn, tot de geslachten van de wereld toe. 3 En daarna, in dat uur, zegende ik de Heere, de Koning van de heerlijkheid die in eeuwigheid is, omdat Hij al de werken van de wereld gemaakt heeft; en ik prees de Heere om Zijn geduld, en ik zegende Hem vanwege de kinderen van de wereld. 4 En te dien tijde zei ik: Zalig is de man die sterft terwijl hij rechtvaardig en goed is, over wie geen boek van onrecht geschreven is, en tegen wie geen schuld gevonden wordt. 5 En die drie heiligen brachten mij nader en zetten mij op de aarde neder voor de deur van mijn huis, en zeiden tot mij: Verkondig alles aan Methuselah, uw zoon, en toon aan al uw kinderen dat geen vlees rechtvaardig is voor het aangezicht van de Heere, want Hij heeft hen geschapen. 6 Één jaar zullen wij u bij uw kinderen laten, totdat u opnieuw uw geboden geeft, opdat u uw kinderen zou onderwijzen en voor hen zou opschrijven en aan al uw kinderen getuigen; en in het tweede jaar zullen zij u uit hun midden wegnemen. 7 Laat uw hart sterk zijn, want de goeden verkondigen aan de goeden de gerechtigheid; de rechtvaardige zal zich met de rechtvaardige verblijden en zij zullen elkander groeten onder elkander. 8 Maar de zondaar zal met de zondaar sterven, en de afvallige zal met de afvallige verzinken. 9 En zij die gerechtigheid doen, zullen sterven vanwege de daden van de mensen, en zullen weggenomen worden vanwege de daden van de goddelozen. 10 En in die dagen eindigden zij, terwijl zij met mij spraken, en ik kwam tot mijn volk, terwijl ik de Heere van de wereld zegende. ### Henoch 82 1 En nu, mijn zoon Methuselah, verhaal ik u al deze dingen en schrijf ze voor u op, en alles heb ik u geopenbaard en u de boeken over al deze dingen gegeven. Bewaar, mijn zoon Methuselah, de boeken uit de hand van uw vader, opdat u ze aan de geslachten van de wereld zou overgeven. 2 Wijsheid heb ik u gegeven, en aan uw kinderen, en aan hen die u tot kinderen zullen worden, opdat zij deze wijsheid aan hun kinderen zouden geven, voor de geslachten, tot in eeuwigheid, naar hun verstand. 3 En zij die haar verstaan, zullen niet slapen, maar zullen met hun oren luisteren om deze wijsheid te leren; en zij zal hun beter bevallen dan goede spijzen aan hen die eten. 4 Zalig zijn al de rechtvaardigen, zalig zijn allen die wandelen op de weg van de gerechtigheid en geen zonde hebben zoals de zondaren, in het getal van al hun dagen waarin de zon in de hemel voortgaat, door de poorten ingaat en uitgaat, dertig dagen lang, met de hoofden van de duizenden — dit is de ordening van de sterren — tezamen met de vier die worden ingevoegd en die de vier delen van het jaar scheiden, die hen leiden, en met hen vier dagen ingaan. 5 Vanwege hen dwalen de mensen en rekenen hen niet mee in de berekening van de hele wereld, want zij dwalen ten aanzien van hen, en de mensen kennen hen niet nauwkeurig. 6 Want zij behoren tot de berekening van het jaar en zijn werkelijk voor eeuwig opgetekend: één in de eerste poort, en één in de derde, en één in de vierde, en één in de zesde; en het jaar wordt voleindigd in driehonderdvierenzestig dagen. 7 En waarachtig is hun bericht en nauwkeurig de opgetekende berekening; want aangaande de lichten en de maanden en de feesten en de jaargetijden en de dagen heeft Uriël het mij getoond en aan mij geopenbaard, aan wie de Heere van heel de schepping van de wereld hem beval, ten behoeve van mij, door de kracht des hemels. 8 En hij heeft macht over nacht en dag in de hemel, om het licht over de mensen te doen schijnen: de zon en de maan en de sterren, en al de machten des hemels die in hun kring wentelen. 9 En dit is de ordening van de sterren die ondergaan in hun plaatsen en in hun tijden en in hun feesten en in hun maanden. 10 En dit zijn de namen van hen die hen leiden, die de wacht houden en die ingaan op hun tijden en in hun ordeningen en in hun uren en in hun maanden en in hun heerschappijen en in hun standplaatsen. 11 Hun vier leidslieden gaan het eerst in, die de vier delen van het jaar scheiden; en na hen de twaalf leidslieden van de ordeningen, die de maanden scheiden, en voor het jaar van driehonderdvierenzestig dagen zijn er de hoofden van de duizenden die de dagen verdelen; en voor de vier die aan hen worden toegevoegd, scheiden de leidslieden de vier delen van de jaren. 12 En deze hoofden van de duizenden worden ingevoegd tussen leidsman en geleide; één wordt achter een standplaats toegevoegd, maar hun leidslieden maken de scheiding. 13 En dit zijn de namen van de leidslieden die de vier delen van het jaar scheiden, die aangesteld zijn: Milkiël, en Hel'emmelek, en Mel'ejal, en Narel. 14 En de namen van hen die hen leiden: Adnarel, en Iyasusaël, en Iyilumiël. Deze drie volgen achter de leidslieden van de ordeningen, en er is één die volgt achter de drie leidslieden van de ordeningen, die volgen achter die leidslieden van de standplaatsen, die de vier delen van het jaar scheiden. 15 In het begin van het jaar rijst Milkiël het eerst op en heerst, die Tem'ani en de zon genoemd wordt; en al de dagen van zijn heerschappij waarin hij heerst, zijn eenennegentig dagen. 16 En dit zijn de tekenen van de dagen die op de aarde verschijnen in de dagen van zijn heerschappij: zweet en hitte en windstilte; en al de bomen dragen vrucht, en het loof komt uit aan alle bomen, en de oogst van de tarwe, en de rozenbloesem, en al de bloemen bloeien op het veld, maar de bomen van de winter verdorren. 17 En dit zijn de namen van de leidslieden die onder hen zijn: Berkaël, Zelebsaël, en een ander die wordt toegevoegd, een hoofd van een duizend, van wie de naam Heloyaseph is; en de dagen van zijn heerschappij zijn geëindigd. 18 De volgende leidsman na hen is Hel'emmelek, die men de blinkende zon noemt; en al de dagen van zijn licht zijn eenennegentig dagen. 19 En dit zijn de tekenen van de dagen op de aarde: gloeiende hitte en droogte; en de bomen brengen hun vruchten rijp en gaar voort, en geven hun vrucht en verdorren; en de schapen paren en worden drachtig, en men verzamelt al de vrucht van de aarde en alles wat op de velden is, en de wijnpers; deze dingen gebeuren in de dagen van zijn heerschappij. 20 En dit zijn hun namen en hun ordeningen en hun leidslieden die onder hen zijn, deze hoofden van de duizenden: Gedaël, en Keël, en Heël; en de naam van hem die met hen wordt toegevoegd, een hoofd van een duizend, is Asfaël; en de dagen van zijn heerschappij zijn geëindigd. ### Henoch 83 1 En nu, mijn zoon Methuselah, zal ik u al de gezichten tonen die ik gezien heb; voor uw aangezicht verhaal ik ze. 2 Twee gezichten heb ik gezien voordat ik een vrouw nam, en het ene was in niets gelijk aan het andere: het eerste, toen ik leerde schrijven; en het andere, voordat ik uw moeder nam, zag ik een zwaar gezicht. En aangaande beide deed ik smeking tot de Heere. 3 Toen ik neergelegen was in het huis van Mahalalel, mijn grootvader, zag ik in een gezicht hoe de hemel instortte en werd weggerukt en op de aarde viel. 4 En toen hij op de aarde viel, zag ik de aarde, hoe zij verzwolgen werd in een grote afgrond, en bergen op bergen hingen, en heuvelen op heuvelen wegzonken, en hoge bomen van hun stammen werden afgehouwen en neergeworpen en in de afgrond wegzonken. 5 En daarop viel een woord in mijn mond, en ik verhief mijn stem om te roepen, en ik zei: De aarde is verdorven. 6 En Mahalalel, mijn grootvader, wekte mij op, terwijl ik bij hem lag, en zei tot mij: Waarom roept u zo, mijn zoon, en waarom maakt u zulk een weeklacht? 7 En ik verhaalde hem het hele gezicht dat ik gezien had, en hij zei tot mij: Een geducht ding hebt u gezien, mijn zoon, en machtig is het gezicht van uw droom aangaande de verborgen zonden van de hele aarde: zij moet in de afgrond wegzinken en met een grote vernietiging vernietigd worden. 8 En nu, mijn zoon, sta op en smeek de Heere van de heerlijkheid — want u bent getrouw — dat er een overblijfsel op de aarde moge overblijven, en dat Hij de hele aarde niet uitroeie. 9 Mijn zoon, uit de hemel zal dit alles over de aarde komen, en op de aarde zal een grote vernietiging gebeuren. 10 En daarop stond ik op en bad en smeekte, en ik schreef mijn gebed op voor de geslachten van de wereld; en alles zal ik u tonen, mijn zoon Methuselah. 11 En toen ik naar beneden was uitgegaan en de hemel had aangezien, en de zon die uit het oosten opging, en de maan die in het westen onderging, en enkele sterren, en alles zoals het van den beginne bekend was, toen zegende ik de Heere des oordeels en gaf Hem grootheid, omdat Hij de zon uit de vensters van het oosten heeft doen uitgaan, en zij opklom en oprees op het aangezicht des hemels, en opging en de weg bewandelde die haar getoond was. ### Henoch 84 1 En ik hief mijn handen op in gerechtigheid en zegende de Heilige en Grote, en ik sprak met de adem van mijn mond en met de tong van vlees, die God gemaakt heeft voor de kinderen van het vlees van de mensen, opdat zij daarmee zouden spreken; en Hij gaf hun adem en een tong en een mond, opdat zij daarmee zouden spreken: 2 Gezegend bent U, o Heere, Koning, groot en machtig in Uw grootheid, Heere van heel de schepping van de hemel, Koning van de koningen en God van heel de wereld. En Uw Godheid en Uw koninkrijk en Uw grootheid blijven tot in eeuwigheid en tot in alle eeuwen, en aan alle geslachten van geslachten is Uw heerschappij; en al de hemelen zijn Uw troon tot in eeuwigheid, en heel de aarde de voetbank van Uw voeten tot in eeuwigheid en tot in alle eeuwen. 3 Want U hebt alles gemaakt en U regeert over alles, en geen werk is voor U te zwaar, en niet één, geen enkele wijsheid ontgaat U; en zij wijkt niet af van de zetel van Uw woning noch van Uw aangezicht; en U kent alle dingen en ziet en hoort, en er is niets voor U verborgen, want U ziet alles. 4 En nu overtreden de engelen van Uw hemelen, en op het vlees van de mensen rust Uw toorn, tot aan de grote dag van het oordeel. 5 En nu, o God en Heere en grote Koning, smeek en bid ik dat U mijn gebed voor mij bevestigt, dat U voor mij een nakomelingschap op de aarde overlaat, en niet al het vlees van de mensen vernietigt, en de aarde niet leegmaakt, zodat er verderf zou zijn tot in eeuwigheid. 6 En nu, mijn Heere, verdelg van de aarde het vlees dat Uw toorn heeft opgewekt, maar het vlees van gerechtigheid en oprechtheid, bevestig dat als een plant van eeuwig zaad, en verberg Uw aangezicht niet voor het gebed van Uw knecht, o Heere. ### Henoch 85 1 En hierna zag ik een tweede droom, en ik zal u die geheel tonen, mijn zoon. 2 En Henoch hief zijn stem op en zei tot zijn zoon Methusalah: Tot u zal ik spreken, mijn zoon; hoor mijn woorden en neig uw oor tot het gezicht in de droom van uw vader. 3 Voordat ik uw moeder Edna tot mij nam, zag ik in een gezicht op mijn slaapstede, en zie, een stier kwam voort uit de aarde, en die stier was wit; en na hem kwam een vrouwelijk kalf voort, één, en met haar kwam een ander kalf voort, en één van hen was zwart en één rood. 4 En dat zwarte kalf stootte het rode, en het vervolgde hem over de aarde, en van dat ogenblik af kon ik dat rode kalf niet meer zien. 5 En dat zwarte kalf werd groot, en dat vrouwelijke kalf ging met hem mee, en ik zag dat uit hem vele runderen voortkwamen die op hem geleken en hem achterna volgden. 6 En die vaars, die eerste, ging uit van voor het aangezicht van die eerste stier om dat rode kalf te zoeken, maar zij vond hem niet; en zij weeklaagde toen met een groot geween en zocht hem. 7 En ik zag toe totdat die eerste stier tot haar kwam en haar stil deed zijn, en van die tijd af huilde zij niet meer. 8 En hierna baarde zij een andere witte stier, en na hem baarde zij vele runderen en zwarte kalveren. 9 En ik zag in mijn slaap dat ook die witte stier groot werd, en hij werd een grote witte stier, en uit hem kwamen vele witte runderen voort die op hem geleken. En zij begonnen vele witte runderen voort te brengen die op hen geleken, het ene het andere volgend, ja, velen. ### Henoch 86 1 En opnieuw zag ik met mijn ogen, terwijl ik sliep, en ik zag de hemel boven mij, en zie, één ster viel uit de hemel; en zij verhief zich en at en graasde te midden van die runderen. 2 En daarna zag ik de grote en zwarte runderen, en zie, zij veranderden allen hun stallen en hun weideplaatsen en hun kalveren, en zij begonnen te loeien, de een tegen de ander. 3 En opnieuw zag ik in het gezicht, en ik keek naar de hemel, en zie, ik zag vele sterren, en zij daalden neer en wierpen zich uit de hemel naar die eerste ster, en te midden van die kalveren en runderen werden zij bij hen en graasden in hun midden. 4 En ik zag hen aan en zag toe, en zie, zij lieten allen hun schaamdelen uitkomen als paarden, en zij begonnen de vaarzen van de runderen te bespringen, en die werden allen zwanger en baarden olifanten en kamelen en ezels. 5 En al de runderen vreesden hen en werden voor hen ontsteld, en zij begonnen met hun tanden te bijten en te verslinden en met hun horens te stoten. 6 En zij begonnen bovendien die runderen te verslinden; en zie, al de kinderen van de aarde begonnen te beven en te sidderen voor hen en van hen weg te vluchten. ### Henoch 87 1 En opnieuw zag ik hen, en zij begonnen elkaar te stoten en elkaar te verslinden, en de aarde begon luid te schreeuwen. 2 En ik hief mijn ogen weer op naar de hemel, en ik zag in het gezicht, en zie, uit de hemel kwamen er voort naar de gelijkenis van witte mensen; en één kwam voort uit die plaats, en drie met hem. 3 En die drie die het laatst waren voortgekomen, grepen mij bij mijn hand en hieven mij op uit de geslachten van de aarde, en zij verhieven mij op een hoge plaats, en zij toonden mij een toren, hoog boven de aarde, en al de heuvels waren lager dan hij. 4 En zij zeiden tot mij: Blijf hier, totdat u alles ziet wat komt over deze olifanten en kamelen en ezels, en over de sterren en over al de runderen. ### Henoch 88 1 En ik zag een van die vier die het eerst waren voortgekomen, en hij greep die eerste ster die uit de hemel gevallen was, en bond haar handen en haar voeten en wierp haar in een afgrond; en die afgrond was nauw en diep en gruwelijk en donker. 2 En een van hen trok zijn zwaard en gaf het aan die olifanten en kamelen en ezels, en zij begonnen elkaar te stoten, en heel de aarde beefde vanwege hen. 3 En toen ik in het gezicht zag, zie, een van die vier die waren voortgekomen wierp uit de hemel, en hij verzamelde en nam al de grote sterren waarvan de schaamdelen als de schaamdelen van paarden waren, en hij bond hen allen bij hun handen en bij hun voeten en wierp hen in een kloof van de aarde. ### Henoch 89 1 En een van die vier ging naar die witte runderen en onderwees hem een verborgenheid, terwijl hij beefde; hij was als rund geboren en werd een mens, en hij timmerde zich een groot vaartuig en woonde daarop; en drie runderen woonden met hem in dat vaartuig, en zij werden daarover bedekt. 2 En ik hief mijn ogen opnieuw op naar de hemel, en ik zag een hoog gewelf, en zeven waterstromen daarop, en die stromen goten veel water uit in één omheining. 3 En ik zag opnieuw, en zie, er werden bronnen geopend op de oppervlakte van de aarde in die grote omheining, en dat water begon op te wellen en op te rijzen op de aarde, en die omheining was niet meer te zien, totdat heel haar aardbodem met water bedekt was. 4 En het water, en de duisternis, en de nevel namen daarop toe; en ik zag naar de hoogte van dat water, en dat water was gerezen boven de hoogte van die omheining, en het stroomde over de omheining en stond op de aarde. 5 En al de runderen die in die omheining waren, werden vergaderd, totdat ik zag hoe zij verzwolgen werden, en verdronken, en omkwamen in dat water. 6 Maar dat vaartuig dreef op het water, terwijl al de runderen en de olifanten en de kamelen en de ezels wegzonken in de aarde, met al het vee; en ik kon hen niet meer zien, en zij vermochten niet te ontkomen, maar kwamen om en zonken weg in de diepte. 7 En opnieuw zag ik in het gezicht, totdat die waterstromen van dat hoge gewelf werden weggenomen, en de kloven van de aarde werden geëffend, en andere afgronden werden geopend. 8 En het water begon daarin neder te dalen, totdat de aarde zichtbaar werd; en dat vaartuig zette zich neder op de aarde, en de duisternis week, en er werd licht. 9 En die witte stier die een mens geworden was, ging uit dat vaartuig, en de drie runderen met hem; en één van die drie runderen was wit gelijk die stier, en één van hen was rood als bloed, en één zwart; en die witte stier ging van hen heen. 10 En zij begonnen dieren van het veld en vogels voort te brengen, zodat er uit hen allen, van allerlei aard van de volken, geslachten ontstonden: leeuwen, en luipaarden, en honden, en wolven, en hyena's, en wilde zwijnen, en vossen, en eekhoorns, en zwijnen, en valken, en gieren, en wouwen, en adelaars, en raven; en te midden van hen werd een witte stier geboren. 11 En zij begonnen elkander te bijten, de één den ander; en die witte stier die te midden van hen geboren was, verwekte een wilde ezel en een witte stier met hem, en de wilde ezels vermenigvuldigden zich. 12 En die stier die uit hem geboren was, verwekte een zwart wild zwijn en een wit schaap; en dat wilde zwijn verwekte vele zwijnen, en dat schaap verwekte twaalf schapen. 13 En toen die twaalf schapen opgegroeid waren, gaven zij een van hen over aan de ezels, en die ezels gaven dat schaap opnieuw over aan de wolven; en dat schaap groeide op te midden van de wolven. 14 En de Heere bracht de elf schapen, opdat zij bij hem zouden wonen en met hem zouden weiden te midden van de wolven; en zij vermenigvuldigden zich en werden vele kudden schapen. 15 En de wolven begonnen hen te vrezen, en zij verdrukten hen totdat zij hun jongen ombrachten; en zij wierpen hun jongen in een stroom van veel water; maar die schapen begonnen te roepen vanwege hun jongen, en te klagen tot hun Heere. 16 En een schaap dat uit de wolven gered was, vluchtte en ontkwam tot de wilde ezels; en ik zag de schapen, hoe zij weeklaagden en riepen en hun Heere aanriepen met al hun kracht, totdat die Heere van de schapen op het geroep van de schapen nederdaalde uit een hoge woning, en tot hen kwam en hen aanzag. 17 En Hij riep dat schaap dat aan de wolven ontkomen was, en sprak met hem aangaande de wolven, opdat hij tegen hen zou getuigen, dat zij de schapen niet zouden aanraken. 18 En het schaap ging naar de wolven op het woord des Heeren, en een ander schaap ontmoette dat schaap en ging met hem; en zij beiden gingen tezamen binnen in de vergadering van die wolven, en zij spraken met hen en getuigden tegen hen, dat zij van nu voortaan de schapen niet zouden aanraken. 19 En daarna zag ik de wolven, hoe zij de schapen zeer verdrukten met al hun kracht; en de schapen riepen. 20 En hun Heere kwam tot de schapen, en begon die wolven te slaan; en de wolven begonnen te weeklagen; maar de schapen zwegen, en van toen af riepen zij niet meer. 21 En ik zag de schapen, totdat zij uit het midden van de wolven uitgingen; maar de ogen van de wolven waren verblind, en die wolven gingen uit, de schapen achtervolgende met al hun kracht. 22 En de Heere van de schapen ging met hen, hen leidende; en al Zijn schapen volgden Hem, en Zijn aangezicht was heerlijk en ontzagwekkend en verheven van aanzien, en vol eer. 23 Maar de wolven begonnen die schapen te achtervolgen, totdat zij hen bereikten bij een zee van water. 24 En die zee van water werd gespleten, en het water stond aan deze en aan de overzijde voor hun aangezicht, en hun Heere leidde hen, en Hij stelde Zich tussen hen en de wolven. 25 En daar die wolven de schapen nog niet zagen, gingen zij het midden van die zee van water in; en de wolven volgden de schapen, en die wolven liepen hen achterna in die zee van water. 26 En toen zij de Heere van de schapen zagen, keerden zij zich om, om te vluchten voor Zijn aangezicht; maar die zee van water vergaderde zich weer, en werd snel gelijk zij naar haar aard geschapen was; en het water werd vol en rees op, totdat het die wolven bedekte. 27 En ik zag, totdat al de wolven die die schapen achtervolgd hadden, omkwamen en verdronken. 28 Maar de schapen gingen weg uit dat water, en trokken uit in een woestijn waar geen water en geen gras was; en zij begonnen hun ogen te openen en te zien; en ik zag de Heere van de schapen, hoe Hij hen weidde en hun water en gras gaf, en dat schaap ging voort en leidde hen. 29 En dat schaap klom op de top van die hoge rots, en de Heere van de schapen zond hem tot hen. 30 En daarna zag ik de Heere van de schapen, Die vóór hen stond, en Zijn aanzien was ontzagwekkend en machtig; en al die schapen zagen Hem en vreesden voor Zijn aangezicht. 31 En zij allen vreesden en beefden vanwege Hem, en zij riepen achter dat schaap dat bij hen was, dat te midden van hen was: Wij kunnen niet vóór onze Heere te staan, noch Hem te aanschouwen. 32 En dat schaap dat hen leidde, klom opnieuw op de top van die rots; maar de schapen begonnen verblind te worden en af te dwalen van de weg die hij hun getoond had; maar dat schaap wist het niet. 33 En de Heere van de schapen ontstak in grote toorn tegen hen; en dat schaap bemerkte het, en daalde af van de top van de rots, en kwam tot de schapen, en vond het grootste deel van hen met verblinde ogen en afgedwaald van zijn weg. 34 En toen zij hem zagen, vreesden zij en beefden voor zijn aangezicht, en begeerden weer te keren tot hun kooien. 35 En dat schaap nam andere schapen met zich, en kwam tot die schapen die afgedwaald waren, en begon hen te doden; en de schapen vreesden voor zijn aangezicht; en dat schaap bracht die schapen die afgedwaald waren terug, en zij keerden weer tot hun kooien. 36 En ik zag in dit gezicht, totdat dat schaap een mens werd, en een huis bouwde voor de Heere van de schapen, en al de schapen in dat huis deed staan. 37 En ik zag, totdat dat schaap dat het schaap dat hen leidde ontmoet had, ontsliep; en ik zag, totdat al de grote schapen omkwamen, en kleine in hun plaats opstonden, en zij kwamen tot een weide, en naderden tot een waterstroom. 38 En dat schaap dat hen leidde, dat een mens geworden was, scheidde zich van hen af, en ontsliep; en al de schapen zochten hem, en riepen over hem met een groot geroep. 39 En ik zag, totdat zij ophielden te roepen over dat schaap, en die watervloed overtrokken; en al de schapen die hen leidden, stonden op in de plaats van hen die ontslapen waren en hen geleid hadden. 40 En ik zag de schapen, totdat zij binnenkwamen in een goede plaats, en een aangenaam en heerlijk land; en ik zag die schapen, totdat zij verzadigd werden; en dat huis was te midden van hen in dat aangename land. 41 En het gebeurde soms dat hun ogen geopend werden, en soms dat zij verblind werden, totdat een ander schaap opstond, en hen leidde en hen allen terugbracht, en hun ogen werden geopend. 42 En de honden en de vossen en de wilde zwijnen begonnen die schapen te verslinden, totdat de Heere van de schapen een ram uit hun midden verwekte, die hen leidde. 43 En die ram begon die honden en vossen en wilde zwijnen aan deze en aan de overzijde te stoten, totdat hij hen allen vernietigd had. 44 En dat schaap waarvan de ogen geopend waren, zag die ram die te midden van de schapen was, hoe hij zijn heerlijkheid verliet en die schapen begon te stoten, en hen vertrad, en wandelde zonder ingetogenheid. 45 En de Heere van de schapen zond het schaap tot een ander schaap, en verhief het tot een ram, om de schapen te leiden, in de plaats van die ram die zijn heerlijkheid verlaten had. 46 En het ging tot hem, en sprak met hem alleen, en verhief die ram, en stelde hem tot vorst en leidsman van de schapen; en in dit alles verdrukten die honden de schapen. 47 En de eerste ram vervolgde die tweede ram, en die tweede ram stond op en vluchtte voor zijn aangezicht; en ik zag, totdat die honden de eerste ram nedervelden. 48 En die tweede ram stond op en leidde de kleine schapen; en die ram verwekte vele schapen en ontsliep; en een klein schaap werd ram in zijn plaats, en werd vorst en leidsman van die schapen. 49 En die schapen groeiden op en vermenigvuldigden zich; en al de honden en vossen en wilde zwijnen vreesden en vluchtten voor hem; en die ram stootte en doodde al de wilde dieren, en die dieren vermochten niet meer te midden van de schapen te komen, en zij roofden voortaan in het geheel niets meer van hen. 50 En dat huis werd groot en wijd, en er werd voor die schapen een hoge en grote toren gebouwd op dat huis, voor de Heere van de schapen; en dat huis was laag, maar de toren was verheven en hoog; en de Heere van de schapen stond op die toren, en zij brachten een volle tafel voor Zijn aangezicht. 51 En ik zag opnieuw die schapen, hoe zij weer dwaalden en vele wegen gingen, en dat hun huis verlieten; en de Heere van de schapen riep sommigen uit het midden van de schapen en zond hen tot de schapen; maar de schapen begonnen hen te doden. 52 En een van hen werd gered en werd niet gedood, en het snelde weg en riep luid over de schapen; en zij zochten hem te doden, maar de Heere van de schapen redde hem uit de hand van de schapen, en voerde hem op tot mij, en deed hem daar wonen. 53 En vele andere schapen zond Hij tot die schapen, om tegen hen te getuigen en over hen te weeklagen. 54 En daarna zag ik, toen zij het huis des Heeren en Zijn toren verlieten, hoe zij geheel afvielen, en hun ogen werden verblind; en ik zag de Heere van de schapen, hoe Hij een grote slachting onder hen aanrichtte in hun kudden, totdat die schapen die slachting uitlokten en Zijn plaats prijsgaven. 55 En Hij gaf hen over in de hand van de leeuwen en luipaarden, en van de wolven en hyena's, en in de hand van de vossen, en aan al de wilde dieren; en die wilde dieren begonnen die schapen te verscheuren. 56 En ik zag, hoe Hij dat hun huis en hun toren verliet, en hen allen overgaf in de hand van de leeuwen, om hen te verscheuren en te verslinden, in de hand van al de wilde dieren. 57 En ik begon te roepen met al mijn kracht, en de Heere van de schapen aan te roepen, en Hem aan te tonen aangaande de schapen, dat zij verslonden werden door al de wilde dieren van het veld. 58 Maar Hij bleef onbewogen, terwijl Hij het zag; en Hij verheugde Zich dat zij verslonden en verzwolgen en geroofd werden, en Hij liet hen over in de hand van al de dieren, tot voedsel. 59 En Hij riep zeventig herders, en gaf die schapen aan hen over, opdat zij hen zouden weiden; en Hij zei tot de herders en hun metgezellen: Laat ieder van u van nu voortaan de schapen weiden, en doet al wat Ik u gebied. 60 En Ik zal hen u toegeteld overleveren, en Ik zal u zeggen welke van hen vernietigd moeten worden; vernietigt die. En Hij gaf hun die schapen over. 61 En tot een ander riep Hij, en zei tot hem: Merk op en zie alles wat de herders aan deze schapen doen; want zij zullen veel meer van hen verdelgen dan Ik hun geboden heb. 62 En al de overmaat en vernietiging die door de herders bewerkt wordt, schrijf op: hoevelen zij naar Mijn gebod verdelgen, en hoevelen zij naar hun eigen wil verdelgen; schrijf van iedere herder al de vernietiging die hij aanricht, tegen hem op. 63 En lees voor Mijn aangezicht bij getal op, hoevelen zij naar hun eigen wil verdelgen, en hoevelen zij aan de vernietiging overgeven, opdat dit Mij tot een getuigenis tegen hen zij, en opdat Ik alle daden van de herders kenne, om hun te vergelden; en Ik zal zien wat zij doen, of zij bij Mijn gebod blijven dat Ik hun geboden heb, dan of niet. 64 Maar zij zullen het niet weten, en u zult het hun niet bekendmaken, noch hen bestraffen; maar schrijf slechts al de vernietiging van de herders op, ieder op zijn tijd, van elk afzonderlijk, en breng het alles tot Mij op. 65 En ik zag, totdat die herders op hun tijd weidden, en zij begonnen te doden en te verdelgen meer dan hun bevolen was, en zij gaven die schapen over in de hand van de leeuwen. 66 En de leeuwen en luipaarden aten en verslonden het grootste deel van die schapen, en de wilde zwijnen aten met hen mee; en zij verbrandden die toren en verwoestten dat huis. 67 En ik werd zeer bedroefd over die toren, omdat dat huis van de schapen verwoest was; en daarna kon ik niet meer zien of die schapen dat huis binnengingen. 68 En de herders en hun metgezellen gaven die schapen over aan al de wilde dieren, om hen te verslinden; en ieder van hen ontving op zijn tijd een getal; en ieder van hen schreef voor de ander in een boek op, hoevelen hij van hen vernietigde. 69 En veel meer dan hun verordend was, doodde en vernietigde ieder; en ik begon te huilen en zeer luid te weeklagen vanwege die schapen. 70 En zo zag ik in het gezicht dien die schreef, hoe hij ieder opschreef die door die herders vernietigd werd, dag bij dag, en het opvoerde en nederlegde, en het hele boek zelf aan de Heere van de schapen toonde—alles wat zij gedaan hadden, en alles wat ieder van hen weggenomen had, en alles wat zij aan de vernietiging overgegeven hadden. 71 En het boek werd gelezen voor de Heere van de schapen, en Hij nam het boek in Zijn hand en las het, en verzegelde het en legde het neder. 72 En daarna zag ik, hoe de herders twaalf uren weidden; en zie, drie van die schapen keerden terug en kwamen en gingen binnen, en begonnen alles wat van dat huis ingestort was weer op te bouwen; maar de wilde zwijnen zochten hen te verhinderen, maar zij vermochten het niet. 73 En zij begonnen opnieuw te bouwen gelijk tevoren, en richtten die toren op, en hij werd de hoge toren genoemd; en zij begonnen opnieuw een tafel vóór de toren te zetten, maar al het brood dat daarop was, was onrein en niet zuiver. 74 En bij dit alles waren de ogen van deze schapen verblind, zodat zij niet zagen, en ook die van hun herders; en zij gaven hen in grote getale aan hun herders over ter vernietiging, en zij vertraden de schapen met hun voeten en verslonden hen. 75 En de Heere van de schapen bleef onbewogen, totdat al de schapen over het veld verstrooid waren en zich met de dieren vermengden; en de herders redden hen niet uit de hand van de dieren. 76 En deze, die het boek schreef, voerde het op, en toonde het en las het voor de huizen van de Heere van de schapen, en smeekte Hem om hunnentwil, en bad Hem om hunnentwil, terwijl hij Hem al de daden van de herders toonde, en getuigde voor Zijn aangezicht tegen al de herders. 77 En hij nam dat boek zelf en legde het naast Hem neder, en ging heen. ### Henoch 90 1 En ik zag, totdat zevenendertig herders op deze wijze een tijd lang weidden; en zij voleindigden allen op hun tijden, zoals de eerste; en anderen ontvingen hen in hun handen, om hen op hun tijd te weiden, al de herders, iedere herder op zijn eigen tijd. 2 En daarna zag ik in mijn gezicht al de vogels des hemels komen, de adelaars en de gieren en de wouwen en de raven; en de adelaars leidden al de vogels; en zij begonnen die schapen te verslinden, en hun ogen uit te pikken, en hun vlees te verslinden. 3 En de schapen riepen, omdat hun vlees door de vogels verslonden werd; en ik riep en weeklaagde in mijn slaap over die herder die de schapen weidde. 4 En ik zag, totdat die schapen verslonden werden door de honden en door de adelaars en door de wouwen; en zij lieten hun in het geheel geen vlees over, noch huid, noch pees, totdat alleen hun beenderen bleven staan; en ook hun beenderen vielen op de aarde, en de schapen werden weinig. 5 En ik zag, dat drieëntwintig herders een tijd lang weidden, en zij voleindigden op hun tijden achtenvijftig maal. 6 En er werden kleine lammeren geboren uit die witte schapen, en zij begonnen hun ogen te openen en te zien, en te roepen tot de schapen. 7 Maar de schapen riepen hun niet toe, en luisterden niet naar wat zij hun zeiden, maar waren zeer doof, en hun ogen waren zeer en sterk verblind. 8 En ik zag in het gezicht, hoe de raven op die lammeren neervlogen, en zij grepen een van die lammeren, en verbrijzelden de schapen en verslonden hen. 9 En ik zag, totdat er horens uitkwamen aan die lammeren; en de raven wierpen hun horens neder; en ik zag, totdat één grote horen uitsproot aan een van die schapen, en hun ogen werden geopend. 10 En het zag naar hen, en hun ogen werden geopend, en het riep tot de schapen; en de rammen zagen het, en zij liepen allen tot hem. 11 En bij dit alles bleven al die adelaars en gieren en raven en wouwen de schapen verscheuren, en op hen neerschieten en hen verslinden; en de schapen zwegen, maar de rammen weeklaagden en riepen. 12 En die raven streden en vochten met hem, en zochten zijn horen af te breken, maar zij vermochten niets tegen hem. 13 En ik zag hen, totdat de herders en de adelaars en die gieren en de wouwen kwamen, en zij riepen de raven toe, dat zij de horen van die ram zouden verbrijzelen; en zij vochten met hem en streden, en hij streed met hen, en hij riep, opdat zijn hulp tot hem zou komen. 14 En ik zag, totdat die man kwam die de namen van de herders opgeschreven had, en die opklom voor het aangezicht van de Heere van de schapen; en deze hielp hem, en toonde hem alles; en zijn hulp daalde neder voor die ram. 15 En ik zag, totdat die Heere van de schapen in toorn tot hen kwam; en allen die Hem zagen, vluchtten, en zij vielen allen in Zijn schaduw voor Zijn aangezicht. 16 Al de adelaars en gieren en raven en wouwen vergaderden zich, en brachten met zich al de schapen van het veld; en zij kwamen allen tezamen, en hielpen elkander, om de horen van die ram te verbrijzelen. 17 En ik zag dien man die het boek schreef op het woord des Heeren, totdat hij dat boek van de vernietiging opende, die die twaalf laatste herders aangericht hadden; en hij toonde, dat zij veel meer dan hun voorgangers verdolven hadden, voor het aangezicht van de Heere van de schapen. 18 En ik zag, totdat de Heere van de schapen tot hen kwam, en Hij nam in Zijn hand de staf des toorns, en sloeg de aarde; en de aarde werd gespleten, en al de dieren en de vogels des hemels vielen uit het midden van die schapen, en zij zonken weg in de aarde, en zij werd over hen bedekt. 19 En ik zag, totdat aan de schapen een groot zwaard gegeven werd; en de schapen gingen uit tegen al die wilde dieren van het veld, om hen te doden; en al de dieren en de vogels des hemels vluchtten voor hun aangezicht. 20 En ik zag, totdat er een troon werd opgericht in het aangename land, en de Heere van de schapen zette Zich daarop; en men nam al de verzegelde boeken, en opende die boeken voor het aangezicht van de Heere van de schapen. 21 En de Heere riep die zeven eerste witten, en gebood dat zij vóór Hem zouden brengen, van de eerste ster af die vooropging uit die sterren van wie de schaamte was als de schaamte van de paarden, en de eerste ster die het eerst gevallen was; en zij brachten hen allen vóór Hem. 22 En Hij zei tot dien man die vóór Hem schreef, die een van de zeven witten was, en zei tot hem: Neem die zeventig herders aan wie Ik de schapen overgegeven heb, en die, hen genomen hebbende, veel meer gedood hebben dan Ik hun geboden had. 23 En zie, ik zag hen allen gebonden, en zij stonden allen vóór Hem. 24 En het gericht werd gehouden, eerst over de sterren, en zij werden geoordeeld en schuldig bevonden, en zij gingen naar de plaats van de verdoemenis, en men wierp hen in een diepte, vol vuur en vlammend, en vol zuilen van vuur. 25 En die zeventig herders werden geoordeeld en schuldig bevonden, en zij werden geworpen in die vurige diepte. 26 En ik zag in die tijd, hoe een dergelijke diepte geopend werd in het midden van de aarde, vol vuur; en men bracht die verblinde schapen, en zij werden allen geoordeeld en schuldig bevonden, en geworpen in die diepte des vuurs, en zij brandden; en deze diepte was aan de rechterzijde van dat huis. 27 En ik zag die schapen, hoe zij brandden, en hun beenderen brandden. 28 En ik stond op om te zien, totdat men dat oude huis oprolde; en men droeg al de zuilen weg, en al het houtwerk en de sieraden van dat huis werden tegelijk daarmee opgerold; en men droeg het weg en legde het op één plaats in het zuiden van het land. 29 En ik zag de Heere van de schapen, totdat Hij een nieuw huis bracht, groter en hoger dan dat eerste, en Hij stelde het op de plaats van het eerste dat opgerold was; en al zijn zuilen waren nieuw, en zijn sieraad nieuw en groter dan van het eerste, het oude, dat Hij weggenomen had; en al de schapen waren daarbinnen. 30 En ik zag al de schapen die overgebleven waren, en al het vee dat op de aarde was, en al de vogels des hemels, hoe zij nedervielen en zich nederbogen voor die schapen, en hen smeekten en hun gehoorzaamden in alle dingen. 31 En daarna namen die drie die in het wit gekleed waren, en die mij bij mijn hand gegrepen hadden, die mij tevoren opgevoerd hadden—en de hand van die ram greep mij ook—zij voerden mij op en zetten mij neder te midden van die schapen, eer het gericht gehouden werd. 32 En die schapen waren allen wit, en hun wol was groot en rein. 33 En allen die vernietigd en verstrooid waren, en al de wilde dieren van het veld, en al de vogels des hemels, vergaderden zich in dat huis; en de Heere van de schapen verheugde Zich met grote vreugde, omdat zij allen goed geworden waren en tot Zijn huis wedergekeerd waren. 34 En ik zag, totdat zij dat zwaard nederlegden dat aan de schapen gegeven was, en zij brachten het terug in Zijn huis, en het werd verzegeld voor het aangezicht des Heeren; en al de schapen werden in dat huis genodigd, maar het bevatte hen niet. 35 En de ogen van hen allen werden geopend, en zij zagen het goede; en er was niet één onder hen die niet zag. 36 En ik zag, hoe dat huis groot en wijd was, en zeer vol. 37 En ik zag, hoe er één witte stier geboren werd, en zijn horens waren groot; en al de wilde dieren van het veld en al de vogels des hemels vreesden hem en smeekten hem te allen tijde. 38 En ik zag, totdat al hun geslachten veranderd werden, en zij allen witte runderen werden; en de eerste onder hen werd een woord; en dat woord werd een groot dier, en het had grote en zwarte horens op zijn hoofd; en de Heere van de schapen verheugde Zich over hen en over al de runderen. 39 En ik lag te midden van hen, en ik ontwaakte en zag alles. 40 En dit is het gezicht dat ik zag, terwijl ik sliep; en ik ontwaakte, en ik loofde de Heere van de gerechtigheid, en gaf Hem eer. 41 En daarna huilde ik met een groot geween, en mijn tranen hielden niet op, totdat ik het niet meer kon verdragen; wanneer ik zag, vloeiden zij neder over wat ik gezien had; want alles zal komen en vervuld worden, en al de daden van de mensen werden mij, ieder naar zijn deel, getoond. 42 En in dienzelven nacht gedacht ik aan mijn eerste droom, en om zijnentwil huilde ik en werd ik ontsteld, omdat ik dat gezicht gezien had. ### Henoch 91 1 En nu, mijn zoon Methusalach, roep tot mij al uw broederen, en vergader tot mij al de zonen van uw moeder; want een stem roept mij, en de geest is over mij uitgestort, opdat ik u alles zou tonen wat u overkomen zal tot in eeuwigheid. 2 En daarna ging Methusalach, en riep al zijn broederen tot zich, en vergaderde zijn bloedverwanten. 3 En hij sprak tot al zijn kinderen de gerechtigheid, en zei: Hoort, zonen van Henoch, al de woorden van uw vader, en luistert aandachtig naar de woorden van mijn mond; want ik betuig u en zeg u, mijn geliefden: Hebt de oprechtheid lief, en wandelt daarin. 4 En nadert niet tot de oprechtheid met een dubbel hart, en vergezelschapt u niet met hen die een dubbel hart hebben; maar wandelt in gerechtigheid, mijn kinderen, en zij zal u leiden op goede paden, en de gerechtigheid zal uw metgezel zijn. 5 Want ik weet dat het geweld op de aarde bestendig zal toenemen, en dat een grote kastijding op de aarde voltrokken zal worden, en dat al het onrecht een einde zal nemen; ja, het zal van zijn wortels afgehouwen worden, en heel zijn bouwsel zal voorbijgaan. 6 En het onrecht zal opnieuw volgroeien, en op de aarde zal al het werk van onrecht, en het werk van geweld, en de overtreding, voor de tweede keer voltooid worden. 7 En wanneer het onrecht en de zonde en de godslastering en het geweld in allerlei werk toenemen, en de afval en de overtreding en de onreinheid opgroeien, zal er een grote kastijding uit de hemel over hen allen komen, en de heilige Heere zal voortkomen in toorn en in kastijding, om gericht te oefenen op de aarde. 8 In die dagen zal het geweld van zijn wortels afgehouwen worden, en de wortels van het onrecht met het bedrog, en zij zullen vernietigd worden van onder de hemel. 9 En alles zal met de heidenen overgegeven worden; een toren zal in vuur branden, en men zal hen uit heel de aarde uitdrijven, en zij zullen in het gericht des vuurs geworpen worden, en omkomen in toorn en in een zwaar gericht, dat tot in eeuwigheid is. 10 En de rechtvaardige zal opstaan uit de slaap, en de wijsheid zal opstaan en hun gegeven worden. 11 En daarna zullen de wortels van het onrecht afgehouwen worden, en de zondaren zullen door het zwaard vernietigd worden; van de godslasteraars zullen zij in alle plaats afgehouwen worden, en die het geweld beramen en die de godslastering bedrijven, zullen door het slagzwaard omkomen. 12 En daarna zal er een andere, de achtste week zijn, die van de gerechtigheid, en haar zal een zwaard gegeven worden, opdat een rechtvaardig gericht geoefend worde over hen die geweld doen, en de zondaren zullen in de handen van de rechtvaardigen overgegeven worden. 13 En bij haar voleinding zullen zij door hun gerechtigheid huizen verwerven, en er zal een huis gebouwd worden voor de grote Koning, tot heerlijkheid, tot in eeuwigheid. 14 En daarna, in de negende week, zal het rechtvaardig gericht aan de hele wereld geopenbaard worden, en al het werk van de goddelozen zal van heel de aarde verdwijnen, en de wereld zal ten verderve opgeschreven worden, en alle mensen zullen zien op de weg van de oprechtheid. 15 En na dezen, in de tiende week, in het zevende deel, zal het eeuwige gericht zijn, en het zal aan de wachters voltrokken worden; en de grote eeuwige hemel zal ontspruiten uit het midden van de engelen. 16 En de eerste hemel zal heengaan en voorbijgaan, en een nieuwe hemel zal verschijnen, en al de krachten van de hemelen zullen zevenvoudig lichten tot in eeuwigheid. 17 En daarna zullen er vele weken zijn, zonder getal, tot in eeuwigheid, in goedheid en in gerechtigheid; en van toen af zal de zonde niet meer genoemd worden tot in eeuwigheid. 18 En nu zeg ik u, mijn kinderen, en toon ik u de paden van de gerechtigheid en de paden des gewelds; en ik zal ze u opnieuw tonen, opdat u weet wat komen zal. 19 En nu, hoort naar mij, mijn kinderen, en wandelt in de paden van de gerechtigheid, en wandelt niet in de paden des gewelds; want allen die op de weg des onrechts wandelen, zullen omkomen tot in eeuwigheid. ### Henoch 92 1 Het boek dat geschreven werd door Henoch, de schrijver van heel deze leer van de wijsheid, die boven alle mensen geprezen is en een rechter van heel de aarde, voor al mijn kinderen die op de aarde wonen zullen, en voor de latere geslachten die oprechtheid en vrede betrachten. 2 Laat uw geest niet bedroefd worden vanwege de tijden; want de Heilige, de Grote, heeft aan alle dingen dagen bepaald. 3 En de rechtvaardige zal opstaan uit de slaap; hij zal opstaan en wandelen op de weg van de gerechtigheid, en heel zijn weg en zijn wandel zal in goedheid en in eeuwige genade zijn. 4 Hij zal Zich over de rechtvaardige ontfermen, en Hij zal hem eeuwige oprechtheid geven, en Hij zal hem macht geven; en hij zal in goedheid en in gerechtigheid zijn, en wandelen in het eeuwige licht. 5 En de zonde zal in de duisternis vergaan tot in eeuwigheid, en zal van dien dag af niet meer gezien worden tot in eeuwigheid. ### Henoch 93 1 En daarna gebeurde het met Henoch, en hij begon te spreken uit de geschriften. En Henoch zei: Aangaande de kinderen van de gerechtigheid, en aangaande de uitverkorenen van de wereld, en aangaande de plant van de gerechtigheid en van de oprechtheid—deze dingen zal ik u zeggen en u verkondigen, mijn kinderen. 2 Ik, Henoch, heb door wat mij getoond werd uit het gezicht des hemels, en door de stem van de heilige engelen, dit gekend, en uit de hemelse tafelen heb ik het verstaan. 3 En Henoch begon verder te spreken uit de boeken, en zei: Ik werd als de zevende geboren in de eerste week, terwijl het gericht en de gerechtigheid nog stand hielden. 4 En na mij zal in de tweede week grote boosheid opstaan, en het bedrog zal opgesproten zijn; en in haar zal het eerste einde zijn, en in haar zal een mens behouden worden; en nadat zij voleindigd is, zal het onrecht opgroeien, en er zal een inzetting voor de zondaren gemaakt worden. 5 En daarna, in de derde week, bij haar voleinding, zal een mens verkoren worden tot de plant van het rechtvaardig gericht, en na hem zal de plant van de gerechtigheid komen tot in eeuwigheid. 6 En daarna, in de vierde week, bij haar voleinding, zullen de gezichten van de heiligen en van de rechtvaardigen gezien worden, en een wet voor alle geslachten, en een omheining zal voor hen gemaakt worden. 7 En daarna, in de vijfde week, bij haar voleinding, zal het huis van de heerlijkheid en van de heerschappij gebouwd worden tot in eeuwigheid. 8 En daarna, in de zesde week, zullen allen die daarin zijn, verblind worden, en het hart van hen allen zal de wijsheid vergeten; en in haar zal een mens opklimmen; en bij haar voleinding zal het huis van de heerschappij met vuur verbrand worden, en in haar zal heel het geslacht van de uitverkoren wortel verstrooid worden. 9 En daarna, in de zevende week, zal er een afvallig geslacht opstaan, en vele zullen zijn daden zijn, en al zijn daden zullen afval zijn. 10 En bij haar voleinding zullen de uitverkoren rechtvaardigen beloond worden uit de eeuwige plant van de gerechtigheid, aan wie zevenvoudige onderwijzing gegeven zal worden aangaande heel Zijn schepping. 11 Want wie is er onder al de kinderen van de mensen die de stem des Heiligen kan horen en niet ontsteld wordt? En wie is er die Zijn gedachten kan denken? En wie is er die al het werk des hemels kan aanschouwen? 12 En wat is er dat het werk des hemels kan verstaan, en hoe zou hij zijn ziel, of anders zijn geest, zien en daarvan kunnen spreken; of hoe zou hij opklimmen en al hun uiteinden zien, en ze bedenken, of gelijk hen doen? 13 En wie is er onder alle mensen die kan verstaan hoe groot de breedte en de lengte van de aarde is? En aan wie is de maat van dit alles getoond? 14 Of is er enig mens die de lengte des hemels kan verstaan, en hoe groot zijn hoogte is, en waarop hij gegrond is, en hoe groot het getal van de sterren is, en waar al de lichten rusten? ### Henoch 94 1 En nu zeg ik u, mijn kinderen: heb de gerechtigheid lief en wandel daarin, want de paden van de gerechtigheid zijn waard om aangenomen te worden, maar de paden van het onrecht zullen haastig vernietigd worden en verdwijnen. 2 En aan mensen die uit een geslacht uitverkoren zijn zullen de paden van geweld en dood geopenbaard worden, en zij zullen zich verre van hen houden en hen niet navolgen. 3 En nu zeg ik u, de rechtvaardigen: wandel niet op de weg van het kwaad en het geweld, noch op de paden van de dood, en nader niet tot hen, opdat u niet vernietigd wordt. 4 Maar zoek en verkies voor uzelf de gerechtigheid en een uitverkoren leven, en wandel op de paden van de vrede, opdat u leeft en voorspoedig bent. 5 En houd vast aan de overleggingen van uw hart, en laat mijn woorden niet uitgewist worden uit uw hart; want ik weet dat de zondaren de mensen zullen verzoeken om boze wijsheid te bedrijven, zodat er voor haar geen plaats gevonden wordt, en geen enkele beproeving zal ophouden. 6 Wee hun die het onrecht en het geweld opbouwen en het bedrog als een fundament leggen, want haastig zullen zij omvergeworpen worden, en zij zullen geen vrede hebben. 7 Wee hun die hun huizen met zonde bouwen, want vanuit heel hun fundament zullen zij omvergeworpen worden en door het zwaard zullen zij vallen. En zij die goud en zilver vergaren, zullen in het oordeel haastig vernietigd worden. 8 Wee u, rijken, want op uw rijkdom hebt u vertrouwd, en van uw rijkdom zult u weggaan, omdat u de Allerhoogste niet hebt gedacht in de dagen van uw rijkdom. 9 U hebt godslastering en onrecht bedreven, en u bent gereed geworden voor de dag van bloedvergieten, en voor de dag van duisternis, en voor de dag van het grote oordeel. 10 Zo spreek ik en verkondig ik u, dat Hij die u geschapen heeft u zal neerwerpen, en over uw val zal geen ontferming zijn, en uw Schepper zal Zich verblijden over uw verderf. 11 En uw rechtvaardigen zullen in die dagen een smaad zijn voor de zondaren en de goddelozen. ### Henoch 95 1 Wie zal mij mijn ogen geven, dat zij een wolk van water worden, opdat ik over u ween en mijn tranen uitstort als een wolk van water, en rust van de verdriet van mijn hart! 2 Wie heeft u toegestaan haat en kwaad te bedrijven? Daarom zal het oordeel u treffen, zondaren. 3 Vrees de zondaren niet, u rechtvaardigen; want God zal hen opnieuw in uw hand overleveren, opdat u het oordeel over hen voltrekt naar uw begeerte. 4 Wee u die vervloekingen uitspreekt die niet losgemaakt kunnen worden, en genezing zal verre van u zijn vanwege uw zonde. 5 Wee u die uw naaste kwaad vergeldt, want u zult vergolden worden naar uw werken. 6 Wee u, valse getuigen, en hun die het onrecht afwegen, want haastig zult u vernietigd worden. 7 Wee u, zondaren, want u vervolgt de rechtvaardigen; want u zult overgeleverd en vervolgd worden, u van het onrecht, en hun juk zal zwaar op u drukken. ### Henoch 96 1 Heb goede hoop, u rechtvaardigen; want haastig zullen de zondaren voor uw aangezicht vernietigd worden, en u zult heerschappij over hen hebben naar uw begeerte. 2 En in de dag van de benauwdheid van de zondaren zullen uw kinderen opstijgen en zich verheffen als adelaars, en hoger dan de gieren zal uw schuilplaats zijn; en u zult opklimmen en de spleten van de aarde en de kloven van de rots binnengaan tot in eeuwigheid, als klipdassen voor het aangezicht van de onrechtvaardigen; en zij zullen over u zuchten en huilen als sirenen. 3 Maar u, vrees niet, u die geleden hebt; want genezing zal u ten deel vallen, en een helder licht zal voor u schijnen, en de stem van de rust zult u uit de hemel horen. 4 Wee u, zondaren, want uw rijkdom doet u rechtvaardig schijnen, maar uw hart klaagt u aan dat u zondaren bent; en dit woord zal tegen u een getuige zijn tot herinnering van uw boze daden. 5 Wee u die het vette van de tarwe eet en de kracht van de wortel van de bron drinkt, en de geringen met uw macht vertreedt. 6 Wee u die te allen tijde water drinkt, want haastig zult u vergolden en verteerd worden en verdorren, omdat u de bron des levens hebt verlaten. 7 Wee u die het onrecht en het bedrog en de godslastering bedrijft; het zal tegen u een herinnering ten kwade zijn. 8 Wee u, machtigen, die met geweld de rechtvaardige neerslaat; want de dag van uw verderf komt. In die dagen zullen voor de rechtvaardigen vele en goede dagen komen, in de dag van uw oordeel. ### Henoch 97 1 Gelooft, u rechtvaardigen, dat de zondaren tot een smaad zullen worden en vernietigd zullen worden in de dag van het onrecht. 2 Het zij u bekend dat de Allerhoogste uw verderf gedenkt, en dat de engelen zich verblijden over uw verderf. 3 Wat zult u doen, zondaren, en waarheen zult u vluchten in die dag van het oordeel, wanneer u de stem van het gebed van de rechtvaardigen hoort? 4 En zult u niet worden zoals zij, tegen wie dit woord een getuige tegen u zal zijn: "U bent metgezellen van de zondaren geweest"? 5 En in die dagen zal het gebed van de rechtvaardigen tot de Heere komen, en voor u zullen de dagen van uw oordeel komen. 6 En al de woorden van uw onrecht zullen voorgelezen worden voor het aangezicht van de Grote en Heilige, en uw aangezicht zal met schaamte bedekt worden, en elk werk dat op onrecht gegrond is zal verworpen worden. 7 Wee u, zondaren, die midden op de zee en op het droge zijn, van wie de herinnering kwaad tegen u is. 8 Wee u die zilver en goud vergaart dat niet in gerechtigheid is, en die zegt: "Wij zijn rijk geworden met rijkdom, en wij hebben bezittingen, en wij hebben alles verworven wat wij begeerd hebben. 9 En nu, laten wij doen wat wij ons voorgenomen hebben, want wij hebben zilver vergaderd, en onze schatkamers gevuld, en de akkerlieden van onze huizen zijn talrijk als water." 10 En als water zal uw leugen wegvloeien, want de rijkdom zal bij u niet blijven, maar haastig van u opstijgen; want u hebt het alles in onrecht verworven, en u zult aan een grote vervloeking overgegeven worden. ### Henoch 98 1 En nu zweer ik u, de wijzen en de dwazen, dat u vele dingen op de aarde zult zien. 2 Want u, mannen, zult meer sieraad op uzelf leggen dan een vrouw, en meer gekleurde gewaden dan een maagd, in koningschap en in grootheid en in macht, en in zilver en goud en purper, en in eer en in spijzen die als water uitgegoten worden. 3 Daarom hebben zij geen onderwijs en geen wijsheid, en daardoor zullen zij vernietigd worden tezamen met hun bezittingen, en met al hun heerlijkheid en hun eer; en in schande en in doodslag en in grote armoede zal hun geest in de oven des vuurs geworpen worden. 4 Ik heb u gezworen, zondaren: zoals een berg geen knecht geworden is en niet worden zal, noch een heuvel een dienstmaagd voor een vrouw, zo is ook de zonde niet op de aarde gezonden, maar de mensen hebben haar uit zichzelf geschapen; en aan een grote vervloeking zullen zij vervallen die haar bedrijven. 5 En de onvruchtbaarheid is niet aan de vrouw gegeven, maar vanwege het werk van haar handen sterft zij zonder kinderen. 6 Ik heb u gezworen, zondaren, bij de Heilige en Grote, dat al uw boze werken in de hemelen geopenbaard zijn, en dat geen van uw daden van geweld bedekt of verborgen is. 7 En verbeeld u niet in uw geest, en zeg niet in uw hart dat u het niet weet en niet ziet: elke zonde wordt in de hemel elke dag opgeschreven voor het aangezicht van de Allerhoogste. 8 Van nu af weet u dat al uw geweld dat u bedrijft, elke dag opgeschreven wordt tot aan de dag van uw oordeel. 9 Wee u, dwazen, want door uw dwaasheid zult u vernietigd worden; en naar de wijzen luistert u niet, en het goede zal u niet overkomen. 10 En nu, weet dat u gereed bent voor de dag van het verderf, en heb geen hoop dat u zult leven, zondaren, maar u zult heengaan en sterven; want u kent geen losprijs, omdat u gereedgemaakt bent voor de dag van het grote oordeel, en voor de dag van benauwdheid en grote schande voor uw geest. 11 Wee u, hardvochtigen van hart, die het kwade doet en bloed eet; vanwaar eet u het goede en drinkt u en wordt u verzadigd? Uit al het goede dat de Heere onze Allerhoogste overvloedig op de aarde uitgestort heeft; en u zult geen vrede hebben. 12 Wee u die het werk van het onrecht liefhebt; waarom hoopt u op het goede? Weet dat u in de handen van de rechtvaardigen overgeleverd zult worden, en zij zullen uw halzen afsnijden en u doden en geen ontferming over u hebben. 13 Wee u die zich verblijdt in de benauwdheid van de rechtvaardigen, want voor u zal geen graf gedolven worden. 14 Wee u die het woord van de rechtvaardigen krachteloos maakt, want u zult geen hoop op leven hebben. 15 Wee u die leugenwoorden en woorden van de goddelozen schrijft, want zij schrijven hun leugens opdat men ze hoort en de dwaasheid niet vergeet. 16 En er zal voor hen geen vrede zijn, maar zij zullen een haastige dood sterven. ### Henoch 99 1 Wee hun die goddeloosheid bedrijven, en die leugentaal prijzen en verheerlijken: u zult vergaan, en geen goed leven zal het uwe zijn. 2 Wee u die de woorden van de oprechtheid verdraait, en de eeuwige inzetting overtreedt, en zichzelf maakt tot wat zij niet waren, tot zondaren: op de aarde zullen zij vertreden worden. 3 In die dagen, maakt u gereed, u rechtvaardigen, om uw gebeden op te heffen als een herinnering, en legt hen als een getuigenis voor de engelen, opdat zij de zonde van de zondaren tot een herinnering voor de Allerhoogste zullen leggen. 4 In die dagen zullen de heidenen in beroering geraken, en de geslachten van de heidenen zullen opstaan op de dag van verderf. 5 En in die dagen zullen zij die in nood zijn uitgaan en hun kinderen wegvoeren en hen verlaten, zodat hun kinderen door hen zullen omkomen; ja, terwijl zij nog zuigen zullen zij hen verlaten en niet tot hen terugkeren, en zij zullen geen medelijden hebben met hun geliefden. 6 Opnieuw zweer ik u, u zondaren, dat de zonde bereid is voor een dag van onophoudelijk bloedvergieten. 7 En zij die stenen aanbidden, en zij die gesneden beelden houwen van goud en van zilver en van hout en van klei, en zij die onreine geesten en boze geesten en allerlei afgoden aanbidden, en dat in heiligdommen[^1]: geen enkele hulp zal bij die gevonden worden. 8 En zij zullen zich verliezen vanwege de dwaasheid van hun hart, en hun ogen zullen verblind worden door de vrees van hun hart en door de gezichten van hun dromen. 9 Daardoor zullen zij goddeloos en vreesachtig worden; want al hun werk hebben zij in leugen gedaan, en zij hebben een steen aanbeden: daarom zullen zij in een ogenblik vergaan. 10 Maar in die dagen zijn zalig al degenen die de woorden van de wijsheid aannemen, en die verstaan, en de wegen van de Allerhoogste betrachten, en wandelen op het pad van de gerechtigheid, en niet goddeloos worden met de goddelozen; want zij zullen behouden worden. 11 Wee u die kwaad uitspreidt over uw naaste; want in het dodenrijk zult u gedood worden. 12 Wee u die het fundament van zonde en bedrog legt[^2], en die bitterheid brengen op de aarde; want daardoor zullen zij verteerd worden. 13 Wee u die uw huizen bouwt door de zware arbeid van anderen, en al hun bouwwerk is metselwerk en steen van de zonde; ik zeg u dat u geen vrede zult hebben. 14 Wee hun die de maat en het eeuwige erfdeel van hun vaderen verachten, en hun ziel doen navolgen achter afgoden; want er zal voor hen geen rust zijn. 15 Wee hun die onrecht bedrijven en geweld helpen, en hun naaste doden tot de dag van het grote oordeel. 16 Want Hij zal uw heerlijkheid neerwerpen, en kwaad brengen in uw hart, en de geest van Zijn toorn opwekken, om u allen met het zwaard te verdelgen; en alle rechtvaardigen en heiligen zullen uw zonden gedenken. ### Henoch 100 1 En in die dagen zullen op één plaats de vaderen met hun zonen tegen elkaar geslagen worden, en broeders zullen met hun naasten in de dood vallen, totdat het van hun bloed vloeit als een beek. 2 Want een man zal zijn hand niet weerhouden van zijn zoon en van de zoon van zijn zoon, zodat hij hem spaart, maar hem doodt; en de zondaar zal zijn hand niet weerhouden van zijn geëerde broeder: van de dageraad tot de zon ondergaat zullen zij elkaar doden. 3 En het paard zal tot aan zijn borst door het bloed van de zondaren gaan, en de wagen zal tot aan zijn bovenkant verzinken. 4 En in die dagen zullen de engelen neerdalen in de verborgen plaatsen en allen die de zonde geholpen hebben op één plaats bijeenbrengen; en de Allerhoogste zal opstaan op die dag om een groot oordeel over alle zondaren te voltrekken. 5 En over alle rechtvaardigen en heiligen zal Hij wachters aanstellen uit de heilige engelen, om hen te bewaren als de appel van het oog, totdat een einde gemaakt is aan alle kwaad en alle zonde; en al slapen de rechtvaardigen een lange slaap, zij hebben niets te vrezen. 6 En de wijze mensen zullen in zekerheid zien, en de kinderen van de aarde zullen alle woorden van dit boek verstaan, en zij zullen weten dat hun rijkdom hen niet kan redden in de ondergang van hun zonden. 7 Wee u, zondaren, wanneer u de rechtvaardigen verdrukt op de dag van sterke benauwdheid en hen met vuur verbrandt: u zult vergolden worden naar uw werken. 8 Wee u, verharden van hart, die waken om het kwaad te bedenken: daarom zal vrees u overvallen, en er zal niemand zijn die u helpt. 9 Wee u, zondaren, want vanwege de woorden van uw mond en vanwege de daden van uw handen, waarmee u goddeloosheid bedreven hebt, zult u branden in de gloed van een vlam van vuur. 10 En weet nu dat de engelen in de hemel naar uw daden zullen vragen, bij de zon en bij de maan en bij de sterren, aangaande uw zonden; want op de aarde voltrekt u oordeel over de rechtvaardigen. 11 En Hij zal tegen u laten getuigen elke wolk en nevel en dauw en regen; want zij allen zullen van u weerhouden worden, zodat zij niet op u neerdalen en geen acht slaan op uw zonden.[^1] 12 En geeft nu geschenken aan de regen, opdat hij niet weerhouden worde van op u neer te dalen, en aan de dauw, wanneer hij van u goud en zilver ontvangen heeft, opdat hij neerdale. 13 Wanneer de rijp en de sneeuw[^2] met hun koude op u vallen, en alle sneeuwstormen met al hun plagen, dan zult u in die dagen niet voor hen kunnen standhouden. ### Henoch 101 1 Beschouwt de hemel, u allen, kinderen des hemels, en al het werk van de Allerhoogste, en vreest Hem, en doet geen kwaad voor Zijn aangezicht. 2 Als Hij de vensters des hemels sluit en de regen en de dauw weerhoudt van op de aarde neer te dalen om uwentwil, wat zult u dan doen? 3 En als Hij Zijn toorn over u en over al uw daden zendt, dan zult u het niet zijn die Hem kunt smeken; want u spreekt grote en harde woorden tegen Zijn gerechtigheid: daarom zult u geen vrede hebben. 4 En ziet u niet de zeevaarders van de schepen[^1], hoe hun schepen door de golven heen en weer geslingerd worden en door de winden geschud worden, en hoe zij in nood verkeren? 5 En daarom vrezen zij, omdat al hun goede bezittingen met hen op de zee gaan, en zij niets goeds in hun hart bedenken, want de zee zal hen verzwelgen en zij zullen daarin vergaan. 6 Is niet de hele zee en al haar wateren en al haar bewegingen het werk van de Allerhoogste, en heeft Hij niet al haar werking verzegeld en haar geheel gebonden met het zand? 7 En bij Zijn bestraffing droogt zij op en vreest zij, en al haar vissen sterven, en alles wat in haar is; maar u, zondaren, die op de aarde bent, vreest Hem niet. 8 Heeft Hij niet de hemel en de aarde gemaakt en alles wat daarin is? En wie heeft kennis en wijsheid gegeven aan allen die zich op de aarde bewegen en aan hen die in de zee zijn? 9 Vrezen niet de zeevaarders van de schepen de zee? Maar de zondaren vrezen de Allerhoogste niet. ### Henoch 102 1 In die dagen, als Hij een zwaar vuur over u brengt, waarheen zult u vluchten, en waar zult u ontkoming vinden? En wanneer Hij Zijn woord tegen u uitspreekt, zult u dan niet verschrikt worden en vrezen? 2 En al de lichten zullen in grote vrees in beroering geraken, en de hele aarde zal verschrikt worden en beven en sidderen. 3 En al de engelen zullen hun geboden volbrengen en zich willen verbergen voor het aangezicht van de Grote Heerlijkheid, en de kinderen van de aarde zullen beven en in beroering geraken; en u, zondaren, zult vervloekt zijn tot in eeuwigheid, en u zult geen vrede hebben. 4 Vreest niet, u zielen van de rechtvaardigen, en verwacht met hoop de dag van uw dood in gerechtigheid. 5 En wees niet bedroefd omdat uw ziel is neergedaald in grote benauwdheid en in geween en in gejammer en in het dodenrijk in verdriet, en omdat uw lichaam tijdens uw leven niet naar uw goedheid vergolden werd; maar wacht eerder op de dag waarop de zondaren geoordeeld worden[^1], en op de dag van vloek en kastijding. 6 En wanneer u sterft, zullen de zondaren over u zeggen: Zoals wij sterven, zo sterven de rechtvaardigen; en wat voor nut hebben zij van hun daden gehad? 7 Zie, gelijk wij zijn zij gestorven in verdriet en in duisternis; en wat hebben zij meer dan wij? Van nu af zijn wij gelijk. 8 En wat zullen zij ontvangen en wat zullen zij zien in eeuwigheid? Want zie, ook zij zijn gestorven, en van nu af zullen zij in eeuwigheid geen licht zien. 9 Ik zeg u, u zondaren: het is u genoeg te eten en te drinken, en mensen naakt uit te schudden, en te roven, en te zondigen, en rijkdom te verwerven, en goede dagen te zien. 10 Hebt u de rechtvaardigen gezien, hoe hun einde vrede was, want geen geweld werd bij hen gevonden tot de dag van hun dood? 11 En toch zijn zij vergaan en geworden als die er niet geweest zijn, en hun zielen zijn neergedaald in het dodenrijk in benauwdheid. ### Henoch 103 1 En nu zweer ik u, u rechtvaardigen, bij Zijn grote heerlijkheid en eer, en bij Zijn heerlijk koninkrijk en bij Zijn majesteit zweer ik u; 2 want ik ken deze verborgenheid, en ik heb op de tafelen des hemels gelezen, en ik heb het geschrift van de heiligen gezien, en ik vond daarin geschreven en gegrift aangaande hen. 3 Dat alle goeds en vreugde en heerlijkheid voor hen bereid is, en opgeschreven voor de geesten van hen die in gerechtigheid gestorven zijn; en dat u veel goeds gegeven zal worden als vergelding voor uw arbeid, en dat uw deel overvloedig groter is dan het deel van de levenden. 4 En de geesten van u die in gerechtigheid gestorven bent, zullen leven en zich verheugen, en hun geesten zullen zich verblijden, en hun herinnering zal voor het aangezicht van de Grote blijven, voor alle geslachten van de wereld; en vreest nu hun smaad niet. 5 Wee u, zondaren, wanneer u sterft in uw zonden, en zij die als u zijn over u zeggen: Zalig zijn de zondaren; al hun dagen hebben zij gezien. 6 En nu, zij zijn gestorven in voorspoed en in rijkdom, en benauwdheid en moord hebben zij in hun leven niet gezien; en in eer zijn zij gestorven, en er is in hun leven geen oordeel over hen voltrokken. 7 Weet aangaande hen dat hun zielen in het dodenrijk zullen neergevoerd worden, en zij zullen ellendig zijn, en hun benauwdheid zal groot zijn. 8 En in duisternis en in strikken[^1] en in een brandende vlam, waar een groot oordeel is, zal uw geest binnengaan; en het grote oordeel zal zijn voor alle geslachten tot in eeuwigheid. Wee u, want u zult geen vrede hebben. 9 Zegt niet aangaande de rechtvaardigen en de goeden die in het leven zijn: In de dagen van onze verdrukking hebben wij ons zwaar afgetobd en alle moeite gezien en veel kwaad ondervonden, en wij zijn verteerd en weinig geworden, en onze geest is klein geworden. 10 En wij zijn te gronde gericht, en er was niemand die ons hielp met woord of daad; wij waren machteloos en vonden niets; wij werden gekweld en te gronde gericht, en wij hoopten niet van dag tot dag het leven te zien. 11 Wij hoopten het hoofd te zijn, en wij werden de staart; wij zwoegden onder het werken, maar wij hadden geen macht over onze arbeid, en wij werden voedsel voor de zondaren; en de onrechtvaardigen hebben hun juk zwaar op ons gelegd. 12 En zij die ons haten en ons vertrappen hebben over ons geheerst, en voor hen die ons haten hebben wij onze nek gebogen, en zij hadden geen medelijden met ons. 13 En wij wilden van hen weggaan om te ontvluchten en rust te vinden, maar wij vonden geen plaats waarheen wij konden vluchten en veilig zijn voor hen. 14 En wij klaagden hen aan bij de oversten[^2] in onze benauwdheid, en wij riepen tegen hen die ons verslonden, maar zij sloegen geen acht op ons geschrei en wilden onze stem niet horen. 15 En zij hielpen hen die ons beroofden en verslonden, en hen die ons weinig maakten; en zij verborgen hun geweld en namen hun juk niet van ons weg; maar zij verslonden ons en verstrooiden ons en doodden ons, en zij verborgen onze moord, en zij dachten er niet aan dat zij hun handen tegen ons hadden opgeheven. ### Henoch 104 1 Ik zweer u, u rechtvaardigen, dat in de hemel de engelen aan u ten goede gedenken voor de heerlijkheid van de Grote; en uw namen worden opgeschreven voor de heerlijkheid van de Grote. 2 Wees vol hoop; want vroeger werd u schande aangedaan door kwaad en verdrukking, maar nu zult u schijnen als de lichten van de hemel, en gezien worden, en de poorten van de hemel zullen voor u geopend worden. 3 En in uw geroep, roep om gericht, en het zal u verschijnen; want van de engelen zal al uw benauwdheid worden opgeëist, en van al degenen die hen hielpen die u beroofden. 4 Wees vol hoop, en werp uw hoop niet weg; want u zult grote vreugde hebben als de engelen van de hemel. 5 Wat u te doen staat: u zult u niet hoeven te verbergen op de dag van het grote gericht, en u zult niet als zondaren bevonden worden, en het eeuwige gericht zal ver van u zijn voor alle geslachten van de wereld. 6 En nu, vrees niet, u rechtvaardigen, wanneer u de zondaren sterk ziet worden en voorspoedig in hun begeerte; wees geen deelgenoten met hen, maar houd u ver van hun geweld; want u zult deelgenoten van de heerscharen van de hemel worden. 7 Want al zegt u, zondaren: "Al onze zonden zullen niet worden nagevorst en niet worden opgeschreven," toch schrijven zij al uw zonden op, elke dag. 8 En nu toon ik u dat licht en duisternis, dag en nacht, al uw zonden zien. 9 Wees niet goddeloos in uw hart, en lieg niet, en verdraai de woorden van de oprechtheid niet, en beticht de woorden van de Heilige en Grote niet van leugen, en prijs uw afgoden niet; want heel uw leugen en al uw goddeloosheid strekken niet tot gerechtigheid, maar tot grote zonde. 10 En nu ken ik deze verborgenheid: dat vele zondaren de woorden van de oprechtheid zullen veranderen en verdraaien, en boze woorden zullen spreken, en liegen, en grote verzinsels beramen, en boeken schrijven over hun woorden. 11 Maar wanneer zij al mijn woorden getrouw opschrijven in hun talen, en niets veranderen of verminderen van mijn woorden, maar alles getrouw opschrijven, alles wat ik vroeger over hen heb getuigd; 12 dan ken ik nog een andere verborgenheid: dat aan de rechtvaardigen en de wijzen de boeken gegeven zullen worden tot vreugde en oprechtheid en veel wijsheid. 13 En aan hen zullen de boeken gegeven worden, en zij zullen erin geloven en zich erover verheugen; en al de rechtvaardigen die daaruit alle paden van de oprechtheid geleerd hebben, zullen beloond worden. ### Henoch 105 1 En in die dagen zei de Heere dat zij de kinderen van de aarde zouden bijeenroepen en hun zouden getuigen aangaande hun wijsheid: Toon het hun; want u bent hun leidslieden, en een beloning over heel de aarde. 2 Want Ik en Mijn Zoon zullen Ons voor eeuwig met hen verenigen op de paden van de oprechtheid, in hun leven; en vrede zal u zijn. Verheugt u, kinderen van de oprechtheid. Voorwaar. ### Henoch 106 1 En na enige dagen nam mijn zoon Methusalach voor zijn zoon Lamech een vrouw, en zij werd zwanger van hem en baarde een zoon. 2 En zijn lichaam was wit als sneeuw en rood als de bloesem van een roos, en het haar van zijn hoofd en zijn lange lokken waren wit als wol, en schoon waren zijn ogen. En toen hij zijn ogen opende, verlichtte hij heel het huis als de zon, en heel het huis werd bovenmate helder. 3 En toen hij opstond uit de handen van de verloskundige, opende hij zijn mond en sprak tot de Heere van de gerechtigheid. 4 En Lamech, zijn vader, werd bevreesd voor hem en vluchtte, en kwam tot zijn vader Methusalach. 5 En hij zei tot hem: Ik heb een vreemde zoon verwekt, niet als een mens, maar hij gelijkt op de kinderen van de engelen van de hemel; en zijn aard is anders, en hij is niet als wij, en zijn ogen zijn als de stralen van de zon, en zijn aangezicht is heerlijk. 6 En het schijnt mij toe dat hij niet uit mij is, maar dat hij uit de engelen is; en ik vrees dat in zijn dagen een wonder op de aarde gebeuren zal. 7 En nu, mijn vader, ben ik hier om u te smeken en van u te verzoeken dat u naar Henoch, onze vader, gaat en van hem de waarheid verneemt; want zijn woning is te midden van de engelen. 8 En toen Methusalach de woorden van zijn zoon hoorde, kwam hij tot mij aan de einden van de aarde, want hij had gehoord dat ik daar was; en hij riep luid, en ik hoorde zijn stem en kwam tot hem, en ik zei tot hem: Zie, hier ben ik, mijn zoon, aangezien u tot mij gekomen bent. 9 En hij antwoordde mij en zei: Wegens een grote zaak ben ik tot u gekomen, en wegens een verontrustend gezicht ben ik genaderd. 10 En nu, mijn vader, hoor mij: aan Lamech, mijn zoon, is een zoon geboren die zijn gelijke niet heeft, en van wie de aard niet is als de aard van een mens; en de kleur van zijn lichaam is witter dan sneeuw en roder dan de bloesem van een roos, en het haar van zijn hoofd is witter dan witte wol, en zijn ogen zijn als de stralen van de zon, en hij opende zijn ogen en verlichtte heel het huis. 11 En hij stond op uit de handen van de verloskundige, en opende zijn mond en zegende de Heere des hemels. 12 En zijn vader Lamech werd bevreesd en vluchtte tot mij, en geloofde niet dat hij uit hem was, maar dat zijn gelijkenis van de engelen van de hemel is; en zie, ik ben tot u gekomen opdat u mij de waarheid bekendmaakt. 13 En ik, Henoch, antwoordde en zei tot hem: De Heere zal nieuwe dingen op de aarde vernieuwen; en dit heb ik reeds in een gezicht gezien en aan u bekendgemaakt: dat in het geslacht van Jered, mijn vader, zij het woord des Heeren uit de hoge hemel hebben overtreden. 14 En zie, zij bedrijven zonde en overtreden de inzetting, en hebben zich met vrouwen verenigd en bedrijven met hen zonde, en hebben sommigen van hen tot vrouw genomen, en uit hen kinderen verwekt. 15 En een groot verderf zal over heel de aarde komen, en er zal een watervloed zijn, en een groot verderf zal er in één jaar zijn. 16 Deze zoon die u geboren is, hij zal op de aarde overblijven, en zijn drie kinderen zullen met hem behouden worden, wanneer alle mensen die op de aarde zijn sterven; hij en zijn kinderen zullen behouden worden. 17 Zij zullen op de aarde reuzen verwekken, niet naar de geest maar naar het vlees, en er zal een grote plaag op de aarde komen, en de aarde zal van alle onreinheid gereinigd worden. 18 En nu, maak aan uw zoon Lamech bekend dat hij die geboren is werkelijk zijn zoon is, en noem zijn naam Noach; want hij zal u tot een overblijfsel zijn, en hij en zijn kinderen zullen behouden worden van het verderf dat over de aarde komt, van alle zonde en van al het onrecht dat op de aarde in zijn dagen voleindigd zal worden. 19 En daarna zal er nog meer onrecht zijn dan wat vroeger op de aarde voleindigd werd; want ik ken de verborgenheden van de heiligen, want Hij, de Heere, heeft het mij getoond en bekendgemaakt, en ik heb het op het gewelf van de hemel gelezen. ### Henoch 107 1 En ik zag op hen geschreven dat geslacht na geslacht zal overtreden, totdat een geslacht van de gerechtigheid opstaat, en de overtreding vernietigd wordt en de zonde van de aarde weggenomen wordt, en al het goede over haar komt. 2 En nu, mijn zoon, ga heen en maak aan uw zoon Lamech bekend dat deze zoon die geboren is werkelijk zijn eigen zoon is, en dat het geen leugen is. 3 En toen Methusalach de woorden van zijn vader Henoch hoorde, want hij had hem alle verborgen dingen getoond, keerde hij terug, nadat hij het gezien had, en hij noemde de naam van die zoon Noach; want hij zal de aarde vertroosten van al het verderf. ### Henoch 108 1 Een ander boek dat Henoch schreef voor zijn zoon Methusalach en voor hen die na hem komen en de inzetting bewaren in de laatste dagen. 2 U die goed gedaan hebt, wacht in deze dagen totdat er een einde gemaakt is aan hen die kwaad doen, en de macht van de overtreders ten einde is; 3 maar u, wacht totdat de zonde voorbijgaat; want hun naam zal uitgewist worden uit de boeken van de heiligen, en hun zaad zal voor eeuwig vernietigd worden, en hun geesten zullen gedood worden, en zij zullen roepen en weeklagen in een plaats van woeste wildernis die onzichtbaar is, en in het vuur zullen zij branden, want daar is geen aarde. 4 En ik zag daar iets als een onzichtbare wolk; want vanwege haar diepte kon ik er niet overheen zien; en ik zag een vlam van vuur die helder brandde, en dingen als heerlijke bergen die rondwentelden en heen en weer geslingerd werden. 5 En ik vroeg aan een van de heilige engelen die bij mij was, en zei tot hem: Wat is dit glinsterende? Want het is geen hemel, maar slechts een vlam van laaiend vuur, en het geluid van geroep en geween en weeklacht en hevige pijn. 6 En hij zei tot mij: Deze plaats die u ziet, hierheen worden geworpen de geesten van de zondaren en lasteraars, en van hen die kwaad doen, en van hen die alles verdraaien wat God gesproken heeft door de mond van de profeten, de dingen die gebeuren zullen. 7 Want sommigen van hen zijn opgeschreven en gegrift boven in de hemel, opdat de engelen ze zouden lezen en weten wat de zondaren overkomen zal, en de geesten van de nederigen, en van hen die hun lichaam gekweld hebben en door God vergolden zijn, en van hen die door boze mensen te schande gemaakt zijn; 8 die God liefhadden en noch goud noch zilver noch enig van de goede dingen die in de wereld zijn liefhadden, maar hun lichaam aan de verwelken overgaven; 9 en die van de tijd af dat zij bestonden geen aards voedsel begeerden, maar zichzelf achtten als een adem die voorbijgaat, en dit bewaarden; en de Heere beproefde hen dikwijls, en hun geesten werden in reinheid bevonden, opdat zij Zijn naam zouden zegenen. 10 En al hun zegeningen heb ik in de boeken verhaald, en Hij heeft hun beloning aan hen toebedeeld; want dezen werden bevonden de hemel meer lief te hebben dan hun eigen leven, en terwijl zij door boze mensen vertreden werden, en van hen smaad en lastering hoorden, en te schande gemaakt werden, zegenden zij Mij toch. 11 En nu zal Ik de geesten van de goeden roepen uit het geslacht dat licht is, en Ik zal hen veranderen die in duisternis geboren zijn, die in hun vlees niet met eer vergolden zijn zoals hun geloof toekwam. 12 En Ik zal hen in helder licht voortbrengen die Mijn heilige naam liefhebben, en Ik zal elk doen zitten op de troon van zijn eer. 13 En zij zullen schitteren voor tijden zonder getal; want gerechtigheid is het oordeel van God, want aan de getrouwen geeft Hij trouw in de woning van de rechte paden. 14 En zij zullen hen zien die in duisternis geboren zijn, in de duisternis geworpen worden, terwijl de rechtvaardigen schitteren. 15 En de zondaren zullen roepen en hen zien schitteren, en zij zelf zullen gaan naar de plaats waar dagen en tijden voor hen zijn voorgeschreven. ## Jubileeën ### Jubileeën 1 1 En het gebeurde in het eerste jaar van de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte, in de derde maand, op de zestiende dag van die maand, dat God tot Mozes sprak, zeggende: Kom op tot Mij op de berg, en Ik zal u twee stenen tafelen geven van de wet en van het gebod, die Ik geschreven heb, opdat u hen die zou onderwijzen. 2 En Mozes ging op tot de berg van God, en de heerlijkheid van God bleef op de berg Sinaï, en een wolk overschaduwde hem zes dagen. 3 En Hij riep Mozes op de zevende dag uit het midden van de wolk, en de aanblik van de heerlijkheid van God was als een brandend vuur op de top van de berg. 4 En Mozes was op de berg veertig dagen en veertig nachten. 5 En Hij zei tot hem: Zet uw hart op ieder woord dat Ik u zeg op deze berg, en schrijf het in een boek, opdat hun geslachten zouden zien hoe Ik hen niet verlaten heb, ondanks al het kwaad dat zij gedaan hebben door de inzetting te overtreden die Ik vandaag instel tussen Mij en u voor hun generaties op de berg Sinaï. 6 En het zal zo gebeuren, wanneer al dit woord over hen komt, dat zij zullen erkennen dat Ik rechtvaardiger geweest ben dan zij in al hun gericht en in al hun daden, en zij zullen erkennen dat Ik werkelijk met hen geweest ben. 7 En u, schrijf voor uzelf al de woorden op die Ik u vandaag bekendmaak, want Ik ken hun weerspannigheid en hun stijve nek, voordat Ik hen breng in het land dat Ik gezworen heb aan Abraham en aan Izak en aan Jakob, zeggende: Aan uw zaad zal Ik een land geven, vloeiende van melk en honing. 8 En zij zullen zich wenden tot een vreemde god, tot die hen niet kunnen redden uit al hun benauwdheid. 9 Want zij zullen al Mijn geboden vergeten, alles wat Ik hun gebied, en zij zullen wandelen achter de heidenen en achter hun onreinheid en achter hun schande, en zij zullen hun goden dienen, en die zullen hun worden tot een aanstoot en tot benauwdheid en tot verdrukking en tot een strik. 10 En velen zullen verdorven worden, en zij zullen gegrepen worden en vallen in de hand van de vijand, omdat zij Mijn voorschriften en Mijn geboden en de feesten van Mijn verbond en Mijn sabbatten en Mijn heiligdommen verlaten hebben, die Ik voor Mij geheiligd heb in hun midden. 11 En zij hebben voor zich hoogten en bossen en gesneden beelden gemaakt, en zij hebben aangebeden, een ieder wat het zijne was, om af te dwalen, en zij offeren hun kinderen aan de boze geesten en aan al het werk van de dwaling van hun hart. 12 En Ik zal getuigen tot hen zenden, opdat Ik tegen hen zou getuigen, maar zij zullen niet horen, en zij zullen ook de getuigen doden, en degenen die de wet zoeken zullen zij vervolgen, en zij zullen alles teniet doen en beginnen kwaad te doen voor Mijn ogen. 13 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, en Ik zal hen overleveren in de hand van de heidenen tot gevangenschap en tot een prooi en om verslonden te worden. 14 En zij zullen al Mijn wet en al Mijn gebod en al Mijn recht vergeten, en zij zullen dwalen inzake de nieuwe maan en de sabbat en het feest en het jubeljaar en de inzetting. 15 En daarna zullen zij zich tot Mij wenden uit het midden van de heidenen, met heel hun hart en met heel hun ziel en met heel hun kracht, en Ik zal hen vergaderen uit het midden van al de heidenen, en zij zullen Mij zoeken, opdat Ik door hen gevonden zou worden, wanneer zij Mij zoeken met heel hun hart en met heel hun ziel, en Ik zal hun overvloedige vrede openbaren in gerechtigheid. 16 En Ik zal hen overplanten als een plant van de oprechtheid, met heel Mijn hart en met heel Mijn ziel, en zij zullen zijn tot een zegen en niet tot een vloek, en zij zullen het hoofd zijn en niet de staart. 17 En Ik zal Mijn heiligdom bouwen in hun midden, en Ik zal met hen wonen, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn in waarheid en in gerechtigheid. 18 En Ik zal hen niet verlaten noch verstoten, want Ik ben God, hun God. 19 En Mozes viel op zijn aangezicht en bad en zei: O Heere, mijn God, verlaat Uw volk en Uw erfdeel niet, zodat zij zouden wandelen in de dwaling van hun hart, en lever hen niet over in de hand van de heidenen, opdat zij niet over hen zouden heersen en opdat zij hen niet zouden brengen tot zondigen tegen U. 20 Laat Uw barmhartigheid, o Heere, verhoogd worden over Uw volk, en schep in hen een oprechte geest, en laat de geest van Beliar niet over hen heersen om hen aan te klagen voor U en om hen te verstrikken, weg van elke weg van de gerechtigheid, zodat zij zouden verdorven worden voor Uw aangezicht. 21 Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, dat U verlost hebt met Uw grote kracht uit de hand van Egypte. 22 En God zei tot Mozes: Ik ken hun tegenspreken en hun gedachten en hun stijve nek, en zij zullen niet horen totdat zij hun zonde erkennen en de zonden van hun vaderen. 23 En daarna zullen zij zich tot Mij wenden in alle oprechtheid en met heel hun hart en met heel hun ziel. 24 En hun ziel zal Mij aankleven, en al Mijn geboden, en zij zullen Mijn geboden volbrengen, en Ik zal hun tot een Vader zijn, en zij zullen Mij tot kinderen zijn. 25 En zij zullen allen kinderen van de levende God genoemd worden, en elke engel en elke geest zal hen kennen, en zij zullen hen kennen dat zij Mijn kinderen zijn en dat Ik hun Vader ben in oprechtheid en in gerechtigheid, en dat Ik hen liefheb. 26 En u, schrijf voor uzelf al dit woord op dat Ik u bekendmaak op deze berg, het eerste en het laatste, en wat komen zal in al de verdelingen van de dagen die in de wet en in de getuigenis zijn, en in de weken van de jubeljaren, tot in eeuwigheid. 27 En Hij zei tot de engel van het aangezicht: Schrijf voor Mozes van het begin van de schepping af totdat Mijn heiligdom in hun midden gebouwd is, tot in alle eeuwigheid. 28 En God zal verschijnen voor de ogen van allen, en allen zullen weten dat Ik de God van Israël ben en de Vader van al de kinderen van Jakob, en Koning op de berg Sion tot in alle eeuwigheid. En Sion en Jeruzalem zullen heilig zijn. 29 En de engel van het aangezicht, die voor het leger van Israël uitging, nam de tafelen van de verdelingen van de jaren, van de tijd af van de schepping van de wet en van de getuigenis, naar de weken van de jubeljaren, jaar voor jaar in heel hun getal, en de jubeljaren, van de dag van de nieuwe schepping af, wanneer de hemelen en de aarde en heel hun schepping vernieuwd zullen worden naar de krachten van de hemel en naar heel de schepping van de aarde, totdat het heiligdom van God gemaakt zal worden in Jeruzalem op de berg Sion. ### Jubileeën 2 1 En de engel van het aangezicht sprak tot Mozes naar het woord van God, zeggende: Schrijf heel het verhaal van de schepping, hoe God in zes dagen al Zijn werk voleindde en al wat Hij geschapen had, en Hij rustte op de zevende dag en heiligde die voor alle eeuwen, en Hij stelde die tot een teken voor al Zijn werk. 2 Want op de eerste dag schiep Hij de hemelen die daarboven zijn, en de aarde en de wateren, en elke geest die voor Hem dient: de engelen van het aangezicht, en de engelen van de heiliging, en de engelen van de geest van het vuur, en de engelen van de geest van de winden, en de engelen van de geest van de wolken, voor de duisternis en voor alles, en voor de hagel en voor de rijp; en de engelen van de stemmen en van de donderslagen en van de bliksemen; en de engelen van de geesten van de koude en van de hitte, en van de winter en van de lente en van de herfst en van de zomer, en van al de geesten van Zijn werken die in de hemelen zijn en op de aarde en in al de diepten; en de duisternis en het licht en de dageraad en de avond, die Hij bereid heeft in de kennis van Zijn hart. 3 En toen zagen wij Zijn werken, en wij zegenden Hem, en wij loofden voor Hem vanwege al Zijn werken, want zeven grote werken maakte Hij op de eerste dag. 4 En op de tweede dag maakte Hij het uitspansel in het midden van de wateren, en de wateren werden op die dag verdeeld: de ene helft ging omhoog boven, en de andere helft daalde neer onder het uitspansel, in het midden boven het aangezicht van heel de aarde. En dit alleen maakte Hij tot een werk op de tweede dag. 5 En op de derde dag deed Hij zoals Hij tot de wateren gezegd had, dat zij zouden wijken van voor het aangezicht van heel de aarde in één plaats, en dat het droge zou verschijnen. 6 En de wateren deden zo, zoals Hij tot hen gezegd had, en zij weken van het aangezicht van de aarde in één plaats, buiten dit uitspansel, en het droge verscheen. 7 En op die dag schiep Hij voor haar al de zeeën, elk naar zijn verzamelplaatsen, en al de rivieren, en de verzamelingen van de wateren in de bergen en op heel de aarde. 8 En op de vierde dag maakte God de zon en de maan en de sterren, en Hij stelde ze in het uitspansel van de hemel, opdat zij licht zouden geven over heel de aarde. 9 En God gaf de zon tot een groot teken op de aarde, voor de dagen en voor de sabbatten en voor de maanden en voor de feesten en voor de jaren en voor de sabbatten van de jaren en voor de jubeljaren en voor alle tijden van de jaren. 10 En zij scheidt tussen het licht en de duisternis, en dient tot voorspoed, opdat alles zou gedijen wat opschiet en groeit op de aarde. 11 En op de vijfde dag schiep Hij de grote zeegedrochten in het midden van de diepten van de wateren, want deze waren de eerste schepselen van vlees die door Zijn handen gemaakt werden; en al wat zich beweegt in de wateren, de vissen, en al wat vliegt, de vogels, en heel hun geslacht. 12 En de zon rees over hen op tot hun welzijn, en over alles wat op de aarde was. 13 En op de zesde dag maakte Hij al de wilde dieren van de aarde, en al het vee, en al wat zich beweegt op de aarde. 14 En na dit alles maakte Hij de mens: één man; man en vrouw maakte Hij hen, en Hij gaf hem heerschappij over alles wat op de aarde is en wat in de zeeën is, en over wat vliegt, en over de wilde dieren, en over het vee, en over al wat zich beweegt op de aarde, en over heel de aarde; over dit alles gaf Hij hem heerschappij. 15 En er waren in het geheel tweeëntwintig geslachten. 16 En Hij voleindde al Zijn werk op de zesde dag: alles wat in de hemel is en op de aarde, en in de zeeën en in de diepten, en in het licht en in de duisternis, en in alles. 17 En Hij gaf ons een groot teken, de sabbatdag, opdat wij zes dagen werk zouden doen en op de zevende dag zouden rusten van al het werk. 18 Al de engelen van het aangezicht en al de engelen van de heiliging, deze twee grote geslachten, tot dezen zei Hij dat wij met Hem zouden rusten in de hemel en op de aarde. 19 En Hij zei tot ons: Zie, Ik zal Mij een volk afzonderen uit het midden van Mijn volken, en ook zij zullen de sabbat houden; en Ik zal het volk voor Mij heiligen en het zegenen, zoals Ik de sabbatdag geheiligd heb; en Ik zal die voor Mij heiligen, en zo zal Ik hen zegenen, en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. 20 En Ik heb het zaad van Jakob verkoren onder al wat Ik gezien heb, en Ik heb hem voor Mij opgeschreven als een eerstgeboren zoon, en heb hem voor Mij geheiligd tot in alle eeuwigheid. 21 En Hij maakte daarin een teken, waardoor ook zij met ons de sabbat zouden houden op de zevende dag, om te eten en te drinken en Hem te zegenen die alles geschapen heeft, zoals Hij voor Zich een volk gezegend en geheiligd heeft dat boven alle heidenen uitblinkt, opdat zij samen met ons de sabbat zouden houden. 22 En Hij deed Zijn geboden opstijgen als een liefelijke reuk, die welbehaaglijk is voor Hem, al de dagen. 23 Tweeëntwintig hoofden van de mensen waren er van Adam tot hem. 24 En aan deze werd gegeven dat zij al de dagen gezegend en heilig zouden zijn. 25 Hij schiep de hemel en de aarde en al wat geschapen is in zes dagen. 26 En u, gebied de kinderen van Israël dat zij deze dag zouden houden en heiligen, en dat zij daarop geen enkel werk zouden doen, en dat zij die niet zouden verontreinigen, want zij is heiliger dan alle dagen. 27 Een ieder die haar ontheiligt zal zeker sterven, en een ieder die daarop enig werk doet zal zeker sterven, voor eeuwig. 28 En elk mens die haar houdt en daarop rust van al zijn werk, zal heilig en gezegend zijn al de dagen, gelijk wij. 29 Verkondig en zeg de kinderen van Israël de verordening van deze dag, dat zij daarop zouden rusten en die niet zouden verlaten in de dwaling van hun hart, opdat zij niet bevonden worden daarop enig werk te doen dat niet past, om daarop hun eigen welgevallen te doen. 30 En zij zullen niets uitdragen noch inbrengen van huis tot huis op deze dag, want zij is heiliger en gezegender dan alle dagen van het jubeljaar van de jubeljaren. Op haar hebben wij de sabbat gehouden in de hemelen, voordat het aan enig vlees bekendgemaakt werd om die op haar te houden op de aarde. 31 En de Schepper van alles zegende haar, maar Hij heiligde niet elk volk en elke natie om daarop de sabbat te houden, behalve Israël alleen; aan hem alleen heeft Hij gegeven om daarop te eten en te drinken en de sabbat te houden op de aarde. 32 En de Schepper van alles, die deze dag geschapen heeft, zegende haar tot een zegen en tot heiligheid en tot heerlijkheid boven alle dagen. 33 Deze wet en getuigenis werd aan de kinderen van Israël gegeven als een eeuwige wet voor hun generaties. ### Jubileeën 3 1 En op de zes dagen van de tweede week brachten wij, naar het woord van God, tot Adam al de wilde dieren en al het vee en al de vogels en al wat zich beweegt op de aarde. 2 En Adam gaf hun allen namen, elk naar zijn naam, en zoals hij hen noemde, zo was hun naam. 3 En in deze vijf dagen zag Adam dit alles, mannelijk en vrouwelijk in elk geslacht dat op de aarde is; maar hijzelf was alleen, en er werd voor hem geen helper gevonden die als hij was. 4 En God zei tot ons: Het is niet goed dat de mens alleen is; laat ons voor hem een helper maken die als hij is. 5 En God, onze God, deed een diepe slaap op hem vallen, en hij sliep. 6 En Hij wekte Adam uit zijn slaap. 7 Daarom zullen man en vrouw één zijn, en daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen één vlees zijn. 8 In de eerste week werd Adam geschapen, en de rib, zijn vrouw; en in de tweede week toonde Hij haar aan hem. 9 En nadat er voor Adam veertig dagen voltooid waren in het land waar hij geschapen was, brachten wij hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. 10 Om deze reden werd het gebod geschreven op de tafelen van de hemel aangaande haar die baart: als zij een mannelijk kind baart, zal zij zeven dagen in haar onreinheid blijven, zoals in de eerste zeven dagen, en drieëndertig dagen zal zij blijven in het bloed van haar reiniging; en zij zal niets heiligs aanraken, noch in het heiligdom binnengaan, totdat zij deze dagen voor een mannelijk kind voltooit. 11 En voor een vrouwelijk kind twee weken van dagen, zoals de eerste twee weken in haar onreinheid, en zesenzestig dagen zal zij blijven in het bloed van haar reiniging; en alle tezamen zullen tachtig dagen zijn. 12 En toen zij die tachtig dagen voltooid had, brachten wij haar in de hof van Eden, want die is heiliger dan heel de aarde, en elke boom die daarin geplant is, is heilig. 13 Om deze reden werd aangaande haar die een mannelijk of een vrouwelijk kind baart, de verordening van die dagen ingesteld: zij zal niets heiligs aanraken, noch in het heiligdom binnengaan, totdat die dagen voor het mannelijke of het vrouwelijke kind voltooid zijn. 14 Dit is de wet en de getuigenis die voor Israël geschreven werd, dat zij die zouden houden al de dagen. 15 En in de eerste week van het eerste jubeljaar woonden Adam en zijn vrouw zeven jaren in de hof van Eden, terwijl hij die bewerkte en bewaarde; en wij gaven hem werk, en wij waren bezig hem te onderwijzen om alles te doen wat voor de bewerking past. 16 En hij was aan het bewerken, en hij was naakt, en wist het niet, en schaamde zich niet; en hij bewaarde de hof voor de vogels en voor de wilde dieren en voor het vee, en verzamelde zijn vrucht, en at, en legde het overige weg voor zichzelf en voor zijn vrouw, en legde weg wat bewaard werd. 17 En toen het einde van de zeven jaren voltooid was, die hij daar voltooid had, zeven jaren nauwkeurig. 18 En zij zei tot hem: Van alle vrucht van de boom die in de hof is, heeft God tot ons gezegd: Eet. 19 En de slang zei tot de vrouw: U zult voorzeker niet sterven; want God weet dat op de dag dat u ervan eet, uw ogen geopend zullen worden, en dat u zult zijn als goden, en dat u goed en kwaad zult kennen. 20 En de vrouw zag de boom, dat hij begeerlijk was en aangenaam voor het oog, en dat zijn vrucht goed was om te eten. 21 En zij bedekte haar schaamte met vijgenbladeren, als eerste. 22 En hij nam vijgenbladeren en naaide ze aaneen en maakte zich een schort, en bedekte zijn schaamte. 23 En God vervloekte de slang en was op haar vertoornd voor eeuwig. 24 Zeer zal Ik uw smart vermenigvuldigen, en uw pijn; met smart zult u kinderen baren, en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heersen. 25 En ook tot Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar uw vrouw en gegeten hebt van die boom, waarvan Ik u geboden had dat u er niet van zou eten. 26 En Hij maakte voor hen kleren van vellen, en bekleedde hen, en zond hen weg uit de hof van Eden. 27 En op die dag, terwijl hij uit de hof van Eden ging, offerde hij tot een liefelijke reuk een reukoffer: galbanum en stacte en geurende hars en nardus, in de morgen met het opgaan van de zon, op de dag dat hij zijn schaamte bedekte. 28 En op die dag werd de mond van al de wilde dieren en van het vee en van de vogels en van wat gaat en van wat zich beweegt gesloten voor het spreken; want zij allen plachten met elkander te spreken met één lip en één tong. 29 En Hij zond uit de hof van Eden al het vlees dat in de hof van Eden was, en al het vlees werd verstrooid, elk naar zijn geslacht en naar zijn soort, naar de plaats die voor hen geschapen was. 30 En aan Adam alleen gaf Hij om zijn schaamte te bedekken, uit al de wilde dieren en het vee. 31 Om deze reden werd op de tafelen geboden aangaande allen die het recht van de wet kennen, dat zij hun schaamte zouden bedekken en zich niet zouden ontbloten, zoals de heidenen zich ontbloten. 32 En bij de nieuwe maan van de vierde maand gingen Adam en zijn vrouw uit de hof van Eden, en zij woonden in het land Elda, in het land van hun schepping. 33 En Adam gaf zijn vrouw de naam Eva. 34 En zij hadden geen zoon tot aan het eerste jubeljaar. 35 En hij bewerkte de aarde zoals hij onderwezen was in de hof van Eden. ### Jubileeën 4 1 En in de derde week in het tweede jubeljaar baarde zij Kaïn, en in de vierde baarde zij Abel. 2 En in het eerste jaar van het derde jubeljaar doodde Kaïn zijn broeder. 3 En hij doodde hem in het veld, en zijn bloed riep van de aarde tot in de hemel, huilend vanwege hem die gedood was. 4 En God bestrafte Kaïn vanwege Abel, omdat hij hem gedood had, en Hij maakte hem tot een vluchteling op de aarde vanwege het bloed van zijn broeder, en vervloekte hem op de aarde. 5 Om deze reden werd op de tafelen van de hemel geschreven: Vervloekt is hij die zijn naaste met boosheid neerslaat; en laten allen die het gezien hebben zeggen: Zo zij het; en de man die het gezien heeft en het niet heeft aangegeven, laat hij vervloekt zijn zoals die ander. 6 Om deze reden maken wij bekend, wanneer wij voor God, onze God, komen, al de zonde die gebeurt in de hemel en op de aarde, en in het licht en in de duisternis, en in alles. 7 En Adam en zijn vrouw waren aan het rouwen over Abel, vier weken van jaren. 8 In de zesde week baarde zij Azura, zijn dochter. 9 En Kaïn nam Awan, zijn zuster, tot vrouw, en zij baarde hem Henoch aan het einde van het vierde jubeljaar. 10 En Adam had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij baarde nog negen zonen. 11 En in de vijfde week van het vijfde jubeljaar nam Seth Azura, zijn zuster, tot vrouw, en in het vierde jaar daarvan baarde zij hem Enos. 12 Hij was de eerste die de naam van God aanriep op de aarde. 13 En in het zevende jubeljaar, in de derde week, nam Enos Noam, zijn zuster, tot vrouw, en zij baarde hem een zoon in het derde jaar van de vijfde week, en hij noemde zijn naam Kenan. 14 En aan het einde van het achtste jubeljaar nam Kenan Mualelit, zijn zuster, tot vrouw, en zij baarde hem een zoon in het negende jubeljaar, in de eerste week, in het derde jaar in deze week, en hij noemde zijn naam Mahalaleël. 15 En in de tweede week van het tiende jubeljaar nam Mahalaleël zich een vrouw, Dina, de dochter van Barakeël, de dochter van de zuster van zijn vader, tot vrouw. 16 En in het elfde jubeljaar nam Jared zich een vrouw, en haar naam was Baraka, de dochter van Rasueël, de dochter van de zuster van zijn vader, tot vrouw, in de vierde week van dit jubeljaar. 17 Hij was de eerste die het schrift en de kennis en de wijsheid leerde onder de mensenkinderen, van hen die geboren waren op de aarde. 18 Hij was de eerste die een getuigenis schreef, en hij getuigde aan de mensenkinderen onder de geslachten van de aarde, en verhaalde de weken van de jubeljaren, en maakte de dagen van de jaren bekend, en ordende de maanden, en verhaalde de sabbatten van de jaren, zoals wij het hem bekendgemaakt hadden. 19 En wat geweest was en wat zijn zou, zag hij in een gezicht van zijn slaap, zoals het zijn zou over de mensenkinderen in hun generaties tot aan de dag van het oordeel; hij zag en verstond alles. 20 En in het twaalfde jubeljaar, in de zevende week daarvan, nam hij zich een vrouw, en haar naam was Edni, de dochter van Daniël, de dochter van de zuster van zijn vader, tot vrouw. 21 En hij was verder met de engelen van God, zes jubeljaren van jaren. 22 En hij getuigde tegen de wachters, die gezondigd hadden met de dochters van de mensen. 23 En hij werd weggenomen uit het midden van de mensenkinderen, en wij brachten hem in de hof van Eden tot grootheid en tot eer. 24 En om zijnentwil kwam het water van de vloed niet over enig land van Eden, want daar werd hij gesteld tot een teken, en opdat hij zou getuigen tegen al de mensenkinderen, opdat hij al de werken van de geslachten zou verhalen tot aan de dag van het oordeel. 25 En hij offerde het reukwerk van het heiligdom in de avond, dat welbehaaglijk is voor God op de berg. 26 Want er zijn vier plaatsen op de aarde voor God: de hof van Eden, en de berg van het oosten, en deze berg waarop u vandaag bent, de berg Sinaï, en de berg Sion, die geheiligd zal worden in de nieuwe schepping tot heiliging van de aarde. Om deze reden zal de aarde geheiligd worden van alle schuld en van onreinheid, door de geslachten van de wereld. 27 En in het jubeljaar dat het veertiende jubeljaar is, nam Metusalach Edna, zijn vrouw, de dochter van Ezraël, de dochter van de zuster van zijn vader, tot vrouw, in de derde week, in het eerste jaar van die week; en hij verwekte een zoon en noemde zijn naam Lamech. 28 En in het vijftiende jubeljaar, in de derde week, nam Lamech een vrouw, en haar naam was Betenos, de dochter van Barakeël, de dochter van de zuster van zijn vader, tot vrouw; en in deze week baarde zij hem een zoon, en hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal mij vertroosten van mijn smart en van al mijn werk en van de aardbodem die God vervloekt heeft. 29 En aan het einde van het negentiende jubeljaar, in de zevende week, in het zesde jaar daarvan, stierf Adam, en al zijn zonen begroeven hem in het land van zijn schepping. 30 En zeventig jaren ontbraken er aan de duizend jaren, want duizend jaren zijn als één dag in de getuigenis van de hemelen. 31 Aan het einde van dit jubeljaar werd Kaïn gedood, na hem, in één jaar; en zijn huis viel op hem, en hij stierf in het midden van zijn huis, en werd gedood door zijn stenen. 32 Om deze reden werd op de tafelen van de hemel ingesteld: Met het werktuig waarmee een man zijn naaste doodt, daarmee zal hij gedood worden; zoals hij hem verwondde, zo zullen zij hem doen. 33 En in het vijfentwintigste jubeljaar nam Noach zich een vrouw, en haar naam was Emzara, de dochter van Rakiël, de dochter van zijn zuster, tot vrouw. ### Jubileeën 5 1 En het gebeurde, toen de mensenkinderen begonnen talrijk te worden op het aangezicht van heel de aarde, en er dochters aan hen geboren werden, 2 dat het onrecht opgroeide op de aarde, en alle vlees zijn weg verdorven had, van de mens tot het vee en tot de wilde dieren en tot de vogels en tot al wat wandelt op de aarde; zij allen verdierven hun wegen en hun ordeningen. 3 En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, en alle vlees had zijn ordening verdorven, en zij allen hadden kwaad gedaan voor Zijn ogen, alles wat op de aarde was. 4 En Hij zei dat Hij de mens zou verdelgen en alle vlees dat op het aangezicht van de aarde was, dat Hij geschapen had. 5 Maar Noach alleen vond genade voor Zijn ogen. 6 En op Zijn engelen die Hij op de aarde gezonden had, was Hij bovenmate vertoornd, om hen uit te roeien uit heel hun heerschappij. 7 En tegen hun zonen ging een woord uit van voor Zijn aangezicht, dat zij met het zwaard neergeslagen zouden worden en van onder de hemel weggenomen zouden worden. 8 En Hij zei: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid in de mens blijven, want zij zijn vlees, en hun dagen zullen honderdtwintig jaren zijn. 9 En Hij zond Zijn zwaard in hun midden, opdat de een de ander zou doden. 10 En hun vaderen keken toe, en daarna werden zij gebonden in de diepten van de aarde, tot aan de dag van het grote oordeel, opdat er gericht uitgeoefend zou worden over allen die hun wegen en hun daden verdorven hadden voor God. 11 En Hij vernietigde allen uit hun plaatsen, en niet één van hen bleef over die Hij niet oordeelde naar al hun boosheid. 12 En Hij maakte voor al Zijn werken een nieuwe en rechtvaardige natuur, opdat zij niet zouden zondigen in heel hun natuur, tot in eeuwigheid. 13 En het oordeel over hen allen is ingesteld en geschreven op de tafelen van de hemel, en er is geen onrecht. 14 En er is niets, hetzij in de hemel of op de aarde, of in het licht of in de duisternis, of in het dodenrijk of in de diepte, dat niet geoordeeld wordt. 15 Aangaande allen: de grote naar zijn grootheid, en de kleine naar zijn kleinheid, en een ieder naar zijn weg zal Hij hem oordelen. 16 En Hij is niet iemand die de persoon aanziet, noch iemand die een geschenk aanneemt, wanneer Hij zegt dat Hij het oordeel zal voltrekken over een ieder; al gaf iemand alles wat op de aarde is, Hij zal de persoon niet aanzien, noch iets uit zijn hand aannemen, want Hij is een rechtvaardig Rechter. 17 En aangaande de kinderen van Israël is het geschreven en ingesteld: Als zij zich in gerechtigheid tot Hem wenden, zal Hij al hun overtreding vergeven en al hun zonde vergeven. 18 Het is geschreven en ingesteld dat Hij Zich zal ontfermen over allen die zich bekeren van al hun dwaling. 19 En aangaande allen die hun wegen en hun raad verdorven hadden voor de vloed, werd hun persoon niet aangenomen, behalve Noach alleen; want zijn persoon werd aangenomen ten behoeve van zijn zonen, die Hij om zijnentwil redde uit het water van de vloed, omdat zijn hart rechtvaardig was in al zijn wegen. 20 En God zei dat Hij alles zou verdelgen wat op het droge is, van de mens tot het vee, tot de wilde dieren, en tot de vogels, en tot wat zich beweegt op de aarde. 21 En Hij gebood Noach dat hij zich een ark zou maken, opdat die hem zou redden uit het water van de vloed. 22 En Noach maakte de ark in alles zoals Hij hem geboden had, in het tweede jubeljaar van de jaren, in de vijfde week, in het vijfde jaar daarvan. 23 En hij ging erin in het zesde jaar daarvan, in de tweede maand, bij de nieuwe maan van de tweede maand, tot aan de zestiende; hij ging erin, hij en alles wat wij tot hem brachten, in de ark. 24 En God opende de zeven sluizen van de hemel, en de monden van de fonteinen van de grote diepte, zeven monden in getal. 25 En de sluizen begonnen water neer te storten uit de hemel, veertig dagen en veertig nachten. 26 En de wateren wasten aan op de aarde; vijftien el rezen de wateren boven elke hoge berg; en de ark werd opgeheven van de aarde, en dreef op het aangezicht van de wateren. 27 En de wateren bleven; de wateren bleven staan op het aangezicht van de aarde, vijf maanden, honderdvijftig dagen. 28 En de ark ging voort en rustte op de top van Lubar, een van de bergen van Ararat. 29 En in de vierde maand werden de fonteinen van de grote diepte gesloten, en ook de sluizen van de hemel werden bedwongen. 30 En bij de nieuwe maan van de tiende maand verschenen de toppen van de bergen. 31 En de wateren droogden weg van boven de aarde. 32 En op de zevenentwintigste daarvan opende hij de ark, en zond daaruit de wilde dieren en de vogels en wat zich beweegt. ### Jubileeën 6 1 En op de nieuwe maan van de derde maand ging hij uit de ark. 2 En hij verscheen op de aarde, en hij nam een bokje en deed door zijn bloed verzoening voor alle schuld van de aarde; want alles wat daarop geweest was, was vernietigd, behalve die met Noach in de ark waren. 3 En hij bracht het vet op het altaar, en hij nam een os, en een bok, en een schaap, en bokjes, en zout, en een tortelduif, en het jong van een duif. 4 En God rook de liefelijke reuk, en Hij maakte met hem een verbond, dat er geen vloedwater meer zou zijn dat de aarde verderft, al de dagen van de aarde; zaaiing en oogst zullen niet ophouden, koude en hitte, zomer en winter, en dag en nacht zullen hun ordening niet veranderen en niet ophouden in eeuwigheid. 5 En wees ook u vruchtbaar en vermeerdert u op de aarde, en wordt talrijk daarop, en wees tot een zegen te midden van uw vrees en uw schrik. 6 En zie, Ik heb u gegeven al het gedierte, en al het vee, en alles wat vliegt, en alles wat zich beweegt op de aarde, en de vissen in de wateren, en alles tot voedsel; zoals het groene kruid heb Ik u alles gegeven om te eten. 7 Maar vlees met zijn leven, met het bloed, zult u niet eten; want het leven van alle vlees is in het bloed, opdat uw bloed van uw zielen niet geëist worde; van de hand van ieder mens, van de hand van ieder zal Ik het bloed van de mens eisen. 8 Wie het bloed van een mens vergiet, door de mens zal zijn bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij Adam gemaakt. 9 En wees ook u vruchtbaar en vermeerdert u op de aarde. 10 En Noach en zijn zonen zwoeren dat zij geen enkel bloed zouden eten dat in enig vlees is. 11 Hierom heeft Hij tot u gesproken dat ook u een verbond zou sluiten met de kinderen van Israël in deze maand op de berg met een eed. 12 En deze getuigenis is over u geschreven, dat u die zult onderhouden al de dagen, dat u op geen enkele dag enig bloed van wilde dieren of van vogels zult eten, al de dagen van de aarde. 13 En u, gebied de kinderen van Israël dat zij geen bloed eten, opdat hun naam en hun zaad voor God, onze God, mogen blijven, al de dagen. 14 En voor deze wet is er geen grens van dagen, want zij is voor eeuwig; zij zullen die onderhouden voor de geslachten, opdat zij gedurig voor hen mogen smeken met bloed voor het altaar op elke dag; en op de tijd van de morgen en de avond zullen zij voor hen verzoening doen, bestendig voor God, opdat zij die onderhouden en niet uitgeroeid worden. 15 En Hij gaf aan Noach en aan zijn zonen een teken, dat er niet weer een vloed zou zijn op de aarde. 16 Zijn boog heeft Hij in de wolk gesteld tot een teken van het eeuwige verbond. 17 Hierom is het ingesteld en geschreven op de tafelen van de hemel, dat zij het feest van de weken zouden vieren in deze maand, eenmaal in het jaar, om het verbond te vernieuwen in elk jaar en jaar. 18 En dit hele feest werd in de hemel gevierd van de dag van de schepping af tot aan de dagen van Noach: zesentwintig jubeljaren en vijf weken van jaren; en Noach en zijn zonen onderhielden het zeven jubeljaren en één week van jaren, tot de dag van Noachs dood, en van de dag van Noachs dood af bedierven zijn zonen het tot aan de dagen van Abraham, en zij aten bloed. 19 En Abraham alleen onderhield het, en Izak en Jakob, zijn zonen, onderhielden het tot uw dagen. 20 En u ook, gebied de kinderen van Israël dat zij dit feest onderhouden in al hun geslacht, tot een gebod voor hen: op één dag in het jaar in deze maand zullen zij het feest daarmee vieren; 21 want het is het feest van de weken, en het is het feest van de eerstelingen; dit feest is tweevoudig en van tweeërlei aard; viert het naar wat aangaande dat feest geschreven en gegraveerd is. 22 Want ik heb geschreven in het boek van de eerste wet, in wat ik voor u geschreven heb, dat u het zou vieren op zijn tijd, één dag in het jaar. 23 En op de nieuwe maan van de eerste maand, en op de nieuwe maan van de vierde maand, en op de nieuwe maan van de tiende maand, dat zijn de dagen van de herinnering, en dat zijn de dagen van de jaargetijden. 24 En Noach stelde ze zichzelf in tot feesten voor de geslachten in eeuwigheid, zodat zij hem tot een herinnering werden daardoor. 25 Op de nieuwe maan van de eerste maand werd hem gezegd een ark te maken, en op die dag werd de aarde droog, en hij opende haar en zag de aarde. 26 En op de nieuwe maan van de vierde maand werden de monden van de diepten van de afgrond beneden gesloten; en op de nieuwe maan van de zevende maand werden alle monden van de afgronden van de aarde geopend, en de wateren begonnen daarin neer te dalen. 27 En op de nieuwe maan van de tiende maand verschenen de toppen van de bergen, en Noach verheugde zich. 28 Hierom stelde hij ze zichzelf in tot feesten van de herinnering, tot in eeuwigheid. 29 En zij brachten ze op de tafelen van de hemel. 30 En al de dagen van de geboden zullen tweeënvijftig weken van dagen zijn. 31 Zo is het gegraveerd en ingesteld op de tafelen van de hemel. 32 En u ook, gebied de kinderen van Israël dat zij de jaren onderhouden naar dit getal: driehonderdvierenzestig dagen; en het zal een volkomen jaar zijn. 33 En als zij overtreden en ze niet volbrengen naar Zijn gebod, dan zullen zij allen hun jaargetijden verstoren, en de jaren zullen uit deze ordening verschoven worden; en de tijden zullen verstoord worden, en de jaren verschoven, en zij zullen hun voorschriften overtreden. 34 En al de kinderen van Israël zullen het vergeten, en zullen de weg van de jaren niet vinden. 35 Ik, ik weet het. 36 En er zullen er zijn die de maan waarnemen door de waarneming van de maan. 37 Hierom zullen de jaren over hen komen terwijl zij die verstoren, en zij zullen de dag van de getuigenis tot een verachtelijke dag maken. 38 Hierom gebied ik u, en betuig ik u, opdat u het hun betuigt; want na uw dood zullen uw kinderen ze verstoren, zodat zij het jaar niet op driehonderdvierenzestig dagen alleen zullen stellen. ### Jubileeën 7 1 En in de zevende week, in het eerste jaar daarvan, in dit jubeljaar, plantte Noach wijnstokken bij de berg waarop de ark gerust had, waarvan de naam Lubar is, een van de bergen van Ararat; en die bracht vrucht voort in het vierde jaar, en hij bewaarde zijn vrucht en oogstte die in dat jaar in de zevende maand. 2 En hij maakte daarvan wijn, en zij deden die in een vat, en hij bewaarde die tot het vijfde jaar, tot de eerste dag, op de nieuwe maan van de eerste maand. 3 En hij maakte die dag tot een feest met vreugde. 4 En hij bereidde eerst het bokje, en deed van zijn bloed op het vlees van het altaar dat hij gemaakt had; en al het vet bracht hij op het altaar waar hij het brandoffer bereid had, en de os, en de ram, en de schapen. 5 En hij legde al hun offer, met olie vermengd, daarop; en daarna sprenkelde hij wijn op het vuur dat op het altaar was; en hij legde eerst wierook op het altaar, en deed een liefelijke reuk opgaan, die welbehaaglijk is voor God, zijn God. 6 En hij verheugde zich en dronk van deze wijn, hij en zijn zonen, met vreugde. 7 En het werd avond, en hij ging in zijn tent, en dronken zijnde legde hij zich neer en sliep, en werd ontbloot in zijn tent terwijl hij sliep. 8 En Cham zag Noach, zijn vader, naakt. 9 En Sem nam een kleed en stond op, hij en Jafet, en zij legden het kleed op hun schouders, hun aangezicht achteruit, en bedekten de schaamte van hun vader, en hun aangezicht was achteruit. 10 En Noach ontwaakte uit zijn slaap en wist alles wat zijn jongste zoon hem gedaan had, en hij vervloekte zijn zoon en zei: Vervloekt zij Kanaän; een dienaar in slavernij zal hij zijn voor zijn broederen. 11 En hij zegende Sem en zei: Gezegend zij God, de God van Sem. 12 God make Jafet ruim, en God wone in de woning van Sem, en Kanaän zij hun dienaar. 13 En Cham wist dat zijn vader zijn jongste zoon vervloekt had, en het beviel hem niet dat hij zijn zoon vervloekt had. 14 En ook hij bouwde voor zichzelf een stad, en noemde haar naam naar de naam van zijn vrouw Neëlatamaük. 15 En Jafet zag het, en werd afgunstig op zijn broeder. 16 En Sem woonde bij zijn vader Noach, en bouwde een stad naast zijn vader bij de berg, en ook hij noemde haar naam naar de naam van zijn vrouw Sedeqetelbab. 17 Zie, deze drie steden zijn nabij de berg Lubar: Sedeqetelbab vóór het aangezicht van de berg aan zijn oostzijde, en Neëltamaük aan de noordzijde, Adatanêses naar de zee. 18 En dit zijn de zonen van Sem: Elam, en Assur, en Arfaksad. 19 De zonen van Jafet: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, Tubal, en Mesech, en Tiras; dit zijn de zonen van Noach. 20 En in het achtentwintigste jubeljaar begon Noach aan de zonen van zijn zonen de voorschriften en de geboden te gebieden, al het recht dat hij kende; en hij betuigde aan zijn zonen dat zij gerechtigheid zouden doen, en dat zij de schaamte van hun vlees zouden bedekken, en dat zij Hem die hen geschapen had zouden zegenen, en vader en moeder zouden eren, en dat ieder zijn naaste zou liefhebben, en dat zij hun ziel zouden bewaren voor hoererij en voor onreinheid en voor alle onrecht. 21 Want om deze drie dingen kwam de vloed over de aarde: om de hoererij waarmee de wachters, tegen het gebod van hun inzetting, hoereerden achter de dochters van de mensen, en zich vrouwen namen uit allen die zij verkozen, en het begin van de onreinheid maakten. 22 En zij gewonnen zonen, de Nefilim, en zij waren allen elkander ongelijk. 23 En een ieder verkocht zich om onrecht te doen en om onschuldig bloed te vergieten, en de aarde werd vervuld met onrecht. 24 En na dezen bezondigden zij zich tegen al de dieren en de vogels en al wat zich beweegt en wandelt op de aarde. 25 En God vernietigde alles van het aangezicht van de aarde, wegens hun daden en wegens het bloed in het midden van de aarde. 26 En wij bleven over, ik en u, mijn zonen, en alles wat met ons in de ark gekomen was. 27 Want ik zie, en zie, de boze geesten zijn begonnen hun verleiding tegen u en tegen uw kinderen. 28 Want een ieder die het bloed van een mens vergiet, en een ieder die het bloed van enig vlees eet, zij allen zullen van de aarde vernietigd worden. 29 En er zal geen mens overblijven die bloed eet, of die bloed vergiet op de aarde. 30 Geen bloed zal aan u gezien worden van al het bloed dat er is, al de dagen waarin u enig dier of vee of wat op de aarde vliegt geslacht hebt; en doet een goed werk voor uw zielen door dat te bedekken wat op het aangezicht van de aarde vergoten wordt. 31 En wees niet een die met het bloed eet. 32 En eet de ziel niet met het vlees, opdat uw bloed, dat uw leven is, niet geëist worde van de hand van enig vlees dat het op de aarde vergiet. 33 Want de aarde wordt niet gereinigd van het bloed dat op haar vergoten is; want alleen door het bloed van hem die het vergoten heeft, wordt de aarde gereinigd in al haar geslacht. 34 En nu, mijn zonen, hoort: doet recht en gerechtigheid, opdat u in gerechtigheid geplant wordt op het aangezicht van heel de aarde, en uw heerlijkheid verhoogd worde voor het aangezicht van mijn God, die mij verlost heeft uit de wateren van de vloed. 35 En zie, u zult heengaan en voor uzelf steden bouwen, en daarin elke plant planten die op de aarde is. 36 Drie jaar zal haar vrucht zodanig zijn dat er niets van geoogst wordt om te eten; en in het vierde jaar zal haar vrucht geheiligd worden, en zij zullen de eerstelingen van de vrucht offeren, welbehaaglijk voor God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde. 37 En in het vijfde jaar doet de vrijlating, dat u die vrijlaat in gerechtigheid en in oprechtheid; en u zult rechtvaardig zijn, en al uw planting zal voorspoedig zijn. 38 Want zo gebood Henoch, de vader van uw vader, aan Metusalah, zijn zoon, en Metusalah aan Lamech, zijn zoon, en Lamech gebood mij alles wat zijn vaderen hem geboden hadden. 39 En ook ik gebied u, mijn zonen, gelijk Henoch aan zijn zoon gebood in de eerste jubeljaren: terwijl hij nog leefde, de zevende in zijn geslacht, gebood en betuigde hij aan zijn zoon en aan de zonen van zijn zonen, tot de dag van zijn dood. ### Jubileeën 8 1 En in het negenentwintigste jubeljaar, in de eerste week, in het begin daarvan, nam Arfaksad zich een vrouw, en haar naam was Rasu'eja, de dochter van Susan, de dochter van Elam; en zij baarde hem een zoon in het derde jaar van deze week, en hij noemde zijn naam Kaïnam. 2 En de zoon groeide op, en zijn vader leerde hem het schrift, en hij ging heen om voor zich een plaats te zoeken waar hij voor zich een stad kon innemen. 3 En hij vond een geschrift dat de ouden in de rots gegraveerd hadden, en hij las wat daarin was, en schreef het over, en zondigde daardoor; want daarin was de leer van de wachters, waarmee zij de voortekenen van de zon en van de maan en van de sterren waarnamen, in al de tekenen van de hemel. 4 En hij schreef het op, en zei er niets van, want hij vreesde het aan Noach te zeggen, opdat deze niet om die zaak op hem toornen zou. 5 En in het dertigste jubeljaar, in de tweede week, in het eerste jaar daarvan, nam hij zich een vrouw, en haar naam was Mêlka, de dochter van Abaday, de zoon van Jafet. 6 En in het vierde jaar werd Sala geboren en groeide op, en hij nam zich een vrouw, en haar naam was Mû'ak, de dochter van Kesed, de broeder van zijn vader, zich tot vrouw. 7 En zij baarde hem een zoon in het vijfde jaar daarvan, en hij noemde zijn naam Eber. 8 En in het zesde jaar baarde zij hem een zoon, en hij noemde zijn naam Peleg. 9 En zij verdeelden haar op kwade wijze onder elkander, en zij zeiden het aan Noach. 10 En het gebeurde in het begin van het drieëndertigste jubeljaar, dat zij de aarde in drie delen verdeelden, voor Sem en voor Cham en voor Jafet, ieder naar zijn erfdeel. 11 En hij riep zijn zonen, en zij naderden tot hem, zij en hun kinderen, en hij verdeelde de aarde door het lot, die zijn drie zonen in bezit zouden nemen. 12 En in het geschrift kwam als het lot van Sem het midden van de aarde te voorschijn, dat hij als zijn erfdeel zou innemen, voor zich en voor zijn zonen, voor de geslachten in eeuwigheid. 13 En het gaat totdat het nadert tot Kâras; dit is in de boezem van de tong die naar het noorden ziet. 14 En zijn deel gaat naar de grote zee, en het gaat rechtuit totdat het nadert naar het westen van de tong die naar het noorden ziet. 15 En het buigt vandaar naar het noorden, naar de mond van de grote zee, tot aan de oevers van de wateren. 16 En het gaat naar het oosten totdat het nadert tot de hof van Eden, naar het noorden van het noorden. 17 Dit deel kwam bij het lot te voorschijn voor Sem en voor zijn zonen, om het te bezitten voor eeuwig, voor zijn generaties tot in eeuwigheid. 18 En Noach verheugde zich dat dit deel voor Sem en voor zijn zonen te voorschijn gekomen was. 19 En hij wist dat de hof van Eden het heilige van de heiligen is, en de woning van God; en de berg Sinaï het midden van de woestijn, en de berg Sion het midden van de navel van de aarde. 20 En hij zegende de God van de goden, die het woord van God in zijn mond gelegd had; en God zij geprezen tot in eeuwigheid. 21 En hij wist dat een deel van de zegening en een gezegend deel aan Sem en aan zijn zonen ten deel gevallen was, voor de geslachten in eeuwigheid: het hele land van Eden, en het hele land van de Rode Zee, en het hele land van het oosten, en India, en aan de Rode Zee en haar bergen, en het hele land van Basan, en het hele land van Libanon, en de eilanden van Kaftur. 22 En voor Cham kwam het tweede deel te voorschijn, aan de overzijde van de Gihon, naar het noorden, ter rechterhand van de hof; en het gaat naar het noorden, en het gaat langs al de bergen van het vuur. 23 En het komt naar het zuiden, tot de grens van Gadir, en het komt tot de oever van de wateren van de zee, tot de wateren van de grote zee, totdat het nadert tot de rivier de Gihon; en de rivier de Gihon gaat totdat zij nadert ter rechterhand van de hof van Eden. 24 En dit is het land dat voor Cham te voorschijn gekomen is als het deel dat hij zou bezitten voor eeuwig, voor zich en voor zijn zonen, voor hun generaties tot in eeuwigheid. 25 En voor Jafet kwam het derde deel te voorschijn, aan de overzijde van de rivier de Tina, naar het zuiden van de uitgang van haar wateren; en het gaat naar het zuidoosten, langs heel de grens van Gog, en al hun oosten; 26 en het gaat naar het zuiden van het zuiden, en het gaat naar de bergen van Qelt naar het zuiden, en naar de zee van Maük; en het komt naar het oosten van Gadir, tot aan de zijde van de wateren van de zee. 27 En het gaat totdat het nadert naar het westen van Fara. 28 En het gaat langs de zijde van de rivier de Tina, naar het zuidoosten, totdat het nadert tot de grens van haar wateren, naar de berg Rafa, en het wendt zich rondom naar het zuiden. 29 Dit is het land dat voor Jafet en voor zijn zonen te voorschijn gekomen is als het deel van zijn erfdeel, dat hij zou bezitten voor zich en voor zijn zonen, voor hun generaties tot in eeuwigheid. 30 En evenwel, koud is het; en het land van Cham is heet, en het land van Sem is noch heet noch koud, maar het is een menging van koude en hitte. ### Jubileeën 9 1 En Cham verdeelde onder zijn zonen, en het eerste deel kwam te voorschijn voor Kus naar het oosten, en ten westen van hem voor Mizraïm, en ten westen van hem voor Put. 2 En ook Sem verdeelde onder zijn zonen, en het eerste deel kwam te voorschijn voor Elam en voor zijn zonen, naar het oosten van de rivier de Tigris, totdat het nadert naar het oosten van het hele land India; en aan de Rode Zee op haar zijde, en de wateren van Dedan, en al de bergen van Mebri en Ela, en het hele land van Susan, en al wat aan de zijde van Pharnak is, tot aan de Rode Zee en tot aan de rivier de Tina. 3 En voor Assur kwam het tweede deel te voorschijn, het hele land van Assur en Nineve en Sinear en Sak, tot nabij India; en het klimt op en grenst aan de rivier. 4 En voor Arfaksad kwam het derde deel te voorschijn, het hele land van het gebied van Chaldea, naar het oosten van de Eufraat, dat nabij de Rode Zee is, en al de wateren van de woestijn, tot nabij de tong van de zee die naar Egypte ziet; het hele land van Libanon en Sanir en Amana, tot nabij de Eufraat. 5 En voor Aram kwam het vierde deel te voorschijn, het hele land van Mesopotamië tussen de Tigris en de Eufraat, naar het zuiden van de Chaldeeën, tot nabij de bergen van Assur en het land van Arara. 6 En voor Lud kwam het vijfde deel te voorschijn, de bergen van Assur en al wat daartoe behoort, totdat het nadert tot de grote zee, en het nadert naar het oosten van Assur, zijn broeder. 7 En ook Jafet verdeelde het land ten erfdeel onder zijn zonen. 8 En het eerste deel kwam te voorschijn voor Gomer, naar het oosten, van de zuidzijde af, tot aan de rivier de Tina. 9 En voor Madai kwam een deel te voorschijn, dat hij zou bezitten van het westen van zijn beide broederen af, tot aan de eilanden en tot aan de grenzen van de eilanden. 10 En voor Javan kwam het vierde deel te voorschijn, elk eiland en de eilanden die naar de zijde van Lud zijn. 11 En voor Tubal kwam het vijfde deel te voorschijn, in het midden van de tong die nadert naar de zijde van het deel van Lud, tot de tweede tong, en aan de overzijde van de tweede tong tot de derde tong. 12 En voor Mesech kwam het zesde deel te voorschijn, al wat aan de overzijde van de derde tong is, totdat het nadert tot het oosten van Gadir. 13 En voor Tiras kwam het zevende deel te voorschijn, vier grote eilanden in het midden van de zee, die naderen tot het deel van Cham. 14 En zo verdeelden de zonen van Noach voor hun zonen, in aanwezigheid van Noach, hun vader. 15 En zij zeiden allen: Zo zij het, zo zij het, voor zichzelf en voor hun zonen tot in eeuwigheid, in al hun geslacht, tot aan de dag van het oordeel, waarop God hen zal oordelen met het zwaard en met vuur, om al de boosheid van de onreinheid van hun dwaling, waarmee zij de aarde vervuld hebben met overtreding en onreinheid en hoererij en zonde. ### Jubileeën 10 1 En in de derde week van dit jubeljaar begonnen de onreine boze geesten de kinderen van de zonen van Noach te verleiden, en hen zinneloos te maken en te verderven. 2 En de zonen van Noach kwamen tot Noach, hun vader, en zeiden hem aangaande de boze geesten die de zonen van zijn zonen verleidden en verblindden en doodden. 3 En hij bad voor het aangezicht van God, zijn God, en zei: O God van de geesten die in alle vlees zijn, die met mij barmhartigheid gedaan hebt, en mij en mijn zonen verlost hebt uit de wateren van de vloed, en mij niet hebt doen vergaan gelijk U de kinderen van het verderf gedaan hebt; want groot is Uw genade over mij, en groot is Uw barmhartigheid over mijn ziel. 4 Maar U, zegen mij en mijn zonen, opdat wij toenemen en ons vermeerderen en de aarde vervullen. 5 En U weet hoe Uw wachters, de vaderen dezer geesten, in mijn dagen gehandeld hebben. 6 En laat ze niet heersen over de geesten van de levenden, want U alleen kent hun oordeel; en laat ze geen macht hebben over de kinderen van de rechtvaardigen, van nu aan en tot in eeuwigheid. 7 En onze God zei tot ons dat wij ze allen zouden binden. 8 En Mastêma, de overste van de geesten, kwam en zei: O Heere, Schepper, laat enige van hen voor mij overblijven, en laat hen naar mijn stem horen en alles doen wat ik hun zeg; want als er niemand van hen mij overgelaten wordt, zal ik de macht van mijn wil niet kunnen uitoefenen over de kinderen van de mensen. 9 En Hij zei: Laat een tiende deel van hen voor hem overblijven, en de negen delen doe Hij neerdalen in de plaats van het oordeel. 10 En tot een van ons zei Hij dat wij Noach al hun genezing zouden leren; want Hij wist dat zij niet in oprechtheid zouden wandelen en niet in gerechtigheid zouden strijden. 11 En wij deden naar al Zijn woord: al de boosaardige kwaden bonden wij in de plaats van het oordeel, en een tiende deel van hen lieten wij over, opdat zij voor de satan onderworpen zouden zijn op de aarde. 12 En de genezing van hun ziekten, dat alles zeiden wij aan Noach, tezamen met hun verleidingen, hoe hij zou genezen met de bomen van de aarde. 13 En Noach schreef alles op wat wij hem leerden, in een boek, aangaande elke soort van genezing; en de boze geesten werden afgesloten van achter de zonen van Noach. 14 En hij gaf al de boeken die hij geschreven had aan Sem, zijn oudste zoon; want deze had hij zeer lief boven al zijn zonen. 15 En Noach ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven op de berg Lubar in het land Ararat. 16 Negenhonderdvijftig jaar volbracht hij in zijn leven: negentien jubeljaren en twee weken. 17 Hij overtrof in leven op de aarde de kinderen van de mensen, wegens zijn gerechtigheid, waarin hij volmaakt was in zijn gerechtigheid, behalve Henoch. 18 En in het drieëndertigste jubeljaar, in het eerste jaar, in de tweede week daarvan, nam Peleg zich een vrouw, van wie de naam was Lômna, de dochter van Sinaör; en zij baarde hem een zoon in het vierde jaar van deze week, en hij noemde zijn naam Reü; want hij zei: Zie, de kinderen van de mensen zijn boos geworden door het boze voornemen om voor zich een stad en een toren te bouwen in het land Sinear. 19 Want zij trokken weg uit het land Ararat naar het oosten, naar Sinear; want in zijn dagen bouwden zij de stad en de toren, zeggende: Laat ons daardoor opklimmen in de hemel. 20 En zij begonnen te bouwen, en in de vierde week maakten zij stenen met vuur, en de stenen dienden hun tot steen, en de klei waarmee zij die aaneenkleefden was asfalt, dat te voorschijn komt uit de zee en uit de springaders van de wateren in het land Sinear. 21 En zij bouwden haar drieënveertig jaar; zij waren bezig haar te bouwen. Er waren dertien hele bakstenen in haar breedte, en een derde van één was voor haar hoogte; en haar hoogte steeg tot vijfduizend vierhonderddrieëndertig el. 22 En God, onze God, zei tot ons: Zie, zij zijn één volk, en zij zijn begonnen dit te doen, en nu zal niets van hen teruggehouden worden. 23 En God daalde neer, en wij daalden met Hem neer om de stad en de toren te zien die de kinderen van de mensen gebouwd hadden. 24 En Hij verwarde al de spraak van hun tongen, en de een verstond de spraak van de ander niet meer, en toen hielden zij op de stad en de toren te bouwen. 25 Hierom werd het hele land Sinear Babel genoemd, omdat God daar al de tongen van de kinderen van de mensen verward heeft. 26 En God zond een wind tegen de toren en wierp hem neer op de aarde. 27 In de vierde week, in het eerste jaar, in het begin daarvan, in het vierendertigste jubeljaar, werden zij verstrooid uit het land Sinear. 28 En Cham en zijn zonen gingen in het land dat zijn bezit was, dat hij in zijn deel ontvangen had, in het land van het zuiden. 29 En Kanaän zag het land van Libanon tot aan de rivier van Egypte, dat het zeer goed was. 30 En Cham, zijn vader, en Kus en Mizraïm, zijn broeders, zeiden tot hem: U hebt u neergezet in een land dat het uwe niet was, en dat ons door het lot niet ten deel gevallen is; doe niet zo. 31 Woon niet in de woning van Sem. 32 Vervloekt bent u, en vervloekt zult u zijn boven al de zonen van Noach, door de vervloeking waarmee wij ons met een eed verbonden hebben voor het aangezicht van de heilige Vorst, en voor het aangezicht van Noach, onze vader. 33 Maar hij hoorde niet naar hen, en hij woonde in het land van Libanon, van Hamath af tot aan de ingang van Egypte, hij en zijn zonen, tot op deze dag. 34 En hierom werd dat land het land Kanaän genoemd. 35 En Jafet en zijn zonen gingen naar de zee, en woonden in het land van hun deel; en Madai zag het land van de zee, en het behaagde hem niet voor zijn aangezicht, en hij smeekte van Elam en Assur en Arfaksad, van de broeder van zijn vrouw; en hij woonde in het land Media, nabij de broeder van zijn vrouw, tot op deze dag. 36 En hij noemde zijn woonplaats, en de woonplaats van de zonen van Media, naar de naam van Madai, hun vader. ### Jubileeën 11 1 En in het vijfendertigste jubeljaar, in de derde week, in het eerste jaar daarvan, nam Reü zich een vrouw, en haar naam was Ora, de dochter van Ur, de zoon van Kesed; en zij baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Serug, in het zevende jaar van deze week. 2 En in dit jubeljaar begonnen de zonen van Noach elkander te bevechten, om elkander gevangen te nemen en elk zijn broeder te doden, en om bloed van mensen te vergieten op de aarde, en om bloed te eten, en om sterke steden te bouwen, en muren en torens, en om de mens te verheffen boven het volk, en om het begin van koninkrijken te stichten. 3 En Ud, de zoon van Kesed, bouwde de stad Ara, die van de Chaldeeën is, en hij noemde haar naam naar zijn eigen naam en naar de naam van zijn vader. 4 En zij maakten voor zich gegoten beelden, en een ieder aanbad de afgod, het gegoten beeld dat hij voor zichzelf gemaakt had. 5 En de vorst Mastema was machtig om dit alles te doen, en hij zond door de hand van de geesten, aan hen die onder zijn hand gegeven waren, om alle dwaling en zonde en alle overtreding te bedrijven, om te bederven en te verderven en om bloed te vergieten op de aarde. 6 Daarom werd zijn naam Serug genoemd, Serug, omdat allen zich afgekeerd hadden om alle zonde te doen. 7 En hij werd groot en woonde in Ur van de Chaldeeën, dicht bij de vader van de moeder van zijn vrouw, en hij diende afgoden. 8 En zij baarde hem Nahor in het eerste jaar van deze week; en hij werd groot en woonde in Ur, in het gebied van hen van Ur van de Chaldeeën, en zijn vader leerde hem de wetenschappen van de Chaldeeën, om te wichelen en waar te zeggen naar de tekenen van de hemel. 9 En in het zevenendertigste jubeljaar, in de zesde week, in het eerste jaar daarvan, nam hij zich een vrouw, en haar naam was Ijaska, de dochter van Nestag, van de Chaldeeën; 10 en zij baarde hem Terah in het zevende jaar van deze week. 11 En de vorst Mastema zond raven en vogels, opdat zij het zaad zouden opeten dat op de aarde gezaaid werd, en om het land te verderven. 12 Daarom werd zijn naam Terah genoemd. 13 En de jaren begonnen onvruchtbaar te worden voor het aangezicht van de vogels, en al de vrucht van de bomen aten zij van de bomen met grote kracht; alleen met moeite konden zij in hun dagen een weinig redden van alle vrucht van de aarde. 14 En in dit negenendertigste jubeljaar, in de tweede week, in het eerste jaar. 15 En in het zevende jaar van deze week baarde zij hem een zoon. 16 En het kind begon de dwaling van de aarde te kennen, hoe allen afdwaalden achter gesneden beelden en achter onreinheid. 17 En hij begon te bidden tot de Schepper van alles, dat Hij hem zou redden van de dwaling van de kinderen van de mensen. 18 En de tijd van het zaad kwam, om te zaaien op de aarde. 19 En een wolk van raven kwam om het zaad op te eten, en Abram liep hun tegemoet voordat zij op de aarde neerstreken, en hij schreeuwde tegen hen voordat zij op de aarde neerzaten om het zaad op te eten, en hij zei: Daalt niet neer, keert terug naar de plaats vanwaar u bent uitgegaan; en zij keerden terug. 20 En op die dag deed hij de wolk van raven zeventigmaal terugkeren, en van al de raven bleef er niet één op al de velden waar Abram was, ja niet één. 21 En allen die met hem waren op al de velden zagen hem, terwijl hij schreeuwde, en al de raven keerden terug. 22 En in dat jaar kwamen tot hem allen die zaaiden, en hij ging met hen totdat de tijd van het zaad ten einde liep, en zij bezaaiden hun land. 23 En in het eerste jaar van de vijfde week onderwees Abram hen die het gereedschap voor de runderen maakten, de houtbewerkers, en zij maakten een werktuig op de bovenkant van de aarde, tegenover de balk van de ploeg, om daarop het zaad te leggen; en het zaad daalde daaruit neer op de schaar van de ploeg en werd verborgen in de aarde, en zij vreesden niet meer voor het aangezicht van de raven. 24 En zij deden zo op elke ploegbalk boven de aarde, en zij zaaiden en bewerkten al het land, zoals Abram hun geboden had, en zij vreesden niet meer voor de vogels. ### Jubileeën 12 1 En het gebeurde in de zesde week, in het jaar daarvan, dat Abram tot Terah, zijn vader, zei: Vader! En hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. 2 En hij zei: Wat baat en genoegen hebben wij van deze afgoden die u dient en waarvoor u zich neerbuigt? 3 Want er is in hen geen enkele geest, want zij zijn stomme beelden, en zij zijn een verleiding van het hart. Aanbidt hen niet. 4 Aanbidt de God van de hemel, die de regen doet neerdalen. 5 Waarom aanbidt u hen die geen geest in zich hebben? Want zij zijn het werk van mensenhanden, en op uw schouders draagt u hen, en u hebt geen hulp van hen, maar zij zijn een grote schande voor hen die hen maken, en een verleiding van het hart voor hen die hen aanbidden. Aanbidt hen niet. 6 En hij zei tot hem: Ook ik weet het, mijn zoon; maar wat zal ik doen met het volk, dat mij bevolen heeft voor hen te dienen? 7 En als ik hun de waarheid zeg, zullen zij mij doden, want hun ziel hangt hun aan om hen te aanbidden en te prijzen. 8 En hij sprak dit woord tot zijn twee broers, en zij werden toornig op hem, en hij zweeg. 9 En in het veertigste jubeljaar, in de tweede week, in het zevende jaar daarvan, nam Abram zich een vrouw, en haar naam was Sarai, de dochter van zijn vader, en zij werd hem tot vrouw. 10 En Haran, zijn broer, nam zich in het derde jaar van de derde week een vrouw, en zij baarde hem een zoon in het zevende jaar van deze week, en hij noemde zijn naam Lot. 11 En Nahor, zijn broer, nam zich een vrouw. 12 En in het zestigste jaar van het leven van Abram, dat is de vierde week. 13 En zij stonden 's nachts op en zochten hun goden te redden uit het midden van het vuur. 14 En Haran haastte zich om hen te redden, en het vuur laaide over hem op, en hij verbrandde in het vuur en stierf te Ur van de Chaldeeën, voor het aangezicht van Terah, zijn vader, en zij begroeven hem te Ur van de Chaldeeën. 15 En Terah ging uit van Ur van de Chaldeeën, hij en zijn zonen, om te komen in het land Libanon en in het land Kanaän, en hij woonde te Haran. 16 En in de zesde week, in het vijfde jaar daarvan, zat Abram 's nachts, in de nieuwe maan van de zevende maand, om de sterren waar te nemen van de avond tot de morgen, om te zien wat het werk van het jaar zou zijn wat de regens betreft; en hij was alleen terwijl hij zat en waarnam. 17 En een woord kwam in zijn hart, en hij zei: Al de tekenen van de sterren en de tekenen van de maan en van de zon zijn alle in de hand van God. 18 Als Hij wil, doet Hij het regenen, morgen en avond; en als Hij wil, laat Hij het niet neerdalen; en alles is in Zijn hand. 19 En hij bad in deze nacht en zei: Mijn God, mijn God, El Elyon, U alleen bent mij tot God; en U hebt alles geschapen, en het werk van Uw handen is alles wat is en bestaat, en U en Uw godheid heb ik verkoren. 20 Verlos mij uit de hand van de boze geesten die heersen over de gedachten van het hart van de mensen, en laten zij mij niet doen afdwalen van achter U, mijn God; en maak mij en mijn zaad de Uwe tot in eeuwigheid. 21 En hij zei: Zal ik terugkeren naar Ur van de Chaldeeën, die mijn aangezicht zoeken opdat ik tot hen zou wederkeren? Of zal ik hier blijven op deze plaats? Het rechte pad voor Uw aangezicht, maak dat gereed door de hand van Uw knecht, opdat hij het doe, en laat mij niet wandelen in de dwaling van mijn hart, mijn God. 22 En toen hij zijn spreken en zijn bidden voleindigd had. 23 En Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, en u zult gezegend zijn op de aarde. 24 En Ik zal u tot God zijn, en uw zoon, en de zoon van uw zoon, en al uw zaad. Vrees niet, van nu aan en tot alle geslachten van de aarde; Ik ben uw God. 25 En God zei tot mij: Open zijn mond en zijn oren, dat hij hore en spreke met zijn tong, met de tong die geopenbaard wordt; want die had opgehouden uit de mond van alle kinderen van de mensen sinds de dag van de val. 26 En ik opende zijn mond en zijn oren en zijn lippen, en ik begon met hem te spreken in het Hebreeuws, in de taal van de schepping. 27 En hij nam de boeken van zijn vaderen, en die waren geschreven in het Hebreeuws, en hij schreef ze over, en hij begon ze van toen af te bestuderen, en ik maakte hem alles bekend wat hem te moeilijk was. 28 In het zevende jaar van de zesde week sprak hij met zijn vader, en maakte hem bekend dat hij van Haran zou gaan om naar het land Kanaän te gaan, het te zien, en tot hem terug te keren. 29 En Terah, zijn vader, zei tot hem: Ga in vrede. Moge de God van de eeuwen uw weg recht maken, en God zij met u en behoede u voor alle kwaad. 30 En als u een land ziet dat aangenaam is voor uw ogen om daarin te wonen, kom dan en neem mij tot u, en neem Lot met u, de zoon van Haran, uw broer, tot u als zoon; God zij met u. 31 En Nahor, uw broer, laat bij mij achter totdat u in vrede terugkeert; en wij zullen allen tezamen met u gaan. ### Jubileeën 13 1 En Abram trok van Haran, en hij nam Sarai, zijn vrouw. 2 En hij zag, en zie, het land was zeer aangenaam, van de ingang van Hamath tot aan de hoge eik. 3 En God zei tot hem: Aan u en aan uw zaad zal Ik dit land geven. 4 En hij bouwde daar een altaar, en hij bracht daarop een brandoffer aan God, die hem verschenen was. 5 En hij brak op vandaar naar de berg Bethel, die naar de zee toe ligt, met Ai naar het oosten, en hij spande daar zijn tent. 6 En hij zag, en zie, het land was zeer wijd en goed, en alles groeide daarop: wijnstokken en vijgen en granaatappels, eiken en terebinten, en olijfbomen, en ceders en cypressen en wierookbomen, en alle bomen van het veld, en er was water op de bergen. 7 En hij zegende God, die hem uitgeleid had van Ur van de Chaldeeën en hem gebracht had in dit gebergte. 8 En het gebeurde in het eerste jaar, in de zevende week, in de nieuwe maan van de eerste maand, dat hij een altaar bouwde op deze berg, en hij riep de naam van God aan: U bent mijn God, de eeuwige God. 9 En hij bracht op het altaar een brandoffer aan God, opdat Hij met hem zou zijn en hem niet zou verlaten al de dagen van zijn leven. 10 En hij brak op vandaar en ging naar het zuiden, en hij kwam tot Hebron; en Hebron was in die tijd gebouwd; en hij woonde daar twee jaar, en hij ging naar het land van het zuiden, totdat Lot binnenkwam. 11 En Abram ging naar Egypte in het derde jaar van de week, en hij verbleef in Egypte vijf jaar, voordat zijn vrouw hem ontroofd werd. 12 En Tanais in Egypte was in die tijd gebouwd, zeven jaar na Hebron. 13 En het gebeurde, toen Farao Sarai, de vrouw van Abram, weggenomen had, dat God Farao en zijn huis sloeg met een grote plaag, om Sarai, de vrouw van Abram. 14 En Abram was zeer rijk aan bezit: aan schapen en runderen en ezels en paarden en kamelen en dienaar en dienaressen en aan zilver en goud, buitengewoon. 15 En Farao gaf Sarai, de vrouw van Abram, terug, en zond hem weg uit het land Egypte; en hij ging naar de plaats waar hij eerder zijn tent gespannen had, naar de plaats van het altaar, met Ai ten oosten van Bethel en de zee, en hij zegende God, zijn God, die hem in vrede had teruggebracht. 16 En het gebeurde in dit eenenveertigste jubeljaar, in het derde jaar van de eerste week, dat hij terugkeerde naar deze plaats, en hij bracht daarop een brandoffer, en riep de naam van God aan: El Elyon, mijn God tot in alle eeuwigheid. 17 En in het vierde jaar van deze week scheidde Lot zich van hem af, en Lot woonde te Sodom; en de mannen van Sodom waren zeer zondig. 18 En het deed hem kwaad in zijn hart, omdat de zoon van zijn broer zich van hem afgescheiden had, want hij had geen kinderen. 19 In dat jaar, toen Lot gevangengenomen werd. 20 Want al het land dat u ziet, aan u en aan uw zaad zal Ik het geven tot in eeuwigheid. 21 Sta op en wandel door haar lengte en haar breedte, en zie alles, want aan uw zaad zal Ik het geven. 22 En in dit jaar kwam Kedor-Laomer, de koning van Elam, Amrafel, de koning van Sinear, en Ariok, de koning van Sellasar, en Tergal, de koning van de heidenen, en zij doodden de koning van Gomorra, en de koning van Sodom vluchtte. 23 En zij namen Sodom en Adama en Seboïm gevangen, en zij namen ook Lot gevangen, de zoon van de broer van Abram, met al zijn bezit, en hij ging tot aan Dan. 24 En er kwam een die ontkomen was, en hij vertelde het aan Abram, dat de zoon van zijn broer gevangengenomen was. 25 En hij bewapende de knechten van zijn huis, en Abram ging en versloeg Kedor-Laomer, en keerde terug, en zonderde een tiende af van alles, en gaf het aan Melchizedek. 26 En voor deze wet was er geen bepaalde tijd van de dagen, want als een eeuwig geslacht heeft Hij haar verordend, dat zij een tiende van alles aan God zouden geven, van het zaad en van de wijn en van de olie en van de runderen en van de schapen. 27 En hij gaf het aan zijn priesters, om te eten en te drinken met vreugde voor Zijn aangezicht. 28 En de koning van Sodom kwam tot hem en boog zich voor hem neer en zei: Onze heer Abram, schenk ons de zielen die u bevrijd hebt, maar de buit, die zij voor u. 29 En Abram zei tot hem: Ik hef mijn handen op tot El Elyon, dat ik van een draad tot een schoenriem niets zal nemen van al wat het uwe is, opdat u niet zou zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt. ### Jubileeën 14 1 En na deze dingen, in het vierde jaar van deze week, in de nieuwe maan van de derde maand, kwam het woord van God tot Abram in een droom, zeggende: Vrees niet, Abram; Ik ben uw schild, en uw loon zal zeer groot zijn. 2 En hij zei: Heere, Heere, wat zult U mij geven? Ik ga immers heen zonder kinderen, en de zoon van Maseq, mijn dienstmaagd, dat is Damascus Eliëzer, hij zal mij erven; en aan mij hebt U geen zaad gegeven; geef mij zaad. 3 En Hij zei tot hem: Deze zal u niet erven, maar hij die uit uw lichaam voortkomt, die zal u erven. 4 En Hij leidde hem naar buiten en zei tot hem: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als u ze tellen kunt. 5 En hij zag naar de hemel en zag de sterren, en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn. 6 En hij geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 7 En Hij zei tot hem: Ik ben God, die u uitgeleid heeft van Ur van de Chaldeeën, om u het land van de Kanaänieten te geven tot een bezitting tot in eeuwigheid, en om u tot God te zijn, en aan uw zaad na u. 8 En hij zei: Heere, Heere, waaraan zal ik weten dat ik het beërven zal? 9 En Hij zei tot hem: Neem Mij een vaars van drie jaar, en een geit van drie jaar, en een ram van drie jaar, en een tortelduif en een jonge duif. 10 En hij nam dit alles in het midden van de maand; en hij verbleef bij de eik van Mamre, die dicht bij Hebron is. 11 En hij bouwde daar een altaar, en hij slachtte dit alles, en goot hun bloed op het altaar, en deelde hen middendoor, en legde hun delen tegenover elkander, elk tegenover het andere; maar de vogels deelde hij niet. 12 En de vogels daalden neer op de stukken, en Abram weerde hen, en liet niet toe dat de vogels hen aanraakten. 13 En het gebeurde, toen de zon onderging, dat een verschrikking op Abram viel, en zie, een grote donkere ontzetting viel op hem, en tot Abram werd gezegd: Weet zeker, dat uw zaad een vreemdeling zal zijn in een vreemd land, en men zal hen dienstbaar maken en verdrukken, vierhonderd jaar. 14 En ook het volk waaraan zij dienstbaar zullen zijn, Ik zal voor hen richten. 15 En u zult tot uw vaderen gaan in vrede, en u zult begraven worden in goede ouderdom. 16 En in het vierde geslacht zullen zij hierheen terugkeren, want de zonde van de Amorieten is tot nu toe nog niet vol geworden. 17 En hij ontwaakte uit de slaap en stond op, en de zon was ondergegaan, en er was een vlam, en zie, een oven rookte, en een vlam van vuur ging tussen de stukken door. 18 En op die dag sloot God een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, aan de Keneëten en de Kenizzieten en de Kadmonieten en de Ferezieten en de Refaïeten en de Fakorieten en de Hevieten. 19 En de dag ging voorbij, en hij offerde. 20 En in deze nacht sloten wij een verbond met Abram, zoals het verbond dat wij in deze maand met Noach gesloten hadden. 21 En Abram verheugde zich en maakte dit alles bekend aan Sarai, zijn vrouw. 22 En Sarai gaf Abram, haar man, raad, en zei tot hem: Ga in tot Hagar, mijn dienstmaagd, de Egyptische; misschien zal ik uit haar voor u zaad bouwen. 23 En Abram hoorde naar de stem van Sarai, zijn vrouw, en zei tot haar: Doe zo. 24 En hij ging tot haar in, en zij werd zwanger en baarde een zoon. ### Jubileeën 15 1 En in het vijfde jaar van de vierde week van dit jubeljaar, in de derde maand, in het midden van de maand, hield Abram het feest van de eerstelingen van de oogst van het gezaaide tarwe. 2 En hij bracht een nieuw offer op het altaar, de eerstelingen van het koren, aan God. 3 En God verscheen aan Abram, en God zei tot Abram: Ik ben El Shaddai; wees welbehaaglijk voor Mijn aangezicht en wees volmaakt. 4 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u zeer vermenigvuldigen. 5 En Abram viel op zijn aangezicht, en God sprak met hem en zei: 6 Zie, Mijn verbond is met u, en u zult de vader zijn van vele volken. 7 En uw naam zal niet meer Abram genoemd worden, maar uw naam zal van nu aan en tot in eeuwigheid Abraham zijn, want tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld. 8 En Ik zal u zeer groot maken. 9 En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun generaties, tot een eeuwig verbond, opdat Ik u tot God zou zijn, en aan uw zaad na u. 10 En Ik zal aan u en aan uw zaad na u geven het land waar u als vreemdeling verbleven hebt, het land Kanaän, dat u in eeuwigheid zult regeren, en Ik zal hun tot God zijn. 11 En God zei tot Abraham: En u, houd Mijn verbond, u en uw zaad na u; besnijdt elke man onder u, en besnijdt uw voorhuiden, en het zal een teken zijn van Mijn verbond, dat eeuwig is, tussen Mij en tussen u. 12 En de knaap zult u op de achtste dag besnijden, elke man in uw generaties, de in het huis geborene. 13 De besnijdenis: besneden zal worden die in uw huis geboren is, en die u met goud gekocht hebt, zij zullen besneden worden. 14 En de onbesnedene, van wie het voorhuidsvlees niet besneden is op de achtste dag, die ziel zal uitgeroeid worden uit haar geslacht, want hij heeft Mijn verbond verbroken. 15 En God zei tot Abraham: Sarai, uw vrouw, haar naam zal niet meer Sarai genoemd worden, want Sara zal haar naam zijn. 16 En Ik zal haar zegenen, en Ik zal u uit haar een zoon geven, en Ik zal hem zegenen, en hij zal tot een volk worden, en koningen van de volken zullen uit hem voortkomen. 17 En Abraham viel op zijn aangezicht en verheugde zich, en zei in zijn hart: Zal aan een die honderd jaar oud is een zoon geboren worden, en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren? 18 En Abraham zei tot God: Och, dat Ismaël voor Uw aangezicht mocht leven! 19 En God zei: Ja. 20 En ook wat Ismaël betreft heb Ik u verhoord, en zie, Ik zal hem zegenen en groot maken en zeer vermenigvuldigen. 21 En Mijn verbond zal Ik oprichten met Izak, die Sara u zal baren op deze tijd, in het volgende jaar. 22 En toen Hij geëindigd had met hem te spreken, voer God op van boven Abraham. 23 En Abraham deed gelijk God tot hem gezegd had, en hij nam Ismaël, zijn zoon, en al wie in zijn huis geboren was, en die hij met goud gekocht had, al wat mannelijk was in zijn huis, en hij besneed het vlees van hun voorhuid. 24 En op deze zelfde dag werd Abraham besneden, en de in zijn huis geborene, en de mannen van zijn huis, en allen die hij met goud gekocht had; en ook uit de kinderen van de vreemdelingen werden zij met hem besneden. 25 En deze wet is voor alle geslachten in eeuwigheid, en er is geen wisseling van de dagen voor de besnijdenis. 26 En al wie geboren wordt, van wie het voorhuidsvlees niet besneden is tegen de achtste dag, is niet uit de kinderen van het verbond dat God met Abraham gesloten heeft, want zij zijn uit de kinderen van het verderf. 27 Want zij zijn allen engelen van het aangezicht. 28 En u, gebied de kinderen van Israël, dat zij dit teken van het verbond onderhouden voor hun generaties, tot een eeuwige inzetting, en zij zullen niet uitgeroeid worden van de aarde. 29 Want het gebod is verordend voor het verbond, opdat zij het in eeuwigheid zouden onderhouden. 30 Want Ismaël en zijn zonen en zijn broeders en Ezau, God bracht hen niet nabij Zich, en Hij verkoos hen niet, want zij zijn uit de kinderen van Abraham, want Hij kende hen; maar Israël verkoos Hij, opdat zij Hem tot een volk zouden zijn. 31 En Hij heiligde hen en vergaderde hen uit alle kinderen van de mensen. 32 En over Israël stelde Hij niemand tot heerser, geen engel en geen geest. 33 En nu, ik maak u bekend, dat de kinderen van Israël tegen deze inzetting ontrouw zullen zijn, en zij zullen hun kinderen niet besnijden naar heel deze wet; want wat het vlees van hun besnijdenis betreft, zullen zij nalatig zijn in de besnijdenis van hun kinderen, en al de kinderen van Belial zullen hun kinderen onbesneden laten gelijk zij geboren zijn. 34 En er zal een grote toorn zijn over de kinderen van Israël van God, omdat zij Zijn verbond verlaten hebben, en van Zijn woord zijn afgeweken, en overtreden en gelasterd hebben, omdat zij Zijn inzetting van dit teken niet volbracht hebben. ### Jubileeën 16 1 En op de nieuwe maan van de vierde maand verschenen wij aan Abraham, bij de terebint van Mamre, en wij spraken met hem, en wij maakten hem bekend dat hem een zoon zou gegeven worden uit Sara, zijn vrouw. 2 En Sara lachte, want zij hoorde dat wij dit woord met Abraham spraken. 3 En wij zeiden haar de naam van haar zoon, gelijk het verordend en geschreven is in de tafelen van de hemel: Izak. 4 En toen wij op de vastgestelde tijd tot haar terugkeerden, ontving zij een zoon. 5 En in deze maand voltrok God Zijn oordeel over Sodom en Gomorra en Zeboïm en over heel de streek van de Jordaan, en Hij verbrandde hen met vuur en zwavel, en vernietigde hen tot op deze dag. 6 En evenzo zal God oordeel voltrekken op de plaatsen waar zij handelen naar de onreinheid van Sodom, zoals het oordeel van Sodom. 7 Maar Lot verlosten wij, want God gedacht aan Abraham, en Hij bracht hem uit het midden van de ondergang. 8 En hij en zijn dochters bedreven zonde op de aarde, zoals er niet geweest was op de aarde vanaf de dagen van Adam tot op zijn tijd, want de man lag bij zijn dochter. 9 En zie, het werd geboden en gegraveerd aangaande al zijn zaad op de tafelen van de hemel, om hen weg te nemen en uit te roeien, en om hun oordeel te voltrekken gelijk het oordeel van Sodom, en om hem geen zaad van de mens op de aarde over te laten op de dag van het oordeel. 10 En in deze maand vertrok Abraham uit Hebron, en hij ging en woonde tussen Kades en Sur, in de bergen van Gerar. 11 En in het midden van de vijfde maand vertrok hij vandaar en woonde bij de Put van de Eed. 12 En in het midden van de zesde maand bezocht God Sara en deed haar gelijk Hij gezegd had. 13 En zij ontving en baarde een zoon in de derde maand, in het midden van de maand, op de tijd die God tot Abraham gesproken had; op het feest van de eerstelingen van de oogst werd Izak geboren. 14 En Abraham besneed hem toen hij acht dagen oud was; hij was de eerste die besneden werd naar het verbond dat voor eeuwig verordend is. 15 En in het zesde jaar van de vierde week kwamen wij tot Abraham, bij de Put van de Eed, en wij verschenen aan hem, gelijk wij tot Sara gezegd hadden dat wij tot haar zouden terugkeren; en ook zij ontving een zoon. 16 En wij keerden terug in de zevende maand, en wij vonden Sara zwanger voor ons aangezicht; en wij zegenden haar en verkondigden haar al wat aangaande hem verordend was: dat hij niet zou sterven totdat hij nog zes zonen zou verwekken, en hen zou zien voordat hij stierf. 17 En al het zaad van zijn zonen zou tot heidenen worden en onder de heidenen gerekend worden. 18 Want hij zou het deel van de Allerhoogste worden, en onder de heerschappij van God was al zijn zaad gekomen, opdat het voor God een volk ten eigendom zou zijn boven alle volken, en opdat het een koninkrijk en een priesterschap en een heilig volk zou zijn. 19 En wij gingen onze weg, en wij verkondigden aan Sara al wat wij hem gezegd hadden, en zij beiden verheugden zich met zeer grote vreugde. 20 En hij bouwde daar een altaar voor God, die hem verlost had en die hem deed verheugen in het land van zijn omzwerving. 21 En hij bouwde loofhutten voor zichzelf en voor zijn knechten op dit feest, en hij was de eerste die het loofhuttenfeest op de aarde vierde. 22 En gedurende deze zeven dagen offerde hij dag aan dag op het altaar een brandoffer voor God: twee runderen en twee rammen, zeven schapen, één jonge geitenbok, tot een zondoffer, om daarmee verzoening te doen voor zichzelf en voor zijn zaad. 23 En tot een dankoffer zeven rammen en zeven geitebokjes en zeven schapen en zeven bokken, met hun voedseloffers en hun drankoffers; en al hun vet deed hij op het altaar in rook opgaan. 24 En 's morgens en 's avonds deed hij welriekend reukwerk in rook opgaan: galban en stakte en nardus en mirre en aromatische aar en kostwortel, deze zeven; dit alles offerde hij, fijngestoten, in gelijke maat, tezamen vermengd, rein. 25 En hij vierde dit feest zeven dagen, terwijl hij zich verheugde met heel zijn hart en met heel zijn ziel, hij en allen die van zijn huis waren; en er was geen vreemdeling bij hem, noch iemand die onbesneden was. 26 En hij zegende zijn Schepper, die hem geschapen had in zijn geslacht, want naar Zijn welbehagen had Hij hem geschapen; want hij wist en verstond dat uit hem de plant van de gerechtigheid zou opkomen voor de eeuwige geslachten, en uit hem een heilig zaad, opdat het zou worden gelijk Hij die alles gemaakt heeft. 27 En hij zegende en verheugde zich, en hij noemde de naam van dit feest het feest van God, een vreugde welbehaaglijk aan God, de Allerhoogste. 28 En wij zegenden hem voor eeuwig, en al het zaad na hem in al de geslachten van de aarde, omdat hij dit feest op zijn tijd gevierd had, naar het getuigenis van de tafelen van de hemel. 29 Daarom werd het op de tafelen van de hemel verordend aangaande Israël, dat zij vierders van het loofhuttenfeest zouden zijn, zeven dagen met vreugde, in de zevende maand, welbehaaglijk voor het aangezicht van God, een eeuwige inzetting in hun generaties, elk jaar en jaar op jaar. 30 En hieraan is geen grens van dagen gesteld, want voor eeuwig is het verordend over Israël, dat zij het zouden vieren en in loofhutten wonen, en kransen op hun hoofd zetten, en loofrijke takken en wilgen uit de beek nemen. 31 En Abraham nam palmtakken en de vrucht van een goede boom, en elke dag, dag aan dag, ging hij rondom het altaar met de takken, zevenmaal per dag in de morgen; en hij prees en dankte zijn God voor alle dingen in vreugde. ### Jubileeën 17 1 En in het eerste jaar van de vijfde week werd Izak gespeend in dit jubeljaar, en Abraham maakte een grote maaltijd in de derde maand, op de dag dat zijn zoon Izak gespeend werd. 2 En Ismaël, de zoon van Hagar, de Egyptische, was voor het aangezicht van Abraham, zijn vader, op zijn plaats; en Abraham verheugde zich en zegende God, want hij had zijn zonen gezien en was niet gestorven zonder kinderen. 3 En hij gedacht aan het woord dat Hij tot hem gesproken had op de dag dat Lot van hem gescheiden werd. 4 En Sara zag Ismaël spelen en dansen, en Abraham zich verheugen met grote vreugde, en zij werd jaloers op Ismaël. 5 En de zaak was grievend voor de ogen van Abraham, vanwege zijn dienstmaagd en vanwege zijn zoon, dat hij hen van zich zou wegdrijven. 6 En God zei tot Abraham: Laat er geen verdriet zijn voor uw ogen vanwege het kind en vanwege de dienstmaagd; alles wat Sara tot u zegt, luister naar haar woord en doe het, want in Izak zal voor u een naam en zaad genoemd worden. 7 En wat de zoon van deze dienstmaagd betreft, tot een groot volk zal Ik hem maken, want hij is van uw zaad. 8 En Abraham stond vroeg op in de morgen en nam broden en een zak water, en laadde ze op Hagar en op het kind, en zond haar weg. 9 En zij ging en dwaalde rond in de woestijn van Berseba, en het water uit de zak raakte op, en het kind kreeg dorst en kon niet meer voortgaan en viel neer. 10 En zijn moeder nam hem op, en terwijl zij ging, legde zij hem neer onder een olijfboom; en zij ging en zat tegenover hem, ongeveer een boogschot ver, want zij zei: Laat mij de dood van mijn kind niet aanzien. En terwijl zij daar zat, huilde zij. 11 En een engel van God, een van de heiligen, zei tot haar: Wat weent u, u Hagar? Sta op, neem het kind en houd het vast bij uw hand, want God heeft uw stem gehoord en het kind gezien. 12 En zij opende haar ogen en zag een put met water, en zij ging en vulde haar zak met water en gaf haar kind te drinken. 13 En het kind groeide op en werd een boogschutter, en God was met hem; en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit de dochters van Egypte. 14 En zij baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Nebajot, want zij zei: JAHWEH was nabij mij toen ik Hem aanriep. 15 En het gebeurde in de zevende week, in het eerste jaar, in de eerste maand, in dit jubeljaar, op de twaalfde van deze maand, dat er stemmen in de hemelen waren aangaande Abraham. 16 En de vorst Mastema kwam en zei voor het aangezicht van God: Zie, Abraham heeft Izak, zijn zoon, lief en verheugt zich in hem boven alles. 17 En God wist dat Abraham getrouw was in elke benauwdheid waarvan Hij tot hem sprak; want Hij had hem beproefd in zijn land en met honger, en had hem beproefd met de rijkdom van de koningen. 18 En in alles waarmee Hij hem beproefde, werd hij getrouw bevonden, en zijn ziel werd niet ongeduldig en hij talmde niet het te doen, want hij was getrouw en een liefhebber van God. ### Jubileeën 18 1 En God zei tot hem: Abraham, Abraham; en hij zei: Zie, hier ben ik. 2 En Hij zei tot hem: Neem uw geliefde zoon, die u liefhebt, Izak, en ga naar het hoge land, en offer hem op een van de bergen die Ik u wijzen zal. 3 En hij stond vroeg op in de morgen en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich mee, en Izak zijn zoon, en hij kloofde het hout voor het brandoffer, en ging naar de plaats op de derde dag. 4 En hij kwam tot een put met water, en hij zei tot zijn knechten: Blijft hier met de ezel, en ik en de jongen zullen heengaan; en wanneer wij aangebeden hebben, zullen wij tot u terugkeren. 5 En hij nam het hout van het brandoffer en legde het op Izak zijn zoon, en hij nam in zijn hand het vuur en het mes. 6 En Izak zei tot zijn vader: Vader. 7 En hij zei: God zal voor Zichzelf een lam tot brandoffer voorzien, mijn zoon. 8 En hij bouwde een altaar, en legde het hout op het altaar, en bond Izak zijn zoon, en legde hem op het hout dat boven op het altaar was, en strekte zijn hand uit om het mes te nemen, om Izak zijn zoon te slachten. 9 En ik stond voor zijn aangezicht en voor het aangezicht van de vorst Mastema, en God zei: Zeg hem dat hij zijn hand niet op het kind neerlegt en dat hij hem niets aandoet, want Ik heb geweten dat hij godvrezend is. 10 Ik riep tot hem uit de hemel en zei tot hem: Abraham; en hij ontstelde en zei: Zie, hier ben ik. 11 En ik zei tot hem: Strek uw hand niet uit tegen het kind en doe hem niets, want nu heb Ik geweten dat u godvrezend bent, en u hebt uw zoon, uw eerstgeborene, niet voor Mij gespaard. 12 En de vorst Mastema werd beschaamd. En Abraham hief zijn ogen op en zag, en zie, een ram, vastgehouden bij zijn horens, kwam aan; en Abraham ging en nam de ram en offerde hem tot brandoffer in de plaats van zijn zoon. 13 En Abraham noemde die plaats: God heeft gezien, zodat men zegt: God heeft gezien; dat is de berg Sion. 14 En God riep Abraham een tweede maal bij zijn naam uit de hemel, zoals Hij ons deed verschijnen om tot hem te spreken in de naam van God. 15 En Hij zei: Bij Mijzelf heb Ik gezworen, zegt JAHWEH, omdat u deze zaak gedaan hebt en uw zoon, uw eerstgeborene, die u liefhebt, niet voor Mij gespaard hebt: 16 in uw zaad zullen alle heidenen van de aarde gezegend worden, omdat u naar Mijn stem geluisterd hebt. 17 En Abraham ging tot zijn knechten, en zij stonden op en gingen tezamen naar Berseba. 18 En hij vierde dit feest elk jaar, zeven dagen met vreugde, en hij noemde het het feest van God, naar de zeven dagen waarin hij ging en in vrede terugkeerde. 19 En zo is het verordend en geschreven op de tafelen van de hemel aangaande Israël en zijn zaad, om dit feest zeven dagen te vieren als een feest met vreugde. ### Jubileeën 19 1 En in het eerste jaar van de eerste week in het tweeënveertigste jubeljaar keerde Abraham terug en woonde tegenover Hebron—dat is Kirjat-Arba—twee weken van jaren. 2 En in het eerste jaar van de derde week van dit jubeljaar werden de dagen van het leven van Sara vervuld, en zij stierf in Hebron. 3 En Abraham ging om over haar te huilen en haar te begraven. 4 Want met geduld van geest sprak hij met de kinderen van Heth, dat zij hem een plaats zouden geven om zijn dode daarin te begraven. 5 En God gaf hem genade voor het aangezicht van allen die hem zagen. 6 En ook zij smeekten hem, zeggende: Wij zullen het u om niet geven; maar hij nam het niet om niet uit hun hand, want hij gaf de prijs van de plaats, zilver ten volle. 7 En al de dagen van het leven van Sara waren honderdzevenentwintig; deze zijn twee jubeljaren en vier weken en één jaar—dit zijn de dagen van de jaren van het leven van Sara. 8 En dit is de tiende beproeving waarmee Abraham beproefd werd, en hij werd getrouw bevonden, geduldig van geest. 9 En hij sprak geen woord aangaande het gerucht over het land, dat God gezegd had dat Hij het hem en zijn zaad na hem zou geven. 10 En in het vierde jaar nam hij voor Izak zijn zoon een vrouw, en haar naam was Rebekka, de dochter van Betuël, de zoon van Nahor, de broeder van Abraham, de zuster van Laban; en Betuël bracht de Betuëlieten voort, hij die de zoon was van Milka, de vrouw van Nahor, de broeder van Abraham. 11 En Abraham nam zich een derde vrouw, en haar naam was Ketura, uit de kinderen die in zijn huis geboren waren, nadat Hagar gestorven was vóór Sara. 12 En zij baarde hem zes zonen: Zimran en Joksan en Medan en Midian en Jisbak en Suah, in de twee weken van jaren. 13 En in de zesde week, in haar tweede jaar, baarde Rebekka aan Izak twee zonen, Jakob en Ezau; en Jakob was volkomen en oprecht, maar Ezau was een ruw man en een man van het veld en harig; en Jakob woonde in tenten. 14 En de jongemannen werden groot, en Jakob leerde het schrift, maar Ezau leerde het niet, want hij was een man van het veld en een jager, en hij leerde de strijd, en al zijn werk was ruw. 15 En Abraham had Jakob lief, maar Izak had Ezau lief. 16 En Abraham zag het werk van Ezau, en hij wist dat in Jakob voor hem een naam en zaad genoemd zou worden. 17 En hij zei tot haar: Mijn dochter, waak over mijn zoon Jakob, want hij zal in mijn plaats zijn op de aarde, en tot een zegen in het midden van de kinderen van de mensen, en tot de heerlijkheid van al het zaad van Sem. 18 Want ik weet dat God hem zal verkiezen om voor Zichzelf een bestendig volk te zijn, boven allen die op het aangezicht van de aarde zijn. 19 En zie, Izak mijn zoon heeft Ezau meer lief dan Jakob, maar ik zie dat u Jakob werkelijk liefhebt. 20 En voeg nog toe aan uw goedheid tegenover hem, en laat uw ogen in liefde op hem zijn. 21 Laat uw handen sterk zijn, en laat uw hart zich verheugen in uw zoon Jakob. 22 Als een mens het zand van de aarde kan tellen, zo zal ook zijn zaad geteld worden. 23 En al de zegeningen waarmee God mij en mijn zaad gezegend heeft, zullen aan Jakob en aan zijn zaad toebehoren, al de dagen. 24 En in zijn zaad zal mijn naam gezegend worden, en de naam van mijn vaderen, Sem en Noach en Henoch en Mahalaleël en Enos en Set en Adam. 25 En zij zullen zijn tot het grondvesten van de hemel, en tot het bevestigen van de aarde, en tot het vernieuwen van al de lichten die op het uitspansel zijn. 26 En hij riep Jakob voor de ogen van Rebekka, zijn moeder, en hij kuste hem en zegende hem en zei: 27 Mijn zoon Jakob, geliefde, die mijn ziel liefheeft, God zegene u van boven het uitspansel, en Hij geve u al de zegeningen waarmee Hij Adam en Henoch en Noach en Sem gezegend heeft, en alles wat Hij tot mij gesproken heeft. 28 En laten de geesten van Mastema niet heersen over u en over uw zaad, om u weg te trekken van achter God, die uw God is, van nu aan en tot in eeuwigheid. 29 En God JAHWEH zij u tot een vader, en u tot een eerstgeboren zoon, en tot een volk al de dagen. 30 En zij beiden gingen tezamen uit van bij Abraham. 31 En Rebekka had Jakob lief met heel haar hart en met heel haar ziel, veel meer dan Ezau; maar Izak had Ezau veel meer lief dan Jakob. ### Jubileeën 20 1 En in het tweeënveertigste jubeljaar, in het eerste jaar van de zevende week, riep Abraham Ismaël en zijn twaalf zonen, en Izak en zijn twee zonen, en de zes zonen van Ketura en hun kinderen. 2 En hij gebood hun dat zij de weg van God zouden houden, om gerechtigheid te doen, en dat de een de ander, zijn naaste, zou liefhebben, en dat zij evenzo zouden zijn te midden van allen, dat de een tegenover de ander zou wandelen, om recht en gerechtigheid te doen op de aarde. 3 Dat zij hun zonen zouden besnijden naar het verbond dat Hij met hen gemaakt had, en dat zij niet zouden afwijken ter rechter- of ter linkerhand van al de wegen die God ons geboden heeft, en dat wij ons zouden wachten voor alle hoererij en onreinheid, en dat wij uit ons midden alle onreinheid en hoererij zouden wegdoen. 4 En zo een vrouw onder u hoereert, of een meisje, verbrandt haar met vuur; en laten zij niet ontucht plegen achter hun ogen en hun hart aan, om zich vrouwen te nemen uit de dochters van Kanaän, want het zaad van Kanaän zal uit het land uitgeroeid worden. 5 En hij vertelde hun het oordeel van de reuzen en het oordeel van Sodom, hoe zij geoordeeld werden vanwege hun boosheid, vanwege hoererij en onreinheid en bederf onder elkander; door hoererij stierven zij. 6 En ook u, wacht u voor alle hoererij en onreinheid en voor alle bezoedeling van de zonde, opdat u onze naam niet tot een vloek maakt, en heel uw leven tot een aanfluiting, en al uw zonen tot verderf door het zwaard, en u vervloekt wordt gelijk Sodom, en heel uw overblijfsel gelijk de zonen van Gomorra. 7 Ik betuig u, mijn zonen: hebt de God van de hemel lief, en hangt al Zijn geboden aan, en wandelt niet achter hun afgoden en achter hun onreinheid. 8 En maakt voor u geen gegoten goden en gesneden beelden, want het is ijdelheid. 9 Maar aanbidt de allerhoogste God, en buigt u voor Hem gedurig neer, en verwacht Zijn aangezicht te aller tijd, en doet gerechtigheid en oprechtheid voor Zijn aangezicht, opdat Hij welbehagen in u heeft en u Zijn barmhartigheid geeft en voor u regen doet neerdalen, 's morgens en 's avonds. 10 En u zult tot een zegen zijn op de aarde, en al de heidenen van de aarde zullen behagen in u hebben. 11 En hij gaf aan Ismaël en aan zijn zonen en aan de zonen van Ketura geschenken, en zond hen weg van Izak zijn zoon; en al het zijne gaf hij aan Izak zijn zoon. 12 En Ismaël en zijn zonen, en de zonen van Ketura en hun kinderen, gingen tezamen, en woonden van Paran af tot aan de ingang van Babel, in heel het land dat naar het oosten is, tegenover de woestijn. 13 En dezen vermengden zich met genen, en hun naam werd genoemd: Arabieren en Ismaëlieten. ### Jubileeën 21 1 En in het zesde jaar van de zevende week van dit jubeljaar riep Abraham Izak, zijn zoon, en gebood hem, zeggende: Ik ben oud geworden en ken de dag van mijn dood niet, want ik ben verzadigd van mijn dagen. 2 En zie, ik ben honderdvijfenzeventig jaar oud, en al de dagen van mijn leven ben ik God gedachtig geweest en heb ik met heel mijn hart getracht Zijn wil te doen en oprecht te wandelen op al Zijn wegen. 3 Mijn ziel heeft de afgoden gehaat, opdat ik mij ervan zou wachten en de wil zou doen van Hem Die mij geschapen heeft. 4 Want Hij is de levende God, en Hij is heilig en getrouw, en Hij is rechtvaardig boven alles, en bij Hem is geen aanneming van de persoon en geen aanneming van geschenken; want God is rechtvaardig en Hij oefent gericht uit over allen die Zijn gebod overtreden en die Zijn verbond verachten. 5 En u, mijn zoon, houd Zijn gebod en Zijn inzetting en Zijn recht, en wandel niet achter de onreinen, en niet achter de gesneden beelden, en niet achter de gegoten beelden. 6 En eet geen enkel bloed van dier of vee, noch van enige vogel die in de hemel vliegt. 7 En als u een slachtoffer slacht als een welbehaaglijk dankoffer, slacht het, en giet hun bloed uit op het altaar; en al het vet van het offer zult u opdragen op het altaar met meelbloem, en het voedseloffer met olie gemengd, met zijn drankoffer zult u het alles tezamen opdragen op het altaar, een offer van een liefelijke reuk voor het aangezicht van God. 8 Evenzo zult u het vet van het heilsoffer leggen op het vuur dat op het altaar is, gelijk het vet dat op de buik is, en al het vet dat op de ingewanden is, en de beide nieren, en al het vet dat daarop is; en de lendenen en de lever zult u tezamen met de nieren wegnemen. 9 En u zult dit alles opdragen tot een liefelijke reuk die welbehaaglijk is voor het aangezicht van God, met zijn voedseloffer en met zijn drankoffer, tot een liefelijke reuk, het brood van het offer voor God. 10 En eet het vlees ervan op diezelfde dag en op de volgende, en laat de zon op de tweede dag daarover niet ondergaan totdat het gegeten is, en laat er niets overblijven voor de derde dag; want het is niet welbehaaglijk en niet goedgekeurd, en het worde niet meer gegeten. 11 Op al uw offers zult u zout leggen, en laat het zout van het verbond niet ontbreken op al uw offers voor het aangezicht van God. 12 En wees op uw hoede aangaande het hout van het offer, dat u geen ander hout op het altaar brengt dan deze alleen: cipres, defran, sagad, pijnboom, spar, ceder, savenhout, palm, en de olijfboom, mirre, laurier, en de jeneverbes die arbat heet, en balsem. 13 En van deze houtsoorten zult u onder het offer op het altaar leggen die naar hun aanzien beproefd zijn, en leg geen enkel gespleten hout neer; maar sterke houtsoorten, gaaf en zonder enig gebrek, volkomen en van nieuwe groei; en leg geen oud hout neer, want zijn geur is heengegaan, want er is geen geur meer aan zoals vroeger. 14 Behalve deze houtsoorten is er geen andere die u zult neerleggen. 15 Neem deze inzetting waar en doe haar, mijn zoon, opdat u oprecht bent in al uw werk. 16 En wees te allen tijde rein aan uw lichaam, en was u met water voordat u gaat om op het altaar te offeren, en was uw handen en uw voeten voordat u tot het altaar nadert; en wanneer u het offeren voleindigd hebt, keer terug en was uw handen en uw voeten opnieuw. 17 En laat geen bloed op u verschijnen, noch op uw kleren; wees op uw hoede, mijn zoon, aangaande het bloed, wees zeer op uw hoede; bedek het met aarde. 18 En eet voortaan geen bloed, want het bloed is de ziel; eet geen enkel bloed. 19 En neem geen geschenk aan voor enig bloed van een mens, opdat het niet ongestraft, zonder gericht, vergoten worde; want het is het bloed dat vergoten wordt dat de aarde doet zondigen, en de aarde kan van het bloed van een mens niet gereinigd worden dan door het bloed van hem die het vergoten heeft. 20 En neem geen loon en geen gave voor het bloed van een mens: bloed voor bloed; en het wordt aangenomen voor het aangezicht van God, de Allerhoogste. 21 Ik zie, mijn zoon, al het werk van de kinderen van de mensen, dat het zonde en boosheid is, en al hun werken zijn onreinheid en gruwel en bezoedeling. 22 Wees op uw hoede, wandel niet in hun weg, noch treed in hun voetstappen, en zondig geen zonde tot de dood voor het aangezicht van God, de Allerhoogste. 23 Wend u af van al hun daden en van al hun onreinheid, en neem de inzetting van God, de Allerhoogste, in acht, en doe Zijn wil, en wees oprecht in alles. 24 En Hij zal u zegenen in al uw daden, en zal uit u een plant van de gerechtigheid doen opstaan in heel de aarde, in alle geslachten van de aarde; en mijn naam en uw naam zullen onder de hemel niet vergeten worden in alle dagen. 25 Ga, mijn zoon, in vrede. Moge God, de Allerhoogste, mijn God en uw God, u sterken om Zijn wil te doen; en moge Hij heel uw zaad zegenen, het overblijfsel van uw zaad, voor de geslachten van de eeuwigheid, met alle zegen van de gerechtigheid, opdat u een zegen bent in heel de aarde. 26 En hij ging van hem uit, terwijl hij zich verheugde. ### Jubileeën 22 1 En het gebeurde in de eerste week in het vierenveertigste jubeljaar, in het tweede jaar — dat is het jaar waarin Abraham stierf — dat Izak en Ismaël van de Bron van de Eed kwamen om het feest van de weken te houden — dit feest is de eerstelingen van de oogst — bij Abraham, hun vader; en Abraham verheugde zich, omdat zijn beide zonen gekomen waren. 2 Want Izak had vele bezittingen in Berseba, en Izak placht te gaan om zijn bezittingen te overzien en tot zijn vader terug te keren. 3 En in die dagen kwam Ismaël om zijn vader te zien, en zij kwamen allen tezamen, en Izak slachtte een offer tot een brandoffer en droeg het op op het altaar van zijn vader, dat hij in Hebron gemaakt had. 4 En hij bracht een dankoffer en maakte een vreugdemaal voor het aangezicht van Ismaël, zijn broeder. 5 En Izak zond ook door de hand van Jakob een uitgelezen dankoffer aan Abraham, opdat hij zou eten en drinken. 6 En hij at en dronk, en zegende God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde geschapen heeft, Die al het vette van de aarde gemaakt heeft en het aan de kinderen van de mensen gegeven heeft, opdat zij zouden eten en drinken en hun Schepper zegenen. 7 En nu breng ik U dank, mijn God, omdat U mij deze dag hebt laten zien. Zie, ik ben een zoon van honderdvijfenzeventig jaar, oud en verzadigd van dagen, en al mijn dagen zijn mij vrede geweest. 8 Het zwaard van de vijand heeft mij niet overwonnen. 9 Moge Uw barmhartigheid en Uw vrede zijn over Uw knecht en over het zaad van zijn zonen, opdat zij U tot een uitverkoren volk zijn en tot een erfdeel uit al de heidenen van de aarde, van nu aan en tot alle dagen van de geslachten van de aarde, tot alle eeuwen. 10 En hij riep Jakob en zei tot hem: Mijn zoon Jakob, moge de God van allen u zegenen en u sterken om gerechtigheid te doen en Zijn wil voor Zijn aangezicht; en moge Hij u verkiezen en uw zaad, opdat u Hem tot een volk voor Zijn erfdeel bent, naar Zijn wil in alle dagen. 11 En hij naderde en kuste hem. 12 Wees sterk voor het aangezicht van de mensen, en oefen heerschappij over heel het zaad van Seth; dan zullen uw wegen en de wegen van uw kinderen gerechtvaardigd worden, zodat zij een heilig volk worden. 13 Moge God, de Allerhoogste, u al de zegeningen geven waarmee Hij mij gezegend heeft en waarmee Hij Noach en Adam gezegend heeft; mogen zij rusten op het heilige hoofd van uw zaad, van geslacht tot geslacht en tot in eeuwigheid. 14 En moge Hij u reinigen van alle vuilheid van de onreinheid, opdat u vergeven wordt van alle overtreding en van uw zonden van de onwetendheid. 15 En moge Hij Zijn verbond met u vernieuwen, opdat u Hem tot een volk voor Zijn erfdeel bent in alle eeuwen. 16 En u, mijn zoon Jakob, gedenk mijn woord en houd de geboden van Abraham, uw vader. 17 Zij offeren hun offers aan de doden, en aanbidden de boze geesten. 18 En zij hebben geen hart om te verstaan, en hun ogen zijn niet die zien. 19 En u, mijn zoon Jakob — moge God, de Allerhoogste, u helpen, en moge de God van de hemel u zegenen en u verwijderen van hun onreinheid en van al hun dwaling. 20 Wees op uw hoede, mijn zoon Jakob, dat u geen vrouw neemt uit enig zaad van de dochters van Kanaän. 21 Want door de overtreding van Cham heeft Kanaän gedwaald, en heel zijn zaad zal van de aarde uitgeroeid worden, en heel zijn overblijfsel; en er zal niemand van hem zijn die ontkomt op de dag van het oordeel. 22 En voor allen die de afgoden dienen en voor de goddelozen is er geen hoop in het land van de levenden; want zij dalen af in het dodenrijk, en naar de plaats van het oordeel gaan zij. 23 Vrees niet, mijn zoon Jakob, en wees niet verschrikt, o zoon van Abraham; moge God, de Allerhoogste, u bewaren voor het verderf, en van elke weg van de dwaling zal Hij u verlossen. 24 Dit huis heb ik voor mijzelf gebouwd, opdat ik mijn naam daarop zou zetten op de aarde; het is aan u en aan uw zaad gegeven tot in eeuwigheid, en het zal het huis van Abraham genoemd worden. Het is aan u en aan uw zaad gegeven tot in eeuwigheid; want u zult mijn huis bouwen en mijn naam oprichten voor het aangezicht van God tot in eeuwigheid. Uw zaad en uw naam zullen bestaan in alle geslachten van de aarde. 25 En hij voleindigde, terwijl hij hem gebood en hem zegende. 26 En zij lagen beiden tezamen op één bed, en Jakob sliep aan de boezem van Abraham, de vader van zijn vader; en hij kuste hem zevenmaal, en zijn liefde en zijn hart verheugden zich over hem. 27 En hij zegende hem met heel zijn hart en zei: God, de Allerhoogste, de God van allen en Schepper van alles, Die mij uitgevoerd heeft uit Ur van de Chaldeeën, opdat Hij mij dit land zou geven om het tot in eeuwigheid te beërven, en opdat ik een heilig zaad zou oprichten, opdat het gezegend zou worden tot in eeuwigheid. 28 En hij zegende Jakob: Mijn zoon, over wie ik mij met heel mijn hart en met mijn liefde verheug — moge Uw genade en Uw barmhartigheid lang over hem zijn en over zijn zaad al de dagen. 29 En verlaat hem niet, en veracht hem niet, van nu aan en tot de dagen van de eeuwigheid. 30 En zegen hem met al Uw zegeningen, van nu aan en tot al de dagen van de eeuwigheid. ### Jubileeën 23 1 En hij legde de twee vingers van Jakob op zijn ogen, en zegende de God van de goden, en bedekte zijn aangezicht, en strekte zijn voeten uit, en sliep de slaap van de eeuwigheid. 2 En bij dit alles lag Jakob aan zijn boezem, en wist niet dat Abraham, de vader van zijn vader, gestorven was. 3 En Jakob ontwaakte uit zijn slaap. 4 En hij stond op van zijn boezem en liep en vertelde het aan Rebekka, zijn moeder. 5 En Izak viel op het aangezicht van zijn vader en huilde en kuste hem. 6 En een stem werd gehoord in het huis van Abraham. 7 En zij begroeven hem in de dubbele grot, nabij Sara, zijn vrouw, zijn zonen Izak en Ismaël. 8 Drie jubeljaren en vier weken van jaren leefde hij, honderdvijfenzeventig jaar, en hij voleindigde de dagen van zijn leven, oud en verzadigd van dagen. 9 Want de dagen van de voorvaderen, van hun leven, waren negentien jubeljaren. 10 Want Abraham was volkomen in al zijn daden met God. 11 En alle geslachten die zullen opstaan van nu aan tot de grote dag van het oordeel zullen snel oud worden, voordat zij twee jubeljaren voleindigen. 12 En in die dagen, als een mens een jubeljaar en een half van jaren leeft, zullen zij van hem zeggen: Hij heeft lang geleefd; en het grootste deel van zijn dagen is pijn en moeite en benauwdheid, en er is geen vrede. 13 Want ramp op ramp, en wond op wond, en benauwdheid op benauwdheid, en boze tijding op boze tijding, en ziekte op ziekte, en allerlei boze oordelen zoals deze, het ene met het andere: ziekte en omkering, en sneeuw en rijp en ijs, en koorts en huivering en verstijving, en honger en dood en zwaard en gevangenschap. 14 En dit alles zal komen over een boos geslacht dat de aarde doet zondigen door de onreinheid van de hoererij en door bezoedeling en door de gruwel van hun werken. 15 Dan zullen zij zeggen: De dagen van de voorvaderen waren vele, tot duizend jaar toe, en goed. 16 En in dat geslacht zullen de kinderen hun vaders en hun ouderen bestraffen wegens zonde en wegens onrecht, en wegens de woorden van hun mond, en wegens de grote boosheden die zij doen. 17 Want zij allen hebben kwaad gedaan, en elke mond spreekt overtreding. 18 Zie, de aarde zal verwoest worden wegens al hun werken, en er zal geen zaad van de wijnstok zijn en geen olie; want al hun werken zijn trouweloos, en zij zullen allen tezamen vergaan, de wilde dieren en het vee en de vogels. 19 En zij zullen met elkander twisten, de jongen met de ouden en de ouden met de jongen, de arme met de rijke, de geringe met de grote, en de behoeftige met de vorst, wegens de wet en wegens het verbond; want zij hebben gebod en verbond en feest en maand en sabbat en jubeljaar en elk recht vergeten. 20 En zij zullen opstaan met zwaarden en met oorlog, om hen terug te doen keren tot de weg; maar zij zullen niet terugkeren totdat veel bloed op de aarde vergoten is, het ene door het andere. 21 En die ontkomen zullen zich niet bekeren van hun boosheid tot de weg van de gerechtigheid; want zij zullen zich allen verheffen tot bedrog en tot rijkdom, opdat een ieder alles neme wat van zijn naaste is; en zij zullen de grote naam noemen, maar niet in waarheid en niet in gerechtigheid; en zij zullen het heilige van de heiligen verontreinigen met de onreinheid van het verderf van hun bezoedeling. 22 En er zal een grote straf zijn over de werken van dat geslacht, van God; en Hij zal hen overgeven aan het zwaard, en aan het gericht, en aan de gevangenschap, en aan de plundering, en aan het verslonden worden. 23 En Hij zal tegen hen de zondaren van de heidenen opwekken, die geen barmhartigheid noch ontferming over hen hebben, en die niemands persoon ontzien, noch van de oude noch van de jonge, noch van wie ook; want zij zijn boos en sterk om kwaad te doen boven alle kinderen van de mensen. En zij zullen in Israël geweld bedrijven en overtreding tegen Jakob, en veel bloed zal op de aarde vergoten worden, en er zal niemand zijn die het bijeenbrengt en niemand die begraaft. 24 In die dagen zullen zij het uitroepen en roepen en bidden, opdat zij gered worden uit de hand van de zondaren, de heidenen; maar er zal niemand zijn die redt. 25 En de hoofden van de kinderen zullen wit worden met grijze haren, en een kind van drie weken zal oud verschijnen als een van honderd jaar, en hun gestalte zal vernietigd worden door benauwdheid en door smart. 26 En in die dagen zullen de kinderen beginnen de wetten te onderzoeken, en de geboden te zoeken, en terug te keren tot de weg van de gerechtigheid. 27 En de dagen zullen beginnen talrijk te worden en toe te nemen, en de kinderen van de mensen, geslacht na geslacht en dag na dag, totdat hun dagen naderen tot duizend jaar, en tot een groter getal van jaren dan de vele dagen tevoren. 28 En er zal geen grijsaard zijn, en niemand die niet verzadigd is van dagen; want zij zullen allen zuigelingen en kinderen zijn. 29 En al hun dagen zullen zij in vrede en in vreugde voleindigen, en zij zullen leven; en er zal geen satan zijn en niemand die boos is en die verderft; want al hun dagen zullen dagen van zegen en genezing zijn. 30 Dan zal God Zijn knechten genezen, en zij zullen opstaan en grote vrede zien, en Hij zal hun vijanden verdrijven; en de rechtvaardigen zullen het zien en dankzeggen en zich verheugen tot in alle eeuwigheid met vreugde. 31 En hun beenderen zullen rusten in de aarde. 32 En u, Mozes, schrijf deze woorden; want zo is het geschreven, en zij gaan op tot een getuigenis op de hemelse tafelen voor de geslachten van de eeuwigheid. ### Jubileeën 24 1 En het gebeurde na de dood van Abraham, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en hij stond op van Hebron en ging en woonde bij de Bron van het Gezicht in het eerste jaar van de derde week van dit jubeljaar, zeven jaren. 2 En in het jaar van de vierde week begon er een honger in het land, behalve de eerste honger die er in de dagen van Abraham geweest was. 3 En Jakob kookte een linzenmoes, en Ezau kwam hongerig van het veld, en zei tot Jakob, zijn broeder: Geef mij van dit rode moes. 4 En Ezau zei in zijn hart: Ik zal sterven; wat baat mij dit eerstgeboorterecht? En hij zei tot Jakob: Ik geef het u. 5 En Jakob zei tot hem: Zweer mij vandaag; en hij zwoer het hem. 6 En Jakob gaf zijn broeder Ezau brood en moes, en hij at totdat hij verzadigd was; en Ezau verachtte zijn eerstgeboorterecht. Daarom werd zijn naam Ezau en Edom genoemd, wegens het rode moes dat Jakob hem voor zijn eerstgeboorterecht gaf. 7 En Jakob werd de oudste, en Ezau werd van zijn waardigheid neergehaald. 8 En er was honger op het land, en Izak stond op om naar Egypte af te trekken, in het tweede jaar van deze week, en hij ging naar de koning van de Filistijnen, naar Gerar, naar Abimélech. 9 En God verscheen hem en zei tot hem: Trek niet af naar Egypte; woon in het land dat Ik u zeggen zal, en verkeer als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn en u zegenen. 10 Want aan u en aan uw zaad zal Ik heel dit land geven, en Ik zal Mijn eed bevestigen die Ik aan Abraham, uw vader, gezworen heb, en Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren van de hemel. 11 En in uw zaad zullen alle heidenen van de aarde gezegend worden, omdat uw vader Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn bevel en Mijn geboden en Mijn wetten en Mijn voorschriften en Mijn verbond gehouden heeft. 12 En hij woonde in Gerar drie weken van jaren. 13 En Abimélech gaf bevel aangaande hem en aangaande alles wat van hem was, zeggende: Elk mens die hem aanraakt of iets dat van hem is, zal zeker sterven. 14 En Izak werd groot onder de Filistijnen, en hij had vele bezittingen: runderen en schapen en kamelen en ezels en vele bezittingen. 15 En zij zaaiden in het land van de Filistijnen. 16 En al de putten die de knechten van Abraham gegraven hadden in het leven van Abraham, die stopten de Filistijnen toe na de dood van Abraham, en vulden ze met aarde. 17 En Abimélech zei tot Izak: Ga van ons weg, want u bent veel machtiger geworden dan wij. 18 En terugkerende groeven zij de waterputten uit die de knechten van Abraham, zijn vader, gegraven hadden. 19 En de knechten van Izak groeven putten in het dal, en vonden levend water; en de herders van Gerar twistten met de herders van Izak, zeggende: Dit water is van ons. 20 En zij groeven een andere put, en zij twistten ook daarover, en hij noemde haar naam Benauwdheid; en hij trok verder en groef een andere put, en zij twistten niet, en hij noemde haar naam Ruimte, en Izak zei: Nu heeft God ons ruimte gemaakt, en wij zijn vermeerderd op het land. 21 En hij ging vandaar op naar de Bron van de Eed, in het eerste jaar van de eerste week in het vierenveertigste jubeljaar. 22 En God verscheen hem in die nacht, op de nieuwe maan van de eerste maand, en zei tot hem: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet, want Ik ben met u, en Ik zal u zegenen, en Ik zal uw zaad enorm vermenigvuldigen als het zand van de aarde, ter wille van Abraham, Mijn knecht. 23 En hij bouwde daar een altaar, dat Abraham, zijn vader, vroeger gebouwd had. 24 En zij groeven een put en vonden levend water. 25 En de knechten van Izak groeven een andere put, en vonden geen water. 26 En hij noemde de naam van die plaats de Bron van de Eed, want daar had hij gezworen aan Abimélech en aan Ahuzzath, zijn metgezel, en aan Pichol, zijn wachter. 27 En Izak wist op die dag dat hij onder dwang hun gezworen had om vrede met hen te maken. 28 En Izak vervloekte op die dag de Filistijnen, en zei: Vervloekt zijn de Filistijnen tot de dag van toorn en toorn, uit het midden van alle heidenen. 29 En wie ontkomt aan het zwaard van de vijand en aan de Kittieten, moge het rechtvaardige volk hen in het gericht uitroeien van onder de hemel; want zij zullen vijanden en tegenstanders zijn voor mijn kinderen in hun dagen op de aarde. 30 En er zal hun geen overblijfsel gelaten worden, noch iemand die ontkomt op de dag van de toorn van het oordeel. 31 Want al klimt hij op tot de hemel, vandaar zal hij afdalen; en al maakt hij zich sterk op de aarde, vandaar zal hij weggesleurd worden; en al verbergt hij zich onder de heidenen, vandaar zal hij uitgeroeid worden; en al daalt hij af in het dodenrijk, daar zal zijn veroordeling groot zijn. 32 En al gaat hij in gevangenschap, door de handen van hen die zijn ziel zoeken zullen zij hem doden midden op de weg; en er zal hem geen naam noch zaad overgelaten worden in heel de aarde. 33 En zo is het geschreven en gegraveerd aangaande hem op de hemelse tafelen, om hem te doen op de dag van het oordeel, opdat hij van de aarde uitgeroeid worde. ### Jubileeën 25 1 En in het tweede jaar van deze week in dit jubeljaar riep Rebekka Jakob, haar zoon, en sprak tot hem, zeggende: Mijn zoon, neem u geen vrouw uit de dochters van Kanaän, zoals Ezau, uw broeder, die zich twee vrouwen genomen heeft uit het zaad van Kanaän; en zij hebben mijn ziel verbitterd met al hun onreine daden; want al hun daden zijn hoererij en wellust, en er is geen gerechtigheid met hen, want het is boos. 2 En ik, mijn zoon, heb u zeer bovenmate lief, en mijn hart en mijn liefde zegenen u te elke ure van de dag en waak van de nacht. 3 En nu, mijn zoon, hoor mijn stem en doe de wil van uw moeder, en neem u geen vrouw uit de dochters van dit land, maar alleen uit het huis van mijn vader, en uit het geslacht van mijn vader zult u zich een vrouw nemen; en God, de Allerhoogste, zal u zegenen, en uw geslacht zal een geslacht van de gerechtigheid zijn en uw zaad heilig. 4 En daarna sprak Jakob met Rebekka, zijn moeder, en zei tot haar: Zie, moeder, ik ben een zoon van negen weken van jaren, en ik ken geen vrouw, en heb er geen aangeraakt, en heb mij aan geen verloofd, en denk er zelfs niet aan mij een vrouw te nemen uit enig zaad van de dochters van Kanaän. 5 Want ik gedenk, moeder, het woord van Abraham, onze vader, wat hij mij geboden heeft, dat ik geen vrouw zou nemen uit enig zaad van het huis van Kanaän; want uit het zaad van het huis van mijn vader zal ik mij een vrouw nemen, en uit mijn geslacht. 6 Ik heb gehoord, moeder, tevoren, dat aan Laban, uw broeder, dochters geboren zijn, en op haar heb ik mijn hart gezet, om uit haar een vrouw te nemen. 7 En daarom heb ik mij in mijn geest gewacht, opdat ik niet zou zondigen noch verdorven worden op enige weg, al de dagen van mijn leven; want aangaande wellust en hoererij heeft mijn vader Abraham zijn geboden aan mij vermenigvuldigd. 8 Ondanks alles wat hij mij geboden heeft, heeft mijn broeder deze tweeëntwintig jaar met mij getwist en veel gesproken, zeggende tot mij: Mijn broeder, neem een vrouw, een van de zusters van mijn beide vrouwen; maar ik begeer niet te doen zoals hij gedaan heeft. 9 Ik zweer, moeder, voor u al de dagen van mijn leven dat ik mij geen vrouw zal nemen uit enig zaad van de dochters van Kanaän, en dat ik geen kwaad zal doen zoals mijn broeder gedaan heeft. 10 Vrees niet, moeder; wees verzekerd dat ik uw wil zal doen en oprecht zal wandelen, en mijn wegen tot in eeuwigheid niet zal verderven. 11 En daarna hief zij haar aangezicht op naar de hemel en spreidde de vingers van haar handen uit, en opende haar mond en zegende God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde geschapen heeft, en bracht Hem dankzegging en lof. 12 En zij zei: Gezegend zij God, en gezegend zij Zijn naam tot in alle eeuwigheid. 13 Zegen hem, o Heere, en leg in mijn mond een zegen van de gerechtigheid, opdat ik hem zegene. 14 En op dat ogenblik daalde de geest van de gerechtigheid neer in haar mond, en zij legde haar beide handen op het hoofd van Jakob, en zei: 15 Gezegend bent U, o Heere, de Rechtvaardige, hun God tot in de eeuwen; en moge Hij u zegenen boven alle geslachten van de mensen. Moge Hij u, mijn zoon, de weg van de gerechtigheid geven, en aan uw zaad de gerechtigheid openbaren. 16 En moge Hij uw kinderen vermenigvuldigen in uw leven, en mogen zij opstaan naar het getal van de maanden van het jaar; en mogen hun kinderen talrijk en groot worden boven de sterren van de hemel, en boven het zand van de zee zij hun getal. 17 Moge Hij hun dit goede land geven, gelijk Hij gesproken heeft dat Hij het aan Abraham zou geven en aan zijn zaad na hem, in alle dagen; en mogen zij het bezitten tot een eeuwige bezitting. 18 En moge ik voor u, mijn zoon, gezegende kinderen zien in mijn leven, en een gezegend zaad; en heilig zij heel uw zaad. 19 En gelijk u de geest van uw moeder verfrist hebt in haar leven, zo zegent u de schoot van haar die u gebaard heeft; mijn liefde en mijn borsten zegenen u, en mijn mond en mijn tong prijzen u enorm. 20 Vermeerder en breid u uit over de aarde, en moge uw zaad volkomen zijn in heel de wereld, in de vreugde van hemel en aarde. 21 Moge uw naam en uw zaad bestaan tot in alle eeuwen. 22 Wie u zegent, gezegend zij hij; en alle vlees dat u vals vervloekt, dat het vervloekt zij. 23 En zij kuste hem en zei tot hem: Moge de Heere van de wereld u liefhebben, zoals het hart van uw moeder en haar liefde zich in u verheugen en u zegenen. En toen hield zij op hem te zegenen. ### Jubileeën 26 1 En in het zevende jaar van deze week riep Izak Ezau, zijn oudste zoon, en zei tot hem: Mijn zoon, ik ben oud geworden, en zie, mijn ogen zijn zwak geworden om te zien, en ik weet de dag van mijn dood niet. 2 En neem nu uw jachtgereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit naar het veld en jaag voor mij en vang voor mij, mijn zoon, en maak mij een smakelijk gerecht zoals mijn ziel liefheeft, en breng het mij, opdat ik ete en mijn ziel u zegene, eer ik sterf. 3 Maar Rebekka hoorde toe terwijl Izak tot Ezau sprak. 4 En Ezau ging vroeg naar het veld om te jagen en te vangen en het aan zijn vader te brengen. 5 En Rebekka riep Jakob, haar zoon, en zei tot hem: Zie, ik heb Izak, uw vader, gehoord terwijl hij met Ezau, uw broer, sprak en zei: Jaag voor mij en maak mij een smakelijk gerecht en breng het mij, en ik zal eten en u zegenen voor het aangezicht van God, eer ik sterf. 6 En nu dan, mijn zoon, luister naar mijn stem in wat ik u gebied: Ga naar uw kudde en haal mij twee goede geitenbokjes, en ik zal daarvan een smakelijk gerecht maken voor uw vader zoals hij liefheeft, en u zult het uw vader brengen, opdat hij ete en u zegene voor het aangezicht van God, eer hij sterft. 7 En Jakob zei tot Rebekka, zijn moeder: Moeder, ik zal niets weerhouden van alles wat mijn vader eet en wat hem behaagt; maar ik vrees, mijn moeder, dat hij mijn stem zal herkennen en mij zal willen betasten. 8 En u weet dat ik glad ben en Ezau, mijn broer, ruig; en ik zal in zijn ogen zijn als een die bedrog pleegt, en ik zal een daad doen die hij mij niet geboden heeft, en hij zal toornig op mij worden, en ik zal over mijzelf een vloek brengen en geen zegen. 9 En Rebekka, zijn moeder, zei tot hem: Op mij zij uw vloek, o mijn zoon; luister slechts naar mijn stem. 10 En Jakob luisterde naar de stem van Rebekka, zijn moeder. 11 En Rebekka nam de kleren van Ezau, haar oudste zoon, de begeerlijke die bij haar in haar huis waren, en trok ze Jakob, haar jongste zoon, aan. 12 En zij gaf het toebereide gerecht en het brood dat zij gemaakt had in de hand van Jakob, haar zoon. 13 En hij ging in tot zijn vader en zei: Ik ben uw zoon; ik heb gedaan zoals u mij gezegd hebt. Sta op en ga zitten en eet van wat ik gejaagd heb, vader, opdat uw ziel mij zegene. 14 En Izak zei tot zijn zoon: Hoe hebt u het zo snel gevonden, mijn zoon? 15 En Jakob zei: Omdat uw God het mij deed vinden. 16 En Izak zei tot hem: Kom naderbij, opdat ik u betaste, mijn zoon, of u mijn zoon Ezau bent of niet. 17 En Jakob naderde tot Izak, zijn vader, en die betastte hem en zei: 18 De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Ezau. En hij herkende hem niet, want het was een beschikking uit de hemel om zijn onderscheidingsvermogen weg te nemen; en Izak merkte het niet, omdat zijn handen ruig waren als de handen van Ezau, zodat hij hem zegende. 19 En hij zei: Bent u mijn zoon Ezau? En hij zei: Ik ben uw zoon. En hij zei: Breng het bij mij, opdat ik ete van wat u gejaagd hebt, mijn zoon, opdat mijn ziel u zegene. 20 En hij bracht het bij hem, en hij at; en hij bracht hem wijn, en hij dronk. 21 En Izak, zijn vader, zei tot hem: Kom naderbij en kus mij, mijn zoon. 22 En hij rook de geur en de reuk van zijn kleren, en zegende hem en zei: Zie, de geur van mijn zoon is als de geur van een veld dat God gezegend heeft. 23 En moge God u geven en u vermenigvuldigen van de dauw van de hemel en van de dauw van de aarde, en overvloed van koren en olie voor u vermenigvuldigen. 24 Wees heer over uw broers, en laat de zonen van uw moeder zich voor u neerbuigen; en alle zegeningen waarmee God mij gezegend heeft en Abraham, mijn vader, gezegend heeft, mogen de uwe zijn en die van uw zaad tot in eeuwigheid. Wie u vervloekt, zij vervloekt, en wie u zegent, zij gezegend. 25 En het gebeurde, nadat Izak zijn zoon Jakob gezegend had, en nadat Jakob van Izak, zijn vader, was uitgegaan, dat hij zich verborg. 26 En ook hij maakte een smakelijk gerecht en bracht het aan zijn vader. 27 En Izak, zijn vader, zei tot hem: Wie bent u? En hij zei tot hem: Ik ben uw eerstgeborene Ezau, uw zoon; ik heb gedaan zoals u mij geboden hebt. 28 En Izak verbaasde zich met een zeer grote verbazing en zei: Wie is dit dan die gejaagd en voor mij gevangen en het gebracht heeft, en ik heb van alles gegeten eer u kwam, en ik heb hem gezegend? Gezegend zal hij zijn, en al zijn zaad tot in eeuwigheid. 29 En het gebeurde, toen Ezau de woorden van zijn vader Izak hoorde, dat hij schreeuwde met een groot en zeer bitter geroep, en zei tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, vader. 30 En hij zei tot hem: Uw broer is met bedrog gekomen en heeft uw zegeningen weggenomen. 31 En hij zei: Hebt u voor mij geen zegen overgelaten, vader? 32 En Ezau zei tot Izak, zijn vader: Hebt u maar één zegen die de uwe is, vader? Zegen mij, ook mij, vader. En Ezau verhief zijn stem en huilde. 34 En van uw zwaard zult u leven, en uw broer zult u dienen. 35 En Ezau bleef Jakob bedreigen vanwege de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had, en hij zei in zijn hart: Nu mogen de dagen van rouw over mijn vader komen, opdat ik Jakob, mijn broer, doden zal. ### Jubileeën 27 1 En in een droom werd aan Rebekka verteld wat Ezau, haar oudste zoon, gesproken had. 2 Zie, Ezau, uw broer, staat u naar het leven om u te doden. 3 En nu, mijn zoon, luister naar mijn stem: sta op en vlucht naar Laban, mijn broer, naar Haran, en blijf enkele dagen bij hem, totdat de toorn van uw broer zich afkeert en hij zijn toorn van u afwendt en al vergeet wat u hem aangedaan hebt; en ik zal zenden en u vandaar halen. 4 En Jakob zei: Ik ben niet bevreesd; als hij mij wil doden, zal ik hem doden. 5 En zij zei tot hem: Laat ik niet van mijn beide zonen beroofd worden op één dag. 6 En Jakob zei tot Rebekka, zijn moeder: Zie, u weet dat mijn vader oud geworden is, en ik zie dat zijn ogen zwaar zijn; en als ik hem verlaat, is het kwaad in zijn ogen, want ik zou hem verlaten en van u weggaan. 7 En Rebekka zei tot Jakob: Ik zal ingaan en tot hem spreken, en hij zal u wegzenden. 8 En Rebekka ging in en zei tot Izak: Ik walg van mijn leven vanwege de twee dochters van Heth die Ezau zich tot vrouwen genomen heeft. 9 En Izak riep Jakob, zijn zoon, en zegende hem en vermaande hem en zei tot hem: 10 Neem u geen vrouw uit alle dochters van Kanaän. Sta op, ga naar Mesopotamië, naar het huis van Bethuël, de vader van uw moeder, en neem u vandaar een vrouw uit de dochters van Laban, de broer van uw moeder. 11 En El Shaddai zegene u, doe u groot worden en vermenigvuldige u, en word een menigte van volken; en moge Hij u de zegeningen van mijn vader Abraham geven, aan u en aan uw zaad na u, opdat u het land waar u vreemdeling bent beërven zult en heel het land dat God aan Abraham gegeven heeft. Ga, mijn zoon, in vrede. 12 En Izak zond Jakob weg, en hij ging naar Mesopotamië, naar Laban, de zoon van Bethuël, de Syriër, de broer van Rebekka, de moeder van Jakob. 13 En het gebeurde, nadat Jakob was opgestaan om naar Mesopotamië te gaan, dat de geest van Rebekka bedroefd werd om haar zoon, en zij huilde. 14 En Izak zei tot Rebekka: Mijn zuster, ween niet om mijn zoon, want in vrede gaat hij heen en in vrede zal hij wederkeren. 15 De allerhoogste God zal hem behoeden voor alle kwaad en zal met hem zijn. 16 Want ik ben ervan verzekerd dat zijn wegen voorspoedig zullen zijn in alles waar hij gaat, totdat hij in vrede tot ons wederkeert en wij hem in vrede zien. 17 Vrees niet om hem, mijn zuster, want hij is oprecht op zijn weg, en hij is volmaakt, en hij is een getrouw man, en hij zal niet verloren gaan. Ween niet. 18 En Izak troostte Rebekka aangaande Jakob, haar zoon, en zegende hem. 19 En Jakob ging uit van de Bron van de Eed om naar Haran te gaan, in het eerste jaar van de tweede week in het vierenveertigste jubeljaar, en hij kwam bij Luz, dat in het gebergte ligt, dat is Bethel, op de nieuwe maan van de eerste maand van deze week; en hij kwam bij de plaats tegen de avond, en week af van de weg naar het westen van de baan in die nacht, en sliep daar, want de zon was ondergegaan. 20 En hij nam een van de stenen van die plaats en legde die onder de boom; en hij reisde alleen. 21 En hij droomde in die nacht, en zie, een ladder was op de aarde gesteld, en de top ervan reikte tot de hemel. 22 En Hij sprak met Jakob en zei: Ik ben de God van Abraham, uw vader, en de God van Izak; het land waarop u slaapt, aan u zal Ik het geven en aan uw zaad na u. 23 En uw zaad zal zijn als het zand van de aarde, en u zult u vermenigvuldigen naar het westen en het oosten en het noorden en het zuiden. 24 En zie, Ik zal met u zijn en u bewaren overal waar u gaat, en Ik zal u in dit land terugbrengen in vrede, want Ik zal u niet verlaten totdat Ik alles gedaan heb wat Ik u gezegd heb. 25 En Jakob ontwaakte uit zijn slaap en zei: Werkelijk, deze plaats is het huis van God, en ik wist het niet. En hij werd bevreesd en zei: Ontzagwekkend is deze plaats, die niets anders is dan het huis van God, en dit is de poort van de hemel. 26 En Jakob stond vroeg in de morgen op en nam de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, en richtte die op als een gedenkteken tot een teken, en goot olie op de top ervan, en noemde de naam van die plaats Bethel; maar tevoren was de naam van die streek Luz. 27 En Jakob bad een gebed tot God en zei: Als God met mij is en mij bewaart op deze weg die ik ga, en mij brood geeft om te eten en kleding om aan te trekken, en ik in vrede tot het huis van mijn vader wederkeer, dan zal God mij tot God zijn. ### Jubileeën 28 1 En hij hief zijn voeten op en ging naar het land van het oosten, naar Laban, de broer van Rebekka, en hij was bij hem en diende hem om Rachel, zijn dochter, één week. 2 En in het eerste jaar van de derde week zei hij tot hem: Geef mij mijn vrouw, om wie ik u zeven jaar gediend heb. En Laban zei tot Jakob: Ik zal u uw vrouw geven. 3 En Laban maakte een feestmaal en nam Lea, zijn oudste dochter, en gaf haar aan Jakob tot vrouw, en gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, tot dienstmaagd; maar Jakob wist het niet, want Jakob meende dat zij Rachel was. 4 En hij ging tot haar in, en zie, zij was Lea. 5 Want Jakob had Rachel meer lief dan Lea, want de ogen van Lea waren zwak, maar haar gestalte was zeer schoon; en Rachel had schone ogen en een schone gestalte en was zeer schoon. 6 En Laban zei tot Jakob: Zo doet men niet in ons land, de jongere weg te geven vóór de oudere. 7 En u, gebied het de kinderen van Israël. 8 En Laban zei tot Jakob: Laten de zeven dagen van het feest van deze voorbijgaan, en ik zal u Rachel geven, opdat u mij nog zeven jaar dient om mijn schapen te weiden, zoals u in de eerste week gedaan hebt. 9 En in de dagen toen de zeven dagen van het feest van Lea voorbij waren, gaf Laban Rachel aan Jakob, opdat hij hem nog zeven jaar zou dienen, en gaf haar Bilha, de zuster van Zilpa, tot dienstmaagd. 10 En hij diende nog zeven jaar om Rachel, want Lea was hem om niet gegeven. 11 En God opende de baarmoeder van Lea, en zij werd zwanger en baarde Jakob een zoon, en hij noemde zijn naam Ruben. 12 Maar de baarmoeder van Rachel was gesloten, want God zag dat Lea gehaat werd en Rachel bemind. 13 En Jakob ging opnieuw in tot Lea, en zij werd zwanger en baarde Jakob een tweede zoon, en hij noemde zijn naam Simeon. 14 En Jakob ging opnieuw in tot Lea, en zij werd zwanger en baarde hem een derde zoon, en hij noemde zijn naam Levi. 15 En hij ging opnieuw tot haar in, en zij baarde een vierde zoon. 16 En in dit alles benijdde Rachel Lea, want zij baarde niet. 17 En toen Rachel zag dat Lea vier zonen aan Jakob gebaard had, Ruben en Simeon en Levi en Juda, 18 ging hij in, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. 19 En Jakob ging opnieuw in tot Bilha, en zij werd zwanger en baarde Jakob een tweede zoon, en Rachel noemde zijn naam Nafthali, op de vijfde van de zevende maand, in het tweede jaar van de vierde week. 20 En toen Lea zag dat zij onvruchtbaar geworden was en niet baarde, benijdde ook zij Rachel, en zij gaf ook Zilpa, haar dienstmaagd, aan Jakob tot vrouw; en zij werd zwanger en baarde een zoon, en Lea noemde zijn naam Gad, op de twaalfde van de achtste maand, in het derde jaar van de vierde week. 21 En hij ging opnieuw tot haar in, en zij werd zwanger en baarde hem een tweede zoon, en Lea noemde zijn naam Aser, op de tweede van de elfde maand, in het vijfde jaar van de vierde week. 22 En Jakob ging in tot Lea, en zij werd zwanger en baarde Jakob een zoon, en hij noemde zijn naam Issaschar, op de vierde van de vijfde maand, in het vierde jaar van de vierde week. 23 En Jakob ging opnieuw tot haar in, en zij werd zwanger en baarde twee kinderen, een zoon en een dochter, en zij noemde de naam van de zoon Zebulon, en de naam van de dochter Dina. 24 En God was Rachel genadig en opende haar baarmoeder. 25 En in de dagen toen Jozef geboren werd, zei Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouwen en mijn kinderen, en laat mij naar mijn vader Izak gaan en mij een huis maken; want ik heb de jaren voleindigd waarin ik u gediend heb om uw twee dochters, en ik wil naar het huis van mijn vader gaan. 26 En Laban zei tot Jakob: Blijf bij mij voor uw loon, en weid mijn kudde nogmaals voor mij, en neem uw loon. 27 En zij kwamen onder elkaar overeen dat hij hem tot loon zou geven al het vee — van de lammeren en de geitenbokjes — dat zwart, gevlekt of wit geboren werd; dat zou zijn loon zijn. 28 En al de schapen wierpen gevlekte en gespikkelde en zwarte, allerlei getekende; en de schapen wierpen opnieuw die naar hun eigen aard waren; en al wat getekend was, was voor Jakob, en wat geen teken had, voor Laban. 29 En de bezittingen van Jakob namen zeer toe, en hij verkreeg runderen en schapen en ezels en kamelen en knechten en dienaressen. 30 En Laban en zijn zonen benijdden Jakob, en Laban verzamelde zijn schapen van hem weg, en bespiedde hem ten kwade. ### Jubileeën 29 1 En het gebeurde, nadat Rachel Jozef gebaard had, dat Laban ging om zijn schapen te scheren, want zij waren ver van hem, een reis van drie dagen. 2 En Jakob zag dat Laban ging om zijn schapen te scheren. 3 Want hij had hun verteld hoe hij alles in een droom gezien had, en alles wat Hij tot hem gesproken had, dat hij naar het huis van zijn vader zou wederkeren. 4 En Jakob zegende de God van Izak, zijn vader, en de God van Abraham, de vader van zijn vader. 5 En in het zevende jaar van de vierde week keerde Jakob zich naar Gilead, in de eerste maand, op de eenentwintigste daarvan; en Laban vervolgde hem achterna en achterhaalde Jakob op het gebergte van Gilead, in de derde maand, op de dertiende daarvan. 6 En God liet hem niet toe Jakob kwaad te doen, want Hij verscheen hem in een droom in de nacht; en Laban sprak tot Jakob. 7 En op de vijftiende van die dagen maakte Jakob een feestmaal voor Laban en voor allen die met hem gekomen waren; en Jakob zwoer aan Laban op die dag, en Laban ook aan Jakob, dat de een de ander niet ten kwade voorbij zou gaan op het gebergte van Gilead. 8 En hij maakte daar een vreugdefeest tot een getuigenis; daarom werd de naam van die plaats genoemd Vreugde van de Getuigenis, zulk een vreugde. 9 En tevoren noemde men het land Gilead het land van de Refaïm, want het is het land van de Refaïm. 10 En hun woonplaatsen strekten zich uit van het land van de kinderen van Ammon tot de berg Hermon, en de zetels van hun koninkrijk waren Karnaïm en Astharoth en Edreï en Misur en Beon. 11 En God vernietigde hen vanwege de boosheid van hun daden, want zij waren zeer verdrukkend. 12 En Jakob zond Laban weg, en hij ging naar Mesopotamië, het land van het oosten. 13 En hij trok de Jabbok over in de negende maand, op de elfde daarvan. 14 En in het eerste jaar van de vijfde week in dit jubeljaar trok hij de Jordaan over, en woonde aan de overzijde van de Jordaan, en weidde zijn schapen van de zee van Fachachath tot Beth-San en tot Dothan en tot het woud van Akrabbim. 15 En hij zond aan zijn vader Izak van al zijn bezittingen: kleding en voedsel en vlees en drank en melk en boter en kaas en enige dadels uit het dal. 16 En aan zijn moeder Rebekka ook viermaal per jaar, tussen de tijden van de maanden, tussen ploegen en oogsten, en tussen de najaarstijd en de regen, en tussen de winter en de zomer, naar de toren van Abraham. 17 Want Izak was teruggekeerd van de Bron van de Eed en opgegaan naar de toren van zijn vader Abraham, en woonde daar, van Ezau, zijn zoon, gescheiden. 18 Want in de dagen toen Jakob naar Mesopotamië ging, nam Ezau zich een vrouw, Mahalath, de dochter van Ismaël, en verzamelde al de kudde van zijn vader en zijn vrouwen, en trok op en woonde op de berg Seïr. 19 En Izak trok op van de Bron van de Eed en woonde in de toren van Abraham, zijn vader, op het gebergte van Hebron. 20 En vandaar zond Jakob alles wat hij aan zijn vader en zijn moeder zond, van tijd tot tijd, al wat zij nodig hadden. ### Jubileeën 30 1 En in het eerste jaar van de zesde week trok hij op naar Salem, dat ten oosten van Sichem ligt, in vrede, in de vierde maand. 2 En daar voerden zij Dina, de dochter van Jakob, weg in het huis van Sichem, de zoon van Hemor, de Heviet, de vorst van het land; en hij lag bij haar en verontreinigde haar. 3 En hij verzocht van haar vader dat zij hem tot vrouw gegeven zou worden, en van haar broers een vrouw voor hem. 4 En Simeon en Levi kwamen onverhoeds over Sichem en voltrokken het oordeel over al de mannen van Sichem, en doodden elke man die zij daarin vonden, en lieten er niet één in over; zij doodden allen met pijniging, omdat zij Dina, hun zuster, onteerd hadden. 5 En zo dan zal het van nu af niet meer gedaan worden, een dochter van Israël te verontreinigen; want in de hemel is over hen het oordeel bepaald, dat men al de mannen van Sichem met het zwaard zou verdelgen, omdat zij schande in Israël bedreven hadden. 6 En God gaf hen over in de hand van de zonen van Jakob, opdat zij hen met het zwaard uitroeiden en het oordeel over hen voltrokken. 7 En zo er een man in Israël is die zijn dochter of zijn zuster wil geven aan enig man die uit het zaad van de heidenen is, die zal zeker sterven, en zij zullen hem met stenen stenigen, want hij heeft schande in Israël bedreven. 8 En laat er geen overspeelster en geen onreinheid in Israël gevonden worden, al de dagen van de geslachten van de aarde, want Israël is heilig voor God. 9 Want zo is het bepaald en geschreven op de tafelen van de hemel aangaande al het zaad van Israël: wie verontreinigt, die zal zeker sterven, en zij zullen hem met stenen stenigen. 10 En deze wet heeft geen tijdsgrens, en geen kwijtschelding, noch enige verzoening; maar de man die zijn dochter verontreinigd heeft, zal uitgeroeid worden uit het midden van heel Israël, want hij heeft van zijn zaad aan Moloch gegeven en zich schuldig gemaakt door haar te verontreinigen. 11 En u, Mozes, gebied het de kinderen van Israël en betuig hun dat zij niet van hun dochters aan de heidenen geven, en niet van de dochters van de heidenen nemen, want het is een gruwel voor het aangezicht van God. 12 Om deze reden heb ik voor u in de woorden van de wet al de daden van de Sichemieten geschreven die zij Dina aangedaan hebben, en hoe de zonen van Jakob spraken en zeiden: Wij zullen onze dochter niet geven aan een man die onbesneden is, want dat is voor ons een smaad. 13 En het is een smaad voor Israël, voor wie geven en voor wie nemen van de dochters van de heidenen, want het is onrein en het is een gruwel voor Israël. 14 En Israël zal van deze onreinheid niet rein worden zolang het een vrouw heeft uit de dochters van de heidenen. 15 Want het zal plaag op plaag zijn, en vloek op vloek, en elk oordeel en plaag en vloek zal komen. 16 En er is geen aanzien van de persoon, en geen begunstiging van het aangezicht, en er wordt niets uit zijn hand aangenomen: vrucht en offer en brandoffer en vet en de geur van een lieflijke reuk, dat men het zou aanvaarden. 17 Om deze reden heb ik u geboden en gezegd: Betuig deze getuigenis over Israël. 18 En het zaad van Levi werd uitverkoren tot het priesterschap en tot Levieten, opdat zij zouden dienen voor het aangezicht van God, zoals wij, al de dagen. 19 En zo schrijven zij voor hem als een getuigenis op de tafelen van de hemel zegen en gerechtigheid voor het aangezicht van de God van allen. 20 En wij gedenken de gerechtigheid die de man in zijn leven volbracht heeft, in alle tijden van het jaar; tot duizend geslachten schrijven zij het op, en het komt over hem en over zijn geslachten na hem, en hij wordt op de tafelen van de hemel opgeschreven als een vriend en een rechtvaardige. 21 Al dit woord heb ik voor u geschreven en u geboden dat u het de kinderen van Israël zult zeggen, opdat zij geen overtreding zouden bedrijven, noch de inzetting overtreden, noch het verbond breken dat voor hen bepaald is, maar het volbrengen en als vrienden opgeschreven worden. 22 Maar zo zij overtreden en handelen naar enige van de wegen van de onreinheid, zullen zij op de tafelen van de hemel als vijanden opgeschreven worden, en zij zullen uit het boek van het leven uitgewist worden, en opgeschreven worden in het boek van hen die vernietigd worden, en met hen die uitgeroeid worden van de aarde. 23 En op de dag toen de zonen van Jakob Sichem doodden, werd voor hen een geschrift in de hemel opgeschreven, dat zij gerechtigheid en oprechtheid en wraak op de zondaren gedaan hadden, en het werd tot een zegen opgeschreven. 24 En zij brachten Dina, hun zuster, uit het huis van Sichem, en namen als buit alles wat in Sichem was: hun schapen en hun runderen en hun ezels en al hun goederen en al hun kudden, en brachten alles tot Jakob, hun vader. 25 En hij sprak met hen omdat zij de stad met het zwaard geslagen hadden, want hij vreesde voor hen die in het land woonden, de Kanaänieten en de Ferezieten. 26 En de schrik van God was over al de steden die rondom Sichem waren, en zij stonden niet op om de zonen van Jakob te vervolgen, want ontzetting was op hen gevallen. ### Jubileeën 31 1 En op de nieuwe maan van de maand sprak Jakob tot al de mensen van zijn huis en zei: Reinigt u en verwisselt uw kleren, en laat ons opstaan en optrekken naar Bethel, naar de plaats waar ik Hem een gelofte beloofd heb op de dag dat ik vluchtte voor het aangezicht van Ezau, mijn broeder, omdat Hij met mij geweest is en mij in vrede in dit land heeft teruggebracht; en doet de vreemde goden weg die onder u zijn. 2 En zij gaven de vreemde goden weg, en wat in hun oren en wat aan hun halzen was, en de afgod die Rachel gestolen had van Laban, haar vader.[^1] En zij gaf alles aan Jakob, en hij verbrandde ze en verbrijzelde ze en vernietigde ze, en verborg ze onder een eik die in het land Sichem is. 3 En hij trok op, op de nieuwe maan van de zevende maand, naar Bethel. En hij bouwde een altaar op de plaats waar hij geslapen had, en hij richtte daar een gedenksteen op. 4 En Izak zei: Laat mijn zoon Jakob komen, opdat ik hem zie voordat ik sterf. 5 En Jakob ging tot zijn vader Izak en tot zijn moeder Rebekka, naar het huis van zijn vader Abraham; en twee van zijn zonen nam hij met zich mee, Levi en Juda, en hij kwam tot zijn vader Izak en tot zijn moeder Rebekka. 6 En Rebekka kwam uit de toren naar de poort van de toren, om Jakob te kussen en te omhelzen. 7 En zij zag zijn beide zonen. 8 En Jakob ging binnen tot Izak, zijn vader, in zijn kamer waar hij lag. 9 En de duisternis week van de ogen van Izak, en hij zag de beide zonen van Jakob, Levi en Juda. 10 En hij vertelde hem dat het werkelijk zijn zonen waren; en hij zei: Werkelijk hebt u gezien dat het werkelijk mijn zonen zijn.[^2] 11 En zij kwamen tot hem, en hij keerde zich om en kuste hen en omhelsde hen allen tezamen. 12 En de geest van de profetie daalde neer in zijn mond, en hij greep Levi bij zijn rechterhand en Juda bij zijn linkerhand. 13 En hij keerde zich eerst tot Levi en begon hem het eerst te zegenen, en zei tot hem: Moge de Heere van alles u zegenen, Hij die de Heere is van alle eeuwen. 14 En moge God u en uw zaad grote grootheid tot heerlijkheid geven, en moge Hij u en uw zaad, uit alle vlees, tot Zich doen naderen, om te dienen in Zijn heiligdom, zoals de engelen van het aangezicht en gelijk de heiligen. 15 En vorsten en oversten en leiders zullen zij zijn voor heel het zaad van de zonen van Jakob. Het woord van God zullen zij in gerechtigheid spreken, en al Zijn oordeel zullen zij in gerechtigheid oordelen. 16 Uw moeder heeft uw naam Levi genoemd, en terecht heeft zij uw naam genoemd. U zult aan JAHWEH verbonden zijn en de metgezel zijn van al de zonen van Jakob. 17 En allen die u haten zullen voor u neervallen, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden en vergaan. Wie u zegent zal gezegend zijn, en elk volk dat u vervloekt zal vervloekt zijn. 18 En tot Juda zei hij: Moge God u kracht en sterkte geven, om allen die u haten te vertreden. Wees een heerser, u en een van uw zonen, over de zonen van Jakob; moge uw naam en de naam van uw zonen er een zijn die uitgaat en heel het land en de gewesten doortrekt. 19 In u zal de hulp van Jakob zijn, en in u zal het heil van Israël gevonden worden. 20 En op de dag dat u zult zitten op de troon van de eer van uw gerechtigheid, zal er grote vrede zijn voor heel het zaad van de zonen van de beminde. 21 En hij keerde zich om en kuste hem nogmaals en omhelsde hem, en verheugde zich zeer, want hij had de zonen van Jakob, zijn zoon, werkelijk gezien. 22 En hij ging weg van tussen zijn voeten en viel neer en boog zich voor hem neer. En hij zegende hen. 23 En hij legde de beide zonen van Jakob te rusten, één aan zijn rechterhand en één aan zijn linkerhand, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. 24 En Jakob vertelde zijn vader alles in de nacht, hoe God hem grote genade bewezen had. 25 En Izak zegende de God van zijn vader Abraham, die Zijn barmhartigheid en Zijn gerechtigheid niet had onthouden aan de zoon van Zijn knecht Izak. 26 En in de morgen vertelde Jakob zijn vader Izak de gelofte die hij God beloofd had, en het gezicht dat hij gezien had, en hoe hij een altaar gebouwd had, en dat alles gereed was voor het offer dat voor God gebracht zou worden zoals hij beloofd had, en dat hij gekomen was om hem op een ezel te doen zitten. 27 En Izak zei tot Jakob, zijn zoon: Ik kan niet met u meegaan, want ik ben oud en kan de weg niet verdragen. Ga, mijn zoon, in vrede, want ik ben honderdvijfenzestig jaar oud. 28 En ik weet, mijn zoon, dat u om mijnentwil gekomen bent. 29 Wees voorspoedig, en volbreng de gelofte die u beloofd hebt, en stel uw gelofte niet uit, want u zult ter verantwoording geroepen worden aangaande de gelofte. 30 En hij zei tot Rebekka: Ga met Jakob, uw zoon. En Rebekka ging met Jakob, haar zoon, en Debora met haar, en zij kwamen te Bethel. 31 En Jakob herinnerde zich de zegen waarmee zijn vader hem en zijn beide zonen, Levi en Juda, gezegend had, en hij verheugde zich en zegende de God van zijn vaderen, Abraham en Izak. 32 En hij zei: Nu weet ik dat ik een eeuwige hoop heb, en mijn zonen ook, voor de God van alles. En zo is het bepaald aangaande hen beiden, en zij tekenen het voor hen op als een eeuwig getuigenis op de hemelse tafelen, hoe Izak hen gezegend heeft. ### Jubileeën 32 1 En hij bleef die nacht te Bethel, en Levi droomde dat men hem aangesteld en gemaakt had tot priester van God, de Allerhoogste, hem en zijn zonen tot in eeuwigheid. 2 En Jakob stond vroeg op in de morgen, op de veertiende van deze maand. 3 En in die dagen ontving Rachel Benjamin, haar zoon. En Jakob telde zijn zonen van hem af omhoog. 4 En op de vijftiende van deze maand bracht hij op het altaar veertien runderen uit het vee, en achtentwintig rammen, en negenenveertig schapen, en zestig lammeren, en negenentwintig geitenbokjes,[^1] als een brandoffer op het altaar, een welbehaaglijk offer tot een liefelijke reuk voor God. 5 Dit was zijn offergave, ten gevolge van de gelofte die hij beloofd had, dat hij zou tienden, samen met hun voedseloffers en hun drankoffers. 6 En toen het vuur het verteerd had, ontstak hij reukwerk daarop, op het vuur, daarboven. 7 En hij at daar, hij en al zijn zonen en zijn mensen, met vreugde, zeven dagen lang; en zij zegenden en dankten God, die hem uit al zijn benauwdheid verlost had en die hem zijn gelofte vervuld had. 8 En hij tiendde al het reine vee en maakte er een brandoffer van, en het onreine vee gaf hij aan Levi, zijn zoon; en al de zielen van de mensen gaf hij hem. 9 En Levi bediende het priesterambt te Bethel voor Jakob, zijn vader, boven zijn tien broeders, en hij was daar priester. 10 En daarom is het op de hemelse tafelen bepaald als een wet, om de tiende voor de tweede keer te tienden, om die te eten voor God, in de plaats die uitverkoren is opdat Zijn naam daar wone, van jaar tot jaar. 11 Dit is de inzetting, geschreven opdat zij volbracht worde van jaar tot jaar: om de tiende voor de tweede keer te eten voor God, in de plaats die uitverkoren is. 12 Want in zijn jaar zal het koren gegeten worden, tot aan de dagen van de oogst van het koren van het jaar; en de wijn tot aan de dagen van de wijn; en de olie tot aan de dagen van haar seizoen. 13 Al wat daarvan overblijft en wat oud wordt, dat worde met vuur verbrand, want het is onrein geworden. 14 En zo zullen zij het tezamen eten in het heilige huis, en zij zullen het niet oud laten worden. 15 En al de tiende van de runderen en schapen is heilig voor God, en zal aan Zijn priesters toebehoren, die het voor Hem zullen eten van jaar tot jaar. 16 En in de volgende nacht, op de tweeëntwintigste van de dagen van deze maand, besloot Jakob die plaats te bouwen, en de voorhof met een muur te omgeven en die te heiligen, en die heilig te maken tot in eeuwigheid, voor hemzelf en voor zijn kinderen na hem tot in eeuwigheid. 17 En God verscheen hem in de nacht en zegende hem en zei tot hem: Uw naam zal niet Jakob alleen genoemd worden, maar Israël zullen zij uw naam noemen. 18 En Hij zei nogmaals tot hem: Ik ben God, die de hemel en de aarde geschapen heb; en Ik zal u groot maken en u zeer overvloedig vermenigvuldigen, en koningen zullen uit u voortkomen, en zij zullen heersen overal waar de voet van de mensenkinderen getreden heeft. 19 En Ik zal aan uw zaad heel de aarde geven die onder de hemel is, en zij zullen heersen over al de heidenen naar hun begeerte; en daarna zullen zij heel de aarde vergaderen en die beërven tot in eeuwigheid. 20 En Hij voleindigde het spreken met hem, en Hij ging van hem op, en Jakob zag toe, totdat Hij ten hemel opgevaren was. 21 En hij zag in een gezicht van de nacht, en zie, een engel daalde neer uit de hemel met zeven tafelen in zijn handen, en hij gaf ze aan Jakob, en hij las ze en las alles wat daarin geschreven was, wat hem en zijn zonen overkomen zou in alle eeuwen. 22 En hij toonde hem alles wat op de tafelen geschreven was, en zei tot hem: Bouw deze plaats niet, en maak haar niet tot een eeuwig heiligdom, en woon hier niet, want dit is de plaats niet. 23 Want in Egypte zult u in vrede sterven, en in dit land zult u met eer begraven worden in het graf van uw vaderen, met Abraham en Izak. 24 Vrees niet, want zoals u gezien en gelezen hebt, zo zal het alles gebeuren; en u, schrijf ook alles op wat u gezien en gelezen hebt. 25 En Jakob zei: Heere, hoe zal ik alles wat ik gelezen en gezien heb, onthouden? 26 En Hij ging van hem op. 27 En hij vierde daar nog één dag, en hij offerde daarop volgens alles wat hij op de vorige dagen geofferd had, en hij noemde de naam ervan Toevoeging, want die dag was toegevoegd; en de vorige dagen noemde hij Het Feest. 28 En zo werd openbaar dat het zo zijn zou, en het is geschreven op de hemelse tafelen. 29 En zijn naam werd Toevoeging genoemd, omdat hij gerekend werd onder de dagen van het feest, naar het getal van de dagen van het jaar. 30 En in de nacht, op de drieëntwintigste van deze maand, stierf Debora, de voedster van Rebekka, en zij begroeven haar beneden de stad, onder de eik van de rivier; en hij noemde de naam van die plaats De rivier van Debora, en de eik De eik van de rouw van Debora. 31 En Rebekka ging en keerde terug naar het huis, tot zijn vader Izak. 32 En hij ging achter zijn moeder aan, totdat hij bij het land Kabratan kwam, en woonde daar. 33 En Rachel baarde in de nacht een zoon, en zij noemde zijn naam Zoon van mijn smart, want zij leed toen zij hem baarde; maar zijn vader noemde zijn naam Benjamin. 34 En Rachel stierf daar en werd begraven in het land Efratha, dat is Bethlehem. ### Jubileeën 33 1 En Jakob ging en woonde ten zuiden van Magdaladraëf. En hij ging tot zijn vader Izak, hij en Lea, zijn vrouw, op de nieuwe maan van de tiende maand. 2 En Ruben zag Bilha, de dienstmaagd van Rachel, de bijvrouw van zijn vader, terwijl zij zich in het water baadde op een verborgen plaats, en hij kreeg haar lief. 3 En hij verborg zich in de nacht en ging het huis van Bilha binnen bij nacht, en hij vond haar terwijl zij alleen op haar bed lag te slapen, sluimerend in haar huis. 4 En hij lag bij haar; en zij ontwaakte en zag, en zie, Ruben lag bij haar op de legerstede. 5 En zij schaamde zich voor hem, en zij trok haar hand van hem af, en hij vluchtte. 6 En zij treurde zeer over deze zaak, en zij vertelde het aan niemand. 7 En toen Jakob kwam en haar zocht, zei zij tot hem: Ik ben voor u niet rein, want ik ben ten opzichte van u verontreinigd; want Ruben heeft mij verontreinigd en heeft in de nacht bij mij gelegen, terwijl ik sliep en het niet wist, totdat hij mijn kleed oplichtte en bij mij lag. 8 En Jakob werd zeer toornig op Ruben, omdat hij bij Bilha gelegen had, omdat hij de bedekking van zijn vader ontbloot had. 9 En Jakob naderde haar voortaan niet meer, omdat Ruben haar verontreinigd had. En wat ieder mens betreft die de bedekking van zijn vader ontbloot: zijn daad is zeer boos, en hij is een gruwel voor God. 10 Daarom is het geschreven en bepaald op de hemelse tafelen, dat een man niet zal liggen bij de vrouw van zijn vader, en dat hij de bedekking van zijn vader niet zal ontbloten, want dat is onrein. Zij zullen zeker tezamen sterven, de man die bij de vrouw van zijn vader ligt, en ook de vrouw, want het is een onreine zaak op de aarde. 11 En er zal geen onreinheid zijn voor onze God onder het volk dat Hij Zich tot een bezitting verkoren heeft. 12 En opnieuw is het voor de tweede keer geschreven: Vervloekt zij hij die bij de vrouw van zijn vader ligt, want hij heeft de schaamte van zijn vader ontbloot. En al de heiligen van God zeiden: Het zij zo, het zij zo. 13 En u ook, Mozes, gebied de kinderen van Israël dit woord te houden; want het is een oordeel van de dood, en het is onrein; en er is geen vergeving om verzoening te doen voor de man die dit gedaan heeft, in eeuwigheid, dan hem te doden en hem om te brengen en hem met stenen te stenigen en hem uit te roeien uit het midden van het volk van onze God. 14 Want het is aan geen mens die dit in Israël doet, geoorloofd ook maar één dag op de aarde te leven, want hij is een gruwel en onrein. 15 En laat men niet zeggen: Aan Ruben werd het leven en de vergeving geschonken, nadat hij bij de bijvrouw, de vrouw van zijn vader, gelegen had — terwijl zij nog een man had, en haar man, Jakob, zijn vader, in leven was. 16 Want tot dan toe was de inzetting en het oordeel en de wet niet ten volle geopenbaard voor allen. 17 En voor deze wet is er geen einde van dagen, en geen enkele vergeving daarvoor, dan dat zij beiden uitgeroeid worden in het midden van het volk; op de dag waarop zij het bedreven, zal men hen doden. 18 En u ook, Mozes, schrijf het voor Israël, opdat zij het houden en niet doen naar deze zaak, en niet zondigen tot de dood; want God, onze God, is Rechter, die de persoon niet aanneemt en geen geschenk aanneemt. 19 En zeg hun deze woorden van de inzetting, opdat zij horen en die houden en zich daaromtrent hoeden, en niet vernietigd en uit het land uitgeroeid worden. 20 En er is geen groter zonde dan de hoererij die zij op de aarde bedrijven; want Israël is een heilig volk voor God, zijn God. 21 En in het derde jaar van het zesde jaarzevental, terwijl Jakob en al zijn zonen reisden, woonden zij bij het huis van Abraham, nabij Izak, zijn vader, en Rebekka, zijn moeder. 22 En dit waren de namen van de zonen van Jakob: de eerstgeborene Ruben. 23 En zij gingen en bogen zich neer voor Izak en voor Rebekka. ### Jubileeën 34 1 En in het zesde jaar van dit jaarzevental, uit dit vierenveertigste jubeljaar. 2 En de zeven koningen van de Amorieten verzamelden zich tegen hen om hen te doden, terwijl zij zich onder de bomen verborgen, en om hun vee te roven. 3 En Jakob en Levi en Juda en Jozef waren in het huis bij Izak, hun vader, want zijn geest was bedroefd, en zij konden hem niet verlaten; en Benjamin was de jongste, en daarom bleef hij bij hem. 4 En er kwamen de koningen van Tafu, en de koningen van Arees, en de koningen van Seragan, en de koningen van Selo, en de koning van Gaäz, en de koning van Bethoron, en de koning van Maänisakir, en allen die op dit gebergte wonen, die in de wouden van het land Kanaän wonen. 5 En zij berichtten Jakob en zeiden: Zie, de koningen van de Amorieten hebben uw zonen omsingeld, en zij hebben hun kudden geroofd. 6 En hij stond op uit zijn huis, hij en zijn drie zonen en al de knechten van zijn vader en zijn eigen knechten, en hij trok tegen hen op met zesduizend mannen die het zwaard droegen. 7 En hij doodde hen op de weiden van Sichem, en vervolgde hen die vluchtten, en versloeg hen met de scherpte van het zwaard. 8 En hij vergaderde zijn kudden. 9 En hij keerde in vrede terug. 10 En in het zevende jaar van dit jaarzevental zond hij Jozef uit. 11 En zij handelden trouweloos met hem, en beraamden tegen hem een aanslag om hem te doden. 12 En de zonen van Jakob slachtten een geitenbok, en doopten het kleed van Jozef in zijn bloed, en zonden het naar Jakob, hun vader, op de tiende van de zevende maand. 13 En hij treurde die hele nacht, want zij hadden het hem in de avond gebracht, en hij werd koortsig van rouw over zijn dood, en hij zei: Een wreed wild dier heeft Jozef verslonden. En al de mensen van zijn huis treurden met hem op die dag, en zij bleven bedroefd en treurden met hem die hele dag. 14 En zijn zonen en zijn dochter stonden op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten over zijn zoon. 15 En op die dag hoorde Bilha dat Jozef was omgekomen, en terwijl zij hem beweende, stierf zij; en zij woonde te Qafratef. En Dina ook, zijn dochter, stierf nadat Jozef was omgekomen. En deze drie rouwklachten kwamen over Israël in één maand. 16 En zij begroeven Bilha tegenover het graf van Rachel, en Dina ook, zijn dochter, begroeven zij daar. 17 En hij bleef een jaar lang treuren om Jozef, en hield niet op, want hij zei: Laat mij treurend in het graf afdalen om mijn zoon. 18 Daarom is het aangaande de kinderen van Israël vastgesteld, dat zij zich zullen verootmoedigen op de tiende van de zevende maand — op de dag dat het bericht dat Jakob, zijn vader, om Jozef deed huilen, tot hem kwam — dat zij daarop voor zichzelf verzoening zullen doen met een jong van de geiten. 19 En deze dag is vastgesteld, opdat zij daarop zullen treuren over hun zonde en over al hun overtredingen en over al hun dwalingen, opdat zij zichzelf op deze dag reinigen, eenmaal per jaar. 20 En nadat Jozef was omgekomen, namen de zonen van Jakob zich vrouwen. 21 En Simeon keerde terug en nam zich een vrouw uit Mesopotamië, een tweede, gelijk zijn broeders. ### Jubileeën 35 1 En in het eerste jaar van het eerste jaarzevental van het vijfenveertigste jubeljaar riep Rebekka Jakob, haar zoon, en gebood hem aangaande zijn vader en aangaande zijn broeder, dat hij hen zou eren al de dagen van het leven van Jakob. 2 En Jakob zei: Ik zal alles doen zoals u mij geboden hebt, want deze zaak is voor mij eer en grootheid, en gerechtigheid voor mij voor het aangezicht van God, dat ik hen eer. 3 En u ook, moeder, weet van de dag dat ik geboren werd tot op deze dag, al mijn daden en alles wat in mijn hart is, dat ik alle dagen het goede bedenk voor allen. 4 En hoe zou ik de zaak die u mij geboden hebt niet doen, dat ik mijn vader en mijn broeder zou eren? 5 Zeg mij, moeder, welke verkeerdheid u in mij gezien hebt, en ik zal mij daarvan afwenden, en barmhartigheid zal over mij zijn. 6 En zij zei tot hem: Mijn zoon, in al mijn dagen heb ik in u geen enkele verkeerde daad gezien, maar alleen oprechte. Toch zeg ik u de waarheid, mijn zoon: ik zal in dit jaar sterven, en ik zal dit jaar niet levend te boven komen. 7 En Jakob lachte om de woorden van zijn moeder, omdat zijn moeder tot hem gezegd had dat zij zou sterven; en zij zat tegenover hem in haar kracht, en zij was niet verzwakt in haar kracht, want zij ging in en uit en zag, en haar tanden waren sterk, en geen enkele ziekte had haar aangeraakt al de dagen van haar leven. 8 En Jakob zei tot haar: Zalig ben ik, moeder, als mijn dagen de dagen van uw leven naderen, en mijn kracht op mij blijft, zo als uw kracht; en u zult niet sterven, want u schertst maar ijdel met mij aangaande uw dood. 9 En zij ging binnen tot Izak en zei tot hem: Eén verzoek smeek ik van u: doe Ezau zweren dat hij Jakob geen kwaad zal doen, en hem niet met vijandschap zal vervolgen. 10 En u weet hoeveel hij gedaan heeft, alles, van de dag dat Jakob, zijn broeder, naar Haran ging tot op deze dag, hoe hij ons met zijn hele hart verlaten heeft. 11 En terwijl wij smeekten, vroegen wij hem om wat van ons was, en hij handelde als een man die zich over ons ontfermt. 12 En hij is verbitterd tegen u, omdat u Jakob gezegend hebt, uw volmaakte en oprechte zoon; want er is in hem geen kwaad, dan alleen goedheid. 13 En Izak zei tot haar: Ik ook weet en zie de daden van Jakob, die bij ons is, hoe hij ons met zijn hele hart eert. 14 En nu is mijn hart verontrust over zijn daden, en hij en zijn zaad zijn niet ten heil; want zij zijn het die van de aarde vernietigd zullen worden, en die van onder de hemel uitgeroeid zullen worden. 15 En u zegt mij dat ik hem zou doen zweren dat hij zijn broeder Jakob niet zal doden. 16 En zelfs als hij begeert Jakob, zijn broeder, te doden, zal hij in de hand van Jakob overgegeven worden, en hij zal niet uit zijn hand ontkomen, want in zijn hand zal hij vallen. 17 En u ook, vrees niet aangaande Jakob, want de bewaarder van Jakob is groot en machtig en geëerd en geprezen, meer dan de bewaarder van Ezau. 18 En Rebekka zond en riep Ezau, en hij kwam tot haar, en zij zei tot hem: Ik heb een verzoek, mijn zoon, dat ik van u vraag; en zeg dat u het doen zult, mijn zoon. 19 En hij zei: Ik zal alles doen wat u mij zegt, en ik zal uw verzoek niet weigeren. 20 En zij zei tot hem: Ik vraag van u, dat op de dag wanneer ik sterf, u mij binnenbrengt en mij begraaft nabij Sara, de moeder van uw vader; en dat u en Jakob elkander liefhebt, en dat de een tegen zijn broeder geen kwaad zoekt, dan alleen wederzijdse liefde; en u zult voorspoedig zijn, mijn zonen, en geëerd worden in het midden van het land, en geen vijand zal zich over u verheugen, en u zult tot een zegen en tot barmhartigheid zijn in de ogen van allen die u liefhebben. 21 En hij zei: Ik zal alles doen wat u mij zegt, en ik zal u op de dag van uw dood begraven nabij Sara, de moeder van mijn vader, zoals u begeerd hebt dat haar gebeente nabij uw gebeente zij. 22 En Jakob, mijn broeder, heb ik lief boven alle vlees, en ik heb geen broeder op heel de aarde dan hem alleen. 23 En ik smeek u slechts dit, dat u Jakob vermaant aangaande mij en aangaande mijn kinderen; want ik weet dat hij zeker koning zal zijn over mij en over mijn kinderen. 24 En ik zweer u dat ik hem zal liefhebben, en dat ik tegen hem geen kwaad zal zoeken al de dagen van mijn leven, dan alleen het goede. 25 En zij riep Jakob voor de ogen van Ezau, en gebood hem naar de woorden die zij met Ezau gesproken had. 26 En hij zei: Ik zal uw welbehagen doen; geloof mij, dat er van mij en van mijn kinderen geen kwaad zal uitgaan tegen Ezau, en dat ik in niets de eerste zal zijn dan alleen in wederzijdse liefde. 27 En zij aten en dronken, zij en haar kinderen, in die nacht. ### Jubileeën 36 1 En in het zesde jaar van deze week riep Izak zijn beide zonen, Ezau en Jakob, en zij kwamen tot hem. En hij zei tot hen: Mijn kinderen, ik ga de weg van mijn vaderen, naar het eeuwige huis waar mijn vaderen zijn. 2 En begraaf mij bij Abraham, mijn vader, in de dubbele grot in de akker van Efron de Hethiet, die Abraham gekocht heeft tot een erfelijke begraafplaats; daar in het graf dat ik voor mijzelf gedolven heb, daar begraaf mij. 3 En dit gebied ik u, mijn kinderen, dat u gerechtigheid en oprechtheid doet op de aarde, opdat God over u brengt al wat God gesproken heeft te zullen doen aan Abraham en aan zijn zaad. 4 En wees, mijn kinderen, onder elkander uw broeders liefhebbende gelijk een man die zijn eigen ziel liefheeft, en dat een ieder voor zijn broeder zoekt datgene waarmee hij hem goeddoet, en handelende in eendracht op de aarde, en dat zij elkander liefhebben als hun eigen ziel. 5 En aangaande de zaak van de afgoden, ik vermaan u dat u hen veracht en hun wederstaat, en dat u hen niet liefhebt, want vol van dwaling zijn zij voor hen die hen dienen en voor hen die zich voor hen neerbuigen. 6 Gedenkt, mijn kinderen, God, de God van Abraham, uw vader, en hoe ook ik Hem gediend heb en Hem onderdanig geweest ben in gerechtigheid en welgemoed, opdat Hij u vermenigvuldigt en uw zaad groot maakt als de sterren van de hemel in menigte, en u in de aarde plant tot een plant van de gerechtigheid, die niet uitgeroeid zal worden voor alle geslachten in eeuwigheid. 7 En nu doe ik u zweren een grote eed — want er is geen eed die groter is dan hij — bij de Naam, heerlijk en geëerd en groot, luisterrijk en wonderbaar en machtig en groot, Die de hemelen en de aarde en alle dingen tezamen gemaakt heeft: 8 dat, terwijl een ieder zijn broeder liefheeft in barmhartigheid en in gerechtigheid, geen man voor zijn broeder kwaad zal begeren, van nu aan tot in eeuwigheid, al de dagen van uw leven, opdat u voorspoedig bent in al uw werken en niet vernietigd wordt. 9 En zo er iemand onder u is die voor zijn broeder kwaad zoekt, weet van nu aan dat een ieder die voor zijn broeder kwaad zoekt, in zijn eigen hand zal vallen, en uitgeroeid worden uit het land van de levenden, en ook zijn zaad zal vernietigd worden van onder de hemel. 10 En op de dag van de beroering en van de vervloeking en van de toorn en van de gramschap, en met verterend vuur, gelijk Hij Sodom verbrand heeft, zo zal Hij zijn land verbranden en zijn stad en al wat het zijne is. 11 Ik spreek en betuig tegen u, mijn kinderen, naar het oordeel dat komen zal over de man die kwaad wil doen aan zijn broeder. 12 En hij verdeelde al zijn bezitting die hij had tussen hen beiden op die dag, en hij gaf het grotere deel aan de man die de eerstgeborene was, en de toren en al wat daaromheen was. 13 En hij zei: Dit grotere deel geef ik aan de man die de eerstgeborene is. 14 En Ezau zei: Ik heb het aan Jakob verkocht en ik heb mijn eerstgeboorterecht aan Jakob gegeven; hem worde het gegeven, en ik heb geen woord te zeggen aangaande haar, want zij is de zijne. 15 En Izak zei: Moge een zegen op u rusten, mijn kinderen, en op uw zaad op deze dag, want u hebt mij rust gegeven, en mijn hart is niet bedroefd aangaande het eerstgeboorterecht, opdat u daarom geen onrecht doet. 16 Moge El Elyon de man zegenen die gerechtigheid doet, hem en zijn zaad tot in eeuwigheid. 17 En hij eindigde hen te gebieden en hen te zegenen, en zij aten en dronken tezamen voor zijn aangezicht, en hij verheugde zich, want er was eendracht onder hen; en zij gingen van hem uit en rustten die dag en sliepen. 18 En Izak sliep op zijn bed op deze dag terwijl hij zich verheugde, en hij sliep de eeuwige slaap. 19 En Ezau ging naar het land Edom, naar het gebergte Seïr, en woonde daar. 20 En Jakob woonde in het gebergte Hebron, in de toren van het land waar zijn vader Abraham vreemdeling was. 21 En Lea, zijn vrouw, stierf in het vierde jaar van de tweede week van het vijfenveertigste jubeljaar, en hij begroef haar in de dubbele grot bij Rebekka, haar moeder, ter linkerhand van het graf van Sara, de moeder van zijn vader. 22 En al haar zonen en zijn zonen kwamen om over Lea, zijn vrouw, met hem te rouwen, en om hem over haar te troosten, want hij beweende haar. 23 Want hij had haar bovenmate zeer lief sinds Rachel, haar zuster, gestorven was; want zij was volkomen en oprecht in al haar wegen, en zij eerde Jakob. 24 En hij gedacht al haar daden die zij in haar leven gedaan had, en hij beweende haar zeer, want hij had haar lief met heel zijn hart en met heel zijn ziel. ### Jubileeën 37 1 En op de dag dat Izak, de vader van Jakob en Ezau, stierf, hoorden de zonen van Ezau dat Izak het eerstgeboorterecht gegeven had aan Jakob, zijn jongere zoon. 2 En zij twistten met hun vader, zeggende: Waarom heeft uw vader, terwijl u de oudere bent en Jakob de jongere, aan Jakob het eerstgeboorterecht gegeven en u voorbijgegaan? 3 En hij zei tot hen: Omdat ik mijn eerstgeboorterecht aan Jakob verkocht heb voor een weinig linzenmoes. 4 En nu heeft onze vader ons doen zweren, mij en hem, dat wij niet in boosheid zullen trachten, de een tegen zijn broeder, en dat wij in onderlinge liefde en in vrede zullen zijn, een man met zijn broeder, en dat wij onze wegen niet zullen verderven. 5 En zij zeiden tot hem: Wij zullen niet naar u luisteren om vrede met hem te maken, want onze kracht is sterker dan zijn kracht, en wij zijn sterker dan hij; laat ons tegen hem optrekken en hem doden en zijn zonen verdelgen; en zo u niet met ons gaat, zullen wij ook u kwaad doen. 6 En nu, luister naar ons, en laat ons zenden naar Aram en naar Filistea en naar Moab en naar Ammon, en laat ons voor onszelf uitgelezen mannen kiezen die begerig zijn naar de strijd, en laat ons tegen hem optrekken en met hem strijden en hem van de aarde uitroeien voordat hij sterk wordt. 7 En hun vader zei tot hen: Gaat niet, en voert geen oorlog met hem, opdat u niet voor zijn aangezicht valt. 8 En zij zeiden tot hem: Dit is juist uw handelwijze van uw jeugd af tot op deze dag, en u legt uw hals onder zijn juk; wij van onze kant zullen naar dit woord niet luisteren. 9 En zij zonden naar Aram en naar Aduram, de vriend van hun vader, en zij huurden met hen duizend twistgierige mannen, uitgelezen strijders. 10 En er kwamen tot hen uit Moab en van de kinderen van Ammon die gehuurd waren, duizend uitgelezen mannen. 11 En zij zeiden tot hun vader: Trek uit, leid hen aan, en zo niet, dan zullen wij u doden. 12 En hij werd vervuld met toorn en toorn ten tijde dat hij zijn zonen zag hem dwingen om voorop te gaan en hen aan te voeren tegen Jakob, zijn broeder. 13 En toen gedacht hij al het kwaad dat in zijn hart verborgen lag tegen Jakob, zijn broeder, en hij gedacht niet de eed die hij zijn vader en zijn moeder gezworen had, dat hij geen kwaad zou trachten al zijn dagen tegen Jakob, zijn broeder. 14 En in dit alles wist Jakob niet dat zij tot hem kwamen om te strijden. 15 En de mannen van Hebron zonden tot hem, zeggende: Zie, uw broeder is tegen u opgekomen om u te bestrijden, met vierduizend man, omgord met het zwaard, en zij dragen schilden en wapenen van het veld; want zij hadden Jakob meer lief dan Ezau, daarom zeiden zij het hem, want Jakob was een genadig en barmhartig man, meer dan Ezau. 16 En Jakob geloofde het niet, totdat zij dicht bij de toren gekomen waren. 17 En hij sloot de poorten van de toren. 18 En te dien tijde antwoordde Ezau en zei tot hem: Er is voor de kinderen van de mensen en voor de dieren van de aarde geen eed van de gerechtigheid, die zij bij het zweren tot in eeuwigheid gezworen hebben. 19 En u haat mij en mijn kinderen tot in eeuwigheid, en er is geen broederschap met u te houden. 20 Hoor dit mijn woord dat ik tot u spreek: Zo het everzwijn zijn huid verandert en zijn borstelharen zacht als wol maakt zo het week wordt, en zo op zijn hoofd horens uitspruiten gelijk de horens van een hert en van schapen, dan zal ik broederschap met u houden. 21 En zo de wolven vrede maken met de lammeren, dat zij hen niet verslinden. 22 En zo de leeuw een schuilplaats wordt voor het rund. 23 En zo de raaf wit wordt als de raza, dan weet dat ik u heb liefgehad en dat ik vrede met u zal maken. 24 En toen Jakob zag dat hij kwaad tegen hem gezind was uit zijn hart en uit heel zijn ziel, dat hij hem wilde doden, 25 te dien tijde zei hij tot de zijnen en tot zijn knechten dat zij hem zouden aanvallen, en tot al zijn overigen. ### Jubileeën 38 1 En daarna sprak Juda tot Jakob, zijn vader, en zei tot hem: Span, mijn vader, uw boog en zend uw pijl uit, en huid de vijand neer en dood de tegenstander, en moge er kracht voor u zijn; want wij zullen uw broeder niet doden, want hij is de uwe en hij is uws gelijke, bij ons tot eer. 2 Te dien tijde spande Jakob zijn boog en zond een pijl uit en trof Ezau, zijn broeder, en doodde hem. 3 En opnieuw zond hij een pijl uit en trof Aduran de Arameeër aan zijn linkerborst en doodde hem. 4 En daarna gingen de zonen van Jakob uit, zij en hun knechten, zich verdelende aan de vier zijden van de toren. 5 En Juda ging vooraan uit, en Naftali en Gad met hem, en vijftig knechten met hem, aan de zuidzijde van de toren, en zij doodden allen die zij voor zich vonden, en er was niemand die van hen ontkwam, zelfs niet één. 6 En Levi en Dan en Aser gingen uit aan de oostzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden de strijders van Moab en van Ammon. 7 En Ruben en Issaschar en Zebulon gingen uit aan de noordzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden de strijders van de Filistijnen. 8 En Simeon en Benjamin en Henoch, de zoon van Ruben, gingen uit aan de westzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden van Edom en van de Horieten vierhonderd sterke mannen, strijders, en zeshonderd vluchtten. 9 En de zonen van Jakob dreven hen achter zich voort tot aan het gebergte Seïr. 10 En de zonen van Jakob verdrukten de kinderen van Ezau op het gebergte Seïr, en zij bogen hun hals neer, zodat zij knechten werden voor de kinderen van Jakob. 11 En zij zonden tot hun vader, of zij vrede met hen zouden maken, dan wel of zij hen zouden doden. 12 En Jakob zond tot zijn zonen dat zij vrede zouden maken, en zij maakten vrede met hen en legden het juk van de dienstbaarheid op hen, opdat zij Jakob en zijn zonen zouden dienen, allen. 13 En zij bleven Jakob dienen tot op de dag dat Jakob afdaalde in Egypte. 14 En de kinderen van Edom weken niet van het juk van de dienstbaarheid van de twaalf zonen van Jakob dat op hen lag, tot op deze dag. 15 En dit zijn de koningen die geregeerd hebben in Edom, voordat er een koning regeerde voor de kinderen van Israël, tot op deze dag, in het land Edom. 16 En in Edom regeerde Balak, de zoon van Beor, en de naam van zijn stad was Denaba. 17 En Balak stierf, en Jobab, de zoon van Zara van Bosir, regeerde in zijn plaats. 18 En Jobab stierf, en Asam van het gebergte Teman regeerde in zijn plaats. 19 En Asam stierf, en Adad, de zoon van Barad, die Midian versloeg in het veld van Moab, regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Awutu. 20 En Adad stierf, en Salman van Amaseka regeerde in zijn plaats. 21 En Salman stierf, en Saul van Raäboth aan de rivier regeerde in zijn plaats. 22 En Saul stierf, en Baëlunan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 23 En Baëlunan, de zoon van Achbor, stierf, en Adad regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn vrouw was Maitabith, de dochter van Matrit, de dochter van Metebedzaäb. 24 Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom. ### Jubileeën 39 1 En Jakob woonde in het land waar zijn vader vreemdeling was, het land Kanaän. 2 Dit zijn de geslachten van Jakob. 3 En hij stelde Jozef over heel zijn huis. 4 En de Egyptenaar liet alles aan Jozef over, want hij zag dat God met hem was, en al wat hij deed, dat deed God gedijen. 5 En Jozef was mooi van gestalte, en zeer bevallig was zijn gedaante. 6 En hij gaf zijn ziel niet over. 7 En Jozef gedacht dit woord en begeerde niet bij haar te liggen. 8 En zij smeekte hem een jaar en een tweede, en hij weigerde te luisteren. 9 En zij omhelsde hem en hield hem vast in het huis, om hem te dwingen bij haar te liggen. 10 En die vrouw zag dat hij niet bij haar wilde liggen, en zij belasterde hem voor haar heer, zeggende: Uw Hebreeuwse knecht, die u liefhebt, heeft getracht mij geweld aan te doen, om bij mij te liggen. 11 En de Egyptenaar zag het kleed van Jozef en de gebroken deur. 12 En hij was daar in de gevangenis. 13 En hij liet alles aan hem over, en er was geen overste van de gevangenbewaarders die iets bij hem wist, want Jozef deed alles en God volbracht het; en hij bleef daar twee jaren. 14 En in die dagen werd Farao, de koning van Egypte, toornig op zijn twee kamerlingen, op de overste van de schenkers en op de overste van de bakkers, en hij wierp hen in de gevangenis, in het huis van de overste van de koks, in de gevangenis waar Jozef gevangen gehouden werd. 15 En de overste van de gevangenbewaarders stelde Jozef aan om hen te dienen, en hij diende voor hun aangezicht. 16 En zij beiden droomden een droom, de overste van de schenkers en de overste van de bakkers, en zij vertelden het aan Jozef. 17 En gelijk hij het hun uitlegde, zo gebeurde het hun. 18 En de overste van de schenkers vergat Jozef in de gevangenis, hoewel hij hem bekendgemaakt had wat hem gebeuren zou; en hij gedacht niet Farao bekend te maken wat Jozef hem gezegd had, want hij vergat het. ### Jubileeën 40 1 En in die dagen droomde Farao twee dromen in één nacht, aangaande de zaak van de hongersnood die over heel het land komen zou; en hij ontwaakte uit zijn slaap en riep al de uitleggers van de dromen die in Egypte waren, en de tovenaars, en hij vertelde hun zijn beide dromen, en zij konden ze niet verstaan. 2 En toen gedacht de overste van de schenkers Jozef, en hij sprak aangaande hem tot de koning, en zij brachten hem uit de gevangenis, en hij vertelde voor zijn aangezicht zijn beide dromen. 3 En hij zei voor het aangezicht van Farao dat zijn beide dromen één waren. 4 En nu, laat Farao over heel het land Egypte opzieners aanstellen, en laat hen voedsel verzamelen van stad tot stad in de dagen van de jaren van overvloed, en er zal voedsel zijn voor de zeven jaren van hongersnood, en het land zal niet vergaan voor het aangezicht van de hongersnood, want zij zal zeer geweldig zijn. 5 En God gaf Jozef gunst en barmhartigheid voor de ogen van Farao, en Farao zei tot zijn dienaren: Wij zullen geen man vinden zo wijs en verstandig als deze man, want de Geest van God is met hem. 6 En hij stelde hem tot de tweede over heel zijn koninkrijk, en gaf hem macht over heel Egypte, en deed hem rijden op zijn wagen, de tweede wagen van Farao. 7 En hij bekleedde hem met kleren van fijn linnen en deed hem een keten van goud om zijn hals. 8 En Jozef heerste over heel het land Egypte, en al de vorsten van Farao hadden hem lief, en al zijn dienaren, en allen die het werk van de koning deden. 9 En het land Egypte was in vrede voor het aangezicht van Farao vanwege Jozef, want God was met hem, en gaf hem gunst en barmhartigheid over heel zijn geslacht, voor het aangezicht van allen die hem kenden en die van hem hoorden; en het koninkrijk van Farao werd geordend, en er was geen satan en geen kwaad. 10 En de koning noemde de naam van Jozef Sefantifans. 11 En op de dag dat Jozef voor Farao stond, was hij dertig jaar oud, toen hij voor Farao stond. 12 En in dat jaar stierf Izak. En het gebeurde gelijk Jozef gezegd had aangaande de uitlegging van zijn beide dromen, zoals hij het hem verteld had; en er waren zeven jaren van overvloed over heel het land Egypte, en het land bracht veel vrucht voort, één maat achttienhonderd maten. 13 En Jozef verzamelde voedsel van stad tot stad, totdat het koren vol was, totdat zij het niet konden tellen en meten vanwege zijn menigte. ### Jubileeën 41 1 En in het vijfenveertigste jubeljaar, in de tweede week, in het tweede jaar, nam Juda voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw uit de dochters van Aram, en haar naam was Tamar. 2 Maar hij haatte haar en lag niet bij haar, omdat zijn moeder uit de dochters van Kanaän was, en hij wilde voor zich een vrouw nemen uit het geslacht van zijn moeder; maar Juda, zijn vader, liet het hem niet toe. 3 En deze Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht, en God doodde hem. 4 En Juda zei tegen Onan, zijn broer: Ga in tot de vrouw van uw broer en vervul tegenover haar de plicht van een zwager, en verwek zaad voor uw broer. 5 En Onan wist dat het zaad niet het zijne zou zijn, maar dat van zijn broer. 6 En Juda zei tegen Tamar, zijn schoondochter: Blijf als weduwe in het huis van uw vader totdat Sela, mijn zoon, opgroeit, en ik zal u hem tot vrouw geven. 7 En hij groeide op, en Bedsuël, de vrouw van Juda, liet Sela, haar zoon, niet toe te trouwen. 8 En in het zesde jaar ging Juda op om zijn schapen te scheren te Timna. 9 En zij legde de kleren van haar weduwschap af en deed een sluier om en tooide zich en ging zitten in de poort die naar de weg van Timna ligt. 10 En terwijl Juda voortging, vond hij haar en hield haar voor een hoer, en hij zei tegen haar: Laat mij tot u ingaan. En zij zei tegen hem: Ga in. En hij ging in. 11 En zij zei tegen hem: Geef mij mijn loon. En hij zei tegen haar: Ik heb niets in mijn hand behalve de ring aan mijn vinger en mijn halssnoer en mijn staf die in mijn hand is. 12 En zij zei tegen hem: Geef mij die, totdat u mij mijn loon zendt. 13 En Juda ging naar zijn schapen, en ook zij ging naar het huis van haar vader. 14 En Juda zond een geitenbokje door de hand van zijn herder, een Adullamiet, maar hij vond haar niet; en hij vroeg de mensen van de plaats en zei: Waar is de hoer die hier was? En zij zeiden tegen hem: Hier is geen hoer, en wij hebben bij ons geen hoer. 15 En hij keerde terug en berichtte hem dat hij haar niet gevonden had, en zei tegen hem: Ik heb ook de mensen van de plaats gevraagd, en zij zeiden tegen mij: Hier is geen hoer. 16 En toen drie maanden vervuld waren, werd het bekend dat zij zwanger was. 17 En Juda ging naar het huis van haar vader en zei tegen haar vader en tegen haar broers: Breng haar naar buiten en laten zij haar verbranden, want zij heeft onreinheid bedreven in Israël. 18 En het gebeurde, toen zij haar naar buiten brachten om haar te verbranden, dat zij naar haar schoonvader de ring en het halssnoer en de staf zond en zei: Onderken van wie deze zijn, want door hem ben ik zwanger geworden. 19 En Juda erkende het en zei: Tamar is rechtvaardiger dan ik. En zij verbrandden haar niet meer. 20 En daarom werd zij niet aan Sela gegeven, en hij naderde haar niet meer. 21 En hierna werd zij zwanger en baarde twee zonen, Perez en Zerah, in het zevende jaar van deze tweede week. 22 En toen werden de zeven jaren van overvloed voleindigd, waarvan Jozef tot Farao gesproken had. 23 En Juda wist dat de daad die hij gedaan had slecht was, omdat hij bij zijn schoondochter gelegen had, en het was afschuwelijk in zijn ogen; en hij wist dat hij misdaan had en gedwaald had, want hij had het kleed van zijn zoon ontbloot. En hij begon te weeklagen en zich te verootmoedigen voor God vanwege zijn misdaad. 24 En wij vertelden hem in een droom dat het hem vergeven werd, omdat hij zich zeer verootmoedigde en omdat hij weeklaagde en het niet meer deed. 25 En er was vergeving voor hem, omdat hij zich bekeerde van zijn zonde en van zijn onwetendheid; want groot is de misdaad voor onze God. 26 En u, gebied de kinderen van Israël dat er geen onreinheid onder hen zij, want ieder die bij zijn schoondochter en bij zijn schoonmoeder ligt, heeft onreinheid bedreven; met vuur zullen zij de man verbranden die bij haar gelegen heeft, en ook de vrouw; en Hij zal toorn en plaag van Israël afwenden. 27 En aangaande Juda vertelden wij hem dat zijn beide zonen niet bij haar gelegen hadden. 28 Want in de oprechtheid van zijn ogen was hij heengegaan en had het oordeel gezocht; want naar het recht van Abraham, dat deze zijn kinderen geboden had, wilde Juda haar met vuur verbranden. ### Jubileeën 42 1 En in het eerste jaar van de derde week van het vijfenveertigste jubeljaar begon de hongersnood over het land te komen, en de regen weigerde aan de aarde gegeven te worden, want er kwam in het geheel niets neer; 2 en de aarde werd onvruchtbaar. 3 En de Egyptenaren kwamen tot Jozef opdat hij hun voedsel zou geven, en hij opende de schatkamers waar het koren van het eerste jaar was, en hij verkocht het aan de volken van het land voor goud. 4 En Jakob hoorde dat er voedsel in Egypte was, en hij zond zijn tien zonen om voor hem voedsel in Egypte te halen; maar Benjamin zond hij niet. 5 En Jozef herkende hen, maar zij herkenden hem niet. 6 En daarna liet hij hen gaan, en hij hield Simeon alleen vast, en zijn negen broers zond hij weg; 7 en hij vulde hun zakken met koren, en ook hun goud legde hij voor hen in hun zakken, en zij wisten het niet. 8 En hij gebood hun hun jongere broer te brengen, omdat zij hem verteld hadden dat hun vader nog in leven was, en ook hun jongere broer. 9 En zij trokken op uit het land Egypte en kwamen in het land Kanaän en vertelden hun vader alles wat hun overkomen was, en hoe de vorst van het land hard met hen gesproken had en Simeon vastgehouden had, totdat zij Benjamin zouden brengen. 10 En Jakob zei: U hebt mij van mijn kinderen beroofd; Jozef is er niet, en Simeon is er niet, en Benjamin wilt u van mij nemen; op mij is uw kwaad gekomen. 11 En hij zei: Mijn zoon zal niet met u gaan, opdat hij niet misschien ziek worde. 12 Want hij had gezien dat al hun geld in zijn zak was teruggekeerd, en hierom was hij bevreesd hem te zenden. 13 En de hongersnood nam toe en werd sterk in het land Kanaän en in alle landen, behalve in het land Egypte. 14 En de mensen van Egypte voedden zich in het eerste jaar van de hongersnood. 15 En toen Israël zag dat de hongersnood zeer sterk geworden was in het land en er geen redding was, zei hij tegen zijn zonen: Ga, keer terug en haal voor ons voedsel, opdat wij niet sterven. 16 En zij zeiden: Wij zullen niet gaan; als onze jongere broer niet met ons meegaat, zullen wij niet gaan. 17 En Israël zag dat, als hij hem niet met hen zond, zij allen zouden omkomen door de hongersnood. 18 En Ruben zei: Geef hem in mijn hand, en als ik hem niet bij u terugbreng, dood dan mijn twee zonen in plaats van zijn ziel. 19 En Juda kwam naderbij en zei: Zend hem met ons, en als ik hem niet bij u terugbreng, laat mij dan schuldig zijn voor u al de dagen van mijn leven. 20 En hij zond hem met hen in het tweede jaar van deze week, bij de nieuwe maan van de maand; en zij kwamen in het land Egypte, met allen die meegingen, en hun geschenken in hun handen: balsem en amandelen en terebintnoten en druppels honing. 21 En zij kwamen aan en stonden voor Jozef, en hij zag Benjamin, zijn broer, en herkende hem, en zei tegen hen: Is dit uw jongere broer? En zij zeiden tegen hem: Hij is het. 22 En hij zond hem in zijn huis, en ook Simeon bracht hij tot hen naar buiten. 23 En zij aten voor zijn aangezicht, en hij gaf aan allen een deel, en het deel van Benjamin was zevenmaal groter dan het deel van hen allen. 24 En zij aten en dronken en stonden op en overnachtten bij hun ezels. 25 En Jozef bedacht een plan waardoor hij hun gedachten zou kennen, of er onder hen een gedachte van vrede tegenover elkaar was. ### Jubileeën 43 1 En hij deed zoals Jozef hem gezegd had, en vulde voor hen al hun zakken met voedsel, en ook hun geld legde hij in hun zakken, en de beker legde hij in de zak van Benjamin. 2 En vroeg in de morgen bij het aanbreken van de dag gingen zij heen; en het gebeurde, toen zij vandaar uitgetrokken waren, dat Jozef tegen de man van zijn huis zei: Achtervolg hen, ren en haal hen in en zeg: Waarom hebt u mij kwaad voor goed vergolden? U hebt van mij de zilveren beker gestolen waaruit mijn heer drinkt. En breng mij hun jongere broer terug, en breng hem snel, voordat ik naar mijn rechterstoel uitga. 3 En hij rende hen achterna. 4 En zij zeiden tegen hem: Volstrekt niet van uw knechten; zij doen zulk een zaak niet en stelen uit het huis van uw heer geen enkel voorwerp. 5 Hoe zouden wij dan enig voorwerp stelen? 6 En hij zei tegen hen: Zo niet; alleen de man bij wie ik het vind, hem zal ik als knecht nemen, en u zult in vrede terugkeren naar uw huis. 7 En terwijl hij hun goed doorzocht, begon hij bij de oudste en eindigde bij de jongste, en het werd gevonden in de zak van Benjamin; 8 en zij scheurden hun kleren en laadden ze op hun ezels en keerden terug naar de stad en kwamen bij het huis van Jozef, en zij bogen zich allen voor hem neer met hun aangezicht ter aarde. 9 En Jozef zei tegen hen: U hebt kwaad gedaan. En zij zeiden: Wat zullen wij zeggen en waarmee zullen wij ons verdedigen? Onze heer heeft de misdaad van zijn knechten gevonden; zie, wij zijn de knechten van onze heer, en ook onze ezels. 10 En Jozef zei tegen hen: Ik vrees God; wat u betreft, ga naar uw huizen, en laat uw broer een knecht zijn, want u hebt kwaad gedaan. Weet u niet dat een man behagen schept in zijn beker, zoals ik in deze beker? En toch hebt u die van mij gestolen. 11 En Juda zei: Op mij, mijn heer; laat uw knecht een woord spreken in het oor van mijn heer. 12 En het zal gebeuren, wanneer wij tot uw knecht, onze vader, komen, en hij niet bij ons is, dat de jongen zal sterven, en wij onze vader met verdriet ten grave zullen doen dalen tot de dood toe. 13 En ik, uw knecht, zal in zijn plaats blijven, in plaats van het kind een knecht voor mijn heer. 14 En Jozef zag dat het hart van hen allen eensgezind was, de ene man met de andere, tot het goede, en hij kon zich niet inhouden, en hij vertelde hun dat hij Jozef was. 15 En hij sprak met hen in de Hebreeuwse taal. 16 En hij zei tegen hen: Ween niet over mij; haast u en breng mijn vader tot mij, opdat ik hem zie voordat ik sterf, en ook de ogen van mijn broer Benjamin, dat hij het aanschouwe. 17 Want zie, dit is het tweede jaar van de hongersnood, en er zijn nog vijf jaren zonder oogst en zonder vrucht van de boom en zonder ploegen. 18 Kom snel af, u en uw huisgezinnen, en kom niet om in de hongersnood, en wees niet bedroefd over uw bezit; want om alles te beschikken heeft God mij vóór u uit gezonden, opdat vele mensen zouden leven. 19 En vertel mijn vader dat ik nog in leven ben; en u, zie, u ziet dat God mij gesteld heeft als een vader voor Farao en als heerser over zijn huis en over heel het land Egypte. 20 En vertel mijn vader al mijn heerlijkheid en alles wat God mij gegeven heeft, rijkdom en eer. 21 En hij gaf hun, op het bevel van de mond van Farao, wagens en proviant voor de weg, en hij gaf hun allen veelkleurige kleren en zilver. 22 En ook aan hun vader zond hij kleren en zilver en tien ezels die koren droegen, en hij zond hen weg. 23 En zij trokken op en vertelden het hun vader. 24 En hun vader geloofde het niet, want hij was ontsteld in zijn gemoed. ### Jubileeën 44 1 En Israël vertrok uit Haran, uit zijn huis, bij de nieuwe maan van de derde maand, en hij ging langs de weg van de Put van de Eed, en hij bracht een offer aan de God van zijn vader Izak, op de zevende dag van deze maand. 2 En Jakob herinnerde zich de droom die hij te Bethel gezien had, en hij was bevreesd om af te dalen naar Egypte; 3 en terwijl hij overwoog om aan Jozef bericht te zenden dat deze tot hem zou komen, en dat hij zelf niet zou afdalen. 4 En hij vierde het feest van de oogst van de eerstelingen van het koren met oud koren, want in heel het land Kanaän was geen handvol, geen enkel zaad in het land, want de hongersnood was over alle wilde dieren en over het vee en over de vogels en ook over de mens. 5 En op de zestiende dag verscheen God aan hem en zei: Jakob, Jakob. En hij zei: Zie, hier ben ik. 6 Ik zal met u afdalen, en Ik zal u terugbrengen, en in dit land zult u begraven worden, en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. Vrees niet; daal af naar Egypte. 7 En zijn zonen en de zonen van zijn zonen stonden op en laadden hun vader en hun bezit op wagens; 8 en Israël vertrok van de Put van de Eed op de zestiende dag van deze derde maand, en hij ging naar het land Egypte. 9 En Israël zond Juda, zijn zoon, voor zich uit naar Jozef, om het land Gosen te verkennen, want Jozef had zijn broers gezegd dat zij daar zouden komen wonen, opdat zij dicht bij hem zouden zijn. 10 En het was goed in het land Egypte en dichtbij hem, voor allen en voor hen die vee hadden. 11 En dit zijn de namen van de zonen van Jakob die met Jakob, hun vader, naar Egypte gingen: 12 Ruben, de eerstgeborene van Israël; en dit zijn de namen van zijn zonen: Henoch en Pallu en Hezron en Karmi — vijf. 13 Simeon en zijn zonen; en dit zijn de namen van zijn zonen: Jemuël en Jamin en Ohad en Jachin en Zohar en Saul, de zoon van de Fenicische vrouw — zeven. 14 Levi en zijn zonen; en dit zijn de namen van zijn zonen: Gerson en Kehat en Merari — vier. 15 Juda en zijn zonen; en dit zijn de namen van zijn zonen: Sela en Perez en Zerah — vier. 16 Issaschar en zijn zonen; en dit zijn de namen van zijn zonen: Tola en Pua en Jasub en Simron — vijf. 17 Zebulon en zijn zonen; en dit zijn de namen van zijn zonen: Sered en Elon en Jahleël — vier. 18 En dit zijn de zonen van Jakob en hun zonen die Lea aan Jakob baarde in Mesopotamië, zes, en één, Dina, hun zuster. 19 En de zonen van Zilpa, de dienstmaagd van Lea, de vrouw van Jakob, die zij aan Jakob baarde: Gad en Aser. 20 En dit zijn de namen van hun zonen die met hem naar Egypte kwamen: de zonen van Gad: Zifjon en Haggi en Suni en Ezbon en Edis en Areli en Arodi — acht. 21 En de zonen van Aser: Jimna en Jisva en Jisvi en Beria en Serah, hun ene zuster — vijf. 22 Alle zielen waren veertien, en alle zielen van Lea waren vierenveertig. 23 En de zonen van Rachel, de vrouw van Jakob: Jozef en Benjamin. 24 En aan Jozef werden in Egypte geboren, voordat zijn vader naar Egypte kwam, hen die Asnath, de dochter van Potifar, de priester van Heliopolis, hem baarde: Manasse en Efraïm. 25 En de zonen van Benjamin: Bela en Bakor en Asbil, Guad en Neëman en Abjod en Rae en Sananim en Afim en Gaäm — elf. 26 En alle zielen van Rachel waren veertien. 27 En de zonen van Bilha, de dienstmaagd van Rachel, de vrouw van Jakob, die zij aan Jakob baarde: Dan en Naftali. 28 En dit zijn de namen van hun zonen die met hen naar Egypte kwamen: de zonen van Dan: Husim en Samon en Asudi en Ijaka en Salomon — zes; 29 en zij stierven in Egypte in het jaar dat zij binnenkwamen, en er bleef Dan alleen Husim over. 30 En dit zijn de namen van de zonen van Naftali: Jahziël en Guni en Jezer en Sallum en Iv; 31 en Iv stierf in Egypte, hij die geboren was na het jaar van de hongersnood. 32 En allen van Rachel waren zesentwintig. 33 En elke ziel van Jakob die Egypte binnenging, was zeventig zielen. 34 En in het land Kanaän waren twee zonen van Juda gestorven, Er en Onan, en zij hadden geen kinderen; en de kinderen van Israël begroeven hen die omgekomen waren, en zij werden gerekend onder de zeventig volken. ### Jubileeën 45 1 En Israël kwam in het land Egypte, in het land Gosen, bij de nieuwe maan van de vierde maand, in het tweede jaar van de derde week van het vijfenveertigste jubeljaar. 2 En Jozef kwam zijn vader Jakob tegemoet in het land Gosen, en hij omhelsde de hals van zijn vader en huilde. 3 En Israël zei tegen Jozef: Nu wil ik sterven, nu ik u gezien heb; en nu zij God geprezen, de God van Israël, en de God van Abraham en de God van Izak, die Zijn barmhartigheid en Zijn genade niet onthouden heeft aan Zijn knecht Jakob. 4 Groot is het voor mij dat ik uw aangezicht gezien heb, terwijl ik nog in leven ben; want werkelijk, waarachtig is het gezicht dat ik te Bethel gezien heb. God, mijn God, zij geprezen tot in alle eeuwigheid, en gezegend zij Zijn naam. 5 En Jozef en zijn broers aten brood voor het aangezicht van hun vader en dronken wijn, en Jakob verheugde zich met zeer grote vreugde. 6 En Jozef gaf aan zijn vader en aan zijn broers een gave, opdat zij zouden wonen in het land Gosen en in Rameses en heel zijn omstreken, waarover zij heersten voor Farao. 7 En Jozef voedde zijn vader en zijn broers, en ook hun bezit, met brood, zoveel als hun genoeg was voor de zeven jaren van de hongersnood. 8 En het land Egypte leed vanwege de hongersnood. 9 En de jaren van de hongersnood werden voleindigd. 10 Want in de zeven jaren van de hongersnood. 11 En het was het eerste jaar van de vierde week van het vijfenveertigste jubeljaar. 12 En Jozef nam van het koren dat zij zaaiden het vijfde deel voor de koning, en vier delen liet hij hun voor voedsel en voor zaad; en Jozef maakte dit tot een inzetting voor het land Egypte, tot op deze dag. 13 En Israël leefde in het land Egypte zeventien jaar. 14 En Israël zegende zijn zonen voordat hij stierf, en vertelde hun alles wat hun overkomen zou in het land Egypte en in de laatste dagen; wat over hen komen zou, maakte hij hun bekend, en hij zegende hen. 15 En hij ontsliep met zijn vaderen en werd begraven in de dubbele grot in het land Kanaän, nabij Abraham, zijn vader, in het graf dat hij voor zichzelf gedolven had in de dubbele grot in het land Hebron. 16 En hij gaf al zijn boeken en de boeken van zijn vaderen aan Levi, zijn zoon, opdat hij ze zou bewaren en ze zou vernieuwen voor zijn kinderen, tot op deze dag. ### Jubileeën 46 1 En het gebeurde, dat na de dood van Jakob de kinderen van Israël talrijk werden in het land Egypte, en zij werden een groot volk, en zij waren allen eensgezind in hun hart, dat de ene broeder zijn broeder liefhad en dat de ene man zijn broeder bijstond; en zij vermeerderden en werden zeer overvloedig talrijk. 2 En er was geen satan en geen enkel kwaad al de dagen van het leven van Jozef, die hij leefde na zijn vader Jakob. 3 En Jozef stierf, een zoon van honderd en tien jaar; zeventien jaar had hij in het land Kanaän gewoond, en tien jaar woonde hij als dienaar. 4 En hij stierf, en al zijn broeders, en heel dat geslacht. 5 En hij gebood de kinderen van Israël, eer hij stierf, dat zij zijn beenderen zouden meevoeren in de dagen wanneer zij uit het land Egypte zouden trekken. 6 En hij deed hen zweren aangaande zijn beenderen, want hij wist dat de Egyptenaren hem niet opnieuw zouden uitvoeren en op zekere dag in het land Kanaän begraven. 7 En hij kon niet binnengaan, want een ander, een nieuwe koning, was koning geworden over Egypte, en hij was sterker dan hij; en hij keerde terug naar het land Kanaän, en de poorten van Egypte werden gesloten, en er was niemand die uitging en niemand die inkwam in Egypte. 8 En Jozef stierf in het zesenveertigste jubeljaar, in de zesde week, in het tweede jaar daarvan, en zij begroeven hem in het land Egypte, en al zijn broeders stierven na hem. 9 En de koning van Egypte trok uit om te strijden met de koning van Kanaän in het zevenenveertigste jubeljaar, in de tweede week, in het tweede jaar daarvan. 10 En velen keerden terug naar Egypte, maar weinigen van hen bleven achter in de bergen van Hebron, en Amram, uw vader, bleef bij hen. 11 En de koning van Kanaän overwon de koning van Egypte, en hij sloot de poorten van Egypte. 12 En hij bedacht een boos plan tegen de kinderen van Israël om hen te verdrukken, en hij zei tot het volk van Egypte: 13 Zie, het volk van de kinderen van Israël is groot geworden en talrijker dan wij; komt, laten wij wijselijk tegen hen handelen eer zij talrijk worden, en laten wij hen verdrukken met dienstbaarheid eer de strijd over ons komt en eer ook zij tegen ons strijden; en zo niet, dan zullen ook zij zich verbinden met de vijand en uit ons land optrekken, want hun hart en hun aangezicht zijn naar het land Kanaän gericht. 14 En hij stelde over hen opzichters van de arbeid aan, om hen met dienstbaarheid te verdrukken. 15 En zij deden hen dienen met verdrukking; en naarmate zij hen kwaad deden, zozeer vermeerderden zij en zozeer werden zij overvloedig. 16 En de mensen van Egypte hadden een afschuw van de kinderen van Israël. ### Jubileeën 47 1 En in de zevende week, in het zevende jaar, in het zevenenveertigste jubeljaar, kwam uw vader uit het land Kanaän, en u werd geboren in de vierde week, in het zesde jaar daarvan, in het achtenveertigste jubeljaar; dat was de tijd van benauwdheid over de kinderen van Israël. 2 En Farao, de koning van Egypte, gaf een gebod aangaande hen, dat zij al hun mannelijke kinderen die geboren werden in de rivier zouden werpen. 3 En zij bleven hen werpen zeven maanden lang, tot op de dag dat u geboren werd. 4 En zij maakte voor u een arkje en bestreek het met pek en asfalt, en zette het neer tussen het riet aan de oever van de rivier, en zij zette u daarin zeven dagen. 5 En in die dagen ging Tharmut, de dochter van Farao, uit om zich in de rivier te baden, en zij hoorde uw stem terwijl u huilde, en zij zei tot haar Hebreeuwse dienaressen dat zij u zouden brengen, en zij brachten u tot haar. 6 En zij nam u uit het arkje en had medelijden met u. 7 En uw zuster zei tot haar: Zal ik gaan en voor u een van de Hebreeuwse vrouwen roepen, die voor u dit kind zal koesteren en zogen? 8 En zij ging en riep uw moeder Jochebed, en zij gaf haar loon, en zij koesterde u. 9 En daarna, toen u opgegroeid was, brachten zij u naar het huis van Farao, en u werd haar zoon, en Amram, uw vader, leerde u het schrift; en toen u drie weken voltooid had, bracht hij u in het voorhof van het koninkrijk. 10 En u was in het voorhof drie weken van jaren, tot aan de tijd dat u uitging uit het voorhof van het koninkrijk. 11 En op de volgende dag vond u er twee uit de kinderen van Israël die met elkaar streden, en u zei tot hem die onrecht deed: Waarom slaat u uw broeder? 12 En hij werd toornig en toornig, en zei: Wie heeft u over ons als vorst en als heerser aangesteld? Wilt u mij doden, zoals u de Egyptenaar gedood hebt? En u vreesde en vluchtte vanwege dit woord. ### Jubileeën 48 1 En in het zesde jaar van de derde week van het negenenveertigste jubeljaar ging u heen en woonde daar vijf weken en één jaar, en u keerde terug naar Egypte in de tweede week, in het tweede jaar, in dat vijftigste jubeljaar. 2 En u weet wat Hij tot u gesproken heeft op de berg Sinaï, en wat de vorst Mastema met u wilde doen toen u terugkeerde naar Egypte, op de weg, bij de herberg. 3 Zocht hij niet met al zijn macht u te doden en de Egyptenaren uit uw hand te redden, omdat hij zag dat u gezonden was om oordeel en wraak te oefenen over de Egyptenaren? 4 En Ik verloste u uit zijn hand. 5 En God oefende over hen een grote wraak ter wille van Israël, en Hij sloeg hen en doodde hen met bloed, en met kikkers, en met luizen, en met steekvliegen, en met een boze zweer, die openbrak in blaren; en hun vee met de dood, en met hagelstenen. 6 En alles werd door uw hand gezonden, dat u het zou aankondigen eer het gebeurde; en u sprak het tot de koning van Egypte en voor al zijn dienaren en voor zijn volk. 7 En alles gebeurde naar uw woord: tien grote en verschrikkelijke oordelen kwamen over het land Egypte, opdat u daaraan de wraak van Israël zou oefenen. 8 En God deed alles ter wille van Israël. 9 En de vorst Mastema stond tegen u op voor uw aangezicht, en zocht u in de hand van Farao te doen vallen, en hij hielp de tovenaars van Egypte, en zij weerstonden en werkten voor uw aangezicht. 10 Het kwaad nu lieten wij hen doen, maar de genezing stonden wij niet toe dat door hun handen bewerkt werd. 11 God sloeg hen met een boze zweer, en zij konden geen weerstand bieden, want wij vernietigden hen, zodat zij zelfs niet één teken konden doen. 12 En bij al de tekenen en wonderen werd de vorst Mastema niet beschaamd, totdat hij zich verstoutte en tot de Egyptenaren riep, dat zij u zouden achtervolgen met heel de macht van Egypte, met hun wagens en hun paarden, en met heel de menigte van de volken van Egypte. 13 En Ik stond tussen u en tussen de Egyptenaren, en tussen hen en Israël, en wij verlosten Israël uit zijn hand en uit de hand van het volk. 14 En al het volk dat hij uitgeleid had om Israël te achtervolgen, God, onze God, wierp hen midden in de zee, in de diepten van de afgrond, beneden de kinderen van Israël, evenals de mensen van Egypte hun kinderen in de rivier geworpen hadden; Hij nam wraak op een miljoen van hen. 15 En op de veertiende dag, en op de vijftiende, en op de zestiende, en op de zeventiende, en op de achttiende, was de vorst Mastema gebonden en opgesloten achter de kinderen van Israël, opdat hij hen niet zou aanklagen. 16 En op de negentiende dag lieten wij hen los, opdat zij de Egyptenaren zouden helpen en de kinderen van Israël zouden achtervolgen. 17 En hij verhardde hun hart en maakte hen stug; en zij werden gesterkt van God, onze God, opdat Hij Egypte zou slaan en hen midden in de zee zou werpen. 18 En op de veertiende dag bonden wij hem, opdat hij de kinderen van Israël niet zou aanklagen op de dag dat zij van de mensen van Egypte vaten en kleren vroegen, vaten van zilver en vaten van goud en vaten van koper, en opdat zij de Egyptenaren zouden beroven in ruil voor de dienstbaarheid waarmee men hen met geweld had laten dienen. 19 En wij leidden de kinderen van Israël niet met lege handen uit Egypte. ### Jubileeën 49 1 Gedenk het gebod dat God u geboden heeft aangaande het pascha, dat u het houden zou op zijn vastgestelde tijd, op de veertiende van de eerste maand; dat u het zou slachten eer het avond wordt, en dat zij het zouden eten in de nacht, op de avond van de vijftiende, van de tijd van het ondergaan van de zon af. 2 Want in deze nacht — het is het begin van het feest en het begin van de vreugde — zat u het pascha te eten in Egypte. 3 En dit is wat God hun gaf: in elk huis op welks deurpost zij het bloed van een lam van het eerste jaar zagen, zouden zij dat huis niet binnengaan om te doden, maar voorbijgaan, opdat allen die in het huis waren behouden zouden worden; want het teken van het bloed was op zijn deurpost. 4 En de machten van God deden alles wat God hun geboden had, en zij gingen alle kinderen van Israël voorbij, en de plaag kwam niet over hen om enige ziel onder hen te verderven, van het vee tot de mens en tot de hond. 5 En de plaag was zeer groot in Egypte, en er was geen huis in Egypte waarin geen dode was, en geween en weeklacht. 6 En heel Israël zat, etende het vlees van het pascha en drinkende wijn, en lovende en zegenende en dankzeggende aan God, de God van hun vaderen, en het was gereed om uit te trekken uit het juk van Egypte en uit de boze dienstbaarheid. 7 En u, gedenk deze dag al de dagen van uw leven, en houd hem van jaar tot jaar, al de dagen van uw leven, eenmaal per jaar, op zijn dag, naar heel zijn wet; en laat geen dag na zijn dag verlopen, noch van maand tot maand. 8 Want het is een eeuwige inzetting, en gegraveerd op de tafelen van de hemel aangaande de kinderen van Israël, dat zij het houden zullen elk jaar, op zijn dag, eenmaal per jaar, in al hun geslachten; en er is geen grens van dagen, want het is voor eeuwig verordend. 9 En de man die rein is en niet komt om het te houden op de tijd van zijn dag, om een offer te brengen dat welbehaaglijk is voor het aangezicht van God, en om te eten en te drinken voor het aangezicht van God op de dag van zijn feest — die man die rein en nabij is zal uitgeroeid worden, omdat hij het offer van God niet gebracht heeft op zijn vastgestelde tijd; en die man zal de zonde op zichzelf laden. 10 Opdat de kinderen van Israël zullen komen en het pascha houden op de dag van zijn vastgestelde tijd, op de veertiende van de eerste maand, tussen de beide avonden, van het derde deel van de dag tot het derde deel van de nacht; want twee delen van de dag zijn aan het licht gegeven, en het derde deel aan de avond. 11 Dit is wat God u geboden heeft, dat u het houden zou tussen de beide avonden. 12 En het zal niet geslacht worden op enige tijd van het licht, maar alleen op de tijd die grenst aan de avond; en zij zullen het eten op de tijd van de avond tot het derde deel van de nacht; en wat overblijft van al zijn vlees, van het derde deel van de nacht af, zullen zij met vuur verbranden. 13 En het zal niet in water gekookt worden, en zij zullen het niet rauw eten, maar geroosterd in vuur, gekookt in vuur met zorg — de kop met de ingewanden en met zijn poten. 14 Daarom heeft God de kinderen van Israël geboden het pascha te houden op de dag van zijn vastgestelde tijd. 15 En u ook, gebied de kinderen van Israël het pascha te houden in hun dagen, elk jaar, eenmaal per jaar op de dag van zijn vastgestelde tijd; en een herinnering zal voor het aangezicht van God komen die welbehaaglijk is, en geen plaag zal over hen komen om te doden of te slaan in dat jaar waarin zij het pascha op zijn tijd houden, naar alles wat geboden is. 16 En het zal voortaan niet geoorloofd zijn het te eten buiten het heiligdom van God, maar voor het heiligdom van God; en heel het volk van de gemeente van Israël zal het houden op zijn tijd. 17 Ieder mens die op zijn dag komt zal het eten in het heiligdom van uw God, voor het aangezicht van God, van twintig jaar oud en daarboven; want zo is het geschreven en verordend, dat zij het eten zullen in het heiligdom van God. 18 En wanneer de kinderen van Israël komen in het land dat zij in bezit zullen nemen, in het land Kanaän, en de tabernakel van God oprichten in het midden van het land, in een van hun stammen, totdat het heiligdom van God gebouwd is op het land — 19 en in de dagen wanneer het huis gebouwd is in de naam van God in het land van hun erfdeel, dan zullen zij daarheen gaan en het pascha slachten in de avond, wanneer de zon ondergaat, in het derde deel van de dag. 20 En zij zullen zijn bloed opbrengen op de voet van het altaar, en het vet zullen zij leggen op het vuur dat op het altaar is; en zijn vlees zullen zij eten, geroosterd in vuur, in het voorhof van het heiligdom, in de naam van God. 21 En zij mogen het pascha niet houden in hun steden, noch in enige van de streken, dan alleen voor de tabernakel van God, of anders voor het huis waar Zijn naam woont; en laat hen niet afwijken van het volgen van God. 22 En u ook, Mozes, gebied de kinderen van Israël, en laat hen de inzetting van het pascha onderhouden, zoals het u geboden is, dat u hun het jaar van jaar tot jaar verkondigt, en zijn dag van dag tot dag, en het feest van de ongezuurde broden, dat zij zeven dagen ongezuurd brood eten, dat zij zijn feest houden, dat zij zijn offer brengen van dag tot dag gedurende deze zeven dagen van de vreugde, voor het aangezicht van God, op het altaar van uw God. 23 Want dit feest hebt u met haast gehouden toen u uit Egypte trokt, totdat u de zee overtrokt in de woestijn van Sur; want aan de oever van de zee hebt u het voleindigd. ### Jubileeën 50 1 En na deze wet maakte Ik u de dagen van de sabbatten bekend in de woestijn van Sinai, die tussen Elim en Sinai ligt. 2 En de sabbatten van het land heb Ik u verteld op de berg Sinaï, en de jaren van het jubeljaar in de sabbatten van de jaren; maar het jaar daarvan heb Ik u niet verteld, totdat u komt in het land dat u in bezit zult nemen. 3 En ook het land zal zijn sabbatten houden terwijl zij daarop wonen, en zij zullen het jubeljaar kennen. 4 Daarom heb Ik voor u vastgesteld de weken van jaren en de jubeljaren: negenenveertig jubeljaren van de dagen van Adam af tot op deze dag, en één week en twee jaren; en er zijn nog veertig jaren die verwijderd zijn, om de geboden van God te leren, totdat zij overtrekken naar de overzijde van het land Kanaän, de Jordaan overtrekkende naar de westkant. 5 En de jubeljaren zullen voorbijgaan, totdat Israël gereinigd is van alle schuld van hoererij, en onreinheid, en verontreiniging, en zonde, en dwaling; en het zal in heel het land wonen in vertrouwen, en er zal voor hem geen satan meer zijn en geen boze; en het land zal rein zijn van die tijd af tot in alle eeuwigheid. 6 En zie, het gebod van de sabbatten heb Ik voor u geschreven, en al de rechten van zijn wetten. 7 Zes dagen zult u werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van God, uw God; u zult daarop geen enkel werk doen, u en uw kinderen en uw dienaar en uw dienaressen en al uw vee, en ook de vreemdeling die bij u is. 8 En de mens die daarop enig werk doet zal sterven; ieder man die deze dag ontheiligt, die bij een vrouw ligt, en wie een woord spreekt over werk daarop, dat hij op die dag iets zou doen — zich op reis begeven, en aangaande alle kopen en verkopen, en wie daarop water put dat hij voor zich niet bereid heeft op de zesde dag, en wie iets optilt om te dragen, om het uit zijn tent of uit zijn huis te brengen — zal sterven. 9 U zult op de sabbat geen enkel werk doen dat u voor u niet bereid hebt op de zesde dag, om te eten en te drinken en te rusten en sabbat te houden van alle werk op deze dag, en om God, uw God, te zegenen. 10 Want groot is de eer die God aan Israël gegeven heeft, om te eten en te drinken en verzadigd te worden op deze feestdag, en daarop te rusten van alle werk dat behoort tot het werk van de mensenkinderen, behalve het branden van reukwerk, en het brengen van offer en slachtoffer voor het aangezicht van God, voor de dagen en voor de sabbatten. 11 Dit werk alleen zal gedaan worden op de dagen van de sabbatten, in het heiligdom van God, uw God, opdat zij voor Israël verzoening doen met een offer, gestadig van dag tot dag, tot een herinnering die welbehaaglijk is voor het aangezicht van God, opdat Hij hen voor eeuwig aanneme, van dag tot dag, zoals u geboden is. 12 En ieder mens die werk doet, en wie een reis gaat, en wie een akker bewerkt, hetzij in zijn huis, hetzij op enige plaats — 13 en de mens die iets hiervan doet op de sabbatdag zal sterven. Hier is voleindigd het woord van de verdeling van de dagen. ## 1 Meqabyan ### 1 Meqabyan 1 1 En er was een man van wie de naam Tsiruts'aidan was, een liefhebber van het kwaad, en hij beroemde zich op de menigte van zijn paarden en op de sterkte van het leger dat onder zijn hand was. 2 En hij had vele goden van afgoden, waarvoor hij zich neerboog en die hij aanbad en waaraan hij offerde, dag en nacht. 3 En het scheen hem toe, in de dwaasheid van zijn hart, dat zij het waren die hem kracht en sterkte gaven. 4 En hij bedacht in zijn hart dat zij hem heerschappij gaven over heel zijn koninkrijk. 5 En bovendien scheen het hem toe dat zij hem macht gaven in de strijd en bij alles wat hij begeerde. 6 En hijzelf offerde dag en nacht. 7 En hij stelde voor elk van hen afgodspriesters aan. 8 En zij veinsden en vertelden hem dat zijn goden aten, dag en nacht, terwijl zij zelf aten van dat onreine offer. 9 En bovendien dwongen zij anderen zoals zij om te offeren en te eten, en opnieuw offerden zij zelf en dwongen zij anderen om eveneens te offeren. 10 Maar hij vertrouwde op zijn afgod, die geen nut heeft. 11 En het scheen hem toe dat zij hem geschapen hadden, omdat zij hem voedden en hem lieten heersen, in de blindheid van zijn hart en in de geringheid van zijn verstand; want Satan had zijn hart verblind, zodat hij God niet kende, Die hem geschapen en gemaakt en gegrondvest had uit het niet-zijn — noch hij noch de zijnen kenden Hem — opdat hij met hem zou gaan in het oordeel en met hem geoordeeld worden voor altijd, en met hen die hij goden noemde, hoewel zij geen goden waren. 12 En het is passend hen doden te noemen, want zij zijn nooit levend geweest. 13 En wat betreft hen die op hen vertrouwen — de mensenkinderen van wie het hart tot as geworden is —: want de geest van Satan komt binnen, die hen daarin verleidt, samen met hun afgod, en die met hen spreekt naar de begeerte van hun hart en zich aan hen vertoont zoals zij verlangen. 14 En wanneer zij zagen dat hij voor hen volbracht wat zij bedacht hadden, verwonderen zij zich en doen ook zij zijn wil, totdat zij hun zonen en hun dochters slachten die uit hun schoot voortgekomen zijn, en zij vergieten onschuldig bloed, het bloed van hun zonen en hun dochters. 15 En zij ontstellen niet, want Satan heeft het hun aangenaam gemaakt naar hun begeerte tot het kwaad, opdat hij hen met zich zou neerbrengen in zijn oordeel — zie, de hel, die geen uitweg heeft, tot in alle eeuwigheid. 16 Maar die Tsiruts'aidan was hoogmoedig, en hij had goden, in de gedaante van mannen en in de gedaante van vrouwen. 17 En hij beroemde zich op die goden van hem, die geen nut hebben, en bovenmate eerde hij hen en offerde hij aan hen, 's avonds en 's morgens. 18 En de mensen dwong hij te offeren, en hijzelf at van dat onreine offer, en anderen dwong hij te eten, en bovenmate gaf hij zich aan het kwaad over. 19 En hij maakte voor zijn goden een gegoten tempel van brons en van ijzer en van lood. 20 En zij overtrokken hen met goud en met zilver, en hij maakte gordijnen en tenten rondom de muur van zijn huis. 21 En hij stelde daar wachters aan, en hij offerde aan hen elke ochtend, en bracht voortdurend offergave aan zijn goden. 22 En hem scheen het toe dat zijn goden aten van de voedsel en de wijn ... op een zilveren schaal, toebereid met geurende olie. 23 En hij zei tot zijn priesters: Komt naderbij, geeft hun, opdat mijn goden eten van mijn offer en drinken van al mijn voedsel; en als het hun niet genoeg is, zal ik er voor hen aan toevoegen. 24 En van dat onreine offer dwong hij allen om te eten en te drinken. 25 En hij, in de boosheid van zijn overleg, zond zijn soldaten uit, die hele zijn koninkrijk doorzochten, om te onderscheiden en te weten of er iemand was die niet offerde en zich niet voor hen neerboog; die zouden zij brengen en voor hem veroordelen met het zwaard en met vuur, en zij zouden zijn goederen plunderen en zijn huis met vuur verbranden met al wat hij had, om het weg te nemen. 26 En hij zei: Ik zal hem pijniging en oordeel doen zien, als hij weigert mijn goden te aanbidden en aan hen te offeren, want zij zijn groot en goed, en in hun goedheid hebben zij ons gemaakt. 27 En zij hebben de hemel en de aarde geschapen, en de grote zee, en de zon en de maan en de sterren en de winden en de regens en alles wat beweegt, tot onze voeding en tot onze verzadiging. 28 En zij die hen niet aanbidden, zullen geoordeeld worden met verwelken en met benauwdheid, en men zal hun geen barmhartigheid bewijzen. ### 1 Meqabyan 2 1 En er was een man uit de stam van Benjamin van wie de naam Meqabyos was. 2 En hij had ... 3 En zij vonden hen en zeiden tot hen: Zult u zich niet neerbuigen en niet offeren aan de goden van koning Tsiruts'aidan, zoals hij bevolen heeft? 4 En als u weigert, zullen wij u grijpen en u naar de koning brengen, en al uw goederen vernietigen, zoals de koning bevolen heeft. 5 En zij antwoordden en zeiden tot hem, deze goede jongemannen: Wij hebben Eén voor Wie wij ons neerbuigen, de God van onze vaderen, de Schepper van hemel en aarde en zee en alles wat daarin is, de Schepper van de zon en de maan en de sterren en de wolken; Hij is de ware God, Die wij aanbidden en in Wie wij geloven. 6 En dezen, de dienaren van de koning, waren vier vorsten, en elk had zijn soldaten die het wapentuig van hun leger droegen. 7 En toen hij wilde dat men deze heiligen zou grijpen, ontkwamen zij aan hun handen, en er was niemand die hun letsel toebracht; en zij gingen heen, dragende het wapentuig van hun leger, want zij waren zeer kloeke en machtige jongemannen. 8 En er was onder hen een die doodde door een beer te wurgen, en hij wurgde hem als een kip, in één ogenblik. 9 En er was onder hen een die een leeuw doodde met één slag van een steen of met een worp van een stuk hout, in één keer. 10 En er was onder hen, in de strijd, een die honderd doodde in één keer met één zwaard; en zo was hun naam en hun roem vermaard in heel het land van Moab en onder de Chaldeeën. 11 En zij waren sterk in kracht, en zij hadden schoonheid en aantrekkingskracht en een goede stem. 12 En de schoonheid van hun gezicht was wonderbaarlijk, en boven alles was het sterkste de schoonheid van hun hart, omdat zij God aanbaden en de dood niet vreesden. 13 En toen zij de soldaten schrik aanjoegen, was er niemand die hen kon grijpen; die sterke mannen ontkwamen naar een steile berg. 14 En die soldaten keerden terug de stad in en trokken door de poorten van de stad en bedreigden het volk, zeggende: Als u ons deze mannen, de Meqabyeeën, niet uitlevert, zullen wij uw stad met vuur verbranden en het bericht naar de koning zenden en uw stad verwoesten. 15 En op dat ogenblik kwamen de mensen van de stad naar buiten — armen en rijken, mannen en oude vrouwen en wezen — en allen riepen tezamen en hieven hun ogen op naar de berg en riepen tot hen, zeggende: Verdelg ons en onze stad niet. 16 En toen huilden zij tezamen en vreesden voor God. 17 En zij keerden hun aangezicht naar het oosten en baden tot God, terwijl zij tezamen hun handen uitbreidden, en zeiden: Zullen wij hen groot maken, o Heere — dezen die Uw wet en Uw gebod overtreden? 18 Wij willen niet luisteren naar het woord van die afvallige, die niet gelooft in Uw wet, maar in goud en in zilver, in hout en in steen, het werk van mensenhanden. 19 En hij maakt zichzelf alsof dezen hem geschapen hebben, terwijl U zijn Schepper bent, Die doodt en levend maakt; maar hij is een vergieter van mensenbloed en een eter van mensenvlees. 20 En wij begeren niet het aangezicht van die afvallige te zien, noch naar zijn woord te luisteren. 21 Maar als U het ons beveelt, zullen wij naar hem gaan en onze ziel overgeven aan de dood om Uwentwil, en wij zullen niet luisteren naar het woord van die afvallige wanneer hij zegt: Offert aan mijn goden. 22 En wij, o Heere, vertrouwen met heel ons hart op U, de God van onze vaderen, die Uw wil doen en in Uw wet wandelen, de God van Abraham, Izak en Jakob, Die het hart en de nieren beproeft. 23 En U beproeft de rechtvaardige en de zondaar, en U doorzoekt wat in het hart van de mens is, en er is niets voor U verborgen; zelfs het verborgene is voor U openbaar. 24 En wij hebben geen andere god behalve U. 25 Maar wees ons tot kracht en tot sterkte en tot toevlucht in dit werk waarmee wij U dienen, opdat wij onze ziel aan de dood overgeven om Uw heilige Naam. 26 En toen Israël het land Egypte binnentrok, hoorde U het gebed van Jakob; en ook nu bidden wij U, heilige God. 27 En toen zij aan hen verschenen ... 28 En bovenmate was de schoonheid van hun gezicht, en zij schenen helderder dan de zon en waren schoner dan voorheen. ### 1 Meqabyan 3 1 En er kwam een stem uit de hemel, die zei: Abya en Sela en Fentos, dienaar van El Elyon, zoals u dezen hebt gezien die gestorven en opgestaan zijn voor uw ogen, zó zult ook u opstaan na uw dood, en uw aangezicht zal stralen in het koninkrijk van de hemelen. 2 En zij gingen met die mannen en werden daar martelaren. 3 En toen baden zij en dankten en bogen zich neer voor God, en de dood joeg hun geen schrik aan, noch het oordeel van de koning. 4 En zij gingen naar die dienaren en joegen hun geen schrik aan, maar waren als een lam zonder boosheid; en toen zij bij hen kwamen, grepen zij hen en sloegen hen en bonden hen en geselden hen en brachten hen naar de koning en stelden hen voor hem. 5 En de koning antwoordde en zei tot hen: U overtreders, hoe komt het dat u niet offert en zich niet neerbuigt voor mijn goden? 6 En zij antwoordden hem, die heiligen en gezegenden en uitverkorenen en verheugden, de broeders Abya en Sela en Fentos, geëerd als een parel waarvan de prijs kostbaar is, als met één mond. 7 En zij zeiden tot die dwaze koning: Wij offeren niet en buigen ons niet neer voor onreine goden, die geen hart en geen verstand hebben. 8 En bovendien goud en zilver, hout en steen, het werk van de handen van het mensenkind en het werk van mensenhanden, die geen ziel en geen verstand en geen kennis hebben, en die geen goed kunnen doen aan wie hun goed doet, noch kwaad aan wie hun kwaad doet. 9 En de koning antwoordde hun en zei: Waarom doet u zo en lastert u tegen mijn geëerde goden? Want ook zij kennen hem die hen verdrukt en tegen hen lastert. 10 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Wij lasteren hen en eren hen niet, want zij zijn voor ons als niets. 11 En de koning antwoordde en zei tot hen: Naar de boosheid van uw daden zal ik u oordelen en de schoonheid van uw gezicht te gronde richten met grote benauwdheid en met geseling en met vuur. 12 En nu, zegt mij of u aan mijn goden zult offeren of niet, voordat ik tegen u de plaag van de zweep en het koord en het zwaard doe opstaan. 13 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Wij buigen ons niet neer en offeren niet aan onreine goden. En de koning gebood dat men hen met dikke stokken zou slaan, en daarna met de zweep, en daarna dat men hen zou openrijten totdat hun ingewanden zichtbaar werden. 14 En daarna bonden zij hen en brachten hen in de gevangenis, die zich in het gevangenhuis bevond, totdat hij zou beraadslagen hoe hij hen zou doden en oordelen. 15 En zij brachten hen in de gevangenis en bonden hen zwaar in boeien, zonder erbarmen, en zij verbleven in de gevangenis drie dagen en drie nachten. 16 En na drie dagen gebood de koning een heraut rond te gaan, opdat de vorsten en de raadsheren en de rentmeesters en de oudsten van de stad zich zouden verzamelen. 17 En koning Tsiruts'aidan, gezeten in de rechtszaal, gebood dat men die gezegenden, Abya en Sela en Fentos, zou brengen en voor hem stellen, geboeid en verwond. 18 En de koning zei tot hen: Bent u tot inkeer gekomen terwijl u deze drie dagen gezeten hebt, of bent u nog in uw vroegere boosheid? 19 En de gezegenden, de strijders van God, antwoordden en zeiden tot hem: Wij zijn standvastig, en wij zullen geen 'ja' zeggen op wat u spreekt — godslastering, vol van boosheid en onreinheid. 20 En die geweldenaar werd toornig en gebood dat men hen zou ophangen en hun wonden zou openhalen, en hun bloed vloeide op de grond. 21 En opnieuw gebood hij dat men hen met een brandende fakkel zou verbranden en dat hun vlees zou verschroeien; en zij deden zo. En de gezegenden zeiden tot hem: Spreek verder, o goddeloze; naarmate u onze bestraffing vermeerdert, zo vermeerdert ons loon. 22 En opnieuw gebood hij dat men wilde dieren zou brengen — een luipaard en een beer en een leeuw — om die op hen los te laten, terwijl zij hun voedsel niet gegeten hadden, opdat zij hen dan zouden verslinden met hun beenderen en al. 23 En hij gebood de dierentemmers om die op hen los te laten, en zij deden zoals hij hun geboden had; en zij bonden de heilige martelaren met de handen op de rug, en bonden hen opnieuw aan palen die zij daartoe gemaakt hadden. 24 En die wilde dieren stormden op hen af, al brullende; en toen zij bij de martelaren kwamen, bogen zij zich voor hen neer en betoonden hun eerbied. 25 En zij keerden terug naar hun oppassers, al brullende, en joegen de wachters schrik aan, en dreven hen voort totdat zij hen voor het aangezicht van de koning brachten. 26 En daar doodden zij uit het kamp van de afvalligen ... vijf zielen. 27 En velen werden vertrapt terwijl zij in angst op elkaar drongen, totdat de koning zelf zijn troon verliet en vluchtte; en met moeite grepen zij de wilde dieren en brachten hen naar hun hol. 28 En zij kwamen ... 29 En de martelaren antwoordden en zeiden tot hun broeders: Het past ons niet te vluchten, nadat wij tot het martelaarschap zijn opgestaan; maar als u bevreesd bent, gaat heen en vlucht zelf. 30 En die jongere broeders zeiden: Ook wij zullen met u staan voor de koning, en als u sterft, zullen ook wij met u sterven. 31 En daarna zag de koning, op het dak van de zaal van zijn koninkrijk, dat die gezegenden waren losgemaakt en waren ... 32 En de koning gebood dat men de vijf broeders zou grijpen en in de gevangenis werpen, totdat hij zou beraadslagen hoe hij hen zou oordelen; en zij wierpen hen in de gevangenis en bonden hen zwaar in boeien, in het gat van een houtblok, zonder erbarmen. 33 En koning Tsiruts'aidan zei: Deze verleiders, die jongemannen, hebben mij vermoeid. Hoe standvastig zijn de harten van deze mannen! Zoals de sterkte van hun kracht, zo is de boosheid van hun daden; en wanneer ik zeg dat zij zullen toegeven, verharden zij hun harten. 34 En ik zal hun vergelden naar de boosheid van hun daden en hun vlees met vuur verbranden, zodat het as wordt; en het zal daar verschroeien. Ik zal de verbrande resten van hun vlees als stof uitstrooien over een grote berg, opdat de wind hen wegneemt. 35 En nadat hij dit gezegd had, wachtte hij drie dagen, en hij gebood dat men de heiligen zou brengen; en toen deze heiligen naderden, gebood hij dat men vuur zou aansteken in een oven en in een grote kuil, en dat men daarin zou werpen gloeiende kolen en brandbare stoffen — pek en papyrus en vet en honing en nafta en zwavel. 36 En toen de oven kookte, gingen zijn dienaren naar de koning, zeggende: Wij hebben gedaan wat u ons geboden hebt; zend de mannen die erin geworpen moeten worden. 37 En hij gebood dat men hen zou nemen en in de vurige oven werpen; en zij deden zoals de koning hun geboden had. En toen de gezegenden daarin gingen, gaven zij hun ziel over aan God. 38 En de engelen ontvingen hen, terwijl zij die hen erin geworpen hadden toekeken, en zij droegen hun zielen in de schoot van Abraham, Izak en Jakob, in de hof van de vreugde. ### 1 Meqabyan 4 1 En die geweldenaar, toen hij zag dat zij gestorven waren, gebood dat men hun lichamen met vuur zou verbranden, totdat het als stof werd, en het in de wind zou verstrooien; maar hij kon zelfs niet het haar van hun hoofd aan hun lijken verbranden, en zij haalden hen uit de kuil. 2 En opnieuw staken zij vuur boven hen aan, van de morgen tot de avond, en het raakte hen niet; en opnieuw zei hij: Komt, laten wij hun lichamen in de zee werpen. 3 En zij deden zoals de koning hun geboden had en wierpen hen in de zee, maar de zee verzwolg hen niet, ook al hadden zij zware gewichten op hen gelegd en grote stenen en een ezelsmolensteen; en zij zonken niet in de zee, maar dreven boven op de diepte, want de Geest van God was op hen; en het lukte hun met geen enkele list die zij bedachten. 4 En hij zei: Aangezien dit vlees van hen mij een stank geworden is, gescheiden van hun zielen, wat zal ik doen? — Ik zal hun lichamen aan de wilde dieren voorwerpen, opdat zij hen opeten. 5 En zij deden zo, maar de wilde dieren en de vogels raakten hun lichamen niet aan, en hun lichamen bleven vele dagen liggen, terwijl adelaars en vogels hen met hun vleugels beschutten tegen de hitte van de zon; en hun lijken ... 6 En toen zij hen zagen, blonken hun lichamen als de stralen van de zon en als een tent van licht; de engelen omringden hun lichamen. 7 En hij beraadslaagde, maar wist niet wat te doen; en toen groef hij de aarde en begroef de lichamen van de vijf martelaren. 8 En zij verschenen in de nacht aan die goddeloze koning ... 9 En toen hij ontwaakte, werd hij bevreesd en zocht hij van hoek tot hoek van het huis te vluchten, want het scheen hem toe dat er verdrukkers zijn huis waren binnengekomen en tegen hem waren opgestaan; en zijn knieën beefden en hij vreesde, want het scheen hem toe dat zij hem zouden doden. 10 En hierom zei hij: Wat wilt u, mijn heren, en wat zal ik voor u doen? 11 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijn wij niet dezen die u hebt gedood en verbrand en van wie u geboden hebt dat men ons in de zee zou werpen? Maar het is u mislukt, want God heeft ons vlees bewaard, omdat wij op Hem vertrouwd hebben. Dank zij God, want wie op Hem vertrouwt, zal niet omkomen; en ook wij, die op Hem vertrouwd hebben, zijn niet beschaamd geworden. 12 En hij zei tot hen: Wat voor beloning zal ik u geven in ruil voor het kwaad dat ik u aangedaan heb? Want ik wist niet dat dit oordeel mij zó zou overkomen. 13 En nu, bepaalt voor mij hoeveel beloning ik u zal geven, opdat u mijn ziel niet in de dood wegneemt en mij niet levend neerbrengt in het dodenrijk. 14 Want ik heb onrecht gedaan; vergeeft deze mijn misdaad, want de wet van uw vader is barmhartigheid. 15 En de gezegende martelaren antwoordden en zeiden tot hem: Wij zullen u geen kwaad vergelden in ruil voor wat u ons aangedaan hebt; er is God, onze God, Die u vergelden zal, want de vergelding is van God. 16 Maar wij zijn u verschenen om te tonen dat wij levend zijn, vanwege de blindheid van uw hart en het gebrek van uw verstand; en terwijl u meende dat u ons gedood had, hebt u voor ons het leven bereid. 17 Maar u en uw goden zult neerdalen in het oordeel van de vuurvlam, waar geen ontkoming is, tot in eeuwigheid. 18 Wee u, u en uw goden die u aanbidt en voor wie u zich neerbuigt, terwijl u de aanbidding hebt verlaten van God Die u geschapen heeft — terwijl u speeksel bent en niet weet vanwaar u gekomen bent. Bent u niet rook, vergankelijk, die nu verschijnt en morgen voorbijgaat? 19 En de koning antwoordde en zei tot hen: Wat gebiedt u mij, opdat ik alles doe wat u begeert? 20 En zij zeiden tot hem: Niet om onzentwil onderrichten wij u, maar om uwentwil, opdat u niet ingaat in het oordeel van de vuurvlam. 21 Want die goden van u zijn goud en zilver, hout en steen, het werk van mensenhanden, die geen ziel en geen verstand en geen kennis hebben. 22 Want zij kunnen niet doden noch levend maken, geen goed doen noch kwaad doen, niet onteren noch eren, niet arm maken noch rijk maken, niet uitrukken noch planten; maar zij misleiden u door de geest van de boze geesten, die niet willen dat ook maar één van de mensen behouden wordt. 23 En vooral hen die zoals u zijn, blind van hart, aan wie het toeschijnt dat zij u geschapen hebben, terwijl u het zelf bent die hen gemaakt hebt. 24 Want de geesten van de boze geesten en de satans verzamelen zich en antwoorden u naar wat u begeert, opdat zij u verzinken in de zee van vuur. 25 Maar u, verlaat deze dwaling en aanbid God, onze God; en laat dit ons tot loon zijn in plaats van onze dood, opdat wij voor onze ziel gewin verkrijgen. 26 Maar hij ontstelde en verstomde en verwonderde zich en vreesde, want hun zwaarden waren getrokken ... 27 En hij zei: Nu weet ik dat werkelijk de doden zullen opstaan, zij die tot as geworden zijn; en ik ben ternauwernood aan de dood ontkomen. 28 En daarna verdwenen zij uit de ogen van die koning; en van die dag af hield hij op met de lijken van hun lichamen — die Tsiruts'aidan, hoogmoedig en verwaand. 29 En hij verheugde zich in de dwaling van zijn hart en in zijn goden, want zij hadden hem vele dagen misleid; en niet hij alleen dwaalde, maar hij deed ook velen zoals hij dwalen, totdat zij ophielden Hem te volgen Die hen geschapen had. 30 En zij offerden hun zonen en hun dochters aan de boze geesten en deden de begeerte van hun hart — hoererij en onreinheid — die hun vader Satan hun geleerd had, om beroering en onreinheid te bedrijven waarin God geen behagen heeft. 31 En zij huwen hun moeder en verontreinigen hun zuster en hun verwanten en al wat op deze onreine daad lijkt, en zij verontreinigen hun zielen en weigeren zich te bekeren, want Satan verhardde de harten van die verdorvenen. 32 En die Tsiruts'aidan was hoogmoedig en verwaand, die zijn Schepper niet kende en zich beroemde op zijn goden. 33 Hoe geeft God het koninkrijk aan hen die Hem niet kennen? En Hij zei: Omdat Hij hen beproeft, of zij zich zullen bekeren en tot Hem wederkeren. 34 En als zij zich bekeren en tot Hem wederkeren, heeft Hij hen lief en bewaart Hij hun koninkrijk; maar als zij weigeren, oordeelt Hij hen met de siddering van de hel, die eeuwig is. 35 Een koning behoort, naar de grootheid van zijn koninkrijk, God te vrezen; en ook een vorst behoort, naar de grootheid van zijn heerschappij, zich in het goede door zijn Schepper te laten leiden. 36 En de oudsten en de aanzienlijken en de vermogenden en de rentmeesters behoren, naar de grootheid van hun aanzien, hun Schepper te gehoorzamen. 37 Want Hij heeft heel de schepping geschapen, Hij, de Heere van hemel en aarde, Die arm maakt en Die rijk maakt, Die onteert en Die eert; want er is geen andere god behalve Hij, in de hemel daarboven of op de aarde daarbeneden. ### 1 Meqabyan 5 1 Re'itawi verhief zich, en in één ogenblik maakte God dat zijn buik gevuld werd, van zijn voeten tot zijn hoofd, en op datzelfde ogenblik stierf hij. 2 En opnieuw verhief zich Nimrod, die een bed van ijzer liet maken vanwege de grootheid van zijn kracht; ook hem heeft God neergeslagen. 3 En opnieuw verhief zich Nebukadnezar en zei: Er is geen andere koning behalve ik, en ik ben het die de zon doet opgaan over de aarde; en uit de grootheid van zijn hoogmoed sprak hij zo. 4 En God verdreef hem van onder de mensen ... zeven jaar, en God gaf hem zijn deel bij de wilde dieren en de vogels van de hemel, totdat hij erkende dat het God was Die hem geschapen had. 5 En toen hij Hem erkende, bracht Hij hem weer terug in zijn koninkrijk. Wie is het die zich tegen Hem verzet heeft en zich verheven heeft boven God, zijn Schepper, Die geen stof is? 6 En wie heeft Zijn wet en Zijn inzetting overtreden, dien de aarde niet verzwolgen heeft? 7 En ook u, Tsiruts'aidan, wilt u verheffen, zelfs boven uw Schepper; en opnieuw staat ook u hetzelfde te wachten als hun: dat Hij u van uw hoogmoed neerwerpt en u neerbrengt in het stof van de dood. 8 En bovendien in het dodenrijk, in de duisternis, waar geween is en tandengeknars, ver beneden in een grote en diepe kuil, waar geen uitweg is tot in eeuwigheid. 9 U bent een mens, en u bent stof, die morgen sterven zult, gelijk de trotse koningen zoals u, die het verblijf van deze wereld verlaten hebben. 10 En wij zeggen: U bent een mens en niet God, want God is de Schepper van hemel en aarde, en de Schepper van u. 11 En Hij vernedert de hoogmoedigen en verheft de nederigen, en Hij geeft kracht aan de zwakken en geeft zwakheid aan de sterken. 12 En Hij geeft de dood aan de levenden, en Hij wekt de doden op die in het graf liggen en tot as geworden zijn. 13 En Hij bevrijdt de slaven tot het leven, uit de slavernij van de zonde. 14 O koning Tsiruts'aidan, waarom beroemt u zich op uw onreine goden, die geen nut hebben? 15 God heeft de hemelen gemaakt en de aarde gegrondvest en de grote zee geschapen, de zon en de maan gesteld, de tijden bepaald en de jaren ingesteld. 16 En de mens gaat uit tot zijn arbeid, en hij werkt en zwoegt tot de avond valt; en ook de sterren van de hemel worden ontstoken op Zijn woord. 17 En Hij telt hen allen bij hun namen, en er gebeurt niets dat God niet weet. 18 En ook de engelen van de hemel — Hij is het Die hen beschikt heeft om Hem te dienen en Zijn heilige Naam te prijzen; en zij worden uitgezonden naar alle engelen ten behoeve van hen die het leven beërven. 19 Rafaël, de engel, werd gezonden tot Tobit en verloste Tobias in het land van Raguël. 20 En een engel werd gezonden tot Gideon om hem te onderrichten hoe hij de Filistijnen zou verdelgen; en een engel werd gezonden tot Mozes, de leidsman, toen hij Israël door de Rode Zee deed trekken. 21 Want God zei: Hij alleen heeft hen geleid, en er was geen vreemde god bij hen. 22 En Hij voerde hen op tot de hoogten van het land. 23 En Hij voedde hen met het koren van de velden en verzorgde hen met honing uit de rots, want Hij had hen bovenmate lief. 24 En ook u — Hij heeft u koning gemaakt over Zijn volk en u heerschappij gegeven over vier koninkrijken, opdat u het volk zou behoeden en het in gerechtigheid zou weiden en de wil zou doen van Hem Die u geschapen heeft. 25 En Hij heeft u tot koning gemaakt, opdat u boven alles God, uw God, zou liefhebben, want boven allen heeft Hij u verhoogd en u koning gemaakt ... 26 En ook u — het is recht dat u God, uw God, bovenmate liefhebt, zoals u hebt liefgehad en getrouw geweest bent over heel Zijn kudde; en doe de wil van God, opdat uw dagen lang zijn op de aarde en Hij met u zij. 27 En Hij zal u bijstaan tegen al uw vijanden en u zetten op heel uw troon en Zijn vleugels over uw hoofd uitspreiden. 28 Als u het wist — God heeft u verkoren, zoals Hij Saul verkoren heeft uit de kinderen van Israël en hem koning gemaakt heeft over Israël, Zijn volk, terwijl hij de ezelinnen van zijn vader zocht; en hij zat op een troon met Samuël, de profeet. 29 En hij gaf hem een groot deel, meer dan zijn broeders, en zei tot hem: Zie, van nu af heeft God u koning gemaakt over Zijn volk; weid Zijn volk. 30 En bejegen hen die goed doen met goed, en hen die kwaad doen met kwaad, want God heeft u over hen aangesteld, opdat u zou doden en levend maken. 31 En hen die goed doen, dat u hun goed vergeldt; en hen die kwaad doen, dat u hun kwaad vergeldt; want God heeft u over alles aangesteld, opdat u naar Zijn wil zou doen wat u wilt, hetzij terwijl u straft, hetzij terwijl u in leven laat. 32 En ook u, doe de wil van God te allen tijde en op ieder uur, opdat Hij uw wil zou doen in alles wat u bedenkt en in alles wat u vraagt, terwijl u zich voor Hem verootmoedigt; want ook u bent een dienaar van Hem Die over alles heerst, van Hem Die boven is. 33 En Hij Die niemand oordeelt — Hij oordeelt allen. 34 Hij Die niemand aanstelt — Hij stelt allen aan. 35 Hij Die niemand afzet — Hij zet allen af. 36 Hij Die niemand vrijmaakt — Hij maakt allen vrij. 37 Hij Die niemand dwingt — Hij onderwerpt allen; en er is niemand die aan Zijn hand ontkomt, want het oordeel van hemel en aarde is bij Hem. 38 En er is niets verborgen voor Zijn ogen, maar alles is voor Hem openbaar. 39 En Hij ziet alles, maar er is niemand die Hem ziet; Hij hoort het gebed van wie tot Hem bidt en neemt zijn gebed aan, want Hij heeft de mens geschapen naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. 40 En Hij voedt allen uit Zijn schatkamer, die niet opraakt, want Hij is de Koning Die in eeuwigheid blijft. ### 1 Meqabyan 6 1 En de koningen schreven over hem geheel naar recht, want in gerechtigheid doet Hij koningen heersen, degenen die Zijn wil doen. 2 En Hij verlicht hun woning met een licht dat niet te beschrijven is, waar Abraham, Izak en Jakob zijn, en David en Salomo en Ezechiël,[^1] en alle goede koningen van wie de woning verlicht is, omdat zij de wil van God deden; en niet gelijk de zaal[^2] die op de aarde is, maar de zaal die in de hemel is, zeer ontzagwekkend, en met een reine vloer, van gedaante als goud en zilver en jacint. 3 Die het verstand van de mens te boven gaat, waarvan de gedaante zeer schitterend is: de zaal van het koninkrijk van de hemelen, schitterend van topaas en van smaragd en van kostbare stenen.[^3] 4 En met alle kostbaar edelgesteente van heerlijkheid, dat het verstand van de mens te boven gaat, is de zaal van het koninkrijk zeer schitterend, die Hijzelf als kunstenaar gemaakt heeft, zoals Hij het weet: de zaal van het koninkrijk van de hemelen; en rein is haar vloer, van gedaante als goud en zilver en jacint, en van andere kleuren, en van de gedaante van jacint en zijde.[^4] 5 En zo is zij schoon en liefelijk, zeer rein en schitterend, 6 en gegrondvest in gerechtigheid en in recht, en gemaakt in genade en in barmhartigheid. 7 En er is dat wat water des levens doet vloeien, zeer rein als de zon, en een tabernakel van licht, omkranst met de zuilen[^5] van Hermon. 8 En rondom Zijn huis is geplant met de zoete vruchten van de hof, elk naar zijn eigen gedaante en zijn geur, en wijngaarden en olijf en olie; en zeer goed en zoet is de geur van hun vrucht. 9 En wanneer iemand van vlees daarbinnen komt, zou van de zoetheid van de geur van hun vrucht zijn ziel uitgaan door de overvloed van de vreugde die daarover is. 10 En daar verheugen zich de goede koningen die de wil van God deden; hun werken en hun standplaats zijn bekend, bij de standplaats van het leven, tot in eeuwigheid, in het koninkrijk van de hemelen. 11 En Hij toonde dat, gelijk in de hemel, zo ook op de aarde: gelijk de grootheid van hun koninkrijk op de aarde, en gelijk men hen eert en zich voor hen neerbuigt, zo worden zij ook in de hemel geëerd en verhoogd en verheugen zich, als zij goed gedaan hebben in hun leven op de aarde. 12 Maar de harden[^6] in hun koninkrijk en in hun heerschappij die God hun gegeven heeft, en die niet oordelen in gerechtigheid en recht, en de verdrukte en de vreemdeling en de wees niet verlossen, omdat zij het woord van de armen en de behoeftigen verachtten; 13 en die de armen en de behoeftigen niet verlossen uit de hand van hem die hen verdrukt, en de hongerigen niet verzadigen uit hun voedsel, en de dorstigen niet te drinken geven uit hun drank, en hun oor niet neigen naar het geroep van de kinderen van de mensen — 14 hen ook leiden zij naar de woning van het dodenrijk, de gewesten van de duisternis; en gelijk de grootheid van hun heerlijkheid, zo veel te groter wordt hun schande en hun ellende, wanneer over hen komt die grote dag die God gemaakt heeft, en Zijn toorn. Zoals David zei in de Psalm: Heere, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw woede. 15 En zij die Uw wet bewaren, terwijl zij koningen en vorsten zijn, en terwijl zij heersers van de wereld zijn op de aarde — 16 en in de hemel is de Heerser van allen, en alle zielen zijn in Zijn hand, en het leven van allen is in Zijn mond; die heerlijkheid geeft aan hen die Hem eren, en die hen verheerlijkt die Hem liefhebben, want Hij heerst over alles en regeert alles. 17 En Hij beproeft het hart en de nieren, want Hij is de Koning van hemel en aarde, die het gebed verhoort van hem die tot Hem bidt met een rein hart. 18 En Hij verbreekt de hoogmoed van de machtigen, die kwaad doen aan de weerlozen[^7] en aan de wezen. 19 Niet door uw kracht bent u tot dit koninkrijk verheven, en niet door uw vermogen zit u op deze troon; maar Hij Zelf heeft, naar Zijn wil, u op de troon van het koninkrijk gezet, om u te beproeven of u in staat bent Zijn volk te regeren, gelijk Saul in die dagen, die zijn volk regeerde en zich verblindde voor het woord van God en voor het woord van Samuël de profeet, en de koning van Amalek en hun volk niet doodde. 20 Want God zei tot Samuël de profeet: Ga, zeg tot Saul: Ga en voer oorlog tegen het land van Amalek, en dood al hun koningen en hun inwoners, van mens tot dier, want zij hebben Mij vertoornd door overtreding van de wet en door de verering van vreemde goden en het buigen voor het beeld, en door hun gruwelen en door elk onrein werk dat geen nut heeft. 21 En daarom, toen zij God vertoornd hadden, zond Hij Saul om hen te doden. 22 Maar hij redde hun koning en ook veel vee, en vrouwen en maagden, en spaarde het beste van de jongemannen;[^8] en daarom zei God tot Samuël de profeet: omdat hij Mijn woord overtreden heeft en Mijn gebod niet gehoorzaamd heeft, ga, scheur zijn koninkrijk af. 23 En zalf David, de zoon van Isaï, opdat hij in zijn plaats zal heersen over Israël. 24 En over hem liet Hij een demon los, die hem verstikte. 25 Want Ik heb hem het koninkrijk gegeven opdat hij Mijn wil zou doen, en toen hij weigerde Mijn wil te doen, heb Ik hem van zijn koningschap[^9] afgezet. En u, ga, spreek en zeg tot hem: Zo dan ongehoorzaamt u God, die u koning gemaakt heeft over Zijn volk Israël en u op de troon van Zijn koninkrijk gezet heeft? 26 En u hebt niet erkend dat Hij u zulk een grote heerlijkheid en grootheid gegeven heeft. 27 En Samuël de profeet ging naar Saul de koning en trad tot hem in, terwijl hij aan de tafel stond, en Agag, de koning van Amalek, aan zijn linkerhand. 28 En hij zei tot hem: Waarom verblindt u uzelf, ongehoorzaam aan God, die u geboden heeft mens en dier te doden? 29 En toen vreesde de koning en stond op van zijn troon en greep het kleed van Samuël; en Samuël weigerde zich om te keren, en het kleed van Samuël werd gescheurd. 30 En Samuël zei tot Saul: God heeft uw koninkrijk gescheurd. 31 En opnieuw zei Saul tot Samuël: eer mij voor het volk en doe verzoening voor mij voor God, opdat Hij mij genadig zij. Maar Samuël weigerde zijn woord terug te nemen, want hij vreesde het woord van God, zijn Schepper, en vreesde de sterfelijke koning niet. 32 En daarom sloeg hij Agag, de koning van Amalek, dood, terwijl de voedsel in zijn mond was. 33 En die goddeloze, die het woord van God overtreden had, een onreine geest greep hem en sloeg zijn hoofd; want God ontziet de koning niet die onrecht deed, want Hij is de Koning van de koningen, die door niemand geboden wordt. 34 En over Hem is er niemand die Hem gebiedt, want Hij is de Heere van heel de schepping, die alle macht verbreekt van de koningen en de vorsten die Hem niet vrezen. 35 En van Saul nam Hij het koninkrijk weg, van hem en van zijn zoon, zoals het zegt: het huis van David gaat waar het verhoogd wordt, maar het huis van Saul gaat waar het vernederd wordt. 36 En God wreekte Zich op het zaad van het huis van Saul, omdat het Hem vertoornd had, en Hij spaarde Zijn overtreders niet,[^10] die Hem vertoornd hadden door de boosheid van hun daden; want de vijand van God is niet te betreuren, wie ook de vijand van God is. 37 En wie zich niet wreekt op de zondaar, terwijl hij kan wreken en zelf de macht daartoe heeft, die is werkelijk een vijand van God, die de wet van God, die er is, niet handhaaft.[^11] ### 1 Meqabyan 7 1 En hetzij u een koning bent, hetzij u een vorst bent, wat bent u? Is het niet God die u geschapen heeft? 2 En Hij heeft u gebracht vanwaar u niet was, opdat u Zijn wil zou doen en zou wandelen in Zijn gebod en Zijn oordeel zou vrezen. Gelijk u toornig wordt op uw dienaar en macht over hen hebt, zo is er ook over u Eén die toornig wordt op u en macht over u heeft. 3 Gelijk u zonder barmhartigheid[^1] slaat degenen die overtreding begaan, zo is er ook voor u God, die u zal slaan en u zal werpen in het oordeel, waar geen ontkoming is, tot in eeuwigheid. 4 En gelijk u hem tuchtigt die zich niet aan u onderwerpt en u geen geschenk brengt: waarom brengt u dan geen geschenk aan God? 5 En gelijk u begeert dat men u vreest: waarom vreest u God, uw God, niet, want Hij is het die u geschapen heeft en u koning gemaakt heeft over al Zijn werk, opdat u Zijn volk en Zijn kudde zou aanzien in gerechtigheid? 6 En zie de persoon van groot noch klein aan, maar oordeel in gerechtigheid en recht, zoals God u verzorgd heeft. Wie zou u vrezen buiten Hem? Onderhoud Zijn wegen en Zijn geboden. 7 En wijk niet af, niet naar rechts en niet naar links, zoals Mozes de kinderen van Israël gebood en tot hen zei: Ik heb u vuur en water voorgezet; leg uw hand op datgene wat u wilt. 8 En hoor het woord van Hem die het u geeft, opdat u Zijn woord hoort en Zijn gebod doet; en opdat u niet zegt: het is aan de overzijde van de rivier — wie zal het mij brengen, opdat ik het zie en Zijn woord hoor en het gebod van God doe? 9 En als u opnieuw zegt: wie zal voor mij opklimmen in de hemel en dat woord van God voor mij neerbrengen, opdat ik het hoor en het doe? — Zo zei Hij: zie, het woord is nabij u, in uw mond, en zie, in uw hand. 10 En als u de Schrift niet gehoord hebt, hebt u God, uw God, niet gehoord; en als u Mijn woord niet bewaard hebt, hebt u Hem niet liefgehad en Zijn gebod niet gedaan.[^2] 11 En u zult ingaan in het eeuwige oordeel, omdat u Zijn gebod niet hebt liefgehad en de wil niet gedaan hebt van Hem die u groot gemaakt heeft en u geëerd heeft boven heel uw volk, opdat u hen zou weiden in uw gerechtigheid. 12 En Hij heeft u hoog gemaakt en tot hoofd over heel Zijn volk, terwijl u de naam van uw God gedenkt, die u geschapen heeft en u gegeven heeft het volk te oordelen in gerechtigheid en recht. 13 En degenen die tegen u misdoen, die u bestraft en die u onderwijst, terwijl u de weg van God gedenkt en terwijl u uw gedachten goed maakt en in recht oordeelt. 14 En wanneer zij voor u twisten, zie de persoon niet aan, en neem geen geschenk van een mens om hem te begunstigen, noch doe een onschuldig man onrecht om hem te verdrukken; want de hele aarde is de uwe.[^3] 15 En als u Zijn wil doet, zal Hij uw dagen verlengen. 16 Gedenk dat u zult opstaan uit de doden en voor Zijn aangezicht zult staan en ondervraagd zult worden over alles wat u gedaan hebt, hetzij kwaad hetzij goed. 17 En als u goed gedaan hebt, zult u wonen in de woning van de goede koningen, in de huizen van het licht; maar als u kwaad gedaan hebt, zult u wonen in de woning van de boze koningen; en God ontziet Zich niet uw heerlijkheid te beschikken.[^4] 18 En u, wanneer u de grootheid van uw majesteit ziet en de slagorde van uw leger en de wapenrusting van uw krijgsmacht die uitgestald is,[^5] en u uw paarden aanschouwt en het soldaten onder uw hand, en hen die de bazuin blazen en zich verheugen met de harp voor u — 19 en u, wanneer u dit alles ziet, verheft u uw gedachten en maakt uw nek stijf en gedenkt Hem niet die u al deze heerlijkheid gegeven heeft. Is het niet zo dat, wanneer Hij tot u zegt: houd op, ook u zult worden weggenomen? 20 En Hij zal uw heerlijkheid aan een ander geven, omdat u zich verblind hebt voor de weldaad waarmee Hij u verzorgd heeft. 21 En daar ook zal Hij u opzoeken en met u afrekenen en u oordelen, want plotseling komt de dood over u; en bij de opstanding zal er gericht zijn, en de daden van de mensen zullen ondervraagd worden. 22 En voor de koningen van de aarde is er niemand die hen eert, en voor de vorsten van de aarde valt de kroon van hun roem;[^6] want de rijke en de arme staan tezamen in het oordeel en het gericht, want Hij is een rechtvaardig Rechter. 23 In het rechtvaardige oordeel beeft de ziel, en de boeken worden geopend, en de daden van de mensen worden openbaar, en er is niets dat bedekt wordt. 24 Ten dage van de opstanding van de doden: want de aarde geeft haar moederschoot terug, wat op haar gelegd is, gelijk een vrouw haar moederschoot niet kan sluiten wanneer zij tot de geboorte gekomen is, en wat in haar buik is gereed is om uit te gaan. 25 En kunnen de wolken de regen tegenhouden, zodat zij niet gaan waar God hen geboden heeft, zodat zij niet neerdalen? Zo is het ook onmogelijk dat de doden niet opstaan, wanneer de tijd van de opstanding gekomen is; want het woord van God bracht alles voort uit het niet-zijnde, en het woord van God bracht alles in de diepte. 26 En opnieuw brengt het woord van God alles uit de diepte, zoals Mozes zei: Niet bij brood alleen leeft de mens, maar bij elk woord dat uit de mond van God voortkomt. 27 Zie dan, het is bekend dat door het woord van God de doden leven. 28 En opnieuw zei Hij in Deuteronomium aangaande hen die koningen en vorsten worden en die eigen wil doen in de boosheid van het oordeel: Ik zal Mij op hen wreken, en ten tijde dat hun voet wankelt, want de dag van hun afrekening is nabij. 29 En opnieuw zei God tot hen die het oordeel van God niet kennen: Weet, weet dat Ik God ben — Ik dood en Ik maak levend. 30 Ik kastijd en Ik ontferm Mij; Ik voer neer in het dodenrijk en Ik voer opnieuw op tot in de hemel, en er is niemand die aan Mijn hand ontkomt. 31 Zo zei God aangaande de koningen en vorsten die Zijn gebod niet onderhielden: Onderhoudt Mijn wet en Mijn voorschriften, opdat u ingaat in Mijn eeuwig koninkrijk; want het koninkrijk dat op de aarde is, is vergankelijk, en het verdwijnt van de morgen tot de avond. 32 Want het is de beker van God, ten ere en ter schande: deze zet Hij te schande en die eert Hij. 33 Hem die Zijn wil niet doet, neemt Hij weg, en hem die Zijn wil doet, stelt Hij aan. ### 1 Meqabyan 8 1 En aangaande de opstanding van de doden ook, hoor, ik zal het u vertellen: men plant bomen en men maakt takken en ranken van de wijnstok en men maakt daaruit wijn; want uit het niet-zijnde brengt God de vrucht voort. 2 Zie, klein is de boom die u geplant hebt, en hij komt op met takken en loof en vrucht. 3 En God geeft zijn wortels te drinken uit de borsten,[^1] uit water en uit aarde; 4 en dat wat hen voedt is uit de wind en uit de zon; de wortel geeft water aan het loof, en de aarde geeft ook vastheid aan de bomen. 5 En de Geest van God geeft vrucht in hun midden; zo is ook hun opstanding, die van de doden. 6 En Hij zei tot de winden: verzamelt de zielen, uit water en uit aarde en uit de zon en uit de wind; want elks eigen deel keerde terug toen de ziel uit het vlees uitging.[^2] 7 De aarde bleef in het haar en werd stof, en het water ook bleef in het zijne en werd dauw. 8 En de wind ook bleef in het zijne en werd wind, en het vuur ook bleef in het zijne en werd de warmte van de zon. 9 En de geest van God keerde terug in de hand van zijn Schepper, en Hij plaatst hem waar Hij wil, want Hij wil hem terugbrengen op de tijd die Hij bepaalt. 10 En Hij bewaart de zielen van de rechtvaardigen in de huizen van het licht; maar de zielen van de zondaren sluit Hij op in de huizen van de duisternis tot de tijd dat Hij wil hen uit te brengen. 11 En Hij zei tot Ezechiël de profeet: Roep uit de vier winden, opdat zij zich verzamelen en één geest worden. 12 En toen hij zo sprak, verzamelden zij zich met één woord uit de vier winden. 13 En het water bracht zijn dauw, en opnieuw bracht de zon haar warmte. 14 En opnieuw bracht de aarde haar stof, en de wind ook bracht de adem. 15 En God ook bracht de ziel uit haar woning, van waar Hij haar opgesloten had, en met één woord verzamelden zij zich, en er was opstanding. 16 En opnieuw toon ik u wat er is als een gelijkenis voor u: het wordt avond en u slaapt, en het wordt morgen en u staat op. U, wanneer u slaapt, bent u als dood. 17 En wanneer u ontwaakt, is het een gelijkenis van de opstanding; en de nacht is een gelijkenis van deze wereld, die geheel van duisternis is, en de hele wereld slaapt daarin, want de duisternis van de nacht heeft hen bedekt. 18 En het aanbreken van de morgen is een gelijkenis van de opstanding van de doden, waarin de duisternis weggenomen wordt en er licht is in de hele wereld, en de mens opstaat en uitgaat tot zijn werk. 19 En zo is deze vernieuwing van de wereld en de opstanding van de doden, want deze wereld is vergankelijk, zoals deze nacht. 20 En wanneer de zon komt en schijnt, is het een gelijkenis van deze wereld, zoals David zei: en in de zon heeft Hij Zijn tent gezet. 21 En wanneer Hij komt in de nieuwe wereld, zoals de zon nu schijnt, wanneer God Zelf daarover komt, zal Hij schijnen in de nieuwe wereld; want Hij zei: een zon die niet ondergaat en een lamp die niet uitgeblust wordt — God Zelf is haar licht. 22 En opnieuw wekt Hij de doden op als in een oogwenk; en opnieuw breng ik u één gelijkenis uit uw zaad dat u zaait en waardoor u leeft, hetzij een korrel tarwe, hetzij een korrel gerst, hetzij een korrel gierst,[^3] en al het werk van de mens dat gezaaid wordt op heel de aarde: als het niet sterft, is er niets dat leeft. 23 En wanneer het sterft, wordt zijn lichaam verteerd in het stof met zijn omhulsel,[^4] gelijk het vlees van de mens dat u ziet. 24 En wanneer zijn lichaam verteerd is in de aarde, spruit het uit, zoveel als [...][^5] 25 Zie, ook dit, als het niet gestorven was, zou het niet kunnen leven; en wanneer het uitspruit, brengt het vele aren voort. 26 En vrucht wordt van God gegeven in die aar die opgewassen is, en Hij bekleedt haar met vlees, huid, haar hulsel. 27 En het loof en de halm en het stro en de ...[^6] worden voor u niet geteld; maar zie hoezeer de korrel toeneemt van dat wat u gezaaid hebt. 28 Wees niet dwaas, en zie uw zaad, hoezeer het toegenomen is; zo ook, overdenk de opstanding van de doden, en hoe zij vergolden worden naar hun daden. 29 En opnieuw, hoor, ik zal het u vertellen: hoe het zaad niet veranderd wordt in een ander zaad. Als u tarwe gezaaid hebt, oogst u dan 30 gerst? En als u komijn gezaaid hebt, oogst u dan iets anders?[^7] En van de bomen ook: als u een vijgenboom geplant hebt, spruit die dan een amandel voor u? En als u een notenboom geplant hebt, spruit die dan een wijnstok voor u? 31 En als u een zoete vrucht geplant hebt, spruit die dan bitter? En als u een bittere boom geplant hebt, kan die zoet worden? 32 Zo ook, als een zondaar sterft, kan hij rechtvaardig worden bij de opstanding? En als een rechtvaardige sterft, kan hij een zondaar worden bij de opstanding? Maar een ieder wordt vergolden naar zijn daden, en naar de vrucht van zijn werk, en naar het werk van zijn handen wordt hij vergolden; en er is niemand die geoordeeld wordt om de zonde van een ander. 33 De ceder van de Libanon wordt geplant en maakt lange en grote takken; maar als de dauw van Hermon[^8] niet op hem neerregent, bloeit zijn loof niet, maar hij verdroogt en wordt afgeschud. 34 En de jeneverboom[^9] wordt uit de wortel opgetrokken, als de winterregen niet op hem neerdaalt. 35 En evenzo, als de dauw ten leven niet op hen neerdaalt van God, staan de doden niet op. ### 1 Meqabyan 9 1 De valleien van Gilboa[^1] en de bergen van de Libanon, wanneer de regen van de barmhartigheid niet op hen neerdaalt van God, laten geen gras uitspruiten voor het vee en voor de wilde dieren. 2 En de bergen van Gilead en de valleien van Elam[^2] geven geen groen voor de geiten en voor het vee dat gezien wordt, en voor het gedierte van het veld ook, en de steenbok en de antilope en de sterke dieren. 3 En evenzo de opstandigen en de huichelaars, die zich tevoren opstandigheid en dwaling verworven hebben: als de dauw van de barmhartigheid niet op hen neerdaalt van God, staan zij niet op uit de doden; en de tovenaars en de bedriegers van Cyprus en Damascus,[^3] de lasteraars, 4 en zij die zich bezighouden met waarzeggerij en toverij, en de moordenaars, 5 en zij die ontucht plegen zonder wet, en de Atheners en de Meden, die op hun afgoden vertrouwen en tot hen zingen en zich voor hen verheugen met de trommel en met de luit en met de harp, 6 en die dwaas handelen met hun afgoden en ontucht plegen met het werk van hun handen, die zichzelf niet kunnen verlossen — dezen zullen geoordeeld worden op de dag van het gericht, bij de opstanding. 7 O u dwaze en blinde van verstand, denkt het u dat de doden niet opstaan? 8 Denk niet zo, want u zult daar niet slapen wanneer de bazuin geblazen wordt bij de opstanding van de doden, door de mond van Michaël, de aartsengel. 9 De bergen en de heuvels worden vernederd, de rivieren en de diepten worden droog[^4] en worden een effen weg. 10 En er zal opstanding zijn voor alle vlees. ### 1 Meqabyan 10 1 En als het niet zo ware, waarom hebben de vaderen van vroeger — van Adam af, en Abel en Seth en Noach en Sem en Abraham en Izak en Jakob en Jozef en Mozes en Aäron — die niet wilden begraven worden dan bij het graf van hun vaderen? 2 Is het niet, opdat zij tezamen zouden opstaan bij de opstanding met hun verwanten, en opdat hun beenderen niet geteld zouden worden met de beenderen van de bozen en van de bedriegers en van de heidenen? 3 En laat ook u uw verstand niet dwalen, terwijl u zegt: op welke wijze staan de doden op na hun dood, die ieder in het graf gelegd worden, en van wie de beenderen vergaan zijn?[^1] 4 En wanneer u in het graf ziet, wordt er geen handvol stof gevonden; en: 'op welke wijze staan de beenderen van de doden op?' — dit zegt u in de dwaasheid van uw hart. 5 'Zal dat wat u gezaaid hebt niet uitspruiten?' — zegt u. Het zal wel degelijk uitspruiten, dat wat u gezaaid hebt.[^2] 6 En evenzo God, die de zielen gezaaid heeft: zij zullen haastig opstaan, en Hij vertraagt niet hen op te wekken door Zijn levendmakend woord; want Hij bracht de mens voort vanwaar hij niet was, tot het waarachtige zijn. 7 En opnieuw, uit het zijn deed Hij hem terugkeren tot de dood, en opnieuw, uit de dood brengt Hij hem terug tot het zijn. 8 God is machtig hem levend te maken en hem op te wekken. ### 1 Meqabyan 11 1 De Hermon en zijn muren en zijn val, en zij die afgoden dienen in Zebulon en Edomia — die zullen te dien tijde te gronde gaan; want God heeft hun vergolden naar hun boosheid en naar het werk van hun handen. Tyrus en Sidon zullen huilen, want Hij die Zich op hen wreekt is nabijgekomen, vanwege hun boosheid en hun afgoden, die zij in hun jeugd gemaakt hebben en niet verlaten hebben tot aan hun ouderdom toe. 2 En daarom zal God Zich op hen wreken vanwege wat zij bedreven hebben: ontucht en onreinheid en hoererij en afgoderij. En ook de dochters van Juda zullen te schande worden, omdat zij niet stand hebben gehouden in het gebod van God, hun Schepper. 3 Zo zal het ook u vergaan: op de opstanding van de doden zal de schande van Jeruzalem geopenbaard worden, omdat zij niet in Zijn wet en in het oordeel van God gewandeld heeft, maar gewandeld heeft in wellust en in het doden van de rechtvaardigen. 4 Te dien dage zal God haar naspeuren met de lamp van Zijn wijsheid, en Hij zal Zich op haar wreken om al het kwaad dat zij gedaan heeft in de dagen van haar jeugd en niet nagelaten heeft in de dagen van haar bloei, tot aan haar ouderdom toe. 5 En zij is in het graf gegaan en tot as geworden, gelijk haar voorvaderen die in hun eigen wandel gingen en het gebod van God weigerden, zodat Hij Zich bij de opstanding op hen zal wreken. 6 Want Mozes heeft aangaande hen gezegd: Want hun wijnstok is gelijk de wijnstok van Sodom, van de velden van Gomorra; 7 en hun rank is uit Gomorra, en hun tros een tros van gal, en hun bessen bitter. 8 Hun wijn is het venijn van de draak van de aarde, en het dodelijke gif van de adders dat doodt. ### 1 Meqabyan 12 1 Dit is uw schande, o dochter van Jeruzalem, die door de profeet beschreven is: want gelijk de daden en de overtreding van het volk van Sodom en Gomorra waren, zo zijn uw daden en uw overtreding, o dochter van Jeruzalem. 2 En gelijk het met Sodom en Gomorra gebeurde, zo is uw schande: hun wijngaard is geplant in hoererij en in hoogmoed. 3 En op hen regende geen regen van nederigheid en barmhartigheid, maar een regen van hoogmoed en hoererij, waardoor hun wijngaard niets voortbrengt dan onrecht en hebzucht en verdrukking en het vergieten van bloed en het ontheiligen van de naam van God, hun God. 4 En zij erkenden hun Schepper niet, maar alleen hun afgoden en hun boze daden; en zij verlustigden zich in het werk van hun handen, en zij bedreven ontucht met beesten en met mannen. 5 En zij erkenden God niet door hun daden, want hun ogen waren verblind, zodat zij niet zagen, en hun oren verstopt, zodat zij niet hoorden, en zodat zij de wil van God niet deden noch wat Hem behaagt. Zij zijn de wijngaard van Sodom, zij zijn de wijnrank van Gomorra, die geen zoete tros voortbrengen. 6 En zelfs wanneer zij hun wijn persen, wordt hij een venijn dat doodt; want van zijn oorsprong af is hij in vervloeking geplant, en zijn persing gebeurde in de tijd van rampspoed. 7 En te geen tijd is er iets goeds voor de wijnrank van hun wijngaard, want hun wijngaard is besproeid met de dauw van het dodenrijk; door de wind van de brandende hitte zijn hun ranken verhard. 8 En zelfs wanneer hij vrucht draagt en geperst wordt, wordt hij tot verderf en tot plaag; en voor hen die hem drinken verhardt hij hun harten en maakt hen koud en ver van God. 9 En zij worden een woning voor de duivel, want zij wandelen in zijn boze daden. En ook de wijnrank van Sodom begint te verslinden en klimt op in de bergen en in de bomen. 10 En zij bekroont de Baäl, die zij in het rond aanbidden, en zij offert haar zonen en haar dochters aan de boze geesten, die kwaad noch goed kennen. 11 En zij vergieten onschuldig bloed, en in de kuilen brengen zij het voort uit de trossen van de wijngaard van Sodom. 12 En ook Dagon van de Filistijnen aanbidt en eert zij, en zij offert hem van haar vetgemeste dieren en van haar kudden, opdat zij zich verlustige in hun feesten en in hun dwaasheid, die de boze geesten haar geleerd hebben, dat zij hun zou offeren en hun wil doen; 13 zodat zij haar Schepper, God, te geen tijd erkent — Hem die haar voedt en opbouwt van haar jeugd af tot de dagen van haar bloei, en verder tot de dagen van haar ouderdom, en tot de dag van haar dood. 14 En bovendien zal Ik Mij wreken op de dag van de opstanding, en haar tijd zal duren tot in eeuwigheid, omdat zij zich niet gekeerd heeft tot Mijn wet en niet in Mijn gebod gewandeld heeft. 15 Laat haar goden voor u opstaan — als zij betrouwbare goden zijn, laat hen dan met haar lopen in de hel en haar verlossen, wanneer Ik in Mijn toorn tegen haar vergramd ben en al haar minnaars weggenomen heb, die met haar hoererij bedrijven. 16 En Ik heb haar tot een schande gemaakt in alles, naar wat zij bedreven heeft aan smaad en schande tegen Mijn huis en Mijn heiligdom. 17 En zij heeft smaad gebracht over Mijn naam, die over haar genoemd was, terwijl men van haar zei: Dit is het volk van God en het huis van de God van Israël, en de woning van de naam van de Allerhoogste, Jeruzalem, het heilige van de heiligen, de stad van de grote Koning. 18 En zij beroemt zich op Mij alsof zij Mijn dienstmaagd was en Ik haar Heere — maar zij vreest Mij niet en doet Mijn wil niet gelijk het haar Heere toekomt, maar zij tergt Mij als een weerspannige. 19 En zij dient vreemde goden, die haar niet voeden noch grootbrengen noch kleden, maar die haar eerder een struikelblok geworden zijn tot verleiding, opdat zij haar ver van Mij trekken. 20 En zij offert hun, en eet hun offer, en giet plengoffers voor hen uit, en drinkt de wijn van hun feestmaal, en brandt hun reukwerk en ademt de geur van hun wierook in; en zij gebieden haar, en zij gehoorzaamt hun. 21 En bovendien offert zij haar zonen en haar dochters, en zij verheugt zich in het werk van haar handen en in de arbeid van haar lippen, want zij offert hun uit liefde voor hen. 22 Wee haar op de dag des oordeels, haar en haar goden die zij liefheeft en omhelst; en met hen zal zij nederdalen in het dodenrijk, tot de onderste diepte, waar haar worm niet slaapt en niet uitgeblust wordt. 23 Wee u, o schandelijke dochter van Jeruzalem, omdat u Mij verlaten hebt, die u geschapen heeft, en vreemde goden hebt aangebeden. 24 En ook Ik zal u vergelden naar uw daden en Mij op u wreken naar uw smaad, omdat u Mij getergd en Mij veracht hebt en uw daden niet goed gemaakt hebt. 25 En ook Ik zal u verachten en uw verlossing niet verhaasten, omdat u Mijn woord verbitterd hebt en niet volhard hebt in Mijn raad — het verbond dat u met Mij gesloten hebt, dat u Mijn gebod zou houden; en Ik zou met u geweest zijn en u verlost hebben van allen die u weerstaan, als u Mijn gebod dat Ik u geboden heb en Mijn inzetting gehouden had. 26 En dit alles hebt u niet gehouden, en ook Ik heb u veracht, en op de dag van het oordeel zal Ik Mij op u wreken. Ben Ik het niet die u geschapen heeft? En toch hebt u Mijn woord en Mijn gebod niet gehouden, hoewel Ik u gezegend heb, dat u de Mijne zou zijn. 27 Maar u hebt u van Mij vervreemd, zoals Sodom en Gomorra zich vervreemd hebben. 28 En ook Ik heb hen in Mijn toorn uitgeroeid, want u bent uit de wortel van Sodom en Gomorra, die Ik uitgeroeid heb, en Ik heb hun herinnering van de aarde uitgedelgd, opdat zij niet zouden voortbestaan in hun wellust; want zij tergden Mij, die hen geschapen heeft, door in te gaan tot de vrouw van een ander en door wetteloos ontucht te bedrijven met mannen en met beesten als met vrouwen. 29 En er was geen vrees Gods voor hun ogen, van de kleinste tot de grootste. En er was niemand die zijn naaste bestrafte, opdat hij zou aflaten dat te doen, maar zij hielpen elkander in elke boze daad, vervuld van alle onrecht en hebzucht, want hun daden waren boos. 30 En in hun gemoed was elke boze daad gevestigd, en hoogmoed en verdrukking en begeerte. 31 En daarom verachtte God hen en wierp hun steden omver, en er waren er die Hij met vuur verbrandde tot op hun fundamenten, en niets bleef in hen over, maar zij vergingen en werden uitgeroeid tot in eeuwigheid. 32 En hun straf blijft tot aan de dag van het oordeel, tot in eeuwigheid, en tot de grote dag des oordeels; want zij zijn gebonden in zonde, en Hij zal hen niet sparen noch Zich over hen ontfermen, omdat zij Mij getergd hebben met hun boze daden. 33 En ook Ik heb hen veracht; en evenzo zult u ook, o schandelijke dochter van Jeruzalem, gebonden worden op de dag van het oordeel, want u zult geen verontschuldiging vinden wanneer Ik u in Mijn toorn grijp, omdat al uw daden hebzucht en verdrukking en begeerte en hoererij en het spreken van leugen zijn, en elke weg van dwaling, en wat Ik niet welbehaaglijk acht. 34 En Ik heb u tot eer gemaakt, maar u hebt uzelf tot schande gemaakt. Ik noemde u de Mijne, maar u hebt uzelf tot een ander gemaakt. 35 En Ik heb u verkoren tot heiligheid, maar u bent de duivel toegevallen; en hoe zou Ik Mij niet op u wreken naar de boosheid van uw daden? 36 En Ik zal een zware wraak over u uitstrekken, vanwege alles waarin u Mijn woord niet gehoord noch Mijn gebod gehouden hebt, dat Ik u geboden heb op de dag dat Ik u liefhad; want Ik ben God, die u geschapen heeft. En Ik zal vergramd zijn over al de zondaren die zijn gelijk u, en Ik zal hun vergelden naar hun boosheid op de dag van het oordeel. 37 En ook u zal Ik richten tezamen met hen, omdat u Mijn woord niet gehouden en Mijn recht veracht hebt. 38 O Sodom en Gomorra, die geen vrees Gods in uw hart had — 39 evenzo zult u, o dochter van Jeruzalem, met haar geoordeeld worden in de verschrikking van de hel, en allen die uw daden gedaan hebben; want tezamen zult u nederdalen naar waar de hel bereid is, waar geen ontkoming is, tot in alle eeuwigheid. 40 Beiden, u en zij, die Mijn woord en Mijn gebod niet gehouden hebt — u zult tezamen nederdalen in het dodenrijk op de dag van het oordeel, omdat u Mijn woord en Mijn gebod niet gehouden hebt. 41 Maar zij die Mijn woord en Mijn gebod gehouden hebben — wat de zondaren opgestapeld hebben, zullen de rechtvaardigen eten, en wat de bozen verworven hebben, zullen de goeden als buit verdelen, zoals God geboden heeft. De rechtvaardigen en de goeden zullen zich verheugen en verblijden. 42 Maar de zondaren en de onrechtvaardigen zullen huilen en treuren vanwege al hun overtreding, waarmee zij van Mijn gebod afgedwaald zijn. 43 Maar hij die Mijn woord houdt en in Mijn gebod wandelt — hij is het die van de zegen eten zal en geëerd worden voor Mijn aangezicht. 44 En ieder die Mijn woord houdt en Mijn gebod doet, zal de zegen van het land eten, en zal ingaan en wonen in de rustplaats van de goede en oprechte koningen. ### 1 Meqabyan 13 1 Tyrus en Sidon en al de landstreken van het land Juda, die zichzelf verheffen — nu, wee hun wanneer Ik hen in Mijn toorn grijp, want zij zullen te schande worden en gegeseld worden. 2 God zei: Want uit hen zal een hoogmoedige en trotse voortkomen, een zoon des verderfs, een vijand van de gerechtigheid, die zijn nek verhardt en zich beroemt en zijn Schepper niet erkent; want Ik heb hem tot een beeld van Mijn toorn gemaakt, om Mijn macht aan hem te tonen, zegt God, die over alles heerst. 3 Deze: Kapernaüm en Samaria en Galilea en Syrië en Damascus en Cyprus en Achaje en heel het gewest van de Jordaan — heidenen, hardnekkig van hals, die in hun eigen weg wandelen, die de duisternis en de schaduw des doods bedekt heeft. En zij keren zich niet tot de vrees Gods, van wie het hart Sablanjos bedekt heeft; en gehoorzaamt die hoogmoedige niet. 4 Wee hun dan, hun die de onreinen gehoorzamen en offer brengen in hun naam; want zij komen in opstand tegen God, die hen geschapen heeft, en zij worden gelijk beesten die geen verstand hebben; want die goddeloze, de zoon des verderfs, richt zijn beeld op in elke plaats, en hij verheugt zich in het werk van zijn handen en in de lust van zijn ziel, en in alle hebzucht en verdrukking en onrecht en bedrog, en ieder die hoererij en verdrukking en leugen bedrijft. 5 Want in zijn dagen is het bekend dat hij zo zal doen, want van God is het beschikt dat hij dit zou doen. 6 Ook de zon zal verduisterd worden, en de maan zal tot bloed worden, en de sterren zullen van de hemel vallen, en heel de schepping zal verdorven worden door het teken dat komt in de laatste dagen, opdat Hij de aarde zal oordelen en alles wat daarin is, naar het werk van de handen van hen die daarin wonen. 7 En ook de laatste vijand — de dood zal hem overwinnen, omdat hij zich verheven heeft boven de schepping van God en gedaan heeft naar zijn welgevallen, voor één uur. 8 En na hem is er geen heerschappij meer, want Ik zal Mij wreken, zegt God, die over alles heerst. 9 En ook hij zal nederdalen in de plaag en in het oordeel dat voor hem bereid is, van de dag af dat hij in Mijn toorn gegrepen wordt; want hij trekt allen die met hem zijn in het verderf en in de plaag en de ondergang, want Ik ben het die uitbrengt en inbrengt in het oordeel van de hel. 10 En laat de sterke zich niet beroemen op zijn sterkte, want Hij is het die kracht en sterkte geeft aan de zwakken, en die opnieuw zwakheid geeft aan de sterken en machtigen. 11 En de wraak van de weduwen en de wezen zal vergolden worden, want Hij is de wreker en beschermer van hen die verdrukt worden door de hand van hun verdrukkers. 12 Wee u, die zich beroemt en uw nek verhardt, en het schijnt u toe dat Hij u niet zal grijpen noch Zich op u zal wreken in Mijn toorn — gelijk gezegd is: Waarom? En voorwaar, de morgenster uit de hemel, die opgaat ten tijde van de dageraad — 13 want hij zei in zijn hoogmoed en in zijn zelfverheffing: Ik zal mijn troon zetten boven de hemelen en de sterren, en ik zal zijn gelijk de Allerhoogste. 14 Dit hebt u bestaan in uw hoogmoed, en u hebt God niet gedacht, die u geschapen en met Zijn handen gemaakt heeft. Waarom hebt u uzelf verheven, u die nederdalen zult tot de onderste diepte door de hardheid van uw hart? 15 En door uw hoogmoed hebt u uzelf lager gesteld dan al de engelen die gelijk u zijn; want zij prijzen hun Schepper met een nederige geest en wijken niet af van Zijn gebod, want zij wisten dat Hij het is die hen gemaakt en geschapen heeft; en zij bewaarden hun gedachten, opdat zij niet zouden overtreden noch Zijn gebod te buiten gaan. 16 Maar u hebt kwaad gedaan in de hoogmoed van uw hart, en u bent verachtelijker geworden dan uw metgezellen, want u bent de bewaarder van alle onrecht en hebzucht en bezoedeling en verdrukking, waarin de zondaren wandelen die gelijk u zijn, en de goddelozen die uit uw maaksel zijn; en zij komen in opstand gelijk u, en zij wandelen in heel uw wil en uw gebod, waarin u hun hebzucht leert. 17 Wee u en hen die u door bedrog verleid hebt; tezamen zult u nederdalen in het verderf. 18 En u, zonen van God, die afgedwaald bent achter die verleider die op een dwaalweg leidt — wee u, tezamen zult u nederdalen in de plaag voor eeuwig, want zo bent u afgedwaald in wat hij en zijn boze geesten u geleerd hebben. 19 En ook vroeger reeds, toen Mozes leefde, werkte God, maar u hebt Hem getergd bij Horeb en bij de wateren van Massa en bij de berg Sinaï en bij Amalek. 20 En opnieuw, toen u de verspieders zondt in het land van de erfenis, en toen zij tot u zeiden: Zijn weg is ver, en hun muren zijn sterk en reiken tot aan de hemel, en hun akkers zijn groot, en zij die daar wonen zijn geweldig — en toen zij dit tot u zeiden, hebt u die dag u verzet en het woord van God verworpen, zodat u zou terugkeren naar het land Egypte, in uw harde dienstbaarheid. 21 En u hebt God niet gedacht, die u verlost heeft uit uw benauwdheid, die grote dingen gedaan heeft in Egypte, en die u geleid heeft door de hand van Zijn engel; opdat de zon u niet zou verbranden, beschutte de wolk u overdag, en opdat uw voeten niet zouden struikelen in de duisternis, gaf Hij u licht bij nacht door een vuurkolom. 22 En toen Farao en zijn leger u verschrikten, riep u en klaagdet tot Mozes, en Mozes riep en schreeuwde tot God, en door Zijn engel weidde Hij u, opdat u niet zou samentreffen met het leger van Farao. 23 Maar hen deed Hij met angst terugkeren; want God zei: Ik alleen heb hen geleid, en er was met hen geen vreemde god. En hun vijanden bedekte Hij in de zee in een ogenblik, en Hij liet geen ontkomene onder hen over. 24 En Israël deed Hij te voet overgaan door het midden van de zee, en niets kwaads overkwam hun van de Egyptenaren, en Hij bracht hen tot de berg Sinaï. En daar voedde Hij hen veertig jaar met manna. 25 Toch werden zij de dienst van God moe, nadat Hij hun zoveel goeds gedaan had; want zij tergden God gedurig — gelijk in het boek van de geslachten van de vaderen, waar het zegt: Het hart van de mensenkinderen is as, en al hun werken lopen uit op verdrukking en kwaad, en er is niemand onder hen die de gerechtigheid begeert, maar alleen het vergaren van goederen door onrecht, en het vals zweren, en het verdrukken van de naaste, en diefstal, en verdrukking. 26 En naar dit kwaad lopen zij al de dagen van hun leven. En de kinderen van Israël tergden God bovenmate, overtreders van de geboden van God, van het eerste tot het laatste. ### 1 Meqabyan 14 1 En hoewel God het eerste volk gegeseld heeft met het water van de vloed vanwege de overtreding van de kinderen van Kaïn, heeft Hij de aarde met het water van de vloed overstroomd en haar gewassen van alle vuilheid van de zonden van de kinderen van Kaïn. 2 En Hij vernietigde al de onrechtvaardigen, want Hij zei: Het berouwt Mij dat Ik de mensenkinderen gemaakt heb; en Hij vernietigde allen en liet niemand over, behalve die in de ark. En daarna vermenigvuldigde Hij hen, en zij vervulden de aarde en verdeelden de erfenis van hun vader Adam. 3 En Noach sloot een verbond met God, dat Hij de aarde niet nogmaals met het water van de vloed zou verderven; en de kinderen van Noach ook, dat zij geen aas en verscheurd vlees zouden eten, en dat zij geen vreemde goden zouden aanbidden behalve God, hun Schepper; en Hij ook, dat Hij hun God zou zijn, en dat Hij hen niet plotseling en tevergeefs zou verdelgen, en dat Hij hun de regen van de lente en de herfst niet zou onthouden, en dat Hij de mens voedsel zou geven op zijn tijden, en vruchten en gras en gewassen zou doen groeien; en zij, dat zij hun wandel goed zouden maken in alles wat God liefheeft. 4 En nadat Hij hun deze inzetting gegeven had, tergden de kinderen van Israël God met hun boosheid. En zij wandelden niet gelijk hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die het gebod van God, hun Schepper, niet overtreden hebben. 5 Maar zij, de kinderen van Israël, waren verkeerd in hun daden, van de kleinste tot de grootste, die het gebod van God niet gehouden hebben. 6 Zelfs hun Levieten en hun oversten en hun schrijvers, allen overtraden zij het gebod van God. 7 En zij hielden geen stand in de wet en de inzetting van God, die Mozes hun geboden had in het boek van de wet, zeggende: Heb God uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel. 8 En heb uw naaste lief als uzelf, en aanbid geen vreemde goden, en ga niet in tot de vrouw van een ander, en dood geen mens, en steel niet. 9 En wees geen valse getuige, en begeer niet de goederen van uw naaste, noch iets wat uw broeder verworven heeft, hetzij zijn ezel, hetzij zijn os. 10 En hoewel Hij dit gebood, keerden de verkeerde kinderen van Israël zich tot hebzucht en bezoedeling en onrecht en verdrukking, en het ingaan tot de vrouw van een ander, en diefstal, en leugen, en de aanbidding van afgoden. 11 En ook bij Horeb tergden de kinderen van Israël God door een kalf te maken dat gras eet, en zij bogen zich neder en zeiden: Zie, onze goden, die ons uit het land Egypte hebben uitgevoerd. 12 En zij verheugden zich in het werk van hun handen, en zij aten en dronken en werden verzadigd, en stonden op om te spelen. 13 En daarom werd Mozes toornig en daalde af van de berg Sinaï, want God zei: Uw volk, dat u uit Egypte uitgevoerd hebt, uit het huis van de dienstbaarheid, heeft gezondigd en is afgedwaald, en zij hebben een gegoten kalf gemaakt en zich neergebogen voor een gesneden beeld. 14 En Mozes daalde af met Jozua, zijn dienaar, terwijl hij vertoornd was op zijn volk; en toen Jozua het hoorde, zei hij: Zie, ik hoor het geluid van strijd in het leger van Israël. 15 En Mozes zei tot Jozua: Het is niet het geluid van strijd, maar het geluid van het gejoel om de wijn. En hij daalde af en verbrijzelde hun beeld en vergruizelde het tot poeder, totdat het werd gelijk stof, en wierp het in de bron waaruit de kinderen van Israël drinken, in de holte van de berg. 16 En daarna gebood hij de Levieten onder elkander te strijden vanwege het kwaad dat zij gedaan hadden voor het aangezicht van God. 17 En zij deden gelijk hij hun gebood, wetende dat de smaad tegen God groter was dan het doden van henzelf en het doden van hun verwanten en hun vaderen. 18 En daarom zei Mozes tot hen: U hebt God getergd, die u gevoed en grootgebracht heeft en u uit het huis van de dienstbaarheid uitgevoerd heeft, en die u tot erfenis gegeven heeft het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft hun en hun zaad na hen te geven. 19 En zelfs daar lieten zij niet af God te tergen, want zij liepen naar alle kwaad en hebzucht. 20 En niet gelijk hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die God behaagden door de schoonheid van hun wandel, van hun jeugd af tot de dagen van hun ouderdom; en Hij beloonde hen, zodat Hij hun geven zou wat op de aarde en wat in de hemel is, wat Hij bereid heeft voor hen die Hem liefhebben — zowel hier het land van de erfenis, dat vloeit van melk en honing, als daar de hof van de vreugde, die bereid is voor de rechtvaardigen, die geen oog gezien en geen oor gehoord heeft en die in het hart van de mens niet opgekomen is, die God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben: voor Abraham en Izak en Jakob, die God behaagd hebben in hun leven. 21 Maar hun kinderen waren verloochenaars en boosdoeners, die wandelden in de lust van hun hart en het woord van God niet hoorden, dat hen gevoed en grootgebracht en van hun jeugd af bewaard heeft. 22 En zij gedachten God niet, die hen uit het land Egypte uitgevoerd en hen verlost heeft van het maken van tichelstenen en van de bittere dienstbaarheid. 23 Maar zij tergden Hem bovenmate; en Hij zou de vreemden rondom hen tegen hen doen opstaan, en zij zouden zich tegen hen verheffen en hen onderwerpen naar Zijn wil. ### 1 Meqabyan 15 1 En te dien tijde stonden de mannen van Midian tegen hen op en brachten hun legers op de been om tegen Israël te strijden; en de naam van hun koning was Akrandas, en hij vergaderde in de morgen een groot leger van Syrië en Cilicië en Damascus. 2 En hij legerde zich bij de doorwaadbare plaats van de Jordaan en zond boden tot Israël, zeggende: Geeft mij een schatting van denariën; en zo niet, dan ben ik gekomen om u te onderwerpen en uw goederen te plunderen en al uw bezit weg te nemen en uw kinderen gevangen weg te voeren. 3 En ik zal u wegvoeren naar een land dat u niet kent, en daar zal ik u maken tot houthakkers en waterputters. 4 En beroemt u niet, zeggende: Wij zijn het volk van God, en er is niemand die tegen ons vermag. Is het niet God die mij gezonden heeft om u te verdelgen en uw goederen te plunderen? En al wat het uwe is, heeft Hij mij gezonden om te vergaderen. 5 Hebben soms de goden van de andere volken, die ik onderworpen heb en van wie de goederen en bezit ik geplunderd heb, hen verlost — die ik gedood heb en van wie de zonen en kinderen ik gevangen weggevoerd heb? 6 Evenzo zal ik ook u doen, als u mij geen schatting betaalt gelijk ik u geboden heb. En hij trok de Jordaan over om hun goederen en hun vee te plunderen en hun vrouwen gevangen weg te voeren. 7 En toen huilden de kinderen van Israël tot God met bitter geween, en zij schreeuwden en jammerden, en vonden niemand die hen hielp. 8 En daarom gaf God sterkte aan de drie broeders, en hun namen waren deze: Mabkyus en Maqabyus en Juda, die schoon van gestalte waren en sterk in al hun kracht. 9 En toen zij de kinderen van Israël hoorden huilen en weeklagen, werd hun hart bedroefd om het lot van al de kinderen van Israël — de weduwen en de wezen en hun priesters en hun vorsten en het hele geslacht van Israël, mannen en vrouwen en zuigelingen; en zij allen huilden en wierpen as op hun hoofd, en hun edelen deden zakken aan. 10 En die goede en schone broeders werden het eens om te gaan en hen te verlossen, en zij beraadslaagden en zeiden tot elkander: Laat ons gaan en ons leven overgeven aan de dood voor dezen. 11 En zij gingen, omgord, met hun zwaarden om hun lenden en hun speren in hun handen; en zij gingen toegerust om met de vijand te strijden. 12 En zij kwamen aan terwijl hij aan de middagmaaltijd was, en Mabkyus doorstak de vijand en sloeg hem de hals af met één slag, terwijl de voedsel nog in zijn mond was; en Juda en Maqabyus sloegen met het zwaard hen die aan de rechter- en aan de linkerhand van hun koning waren. 13 En toen hun koning viel, werden zij verslagen en vluchtten allen, en hun wapens drongen in het hart van hun eigen makkers, en hun bogen werden verbroken, en zijzelf werden verpletterd. 14 En die goede en schone broeders bleven behouden, en niets kwaads overkwam hun; maar die bozen werden onder elkander verpletterd, want God bracht de plaag over hen. 15 En zij vielen en stierven, en zij lieten al het hunne achter terwijl zij over de Jordaan vluchtten, en al wat hun toebehoorde bleef achter. En toen de kinderen van Israël zagen dat zij verslagen waren, gingen zij met hun leger uit en namen de buit voor zichzelf. 16 En zo verloste God de kinderen van Israël door de hand van Mabkyus en zijn broeders. 17 En de kinderen van Israël bleven een korte tijd God welbehaaglijk. 18 Maar daarna keerden de kinderen van Israël opnieuw terug tot hun boosheid en werden moe God in reinheid te dienen; en Hij tergde hen opnieuw met een volk dat Hem niet kende, dat de opbrengst van hun akkers wegroofde en hun wijngaarden verwoestte en hun kudden wegvoerde en hun runderen voor hun ogen slachtte, en zij konden hen niet redden; want zij waren een volk dat de wet overtrad, omdat zij God gedurig tergden, te allen tijde. ### 1 Meqabyan 16 1 Het volk van Tyrus en Sidon, en zij die wonen aan de oever van de zee en aan de overzijde van de rivier de Jordaan, en Gilead en Karan, en de Kanaänieten en de Jebusieten en de Girgasieten en Edom en het volk van Amalek; 2 en al deze heidenen, elk in hun steden en naar hun stammen en naar hun voorschriften en naar hun landstreken en naar de indeling van hun land. En zij allen bestaan zoals God hen heeft gesteld. 3 En er zijn er onder hen van wie de wandel goed is en die God kennen. 4 En er zijn er onder hen van wie de werken kwaad zijn en die God niet kennen, Die hen geschapen heeft en hen dienstbaar heeft gemaakt zoals zij gedaan hebben, door de hand van Ameneser, de koning van Syrië. 5 Want hij zal de macht van Damascus nemen en de buit van Samaria verdelen voor het aangezicht van de koning van Egypte. 6 De bergen van Gilead en de dalen van Gelabuhe, en heel Samaria en Patos in het land Juda, en zij die wonen in de bergen van Arabië en Medië en Partus en Siwsigya en Kappadocië. 7 En zo wonen in hun landstreken volken, hardnekkig van nek, die God niet kennen en Zijn gebod niet houden. 8 En Hij zal hun vergelden naar de boosheid van hun werken en naar het werk van hun handen. 9 Want het gebied van Cesarea en het volk van Gilead en Amalek verbinden zich om zich te verheffen tegen de stad van God, die vol is van gerechtigheid, in welke geprezen wordt de Heilige van Israël, de God van Israël van de heerscharen, Die boven de wagen van de cherubim woont; en tienduizend maal tienduizenden staan voor Zijn aangezicht, en ontelbare tienduizenden dienen Hem met vrees en met beving. ### 1 Meqabyan 17 1 En de Edomiet en Amalek verzetten zich; zij erkennen God niet als koning, Die het oordeel van hemel en aarde in Zijn hand heeft, en zij vertreden Zijn heiligdom; want het zijn opstandige volken die niet in gerechtigheid wandelen. 2 En er is geen vrees van God voor hun ogen, dan alleen hoererij en het vergieten van bloed en het eten van wat aan afgoden geofferd is, en roof en plundering, en al wat daaraan gelijk is; verachtelijk en verworpen zijn zij. 3 Zij hebben geen geloof en geen deugd, want zij zijn haters van het goede en zij kennen God niet, en zij gaan niet in de weg des vredes, maar in geweld en onrecht en alle onrein werk en oproer en dans en spel, zoals hun vader Sebelyanos hen leerde. 4 Want hij heeft hen dienstbaar gemaakt samen met zijn demonen, en hij leert hun allerlei kwaad werk, elk afzonderlijk: hebzucht en onrecht en het roven van andermans goed door geweld, en diefstal en het eten van geroofd goed en roof en hoererij. 5 En al wat daaraan gelijk is: het gaan tot de vrouw van een ander, en het vergieten van bloed, en het eten van geroofd goed, en het geofferde aan een afgod, en het doden van een mensenziel door onrecht, en twist en toorn en gierigheid, en alle kwaad werk dat God niet behaagt. En deze leer brengt hun vijand Seblanyos hun, om hen af te trekken van de weg van God, Die heel de wereld beheerst. 6 Maar wat God toebehoort, is nederigheid en zachtmoedigheid, en het liefhebben van de naaste en het behagen van de broeder, en wederzijdse liefde en vrede met heel het volk. 7 En wees geen aannemers van het aangezicht van de mensen, en geen rovers en onrechtvaardigen en verdrukkers, en geen mannen die tot eens anders vrouw gaan, en geen bedrijvers van kwaad en geweld tegen hun naasten, en geen bedriegers in onrecht die hun naasten verongelijken. 8 En zij twisten en schudden hun hoofd en beramen kwaad, en zij haasten zich om te verleiden, opdat zij de mensen doen neerdalen in het oordeel des gerichts tot in eeuwigheid. ### 1 Meqabyan 18 1 Gedenk dat u tot God gaat, en dat alles in Zijn hand is, en dat u zult staan voor het werk dat u gedaan hebt, om geoordeeld te worden voor Zijn aangezicht. 2 Want evenzo waren er vanouds kinderen van de reuzen, kwaad en hoogmoedig, en er was niemand groter en sterker dan zij, in hun gestalte en in de grootte van hun arm; maar zij stelden God niet voor hun aangezicht en kenden Hem niet, dat Hij hun Schepper was, Die hen uit het niet-zijn heeft voortgebracht. 3 En hun vaderen, terwijl zij engelen waren, prezen Hem samen met de engelen in de hemelen; maar toen hun begeerte hen verleidde, daalden zij neer in het eeuwige oordeel des gerichts. 4 En zij namen vrouwen uit de dochters van de mensenkinderen; want God had voor hen een lichaam van het mensenkind geschapen, om hen te onderwerpen vanwege de hoogmoed van hun hart, en om hen te beproeven of zij Zijn gebod en Zijn wet zouden houden. 5 Maar zij hielden het gebod niet, en Hij deed hen neerdalen in het oordeel van de vlam des vuurs, met de duivel hun vader; en om hunnentwil werden de dagen van de mens verkort, want God toornde op de engelen die gezondigd hadden gelijk mensen. 6 En zij trokken de mensenkinderen met zich mee, en deden hen neerdalen in het dodenrijk door hun eigen oordeel. 7 In het begin waren de dagen van de mens ... zij reikten tot ... jaar; want de dagen van de mens werden verkort, omdat de engelen zondigden met de dochters van Kaïn. 8 En God zei: Mijn Geest zal niet blijven bij hen, want zij zijn van vlees en bloed. 9 En daarom zijn onze dagen verkort; en er zijn er ook die sterven terwijl zij nog kinderen zijn, want onze dagen zijn verkort ten opzichte van onze eerste vaderen, vanwege onze overtredingen en onze zonden. 10 Maar onze vaderen — hun dagen waren lang, want zij hielden Zijn gebod en vertoornden God niet. 11 En zij vermaanden hun dochters, opdat zij hen zouden onderrichten, en zij vermaanden hun zonen, opdat zij het gebod van God niet zouden overtreden. 12 En daarom waren hun dagen lang in gerechtigheid, omdat zij het gebod van God niet overtraden, samen met hun zonen en hun dochters. ### 1 Meqabyan 19 1 En toen de kinderen van Kaïn talrijk werden, maakten zij de lier en de trom en de fluit en de luit, en allerlei spel en dans. 2 En verder werden aan Kaïn dochters geboren, schoon en bevallig, uit de vrouw van Abel de rechtvaardige, die hij om harentwil gedood had, want zij was bevallig; en nadat hij zijn broer gedood had, nam hij haar, en zij werd de zijne. 3 En hij week af van zijn vader, nadat hij hen genomen had, naar het dal van Kefaz, in de richting van Arabië; en de dochters van die bevallige vrouw, die bevallig waren als Amon. 4 En daarom daalden de engelen neer tot de kinderen van Kaïn, en zij bleven geen enkel uur staan, maar namen zich vrouwen, die zij verkozen. 5 En daarom werd God toornig, zowel op ons als op hen, want tezamen trokken zij ons mee in de dwaling met hen, vanwege hun dwaling. 6 En ook de duivel trok onze vader Adam en onze moeder Eva mee in zijn eigen dwaling, terwijl hij hen misleidde en tot hen zei: U zult goden worden, zoals God uw Schepper. 7 En zij, in hun dwaasheid, meenden dat het waar was, en zij overtraden het gebod van hun Schepper, Die hen uit het niet-zijn in het zijn had voortgebracht, opdat zij zich zouden neerbuigen en Zijn heilige Naam zouden prijzen. 8 Maar hen die de gave van God zich toe-eigenden alsof zij zelf hun heer waren, heeft Hij vernederd, ook die hoogmoedige. 9 Zoals David zei: Door de hoogmoed van de goddeloze wordt de arme verteerd; want door de hoogmoed van de duivel werd Adam geoordeeld met een rechtvaardig oordeel bij God zijn God. 10 En evenzo trokken de engelen die zondigden met de dochters van Kaïn ons mee in hun dwaling; en daarom zijn onze dagen verkort ten opzichte van de dagen van onze vaderen, die God ons gegeven had. 11 Maar zij deden het goede, en er was geen kwaad dat tot hen naderde, want zij versterkten hun hart tot God; en zij onderwezen hun zonen en hun dochters, opdat zij niet zouden afwijken van het gebod van God dat zij hun geleerd hadden. 12 Maar wat henzelf betreft — als zij het goede deden, maar het aan hun kinderen niet vertelden en hen niet onderwezen, dan zou het hun niet baten. 13 Zoals David zei: En zij verborgen het niet voor hun kinderen, voor het volgende geslacht, maar zij verkondigden de lof van God, en Zijn kracht en Zijn wonderen die Hij gedaan had, opdat zij zouden verstaan; opdat zij hun kinderen zouden leren om te verstaan en te doen, en hun het oordeel van God zouden toevertrouwen, en opdat zij Zijn gebod zouden houden, gelijk hun vaderen, die God behaagden met de schoonheid van hun werken. 14 En zij verlieten Zijn gebod niet, dat hun vaderen hun in hun jeugd hadden toevertrouwd, de vrees van God en Zijn oordeel, gelijk zij het van hun vaderen geleerd hadden. 15 En ook hun kinderen leerden van hun vaderen, om hun wandel goed te maken en lof te brengen aan hun Schepper, want zij hielden Zijn gebod en hadden Hem lief. 16 En Hij verhoort hun gebed en veracht hun smeking niet, want Hij is barmhartig. 17 Dikwijls wendt Hij Zijn toorn af, en Hij ontsteekt niet heel Zijn toorn. ### 1 Meqabyan 20 1 Gedenkt, onze broeders, en vergeet niet wat men u vanouds verteld heeft, dat God de gerechtigheid bewaart van hen die het goede doen. 2 En hun vrucht zal talrijk worden op de aarde, en hun herinnering zal tot in eeuwigheid ten goede zijn, en hun zaad zal geen brood ontberen op de aarde. 3 En Hij zal hen verlossen uit de hand van al hun benauwers en van hun vijanden die hen belagen, want om hunnentwil zal Hij voor hen twisten, en Hij zal hen niet overlaten in de hand van hun vijanden. 4 En Hij zal hun een helper zijn in de tijd van hun benauwdheid, voor hen die Zijn Naam liefhebben; en Hij zal Zich over hen ontfermen en al hun zonden hun vergeven. ### 1 Meqabyan 21 1 David vertrouwde op God, en Hij werd hem tot een toevlucht, want hij vertrouwde op Hem; en Hij verloste hem uit de hand van koning Saul. 2 En in de dagen van zijn zoon Absalom, en in de dagen van de Filistijnen, en in de dagen van de Amalekieten en de Edomieten, en in die van de Karneërs,[^1] en van al dezen die tegen hem opstonden, verloste God David, want hij vertrouwde op Hem en hield Zijn wet. 3 Maar de goddeloze koningen die niet op Hem vertrouwden, hen verloste God niet, want zij werden overwonnen door de hand van hun vijanden; want de overwinning is van God. 4 Hizkia vertrouwde op God, en Hij verloste hem uit de hand van de hoogmoedige Syriër. 5 Maar Manasse, zijn zoon, werd overwonnen door de hand van zijn vijanden, want hij stelde zijn vertrouwen niet op God; en zij die Manasse overwonnen, zijn vijanden, waren niet zoals hij, maar zij bonden hem en voerden hem weg naar hun land, omdat hij zijn vertrouwen niet op God stelde en Hem niet vreesde, Die hem geëerd en verhoogd en groot gemaakt had. 6 En toen ook onthield Hij hem de gave die Hij hem gegeven had, omdat hij zijn weg niet welbehaaglijk maakte voor God, zijn God, opdat Hij zijn dagen zou verlengen en opdat Hij zijn vijand voor hem zou weerstaan en opdat Hij hem tot kracht en sterkte en volkomenheid en standvastigheid[^2] zou zijn. 7 Want beter dan een menigte legers is het vertrouwen op God, en beter dan het vertrouwen op paarden en schild en boog. 8 Want wie op God vertrouwt, die zal leven en geëerd worden en zeer verhoogd worden. 9 Maar zij die niet op God vertrouwden en vertrouwden op de overvloed van hun rijkdom, zijn beroofd van Zijn genade die Hij hun gegeven had, want God ziet de persoon niet aan. 10 Maar zij die op Hem vertrouwden, hen behoedt Hij; en hen die Hem dienen, maakt Hij dat men hén dient;[^3] en Hij haastte Zijn hulp niet ten tijde van hun benauwdheid, toen hun vijanden tegen hen opstonden, omdat zij hun hart niet standvastig maakten in het volgen van God en in het houden van de geboden van God. 11 Maar wie standvastig is in het volgen van God en in het volgen van Zijn geboden en in het houden van Zijn wet, voor hem zal Hij tot een toevlucht zijn ten tijde van zijn benauwdheid. 12 En Hij zal hem verblijden door het verslaan van zijn vijand en door de buit van het vee van zijn haters en door de gevangenen uit het land van zijn vijand, en door de regen van zijn regenseizoenen en door de vrucht van zijn gewassen en door de opbrengst van zijn schuren[^4] en door de vrucht van zijn tuinen. 13 En wat er is in de oogsttijd en in de nazomer, en gras en groen kruid, en dat wat van zijn kudden is, opdat uw volk, dat onder uw hand is, zich verblijde. 14 En zij zullen de arbeid van een ander eten, en zich verzadigen aan het beste van wat van hun vijanden is — vee en runderen en schapen; en zij zullen de arbeid van een ander eten en de kinderen van hun vijanden als gevangenen wegvoeren. 15 Dit doet God voor wie Hij liefheeft; maar wie Hij haat, die maakt Hij tot een prooi voor zijn vijand. 16 En Hij bindt zijn handen en zijn voeten, en zij leveren hem over in de hand van zijn vijand, en Hij maakt hem tot een spot voor zijn haters, en Hij verblijdt hem niet met het zaad van zijn huis, omdat hij een overtreder van Gods gebod is geweest en een vergieter van bloed. 17 En hij zal niet standhouden in het oordeel, en Hij zal hun de vrucht van hun werken vergelden, aan hen die kwaad doen, aan de bedrijvers van kwaad, wanneer Hij het kwaad vergeldt. 18 Maar aan de bedrijvers van het goede, opdat Hij het goede zou vergelden — het is hem van God geboden, door Zijn eigen hand, dat hij hen zou behoeden. 19 En ook hij moet het gebod houden, want hij is een dienaar gesteld over al wat Hij geschapen heeft, opdat hij het goede zou doen; en Hij geeft hun het eeuwige leven, en zij loven God, Die hen geschapen heeft. En er is niets van wat Hij geschapen heeft dat Zijn gebod overtreedt, behalve alleen de mens. 20 En zij allen kennen Hem en houden zich aan Zijn gebod en aan Zijn inzetting, zoals God het hun geboden heeft, aan hen allen die volgens hun eigen ordening leven. 21 Maar de mens overtreedt tegen Hem Die hem koning gemaakt heeft over alle wilde dieren en vee, en over alle vogels die God geschapen heeft. 22 Of het nu is wat in de zee is, of wat op het droge is — al wat God geschapen heeft, gaf Hij over aan onze vader Adam, opdat hij ermee zou doen wat hij wil, en het zou eten als het gras dat op de aarde is, en het zou onderwerpen en dienstbaar maken, hetzij wilde dieren, hetzij vee. En God gaf hun te verstaan dat zij de mens zouden gehoorzamen. En ook de mensen die koning geworden zijn, zij moeten God gehoorzamen, omdat Hij hun eer gegeven heeft en hen heeft aangesteld over alles wat Hij geschapen heeft, opdat men Hem hulde zou brengen en Hem zou gehoorzamen. 23 En als zij Zijn gebod overtreden, dan zal Hij hen beroven van de gave die Hij hun gegeven heeft, en het geven aan wie Zijn wil doet, want Hij is de Heerser van hemel en aarde. 24 En wie Hij wil, die stelt Hij aan, en wie Hij wil, die zet Hij af; en Hij doodt en maakt levend, Hij tuchtigt en ontfermt Zich. 25 En er is niemand anders zoals Hij, en er is niemand die Hem kan weerstaan,[^5] want Hij is de Heere over al wat Hij geschapen heeft, en er is geen andere god buiten Hem, in de hemel daarboven of op de aarde daarbeneden. 26 En Hij stelt aan en zet af, en Hij doodt en maakt levend, en Hij tuchtigt en ontfermt Zich, en Hij maakt arm en maakt rijk. 27 En Hij neemt de bede aan van hen die tot Hem bidden, en van wie Zijn wil doet met een rein hart; en Hij verhoort hun gebed en doet hun wil in alles wat zij Hem vragen. 28 En Hij beschikt voor hen het kleine en het grote, en alles wat het hunne is, wat in de bergen is en de heuvels en de holen en de bomen en de holten van de aarde[^6] en de zee en het droge. 29 En dit alles is het hunne, voor hen die de wil van hun God doen; en Hij onthoudt hun niets van Zijn zegen, en Hij geeft hun het loon van hun lofprijzing. 30 En ook in de hemel geeft Hij hun de eer die Hij bereid heeft voor hun vaderen, voor Abraham en Izak en Jakob, en voor David en Hizkia en Samuël, die niet afweken[^7] van het gebod en van het oordeel van God. 31 opdat Hij hun het erfdeel zou geven dat Hij hun vaderen gezworen heeft, Abraham en Izak en Jakob, die Hem van oudsher welbehaaglijk waren, en opdat zij zich zouden verblijden in Zijn koninkrijk. ### 1 Meqabyan 22 1 Gedenk toch de namen van hen die het goede doen, en vergeet hun werken niet. 2 En ijver ernaar dat uw naam mag zijn zoals hun naam, opdat u zich in de hemelen met hen zult verblijden in de woning van het licht, die Hij bereid heeft voor de goede koningen en vorsten die de wil van God gedaan hebben. 3 Opnieuw, ken en onderzoek de namen van de goddeloze koningen en vorsten, hoe zij geoordeeld worden, en men hen na hun dood onder de mensen vervloekt. 4 En ook in de hemelen worden zij geoordeeld met de goddelozen en de overtreders die de wil van God niet gedaan hebben, want terwijl zij zagen en hoorden, maakten zij hun weg niet goed. 5 Ook u, ga niet in de weg van de goddelozen, die God overwonnen heeft vanwege de boosheid van hun werken; maar wees goed en zachtmoedig en oprecht. 6 En oordeel naar gerechtigheid, en doe recht aan de weduwe en de wees, en verlos hen uit de hand van de zondaren die hen verdrukken. 7 En sta de wees bij als een vader, opdat u hem verlost uit de hand van wie hem verdrukt; en huiver wanneer de tranen van de wees door uw toedoen worden vergoten, opdat u niet zult huiveren in de zee van vuur, waarin de zondaren geoordeeld worden die geen boetvaardigheid gedaan hebben. 8 Richt uw schreden op de weg van de vrede, en zoek de vrede en jaag die na, want de ogen van God zijn op Zijn rechtvaardigen, en Zijn oor is bij hun gebed. 9 Maar het aangezicht van God is tegen hen die kwaad doen,[^1] om hun herinnering van de aarde uit te roeien; en Hij laat niemand overblijven die zich in de bergen of in de schuilplaatsen verschuilt.[^2] 10 En Ik zal Mijn aangezicht niet afwenden totdat Ik hen verdelg die Mijn woord niet houden; want Ik, God, ben een naijverig God, Die wraak neemt op hen die Mij verachten en op hen die Mijn woord niet houden. 11 En Ik zal eren wie Mij eren en Mijn woord houden. ### 1 Meqabyan 23 1 En ga niet in de weg van Kaïn, die zijn broeder doodde, die hem in argeloosheid volgde, terwijl deze meende dat zijn broeder hem liefhad. 2 En hij doodde zijn broeder uit naijver om een vrouw;[^1] en zo zijn ook zij die onrecht bedrijven, en naijver en bedrog tegen hun naaste. 3 En zij gingen in de weg van Kaïn, en niet in de weg van Abel, de zachtmoedige; want Abel was zachtmoedig als een lam, en zijn bloed was als het bloed van een rein lam dat men aan God offert met een rein hart. 4 Maar zij die wandelen in de weg van Abel, de zachtmoedige, zij hebben God lief, want zij zijn zachtmoedig geworden als Abel; want ieder die in zachtmoedigheid wandelt, die heeft God lief, zoals Abel, de rechtvaardige en zachtmoedige. 5 Maar de goddelozen, hen zal God verwerpen, en hun oordeel is zwaar; op hun halzen en op hun schouders staat een geschrift, en men zal het voorlezen op de dag van het oordeel, voor de engelen en de mensen en heel de schepping. 6 Dan zullen de overtreders en de onrechtvaardigen beschaamd worden, die de wil van God niet gedaan hebben. 7 En hun zal een verschrikkelijk woord gegeven worden, dat zegt: Oordeel hen in het oordeel van de vlam van vuur, waar geen ontkoming is, tot in eeuwigheid. ### 1 Meqabyan 24 1 Toen Gideon op God vertrouwde, overwon hij met weinig soldaten[^1] tienduizenden soldaten die ontelbaar waren als sprinkhanen, en legers van gewapenden. 2 Vertrouwt niet op andere goden, want er is geen andere god buiten Mij, o koningen en vorsten. 3 Want Ik ben God, uw God, Die u uit de schoot van uw moeder heb voortgebracht, en u heb doen opgroeien en u heb gevoed en u heb gekleed;[^2] en waarom zou u tevergeefs handelen en een andere god dienen buiten Mij? 4 En dit alles heb Ik voor u gedaan; en wat hebt u Mij gegeven? En wat verlang Ik van u, dan de behoudenis van uw ziel, dat u wandelt in Mijn wet en in Mijn inzetting en in Mijn gebod? En Ik zal u ook de behoudenis van uw ziel geven. 5 God, Die over alles heerst, zegt: Verlost uzelf van de afgoden en de sterrenwichelarij en de waarzeggerij.[^3] 6 Want om hunnentwil komt de plaag van God over hen die dit doen, en over hen die naar hen luisteren, en over hen die hun wil doen, en over hen die met hen omgaan, en over hen die naar hun geboden wandelen. 7 Want volken zullen tegen u opstaan die u niet kennen en zich niet over u ontfermen, en zij zullen de vrucht van uw akkers eten, als u de wil van God niet doet, Die het voor u gedaan heeft, zoals Zijn profeten gesproken hebben, van Samuël de profeet af; en verder heeft Ezechiël gesproken, en Henoch, en Asaf heeft ervan getuigd.[^4] 8 En hij zei: Er zullen wrede mensen komen, die hun kleding verwisselen, en er is geen andere wet in hen dan eten en drinken en zich tooien met goud en zilver, en allerlei ijdel werk waarin God geen behagen heeft. 9 En zij zijn bereid om te snellen tot eten en drinken, zodra zij ontwaken uit hun slaap; van de morgen tot de avond snellen zij tot boze werken, en voor hun voeten is er geen weg van vrede, maar eerder schande en verbrijzeling op hun weg. 10 En zij kennen de weg van de vrede niet, en er is geen vrees Gods voor hun ogen — een verkeerd en wreed volk, dat geen deugd[^5] en geen geloof heeft, gulzigaards en vraatzuchtigen en drinkers en dronkaards; en zonder wet is hun zonde, en zij leven in ontucht en bloedvergieten en list[^6] en bedrog en het roven van andermans goed door onrecht. 11 En twisters, zonder wet en zonder recht, en er is geen vrees op hun aangezicht, want zij vrezen God niet, Die hen geschapen heeft. 12 En zij schamen zich niet voor het aangezicht van de mens die hen ziet, noch voor het aangezicht van de grijsheid, noch voor het aangezicht van de oude man; en zodra zij horen van aardse goederen, eigenen zij zich die toe, nog voordat zij ze met hun ogen zien; en zodra zij ze met hun ogen zien, is het hun alsof zij ze reeds met hun mond verslonden hebben, want er is geen vrees Gods voor hun ogen. 13 En ook hun vorsten zijn eters van omkoping, en wat zij in de morgen gesproken hebben, herhalen zij niet in de avond, want zij zijn afvalligen, en er is geen oprechtheid meer in hun mond. 14 En ook hun koningen zijn onruststokers; zij snellen tot het kwaad, want zij verachten het geschrei van de armen en de behoeftigen, en zij verlossen de vreemdelingen niet uit de hand van wie hen verdrukt. 15 En daarom moeten de koningen niet hardvochtig[^7] zijn, maar moeten zij de vreemdeling en de verdrukte redden. 16 Maar zij zijn bloeddorstigen[^8] en overtreders, die bloed drinken, en zij sparen het kalf niet met zijn moeder, noch de vogel met haar jongen; want hun weg is wreed: alles wat zij zien en waarnaar zij begeren, dat eigenen zij zich toe. 17 En zij ontfermen zich niet over de armen en de berooiden,[^9] maar zij hebben het lief om voor zichzelf te vergaren, en zij roven andermans goed door onrecht, en al wat zij vinden, vergaren zij, om het op te stapelen in hun huizen en zich daarin te verblijden. 18 Wee hun ziel, wanneer God hen grijpt in Zijn toorn, omdat zij hun levenswandel niet goed gemaakt hebben in hun leven; want zij zullen snel vergaan, als iemand die uit zijn woning gegaan is, van wie geen spoor gevonden wordt, en die niet terugkeert in zijn huis. 19 En zo zullen zij in een ogenblik, in één keer, vergaan, wanneer God hen veracht; zij zullen in korte tijd omkomen, want God haast Zich niet om te verdelgen, maar Hij verdraagt geduldig, of zij zich tot boetvaardigheid bekeren. 20 Maar als zij zich niet tot boetvaardigheid bekeren, zal God hen verdelgen zoals de vroegeren die vóór hen waren, die het gebod van God niet in reinheid hielden. 21 En zij zijn eters van mensenvlees en drinkers van bloed, en er is te geen tijd vrees Gods; want zij omgorden zich met geweld om te snellen, zodra zij van hun leger opstaan, en zij rusten niet van het bedrijven van onrecht. 22 Om te eten en te drinken en te snellen tot het kwaad en het verderf, om de zielen van velen op de aarde te gronde te richten. ### 1 Meqabyan 25 1 Wee hun ziel, wanneer Ik haar grijp in Mijn toorn, zegt God, Die over alles heerst; want verdraaid is hun weg, en zij allen wandelen op de weg van de verleidende satan. 2 En de weg van God kennen zij niet, en zij hebben Hem achter hun rug geworpen, en zij hebben zich blind gehouden voor Mijn wet. 3 En ook Ik zal hun vergelden naar de boosheid van hun werken; op de laatste dag, ten dage van het oordeel, zal Ik Mij op hen wreken, zoals de boosheid van hun werken bij Mij geschreven staat; en zij zullen niet ontkomen uit Mijn hand, want Ik ben God, Die doodt en levend maakt, Die ook tuchtigt en Zich ontfermt. 4 En er is niemand die ontkomt uit Mijn hand, niet onder de aarde, noch boven de hemelen, noch in de zee en de diepten van de wateren; want Ik ben God, van het ene einde tot de einden van de wereld, en de ziel van allen is in Mijn hand. 5 Ik gebied de slang onder de aarde, en de vissen in de zee, en de vogels in de lucht, en de kruipende dieren[^1] in de wildernis, van het ene einde tot het andere einde en tot de einden van de wereld — het is het Mijne. 6 En er is niemand die ontkomt uit Mijn hand, in de hemel daarboven of op de aarde daarbeneden; want Ik ben het, Die wonderen en tekenen doe voor Mijn ogen, en er is niemand die tot Mij zegt: Waar gaat U heen, en wat doet U? 7 En Ik gebied over de engelen en de oversten, en elke naam die genoemd wordt, is de Mijne; en alle vogels van de hemel en de wilde dieren van het veld en het vee, het is het Mijne. 8 En de zuidenwind zal opsteken, en de hitte van het noorden, en de Rode Zee zal bruisen vanwege de grootheid van de majesteit van Hem Die tot haar komt in de laatste dagen. 9 Want Hij zal de levenden en de doden oordelen, met Noba en Saba en Ethiopië en Hindeke,[^2] en al hun omstreken en hun gebied. 10 En Hij zal alles in zachtmoedigheid aanzien met de staf die in Zijn hand is, en Hij zal met de staf naar Zijn schapen omzien, want Zijn staf is verheven boven alle staven. 11 En Zijn hoorn is machtiger dan alle hoornen, en Zijn koninkrijk is verheven boven alle koninkrijk, en Zijn heerschappij omvat heel de wereld, Die alles vermag, en er is niemand die Hem overwint. 12 Hij gebiedt de wolken daarboven, en Hij doet gras uitspruiten voor het vee daarbeneden, en Hij geeft vrucht op de aren. 13 En Hij voedt alles zoals Hij wil, elk naar zijn aard en naar zijn vrucht en naar zijn voedsel, alles wat Hij geschapen heeft, voor het gewormte en de kruipende dieren[^3] onder de aarde, en voor de wilde dieren en het vee op de aarde; Die het gebed verhoort van wie bidt, en Die de smeking van de weduwen en de wezen niet veracht. 14 En bovenal neemt Hij het gebed aan van de reinen die te allen tijde tot Hem bidden; want de opstand van de goddelozen is als een stormwind, en de vergadering van de onrechtvaardigen is als het wegdrijven van een wolk. 15 En ook hun vreugde is als een vliegende vogel, en de schoonheid van hun aanzien is vergankelijk — dat van goud en dat van zilver op de aarde; en ook hun goud baat hun niet, maar het is een merkteken[^4] voor de goddelozen; en de rijkdom van hun kleren wordt door de mot verteerd. 16 En ook de schatkamers van koren en van goederen worden verteerd door de made en de worm; en alles gaat voorbij als de dag van gisteren die voorbijgegaan is; en zoals een woord dat uit de mond is uitgegaan niet terugkeert, zo is de rijkdom van de zondaren; en zoals een schaduw die voorbijgaat, zo is de heerlijkheid van hun bestaan; en zoals een versleten kleed, zo is de rijkdom van de zondaren voor het aangezicht van God. 17 Maar de rechtvaardigen, ook al hebben zij rijkdom, veracht God niet, want zij ontfermen zich over de arme in hun rijkdom, en zij doen recht aan de wees en de behoeftigen, en zij kleden de naakten met hun kleding, en zij houden niets achter van het zaad van hun huis dat God hun gegeven heeft, om aan de vreemdeling en aan de behoeftigen te geven. 18 En zij verdraaien het recht van de gelovigen niet, en zij houden het loon van de dagloner niet achter, en zij bedrijven geen onrecht in de berekening van hun maanden, noch in de maat van hun weegschaal; want gerechtigheid en eerbiedwaardig is het woord van God, als een volle[^5] ... ### 1 Meqabyan 26 1 En de armen, opnieuw, zij liggen te peinzen op hun bed; en als de rijken hen niet ontvangen, worden zij als een dorre boom die geen sap heeft; en waar geen sap is, spruit geen wortel uit; en waar geen wortel is, spruit geen scheut uit. 2 En als de scheut niet uitspruit, brengt zij geen vrucht voort; want de scheut dient tot het voortbrengen van vrucht; en wie geen vrucht heeft, heeft geen goed werk; want het voornaamste voor een mens is de vrucht van de gerechtigheid. 3 En als hij gerechtigheid doet, draagt hij de vrucht van de eerlijkheid; en God verheugt Zich over de mens die gerechtigheid en eerlijkheid doet. 4 En Hij verhoort het gebed van hem die bidt, en de arbeid van zijn lippen; en Hij verstoot de rechtvaardige niet vanwege zijn gerechtigheid die hij heeft gedaan. 5 En wie zou de goddeloze rechtvaardigen zonder bekering, vanwege het kwaad van zijn werk dat hij gedaan heeft? Want God is rechtvaardig en heeft de gerechtigheid lief, en Hij is onpartijdig naar het aangezicht van de rijke, noch van de arme, in het gericht; want Hij is de Heerser van hemel en aarde, en de ziel van allen is in Zijn hand. ### 1 Meqabyan 27 1 En Hij schiep de hele wereld uit het niet, en Hij bereidde en ordende de bergen en de heuvelen, en bevestigde de aarde op het water; en opdat zij niet zou wankelen, omheinde Hij haar met zand; want in het begin sprak het woord van God: Er zij licht. 2 En er was licht, terwijl de wereld in duisternis was; en God verrichtte het werk, en bereidde en bevestigde de wereld naar wat gepast is en naar wat recht is; en Hij zei: Er zij avond en duisternis. 3 En opnieuw zei God: Er zij licht, en het werd morgen; en er was licht; en Hij verhief het water dat beneden was, tot boven de hemel. 4 En Hij spreidde het uit als een tentkleed, en met de wind stelde Hij het als een pilaar; en het water dat beneden was, deed Hij wonen daaronder, in de diepten van de zee. 5 En Hij sloot met zand de poorten van de zee, en bevestigde ze door Zijn Geest, opdat zij niet zouden verzinken naar beneden, in de diepte; en Hij deed daarin wonen de wilde dieren en het vee, en de grote dieren daarin, zonder getal, die gezien worden en die niet gezien worden. 6 En op de derde dag maakte God de gewassen op het droge, en al het gras en de bomen, elk naar zijn aard, en de vruchten die vrucht dragen. 7 En de boom des levens, die goed is om te zien en aangenaam om te eten, en het gras en al het groen van de aarde waarvan hun zaad is. En Hij verordende voedsel voor al het vee en de wilde dieren en voor de vogels, en gaf onderhoud aan alles wat Hij geschapen had. 8 En het werd avond en het werd morgen; en op de vierde dag zei God: Er zij licht in het uitspansel des hemels; en God maakte de zon en de maan en de sterren, en zette hen in het uitspansel des hemels, opdat zij zouden lichten over de aarde en haar zouden beheersen bij dag en bij nacht. 9 En daarna scheidden de zon en de maan en de sterren de dag en de nacht. 10 En op de vijfde dag schiep God al de dieren en de levende wezens die in de wateren wonen, en al de vogels die boven in de lucht vliegen, en al wat gezien wordt en wat niet gezien wordt; dit alles schiep God. 11 En op de zesde dag schiep Hij al de wilde dieren en het vee en het kruipend gedierte; en nadat Hij alles geschapen en alles geordend had, schiep Hij Adam naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. 12 En Hij gaf hem al de wilde dieren en het vee over die Hij geschapen had, opdat hij over hen zou heersen; en ook al het vee en de wilde dieren en de vissen en de zeegedrochten die in de zee zijn. 13 En ook de schapen en al het vee dat op de aarde is, en de dieren die gezien worden en die niet gezien worden. 14 En Hij stelde de mensenzoon aan, die Hij naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis gemaakt had, en gebood dat hij zou eten en de hof zou bewerken en God daar zou prijzen. 15 En dat hij het gebod van God niet zou overtreden, en dat hij niet zou eten van de boom die goed en kwaad doet onderscheiden, de boom des doods. 16 Want Hij zei: Ten dage dat u van deze boom eet, zult u den dood sterven. 17 En door de verleiding van zijn listigheid werd Eva bedrogen, en zij at van die boom, en gaf het aan onze vader Adam. 18 En hij at van die boom, en bracht de dood over zichzelf en over zijn kinderen. 19 En God werd toornig op onze vader Adam, omdat hij Zijn gebod overtreden had en gegeten had van die boom waarvan God hem geboden had niet te eten; en Hij verdreef hem uit de hof, en gaf hem deze aarde van doorn en distel, die Hij om zijnentwil vervloekt had toen hij Zijn gebod overtrad, opdat hij haar zou bewerken en het loon van zijn arbeid zou eten in het zweet zijns aanschijns. 20 En toen God hem uitgeleid had in deze aarde, keerde Adam in tot verdriet en bekommernis van hart, en hij begon de aarde te bewerken en te eten in het zweet zijns aanschijns en met gezucht en met arbeid. ### 1 Meqabyan 28 1 En daarna woonden zij daar, en zijn kinderen vermenigvuldigden zich; en onder hen waren er die God prezen en Hem eerden en Zijn gebod niet overtraden. 2 En er waren ook profeten die profeteerden wat geweest was en wat komen zou; en er waren onder de kinderen van de zondaren die logen en onrecht deden. Kaïn, de eerstgeborene van Adam, werd wreed en doodde zijn broeder Abel. 3 En God ontstak in toorn tegen Kaïn, omdat hij zijn broeder Abel gedood had; en ook tegen de aarde, omdat zij zijn bloed gedronken had, werd God toornig op haar. 4 En tot Kaïn zei God: Waar is uw broeder Abel? En Kaïn zei, in de hoogmoed van zijn hart: Ben ik de hoeder van Abel, mijn broeder? 5 En Abel was rechtvaardig, maar Kaïn werd een zondaar door zijn broeder Abel, de rechtvaardige, te doden. 6 En opnieuw werd Seth de rechtvaardige geboren; want Adam verwekte dochters en zonen, en onder hen waren goeden en kwaden. 7 En er waren onder hen profeten en rechtvaardigen, en er waren onder hen zondaren en onreinen. 8 En er waren onder hen goeden en gezegenden, die de wil deden van hun vader Adam en alles wat hij aan Seth, zijn zoon, verteld had, van Adam af tot Noach de rechtvaardige, die het gebod van God bewaarde. 9 En ook hij vermaande hen en vertelde zijn kinderen de wil van God; en zij zouden het aan hun kinderen vertellen en de wil van God bewaren, gelijk hun vader Noach hun verteld had, opdat zij het gebod van God niet zouden tenietdoen. 10 En zij bleven degenen onderrichten die na hen kwamen, hun kinderen. 11 Maar de satan, terwijl hij tegen hen streed, sprak tot hen die hem toestemden, te midden van de afgoden — de graven hunner vaderen, de gehouwen beelden — en zij deden alles wat hij, de leraar des kwaads, hun gebood. 12 En zij dienden de afgoden naar hun gewoonte, totdat Abraham de rechtvaardige voortkwam, die de wil van God deed. 13 En God sloot een verbond met hem door vuur en door wervelwind; want hij was de eerste die in de weg van de gerechtigheid wandelde, boven zijn verwanten. 14 En God zwoer hem dat Hij hem het land tot een erfdeel zou geven, hem en zijn zaad tot in eeuwigheid. 15 En evenzo sloot Hij met Izak een verbond, om hem het erfdeel van zijn vader Abraham te geven; en met Jakob sloot Hij evenzo een verbond, om hem het erfdeel van zijn vader Izak te geven. 16 En hun zaad na hen, de kinderen van Jakob, maakte Hij tot koningen en priesters uit het geslacht van het volk van Israël; en Hij zegende hen en zei tot hen: Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt u zeer. 17 En Hij gaf hun het erfdeel hunner vaderen; maar zij hielden niet op God tot toorn te verwekken, terwijl Hij hen voedde en in alles begunstigde. 18 En wanneer Hij hen doodde, in die dag zochten zij Hem en keerden terug en wendden zich weer tot God; want God had hen lief en ontfermde Zich over hen. 19 En niet om hunnentwil, maar om hunner vaderen wil; want Hij is barmhartig en genadig tegenover al wat Hij geschapen heeft. 20 En Hij strekt Zijn rechterhand uit in zegening, om de hongerige ziel te verzadigen, en opent Zijn oog tot ontferming, en om koren te vermenigvuldigen tot voedsel. 21 En Hij geeft voedsel aan de jonge raven en aan allen die Hem aanroepen; en de kinderen van Israël verlost Hij uit de hand van hun vijanden en hun haters, wanneer zij tot Hem roepen. 22 En opnieuw keerden zij terug om Hem te tergen; en Hij zond tegen hen de heidenen en hun vijanden die rondom hen waren, en zij vernietigden hen en doodden hen en voerden hen als gevangene weg. 23 En opnieuw riepen zij tot God met geschrei en met tranen; en Hij zond hun hulp; er waren tijden dat Hij hen verloste door de hand van de profeten. 24 En er waren tijden dat Hij hen verloste door de hand van de richteren; en wanneer zij God tergden, gaf Hij hen over aan hun vijanden, en dezen plunderden hen en voerden hen als gevangene weg. 25 En David stond op en verloste hen uit de hand van de Filistijnen; en opnieuw tergden zij God, en Hij zond tegen hen die hen verwelken. 26 En er waren tijden dat Hij hen verloste door de hand van Jefta; en opnieuw vergaten zij God die hen verlost had, en Hij zond tegen hen boze vijanden die hen verwelken en als gevangene wegvoerden en plunderden; want God vergold het hun. 27 En opnieuw riepen zij tot Hem toen zij verdrukt werden, en Hij verloste hen door de hand van Gideon; en opnieuw tergden zij God door het werk hunner handen. 28 En Hij zond opnieuw tegen hen die hen verwelken; en zij keerden terug en huilden en riepen tot God. 29 En opnieuw verloste Hij hen door de hand van Simson; en zij rustten een korte tijd, en stonden op om God te tergen door hun boosheid die zij tevoren gedaan hadden. 30 En Hij zond opnieuw tegen hen anderen die hen verdrukten; en opnieuw riepen zij en huilden tot God, opdat Hij hun hulp zou zenden; en Hij verloste hen door de hand van Debora en Barak. 31 En opnieuw bleven zij weinige dagen God dienen; en opnieuw vergaten zij Hem en tergden God vanwege hun vroegere boosheid. 32 En Hij zond tegen hen anderen die hen verdrukten; en opnieuw verloste Hij hen door de hand van Judith; en opnieuw bleven zij een korte tijd, en stonden op om God te tergen gelijk tevoren, door hun boosheid. 33 En Hij verwekte tegen hen de heidenen die over hen heersten; en zij riepen en huilden tot God, en Hij verloste hen door de hand van Mattathias en zijn zonen, bij de hoek van het huis. 34 Want deze sloeg het hoofd van de reus Achimelech, die gekomen was om tegen het land Juda te strijden; en toen die reus gestorven was, werden zijn legers verstrooid en vluchtten, en de kinderen van Israël sloegen hen tot aan Jabbok, en lieten niemand overblijven. 35 En daarna rustten zij een weinig, en stonden op om God te tergen; en Hij zond tegen hen de heidenen die over hen heersten; en opnieuw riepen en huilden zij tot God; maar hun geween en hun gejammer werd niet aangenomen, want te allen tijde tergden zij God en vergaten Zijn gebod. 36 En zij voerden hen als gevangene weg en brachten hen naar het land van de Chaldeeën, met hun priesters. 37 En ook daar hielden de kinderen van Israël, de onreinen, niet op God te tergen, bedrijvende onreinheid en afgoderij, en zij vermengden zich met de heidenen die hen als gevangene weggevoerd hadden. 38 En God werd ook daar toornig vanwege hun boosheid, om hen in eens te verdelgen; en Hij legde toorn op Artaxerxes, de koning van de Chaldeeën, dat hij tienduizend denariën in de schatkamers des konings zou brengen, en hen zou vonnissen op de bepaalde dag, opdat hun zaad niet zou overblijven in het land van Perzië, van Indië af tot aan Ethiopië. 39 En zo maakte hij een brief van bevel door het gezag des konings, en gaf hem het zegel dat op zijn hand was, opdat hij tot in alle steden van Perzië zou komen. 40 Dat zij hen op één dag zouden doden, zoals de koning hun geboden had, op welke dag hij begeerde hen uit te roeien; en hun buit, het goud en het zilver, gebood hij dat men in de schatkamers des konings zou brengen. 41 En in die dag, toen de kinderen van Israël het hoorden, riepen zij en huilden en jammerden tot God, en berichtten het aan Mordechai; en Mordechai berichtte het aan Esther. 42 En Esther zei: Vast en bidt en roept tot God, den God van Israël, u hele vergadering van de kinderen van Israël, waar u ook bent. 43 En Mordechai deed een zak aan en wierp as op zijn hoofd, en zij vastten en baden en deden boetvaardigheid, waar de kinderen van Israël ook waren. 44 En Esther was zeer bekommerd, en hoewel zij koningin was, deed zij een zak aan en strooide as, en boog haar hoofd, en zalfde zich niet met geurende olie gelijk de koninginnen van Perzië doen; en zij huilde en jammerde tot God uit de diepte van haar hart, tot den God harer vaderen. 45 En daarom gaf God haar genade voor het aangezicht van Artaxerxes, de koning van Perzië; en zij richtte een grote maaltijd aan voor den God harer vaderen. 46 En de koning en Haman kwamen tot de maaltijd die Esther bereid had; en daar vergold God het Haman, naar wat hij aan Mordechai had willen doen, en zij hingen hem aan een hoge boom. 47 En de brief des konings gebood dat men de Joden met rust zou laten, waar zij ook waren, in al hun begeerte, en hen niet zou knechten, noch beroven, noch verdrukken, noch hun goederen zou nemen. 48 En dat men hun steden niet zou verwoesten, noch hun vee zou plunderen, maar hen zou liefhebben en eren, waar zij ook waren in het hele land van Perzië; want zó onderwijst God hen in Israël, wanneer zij Hem in boetvaardigheid smeekten en tot Hem riepen. 49 En wanneer zij Hem tergden, zond Hij tegen hen heidenen die hen verdrukten; in die dag huilden en jammerden en riepen zij, opdat Hij hun hulp zou zenden en hen zou verlossen uit de hand van hen die hen verwelken. ### 1 Meqabyan 29 1 En bovendien, toen Egypte de kinderen van Israël verdrukte met harde arbeid en met het bouwen van muren, en met alle arbeid die zij hen lieten doen, en met tichelstenen zonder stro; 2 en zij stelden over hen drijvers van de arbeid en lieten hen werken; toen riepen zij tot God, opdat Hij hen zou verlossen uit al hun slavendienst van Egypte. 3 En in die dag zond Hij hun hun hulp, Mozes en Aäron, en zij verlosten hen van het bouwen van muren; want God had hen gezonden om Zijn volk uit te leiden uit het huis van de dienstbaarheid van Farao, de koning van Egypte; want in zijn hoogmoed weigerde hij het volk te laten gaan, opdat zij niet zouden dienen en aan God geen offer zouden brengen in de woestijn. 4 Want de hovaardigen versmaadt God; en vanwege de hoogmoed van Farao verdronk God hem met zijn leger in de Rode Zee. 5 En evenzo zij die het woord van God versmaden, zijnde koningen en vorsten, en die geen goed doen in alles waartoe Hij hen aangesteld en tot koning gemaakt heeft, opdat zij Zijn wil zouden doen en het loon zouden geven aan hen die wél dienen, en Zijn grote naam zouden eren. 6 Maar als zij Mijn koninkrijk recht besturen, zal Ik ook hun koninkrijk recht besturen, zegt God die over alles heerst. 7 Doet Mij goed, en Ik zal ook u goed doen; bewaart Mijn gebod, en Ik zal ook uw ziel bewaren; wandelt in Mijn gebod, en Ik zal ook wandelen naar uw hart. 8 Hebt Mij lief, en Ik zal ook uw leven liefhebben; en neemt uw toevlucht tot Mij, en Ik zal ook u sterken. 9 En vertrouwt op Mij, en Ik zal ook u verlossen, zegt God die over alles heerst. 10 En wijkt niet af naar de kromme weg; nadert tot Mij, en Ik zal tot u naderen; want Ik heb de rechte wegen lief, zegt God die over alles heerst. Reinigt uw handen, u zondaren en onreinen, en doet het kwaad van uw hart weg. 11 En Ik zal ook Mijn toorn van u wegnemen, en Mij tot u wenden in genade en in ontferming. 12 En Ik zal verre van u wegdoen de vijanden, de wettelozen die onrecht bedrijven, zoals Ik David, Mijn knecht, verlost heb uit vele beproevingen die hem overkwamen: uit de hand van Goliath den reus, en uit de hand van Saul die zocht hem te doden, en uit de hand van Absalom, zijn zoon, die begeerde zijn koninkrijk te nemen. 13 En evenzo verlos Ik hen die Mijn wil doen en Mijn gebod bewaren en volharden in Mijn wet; en Ik geef hun heerlijkheid tot erfdeel en doe hen heersen boven allen, opdat zij zich verheugen in deze wereld en in de wereld die komt. 14 En zij zullen deelgenoten zijn met de gezegende koningen die God behaagd hebben in de dagen van hun leven; gelijk Samuël, toen hij nog een kind was, dien God van zijn jeugd af verkoren heeft in de dagen van zijn leven. 15 En Hij sprak tot hem, dat hij het zou zeggen aan Eli, den bejaarden priester; en goed was de wandel van Samuël den profeet, terwijl hij diende in het huis van den Heere God. 16 En toen hij opgroeide in het huis van God, terwijl hij diende, stelde Hij hem aan om het volk aan te stellen en koningen te zalven naar het gebod van God. En Hij gaf in zijn hand de zalving van het koningschap, toen hij de wil deed van den Heere zijn God; want hij behaagde Hem voor Zijn aangezicht, om koning te maken over het volk hem dien God verkoren had uit de kinderen van Israël. 17 En terwijl Saul in het koningschap was, zei God tot Samuël den profeet: Ga, zalf David, de zoon van Isaï, die van het huis van Juda is, want in hem heb Ik welbehagen. ### 1 Meqabyan 30 1 En Ik heb het huis van Saul verworpen, want hij heeft Mij getergd, omdat hij Mijn woord overtrad. 2 En Ik heb Mij ook van hem afgewend, en Ik zal niet opnieuw iemand uit zijn huis doen heersen, omdat hij Mijn woord niet bewaarde. 3 En evenzo zij die Mijn woord niet bewaren en niet wandelen in Mijn wet en in Mijn voorschriften: Ik zal Mijn gave van hen onthouden, en Mijn koninkrijk van hun zaad, tot in eeuwigheid. 4 En Ik zal berouw hebben, zodat Ik hen niet opnieuw verhoog, maar eerder dat Ik hen verdelg; want toen Ik hen verhoogde, hebben zij Mij niet groot gemaakt, en toen Ik hen eerde, hebben zij Mij niet geëerd. 5 En toen Ik hun goed deed, deden zij Mij geen goed; en toen Ik hen onderwees, onderwezen zij Mij niet. 6 Want Ik heb hen tot hoofd gemaakt over allen, maar zij hebben Mij niet tot hoofd gemaakt over hen; en toen Ik hen boven allen eerde, hebben zij Mij niet geëerd en Mijn gebod niet bewaard. 7 En Ik heb ook de gave weggenomen die Ik hun gegeven had, en Ik zal ze hun niet teruggeven, zoals Ik gezworen heb in Mijn toorn; en wie Mij eert, dien zal Ik eren, en wie Mij liefheeft, dien zal Ik begunstigen; zó zegt God die over alles heerst. 8 Maar wat betreft hen die Mij niet eren en Mijn gebod niet bewaren: Ik zal hun deel afsnijden van Mijn gave die Ik hun gegeven heb. 9 God die over alles heerst zegt: wie Mij liefheeft, dien zal Ik liefhebben, en wie Mij groot maakt, dien zal Ik groot maken. 10 Want Ik ben God die alles oordeelt, en er is niemand die aan Mijn hand ontkomt, in de hemel boven en op de aarde beneden; want Ik ben God die doodt en levend maakt, die slaat en Zich ontfermt. 11 En de grootheid en de heerlijkheid zijn de Mijne; wie Ik liefheb, dien zal Ik eren, en wie Ik haat, dien zal Ik vernederen. 12 En Ik ben het die Mij ontferm over hen die Mij liefhebben en Mijn naam gedenken te allen tijde; voor de arme en voor de rijke ben Ik de verzorger van het voedsel. 13 En niet voor de mens alleen, maar ook voor het vee en voor de vogels en voor de wilde dieren en voor de vissen die in de zee zijn, en voor de slangen. 14 En voor de zeegedrochten, en voor de krokodillen, en voor de ingota's, en voor de nijlpaarden, en voor de gehoornde dieren. 15 En al wat zich beweegt in het water, en al wat vliegt boven in de lucht, dat is het Mijne. 16 En Ik ben het die voedsel geef naar wat gepast is en naar wat nodig is, voor hen allen die Mij zoeken. ### 1 Meqabyan 31 1 Ook koningen worden niet aangesteld zonder Mijn wil, en de armen worden niet arm dan door Mijn gebod, en de machtigen worden niet sterk dan door Mijn wil. 2 En Ik gaf David gunst, en wijsheid aan Salomo, en Ik voegde jaren toe aan Hizkía. 3 En Ik verkortte de dagen van Goliath, en Ik gaf kracht aan Simson, en opnieuw verzwakte Ik zijn kracht. 4 En Ik, Ik verloste David, Mijn knecht, uit de hand van Goliath, de vermetele.[^1] 5 En verder uit de hand van Saul, de koning, en verder uit de hand van een andere vermetele die zich tegen hem stelde, en uit de hand van allen die zich tegen hem stelden en met hem twistten, omdat hij Mijn gebod bewaarde. 6 En Ik, Ik heb hem liefgehad, en allen die Mijn geboden bewaren, koningen en vorsten, ook hen heb Ik lief, en Ik geef hun kracht en overwinning over hun vijanden; want ook zij hebben Mij verblijd. 7 En opnieuw geef Ik hun een erfland, dat Ik hun vaderen gezworen heb, een rein en licht land, opdat zij het land hunner vaderen zouden beërven. ### 1 Meqabyan 32 1 En ook u, koningen en vorsten, hoort naar Mij, naar Mijn woord, en bewaart Mijn gebod, zegt God die over alles heerst; zoals de kinderen van Israël Mij vertoornd hebben en andere goden aanbaden, terwijl Ik, God, hun God ben, die hen bewaard en verlost heeft en hen heeft doen opgroeien sinds hun vaderen, en hen gevoed heeft met alles wat zij begeerden. 2 En Ik deed hen opklimmen op de sterkte van het land, en Ik spijzigde hen met de zegen van het land, en naar behoren met wijngaarden die zij niet geplant hadden, en met olie van de olijf, en met bronnen van zoet water dat zij niet gegraven hadden. 3 En met honigraten,[^1] en met melk van schapen, met bloem van tarwe, en met sierlijke kleren, en met alles wat voor hen begeerlijk was. 4 En er was niets dat Ik hun onthouden heb van wat zij Mij vroegen. ### 1 Meqabyan 33 1 En verder spijzigde Ik hen met manna in de woestijn, met brood, zoals David gezegd heeft: En het brood van Zijn engelen aten de mensenkinderen. En dit alles deed Ik voor hen, opdat zij Mij zouden dienen in gerechtigheid en in oprechtheid. 2 Maar zij, zij dienden Mij niet; en Ik, ook Ik heb hen vergolden,[^1] zegt God die over alles heerst; en zij vertoornden Mij, en wandelden op een weg die niet de Mijne was. 3 En Ik, naar hun werken vergeld Ik hun, en naar het werk hunner handen heb Ik hen vergolden, omdat zij Mijn dienst verzuimden en niet volhardden in Mijn inzetting en in Mijn raad; en Ik deed hen neerdalen in het gericht des oordeels dat in de hemelen is. 4 En ook op de aarde verkort Ik hun dagen, omdat zij Mijn gebod niet bewaarden, en Ik, Ik ben op hen vertoornd. 5 En u ook, koning, bent u niet een mens die sterft en vergaat, die morgen worm en gewormte en as wordt? 6 En nu roemt u en verheft u zich, als een die in eeuwigheid niet sterft. 7 Terwijl u een mens bent die nu levend verschijnt en morgen sterfelijk is, zegt God die over alles heerst. 8 En zo u Mijn woord en Mijn gebod bewaart, doe Ik u de heilige stad beërven, met hen die Mijn wil gedaan hebben, de geëerde koningen van wie de woningen licht zijn en van wie de kronen schoon zijn, en hun tronen van goud en van zilver, die bereid zijn, waarop zij zitten. 9 En u zult u verheugen in Zijn stad, die een nabije woning is voor de werkers van goede dingen. 10 Maar voor de werkers van het kwaad past het niet dat zij ingaan in die stad, waar de geëerde koningen ingaan. 11 Want zij bewaarden Mijn woord en Mijn inzetting niet, zegt God die over alles heerst. ### 1 Meqabyan 34 1 Het koninkrijk van Medië zal vergaan, en het koninkrijk van Rome zal zeer sterk worden boven het koninkrijk van Macedonië en het koninkrijk van Ninevé, en boven het koninkrijk van Perzië. 2 En het koninkrijk van Ethiopië boven het koninkrijk van Alexandrië, en het koninkrijk van Moab boven Amalek; want zij zullen opstaan. 3 En de broeder zal opstaan tegen zijn broeder, en God zal wraak doen, zoals Hij over hen gesproken heeft, dat zij vernietigd zouden worden. 4 En Hij zei: Het ene koninkrijk zal opstaan tegen het andere koninkrijk, en volk tegen volk, en stad tegen stad. 5 En er zal beroering zijn, en er zal doodslag zijn, en honger, en pest, en aardbeving, en het uitblijven van de regentijd; want vrede en liefde zijn geweken,[^1] en de gesel Gods is daarop nedergedaald. 6 En wanneer de dag Gods genaakt is, plotseling, als de bliksem die verschijnt van het oosten tot het westen. 7 En dan zal een ieder vergolden worden naar zijn werk, en naar de arbeid zijner handen, en naar de vrucht van zijn werk; want Hijzelf, zegt God, zal hen op de dag des oordeels wreken, en ten tijde dat hun voet zal wankelen; want de dag van hun rekenschap is nabij gekomen. 8 Te dien dage zal God de werkers van het kwaad verdelgen, die niet wandelen in Zijn wet, tot het eeuwige oordeel: het volk van Juda, en Cyprus, en Samaria, en Damascus, en het volk van Babylon. 9 En ook zij die op de eilanden wonen: Arabië, en Indië, en Nubië, en Seba, en Egypte, en Ethiopië, en allen die daarop wonen. 10 Dan zullen zij Mij kennen, dat Ik het ben, God, die hemel en aarde richt, en Ik ben het die eer en gunst geeft, en Ik ben het die doodt en levend maakt. 11 En Ik ben het die de zon doet opgaan en haar naar haar ondergang zend, en Ik ben het die het goede en het kwade brengt. 12 En Ik ben het die een volk brengt dat u niet kent, die de vrucht van uw arbeid zullen eten, en de kudden van uw runderen en van uw schapen. 13 En zij zullen uw kinderen voor uw aangezicht verslaan[^2] en hen als gevangene wegvoeren, en u zult hen niet kunnen verlossen; en zij zullen uw vette spijzen[^3] en uw weelde eten, omdat u het gebod Gods, dat u gehoord hebt, niet gevreesd hebt, omdat de Geest Gods niet op u uitgestort is. 14 Maar hij op wie de Geest Gods rust, weet alles, zoals Nebukadnezar tot de profeet Daniël zei: Want ik zie de Geest Gods op u. 15 Want wie de Geest Gods heeft, weet alles; ook het verborgene wordt hem openbaar, en er is niets dat verborgen is voor de Geest Gods, maar Hij kent alles, zowel het verborgene als het openbare. 16 Want wij zijn mensen, wij die morgen sterven, en onze werken zullen openbaar worden, al wat wij in het verborgen gedaan hebben. 17 Zoals men het goud en het zilver in het vuur beproeft, zo zullen de zondaren beproefd worden ten laatsten dage, omdat zij het gebod Gods niet bewaarden. 18 Dan ook zullen de werken beproefd worden van alle kinderen van Israël en van alle heidenen. ### 1 Meqabyan 35 1 Wee u, u machtigen van Israël, want tegen u zal God vertoornd worden, omdat u het recht van de wees niet naar behoren gedaan hebt. 2 Wee u, die naar het huis van de drankschenker gaat 's morgens en 's avonds, en u wordt dronken en u zwelgt,[^1] en u let niet op het recht van de wees en van de weduwen, en u zit neer in genot en brasserij.[^2] 3 Zo zei God tot de machtigen van Israël: Wee u, als u niet wandelt in Mijn gebod, en Mijn woord niet bewaart, en niet liefhebt wat Ik begeer. 4 En Ik, Ik zal over u de gesel brengen, en kastijding, en ziekte, en u zult vernietigd worden als de vraat van de worm en de made, en uw tiende zal niet gevonden worden in uw landstreken. 5 En uw stad zal een woestenij worden, en al wie haar tevoren gezien heeft, zal in zijn handen klappen en over haar fluiten, zeggende: Is dit niet de stad die vol was van zegen en van alle goede dingen? Zo dan heeft God haar gemaakt om de boosheid van hen die in haar wonen. 6 Wee haar! Want zij verhief haar hart, en verhoogde haar hoofd, en strekte haar hals uit, totdat God haar vernederde in het stof van de aarde; en om de hoogmoed van hen die in haar wonen, is zij een woestenij geworden, en doorn en distel zijn op haar opgeschoten. 7 En zij werd een wildernis en een puinhoop,[^3] en zij werd een dorre en verlaten plaats, en ook de wilde dieren wonen in haar. 8 En zij werd een verschrikking voor hen die door haar heentrekken, want de toorn van God is op haar gevallen, en zij heeft gedronken uit de beker van Zijn toorn, om de hoogmoed van haar hart, om de boosheid van hen die in haar wonen. ### 1 Meqabyan 36 1 Beroemt u niet, u Macedoniërs, en verheft uw nek niet, u Amalekieten; want er is een God die op u wraak neemt. 2 Want u verheft u tot aan de hemel, en u zult neerdalen in het dodenrijk. 3 En ten tijde van de eerste intocht van Israël in het land Egypte, in het koninkrijk van de Macedoniërs en de Moabieten, zei Hij: Beroemt u niet; want het past niet dat u God zou uitdagen, dat u met Hem zou wedijveren. 4 En u ook, u vergankelijke Ismaëliet, waarom verheft u uw nek naar wat niet het uwe is? Gedenkt u niet dat God u zal oordelen op de dag des oordeels, wanneer Hij opstaat om de aarde te oordelen? 5 Dan zult u vergolden worden naar het werk van uw handen. Waarom verheft u uw hart en steekt u uw nek omhoog? zegt God, die over alles heerst. 6 En Ik ook, Ik zal met u afrekenen, zoals u hebt getart wie de uwen niet waren; en waarheen Ik u ook gezonden heb, daar wordt u iemand die doet wat hij begeert, om kwaad te bedrijven. 7 En evenzo zal Ik ook met u handelen, zegt God, die over alles heerst. En u, als u het goede doet en liefhebt wat Ik liefheb, dan zal ook Ik u verhoren in alles waarom u Mij bidt. 8 En Ik zal uw wil doen, als u Mijn wil doet, en uw vijand zal u niet weerstaan; en Ik zal uw arbeid zegenen, en uw zaad en uw kinderen. 9 En Ik zal de kudden van uw runderen en uw schapen zegenen, en Ik zal zegenen al wat u ter hand neemt, als u wandelt in Mijn gebod en doet wat Ik liefheb, zegt God, die over alles heerst. 10 En als u Mijn wil niet doet, noch wandelt in Mijn gebod, dan zal Mijn oordeel u treffen, dit hele oordeel van Mij dat tevoren gesproken is; en u zult niet kunnen ontkomen aan Mijn toorn, die te allen tijde over u komt, omdat u zich niet hebt laten gezeggen door Mijn gebod, noch gewandeld hebt in Mijn recht. 11 En u hebt niet verkozen wat Ik verkies, en u hebt u onttrokken aan Mijn lof en aan Mijn aanbidding, terwijl Ik u geschapen heb toen u nog niet bestond. 12 En Ik heb u eer en heerlijkheid gegeven onder de mensen die onder u zijn, opdat u alles zou doen wat u begeert: te doden en te doen leven, te bouwen en af te breken, te verheerlijken en te vernederen, te verhogen en te verlagen; dat behoort u toe. 13 Als u de wil van God doet en wandelt in Zijn geboden, zal Hij u liefhebben, opdat u zich met Hem verheugt in Zijn koninkrijk en een deel hebt met hen die de heilige stad beërfd hebben. 14 Want Hij zei: Als zij bij Mij volharden, zal Ik hun eer en gunst doen beërven, en Ik zal hen verblijden in het huis van Mijn gebed; en zij zullen uitverkorenen en welgevalligen zijn, zoals een offer van de offergave, zegt God, die over alles heerst. 15 Wees niet traag in het doen van het goede en in de weg van het heil, opdat u van de dood overgaat in het leven. 16 En degenen die het doen van het goede betrachten, hen zal God beschermen in al het goede, opdat zij Zijn dienaar zijn, gelijk Job, die God bewaarde voor alle kwaad. 17 En gelijk Abraham, die Hij verloste toen men hen ter wille van de heerschappij wilde doden; en gelijk Hij Mozes verloste uit de hand van Farao, en uit de hand van de Kanaänieten bij wie Abraham woonde, terwijl zij zijn ziel verwelken, avond en morgen, dag en nacht, opdat zij hem zouden doen neerbuigen voor hun afgoden. 18 Maar hij verdroeg het geduldig, terwijl hij weigerde hen te volgen naar hun eigen gesneden beelden, terwijl zij hem meesleepten. 19 En hij bleef hen weigeren en God vrezen, die hem geschapen had; want Abraham was Zijn gelovige, God, in wie hij geloofde van zijn jeugd af. 20 En hij verminderde de aanbidding van God niet tot het jaar van zijn dood, want hij had God bovenmate lief; en hij overtrad Zijn gebod niet tot de dag van zijn dood; en hij onderwees zijn kinderen om het gebod van God te houden. 21 En ook zij overtraden Zijn gebod niet, gelijk hun vader gedaan had. Het zaad van Abraham, Zijn dienaar, Izak en Jakob, overtraden het gebod van God niet; over hen sprak God, zeggende tot Zijn engelen: Ik heb vrienden. 22 Op de aarde is Abraham Mijn geliefde, en Izak Mijn lieveling, en Jakob in wie Mijn ziel welbehagen heeft; door wie Ik verheerlijkt ben, zegt God, die over alles heerst. 23 En de kinderen van Israël vertoornden Hem gedurig en bovenmate; maar Hij bleef hun goeddoen en spijzigde hen met manna in de woestijn. 24 En hun kleren versleten niet, en hun voetzolen scheurden niet, want zij aten manna, dat is het brood van de kennis. 25 Maar hun hart was gedurig verre van God, en zij hadden geen hoop op behoud, want zij waren van den beginne af bedrijvers van kwaad. 26 En zij waren niet gelijk hun vaderen Abraham, Izak en Jakob, die God behaagden hun leven lang, maar zij waren als een bedrieglijke boog; en zij vertoornden Hem gedurig met hun afgoden en op hun heuvelen en op hun bergen, en zij aten op de bergen en onder de bomen en op de hoogten. 27 En zij slachtten en offerden en verheugden zich in het werk van hun handen; en zij aten het offervlees en dronken de wijn van hun drinkgelag; en zij dansten en vermaakten zich met de demonen. 28 En de demonen maakten het hun aangenaam in al hun dans en hun spel, en in al hun dronkenschap en hoererij zonder maat, en gierigheid en geweld, waarin God geen welbehagen heeft. 29 En zij offerden aan het gesneden beeld van Kanaän, en aan Baäl, en aan Marya van Midjan, en aan de gesneden beelden van de Filistijnen: Dagon en Apollon, en aan Artemis en aan Rasion. 30 En aan al de goden van de heidenen die rondom hen heersten; en zij deden alles naar wat de heidenen deden, naar wat zij zagen en naar wat zij hoorden; en al hun spel en hun dans en hun getier dat de heidenen bedreven. 31 En zo deed ook het volk Israël, die zeggen: Wij aanbidden God, maar zij deden Zijn wet en Zijn gebod niet, dat Mozes hun gebood in de Wet, om de geboden van God te houden en zich te onthouden van de afgodendienst. 32 En dat zij geen andere goden zouden aanbidden dan de God van hun vaderen, die hen spijzigde met het koren van de velden, en hen deed opklimmen op de hoogten van het land, en hen verzadigde met honing uit de rots, en hen voedde met manna. 33 En Hij onthield hun niet wat zij wensten en begeerden, want Hij was hun God, en Hij spijzigde hen met wat zij begeerden. 34 Maar zij lieten niet af God te vertoornen; en wanneer Hij hen verblijdde, vergaten zij God. 35 En wanneer Hij hen tuchtigde, riepen zij tot Hem, en Hij verloste hen uit hun benauwdheid die hen getroffen had; en opnieuw verheugden zij zich openlijk en leefden vele dagen. 36 En dan wendden zij hun hart en keerden terug om God te vertoornen gelijk vanouds; en Hij verwekte tegen hen de heidenen die rondom hen waren, opdat zij hen zouden doden en tot slaven maken en verdrukken. 37 En opnieuw bekeerden zij zich en keerden terug en riepen tot God, hun God. 38 En Hij ontfermde Zich over hen, niet om hunzelfs wil, maar om hun vaderen, met wie Hij gezworen had en Zijn verbond had opgericht, met Abraham en Izak en Jakob, die van oudsher God welbehaaglijk waren hun leven lang. 39 En degenen die Hem liefhadden en Zijn gebod hielden, die had Hij lief, om hun zaad te vermenigvuldigen als het zand van de zee en als de sterren des hemels. 40 En met "het zand van de zee" bedoelt Hij de zielen van de zondaren ten tijde van de opstanding van de doden, die zullen ingaan in de zee des vuurs, uit de kinderen van Israël. 41 Maar de zielen van de rechtvaardigen zijn als heldere sterren in de hoogte van de hemelen, uit het zaad van de kinderen van Israël; want God zei tot Abraham: Zie naar de hemel in de nacht en tel de sterren des hemels, of u ze tellen kunt. En zo zal uw zaad, de rechtvaardigen, lichten als de sterren in het koninkrijk van de hemelen. 42 En opnieuw zei Hij tot hem: Zie in de zee en aan de oever van de rivier, en aanschouw wat in het zand is, en tel het, of u het tellen kunt. En zo is uw zaad, zij die neerdalen in het dodenrijk ten tijde van de opstanding van de doden. 43 En Abraham geloofde in God, en daarom werd het hem tot gerechtigheid gerekend, en zijn hoop bereikte hem op de aarde; en nadat zijn vrouw Sara oud geworden was, verkreeg zij een zoon, Izak. 44 En opnieuw zal hij in de hemelen het koninkrijk verkrijgen, vanwege zijn geloof; want hij geloofde dat de doden zullen opstaan, en dat degenen die het goede gedaan hebben, zullen ingaan in het eeuwige leven. 45 En dat zij die kwaad deden, ingaan in het eeuwige oordeel ten tijde van de opstanding van de doden; en de rechtvaardigen, die het goede deden, zullen met Hem heersen tot in alle eeuwigheid. 46 En zij die kwaad deden, zullen veroordeeld worden tot in alle eeuwigheid. Amen en amen. ## 2 Meqabyan ### 2 Meqabyan 1 1 Aangaande wat Meqabis de Joden aandeed in Mesopotamië van Syrië, en hoe hij hen doodde in hun streken tot aan de omgeving van Jeruzalem, van Jabbok af en van de verwoesting van het heilige Gerag.[^1] 2 Want zij belegerden Samaria tot aan de omgeving van Jeruzalem en al haar landstreken, en zij doodden met de scherpte van het zwaard, totdat zij niemand overlieten dan een klein aantal; want de Edomieten en de Syriërs en de Amalekieten hadden zich verbonden met de Moabiet Meqabis, die de stad Jeruzalem verwoestte. 3 En toen de kinderen van Israël zondigden, zond Hij tot hen de Moabiet Meqabis, en die doodde hen allen met het zwaard. 4 En om deze zaak ontstaken de vijanden Gods tegen Zijn heilige stad, en zij verhieven zich in hun oproer.[^2] 5 En de Edomieten en de Filistijnen belegerden haar, en zij begonnen zich te wreken op de stad Gods; want Hijzelf had hen gezonden, omdat zij het woord Gods hadden veracht. 6 En deze Meqabis nu, zijn stad was Remat van Moab; en hij stond op met macht uit zijn stad en spande samen met degenen die bij hem waren. 7 En zij legerden zich in de valleien van Gelabuhe van Mesopotamië tot aan Syrië, om de stad Gods te verwoesten. En vandaar verzocht hij de Filistijnen en de Amalekieten, en hij gaf hun veel goud en zilver en paarden en wagens, opdat zij met hem in het oproer zouden zijn. 8 En zij kwamen samen en haalden de stad omver en vergoten het bloed van hen die in haar woonden als water. 9 En zij maakten Jeruzalem als de hut van een hoeder van de oogst,[^3] en zij bedreven daarin gruwel en onreinheid[^4] en al wat God niet behaagt, werken van goddeloosheid, en zij verontreinigden de stad Gods, die vol was van gerechtigheid en heiligheid. 10 En zij maakten de lijken van Uw knechten tot voedsel voor de vogels des hemels, en het vlees van Uw rechtvaardigen voor het gedierte des velds. 11 En zij verdrukten de weduwe en de wees, en bij de zwangere vrouwen dreven zij uit wat in hun schoot was, totdat God, Die het hart en de nieren beproeft, tot toorn werd verwekt; want zonder de vrees Gods handelden zij, zoals de satan hen geleerd had. 12 En zij keerden terug naar hun woonplaatsen, verheugd over het kwaad dat zij aan het volk Gods gedaan hadden; en hij nam gevangenen en buit, die hij uit de heilige stad geroofd had. 13 En toen zij thuiskwamen en terugkeerden in hun woningen, maakten zij vreugde en feestgelag en uitgelatenheid.[^5] ### 2 Meqabyan 2 1 En zo sprak tot hem de profeet Reday,[^1] die zij ziener noemen: Verheug u nu maar een korte tijd in het licht van een uur; maar God, de Heilige van Israël, staat gereed zich op u te wreken van een kant die u niet verwacht hebt. 2 U zegt: Mijn paarden zijn snel, en daarom zal ik ontkomen door te vluchten.[^2] 3 Maar Ik zeg u: sneller dan adelaars lopen zij die u achtervolgen, en u zult niet ontkomen aan de benauwdheid en de toorn van God die op u is. 4 En zegt u: Ik zal ijzer aandoen, en de pijl van de boog kan mij niet deren, noch het werpen van de speren? — Evenzo is het niet door het werpen van ijzer dat Ik Mij op u wreek, zegt God, de Heilige van Israël; maar Ik zal een boze ziekte in uw hart brengen, die erger is dan de pijl van de boog en het werpen van de speer, en de ziekte van sih en abeq.[^3] 5 En Ik zal een boze ziekte in uw hart brengen, en u zult niemand hebben die u helpt, en u zult die niet vinden; want Mijn toorn heeft u getroffen, en u zult niet ontkomen aan Mijn hand, totdat Ik uw herinnering van de aarde uitroei. 6 En u zult Mij kennen, dat Ik God, uw Schepper, ben, wanneer Ik deze zaak snel doe gebeuren als in een oogwenk; want u hebt uw nek verhard en uw hoofd verheven tegen Mijn stad. Want u bent als gras voor het aangezicht van de wind, dat het vuur verteert voor Mijn ogen, en als as die de winden en de wervelstorm opnemen van het aangezicht van de aarde: zo bent u voor Mij. 7 Want Mijn toorn heeft u getroffen, en u hebt uw Schepper niet gekend; en ook Ik zal niets van het uwe sparen, en Ik zal in al uw bergen niemand overlaten die ontkomt.[^4] 8 En nu, bekeer u van al het kwaad dat u gedaan hebt; en als u zich bekeert en u vernedert voor God met tranen en geween, en tot Hem bidt met een rein hart, zo zal God uw zonde voorbijgaan in alles waarin u tegen Hem overtreden hebt. 9 En te dien tijde huilde Meqabis voor God vanwege zijn zonde en kleedde zich in as, omdat God vertoornd op hem was. 10 En hij wist dat God het kwaad niet zou uitstellen dat Hij door de mond van Zijn profeet gesproken had; want Zijn ogen zijn waakzaam en sluimeren niet, en Zijn oren zijn open en zijn niet doof, en het woord dat Hij gesproken heeft is niet vals, en Hij volbrengt het in één enkel ogenblik, als in een oogwenk. 11 En hij wierp zijn kleren af en trok een haren zak aan, en strooide as op zijn hoofd, en huilde en kermde voor God, zijn God, vanwege het kwaad dat hij gedaan had. ### 2 Meqabyan 3 1 En de profeet sprak tot hem, want Remat van Moab was nabij aan Syrië. 2 En hij groef de aarde en ging erin tot aan zijn hals, en hij huilde een bitter geween en bekeerde zich vanwege de zonde die hij bedreven had voor God. 3 En zo sprak God tot de profeet die in het land Juda was: Keer terug naar het land Remat, tot Meqabis, de vorst van Moab, en zegt: Zo zegt God: Niet u bent het die dit gedaan hebt — opdat u niet [in eigen kracht] zou roemen;[^1] door de sterkte van Mijn macht en door Mijn heerleger heb Ik de heilige stad verwoest. Maar Ik ben God, uw Heerser;[^2] uit Mijzelf, naar Mijn welbehagen, heb Ik u gezonden om Mijn stad te verwoesten. 4 Want zij verwekte Mij tot toorn met al haar hebzucht en haar hoererij en haar onreinheid. 5 En Ik dan gaf haar prijs en leverde haar in uw hand; en het is niet om uwentwil dat u uw nek verhard hebt en gezegd hebt: Ik heb de stad onderworpen door de sterkte van mijn hand. En nu, om uw kinderen die u verwekt hebt, gaat God uw zonde voorbij. 6 En nu, bekeer u met heel uw hart en wees standvastig, en wees niet weifelmoedig; want wie weifelen, houden niet stand in de boetvaardigheid. 7 En zalig zijn zij die zich bekeren met heel hun hart en niet terugkeren tot goddeloosheid en zonde, in al wat zij vanwege hun kwaad berouwen. 8 En zij volharden in geween en in tranen en in veel gebed en in nederbuiging voor God, Die hen geschapen heeft; want Hij zegt tot de boetvaardigen: U, nadat u gedwaald hebt en u bekeerd hebt, u bent de Mijnen. 9 En ook tot de hoogmoedige zegt Hij, nadat hij gedwaald heeft, wanneer hij tot Hem wederkeert in boetvaardigheid: Om uw ontzetting en om uw vrees zal Ik uw zonde voorbijgaan; want Ik ben God, uw Heerser, Die de zonde van de vader bezoek aan de kinderen tot in het derde en tot in het vierde geslacht, maar aan hen die Mij liefhebben en Mijn gebod houden bewijs Ik barmhartigheid tot in het duizendste geslacht.[^3] 10 En nu, om deze uw kinderen die u verwekt hebt, zal Ik Mijn verbond houden dat met u is, en Ik zal de boetvaardigheid aannemen voor het kwaad van uw daden, zegt God, de Heilige van Israël, Die over alles heerst. 11 En te dien tijde kwam hij uit de kuil en boog zich neer voor de profeet, zeggende: Zus en zo make God mij, dat ik van u niet gescheiden worde, maar maak mij gelijk u begeert; want ik heb God tot toorn verwekt en niet in Zijn gebod gewandeld, gelijk mijn vaderen; want wij hebben geen wet, en u zelf weet dat wij afgoden dienen, gelijk onze vaderen ons geleerd hebben. 12 En ik, ik heb het woord van de profeten Gods niet gehoord tot nu toe, want ik ben een zondaar, die gewandeld heb in mijn zonde en in de hoogmoed van mijn hart en in de hardheid van mijn nek, die het gebod Gods heb geminacht en niet in Zijn gebod en Zijn recht dat Hij mij geboden heeft heb gewandeld. 13 En de profeet antwoordde en zei tot hem: Ik weet dat Hij nu uw boetvaardigheid heeft aangenomen; want er is niemand vóór u uit uw geslacht die zijn zonde belijdt. 14 En van nu af, verlaat de dienst van de afgoden en keer u tot de kennis Gods, opdat uw boetvaardigheid waarachtig zij. En hij boog zich neer aan de voeten van de profeet, en de profeet richtte hem op en onderwees hem in alles wat tot een goede handel past. 15 En hij deed gelijk God hem geboden had, en keerde terug naar zijn huis. 16 En deze Meqabis nu maakte zijn ziel recht en verwijderde uit zijn huis alle waarzeggerij en afgoden en toverij en waarzeggers en bezweerders.[^4] 17 En de kinderen van de gevangenschap die hij uit Jeruzalem gebracht had, ondervroeg hij avond en morgen over heel het gebod Gods en Zijn wet en Zijn inzetting, gelijk hun vaderen deden. 18 En hij stelde sommigen van de kinderen van de gevangenschap, uit de wijzen, aan in zijn huis. 19 En opnieuw stelde hij uit de jongeren onder hun wijzen leermeesters aan in zijn woonvertrek, die zijn kleine kinderen bewaakten en onderwezen, opdat zij hun de weg van God zouden leren, zoals de kinderen van Israël deden: Zijn wet en Zijn inzetting en Zijn rechten en het recht; en al de reinheidsgeboden die de Moabieten [tot dusver] verboden hielden, leerde hij van de kinderen van de gevangenschap.[^5] 20 En hij schafte hun gewijde dingen af, en al hun waarzeggerij, en al hun afgoden, en al hun [gewijde voorwerpen], en hun altaren met hun offergaven: van de rammen zijner kudden en van de bokjes die hij aan zijn goden offerde, avond en morgen.[^6] 21 Want hij had aan hen geofferd en hen aanbeden in elk werk, bij dag en te elke ure, en hij had tot hen gebeden en op hen vertrouwd en hun wil gedaan in alles wat de priesters zijner goden hem zeiden. 22 En hij was van hun woord niet afgeweken in alles wat zij hem zeiden, want het scheen hem in alles toe dat zij hem behouden hadden. 23 Maar deze Meqabis verliet hun weg. 24 En toen hij het woord van Reday, die zij een profeet noemen, gehoord had, maakte hij zijn weg goed tot boetvaardigheid, en heel zijn huis maakte hun weg goed, naar het voorbeeld van de kinderen van Israël in die dagen; want de kinderen van Israël verwekten Hem eenmaal tot toorn, en ten tijde dat Hij hen kastijdde, erkenden zij Hem en riepen tot God. 25 En wanneer Hij hen zag, dat zij vernederd waren onder de handen van hen die hen verwelken, en dat zij voor Hem uitriepen, dan ontfermde Hij Zich op die dag over hen, gedachtig aan het verbond hunner vaderen, wanneer zij tot Hem riepen — om Abraham en Isaäk en Jakob, hun vaderen. 26 En wanneer Hij hen gered had, vergaten zij Hem Die hen gered had, en keerden terug tot de dienst van de afgoden. 27 En te dien tijde zond Hij tegen hen volken die hen verwelken; en wanneer die hen gekweld en verdrukt hadden, riepen zij tot God, en te dien tijde ontfermde Hij Zich over hen en was hun genadig, omdat Hij hen liefhad, want zij waren het werk Zijner handen. 28 En opnieuw, wanneer Hij hun rust gaf, keerden zij terug om Hem te tergen met de dienst van de afgoden die rondom hen was en met het boze werk hunner handen. 29 En dan verwekte Hij tegen hen het volk van de Filistijnen en Moab en Midian en Syrië en Egypte; en zij huilden en riepen wanneer hun vijanden hen overwonnen en verdrukten en tot slaven maakten en onderwierpen; en Hij verwekte hun richters, opdat de richters hen zouden verlossen. ### 2 Meqabyan 4 1 En er was er een in de dagen van Hoshea.[^1] 2 En er was er een in de dagen van Gideon. 3 En er was er een in de dagen van Samson en Barak en Debora en Judit; hetzij door vrouwen, hetzij door mannen, verwekte Hij hun richters om hen te verlossen uit de macht van hen die hen verwelken, en om hen te redden uit de hand van al hun vijanden. 4 En gelijk Hij wilde, verloste God hen uit de macht van hen die hen verwelken. 5 En zij verheugden zich bovenmate in alles waarin Hij hun wel deed: in het zaad van hun land, en in de vermenigvuldiging van hun vee, en in al de kudden die op het veld en in de wildernis waren. 6 En Hij zegende hun vee en hun aanplantingen en alles wat zij bezaten; zowel dat van het huis als dat van het veld zegende Hij hun, en Hij verminderde hun vee niet; want met Zijn ogen zag Hij op hen, en Hij had hen bovenmate lief, want zij waren een geslacht van rechtvaardigen. 7 Maar wanneer zij zelf boos werden in hun daden, gaf Hij hen over in de hand van hun vijanden. 8 En wanneer Hij hen doodde, zochten zij Hem op die dag en keerden weer en haastten zich tot God, hun Schepper. 9 En wanneer zij wederkeerden met heel hun hart, vergaf Hij hun, en hun vroegere overtreding gedacht Hij hun niet meer; want Hij kende hen, dat zij vlees en bloed waren, en dat de misleiding van de gezindheid dezer wereld en van de boze geesten in hen was. 10 En deze Meqabis, toen hij dit woord gehoord had dat God op de berg van Zijn heiligdom ingesteld had, streed hij in boetvaardigheid. 11 En hij hield niet op te doen naar wat hij gezien en gehoord had van dit woord, en naar al de goedheid die de kinderen van Israël betrachten; want God ontfermde Zich over hen, en wanneer God hen kastijdde — wanneer zij het gebod overtraden — huilden zij en riepen, en opnieuw ontfermde Hij Zich over hen, en zij deden Zijn gebod. 12 En evenzo maakte Meqabis zijn wegen recht en hield Zijn gebod en wandelde in het gebod van God, de God van Israël. 13 Van die dag af, naar wat hij gehoord had, en in alles wat de kinderen van Israël betrachten, evenzo betrachtte hij het, in het houden van het gebod Gods.[^2] 14 En hij beval zijn huis en zijn kinderen te wandelen in al de wegen en de geboden Gods. 15 En de verboden dingen die de Joden voor verboden houden, hield ook hij voor verboden; en de geboden die de Joden onderhouden, deed ook hij naar wat hij gehoord had; en de spijzen die de Joden verbieden, verbood ook hij — hoewel hij van een ander volk was, een Moabiet. 16 En hij gaf de tiende, en de eerstgeborenen van zijn schapen en zijn runderen en zijn ezels, en alles wat hij verwierf gaf hij; en het offer dat de Joden offeren, offerde ook hij, zijn aangezicht kerende naar Jeruzalem. 17 En het offer voor een gelofte, en dat voor de zonde, en het vrijwillig offer, en het dankoffer, en het gedurige offer. 18 En de eerstelingen van de vruchten en de offergave die de Joden opbrengen, bracht ook hij op, en hij gaf die aan de Leviet die aangesteld was;[^3] en alles wat de Joden doen, deed ook hij, en het branden van reukwerk. 19 En hij maakte [de heilige vaten] en tafels en tenten en waskommen en [de andere gerei], en gedreven [goud] voor de heilige kandelaar en het voorhangsel, gelijk men doet in het heilige van de heiligen van Israël, om God te behagen.[^4] 20 Want zij bleven in Zijn wet en in Zijn inzetting; en opdat God hen niet zou verwerpen noch overgeven in de hand van hun vijanden, evenzo deed Meqabis wel in al zijn wegen. 21 En hij bad te allen tijde tot God, de God van Israël, dat Hij hem tot leidsman zou zijn en hem niet zou afscheiden van de gemeente van Israël, die Hij verkoren en tot de Zijnen gemaakt heeft naar Zijn welbehagen.[^5] 22 En opnieuw bad hij dat Hij hem zaad zou geven in Sion en huizen in Jeruzalem, en dat Hij hem zou verlossen uit de benauwdheid die Hij door de mond van de profeet gesproken had, en dat Hij zijn boetvaardigheid zou aannemen in alles waarin hij zich bekeerd had. 23 En hij huilde voor God met tranen, dat Hij [zijn] zaad niet van de aarde zou uitroeien, en dat Hij hem zou bewaren in zijn ingaan en in zijn uitgaan. 24 En ook van het volk van Moab, die onder de hand van Meqabis waren, werden [velen] bewogen om te geloven, omdat hun vorst in de rechte weg wandelde en het recht in acht nam en Zijn wil deed; en zij verachtten het recht van hun steden en de gewoonten van hun land, en zij zagen dat de weg van Meqabis recht was en veel beter.[^6] 25 En zij kwamen tot hem en hoorden het rechtvaardig oordeel en de goedheid van Meqabis. 26 En hij had een overvloed van bezit en knechten en dienaressen en ezels en kamelen; en hij had paarden die zij in ijzer kleedden. 27 En van de tijd af dat hij God diende, was er, wanneer hij ten strijde trok, niemand die hem overwon; maar hijzelf overwon. 28 En zij kwamen in de kracht van hun goden om tegen hem te strijden en hem te vervloeken in de naam van hun goden; maar er was niemand die hem kon overwinnen, want hij had zijn vertrouwen op God, zijn God, gesteld. 29 En hij bleef zo doen, en zijn vijanden overwinnen, en volken onder zijn hand brengen. 30 En hij deed recht ten behoeve van de verdrukten, en hij rechtvaardigde de zaak van de wees. 31 En hij ontving de weduwen en de wezen in hun benauwdheid, en hij verzadigde de hongerigen van zijn voedsel en kleedde de naakten van zijn kleding. 32 En hij verheugde zich in zijn arbeid en in het werk zijner handen, en hij gaf van wat hij had zonder in te houden, en hij gaf de tiende aan het huis Gods. En terwijl Meqabis dit deed, ontsliep hij in vrede. ### 2 Meqabyan 5 1 En hij liet zijn jongen na, kleine kinderen; en zij groeiden op gelijk hun vader hun geboden had, en zij hielden de inzetting van hun huis, en alles wat het hunne was bewaarden zij, en zij verdrukten de arme en de wees en de weduwe niet. 2 En zij vreesden God en gaven hun goed als liefdegave aan de behoeftigen, en zij namen alles in acht wat hun vader hun toevertrouwd had, en zij troostten de weduwe en de wees in hun benauwdheid, en zij waren hun tot een vader en een moeder, en zij redden hen uit de hand van hun verdrukkers, en zij troostten hen in alle beroering en verdriet die hen overkwam. 3 En zij bleven zo doen, [vele] jaren lang.[^1] 4 En daarna kwam Tsirutsaydan, de koning van de Chaldeeën, en verwoestte al hun steden, en zij voerden de kinderen van Meqabis gevangen weg, en hij verwoestte heel hun land. 5 En hij plunderde al hun goed, en ook henzelf grepen zij en voerden hen weg naar hun land — de afgodendienaars, die niet wandelen in het gebod en het recht Gods, maar in allerlei kwaad en hoererij en onreinheid en hebzucht en godslastering, en die hun God niet gedachten. 6 En zij aten allerlei aas en bloed en door wild verscheurd vlees en gescheurd vlees en al wat God niet behaagt;[^2] en zij hadden geen wet, buiten al de geboden van de gerechtigheid die geschreven staan in de Wet. 7 En zij kenden God niet, dat Hij hun Schepper is en hun Verlosser, Die hen uit de schoot hunner moeder heeft voortgebracht en hen gevoed heeft met wat past. 8 En zij hadden geen wet in het recht, zij die wandelen in goddeloosheid en geweld en hoererij en onreinheid, huwende de vrouw van hun vader en de zuster van hun moeder; en zij doen alle kwaad, en huwen hun eigen zuster en hun verwanten; en zij hadden geen wet. 9 En al hun weg was verderfelijk[^3] en duisternis en onreinheid en hoererij. 10 Maar de kinderen van Meqabis hielden zich in acht in al wat hun onthouding was, en zij aten geen aas of gescheurd vlees, noch iets van de onreinheid en de zonde van de kinderen van de Chaldeeën; want boos en menigvuldig zijn hun daden, die niet in dit boek geschreven zijn, die de kinderen van de Arabieren[^4] doen — zondaren en overtreders, afvalligen en onreinen, en vol van goddeloosheid en onreinheid en geweld. 11 En er was in hen niets hoegenaamd dat God, hun Schepper, behaagt. 12 En bovendien dienden zij een afgod die Baäl-Peor heet, en zij aanbaden hem en vertrouwden op hem als op God, hun Schepper; maar hij is stom en doof, en er is niemand die ziet of hoort, want hij is een gesneden beeld, het werk van mensenhanden, dat de smid van goud en zilver gegoten heeft — het werk van mensenkinderen, dat geen verstand en geen adem heeft. 13 En hij eet niet en drinkt niet. 14 En hij doodt niet en maakt niet levend. 15 En hij plant niet en rooit niet. 16 Hij doet geen kwaad en doet geen goed. 17 Hij maakt niet arm en maakt niet rijk.[^5] 18 Hij kastijdt niet en ontfermt zich niet; maar hij is enkel een struikelblok tot verleiding van de dwazen, het volk van de Chaldeeën. ### 2 Meqabyan 6 1 En de hoogmoedige Tsirutsaydan, de vijand van God, stelde valse priesters en afgodspriesters aan. 2 En zij offerden aan hen en riepen tot hen. 3 En zij meenden dat dezen aten en dronken. 4 En hij gaf aan hen die slachtten, runderen en schapen en kalveren en geiten. En zij offerden 's avonds en 's morgens, en aten van dat onreine offer. 5 En niet zij alleen deden dit, maar zij dwongen en drongen ook anderen om aan hun goden te offeren. 6 En toen de afgodspriesters de zonen van Meqabis zagen, dat zij goed waren en God, hun Schepper, aanbaden, wilden zij hen doen afdwalen, opdat zij zouden offeren en eten van dat onreine offer. Maar dezen, de gezegenden, weigerden hun. 7 En zij konden hen niet tot toestemmen bewegen, want zij hielden het gebod van hun vader en waren sterk in het doen van het goede en vreesden God bovenmate. 8 En zij belasterden hen en smaadden hen en verdrukten hen. 9 En zij zeiden tot koning Tsirutsaydan dat zij weigerden zich neer te buigen en aan zijn goden te offeren. 10 En hierom werd de koning toornig en bedroefd, en hij gebood hen te halen; en zij brachten hen en stelden hen voor hem, en hij zei tot hen: Offert en buigt u neer voor mijn goden. 11 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Wij echter, wij zullen u in deze zaak niet gehoorzamen, en wij zullen aan uw onreine goden niet offeren. 12 En hij bedreigde hen met vele middelen, maar hij vermocht niets tegen hen, want zij hadden hun hart standvastig gemaakt voor God. 13 En hij ontstak een vuur en wierp hen daarin, en zij gaven hun ziel over aan God. 14 En na hun dood verschenen zij levend aan hem, hun getrokken zwaarden vasthoudend, terwijl hij 's nachts op zijn koninklijke bed sliep, en hij vreesde bovenmate. 15 En hij zei tot hen: Wat zal ik voor u doen, mijn heren? Spaart mij en neemt mijn ziel niet weg, opdat ik alles doe wat u mij gebiedt. En zij verschrikten hem bovenmate. 16 En zij zeiden hem alles wat passend was, zeggende: Gedenk dat God uw Schepper is, en er is Eén die u van deze uw hoogmoed zal beroven en u zal neerwerpen in de hel beneden, met de duivel, uw vader; en daar zult u de volle maat van uw oordeel volbrengen, gelijk u ons met vuur verbrand hebt, terwijl wij geen misdaad tegen u begaan hadden, en terwijl wij God, onze Schepper, aanbaden en ons voor Hem neerbogen in de vrees Gods. 17 Want Hij is de Schepper van alles, die hemel en aarde en zee gemaakt heeft, en al wat daarin is; 18 de zon en de maan en de sterren en heel de schepping die God Zelf geschapen heeft. 19 En er is geen andere God buiten Hem, in de hemel boven of op de aarde beneden, die alles vermag; en er is niemand die Hem overwinnen kan, die doodt en levend maakt, die slaat en Zich ontfermt. 20 En er is niemand die aan Zijn hand ontkomt, want Hij is de Heerser van hemel en aarde. 21 En er is niemand onder al wat Hij geschapen heeft die Zijn gebod overtreedt, behalve u en de wederspannigen, en die zoals u zijn, de opstandelingen van wie het hart uw vader Satan verblind heeft; en u en uw goden zult tezamen neerdalen in de hel die geen uitweg heeft, tot in eeuwigheid. 22 Want niet u alleen doet dit, maar Satan, uw leermeester, die u deze boze daad geleerd heeft, opdat u ons kwaad zou doen. 23 En u hebt God, uw Schepper, niet gekend, en u hebt uzelf verheven als was u God, uw Schepper.[^v23] 24 En u verheft uzelf in het werk van uw handen en in uw afgod, totdat God u te schande maakt en u neerwerpt in de oven van de hel, en zich op u wreekt om al de overtreding en zonde die u op de aarde gedaan hebt. ### 2 Meqabyan 7 1 Wee u en die zoals u zijn, die God niet kennen, die u geschapen heeft, en die Zijn gebod en Zijn woord niet kennen; want u zult u bekeren daar waar de bekering niet baat, wanneer u gegeseld wordt in de pijniging van het dodenrijk.[^v1] 2 En u hebt daaruit geen ontkoming, tot in eeuwigheid, u en uw goden en zij aan wie u offert en voor wie u zich neerbuigt als was het God, uw Schepper — aan hen die geen ziel en geen adem hebben, die zich niet kunnen wreken op wie hun kwaad doet, en geen goed kunnen doen aan wie hun goed doet. 3 Want zij zijn het werk van mensenhanden, in wie Satan spreekt om het hart van dwazen zoals u te doen afdwalen, opdat hij u zou neerwerpen in de hel van het vuur — u en de priesters van uw goden, en de demonen die u onderworpen zijn.[^v3] 4 Want u weet niet dat het u niets baat; u dwaalt en gaat verloren. 5 En de dieren zijn beter dan u — die God geschapen heeft tot uw voedsel — en de wilde dieren en de honden; want zij hebben geen tweede oordeel, maar slechts één dood. 6 Maar u, u zult sterven en voor de tweede keer geoordeeld worden in de verschrikking van de hel, die geen ontkoming heeft, tot in eeuwigheid. 7 En toen zij dit gezegd hadden, gingen zij heen en verdwenen van voor hem. 8 En Tsirutsaydan verkeerde in grote vrees en beving, en het verliet hem niet tot de dageraad. 9 En daarna ging hij naar de plaats waar hij de lijken van de rechtvaardigen had geworpen, en hij vond hen niet, want hij wilde hen begraven; maar hij kon hen niet vinden, want God had hen verborgen, zodat niets van hun vlees gevonden zou worden. ### 2 Meqabyan 8 1 En hij wandelde in hoogmoed en in vermetelheid van hart. 2 En hij trok rond door de landen van de heidenen die weerstonden; want over zijn koninkrijk was gezegd dat het was als het ijzer dat de profeet Daniël zag.[^v2] 3 En hij wandelde in alle dwaasheid en kwaad en beroering. 4 En, zoals wij tevoren gezegd hebben, hij vermorzelt en verbrijzelt en verslindt. 5 En wat overblijft vertreedt hij met zijn voet, want hij is een verdrukker gelijk zijn vader de duivel, hardnekkig van hals. 6 En hij kent God niet, dat Hij zijn Schepper is, en zegt: Mijn dagen zijn geworden als de dagen van de hemel. 7 En hij denkt in zijn hart dat door hem de zon ondergaat.[^v7] 8 En hij verheft zich met kracht en woont in het land van Zebulon, en verwekt oorlog, en Macedonië; en hij neemt voedsel uit Samaria, en men geeft hem schatting uit Syrië.[^v8] 9 En hij woont tot aan de grens van Kedar, en breidt zich uit tot Sidon, en legt schatting op in Achaje, en verheft zijn hals tot aan de zee van Tekeze; en hij keert zich om en breidt zijn heerschappij uit tot aan de zee van India. 10 En zo verheft hij zijn hals tot aan de hemel. 11 En er is geen vernedering van zijn hoofd, maar hij gaat voort in alle kwaad en grootspraak. 12 En heel zijn weg is in afdwaling en duisternis en grootspraak en opstand en verwoesting en het vergieten van bloed. 13 En heel zijn weg — wat God haat — doet hij, gelijk Seblanyos, zijn leermeester, hem geleerd heeft, tot kwaad en verdrukking en geweld; en hij doet de wees schreien, en toont de arme geen ontferming.[^v13] 14 En ook de koningen van de heidenen bracht hij onder zijn hand, en doodde hen. 15 En de bevelhebbers van de vijand onderwierp hij, en vele volken bracht hij tot onderwerping, en hij deed hen dienen zoals hij wilde. 16 En hij liet niemand over, en er was niemand die ontkwam, van de zee van Tarsis tot de zee van Jericho. 17 En hij buigt zich neer voor het afgodsbeeld, en eet aas en bloed, en verscheurd vlees en wat aan de goden geofferd is; en er is geen recht, maar op al zijn wegen gaat hij zonder recht, en met toorn en toorn en verdrukking; want hij werd een verschrikking voor de volken die onder zijn hand waren, en hij deed hen dienen zoals hij wilde. 18 En er was geen vrees Gods voor hun ogen, want alles wat hem invalt doet hij voor Zijn aangezicht, en hij wandelt in vermetelheid voor God, zijn Schepper. 19 En hij acht Hem niet als zijn God; maar God zal hem vergelden naar het kwaad dat hij zijn naaste heeft aangedaan, op de dag dat Hij hem grijpt in Zijn toorn. 20 En Hij zal Zich op hem wreken te dien tijde, gelijk Hij de zondaren uitroeide die vóór hen waren; want Hij heeft gezegd: Ik ben God, die Mij wreekt op de hoogmoedigen die niet in Mijn gebod wandelen, en Ik zal hun herinnering van de aarde uitroeien. 21 En de bozen zullen vergolden worden naar het kwaad dat zij gedaan hebben. 22 Maar de doeners van het goede, hen zal het goede volgen van God. 23 En gelijk Jozua de koningen van Kanaän op één tijd vernietigde — de vijf koningen in één grot — en door zijn gebed de zon deed stilstaan bij Gibeon, opdat hij hun legers zou verdelgen, en op één tijd zovelen vervolgde; want de zon stond stil in het midden van de hemel totdat hij de legers van de Kanaänieten en Hevieten en Hethieten en Ferezieten en Jebusieten vernietigde; en ook hen doodde hij, en hij zette de voet op hun nekken, en doodde hen met de scherpte van het zwaard, en wierp hen in de grot, en bedekte hen met stenen.[^v23] 24 Zo overkomt het hun die God tot toorn verwekken door het kwaad van hun daden. ### 2 Meqabyan 9 1 En u ook, o mens — en niet God — waarom verheft u zich, u die vandaag een mens bent en morgen stof en as, en een worm en wormen wordt in uw graf? 2 En bovendien zal het dodenrijk u volgen, en hen die uw daden doen; want uw leermeester is Seblanyos, die de zonde van heel de wereld op zijn eigen hoofd gebracht heeft, omdat hij onze vader Adam door zijn hoogmoed heeft doen afdwalen. 3 Want hij weigerde zich neer te buigen voor het werk van zijn God, door zijn hoofd te verheffen en door de stijfheid van zijn hals. 4 En u ook, gelijk uw leermeester, hebt geweigerd u neer te buigen voor God, uw God. 5 En u ook wandelt gelijk uw voorvaderen wandelden, die God, hun God, niet kenden. 6 En Hij wreekte Zich op hen, en zij daalden neer in het dodenrijk, om het kwaad van hun daden dat zij op de aarde gedaan hadden. 7 En u ook, gelijk zij, zult neerdalen in de hel. 8 Denkt u dat u aan de hand van God ontkomt? Want u hebt Zijn toorn geminacht en de aanbidding van God verwaarloosd, die u macht gegeven heeft over vijf koninkrijken.[^v8] 9 En Hij heeft u beproefd, of u Zijn wil zou doen of niet. En als u uw weg goed maakt op de aarde, zal God uw wegen voorspoedig maken, en alles waaraan u uw hand slaat zal Hij doen gedijen en zegenen voor u, en al uw vijanden en tegenstanders zal Hij aan u onderwerpen. 10 En u zult u verblijden in uw uitgaan en in uw ingaan, en in de vrucht van uw schoot, en in uw schatkamers, en in uw kudden; en overal waar u met uw vingers wijst en in uw hart voornemt, zal alles u gehoorzamen; want het wordt u van God vergund om zo te doen, en te bouwen, en te planten, en te stichten. 11 Maar als u weigert de stem en de wet van God te horen, en niet in Zijn recht wandelt, hebt u nergens om aan de hand van God te ontkomen, gelijk al de overtreders die vóór u waren, die God niet in reinheid aanbaden, en niet vertrouwden op Zijn rechtvaardig oordeel; want al Zijn oordeel is gerechtigheid. 12 En er is niets verborgen voor Zijn ogen, en alles is open en openbaar voor Hem. 13 Hij is het die de heerschappij van koningen in handen houdt, en Hij is het die de tronen van de machtigen omverwerpt. 14 En Hij is de verhoger van de geringen, en Hij is de oprichter van de gevallenen. 15 En Hij is de bevrijder van de gebondenen, en Hij is de opwekker van de doden; en hen van wie het vlees vergaan is en tot as geworden, zal Hij opwekken op de tijd die Hij wil, want de dauw van barmhartigheid is van Hem. 16 En hen die kwaad gedaan hebben, zal Hij opwekken in die opstanding tot het oordeel, want zij hebben Hem getergd, en Hij zal Zich op hen wreken. 17 En ook op de aarde zal Hij hun zaad verderven, want zij zijn overtreders van de wet en de inzetting van God. 18 En de zondaren willen niet zijn in de raad van de rechtvaardigen, want de weg van de rechtvaardigen is moeilijk, anders dan de weg van de zondaren. 19 En gelijk de hemel hoog is boven de aarde, zo ver is de weg van de rechtvaardigen van de weg van de zondaren. 20 En de weg van de zondaren is het werk van geweld, en verdrukking, en onrecht, en hoererij, en onreinheid, en hebzucht, en het roven van andermans goed, en dronkenschap in ongerechtigheid; 21 en het snellen om bloed te vergieten, en het verkwisten aan wat niet baat, en het verachten van de tranen van de wees, en het eten van aas en bloed, en het eten van het vlees van zwijnen en kamelen, en het ingaan tot een vrouw die pasbevallen of onrein is, voordat zij gereinigd is.[^v21] 22 En dit alles is het werk van de zondaren — een brede weg, en het uitgespreide net van Satan, dat naar het verderf en het eeuwige oordeel voert. 23 Maar de weg van de rechtvaardigen is nauw en nauw, die naar het leven voert: ootmoed, en liefde, en vrede, vasten en gebed, en reinheid van het lichaam, en onthouding van spijzen die niet baten — aas en verscheurd vlees — en van hoererij, en van het ingaan tot de vrouw van een ander.[^v23] 24 En zij bewaren zich van alle onreine daad, en van onreine spijzen die niet in de wet geboden zijn, en van onreine daden die God niet behagen; want al deze dingen doen de zondaren. 25 Maar de rechtvaardigen wijken af van alle boze wegen die God niet behagen. 26 En Hij bemint hen, en beschermt hen, en verlost hen uit al hun benauwdheid. 27 Maar de zondaren, Satan houdt hen in slavernij, want zij houden zijn wet en zijn inzetting en alles wat hij liefheeft. ### 2 Meqabyan 10 1 En u ook, koningen en vorsten, wandelt niet op zijn weg, maar vreest God, die u geschapen heeft en u tot nu toe bewaard heeft. 2 En wandelt in het gebod en het recht van God, die over alles heerst. 3 Want Balak, de zoon van Zippor, toen de kinderen van Israël optrokken in de richting van Amalek om het land van de Kanaänieten en Hethieten en Ferezieten te beërven — 4 hij zei tot Bileam: Ik wil dat u hen voor mij vervloekt, want wie u vervloekt is vervloekt, en wie u zegent is gezegend; en ik zal u veel goud en zilver geven dat u aanzien geeft, opdat u hen voor mij vervloekt. 5 En Bileam kwam, hopend op het loon van zijn ongerechtigheid; en Balak, de zoon van Zippor, toonde hem waar de kinderen van Israël gelegerd waren. 6 En hij pleegde waarzeggerij, en bracht een offer, en slachtte schapen en runderen van hun beste, en wilde de kinderen van Israël vervloeken. 7 Maar God wilde niet dat hij hen vervloekte, maar keerde de vervloeking in een zegen door Zijn woord. 8 En hij zei: Wie u zegenen, laten zij gezegend zijn, en wie u vervloeken, laten zij vervloekt zijn; want u bent het volk dat God verkoren heeft, en de woning van de Geliefde die uit den hoge komt. 9 En toen treurde Balak, de zoon van Zippor, en werd toornig en toornig, toen hij hen vóór hem zegende; en hij gebood dat hij hen zou vervloeken. 10 En Bileam zei tot hem: Ik zal niet vervloeken wie God gezegend heeft, want het volk dat God verkoren heeft is in dit land gekomen. 11 En Balak, de zoon van Zippor, zei tot Bileam: Ik verlangde dat u hen voor mij zou vervloeken, maar u hebt hen niet vervloekt; integendeel, u hebt hen vóór mij overvloedig gezegend. Ik zou u een huis vol goud en zilver gegeven hebben, als u gevraagd en hen voor mij vervloekt had; maar u hebt hen overvloedig gezegend en mij geen goed gedaan, en zo zal ook ik u geen goed doen. 12 En Bileam zei: Ik kan het woord van God niet veronachtzamen en overtreden, maar wat God als woord in mijn mond gelegd heeft, dat zal ik spreken. 13 En ik stel het bezit niet boven mijn ziel, want als ik het bezit liefhad, zou God op mij vertoornd zijn; daarom zal ik een gezegend volk niet vervloeken. 14 Want God zei tot Jakob, hun vader: Wie u zegenen, laten zij gezegend zijn, en wie u vervloeken, laten zij vervloekt zijn; want ieder die u zegent is gezegend. 15 En wie u zonder oorzaak vervloekt, is zelf vervloekt. Maak uw daden en uw weg goed, opdat God een welbehagen in u heeft. 16 En wees niet als het vorige volk, dat God door hun boosheid tot toorn verwekte, en Hij verwierp hen; en er waren er die Hij met het water van de vloed vernietigde. 17 En er waren er die Hij door de hand van hun vijanden vernietigde; en Hij bracht een vijand, boze volken, die hen verwelken, en hun koningen als gevangene wegvoerden, met hun profeten en hun Levieten. 18 En zij brachten hen naar een vreemd land dat zij niet kenden, en voerden hen als gevangene weg, en maakten hen tot buit, en geselden hen, en verwoestten hun land. 19 En zij maakten Jeruzalem als een akker, want zij haalden de wal en de muur van de heilige stad omver.[^v19] 20 En de priesters werden als gevangene weggevoerd, en de wet werd tenietgedaan, en mannen vielen door de speer. 21 En de zwangere vrouwen werden als gevangene weggevoerd, en zij huilden niet over hun mannen die gestorven waren, want zij werden zelf weggevoerd en de nood was op hun eigen hoofd. 22 En de kleine kinderen huilden, en de grijsaards werden beschaamd, en men ontzag het aangezicht van de bejaarde en de grijze niet. 23 En men spaarde noch hen in de samenkomst, noch de maagden; en zij verwoestten alles wat zij in hun steden vonden, en voerden hen weg naar een vreemd land dat zij niet kenden; want wanneer God tegen Zijn volk toornen wil, neemt Hij eerst Zijn heiligdom weg.[^v23] 24 En daarom, toen God de kinderen van Israël verwierp, maakte God dat Jeruzalem als een akker geploegd werd, want zij verwekten hun Schepper aldoor tot toorn. 25 Maar Hij vernietigde hen niet geheel in een ogenblik, want Hij spaarde hen om hunner vaderen wil; en het is niet om hunzelf dat Hij hen spaart, maar omdat Hij hun vaderen Abraham en Izaäk en Jakob liefheeft, die in gerechtigheid regeerden en in oprechtheid voor Hem, hun Schepper, wandelden. 26 En Hij heeft hun een dubbele eer toegewezen, zowel in de hemel als op de aarde — een tweevoudig koninkrijk. Geeft acht![^v26] 27 En evenzo u ook, koningen en vorsten, die in deze vergankelijke wereld bent, gedenkt hen die vóór u waren, die in reinheid wandelden, zodat zij het koninkrijk van de hemelen beërfden, en hun naam heerlijk werd van geslacht tot geslacht. 28 En u ook — opdat Hij uw koninkrijk bevestige en uw naam goedmake — wees gelijk de goede koningen vóór u, die God behaagden door de schoonheid van hun leven. ### 2 Meqabyan 11 1 Gedenk Mozes, de man Gods, in zijn gebed en in zijn ootmoed, toen hij zag hoe groot zijn volk was; hij werd niet toornig en verdierf hen niet, maar voor hen die hem gesmaad hadden — zijn broeder — en voor hen die God in een ogenblik wilde verdelgen, deed hij verzoening voor hen bij God in zachtmoedigheid, zeggende: Ontferm U, o God, over Uw volk, en wees niet vertoornd, want Uw volk heeft voor Uw aangezicht gezondigd. 2 En ook mij, Uw zondige knecht, wees mij genadig, want ik heb voor U gezondigd; en vergeef ook hun, want U bent barmhartig en genadig. 3 En zo deed hij verzoening voor hen die hem gesmaad hadden. 4 En om dit werd hij zachtmoedig genoemd.[^1] 5 En God had hem lief, meer dan al de kinderen van de Levieten, zijn broeders; en Hij maakte hem als God onder hen,[^2] want Hij stelde hen zelfs tot priesters aan. 6 En hen die overtraden, de kinderen van Korach, verzwolg de aarde beneden, en Hij bracht hen neder in het dodenrijk, terwijl zij nog leefden, naar ziel en naar lichaam, met hun tenten en hun vee; en heel zijn woord, zoals hij het gesproken had, werd voor hem gedaan gelijk God, omdat hij God, zijn God, liefhad en niet afweek van Zijn gebod. 7 En evenzo ook u: als u het gebod van God niet overtreedt, zal God u uw begeerte geven, en Hij zal een welgevallen hebben aan uw woord en uw koninkrijk bewaren. 8 En de kinderen van Korach en Asaf, die het gebod van Mozes overtraden en tegen hem murmureerden om wat hij tot hen zei: Maakt uw zielen recht voor God; 9 en zij zeiden tot hem: Zijn wij niet de kinderen van Levi, die het werk van het priesterschap verrichten in de tent van de samenkomst? 10 En zij namen hun wierookvaten om wierook te branden, en gingen heen en offerden wierook; maar God nam hun gebed niet aan, en door het vuur van hun wierookvaten werden zij verbrand en verteerd gelijk een kaars die in het vuur wegsmelt, en er bleef niets van hen over, noch hun beenderen noch hun kleren, dan alleen de wierookvaten van koper die zij in het huis van God gebracht hadden, naar het gebod van God; want Hij zei: Hun wierookvaten zijn geheiligd door het verbranden van hun vlees.[^3] 11 En daarom zei God tot hen, tot Mozes en tot Aäron: Verzamelt hun wierookvaten in de tabernakel, en laat ze voor Mijn huis zijn; maak haar, en alles wat Ik voor haar heb ingesteld, van buiten tot binnen. 12 En hij maakte wel het werk van de heilige tabernakel: het verzoendeksel, en de tent,[^4] en de cherub, en de bekkens; 13 en de kannen, en de schalen, en de bakken, en de voorhof, en de omheining voor de tabernakel, en de pannen, en de altaren waarop zij offeren in de tent van de samenkomst;[^5] 14 en het vrijwillige offer, en het dankoffer, en het gelofteoffer, en dat voor de zonde, en het offer naar Zijn wet. 15 En alles wat Hij Mozes gebood in de tent van de samenkomst om daarin te doen, gebood Hij hun. 16 En zij hielden niet op hun God te dienen, opdat Zijn naam over hen geprezen zou worden, in de tabernakel van Zijn wet, voor God, hun God, die hun beloofd had hun de erfenis van hun vaderen te geven, een land vloeiende van melk en honing, dat Hij Abraham gezworen had. 17 En Hij maakte een verbond met Izak, en stelde een getuigenis voor Jakob; 18 en voor Mozes en voor Aäron in de tent van de getuigenis; 19 en voor Samuël en voor Elia in Jeruzalem, in de tabernakel, in het huis van het heiligdom, waar Salomo bouwde, totdat het het huis van God werd, en de rustplaats van de naam van de Allerhoogste, en de woning van de Heilige van Israël. 20 Want zij is een plaats van smeking en van verzoening van de zonde, waar Hij verschijnt aan Zijn priesters die in zachtmoedigheid wandelen; 21 en waar Hij het gebed hoort van hen die Zijn wil doen; 22 waar de wet van God, de Heilige van Israël, wordt ingesteld; 23 en waar de opdracht[^6] van het offer en het reukwerk wordt volbracht tot een liefelijke reuk voor God, de Heilige van Israël. 24 En Hij spreekt boven het verzoendeksel in de tent van de samenkomst, en toont de heerlijkheid van God aan Zijn uitverkorenen, de kinderen van Jakob, en aan Zijn heiligen die wandelen in Zijn gebod en in de oordelen van God. 25 Maar zij die wederspannig zijn, zullen worden als de kinderen van Korach, die de aarde verzwolg; en evenzo zullen de zondaren geworpen worden in het oordeel van de vlam des vuurs, dat geen ontkoming heeft, tot in eeuwigheid. ### 2 Meqabyan 12 1 Wee u, machtigen van Israël, die niet gehouden hebt wat Ik u geboden heb in de tabernakel, en Mijn wil niet gedaan hebt, dan alleen de wil van uzelf: hoogmoed, en grootspraak, en hoererij, en vraatzucht, en dronkenschap, en drinkgelag, en het vals zweren. 2 En daarom zal Mijn toorn tegen u ontbranden gelijk stoppels voor het aangezicht van het vuur, en gelijk vuur dat de bergen verbrandt, en gelijk een wervelwind die het lichte stof van de aarde opneemt en het hoog in de lucht verstrooit, waar geen spoor van zijn werk meer te vinden is. 3 En evenzo zal Ik allen verdelgen die het kwade doen, van voor Mijn aangezicht, zegt God, de Heilige van Israël. En gedenkt God, die over alles heerst en tegen wie niemand kan zegevieren. 4 En Hij heeft hen lief die Hem liefhebben, en Hij vergeeft hun hun zonden en hun overtredingen, hun die wandelen in Zijn gebod. Wees daarom niet verbijsterd[^1] en niet dof van hart tot ongeloof. 5 En maakt uw zielen recht voor God, en wordt Hem gelijkvormig, opdat u uw zielen behouden zult; en Hij zal u verlossen uit de hand van uw vijanden ten dage van uw benauwdheid. 6 En wanneer u Mij aanroept, zal Ik tot u zeggen: Zie, Ik ben met u, en Ik zal u verlossen uit de hand van uw vijanden, en Ik zal u niet in de steek laten[^2] ten dage van uw benauwdheid, omdat u op Mij vertrouwd hebt en Mijn geboden gedaan hebt en niet afgeweken bent van Mijn wet, en liefgehad hebt wat Ik liefheb, zegt God, die over alles heerst. 7 En hen die Hem liefhebben, heeft Hij lief; en hen die Zijn gebod onderhouden, beschermt Hij, want Hij is barmhartig en genadig. 8 En Hij wendt vaak Zijn toorn af en ontsteekt niet heel Zijn kastijding, want Hij is barmhartig, omdat Hij weet dat zij vlees en bloed zijn, en wanneer hun ziel uit hun lichaam gaat, zij tot hun stof wederkeren. 9 En zij weten niet waar zij zijn, totdat God wil dat Hij hen brengt vanwaar zij niet zijn; want Hij schiep hen uit het niet-zijnde, en opnieuw nam Hij hun ziel en deed het stof tot zijn grond wederkeren. 10 En opnieuw brengt Hij hen vanuit het niet-zijnde tot het zijn, naar Zijn wil. 11 En Tsirutsaydan,[^3] de tegenstander van God, vermenigvuldigde zijn hoogmoed voor God; en toen Hij hem met rust liet tot de tijd die Hij wilde, verhief hij zichzelf. 12 En hij zei: Mijn dagen zijn geworden als de dagen des hemels, en ik ben het die de zon doet opgaan, die niet zal sterven tot in eeuwigheid. 13 En terwijl hij dit woord nog niet voleindigd had, daalde de engel des doods, die Telmyakos heet, tot hem neder en sloeg zijn hart, en hij stierf terzelfder tijd, en verging weg van de luister van zijn staat en van de grootheid van zijn hoogmoed en van de boosheid van zijn werk, omdat hij zijn Schepper geen dank had gebracht. 14 En de legers van de koning van de Chaldeeën, terwijl zij buiten zijn stad gelegerd waren, begerende tegen hem te strijden — en toen hij gestorven was, trokken zij uit en verdierven zijn land en plunderden al zijn vee en lieten niets over, zodat er niets bewaard bleef binnen de muren.[^4] 15 En al zijn goederen plunderden zij, en de vaten[^5] namen zij weg, en zij staken zijn stad in brand met vuur en keerden terug naar hun land. ### 2 Meqabyan 13 1 En zij nu, de Meqabeeën, de zonen van Meqabis, die geloofden en hun zielen aan de dood overgaven, weigerden het offer van de afgoden te eten;[^1] 2 en zij gaven hun zielen over aan het vuur, opdat zij behouden zouden worden van het vuur dat in de hemelen is, wetende dat deze wereld voorbijgaat. 3 En zij zeiden: De wellust blijft niet voor eeuwig; want zij wisten dat de bestraffing[^2] van God erger is dan de bestraffing van het mensenkind, en dat de toorn van God erger is dan de toorn van een koning. 4 En één dag van vreugde in de voorhoven van het paradijs is beter dan tienduizenden jaren van leven op de aarde en dan lengte van dagen; beter is één uur van Uw barmhartigheid, o Heere. 5 En wat zijn de dagen van de mens? Zijn zij niet gelijk een schaduw die voorbijgaat, en gelijk een kaars voor het aangezicht van het vuur? 6 Maar U, o Heere, blijft in eeuwigheid, en Uw jaren vergaan niet, en Uw herinnering is tot geslacht van geslachten. 7 Dit alles en wat daaraan gelijk is overwogen de zonen van Meqabis, en zij verkozen op God te vertrouwen, en weigerden het offer van de onreinheid te eten. 8 En daarom gaven zij hun lichamen over tot het martelaarschap ter wille van God, wetende dat de doden zullen opstaan, en wetende dat er een oordeel zal zijn na de opstanding. 9 En u die de opstanding van de doden niet kent en niet gelooft, weet het dan van deze mannen, goed van geslacht,[^3] die tezamen hun zielen aan de dood overgaven, wetende dat hun laatste leven beter is dan dit aardse, vergankelijke leven; 10 en ziende dat alles voorbijgaat, gaven zij hun zielen over aan de dood, opdat zij van God een beloning zouden ontvangen, omdat zij in Hem geloofden en niet bogen voor de afgoden en niet aten van het offer van het dode en van de onreinheid. 11 En daarom, wetende dat Hij hen zou verblijden op de laatste dag naar ziel en lichaam — want hoewel zij vrouw en kinderen hadden, achtten zij de zoetheid van deze wereld niet, noch de bitterheid van de dood — gaven zij hun zielen over aan de dood, wetende dat er een opstanding zal zijn op de laatste dag naar ziel en naar lichaam; 12 en wetende dat zij die de inzetting van God bewaard hebben, zullen heersen in de wereld die komt, tot geslachten van geslachten en tot lengte van dagen, waar geen ziekte is noch verdriet. 13 Er is geen ziekte noch verdriet, en er is geen dood. En met hen die geloofd hebben in het woord van God zijn goede koningen en vorsten, die hun zielen aan de dood overgaven gelijk een kaars in het midden van het vuur, terwijl zij met de overleggingen van hun hart aanschouwden wat komen zou; 14 en zij hopen dat hun aangezicht zevenvoudig meer zal schijnen dan de zon, en dat zij volmaakt zullen worden in Zijn liefde in de opstanding van allen, naar ziel en naar lichaam. ### 2 Meqabyan 14 1 Maar mij bedroeft het zeer en het benauwt mij, en mijn hart brandt in mij vanwege de Joden en de Samaritanen en de Farizeeën en de Sadduceeën, die de opstanding van de doden niet geloven. De Joden zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij, en daarna is er niets dat wij zullen zien. 2 En de Samaritanen zeggen: Ons vlees zal niet opstaan, want het wordt tot stof. 3 En als er een opstanding is, geloven wij de opstanding van onze zielen; want de ziel, ook al sterft het lichaam, sterft niet, want zij is gelijk de wind die niet gezien wordt, en gelijk het geluid van de donder, en men kan niet zeggen: Zie, daar is zij, en zij verschijnt niet. 4 Maar ons vlees wordt door allen gezien, en het wordt as en stof, want de dieren verslinden het, en ook de wormen verslinden het in het graf. 5 En ook zij die het verslonden hebben, worden as, en hun spoor wordt niet gevonden, want zij worden gelijk gras, en gelijk dat wat nooit geschapen werd, werden zij as. 6 En daarin worden de lichamen die verslonden zijn wedergevonden.[^1] En zo zeggen de Farizeeën: De opstanding van de doden geloven wij, maar Hij bekleedt de zielen in de hemelen met een ander lichaam, dat niet is als het aardse. 7 En zo zeggen de Sadduceeën: Van het ogenblik dat onze ziel uit ons lichaam uitgaat, staan wij niet meer op uit de doden; en er is voor hen geen opstanding van de doden, noch voor de ziel noch voor het lichaam, en wanneer wij gestorven zijn, staan wij niet op. 8 En hierom handelen zij zeer dwaas, en het benauwt mij aangaande hen, want zij spreken godslastering tegen God en Zijn heerlijkheid. 9 En zij hebben geen hoop op behoud, want zij hebben niet geloofd in God, die hen rechtvaardigt; en voorwaar, zij hebben geen hoop op behoud noch op de opstanding van de doden. 10 En u, blinde Jood, verheft u zich tegen God, die u bracht uit het niet-zijnde en, toen u nog slijk[^2] was, u tot een mens maakte? Zal Hij die u gezaaid heeft, niet bij machte zijn uw ziel en uw lichaam te doen uitspruiten, naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis? 11 En reken niet zo, want u kunt niet ontkomen aan de hand van God. U zult opstaan, hoewel u het niet begeert, en u zult geoordeeld worden, hoewel het u niet behaagt; want het koord van het dodenrijk is om uw hals, dat u gegrepen heeft, van de dag van uw dood af. 12 Want in de moederschoot spruit het voor u op uit de stam van het dodenrijk; het is het koord dat zij om uw hals leggen, en wanneer u groot wordt, wordt ook zij evenzo groot. 13 En wanneer u sterft, leggen zij het om uw hals; en wanneer zij aan zijn stam trekken, brengt het hen.[^3] 14 En het trekt zijn takken, want alle zondaren zijn daarin gehouden, gelijk koorden om hun hals zijn. 15 En het brengt al de zielen van de zondaren van waar zij zijn, van de einden des hemels; en evenzo trekt uw koord u, om uw ziel te brengen van waar u bent, en om u weer te brengen in de stroom van het dodenrijk. 16 En ook uw lichaam, hersteld en zevenvoudig geworden gelijk het lichaam van onze vader Adam, zal de dauw van de barmhartigheid van God u doen opstaan; en daar zult u vergolden worden naar de overtreding en de zonde die u bedreven hebt, naar uw ongeloof. 17 En laat het u niet goeddunken, als een die anderen doet dwalen en zelf dwaalt, u die in het graf woont in uw dwaling en zegt: Er is geen opstanding van de doden — opdat zij afdwalen van het gebod van God. 18 En wie zal u in de as en het stof laten? Veeleer zal Hij u opwekken, om u te vergelden naar uw werken die u gedaan hebt. 19 En dan zal komen — hetzij uw geesten die in de winden zijn, of uw stof dat in de aarde is, of uw vlam die in het vuur is, 20 hetzij de geest des levens die in u geblazen werd — in de voorhof van de duisternis. 21 Die opgesloten is;[^4] maar de zielen van de rechtvaardigen worden met vreugde ingesloten in het paradijs. 22 Maar u, o Jood en Samaritaan en Farizeeër en Sadduceeër, tot de tijd van uw oordeel wordt u gebonden gehouden in de duisternis. 23 En dan zult u zien hoe God u vergeldt naar uw werken, om dat waardoor u misleid werd.[^5] 24 En u zei tot hen: De doden leven niet; laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij; en u zegt in uw arglist,[^6] terwijl u op de stoel van Mozes zit: Er is geen opstanding van de doden. 25 En daarom hebt u gedwaald, terwijl u het boek van de wet kent en het woord van de Schriften leert; en omdat u de mensen doet dwalen, zou het beter voor u geweest zijn als u niet geleerd en niet geweten had. 26 Het woord van de Schriften — omdat u het volk van God verkeert door de boosheid van uw leer en door uw woord dat geen nut heeft. 27 Maar u zult vergolden worden naar uw werken en naar de vrucht van uw lippen, want God ziet de persoon niet aan; en hun die het goede leren, zal Hij vergelden uit de goede dingen die Hij bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. 28 Maar u hebt geen plaats om te ontkomen aan de hand van Hem die u oordeelt, en Hij zal u vergelden naar uw werken; want u en hen die u geleerd hebt, zult tezamen geoordeeld worden. 29 Ik weet dat de doden zullen opstaan; ook zij die Zijn gebod bewaard hebben zullen opstaan, en het opstaan zal hun niet onmogelijk zijn, want Zijn gebod brengt hen voort, zoals de aarde het gras voortbrengt wanneer de regen daarop slaat. 30 En gelijk de groene boom zijn loof voortbrengt wanneer de regen de aarde bevochtigt, en gelijk zij de vrucht van tarwe of de aar van koren voortbrengt — en het is niet mogelijk dat zij haar vrucht inhoudt, als God het wil. 31 En gelijk een zwangere, wanneer haar weeën komen, haar moederschoot niet kan sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar hen terzelfder tijd baart, in een ogenblik, want de dauw die van God is daalt op haar neder; 32 evenzo brengt ook de aarde voort ten dage dat men in haar verzameld wordt; zij kan haar schoot niet sluiten wanneer zij het woord van God gehoord heeft, maar baart hen terzelfder tijd, in een ogenblik, want de dauw die van God is daalt op haar neder. 33 En de lichamen zullen verzameld worden in hun plaatsen, waar hun lijken gevallen zijn; en de huizen, de schatkamers van de zielen, zullen geopend worden, en de zielen zullen wederkeren in de lichamen waaruit zij voorheen uitgegaan waren. 34 En bij het geschal van de bazuin zullen de doden opstaan in een ogenblik, in een oogwenk, en zij zullen staan voor God, en Hij zal hun vergelden naar het werk van hun handen. 35 Dan zult u zien dat u opstaat uit de doden, en u zult u verwonderen over al uw werken die u op de aarde gedaan hebt; en wanneer u ze geschreven ziet voor uw ogen, dan zult u op die dag berouw hebben, waar het u niet baat. 36 En u zult weten dat u opstaat uit de doden en vergolden wordt naar uw werken die u gedaan hebt. ### 2 Meqabyan 15 1 En zij die volhard hebben in hun goede werken, zullen zich dan verheugen; maar zij die traag geweest zijn, zeggende: De doden staan niet op — die zullen zich dan bedroeven, wanneer zij zien dat zij opgestaan zijn uit de doden met hun boze werken die geen nut hebben. 2 En hun werken die zij gedaan hebben zullen hen oordelen, terwijl er niemand is die hen aanklaagt; zij zelf zullen weten hoe zij geoordeeld worden. 3 En zij zullen staan in de standplaats van de goddelozen ten dage van het geween en het oordeel, ten dage van het gericht, en ten dage van God; 4 ten dage van de duisternis, ten dage van het onweer,[^1] ten dage van de nevel, ten dage van de stormwind,[^2] ten dage van de bliksem; 5 ten dage van de vrees en van de beving, ten dage van donder en dreuning,[^3] ten dage van de gesel; 6 ten dage dat de boze vergolden wordt naar wat hij aan kwaad gedaan heeft, en dat de reine vergolden wordt naar wat hij rein gedaan heeft, en dat de verkeerde vergolden wordt naar wat hij verkeerd gedaan heeft; 7 en wanneer de heer niet meer geëerd zal worden dan de knecht, en de meesteres niet meer dan de dienstmaagd; 8 en wanneer de koning niet meer geëerd zal worden dan de arme, noch de vorst dan het kind, noch de vader dan zijn zoon, noch de moeder dan haar dochter; 9 en wanneer de rijke niet meer geëerd zal worden dan de behoeftige, noch de hoogmoedige dan de nederige, noch de grote dan de kleine; want het is de dag van het gericht, en de dag van de vergelding en des oordeels, en de dag waarop een ieder vergolden wordt naar wat hij gedaan heeft. 10 En de dag waarop de bewerkers van het goede beloond worden, en waarop zij die het kwade deden met het kwade vergolden worden. 11 En de dag waarop zich verheugen zij die met het goede beloond worden, en de dag waarop treuren zij die met het kwade vergolden worden; en zij die de Schriften verloochend hebben, zeggende: De doden staan niet op — zullen het zien. 12 Dan zullen al de zondaren van de aarde huilen om hun zonden die zij gedaan hebben, om de verdriet die hen getroffen heeft, die geen troost heeft, omdat zij geen goed gedaan hebben op de aarde. 13 En evenzo zal voor de goeden, die het goede gedaan hebben, hun blijdschap niet vergaan, tot in alle eeuwigheid, omdat zij, terwijl zij op de aarde waren, volhard hebben in het doen van goed. 14 En zij zijn niet afgeweken van het gebod van hun Schepper, want zij wisten dat zij uit de doden zullen opstaan. 15 En omdat zij niet afgeweken zijn van Zijn gebod, zullen zij beërven; 16 en ook in de hemelen deed Hij hen het land des levens beërven, dat Hij hun vaderen gezworen had, ten dage van de opstanding, wanneer de rijken arm worden. 17 En de bewerkers van het kwade zullen weeklagen, die de opstanding van de doden en de wet van God niet geloofden en de dag van de opstanding niet gedachten. 18 Dan zullen zij het kwaad zien dat hen overkomt, dat geen einde heeft, en dat geen genezing heeft noch troost; en in hun hart ook verdriet die geen troost heeft en geen rust; 19 en de worm die niet slaapt, en het vuur dat niet uitgeblust wordt. 20 En buiten hun lichamen ook vuur en pek,[^4] en wervelwind, en storm, en hagel, en gedreun,[^4] dat op hen nederregent; 21 een ketel van vuur[^5] voor hen die de opstanding van de doden niet geloven. ### 2 Meqabyan 16 1 Welnu, bedenk zelf wat er aan uw lichaam is: de nagels van uw handen en uw voeten en het haar van uw hoofd; want telkens knipt u die af, en zij kunnen weer uitgroeien. Weet dit dan, voorwaar, als u verstand en kennis hebt. 2 En vanwaar komen zij op, zegt u — deze nagels van uw handen en voeten en het haar van uw hoofd? Is het niet God die hen zo heeft ingesteld dat zij uitkomen, opdat u de opstanding van de doden zou kennen, die van uw eigen lichaam zal zijn en niet in een ander lichaam, opdat u zelf zou weten dat u uit de doden zult opstaan? 3 En u zult vergolden worden naar uw daden, de overtreding en de zonde die u bedreven hebt, op de dag van de opstanding van de doden, omdat u het volk hebt misleid door te zeggen: Er is geen opstanding van de doden. 4 En nu zult u het zien wanneer de dag van uw vergelding u bereikt; want wat u gezaaid hebt, weigert niet op te schieten, hetzij graan, hetzij tarwe. 5 En evenzo weigert de boom die u geplant hebt niet uit te lopen, hetzij een wijnstok, hetzij een vijgenboom; zijn blad en zijn vrucht veranderen niet. 6 En als u een wijnstok geplant hebt, verandert die niet om een vijgenboom te worden; als u een vijgenboom geplant hebt, verandert die niet om een wijnstok te worden; en als u tarwe gezaaid hebt, verandert die niet om gerst te worden. 7 En als u gerst gezaaid hebt, verandert die niet om tarwe te worden. Deze alle, elk naar zijn zaad en naar zijn soort en naar zijn vrucht en naar zijn boom en naar zijn blad en naar zijn loot,1 ontvangen zegen door de dauw van de barmhartigheid die van God komt, en brengen vrucht voort. 8 Zo brengt ook de aarde voort wat God gezaaid heeft; zij doet ziel en lichaam opschieten — de doeners van het goede, terwijl zij niet veranderd worden in doeners van het kwade, en de doeners van het kwade, terwijl zij niet veranderd worden in doeners van het goede. Die God gezaaid heeft, ziel en lichaam, schieten op. 9 En wanneer de tijd voor het blazen van de bazuin gekomen is, zullen de doden opstaan door de dauw van de barmhartigheid die van God komt; zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens. En hun loon is de hof van de vreugde, een woning voor de reinen, die Hij bereid heeft voor de goeden, waar geen ziekte en geen pijn is, waar zij hierna niet meer sterven. 10 Maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding van het oordeel, met de duivel die hen misleid heeft; 11 en zijn boze demonen, die niet willen dat iemand van de mensenkinderen behouden wordt, tot het eeuwige oordeel. 12 Naar beneden, tot in de hoeken van de duisternis, waar geween is en tandengeknars, waar geen genade en geen barmhartigheid is, en waar geen ontkoming is tot in alle eeuwigheid; omdat zij geen goed gedaan hebben in hun leven op de aarde, terwijl zij in hun lichaam waren. 13 En daarom zullen zij geoordeeld worden bij de opstanding van ziel en lichaam. 14 Aan hen die niet geloven in de opstanding van ziel en lichaam tezamen — aan hen2 zal God de grootheid van Zijn wonderen tonen. 15 En ieder zal vergolden worden naar zijn daad en naar de arbeid van zijn hand.3 ### 2 Meqabyan 17 1 En een korrel tarwe, als zij niet sterft, schiet niet op en draagt geen vrucht; want als de tarwekorrel sterft, maakt zij een wortel in de aarde en brengt een blad voort, en zij wordt een aar en draagt vrucht — en u weet het. 2 U weet zelf dat één korrel tarwe tot vele korrels wordt. 3 En evenzo schiet deze korrel op uit wind en water en aarde, en de zon in plaats van vuur; want zonder de zon kan de tarwe geen vrucht dragen. 4 En de wind is in de plaats van de blaasbalg,1 en zonder de wind kan de tarwe geen vrucht dragen; en ook het water, dat de aarde besproeit en drenkt. 5 En wanneer de as en de aarde gedrenkt zijn, maakt zij een wortel en verheft zich naar boven, en zij draagt vrucht naar de mate waarin God haar gezegend heeft. 6 Want de tarwekorrel is naar de gelijkenis van Adam, over wie de sprekende Geest van God geblazen werd; en zo ook wordt de wijnstok met water gedrenkt en maakt een wortel en neemt water op door de fijne draden van de wortel. 7 En zij stijgt omhoog naar boven, in de massa van de bladeren; want de dauw van de barmhartigheid van God laaft hen in de massa van de lange ranken, en zij rijpt in de gloed van de zon, en zij brengt vrucht voort die van God komt. 8 En zij brengt een goede geur voort die het hart verheugt; en wanneer men ervan eet, verzadigt zij als water en brood dat niet hongerig en niet dorstig laat; en wanneer men haar uitperst, brengt zij het bloed van de druiventros voort. 9 En wanneer men haar drinkt, verheugt zij het hart van de mens, zoals in de Psalm gezegd is: De wijn verheugt het hart van de mens. En een welgemoed man wordt dronken wanneer hij zijn mond opent en slikt, en zij vult zijn ingewanden,2 en haar bloed stort zich uit in zijn hart. 10 En zij maakt hem zonder verstand, want overmatige dronkenschap van wijn maakt razend; en zij maakt de afgrond en de ruwe grond voor hem als een vlak, wijd land, en hij bemerkt de struikelsteen en de doorn niet die in zijn handen en zijn voeten zijn. 11 En zo heeft God met de wijnstok en zijn vrucht gehandeld, opdat Zijn Naam geprezen zou worden, voor hen die Zijn wil doen en voor hen die geloven in de opstanding van de doden. 12 En Hij zal hen verheugen in de woning des levens, hen die geloven in de opstanding van de doden. ### 2 Meqabyan 18 1 Hoe grote dwaling dwaalt u, u die niet gelooft in de opstanding van de doden! En wanneer men u wegvoert naar waar u het niet weet, dan zult u op dat tijdstip berouw hebben, wanneer het u niet meer baat; en wanneer men u in het oordeel werpt, omdat u niet geloofd hebt in de opstanding van de doden, naar lichaam en ziel tezamen. 2 En u zult vergolden worden naar wat u gedaan hebt, hetzij goed, hetzij kwaad; omdat u het hart van uw naasten bedorven hebt door te zeggen: Wij geloven dat de doden, die tot as en aarde geworden zijn, niet opstaan. 3 En daarom worden hun metgezellen dwaas; want er is geen kwijtschelding voor hun dood, en geen kracht om aan hun lot te ontkomen,1 en ook door hun arbeid worden zij niet vrijgesteld, want zij moeten staan voor het oordeel van God. 4 En zij zullen zich zeer schamen wanneer Hij hen bestraft in Zijn toorn en op hen vertoornd is vanwege al het kwaad dat zij gedaan hebben; want terwijl zij de weg van God niet kennen, spreken zij, daar zij zelf niet weten vanwaar zij gekomen zijn. 5 En zij weten niet waarheen zij gaan — in het oordeel van de vlam des vuurs; want naar de verkeerdheid van hun hart onderwijzen zij hun naasten, want zij zijn bitter en ruw in hun daden en hardvochtig, en zij leren een verdraaid woord, zeggende: Er is geen opstanding van de doden. 6 En op die dag zullen zij weten dat de doden opstaan, en zij zullen geoordeeld worden omdat zij niet geloofd hebben in de opstanding van de doden, voor heel het schepsel van het mensenkind. 7 Want wij zijn allen de vrucht van Adam, en om Adam zijn wij gestorven; want over ons allen is, vanwege de dwaling van onze vader Adam, het oordeel des doods gekomen van God. 8 En opnieuw, opdat wij vergolden zouden worden voor wat wij gedaan hebben, staan wij op met die Adam, onze vader; want door de onwetendheid van onze vader Adam is de wereld aan de dood onderworpen geworden. 9 En daarom werden wij vergolden door de overtreding van Adam, en ons vlees verging in het graf, en ook onze beenderen werden verbrijzeld. 10 En de aarde dronk ons merg, en onze schoonheid werd bedorven en verging tot as, en ons vlees werd begraven in de aarde, en onze schone stem werd begraven in het stof. 11 En het licht ging uit onze heldere ogen, en onze schoonheid werd bedorven in het graf en werd tot stof. 12 Waar is de luister van de schoonheid van de goede jongemannen, van wie de gestalte bevallig was,2 en de zoetheid van hun stem? Waar is de grootheid van de sterken? 13 En waar is de kracht van de koningen en de eer van de vorsten, en hun gezeten zijn op paarden, en hun getooid zijn met goud en zilver, en hun uitgedost zijn in het glinsterende krijgstuig? 14 Waar is de smaak van de spijzen bij zoete wijn? ### 2 Meqabyan 19 1 O aarde, u die de koningen en de vorsten en de groten en de geëerden bijeen vergaderd hebt, en de schone vrouwen en de fraaie maagden; 2 en de sterke mannen die schoonheid hadden en welgevormde leden,1 en zij die kennis en verstand hadden, en zij die een goede stem hadden als de klank van een sprekend orgel, en als het tokkelen van de luit en de lier; 3 en zij die een schone melodie hadden, die verheugen als het drinken van zoete wijn; hun ogen waren helder als de morgenster. 4 En hun rechterhand was sterk, als iemand die geeft en het weer neemt en grijpt;2 en hun voeten waren schoon om aan te zien en voor hen die snellen, als rechte wielen. 5 Ach, van u, o Dood, die de zielen van de schone mannen weggenomen hebt; want door de wil van God bent u uitgezonden. 6 En ook u, o aarde, want u hebt vele lichamen bijeen vergaderd, die God uit u voortgebracht en tot u weergekeerd heeft. Uit u zijn wij voortgekomen, en tot u keren wij weer; door de wil van God hebben wij ons verheugd, door de wil van God, op u. 7 En u werd een rustplaats voor onze lijken; wij wandelden op u en sliepen in uw schoot,3 wij aten uw vrucht en u at ons vlees. 8 Wij dronken van de dauw van uw bron, en u dronk van de bron van ons bloed; wij aten van het merg van uw aarde, en u at van het merg van onze beenderen. 9 Wij aten van de smaak van de as van uw goede dauw, zoals God u geboden had tot onze voeding; en u nam de schoonheid van ons vlees en maakte het tot stof, zoals God u geboden had tot uw voeding. 10 O, van u, o Dood, die vele machtige koningen en vorsten bijeen vergaderd hebt, en u hebt hun schrik en hun grootheid niet gevreesd, zoals Hij die hen geschapen heeft u geboden had; en u hebt de arme niet veracht. 11 En u hebt geen erbarmen gehad met hen van wie de gestalte schoon was,4 en hij spaarde de machtigen en de sterken niet, en hij spaarde de rijken en de armen niet, de mismaakten en de schonen, de grijsaards en de zuigelingen, mannen en vrouwen. 12 En hij spaarde hen niet die het goede overdenken en niet afwijken van Zijn gebod, en hij spaarde hen niet die het kwade overdenken — zij die als het vee geworden zijn in hun daden, en zij die volmaakt zijn in de luister van hun gestalte en hun stem en de zoetheid van hun spreken. 13 En hij spaarde hen niet van wie het woord bitter is en van wie de mond vol vervloeking is; en u vergaderde hun zielen in uw schatkamers, hetzij die van het licht, hetzij die van de duisternis. 14 En ook de aarde vergaderde hun lichamen, hetzij in de rots, hetzij in de aarde, tot aan het blazen van de bazuin, wanneer de doden zullen opstaan. 15 En de doeners zullen vergolden worden, elk naar de daden die zij verricht hebben; want bij het blazen van de bazuin en op het gebod van God zullen de doden opstaan in een oogwenk, en zij die het goede gedaan hebben, zullen zich verheugen. ### 2 Meqabyan 20 1 Gelooft dat niets van al onze daden, die wij op de aarde gedaan hebben, verzwegen of verborgen zal worden, wanneer wij voor Hem staan in vrees en beving. 2 En als wij geen proviand voor onze weg bijeengebracht hebben, en wanneer wij geen kleed voor onze naaktheid hebben; 3 en als wij geen staf voor onze handen hebben, en geen sandalen voor onze voeten; 4 en wij kennen de weg niet, waarheen zij ons voeren, of hij effen is, of ruw, of duisternis, of doorn en distel, of de diepte van de zee en de diepte van het dodenrijk. 5 En hen die ons voeren, kennen wij niet, en wij verstaan hun spreken niet. 6 En wij zien hun aangezicht niet, want zij zijn duisternis, en in de duisternis leiden zij ons. 7 Zoals David de profeet gezegd heeft: Toen mijn geest in mij bezweek, hebt U, o Heere, mijn pad gekend. Op deze weg die ik ging, hebben zij een strik voor mij verborgen; en ik wendde mij naar mijn rechterhand en zag toe, en ik vond niemand die mij kende, en ik had geen plaats om heen te vluchten. 8 En wanneer hij dit zegt, is het omdat hij weet dat de demonen hem bespotten en hem voeren naar een weg die hij niet kent, en hij wendt zich naar rechts en naar links, en er is niemand te vinden die hem kent. 9 En ook voor hem is er niemand die hem kent, maar hij is alleen te midden van de engelen van de duisternis. 10 En de geestelijke engelen des lichts, die gezonden worden tot de goeden, om de zielen van de rechtvaardigen te ontvangen en hen te brengen tot de voorhof van het licht des levens. 11 En zij die gezonden worden — de engelen van de duisternis en de demonen — tot de zielen van de zondaren, om hen te ontvangen en hen te brengen in het eeuwige oordeel dat hun toekomt, opdat zij vergolden worden naar hun daden die zij gedaan hebben. 12 Wee de zielen van de zondaren, die men voert in het verderf, waar geen rust en geen redding en geen ontkoming en geen uitweg is tot in eeuwigheid, vanwege de benauwdheid die hen overvallen heeft. 13 Wee de zondaren, want zij zijn de weg van Kaïn gegaan, en in het loon van het onrecht van Bileam zijn zij te gronde gegaan, en zij hebben gezondigd in wat zij doen; want door geschenken aan te nemen1 beramen zij list om het goed van een ander door onrecht te nemen, dat hun goed niet is. 14 Zij zullen vergolden worden naar hun daden die zij gedaan hebben, in het oordeel van de vlam des vuurs. ### 2 Meqabyan 21 1 Waar zijn zij die de goederen van een ander door onrecht vergaderd hebben, die niet hun eigen goederen waren, noch het werk van hun handen? 2 Maar zij nemen de goederen van een ander zonder koop, en vergaderen die, terwijl zij de dag van hun dood niet kennen die hen overkomt; en zij laten hun rijkdom voor een ander achter. 3 En ook hun kinderen zullen zich niet verblijden in de rijkdom van hun vaderen, want het zijn huizen van zondaren; hetzij men hen berooft door diefstal en door geweld — die zondaren zijn als hun vaderen — hetzij door roof. 4 En de goederen van hun vaderen baten hun niets, want zij hebben ze zich door onrecht vergaderd; en gelijk het voorbijgaan van een wolk, en gelijk rook die de wind wegneemt, en gelijk het zaad van gras dat afgeschud wordt, en gelijk was die smelt voor het aangezicht van het vuur, zo zal de heerlijkheid van de zondaren vergaan. 5 Zoals David gezegd heeft: Ik heb de goddeloze gezien, groot en verheven als de ceder van de Libanon; en toen ik terugkeerde, was hij weg; ik zocht hem, maar ik vond zijn plaats niet. 6 En zodanig is de ondergang van de zondaren, in een ogenblik, opdat zij zich niet zouden beroemen, zij die hun kwaad bedrijven alsof zij niet sterven zullen, omdat zij de goederen van een ander door onrecht vergaderd hebben. 7 O dwazen, gedenkt dat u vergaat, en ook uw rijkdom gaat met u voorbij; en al is uw goud en uw zilver in menigte, het wordt tot niets. 8 En al hebt u vele kinderen, het worden vele graven; en al hebt u vele huizen, zij worden tot puinhopen. 9 En al hebt u veel vee, het wordt een buit voor uw vijanden, omdat u de wil van God, uw God, niet gedaan hebt; en al wat u met uw hand ondernomen hebt, wordt niet gevonden, omdat het niet gezegend was. 10 Hetzij dat van het huis, hetzij dat van het veld; hetzij in de kudden, en in het gewas, en op de dorsvloer van het koren, en in de wijnpers. 11 En ook over de vrucht van uw buik zult u zich niet verblijden, maar het zal u tot verdriet zijn vanwege al uw vijanden, omdat God u niet heeft doen gedijen, met al de mensen van uw huis, omdat u de geboden van God niet onderhouden hebt. 12 Maar hun die Zijn wet en Zijn gebod en Zijn inzetting onderhouden hebben, zal Hij Zijn zegen niet onthouden, en Hij zal hun alles geven wat zij van Hem gevraagd hebben, en Hij zal voor hen de vrucht van hun land en de vrucht van hun buik zegenen. 13 En Hij zal hen stellen boven al de heidenen die rondom hen zijn, opdat zij zouden heersen en niet beheerst worden; en Hij zal hun alle zegen geven in hun oogst en hun vrucht. 14 En al wat hun handen ondernemen zal Hij voor hen zegenen: de vrucht van hun arbeid en de aanwas van hun vee, en Hij zal hen verblijden met de vrucht van hun buik. 15 En Hij zal hun vee voor hen niet doen verminderen, en Hij zal hen verlossen uit al hun benauwdheid en ziekte en zwakheid en plaag, van wat zij kennen en niet kennen. 16 En Hij zal voor hen opkomen in het gericht, en Hij zal hen verlossen uit benauwdheid en uit boze woorden en uit al wat hen tegenstaat. Want wat het werk van de tabernakel betreft: als er van den beginne een Leviet is die zich toewijdt en het werk van de tabernakel bewaart en in de wil van God wandelt, zullen zij hem naar de eerste wet de tiende geven van alles wat naar Zijn wet is, en elke eerstgeborene, van de mens tot het vee toe. 17 En een vrijstad in al hun steden, gelijk Mozes aan Jozua, de zoon van Nun, geboden heeft, opdat de moordenaars behouden zou worden die zonder opzet gedood heeft, en ook als iemand met opzet gedood heeft. 18 totdat men hem het recht laat toekomen, door hen die veroordelen en door hen die vrijspreken. 19 En onderzoekt het nauwkeurig,a zei Hij tot hen. Als er tevoren vijandschap met hem was, en hij zegt: Zonder mijn opzet is het uit mijn hand gevallen, ijzer of steen of hout, en hij is gestorven op wie het viel — wanneer u het onderzocht hebt, verlost hem, want hij heeft het zonder opzet gedaan; hij zal behouden worden. 20 Maar als hij het met opzet gedaan heeft, zal hem vergolden worden naar zijn misdaad, en niemand zal zich over hem ontfermen; en als hij het zonder opzet gedaan en gedood heeft — wanneer u het onderzocht hebt — laat hem gaan, opdat hij niet sterve, want hij heeft het zonder opzet gedaan. 21 En zo heeft Mozes het voor de kinderen van Israël ingesteld, opdat zij het gebod van God niet zouden overtreden, maar opdat zij zich van al het kwaad zouden onthouden, heeft hij het voor hen ingesteld. 22 En Hij gebood hun dat zij in al Zijn recht en Zijn gerechtigheid zouden wandelen, en dat zij zich verre zouden houden van roofb en verminking en doodslag, en van al wat de kinderen van de mensen niet past te doen — zij die wandelen in het gebod van God en zich onthouden van al het kwaad — gelijk Hij het voor hen ingesteld heeft. 23 En Hij gebood hun dat zij Zijn gebod niet zouden overtreden, dat Hij voor hen ingesteld heeft naar het voorbeeld van wat in de hemelen is,c namelijk de tabernakel, opdat Hij hun ziel zou behouden en zij hun woning zouden vinden met hun vaderen die het goede gedaan hebben. 24 Want zij die geloofd hebben in het woord van God en gewandeld hebben in Zijn gebod, dezen worden genoemd het geslacht van de rechtvaardigen, want zij zijn van Adam en Seth, zij die de wil van God gedaan hebben; Hij veracht hen niet. 25 Want wij zijn het zaad van Adam, en naar Zijn beeld heeft Hij ons gevormd, en naar Zijn gelijkenis heeft Hij ons geschapen, opdat wij het goede zouden doen en al wat God welbehaaglijk is. 26 En als wij het goede doen, zullen wij het land des levens beërven met hen die het goede gedaan hebben, want Hij maakt geen onderscheid en scheidt niet af hen die Hem liefhebben. 27 En Hij bemint hen bovenmate, en Hij hoort het gebed van hen die Hem in reinheid aanroepen, en Hij neemt de boetvaardigheid aan van hen die zich met volharding bekeren, en Hij geeft kracht en sterkte aan hen die Zijn wet en Zijn inzetting en Zijn gebod onderhouden. 28 En zij zullen zich met Hem verblijden in Zijn eeuwig koninkrijk, zij die Zijn wil gedaan hebben, zowel de eerste als de laatsten; Hem brengen zij lof toe, van nu aan tot in alle eeuwigheid. Amen. ## 3 Meqabyan ### 3 Meqabyan 1 1 De eilanden van Egypte zullen zich verheugen in de laatste dagen, over de goede en zachtmoedige die over hen komt, die wraak oefent vanwege datgene wat Sablyanos, die de weg van zijn Schepper wederstaat, verdrukt en verleid heeft. 2 En hij oefent wraak over hem en doet zijn eer wederkeren tot stof en tot schande, omdat hij zich in zijn gedachten verheven heeft. 3 En hij zei: Wie zal boven mij verheven worden? Want ik dring door in het hart van de zeeën en ik klim op in de hoogte; zie ik de diepten niet, en grijp ik de kinderen van Adam niet als het jong van een vogel? 4 En er is niemand die zich aan mijn hand onttrekt; want hen die op de aarde wonen overmeester ik niet, als zij de wil van God doen, en daarom smeed ik listen tegen hen, om hen af te wenden van de rechte weg van God. 5 En ik breng hen op mijn boze weg, opdat zij met mij gaan in het verderf. 6 En daarom haten zij die Hem liefhebben en Zijn gebod bewaren, mij; maar zij die van hun Heere zijn afgedwaald, komen tot mij en hebben mij lief en houden mijn verbond en doen mijn gebod, zoals ik hun geboden heb; want ik maak hun hart boos en verdraai hun gedachten, zodat zij zich niet bekeren tot God, hun Schepper. 7 En wanneer ik hun de goederen van de wereld toon, leid ik hun hart af van de rechte weg; en wanneer ik hun schone vrouwen en maagden toon, wend ik hen ook daardoor af van de rechte weg. 8 En wanneer ik hun de fonkelende edelstenen van Indië toon, en stenen van goud en zilver, wend ik hen ook daardoor af van de rechte weg, zodat zij zich keren tot mijn werk. 9 En wanneer ik hun fijne kleren toon, en byssus en zijden gewaden en brokaat en kostbare stoffen, wend ik hen ook daardoor af van de rechte weg en breng hen tot mijn gedachten; en wanneer ik hun bezittingen toon en vee als het zand, wend ik hen ook daardoor tot mijn werken. 10 En wanneer ik hun twisten toon die uit hoogmoed voortkomen, en die om vrouwen gaan, en die van overmoed en van toorn, wend ik hen ook door dit alles tot mijn weg. 11 En wanneer ik hun tekenen toon, dring ik door in het hart van hun naasten en fluister in hun hart de woorden van hun tekenen, en wanneer ik het teken van hun woord getoond heb, maak ik hen zinneloos. 12 En aan hen die ik tot mijn woning gemaakt heb, toon ik tekenen — hetzij door de loop van de sterren, of door de vorming van de wolken, of door het opvlammen van vuur, of door de vlucht van vogels en dieren — en door dit alles maak ik voor hen een teken in hun harten, want zij zijn mijn woning. 13 En zij spreken en geven hun naasten een teken, en ik ga hun voor, en ik word het teken, gelijk zij, hun waarzeggers, tot hen gesproken hebben. 14 En ik doe voor hen het teken van hun woord uitkomen, zodat zij die hen ondervraagd hebben, verleid worden en hun een beloning geven; en zij verkondigen het hun naasten, zodat zij zeggen: Er zijn geen kenners als die man en die vrouw, voor wie het gebeurt zoals zij gesproken hebben, en zij kennen de profetie en onderscheiden goed en kwaad, en alles gebeurt hun zoals zij gezegd hebben, en het wordt voor hen gedaan naar hun woord. 15 En wanneer zij dit zeggen, verheug ik mij, opdat velen mogen zijn die te gronde gaan en overvloedig zij die door mij afdwalen, zodat de kinderen van Adam met mij te gronde gaan; want vanwege hun vader Adam heeft God mij van mijn troon geworpen, omdat ik zei: Ik zal voor dit lemen schepsel niet neerbuigen. 16 En ook ik sleep hen mee in het verderf, al de kinderen van Adam die naar mijn gebod wandelen; en ik heb wrok tegen Hem die mij geschapen heeft, opdat zij die ik verleid heb, met mij in het vuur geworpen worden. 17 En ook ik smeekte tot mijn Heere, toen Hij Zijn toorn tegen mij verhief en gebood dat men mij zou binden en werpen in de hel en in de diepte van het dodenrijk; en toen mijn Schepper zo geboden had, smeekte ook ik voor Zijn aangezicht, zeggende: Mijn Heere, omdat U mij getuchtigd hebt en met Uw gesel mij bestraft en met Uw toorn mij geslagen hebt, sta mij toe één woord voor U te spreken. 18 En mijn Heere antwoordde mij en zei tot mij: Spreek, en Ik zal u horen. En toen vatte ik moed en richtte mijn smeekbede tot Hem, zeggende: Aangezien ik van mijn troon verdreven ben, laten zij die ik verleid heb, met mij zijn in datgene waarin ik gepijnigd word. 19 Maar zij die mij geweigerd hebben en niet door mij zijn afgedwaald en mijn gebod niet gehouden hebben — opdat zij Uw gebod zouden doen en Uw wil volbrengen en Uw woord bewaren — en toen zij mij weigerden, hoezeer ik hen ook verlokte, en zij niet door mij afdwaalden, hoezeer ik hen ook verleidde: laten zij voor Uw koninkrijk zijn en de kroon ontvangen die de mijne was, die U mij gaf toen U mij liefhad. 20 En aan al de machten die met mij verdreven zijn en die satans genoemd worden, geef hun hun kroon en zet hen aan Uw rechterhand op mijn troon, U die nu ontledigd bent van mij en van mijn engelen. 21 En laten zij U prijzen zoals U gewild hebt, en laten zij zijn als ik en als mijn engelen, en laten zij U prijzen zoals U gewild hebt; want mijn macht is tenietgedaan en hun macht is verhoogd, omdat U mij gehaat hebt en hen liefgehad hebt die geschapen zijn uit stof en as. 22 En mijn Heere antwoordde mij en zei tot mij: Zoals u gewild hebt — terwijl zij mijn troon niet begeren — zullen zij de uwen zijn naar uw woord; want terwijl zij zagen en hoorden, hebt u hen verleid. 23 En hun verderf bedroeft Mij niet, wanneer zij tot u komen, nadat zij Mijn gebod en het woord van Mijn schriften verlaten hebben; en als u hen verleid hebt, zullen zij met u geoordeeld worden tot het oordeel. 24 En er zal voor u geen ontkoming zijn tot in alle eeuwigheid; en zij die door u afgedwaald zijn, zullen in het oordeel van de verdoemenis zijn, maar u zult in het vuur gepijnigd worden tot in alle eeuwigheid. ### 3 Meqabyan 2 1 Maar hen die u niet hebt kunnen overwinnen, zoals Mijn knecht Job, hen zal Ik uw troon in heerlijkheid doen beërven; aan hen die u niet hebt kunnen verleiden, zal Ik het koninkrijk van de hemelen tot loon geven, zegt God, die over alles heerst. 2 En ik, ik maak hen allen listig, de kinderen van Adam, en laat hen niet staan in goede werken — of u hen al zou kunnen verleiden — want ik maak allen listig, de kinderen van Adam, en maak hun de begeerte van de wereld aangenaam: 3 hetzij door de begeerte naar spijzen, en door de begeerte naar drank, en de liefde tot het oppotten; of door de liefde tot praten en tot geven en nemen; 4 of door de liefde tot het staren, en door de liefde tot het horen, en de liefde tot rondgaan en betasten; of door het vermenigvuldigen van woorden in hoogmoed, en de liefde tot slaap en droom; 5 of door het vermeerderen van drank en dronkenschap; of door het aanzien van de schone vrouwen van deze wereld en de geur van reukwerken — daardoor leidt hij hen af. 6 of door hun naaste te belasteren in haat; of door het aanzien van de schone vrouwen van deze wereld en de geur van reukwerken leidt hij hen af. 7 En door dit alles treed ik hen tegemoet, zodat zij niet behouden kunnen worden, en ik wend hen af van de weg van God, opdat zij met mij ingaan in het verderf, om wie ik van mijn troon verdreven ben. 8 En de profeet zei: U verderf en verderver, verheft u zich zo boven het schepsel van God, terwijl u het gebod van God overtreden hebt in uw hoogmoed en in de hardheid van uw hart en in het tergen van uw Schepper en in het niet prijzen van uw God? 9 En toen uw Schepper op u vertoornd was, verwierp Hij u vanwege de boosheid van uw werken; en waarom sleept u de arme mee, die zijn God geschapen heeft uit stof en as en gemaakt heeft naar Zijn wil en gesteld heeft tot Zijn heerlijkheid? 10 Terwijl u, een geestelijk wezen, u verheven hebt, op het woord van God die u geschapen heeft uit de vlam van vuur en wind. 11 En terwijl u zich beroemt, aanzag God de boosheid van uw werken en schiep het lemen wezen in uw plaats, opdat het Zijn naam zonder ophouden zou prijzen, omdat u met uw demonen het gebod van God overtreden hebt. 12 En Adam met zijn kinderen, opdat zij de naam van God zouden prijzen in plaats van uw lofzang, samen met uw legerscharen die God verworpen heeft vanwege uw hoogmoed; want u hebt uzelf verheven boven al de engelen, boven hen die aan u gelijk waren, de legerscharen van de engelen. 13 En daarom heeft God u weggerukt van al de aartsengelen die aan u gelijk waren, en ook uw legerscharen die met u geschapen waren in beraad. U bent afgedwaald van de lofprijzing van God vanwege de hardheid van uw harten en de hoogmoed van uw gedachten die geen nut heeft, en u hebt uzelf verheven tegen Hem die u geschapen heeft, en niet tegen een ander. 14 En daarom, opdat Hij door de nederigen geprezen zou worden, schiep Hij Adam uit het stof van de aarde en gaf hem een wet en een gebod, dat hij niet zou eten van de vrucht van de boom. 15 En Hij stelde hem over alles wat Hij geschapen had en onderwees hem, zeggende: Eet van elke boom die in de hof is, maar van één boom, de doorn des doods, daarvan zult u niet eten, opdat u de dood niet over uzelf brengt. 16 En toen u dit woord hoordet, spuwde u venijn uit uw mond op Eva, het been van Adams rib. 17 En u hebt het reine schaap met boze list verstrikt, om het aan u gelijk te maken, tot een overtreder van het gebod. 18 En toen u Eva verleidde, die geschapen was als een zachtmoedige duif, die uw wegen niet kende, verleidde u haar door uw verdraaide woord en door uw bedrieglijke taal; en nadat u dat eerste schepsel verleid had, ging zij op haar beurt en verleidde het schepsel van God, de eerste mens, die geschapen was uit stof. 19 En door uw hoogmoed hebt u hem opgehitst tot dat wat geen bestand had, tot verwarring, en u hebt hem doen opstaan tegen het woord van zijn Schepper, en door uw hoogmoed hebt u de arme in vuur gezet. 20 En door uw boosheid hebt u hem verre verwijderd van de liefde van zijn God, en door uw list hebt u hem uitgeworpen uit de hof van de vreugde, en door uw struikelblok hebt u hem doen ophouden te eten van de hof. 21 En door uw leugen hebt u hem beroofd van het drinken uit de hof; want u hebt van den beginne de zachtmoedige creatuur weerstaan, om hem neder te doen dalen in uw dood, het dodenrijk, en om hem uit te werpen uit de liefde van zijn God, die hem uit het niet-zijn gebracht heeft in het ware bestaan. 22 Terwijl Hij hem, hoewel aards, geestelijk en redelijk gemaakt heeft, een die zijn God prijst en lofzingt met zijn ziel en met zijn lichaam en met zijn gedachten. 23 En Hij schiep voor hem... ### 3 Meqabyan 3 1 Maar aan u... 2 En aan Adam... wordt gegeven... 3 En opnieuw, in hen zijn onrustige gedachten, gelijk de golven van de zee, en gelijk een wervelwind die stof opneemt van de aarde, en gelijk een golf van de zee die de wind slaat, en gelijk de druppels van de regen die niet te tellen zijn — zo zijn de gedachten van Adam, vanwege de menigte van de gedachten in zijn hart, die niet te tellen zijn. 4 Maar u hebt één gedachte en geen andere, want u bent niet van vlees. 5 Maar u, u hebt hem verdorven die... 6 En zij kwam en verleidde het eerste schepsel van God door het eten van de boom, en zij bracht de dood over zichzelf en over haar kinderen, omdat zij het gebod van haar Schepper overtreden had. 7 En door het rechtvaardig oordeel van God gingen zij uit de hof; en Hij verwijderde hen niet ver door hen in vijandschap uit de hof te verstoten, maar Hij troostte hen op de aarde waarheen Hij hen verbannen had, door hun kinderen en door de vrucht van hun schoot en door de vrucht van hun land. 8 En toen u hen uit afgunst uit de hof verdreven had, gaf God hun van de bomen van de hof groene loten om te planten, opdat zij vertroost zouden worden door de vrucht van de hof en door de vrucht van het land, dat God hun gegeven had. 9 opdat zij vertroost zouden worden en hun hart bovenmate zouden vernieuwen, door het aanzien van kinderen en door het aanzien van een hof en door de vrucht van het land, dat de aarde uit de as deed uitspruiten; en wanneer zij daarvan eten, worden zij bovenmate vertroost van de verdriet waarmee u hen uit de hof verdreven had. 10 En zij worden in hun harten vertroost aangaande kinderen en de vrucht van het land, want God weet Zijn schepsel te vertroosten. 11 En Hij vernieuwt hun hart met koren en met water, want zij waren verbannenen geworden in dit land van doorn en distel. ### 3 Meqabyan 4 1 En de Heere van Adam was bereid om hem te verlossen, en u te beschamen, en het schaap te ontrukken aan de hand van de wolf. 2 Maar toch doet u hen die u onderworpen hebt opstaan, en sleept hen met u in het verderf. 3 Maar zij die de wet van de Heere hun God gehouden hebben, verheugen zich met hun Schepper, zij die God verborgen heeft voor uw boze werk, opdat Hij hen tot Zijn erfdeel zou maken en opdat zij Hem zouden prijzen met Zijn heilige engelen, die de wet van hun God niet overtreden hebben, zoals u. 4 Maar wat u betreft, in uw hoogmoed heeft de Allerhoogste God u de troon ontnomen, die Hij u boven allen die aan u gelijk waren gegeven had, opdat u Hem zou prijzen met Zijn engelen. 5 Maar u hebt geweigerd en bent genoemd — zij werden demonen genoemd. Maar zij die God liefhebben, worden voor Hem een volk gelijk de heilige engelen, en zonder ophouden breiden zij hun vleugels uit, de cherubim en de serafim die Hem prijzen. 6 En zij die God liefhebben, worden voor Hem een volk gelijk de heilige engelen, en zonder ophouden breiden zij hun vleugels uit, de cherubim en de serafim die Hem prijzen. 7 Maar u, door uw traagheid en door uw hoogmoed, hebt uw heerlijkheid verdorven, die Hij u geboden had, dat u Hem te allen tijde zou prijzen met uw geslacht en heel uw gezelschap, dat met u tezamen geschapen was. 8 En toen u de lofprijzing bezoedeld hebt van Hem die u geschapen heeft, terwijl het u toescheen dat Hij niet in staat was iemand als u te maken — opdat de lofprijzing van God die u geschapen heeft niet zou worden afgesneden, schiep Hij een tiende geslacht, toen u afgescheiden werd van het gezelschap van uw broederen, opdat de lofprijzing van God, die u geschapen heeft, niet zou ophouden. 9 Maar u, in de hoogmoed van uw hart, werd traag in de lofprijzing van Hem die u geschapen heeft; en Hij werd toornig op u en bespotte u en bond u in de siddering van de hel met uw demonen. 10 En Hij nam klei van de aarde in Zijn heilige handen, en Hij mengde water en vuur en wind, en Hij schiep Adam naar Zijn eigen beeld en gelijkenis. 11 En Hij stelde hem over al het werk van Zijn handen, opdat hij met zijn lofprijzing de leemte van uw plaats zou vervullen; en de lofprijzing van de aardse werd samengevoegd met de lofprijzing van de hemelse wezens, en hun lofprijzing werd gelijk. 12 Maar u, door uw hoogmoed en door de hardnekkigheid van uw nek, werd verdreven en hebt uzelf verdorven, weg van de lofprijzing van God, die u geschapen heeft. 13 Weet, dat Zijn heerlijkheid niet verminderd is; want Hij maakte iemand die Hem prijst, naar de raad van Zijn wil, opdat de heerlijkheid van God niet zou verminderen. 14 Want Hij weet alles voordat het gebeurt; en het behaagde Hem reeds voordat Hij u schiep, dat Zijn gebod overtreden zou worden; en toen u Adam deed afvallen, had Hij hem gemaakt naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis; want van voor de wereld was een verborgen raad bij Hem. 15 Zoals Salomo zei: Vóór de heuvelen heeft Hij mij gebaard, en vóór de wereld bevestigd werd heeft Hij mij geschapen, en vóór Hij de grondvesten van de aarde gegrond had. 16 En vóór Hij de plaats van de bergen en heuvelen vaststelde, en voordat de wegen van de wereld bevestigd werden, en voordat het licht van de zon en de maan scheen, en voordat de omloop van de sterren en de tijden er was. 17 En voordat nacht en dag gescheiden werden, en voordat de grenzen van de zee er waren, en voordat alles wat geworden is, geworden was. 18 En voordat verscheen wat nu verschijnt, en voordat iedere naam die nu genoemd wordt, genoemd werd: noch u, noch zij die aan u gelijk zijn, bestondt in de gedachte van God; maar Adam, Zijn knecht, wel. 19 Toen u afviel, opdat Zijn heilige naam geprezen zou worden; en toen u zich verhieft, schiep Hij Adam, Zijn knecht, opdat Hij geprezen zou worden door Zijn nederig schepsel, dat Hij uit stof geschapen heeft. 20 Want God hoort het gebed van de armen van verre, en de lofprijzing van de nederigen heeft God lief. 21 En de woorden van de hoogmoedigen veracht God; want Hij begeert de kracht van een paard niet, en heeft geen behagen in de benen van een man; God heeft behagen in hen die Hem vrezen. 22 En zij huilen en jammeren vanwege hun zonden die zij begaan hebben. 23 Maar u hebt u niet kunnen neerbuigen in boetvaardigheid. 24 Maar hij, die stof is, keerde weer in boetvaardigheid, huilend en klagende vanwege zijn zonde voor het aangezicht van God, zijn Schepper. 25 Maar u, door de hoogmoed van uw hart en door de hardnekkigheid van uw nek, hebt de weg van de vrede niet gekend, noch die van de boetvaardigheid, en u hebt u niet kunnen verootmoedigen voor het aangezicht van God, uw Schepper, in boetvaardigheid en in geween en in tranen. 26 Maar hij, die stof en as en arm is, keerde weer in geween en in tranen tot boetvaardigheid en de weg van de vrede en ootmoed. 27 Maar u hebt uzelf niet vernederd, noch heeft uw hart zich verootmoedigd voor Hem die u geschapen heeft. 28 Maar hij, zichzelf vernederende, boog zich neder in dat wat hij misdreven had, en verhief zich niet. 29 En ook die dwaling — het is niet Hij die haar geschapen heeft, maar zij kwam van u; want u hebt haar geschapen en de opstandigheid doen uitspruiten, en u hebt hem met u meegesleept in uw eigen verderf, door uw hoogmoed. 30 Weet: Hij Zelf weet dat het gekomen is door de hoogmoed van uw hart; want voordat Hij u beiden schiep, kende Hij u en kende Hij uw wegen. 31 Maar hem, die geen listigheid van hoogmoed had, bracht Hij weer in boetvaardigheid en in geween en in tranen. 32 Maar u, door de hoogmoed van uw hart, hebt u niet kunnen neerbuigen in boetvaardigheid; want wie zondigt en hoogmoedig blijft, diens hoogmoed is bozer dan zijn eerdere overtreding; maar wie zondigt en zich verootmoedigt en weent voor het aangezicht van God, zijn Schepper — 33 hij is het die werkelijk berouw heeft en de weg van zijn behoudenis gevonden heeft, zodat hij het hart van zijn Heere verzacht; en hij verootmoedigde zich voor zijn Meester, en zijn Heere ziet af van de vroegere kastijding, in plaats van toornig te zijn op Zijn knecht, omdat deze zich voor Hem verootmoedigd heeft met veel boetvaardigheid en nederbuiging; en zijn eerste overtreding vergeeft Hij hem. 34 En als hij niet wederkeert tot zijn eerste zonde — en dit is zijn volmaakte boetvaardigheid, als hij dit doet; en Adam veronachtzaamde de gedachte van zijn God niet, maar verootmoedigde zich in boetvaardigheid tot Hem die hem geschapen heeft. 35 En u ook, verootmoedig u tot Hem en heb berouw tot Hem die u geschapen heeft, en houd de zonde niet aan tegen Hem en tegen het werk van Zijn handen; want hun Heere die hen geschapen heeft, kent hun zwakheid, want zij zijn van vlees en bloed. 36 En ook hun ziel, wanneer zij uitgegaan is, hun vlees wordt as, tot op de dag waarop Hij het wil. ### 3 Meqabyan 5 1 Ken Hem die u geschapen heeft, en vergeet Hem niet die u gesterkt heeft en u verlost heeft, de Heilige van Israël; want terwijl u stof bent, heeft Hij u gemaakt naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, en Hij heeft u gesteld in de hof, opdat u zich zou verheugen en het land zou bebouwen. 2 En toen u Zijn gebod overtraadt, dreef Hij u vandaar uit in dit dorre land, een land van doorn en distel, dat Hij om uwentwil vervloekt heeft. 3 Want u bent aarde en zij is aarde, en u bent as en zij is as, en u bent stof en zij is stof; en u voedt u daaruit en keert daartoe weer en wordt as, tot op de dag waarop Hij het wil, om u op te wekken en u te onderzoeken over alle overtreding en zonde die u begaan hebt. 4 Te dien tijde, weet wat u zult antwoorden, en gedenk hier wat u gedaan hebt, kwaad en goed, en weeg en overleg of het kwaad meer is dan wel het goede meer is. 5 En als u het goede vermeerderd hebt, dan is het goed voor u, opdat u zich verheugt en verblijdt in de opstanding van de doden. 6 En als u het kwaad vermeerderd hebt, wee u; want u zult vergolden worden naar het werk van uw handen en naar de boosheid van uw gedachten en naar de mate waarin u uw broeder verdrukt en naar de mate waarin u God niet vreest — u zult vergolden worden naar uw daden. 7 En naar de mate waarin u uw naaste belastert en vals zweert bij de naam van God, zult u vergolden worden naar uw daden. 8 Want u maakt van uw woord een leugen, opdat het geloofd worde door uw naaste te misleiden, terwijl u zelf weet dat u leugen spreekt. 9 En tegenover hen die met u staan, doet u het voorkomen alsof uw woord waarheid is, terwijl u hen verzekert en veel woorden maakt over wat niet betrouwbaar is; en u zult vergolden worden naar uw daden, en naar de mate waarin u zegt: Ik zal u geven, tot hem wie u niets geeft, uw naaste, en die u belastert, uw medemens. 10 En wanneer u met een rein hart zegt: Ik zal geven, dan liggen de demonen op u te wachten als honden en doen u alles vergeten; ook al hebt u ontvangen en begeerd te geven, zij doen u de goederen van de wereld begeren, zodat u oppot voor wat u niet baat en voor wat u niet eet; want Hij heeft gezegd: Zij hopen op, en zij weten niet voor wie zij vergaderen. 11 En opnieuw heeft Hij gezegd: De mensenkinderen zijn leugenaars, zij vervalsen de weegschaal, en zij zelf gaan slechts van ijdelheid tot ijdelheid. 12 O mensen, kleeft het onrecht niet aan, door de weegschaal te vervalsen en de maat te vervalsen, en door de goederen van een ander te ontvreemden en die in onrecht bij uw eigen goederen te voegen, en door u aan de goederen van uw naaste te vergrijpen, en al datgene waarmee u uzelf verrijkt en niet uw naaste. 13 En als u ook dit doet, zult u vergolden worden naar uw daden. 14 O mensen, vertrouwt niet op roof, maar voedt u door wat rechtvaardig is, door het werk van uw handen, en begeert de arbeid van een ander niet, om te eten door roof en afpersing, zonder recht en gerechtigheid. 15 En dat wat u niet verzadigt wanneer u eet, en dat wat u niet baat wanneer u oppot, maar u laat het aan een ander na wanneer u sterft. 16 En ook uw rijkdom, als die overvloedig is, verheft uw hart daarop niet; beter is weinig in gerechtigheid dan de grote rijkdom van de zondaren; want de rijkdom van de zondaren is als rook die uitgaat uit de mond van een oven, en de wind neemt hem weg. ### 3 Meqabyan 6 1 En gedenk de dag van uw dood, en overweeg die dag die tot u komen zal, wanneer uw ziel uit uw lichaam uitgaat, en wanneer u uw rijkdom aan een ander nalaat en een weg gaat die u niet kent. 2 En zij die u zullen ontvangen, zij zijn wreed en gruwelijk in hun aanblik en vreeswekkend in hun ontzagwekkendheid; en zij horen uw stem niet, en u hoort hun stem niet. 3 En ook wanneer u tot hen smeekt, antwoorden zij u niet, omdat u de wil van God, uw God, niet gedaan hebt; en daarom jagen zij u grote vrees aan. 4 Maar zij die de wil van God gedaan hebben, hebben geen vrees, want dezen worden door hen ontzien; maar met de ziel van de zondaren drijven de boze geesten de spot. 5 En de zielen van de rechtvaardigen verheugen zich bij het gejubel van de engelen, want die verblijden hen zeer, omdat zij deze wereld veracht hebben; maar de zielen van de zondaren, die ontvangen de wrede engelen. 6 En de zielen van de rechtvaardigen en van de goeden, die ontvangen de engelen van de barmhartigheid, want zij worden van God uitgezonden om de zielen van de rechtvaardigen te vertroosten; maar wat de zielen van de zondaren betreft: van de duivel worden de wrede engelen uitgezonden, om met de zielen van de zondaren de spot te drijven. 7 Wee u, zondaren! Weent over uzelf, voordat de dag van uw dood u bereikt; want na uw dood keert uw voorbijgegane tijd niet weer. 8 Maar voordat uw dagen voorbijgaan, bekeert u nu u nog in leven bent, opdat u zonder krankheid en smart zult zijn wanneer u met vreugde voor God komt. 9 En laat op u geen boze smet zijn, noch onmatigheid, noch de liefde tot wellust en spijzen, opdat het u niet trekke in ijdele begeerte die van God verwijdert; want een ziel die mateloos verzadigd is, gedenkt de naam van God niet, en de geest des levens woont niet op haar, maar de geest van de duivel woont op haar. 10 Gelijk Mozes gezegd heeft: Jakob at en werd verzadigd, en werd vet en dik en zwaar, en hij verliet God, zijn Schepper. 11 En zijn leven werd ver van God; want de mateloze volheid van de buik maakt hem als het hinniken van een paard en als de zwijnen van het veld — eten en drinken zonder maat, en hoererij. 12 Maar wie zijn buik niet overmatig vult, die staat vast op het fundament van God, en is als een muur van diamant, en als een sterke wal die een omheining heeft; want Hij heeft gezegd: De goddeloze vlucht, terwijl niemand hem vervolgt. 13 Maar de rechtvaardige is als een leeuw vol vertrouwen. 14 En zij die God niet liefhebben, houden ook Zijn woord niet, en hun hart is niet oprecht. 15 En God geeft hun ontsteltenis en verdriet terwijl zij op de aarde zijn, zodat zij niet rusten: met vrees en met beving, en met het roven van hun goederen, en met vele benauwdheden zonder getal, en met ketenen aan hun handen door de hand van hun heersers. 16 En met allerlei ziekten die hen verschrikken, zodat zij geen rust hebben, en hun leven niet in vrede is. ### 3 Meqabyan 7 1 Maar zij die op God vertrouwen, hebben geen ontsteltenis noch vrees; zoals David gezegd heeft: Op God heb ik vertrouwd, ik zal niet vrezen; wat zou een mensenkind mij doen? 2 En opnieuw heeft hij gezegd: In de beproeving door de verdrukkers heb ik op Hem vertrouwd; één ding heb ik van God begeerd, en dat zal ik zoeken; en wie op Hem vertrouwt, die zal in eeuwigheid leven en zal niet vrezen voor een kwaad gerucht. 3 Wie heeft op God vertrouwd en werd beschaamd? En wie heeft Hem aangeroepen en werd door Hem veronachtzaamd? 4 En wie heeft op Hem gehoopt en werd beschaamd? Want Hij heeft gezegd: Wie Mij liefheeft, die zal Ik liefhebben, en wie Mij eert, die zal Ik eren, en wie zich tot Mij wendt, over die zal Ik Mij ontfermen. 5 Redt de ziel van de verdrukte, en bevrijdt hen, opdat God u redde van al wie zich ten kwade tegen u stelt; en uw nakomelingschap na u zal Hij redden. Want het geslacht van de rechtvaardigen wordt gezegend, en zij lijden geen gebrek aan brood, maar zij hebben over en geven. ### 3 Meqabyan 8 1 Job vertrouwde op God, en Hij redde hem uit al zijn benauwdheid die de duivel, de vijand van het mensenkind, over hem gebracht had; want zonder aarzeling zegende hij God, zijn God, en hij bedroefde zijn hart niet over de benauwdheid die hem overkomen was, gelijk hij zei: God heeft gegeven en God heeft genomen; en het gebeurde naar de wil van God; en in alles zij de naam van God gezegend, in hemel en op aarde. 2 En toen God zag dat het hart van Job rein was, ontving God hem met grote heerlijkheid. 3 En Hij gaf hem rijkdom die groter was dan zijn vroegere rijkdom, en genas hem van zijn zweren, om zijn volharding in alles wat hem overkomen was; want hij was bovenmate geduldig. 4 En evenzo u: als u geduldig bent onder de verdrukkingen die over u gezonden worden, zult u zalig zijn. 5 Wees dan geduldig, en laat uw hart niet verslappen door de benauwdheid die over u komt, opdat God u een toevlucht zij tegen hen die zich tegen u stellen, en over uw kinderen, en over uw kleinkinderen na u. 6 Vertrouwt op Hem, en Hij zal u een toevlucht zijn; roept Hem aan, en Hij zal u een verhoorder zijn; hoopt op Hem, en Hij zal u een ontfermer zijn; bidt Hem, en Hij zal u een vader zijn. 7 Gedenkt Esther en Mordechai, en Judith, en Gideon, en Barak, en Debora, en Simson, en Jefta. 8 En ook anderen die zoals zij vast op God vertrouwd hebben, en hun vijanden hebben hen niet overweldigd. 9 Hun die kwaad tegen hen wilden doen, vergeldt Hij het kwaad; want God is rechtvaardig en ziet de persoon niet aan. Voor allen die Hem vrezen en gerechtigheid doen, bewaart Hij hun zielen en geeft hun eer en genade. 10 En Hij verblijdt hen in hun ingaan en in hun uitgaan, in hun dood en in hun leven, en in hun verblijf en in hun opstanding; want Hij maakt levend en Hij doodt. 11 En Hij slaat en Hij ontfermt Zich. 12 En Hij maakt arm en Hij verzadigt; en Hij vernedert en Hij verhoogt. ### 3 Meqabyan 9 1 Of het nu wat in de hemel is, of wat op de aarde is, of wat geestelijk is, of wat vleselijk is — alles is van Hem, en alles bestaat naar Zijn ordening. 2 En er is niets dat Zijn grens overschrijdt of het gebod van de Schepper van alles: het spoor van de arend in de hemel — Hij bestuurt zijn baan waarheen Hij wil. 3 En de weg van de slang op de rots — Hij bestuurt die waarheen Hij wil; en de weg van een schip in de zee — niemand kent zijn spoor dan God alleen. 4 En wie kent de weg van een ziel wanneer zij uit haar lichaam is uitgegaan, dan God alleen — of het nu de ziel van een rechtvaardige is of de ziel van een zondaar? 5 En waarheen zij zich ook begeeft — hetzij naar de woestijn, hetzij naar de bergen, hetzij als een vogel, hetzij als de dauw van Hermon die neerdaalt op de hellingen van de berg; 6 Hetzij als een stormwind, hetzij als de bliksem die zijn banen recht maakt; 7 Hetzij als de sterren die opgaan boven de diepte, hetzij als het zand aan de oever van de zee dat in de diepte verzinkt; 8 Hetzij als de diamantsteen, verzonken in de diepte van de zee, hetzij als een boom die geplant is aan de waterbeek en zijn goede vrucht geeft; 9 Hetzij als de boom bij de zee, die de gloed van de zon verdroogt, en de wind neemt hem op en voert hem naar een andere plaats, naar een oord waar hij niet opgroeit en waar zijn spoor niet gevonden wordt. 10 En gelijk het wegdrijven van een wolk, waarvan het spoor niet gevonden wordt — wie kent de weg van God, en wie is Zijn raadsman, en met wie heeft Hij beraadslaagd? 11 En wie kan Zijn spoor volgen? Want de gedachte van God is verborgen voor het mensenkind. 12 En niemand kan de wijsheid en de raad van God doorgronden; want Hij heeft de aarde gegrondvest op het water en haar opgericht zonder steunsel, en door de kunst van Zijn wijsheid heeft Hij de hemel op de wind bevestigd en hem uitgespannen als een tentdoek boven de wateren daarboven. 13 En Hij gebood de wolken de regen te doen neerdalen op de aarde, en gras en vruchten zonder getal te doen opschieten tot voedsel van het mensenkind, opdat wij ons tezamen verheugen in God. 14 En alle zegeningen en overvloed en verzadiging die God den mensenkinderen mild schenkt, opdat zij verzadigd worden en God danken, die hun gegeven heeft van de vrucht van de aarde. 15 En Hij bekleedt hen met een schoon gewaad, en met alles wat begeerd wordt — zegeningen en genot en overvloed — dat gegeven is aan hen die de wil van God gedaan hebben. 16 En ook in de hemelen geeft Hij hun eer en genade en vreugde, waar Hij de woning van hun vaderen bereid heeft, voor hen die Zijn gebod bewaren, het gebod van God. 17 En zij wandelden naar Zijn oordeel en naar Zijn recht, en zij weken niet af van het gebod van Hem die hen bewaard heeft en hen gevoed heeft en hen grootgemaakt en verhoogd heeft, opdat zij Zijn wet zouden bewaren en Zijn inzetting zoeken. En ik heb op de aarde gezien wat God doet voor hen die Hem liefhebben, door hun vijanden te verzwakken en hun zielen te bewaren. 18 En alles waarom zij Hem bidden, geeft Hij hun, en Hij doet hun wil. Wijkt niet af van het gebod van God, en doet de wil van God. 19 En verwijdert u niet van Zijn wet en van Zijn gebod, opdat Hij niet over u toorne, en u niet in een ogenblik verdelge, en u niet sla in Zijn toorn, opdat u niet uitgeworpen wordt uit wat u tevoren bewoond hebt, het erfdeel van uw vaderen, en opdat uw woning niet zij in het vuur van de hel, waar u geen ontkoming hebt tot in eeuwigheid. 20 En voordat uw ziel uit uw lichaam uitgaat, bewaart de wil van God, uw God, opdat Hij uw werken goedmake wanneer u voor God staan zult. 21 Want het koninkrijk van de hemelen en van de aarde is van Hem alleen, en de macht en het koningschap is van Hem, en het ontfermen en het gebieden is van Hem alleen. 22 Want Hij maakt rijk en Hij maakt arm; Hij vernedert en Hij verhoogt. 23 En ook David heeft van Hem geprofeteerd, zeggende: De mens, hij is als een ademtocht, en zijn dagen gaan voorbij als een schaduw. 24 Maar U, o Heere, blijft tot in eeuwigheid, en Uw herinnering is van geslacht tot geslacht. 25 En opnieuw heeft hij gezegd: Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is van geslacht tot geslacht. U hebt het koninkrijk van Saul genomen en het aan David gegeven. 26 En U, niemand heeft U aangesteld, en niemand kan U aanschouwen, en U Zelf ziet alles. 27 En Uw koninkrijk zal niet vergaan, van geslacht tot geslacht en tot in alle eeuwigheid; en niemand oordeelt Hem, maar Hij oordeelt alles en ziet alles. 28 En Hij beproeft hart en nieren; want Hijzelf is het die de mens gemaakt heeft naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis, opdat hij tot Zijn heerlijkheid zij, en opdat zij Zijn aanbidding zouden kennen, zonder twijfel, met een oprecht hart, en geen aanbidders zouden zijn van vreemde goden, dan van God alleen, die hen geschapen heeft en hen gevoed en grootgemaakt en verhoogd heeft. 29 Maar zij weigerden Hem te aanbidden die hen geschapen heeft, en zij buigen zich neder voor hout en voor steen, voor goud en voor zilver, het werk van mensenhanden. 30 En zij offeren aan hen, totdat de rook van hun offer opstijgt tot aan de hemel, zodat het als een getuigenis voor God staat, en Hij hun vergeldt wegens al hun zonde die zij gedaan hebben in de aanbidding van hun afgoden. 31 En zij bewaarden het gebod van God, dat zij geleerd hadden, niet, maar zij leerden zich buigen voor de afgod, en alle onreine werken die niet passen, en de wichelarij met sterren, en toverij, en afgoderij, en boze begeerte, en al wat God niet behaagt. 32 Dit doen zij dan bij gebrek aan het goede, want zij wilden God niet loven, om hun ziel te redden van onrecht en zonde, door zich welbehaaglijk te maken voor God en Zijn engelen. 33 En hun ziel staat naakt; en ten dage dat zij allen tezamen opstaan uit het stof waarin zij nedergelegen hebben, en hun beenderen verbrijzeld waren, dan gaat de ziel van de goeden wonen in de huizen van het licht. 34 Maar wat de zondaren betreft: in de duisternis. En wanneer de graven geopend worden, staan de lichamen op, en de zielen keren weer in de lichamen, vandaar waar zij tevoren uitgegaan waren. 35 En zij staan naakt voor God, gelijk zij geboren zijn, en hun werken worden geopenbaard, van hun jeugd af tot op dat ogenblik dat zij bedreven hebben. 36 En zij dragen hun zonden op hun schouders, en zij worden vergolden naar hun werken die zij gedaan hebben, hetzij klein hetzij groot. ### 3 Meqabyan 10 1 Hoor, als u de opstanding van de doden niet gelooft: hoeveel te meer zullen de zielen opstaan, die zonder opnieuw geboren te worden in de regentijd herleven! Want de Geest van God rust op hen, zoals Hij tevoren de levensadem geblazen heeft. 2 En Hij gebiedt hun eerst door Zijn woord dat zij sterven. 3 En zij staan op naar Zijn wil, terwijl hun lichaam vergaat en het voor de tweede keer beter wordt. 4 En opnieuw, wanneer de regen neerdaalt en de aarde drenkt, herleven zij en gaan voort, gelijk zij van den beginne geordend zijn. 5 Want Hij heeft gezegd: En daar was al wat een levende ziel heeft, dat zich beweegt op de aarde, en elke levende ziel die het water voortbrengt; want de Geest van God zweefde boven de wateren, en door Zijn Geest en door Zijn kracht wordt hun de geest des levens gegeven. 6 Zie, o u die blind van hart bent, die zegt: De doden staan niet op; want door Zijn Geest en door Zijn woord ontstaan zij, zonder moeder en vader. Als u verstand en wijsheid hebt, hoe zegt u dan: De doden staan niet op door het woord van God, hun Schepper? 7 Maar u, bekeer u en keer weer tot uw geloof; want door het woord van God herleven de doden, die tot as en stof geworden zijn in de aarde. 8 En zij staan op door de dauw van Zijn barmhartigheid, die van God komt, gelijk Zijn woord van den beginne gesproken heeft; en dat woord omvat alles, en het wekt de doden op, zoals Hij wil. 9 Weet dat u zult opstaan en voor Hem staan, en laat het u niet toeschijnen, naar uw gedachte, dat u in het graf achterblijven zult. 10 En niet zó zult u blijven, maar u zult opstaan en vergolden worden naar de mate van wat u op de aarde gedaan hebt, hetzij goed hetzij kwaad; want het is de dag van de vergelding. 11 Ten dage van de opstanding zult u vergolden worden voor al de zonden die u gedaan hebt, en u zult het boek van uw schuld te lezen krijgen, dat geschreven is van uw jeugd af tot op dat ogenblik; en u zult geen verontschuldiging hebben zoals bij het werk van deze wereld, waar u zich met uw zonde placht te verontschuldigen om de zonde te loochenen. 12 En u stelt uw leugenwoord voor uzelf op als waarheid, en u maakt die leugen die u gesproken hebt tot waarheid. 13 En daar zal geen uitvlucht zijn; want de Geest van God getuigt tegen u, omdat die alle boze werken kent die u gedaan hebt, en het openbaart u voor God, haar Schepper. 14 En daar zult u beschaamd worden over de zonde die u gedaan hebt; en voordat die dag komt, haast u om hier boetvaardigheid te doen, opdat u niet beschaamd wordt voor de engelen en de mensen op de dag des oordeels, maar opdat u geprezen wordt met hen die geprezen worden om de schoonheid van hun werken. 15 En zij ontvangen hun loon bij Hem die hen geschapen heeft, zonder beschaamd te worden, met de engelen die God loven, en zij verheugen zich. Maar als u geen goed gedaan hebt in uw leven, terwijl u in uw lichaam was, hebt u geen deel met de rechtvaardigen. 16 En de boetvaardigheid zal u dan niet baten; want u bent Mij schuldig geworden, terwijl u kennis had van kopen en verkopen, en terwijl u goederen had, hebt u de hongerige niet gevoed. 17 En terwijl u kleding had, hebt u de naakte niet gekleed; en terwijl u macht had, hebt u de verdrukte geen recht verschaft. 18 En terwijl u kennis had, hebt u de zondaar geen inzicht gegeven, opdat hij zich zou bekeren en berouw hebben, en God hem zijn zonde zou vergeven, die u uit onwetendheid tevoren begaan had; en terwijl u kracht had, hebt u niet gestreden tegen hen die u bevechten, opdat u zou kunnen overwinnen. 19 En terwijl u sterkte had, hebt u niet gevast noch gebeden, om de kracht van uw vleselijke jeugd te verzwakken en om uzelf te onderwerpen aan de gerechtigheid, en niet aan het toegeven aan het vlees dat van de wereld is. 20 En niet tot het genot dat van de wereld is, tot smakelijke spijzen en goede dranken, en niet tot fijne kleren en tot versiering van goud en zilver. 21 En met kostbare edelstenen en topaas en smaragd; en dit is niet wat de mens tot sieraad past. 22 Maar het sieraad voor de mens is reinheid en wijsheid en kennis, en onderlinge liefde in reinheid, zonder twist en zonder kwade hartstocht, zonder twijfel en haat, en dat u uw naaste liefhebt als uzelf. 23 En dat u geen kwaad vergeldt aan wie u kwaad gedaan heeft, opdat u zou ingaan in de woning die aan de lankmoedigen gegeven is, en opdat Hij u zou belonen met hen die het heilige land beërfd hebben door geduld en door kennis en verstand, en door de hoop op het koninkrijk van de hemelen ten dage van de opstanding. 24 En zegt niet: Wij zullen niet opstaan uit de doden. Want dezen die dit zeggen en denken — hen misleidt de valse hoop van de duivel, opdat zij niet behouden worden ten dage van de opstanding; en zij zullen het weten wanneer het hun overkomt, en zij zullen bedroefd worden en treuren over de onwetendheid van wat zij gedaan hebben, zodat het hun tot kwaad gerekend wordt ten dage van de opstanding, omdat zij niet geloofd hebben dat zij op die dag zullen opstaan. 25 En daarom worden zij berispt naar de boosheid van hun werken die zij op de aarde gedaan hebben, en zij zullen aanschouwen wat het is dat zij de lichamelijke opstanding tezamen geloochend hebben. 26 En op die dag zullen zij huilen, omdat zij hun weg niet goed gemaakt hebben; en als zij op de aarde geweend hadden, het ware hun beter geweest, als het hun mogelijk was geweest, opdat zij daar geen wenenden zouden zijn. 27 En als wij hier niet naar onze wil huilen, dan zullen zij ons daar tegen onze wil doen huilen; en als wij hier geen boetvaardigheid bereiden, dan bereiden wij ons daar geween en gejammer, waar het ons niet baat. 28 Bereidt dan het goede te doen, opdat u overgaat van de dood in het leven, en van deze vergankelijke aarde naar het hemelse dat daarboven is, en van deze woning die op de aarde is naar het licht dat in de hemelen is. 29 En het genot dat op de aarde is, hoe groot ook, is zonder blijvende maat; opdat daar de vreugde die niet vergaat vervuld worde, in het koninkrijk van de hemelen, met hen die de opstanding van de doden geloven, van nu aan en tot in alle eeuwigheid. Amen. ## 4 Baruch ### 4 Baruch 1 1 En het gebeurde, toen de koning van de Chaldeeën de kinderen van Israël gevangen wegvoerde, dat God tot Jeremia sprak en tot hem zei: Jeremia, Mijn uitverkorene, sta op en ga uit deze stad, u en Baruch, want Ik ben op het punt haar te verderven vanwege de menigte van de zonden van hen die in haar wonen. 2 Want ook uw gebed is als een vaste pilaar in het midden van de stad, en als een muur van diamant die haar omringt. 3 Staat dan op en gaat heen en trekt uit, eer de macht van de Chaldeeën komt en de stad omsingelt. 4 En Jeremia sprak, zeggende: Ik smeek U, mijn Heere, gebied uw dienaar, dat hij voor uw aangezicht spreke. 5 En de Heere zei tot hem: Spreek, Mijn uitverkorene Jeremia. 6 En Jeremia sprak en zei: O Heere, U Die alle dingen bevat, zoudt U deze uitverkoren stad overgeven in de hand van de Chaldeeën, opdat de koning met zijn volken zich beroeme en zegge: Ik heb de stad Gods overweldigd? 7 O Heere, maar als U het wilt, laat zij door uw hand verdorven worden. 8 En de Heere zei tot Jeremia: Omdat u Mijn uitverkorene zijt, sta op en trek uit, u en Baruch, want Ik ben op het punt haar te verderven om de zonden van hen die in haar wonen. 9 Noch de koning noch zijn macht zal in de stad kunnen binnengaan, als Ik niet eerst haar poorten geopend heb. 10 Nu dan, sta op en ga heen tot Baruch, en verkondig hem deze woorden. En als gijlieden opgestaan zijt, 11 wanneer het het zesde uur van de nacht geworden is, komt op de muur van de stad, en ik zal u tonen dat, als ik niet eerst de stad verderf, zij niet kunnen binnengaan. 12 En toen de Heere dit gezegd had, ging Hij weg van Jeremia. ### 4 Baruch 2 1 En Jeremia scheurde toen zijn kleren en wierp as op zijn hoofd, en trad binnen in het huis des heiligdoms. 2 En toen Baruch Jeremia zag, terwijl zijn hoofd vol was van stof en zijn kleren gescheurd, riep hij met luider stem, zeggende: Mijn vader Jeremia, wat is u gebeurd? Welke zonde heeft het volk bedreven? 3 Want telkens wanneer het volk zondigde, treurde Jeremia en wierp as op zijn hoofd, en bad voor het volk, totdat hun de overtreding van het volk vergeven werd. 4 En Baruch vroeg hem, zeggende: Mijn vader Jeremia, wat is u gebeurd en wat is het volk overkomen? 5 En Jeremia zei tot hem: Hoed u, dat wij onze kleren niet scheuren, maar laat ons eerder onze harten scheuren; en laat ons geen water putten voor de troggen, maar laat ons recht huilen, totdat wij ze met tranen vullen. Want van nu af zal Hij zich over dit volk niet ontfermen. 6 En Baruch zei: Mijn vader Jeremia, wat is u gebeurd? 7 Want God zal de stad overgeven in de hand van de koning van de Chaldeeën, want hij zal het volk als gevangene wegvoeren in ellende. 8 En toen Baruch dit alles hoorde, scheurde hij zijn kleren en zei: Mijn vader Jeremia, wie heeft u dit bekendgemaakt? 9 En Jeremia zei tot hem: Blijf bij mij tot aan het zesde uur van den nacht, opdat u weet dat dit woord waarachtig is. 10 En zij bleven beiden in het huis des heiligdoms, huilend. ### 4 Baruch 3 1 En toen het zesde uur van de nacht gekomen was, zoals de Heere tot Jeremia gezegd had, dat hij zou uitgaan met Baruch, kwamen zij op de muur van de stad, en zij bleven daar, wachtende. 2 En er kwam een geluid van een bazuin, en de engelen daalden neder uit de hemel, en in hun handen droegen zij brandende fakkels, en zij stonden op de muur van de stad. 3 En toen zagen Jeremia en Baruch het, en zij huilden, zeggende: Nu weten wij, dat het woord waarachtig is. 4 En Jeremia smeekte de engelen, zeggende: Ik smeek u, verderft de stad in geen geval, totdat ik den Heere iets vraag. 5 En de Heere sprak tot de engelen, zeggende: Verderft de stad niet, totdat Ik gesproken heb met Jeremia, Mijn uitverkorene. 6 En toen sprak Jeremia, zeggende: Ik smeek U, mijn Heere, gebied mij, dat ik met U spreke. En Hij zei tot hem: 7 Spreek, Jeremia, Mijn uitverkorene, wat u begeert. 8 En Jeremia zei tot Hem: Zie nu, mijn Heere, wij weten dat U de stad overgeeft in de hand van haar vijanden, en dat het volk van Babylon haar zal wegvoeren. En wat begeert U dat ik doe met het heilige gerei van onze dienst, dat wij in het verborgene bedienen? 9 En wat begeert U dat ik met hen doe? 10 En Hij zei tot hem: Neem ze, en geef ze over aan de aarde, en aan het huis des heiligdoms, zeggende: En u, o aarde, hoor de stem van uw Schepper, Die u geschapen heeft in de menigte van de wateren, Die u verzegeld heeft met een zegel; ontvang uw sieraad terug. 11 Bewaar het gerei van uw dienst, totdat de komst des Beminden aanbreekt. 12 En Jeremia sprak, en zei: Ik smeek U, mijn Heere, toon mij wat ik doen zal voor Abimelech, den Moor, die vele weldaden bewezen heeft aan het volk, en ook aan uw knecht Jeremia, meer dan alle mannen van de stad. 13 Want hij trok mij op uit den put des slijks; en ik begeer niet dat hij het verderf en de verwoesting van de stad ziet, opdat hij niet bedroefd worde. 14 En de Heere zei tot Jeremia: Zend hem naar den wijngaard van Agrippa, langs de weg van den berg, en Ik zal hem verbergen, totdat Ik het volk wederbreng in de stad. 15 En u, Jeremia, ga heen met het volk, totdat u komt in het land van Babylon, en blijf daar, hun profeterende, totdat Ik hen wederbreng in hun stad. 16 Maar laat Baruch daar achter in Jeruzalem, totdat Ik met hem spreke. En de Heere sprak dit alles tot Jeremia. 17 En de Heere voer op van Jeremia in de hemel. 18 En Jeremia en Baruch gingen in in het huis des heiligdoms, en al het gerei van hun dienst gaven zij over aan de aarde, zoals de Heere hun geboden had. 19 En meteen verzwolg de aarde het. 20 En zij zaten beiden neder, en zij huilden. 21 En des anderen daags, toen het morgen werd, zond Jeremia Abimelech, zeggende: Neem een mand, en ga heen langs de weg van den berg, naar den hof des wijngaards van Agrippa, en breng een weinig vijgen mee voor de kranken onder het volk; want de blijdschap des Heeren is op uw hoofd, en Zijn heerlijkheid. 22 En hij ook ging heen, gelijk hij hem geboden had. ### 4 Baruch 4 1 En toen het morgen werd, ziet, het leger van de Chaldeeën omsingelde de stad. 2 En de grote engel blies op de bazuin en zei: Gaat binnen, u leger van de Chaldeeën; want ziet, de poort is voor u geopend. 3 En meteen ging de koning binnen met zijn legermachten, en zij voerden al het volk gevangen weg. 4 En meteen nam Jeremia de sleutels van het huis des heiligdoms en ging buiten de stad, en wierp deze sleutels voor de zon, zeggende: Ik zeg u, o zon, neem de sleutels van het huis Gods en bewaar ze tot de dag waarop de Heere ze van u afeisen zal; want ons is het niet gegeven, naar onze geboorte, om ze te bewaren. 5 Want wij zijn bevonden, terwijl wij onze zonden bedekten, onwaardige bewaarders te zijn. 6 En terwijl Jeremia nog huilde over het volk, brachten zij hem naar buiten, terwijl zij hem voortsleepten en sleurden met het volk tot in Babylon. 7 En Baruch nam stof en wierp het op zijn hoofd, en zat neder en hief deze weeklacht aan, zeggende: Om welke oorzaak is Jeruzalem verwoest? Om de zonde van het geliefde volk, en zij is overgegeven in de hand van haar vijand, om onze zonden en die van het volk. 8 Opdat de goddelozen zich niet beroemen en zeggen: Wij hebben vermocht de stad Gods in te nemen door onze kracht; niet door uw sterkte hebt u haar vermocht, maar om onze zonden is zij aan u overgegeven. 9 Onze God zal Zich over ons ontfermen en ons teruggeven in onze stad; maar u zult geen leven hebben. 10 Zij zijn onze vaderen Abraham en Izak en Jakob, want zij zijn uit deze wereld heengegaan en hebben de verwoesting van deze stad niet gezien. 11 En na dit gezegd te hebben ging hij uit, huilend, en zei: Ik treur om u, o Jeruzalem. En hij ging uit de stad en woonde in een graf. 12 En hij verbleef in een graf, en de engelen kwamen tot hem en verkondigden hem aangaande alles. ### 4 Baruch 5 1 En Abimelech droeg de vijgen in de brandende hitte van de middag, van bij Jeremia; en hij vond een schaduwrijke boom en ging zitten en rustte in de schaduw, opdat hij een weinig zou uitrusten. 2 En hij liet zijn hoofd rusten op de mand met vijgen en sliep in, en hij sliep zesenzestig jaar; en hij ontwaakte niet uit zijn slaap. 3 En na deze dagen stond hij op en ontwaakte uit zijn slaap, en hij zei: Ik heb nog maar een weinig geslapen, want mijn hoofd is nog zwaar, en ik heb de slaap niet genoten. 4 En hij ontdekte deze mand met vijgen, en hij vond deze vijgen vers, en zij dropen van melk. 5 En hij wilde opnieuw slapen, want zijn hoofd was hem zwaar en hij had de rust van de slaap niet genoten; en hij zei: Ik vrees dat ik zal slapen en talmen, opdat mijn vader Jeremia mij niet zou berispen; want in haast heeft hij mij bij dageraad gezonden. 6 En nu zal ik opstaan en heengaan, want het is warm van de hitte, en er is nergens waar de warmte ophoudt. 7 En hij stond op en nam de mand met zijn vijgen en ging de stad Jeruzalem binnen, en hij herkende de stad niet, noch zijn huis. 8 En hij zei: Gezegend zijt U, Heere, want een grote verbijstering is over mij gekomen. 9 En hij zei: Is dit niet de stad Jeruzalem? Voorwaar, ik ben verdwaald, want ik ben langs de bergweg gekomen toen ik uit mijn slaap opstond; en omdat mijn hoofd mij zwaar was en ik de slaap niet genoot, is mijn hart verward. 10 En hoe zal ik dit woord vertellen aan Jeremia, hoe de stad mij vreemd is geworden? 11 En hij doorzocht heel de stad naar elk teken dat in de stad was, opdat hij zou weten of het Jeruzalem was. 12 En hij keerde weer de stad in en doorzocht of er iemand was die hem kende, en hij vond niemand; en hij zei: Gezegend zijt U, Heere, want een grote verbijstering is over mij gevallen. 13 En hij ging weer de stad uit, ver weg, en hij bleef zitten, treurende, en waarheen hij zou gaan wist hij niet. 14 En hij zette die mand met vijgen neer en zei: Ik zal hier blijven totdat de Heere deze verbijstering van mij wegneemt. 15 En na deze dingen, terwijl hij zat, zag hij een oude man uit het veld komen; en Abimelech zei tot hem: Ik zeg u, u oude man, welke stad is dit? 16 En hij zei tot hem, de oude man: Het is Jeruzalem. 17 En Abimelech zei tot hem: Waar is Jeremia de priester, en Baruch de Leviet, en heel het volk van deze stad? Want ik heb niemand gevonden. 18 En de oude man zei tot hem: Zijt u niet uit deze stad, dat u vandaag aan Jeremia denkt, om zo naar hem te vragen na al deze dagen dat u zijt weg geweest? Want Jeremia, 19 is in Babylon met het volk; want zij werden als gevangene weggevoerd en overgegeven in de hand van Nebukadnezar, de koning van Perzië, en hij ging daarheen om hun te profeteren. 20 En toen hoorde Abimelech dit van die oude man, en Abimelech zei tot hem: Was u geen oude man, ik zou u versmaad en over u gelachen hebben; maar het past niet mensen en een bejaarde te verachten. En was u niet zo, zou ik zeggen dat u dwaalt, om wat u zegt: Het volk werd weggevoerd naar Babylon. 21 Het volk werd weggevoerd naar Babylon; zelfs al waren de stromen des hemels op hen neergedaald, het was nog geen tijd dat zij naar Babylon zouden gaan. 22 U zegt: Zij werden weggevoerd naar Babylon. Maar ik, zoals mijn vader Jeremia mij gezonden had, ging naar de wijngaard van Agrippa om een weinig vijgen, opdat wij die aan de zieken onder het volk zouden geven. 23 Ik ging en kwam daar aan en nam wat hij mij bevolen had, en ik keerde terug; en terwijl ik ging, vond ik een boom en ik ging eronder zitten, opdat ik zou schuilen, want het was ten tijde van de middaghitte; en vandaar leunde ik op de mand met vijgen en sliep in. 24 En toen ik ontwaakte, meende ik dat ik getalmd had, en ik ontdekte deze mand met vijgen en vond dat er melk uitdroop, zoals ik ze uitgelezen had genomen. 25 U zegt: Het volk werd weggevoerd naar Babylon. En zie, 26 zie toe, dat mijn vijgen niet verwelkt zijn. 27 En hij ontdekte voor hem de mand met vijgen en toonde ze hem; en de oude man zag toe 28 de oude man, dat deze vijgen vers waren en van melk dropen. En toen verwonderde die oude man zich en zei tot Abimelech: U zijt rechtvaardig, mijn zoon, want God wilde niet dat u de verwoesting van de stad getoond zou worden, en God bracht een sluimering over u en spaarde u. 29 Zie, vandaag zijn het zesenzestig jaar geworden sinds de dag dat het volk werd weggevoerd naar Babylon. 30 En als u wilt weten en verstaan, mijn zoon, zie dan en aanschouw in de velden, dat het gewas ervan niet is opgeschoten, 31 en dat de vijgen niet in hun tijd zijn; en hij begreep dat het niet de tijd voor dit alles was. 32 Toen zei Abimelech met luider stem: Ik zegen U, Heere, mijn God, God van hemel en aarde, de Rust van de zielen van de rechtvaardigen in alle landen. 33 En hij zei tot de oude man: Welke maand is deze? 34 En hij zei tot hem: Het is de twaalfde van de maand Nisan, dat is Miyazya. 35 En hierna gaf Abimelech aan deze oude man van deze vijgen; en hij zei: Moge God u leiden naar de stad die daarboven is, Jeruzalem. ### 4 Baruch 6 1 En Abimelech stond op en ging naar buiten, buiten de stad, en bad tot den Heere. 2 En zie, er kwam een engel en leidde hem naar Baruch, en hij vond hem in een graf, terwijl hij daar zat. 3 En toen zij elkander begroetten, huilden zij onder elkander en kusten elkander. 4 En hij zag de vijgen in zijn mand. 5 En hij hief zijn ogen op naar de hemel en bad, zeggende: 6 Groot is de God, die aan Zijn rechtvaardigen hun loon geeft. Verheug u, mijn ziel, en wees blijde, en zeg tot het huis des vleses van de heilige tempel: uw verdriet zal zich wenden tot het licht. En hierna komt de Getrouwe en zal u teruggeven in uw tabernakel. 7 Bezoek uw maagdelijke geloof, en zo u herleeft, geloof dat u leven zult. 8 Zie de vijgen: ziet, zes en zestig jaar zijn zij sinds zij geplukt werden, en zij zijn niet bedorven noch verrot, maar zij druppen melk. 9 Zo zal het met u gebeuren, mijn vlees, omdat u de geboden bewaard hebt, uw geboden, van den engel van de gerechtigheid. 10 Die de mand met vijgen bewaard heeft, Hij zal u opnieuw bewaren door Zijn kracht. 11 En toen Baruch dit gezegd had, antwoordde Abimelech en zei tot hem: Sta op, laat ons opnieuw bidden, opdat de Heere ons de woorden tone, die wij aan Jeremia in Babylon zullen schrijven aangaande de bedekking waarmee Hij mij bedekt heeft. 12 En Baruch bad en zei: Mijn kracht is God, de Heere is Hij, en het licht dat uit Zijn mond voortkomt. 13 Ik verkies en ik smeek U in Uw grote goedheid: Uw naam, en niemand is er die hem kan kennen; hoor het gebed van Uw dienaar, opdat het bekend zij in mijn hart, Uw wil om te doen. 14 Hoe zal ik dan zenden aan Uw priester Jeremia in Babylon? 15 En terwijl hij dit bad, kwam een engel en zei tot hem: Baruch, agent van het licht, wees niet bezorgd hoe u zenden zult; want u zult naar Jeremia zenden. Morgen, ter ure van het licht, komt tot u een arend, en u zult zelf bezoek doen aangaande Jeremia, en schrijf in een brief. 16 En zeg hun zo: Tot de kinderen van Israël: Wie een vreemdeling wordt onder u, die worde afgezonderd, tot vijftien dagen; en hierna zal Ik u binnenbrengen in de stad, zegt de Heere, die niet gescheiden is. 17 Op de vijftiende dag zal Jeremia uit Babylon in de stad ingaan, en hij zal de mannen van Babylon berispen, zegt de Heere. 18 En toen de engel dit gezegd had, ging hij weg van Baruch. 19 En Baruch zond naar de markt en bracht papier en zwarte inkt, en hij schreef, zeggende: Van Baruch. De God heeft gemaakt dat hij een brief aan Jeremia schreef, in de gevangenschap van Babylon. 20 Vreugde en blijdschap! Want God heeft ons niet verlaten om treurende uit te gaan wegens de smaad en de verwoesting. 21 Daarom heeft de Heere Zich ontfermd over onze tranen, en Hij heeft gedacht aan het verbond dat Hij tevoren gemaakt heeft met onze vaderen Abraham, Izak en Jakob. 22 En Hij zond Zijn engel tot mij, en hij sprak tot mij deze woorden, die ik tot u zend. 23 Dit zijn de woorden die de Heere, de God van Israël, gesproken heeft, die ons uitleidde uit het land Egypte, uit het vuur: Omdat u niet al Zijn gerechtigheden bewaard hebt, maar uw trotsheid verheven hebt, en uw nek voor Hem verstijfd hebt, heeft Hij u overgeleverd in den oven van Babylon. 24 Want u hebt Mijn stem niet gehoord, zegt de Heere. Uit den mond van Jeremia, Mijn dienaar, zal Ik hen die geluisterd hebben uit Babylon uitleiden, en zij zullen geen vreemdeling zijn van Jeruzalem in Babylon. En als u wilt, opdat u hen kent en beproeft, beproef hen door het water van de Jordaan. 25 En wie niet luistert, die zal openbaar worden. Door dit teken zal het groter teken bekend worden, en de zegel die groot is. ### 4 Baruch 7 1 En Baruch stond op en ging uit van het graf, en hij vond de arend zittende buiten het graf. 2 En de arend zei tot hem: Gegroet zijt u, Baruch, rentmeester des geloofs. 3 En Baruch zei tot hem: U, o Baruch, want u zijt uitverkoren uit al de vogels des hemels; u spreekt, en uit het licht uwer ogen is het openbaar. En nu, toon mij wat u hier doet. 4 En de arend zei tot hem: Ik ben hierheen gezonden, opdat u door mij alle woord dat u wilt, zoudt zenden. 5 En Baruch zei tot hem: Kunt u dit woord overbrengen tot Jeremia in Babylon? 6 En de arend zei: Om deze reden ben ik gezonden. 7 En Baruch nam de brief en vijftien vijgen uit de mand van de vijgen die Abimelech gebracht had, en hij bond die aan den hals van den arend, en zei tot hem: Tot u zeg ik, o arend, koning van al de vogels: Ga heen in vrede en in gezondheid, en breng ons de boodschap. 8 En word niet gelijk aan de raaf, die Noach uitzond, en die weigerde weer tot hem te keren; maar word gelijk aan de duif, die voor de derde keer het woord terugbracht aan den rechtvaardige. 9 Zo ook u, neem dit goede woord tot Jeremia en tot degenen die met hem zijn, Israël, opdat het u wél ga; en neem deze blijde boodschap tot het volk, de uitverkorenen van God. 10 En als al de vogels u omringen, en al de vijanden van de gerechtigheid, begerende u te doden, zo strijd; en de Heere zal u kracht geven. 11 En wijk niet af, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar als een pijl die recht heengaan; ga heen in de kracht Gods, en de heerlijkheid des Heeren zal met u zijn. 12 Toen vloog de arend op en ging heen naar Babylon, hebbende den brief aan zijn hals gebonden; en hij rustte op een pilaar buiten de stad, in een plaats van de woestijn, en wachtte daar totdat Jeremia zou voorbijgaan. 13 En anderen van het volk, en zij gingen daar voorbij, om een man te begraven die gestorven was. 14 Want Jeremia had Nebukadnezar gebeden, zeggende: Geef mij een plaats waar ik mijn volk mag begraven dat gestorven is; en hij gaf het hem. 15 En terwijl zij voortgingen, en huilden over den gestorvene, kwamen zij tot waar die arend was. 16 En de arend riep met luider stem, en zei: Tot u zeg ik, Jeremia, uitverkorene Gods: Ga heen en vergader al het volk, en kom herwaarts, opdat zij een brief mogen horen die ik u gebracht heb. 17 En dit gehoord hebbende, verheerlijkte hij God; en meteen vergaderde hij al het volk, en hun vrouwen en hun kinderen, en zij kwamen tot waar de arend was. 18 En die arend daalde neder op den dode, en hij werd levend. 19 En dit deed hij, opdat zij zouden geloven. 20 En al het volk verwonderde zich over wat gebeurd was, en zij zeiden: Misschien is deze de God die aan onze vaderen verscheen in de woestijn door Mozes; en hij verscheen in de gedaante van een arend, en hij verscheen ons als een grote arend. 21 En de arend zei tot Jeremia, zeggende: Kom en hoor dezen brief, en lees hem voor het volk. En hij las hun dien voor. 22 En toen het volk het hoorde, huilden zij allen tezamen, en zij wierpen as op hun hoofd, en zeiden tot Jeremia: Verlos ons; wat zullen wij doen, opdat wij mogen wederkeren in onze stad? 23 En Jeremia stond op en zei tot hen: Doet naar al wat u uit den brief gehoord hebt, en Hij zal u teruggeven in uw stad. 24 En Jeremia schreef een brief aan Baruch, zo zeggende: Mijn geliefde zoon, wees niet nalatig in het gebed, terwijl u God smeekt voor ons, opdat Hij ons legde op onze weg, totdat wij uitgaan onder het gebod van dezen goddelozen koning. 25 Want u, u hebt gerechtigheid gevonden voor het aangezicht Gods, die u niet verlaten heeft. Kom niet tot ons, opdat u het kwaad niet ziet dat gedaan wordt aan het volk in Babylon. 26 Gelijk een vader die één zoon heeft, en die overgegeven wordt om gestraft te worden; en degenen die bij zijn vader zijn en hem vertroosten, bedekken hun aangezicht, opdat zij zijn vader niet zien, dat hij niet vergaat in verdriet gelijk deze. Zo heeft God Zich over u ontfermd. 27 En Hij heeft u niet verlaten. Kom niet tot Babylon, opdat u de benauwdheid van het volk niet ziet. 28 Want van den dag af dat wij in deze stad gekomen zijn, hebben wij niet gerust tot op dezen dag, van verdriet, zesenzestig jaren; tot op vandaag. 29 Want dikwijls, wanneer ik uitging, vond ik sommigen van het volk opgehangen door koning Nebukadnezar, huilend en zeggende: Ontferm U over ons, o God-Zar. 30 En toen ik dit woord hoorde, was ik bedroefd, en ik huilde, wanneer zij een anderen god van de opgehangenen aanriepen, en zeiden: Ontferm U over ons. 31 En ik gedacht, ik, aan het feest dat wij hielden in Jeruzalem, eer wij weggevoerd werden; en dit gedacht hebbende, keerde ik weer in mijn huis, treurende en huilend. 32 En nu, smeekt onze God, waar u zijt, u en Abimelech, voor het volk, opdat zij mijn stem horen en het woord mijns monds, opdat zij uitgaan uit Perzië. 33 En nu zeg ik u: Al de dagen die wij hier gewoond hebben, hebben zij ons gedwongen, zeggende: Zingt ons een nieuw gezang uit de gezangen van Sion, het gezang van uw God. 34 En wij zeiden tot hen: Hoe zullen wij voor u zingen, daar wij zijn in een vreemd land? Zo geschreven hebbende, bond Jeremia zijn brief aan den hals van den arend, en zei tot hem: Ga heen in vrede, en de Heere bezoeke u. 35 En de arend vloog heen en bracht den brief tot Baruch. 36 En Baruch nam den brief en las hem, en hij huilde toen hij hoorde van het lijden van het volk en hun benauwdheid. 37 Maar Jeremia nam die vijgen en gaf ze aan de kranken die onder het volk waren, en hij bleef hen onderrichten, opdat zij zich onthouden zouden van de werken van het volk van Babylon. ### 4 Baruch 8 1 En het gebeurde, toen de dag aanbrak waarop God het volk uit Babylon deed uittrekken, 2 dat de Heere tot Jeremia zei: Sta op, u en uw volk, en gaat naar de Jordaan, en zeg tot het volk: Al wie de Heere begeert, laat hem de werken van Babylon verlaten. En aangaande de mannen die vrouwen uit hen genomen hebben, en de vrouwen die mannen uit hen genomen hebben, 3 wie naar u geluisterd hebben, die zal ik naar Jeruzalem doen komen; maar wie naar u niet geluisterd hebben, verlaat hen niet, opdat zij daarbinnen ingaan. 4 En Jeremia las hun dit alles voor, en hij bracht hen naar de Jordaan, opdat hij hen zou beproeven. 5 En terwijl hij hun deze woorden verhaalde die de Heere tot hem gesproken had, weigerden zij die getrouwd waren en niet wilden dat zij naar Jeremia luisterden; en er waren er die tot hem zeiden: Wij zullen onze vrouwen in eeuwigheid niet verlaten; wij zullen haar met ons meenemen naar onze stad. En zij trokken over de Jordaan, 6 en zij kwamen te Jeruzalem. 7 En Jeremia en Baruch en Abimelech stonden op, zeggende: Geen man die met een vrouw uit Babylon getrouwd is zal in onze stad ingaan. 8 En zij die vrouwen van hun makkers getrouwd hadden, zeiden: Staat op, laat ons naar Babylon wederkeren. En zij vertrokken en keerden terug. 9 Maar toen de mannen van Babylon hen zagen, trokken zij uit, opdat zij hen niet zouden ontvangen, en zij lieten hen niet toe dat zij in Babylon ingingen, zeggende: U hebt ons tevoren gehaat, en in het geheim zijt u van ons uitgegaan; en om deze zaak zult u niet ingaan in onze stad. 10 Want wij hebben gezworen bij de naam van onze god, dat wij noch u noch uw dochters zullen ontvangen, omdat u in het geheim van ons zijt uitgegaan. 11 En toen zij dit gehoord hadden, keerden zij terug en kwamen te Jeruzalem, en zij bouwden zich steden in de omstreken van Jeruzalem, en zij noemden die stad Samaria. 12 En Jeremia zond tot hen, zeggende: Bekeert u, en zie, de engel van de gerechtigheid komt, en hij zal u teruggeven naar uw verheven plaats. ### 4 Baruch 9 1 En zij bleven zich verheugen en offerden zeven dagen voor het volk. 2 En op de tiende dag, nadat dit gebeurd was, bracht Jeremia alleen het offer op. 3 En Jeremia bad, zeggende: Heilig, heilig, heilig zijt U, zoete geur voor de mensen, en waarachtig licht dat mij verlicht, totdat ik voor U kom. 4 Voor Uw aangezicht smeek ik U vanwege Uw volk, en ik bid U om de zoete stem van de serafim, en vanwege de geur van het reukwerk van de cherubim smeek ik U. 5 Ja, o zanger Michaël, engel van de gerechtigheid is hij, die de poorten van de gerechtigheid opent, totdat zij daarin ingaan. 6 Ik smeek U, Heere van allen en Heere die alles bevat en die alles geschapen heeft, het zichtbare en het ongeborene, die alles voltooid heeft; en de hele schepping was verborgen bij Hem, eer zij in het verborgen gemaakt werden. 7 En toen hij dit gebeden had en zijn gebed voleindigd had, stond Jeremia in het huis des heiligdoms, en met hem Baruch en Abimelech; en Jeremia werd als een mens van wie de ziel geweken was. 8 En meteen vielen Baruch en Abimelech neder en riepen met luider stem en zeiden: Wee ons! Onze vader Jeremia, de priester Gods, is van ons heengegaan. 9 En toen het volk dit hoorde, liepen zij tot hem toe, en vonden Jeremia nedergevallen en dood. 10 En zij huilden en scheurden hun kleren en wierpen as op hun hoofd en huilden een bittere weeklacht. 11 En daarna maakten zij zich gereed om hem te begraven. 12 Toen kwam er een stem, zeggende: Begraaft niet degene die nog leeft, want zijn ziel keert opnieuw in zijn lichaam. 13 En toen zij deze stem hoorden, begroeven zij hem niet, maar zij bleven bij hem waken, rondom hem, drie dagen, totdat zijn ziel in zijn lichaam wederkeren zou. 14 En er kwam een stem in het midden van hen allen, en hij zei: Looft Hem met eenparige stem, looft God! En u allen, looft de Messias, de Zoon Gods, die u opwekt en over u regeren zal, Jezus, de Zoon Gods, het licht voor de hele wereld, en de lamp die niet uitgeblust wordt, en het leven des geloofs. 15 En het zal gebeuren, dat na deze dagen er nog vierhonderdzevenenzeventig jaren zijn zullen tot aan zijn komst op de aarde. 16 De boom des levens, die in het paradijs is en niet geplant werd, zal alle bomen die vrucht voortbrengen en die dor zijn, doen tot Hem komen; en Hij zal maken dat zij vrucht dragen en uitspruiten, en hun vrucht zal met de engelen blijven. 17 En aangaande het planten van de bomen, opdat zij groenen en gedijen: wij geven de dauw des morgens aan de lucht, opdat hun wortels niet verdorren gelijk een plant die geen wortel in de aarde gevat heeft. 18 En wat rood is zal wit worden gelijk wol; en het zoete water zal bitter worden, en het bittere zoet, in de grote blijdschap en de vreugde Gods voor de eilanden, opdat zij vrucht voortbrengen door het woord van Zijn mond, Zijn eigen Zoon. 19 En Hijzelf zal in de wereld ingaan, en Hij zal voor Zich twaalf apostelen verkiezen, opdat zij zich vertonen; die ik gezien heb, versierd, uitgezonden van bij Zijn Vader, die in de wereld komt. 20 En op de Olijfberg zal Hij treden, en Hij zal de hongerige ziel verzadigen. En zo sprak Jeremia aangaande de Zoon Gods, dat Hij in de wereld komen zou. 21 En toen het volk dit hoorde, ontstaken zij in toorn hierover, en zeiden: Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos, die zei: Ik heb God gezien en de Zoon Gods. 22 Staat op, laat ons met hem doen gelijk wij met Jesaja gedaan hebben. En sommigen van hen zeiden: Nee, maar laat ons hem met stenen stenigen. 23 En Baruch en Abimelech riepen tot hen, zeggende: In deze dood, doodt hem niet! En Baruch en Abimelech waren bedroefd vanwege Jeremia, en bovendien lieten zij niet af, opdat hij hun de verborgen dingen zou verkondigen die hij gezien had. 24 En Jeremia zei tot hen: Zwijgt en weent niet, want zij kunnen mij niet doden, totdat ik u alles verkondigd heb wat ik gezien heb. 25 Brengt mij een steen, en zij brachten hem een steen. 26 En hij richtte hem op en zei: Eeuwig licht, maak deze steen, dat hij worde naar de gedaante van een mens. En meteen werd de steen naar de gedaante van Jeremia, hem gelijkende. 27 En zij begonnen de steen te stenigen, terwijl hij hun toescheen Jeremia te zijn. 28 En Jeremia verkondigde aan Baruch en aan Abimelech al de verborgen dingen die hij gezien had. 29 En daarna, toen hij het hun voleindigd had te verkondigen, ging hij en stond in het midden van het volk, begerende zijn dienst te volbrengen. 30 En meteen riep die steen tot hen en zei: O u dwazen, kinderen van Israël, waarom stenigt u mij, terwijl u mij aanziet voor Jeremia? Zie, Jeremia staat in uw midden! 31 En toen zij hem zagen, liepen zij op hem toe met vele stenen, en zij volbrachten aan hem het verraad, en zijn dienst werd volbracht. 32 En zij begroeven hem, en zij namen die steen en legden hem in zijn graf, en zij maakten hem als een deur, en schreven daarop, zeggende: Zie, deze is de helper van Jeremia.